Hoofdstuk VII.

Hoofdstuk VII.Geschiedenis van Emily Russell.Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordigin New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord vande Paarlhun heil zochten.Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!—Alexandria, 22 Januarij 1850.Lieve, beste Moeder!Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik inBruin’s gevangenisben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve,beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.Uwe dochter,Emily Russell.Aan Ms. Nancy Cartwright,New York.P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. „Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?” was hare vraag. Alles wat zij bezat,—haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste—dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.Alexandria, 31 Januarij 1850.Geachte Heer,Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven danachttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen.Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden.Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderddollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.Met alle achting,Bruin&Hill.Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen deachttien honderdentwee duizend dollarsbedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, datde Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is!1Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd—niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebbenhet herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,—hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:„Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?”„Ja, ik heb tijding,” antwoordde hij, „Bruin en Hill hebben een brief geschreven.”„En wat schrijven zij?”Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:—„Emily is dood.”De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: „God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!”En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden gehouden? Zegt Christus niet: „Voor zoo ver gij dit aanden minstevan deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan.” O woorden des jammers voor u, Amerika!—woorden des jammers voor u, Kerk van Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels, zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt gij dagelijks: „Uw koningrijk kome!” Durft gij bidden: „Kom, Heere Jezus! kom haastelijk”?O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien de Heer, dien gij zoekt,haastelijkin Zijn tempel kwam? Indien Zijne ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten, wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,—die den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen, verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen—is die kerk de bruid van Christus? Is zij een met Christus,zoo als Christus een is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld heeft om haar te betalen!Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had eene vrouw, die aan boord was vande Paarl. Men veronderstelde, dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet, en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het, of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen, met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden, en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij er in toe, dat men het proces zou staken.Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket, negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom, dat hij hardnekkig in zijne weigering volharddeom den man te noemen, die den togt vande Paarlontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund, met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: „ik heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele leven gezien heb.” In een ander:„Het zou mij pleizier doen iets van haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn, als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen.”In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier eenfacsimilebij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende.2Mr.Bigelow. Waarde Mijnheer!18 Februarij 1852.Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.Ik blijf uw onderdanige dienaar.Thomas Ducket.Gij kunt regelregt schrijven aan Thomas Ducket, in dienst van Mr. Samuel T. Harrison, Louisiana nabij Bayou Goula. Laat mij om Gods wil toch iets van u allen hooren. Mijne vrouw en kinderen zijn mij nacht noch dag uit de gedachte.1„Woorden, op de jaarlijksche Conferentie te Georgia;Aangenomen, dat de slavernij,zoo als zij bestaatin de Vereenigde Staten, geen zedelijk kwaad is.”2Hetfacsimile, voor den Hollandschen lezer van geen belang, laten wij in deze uitgave achterwege.Vertaler.

Hoofdstuk VII.Geschiedenis van Emily Russell.Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordigin New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord vande Paarlhun heil zochten.Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!—Alexandria, 22 Januarij 1850.Lieve, beste Moeder!Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik inBruin’s gevangenisben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve,beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.Uwe dochter,Emily Russell.Aan Ms. Nancy Cartwright,New York.P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. „Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?” was hare vraag. Alles wat zij bezat,—haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste—dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.Alexandria, 31 Januarij 1850.Geachte Heer,Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven danachttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen.Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden.Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderddollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.Met alle achting,Bruin&Hill.Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen deachttien honderdentwee duizend dollarsbedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, datde Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is!1Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd—niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebbenhet herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,—hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:„Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?”„Ja, ik heb tijding,” antwoordde hij, „Bruin en Hill hebben een brief geschreven.”„En wat schrijven zij?”Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:—„Emily is dood.”De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: „God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!”En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden gehouden? Zegt Christus niet: „Voor zoo ver gij dit aanden minstevan deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan.” O woorden des jammers voor u, Amerika!—woorden des jammers voor u, Kerk van Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels, zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt gij dagelijks: „Uw koningrijk kome!” Durft gij bidden: „Kom, Heere Jezus! kom haastelijk”?O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien de Heer, dien gij zoekt,haastelijkin Zijn tempel kwam? Indien Zijne ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten, wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,—die den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen, verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen—is die kerk de bruid van Christus? Is zij een met Christus,zoo als Christus een is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld heeft om haar te betalen!Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had eene vrouw, die aan boord was vande Paarl. Men veronderstelde, dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet, en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het, of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen, met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden, en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij er in toe, dat men het proces zou staken.Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket, negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom, dat hij hardnekkig in zijne weigering volharddeom den man te noemen, die den togt vande Paarlontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund, met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: „ik heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele leven gezien heb.” In een ander:„Het zou mij pleizier doen iets van haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn, als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen.”In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier eenfacsimilebij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende.2Mr.Bigelow. Waarde Mijnheer!18 Februarij 1852.Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.Ik blijf uw onderdanige dienaar.Thomas Ducket.Gij kunt regelregt schrijven aan Thomas Ducket, in dienst van Mr. Samuel T. Harrison, Louisiana nabij Bayou Goula. Laat mij om Gods wil toch iets van u allen hooren. Mijne vrouw en kinderen zijn mij nacht noch dag uit de gedachte.1„Woorden, op de jaarlijksche Conferentie te Georgia;Aangenomen, dat de slavernij,zoo als zij bestaatin de Vereenigde Staten, geen zedelijk kwaad is.”2Hetfacsimile, voor den Hollandschen lezer van geen belang, laten wij in deze uitgave achterwege.Vertaler.

Hoofdstuk VII.Geschiedenis van Emily Russell.Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordigin New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord vande Paarlhun heil zochten.Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!—Alexandria, 22 Januarij 1850.Lieve, beste Moeder!Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik inBruin’s gevangenisben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve,beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.Uwe dochter,Emily Russell.Aan Ms. Nancy Cartwright,New York.P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. „Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?” was hare vraag. Alles wat zij bezat,—haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste—dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.Alexandria, 31 Januarij 1850.Geachte Heer,Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven danachttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen.Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden.Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderddollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.Met alle achting,Bruin&Hill.Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen deachttien honderdentwee duizend dollarsbedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, datde Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is!1Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd—niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebbenhet herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,—hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:„Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?”„Ja, ik heb tijding,” antwoordde hij, „Bruin en Hill hebben een brief geschreven.”„En wat schrijven zij?”Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:—„Emily is dood.”De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: „God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!”En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden gehouden? Zegt Christus niet: „Voor zoo ver gij dit aanden minstevan deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan.” O woorden des jammers voor u, Amerika!—woorden des jammers voor u, Kerk van Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels, zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt gij dagelijks: „Uw koningrijk kome!” Durft gij bidden: „Kom, Heere Jezus! kom haastelijk”?O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien de Heer, dien gij zoekt,haastelijkin Zijn tempel kwam? Indien Zijne ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten, wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,—die den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen, verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen—is die kerk de bruid van Christus? Is zij een met Christus,zoo als Christus een is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld heeft om haar te betalen!Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had eene vrouw, die aan boord was vande Paarl. Men veronderstelde, dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet, en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het, of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen, met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden, en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij er in toe, dat men het proces zou staken.Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket, negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom, dat hij hardnekkig in zijne weigering volharddeom den man te noemen, die den togt vande Paarlontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund, met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: „ik heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele leven gezien heb.” In een ander:„Het zou mij pleizier doen iets van haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn, als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen.”In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier eenfacsimilebij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende.2Mr.Bigelow. Waarde Mijnheer!18 Februarij 1852.Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.Ik blijf uw onderdanige dienaar.Thomas Ducket.Gij kunt regelregt schrijven aan Thomas Ducket, in dienst van Mr. Samuel T. Harrison, Louisiana nabij Bayou Goula. Laat mij om Gods wil toch iets van u allen hooren. Mijne vrouw en kinderen zijn mij nacht noch dag uit de gedachte.1„Woorden, op de jaarlijksche Conferentie te Georgia;Aangenomen, dat de slavernij,zoo als zij bestaatin de Vereenigde Staten, geen zedelijk kwaad is.”2Hetfacsimile, voor den Hollandschen lezer van geen belang, laten wij in deze uitgave achterwege.Vertaler.

Hoofdstuk VII.Geschiedenis van Emily Russell.

Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordigin New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord vande Paarlhun heil zochten.Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!—Alexandria, 22 Januarij 1850.Lieve, beste Moeder!Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik inBruin’s gevangenisben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve,beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.Uwe dochter,Emily Russell.Aan Ms. Nancy Cartwright,New York.P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. „Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?” was hare vraag. Alles wat zij bezat,—haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste—dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.Alexandria, 31 Januarij 1850.Geachte Heer,Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven danachttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen.Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden.Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderddollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.Met alle achting,Bruin&Hill.Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen deachttien honderdentwee duizend dollarsbedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, datde Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is!1Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd—niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebbenhet herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,—hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:„Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?”„Ja, ik heb tijding,” antwoordde hij, „Bruin en Hill hebben een brief geschreven.”„En wat schrijven zij?”Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:—„Emily is dood.”De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: „God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!”En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden gehouden? Zegt Christus niet: „Voor zoo ver gij dit aanden minstevan deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan.” O woorden des jammers voor u, Amerika!—woorden des jammers voor u, Kerk van Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels, zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt gij dagelijks: „Uw koningrijk kome!” Durft gij bidden: „Kom, Heere Jezus! kom haastelijk”?O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien de Heer, dien gij zoekt,haastelijkin Zijn tempel kwam? Indien Zijne ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten, wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,—die den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen, verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen—is die kerk de bruid van Christus? Is zij een met Christus,zoo als Christus een is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld heeft om haar te betalen!Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had eene vrouw, die aan boord was vande Paarl. Men veronderstelde, dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet, en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het, of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen, met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden, en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij er in toe, dat men het proces zou staken.Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket, negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom, dat hij hardnekkig in zijne weigering volharddeom den man te noemen, die den togt vande Paarlontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund, met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: „ik heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele leven gezien heb.” In een ander:„Het zou mij pleizier doen iets van haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn, als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen.”In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier eenfacsimilebij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende.2Mr.Bigelow. Waarde Mijnheer!18 Februarij 1852.Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.Ik blijf uw onderdanige dienaar.Thomas Ducket.Gij kunt regelregt schrijven aan Thomas Ducket, in dienst van Mr. Samuel T. Harrison, Louisiana nabij Bayou Goula. Laat mij om Gods wil toch iets van u allen hooren. Mijne vrouw en kinderen zijn mij nacht noch dag uit de gedachte.

Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordigin New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.

Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord vande Paarlhun heil zochten.

Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!—

Alexandria, 22 Januarij 1850.Lieve, beste Moeder!Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik inBruin’s gevangenisben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve,beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.Uwe dochter,Emily Russell.Aan Ms. Nancy Cartwright,New York.P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.

Alexandria, 22 Januarij 1850.

Lieve, beste Moeder!

Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik inBruin’s gevangenisben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve,beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.

Uwe dochter,

Emily Russell.

Aan Ms. Nancy Cartwright,New York.

P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.

Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. „Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?” was hare vraag. Alles wat zij bezat,—haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste—dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.

Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.

Alexandria, 31 Januarij 1850.Geachte Heer,Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven danachttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen.Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden.Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderddollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.Met alle achting,Bruin&Hill.

Alexandria, 31 Januarij 1850.

Geachte Heer,

Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven danachttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen.Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden.Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderddollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.

Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.

Met alle achting,

Bruin&Hill.

Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.

Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen deachttien honderdentwee duizend dollarsbedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, datde Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is!1

Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.

Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd—niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebbenhet herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,—hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!

Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!

Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.

Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.

Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:

„Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?”

„Ja, ik heb tijding,” antwoordde hij, „Bruin en Hill hebben een brief geschreven.”

„En wat schrijven zij?”

Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:—

„Emily is dood.”

De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: „God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!”

En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden gehouden? Zegt Christus niet: „Voor zoo ver gij dit aanden minstevan deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan.” O woorden des jammers voor u, Amerika!—woorden des jammers voor u, Kerk van Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels, zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt gij dagelijks: „Uw koningrijk kome!” Durft gij bidden: „Kom, Heere Jezus! kom haastelijk”?O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien de Heer, dien gij zoekt,haastelijkin Zijn tempel kwam? Indien Zijne ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten, wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,—die den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen, verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen—is die kerk de bruid van Christus? Is zij een met Christus,zoo als Christus een is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld heeft om haar te betalen!

Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had eene vrouw, die aan boord was vande Paarl. Men veronderstelde, dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet, en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het, of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen, met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden, en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij er in toe, dat men het proces zou staken.

Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket, negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom, dat hij hardnekkig in zijne weigering volharddeom den man te noemen, die den togt vande Paarlontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund, met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: „ik heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele leven gezien heb.” In een ander:„Het zou mij pleizier doen iets van haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn, als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen.”

In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier eenfacsimilebij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende.2

Mr.Bigelow. Waarde Mijnheer!18 Februarij 1852.Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.Ik blijf uw onderdanige dienaar.Thomas Ducket.

Mr.Bigelow. Waarde Mijnheer!

18 Februarij 1852.

Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.

Ik blijf uw onderdanige dienaar.

Thomas Ducket.

Gij kunt regelregt schrijven aan Thomas Ducket, in dienst van Mr. Samuel T. Harrison, Louisiana nabij Bayou Goula. Laat mij om Gods wil toch iets van u allen hooren. Mijne vrouw en kinderen zijn mij nacht noch dag uit de gedachte.

1„Woorden, op de jaarlijksche Conferentie te Georgia;Aangenomen, dat de slavernij,zoo als zij bestaatin de Vereenigde Staten, geen zedelijk kwaad is.”2Hetfacsimile, voor den Hollandschen lezer van geen belang, laten wij in deze uitgave achterwege.Vertaler.

1„Woorden, op de jaarlijksche Conferentie te Georgia;Aangenomen, dat de slavernij,zoo als zij bestaatin de Vereenigde Staten, geen zedelijk kwaad is.”

2Hetfacsimile, voor den Hollandschen lezer van geen belang, laten wij in deze uitgave achterwege.

Vertaler.


Back to IndexNext