Hoofdstuk VI.

Hoofdstuk VI.Beschermende bepalingen ten aanzien van voedsel, kleeding, arbeid, enz.De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven reeds overtollig en dwaas zijn:„Hoe!” zeggen zij, „zijn de slaven dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en kleeding of door bovenmatigen arbeid?” Die redenering schijnt echter niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter Taylor zegt: „de wet van 1786 erkent in den considerans het feit, datvelepersonen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden,” en heldert die woorden nader op door het volgende: „De wreede behandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende, strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen.”In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene bepaling voorkomt met den volgenden considerans:„Vermitsveleeigenaars van slaven enanderepersonen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt....”En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dantienuren, zelfs in de zomermaanden.Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters, die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen, stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen, die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt het mede zoo als zij het in de „Schets” heeft aangetroffen.„Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed,waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten.”Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet afleiden, dat zij althans totietsmoest leiden. Wij willen met een enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages.1„En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw endochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan—eens in de maand misschien—ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.„De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering,tweewoonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond.”De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn „Leven van Patrick Henry” de laagste en diepstgezonkene van alle standen in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep gevallen en gewetenlooze klassevan menschen.” Denken wij ons thans, terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden der plantage,—Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,—geven hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbeslotenom, indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige versterking.—Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw naam als ik vragen mag?—Shallow.—De heeren Legree en Shallow nemen stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:„Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van—hum hum! waar duivel is die wet? (Hij bladert intusschen ineen oud wetboek). Hoe drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord, Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet leveren, dat weet ge.”Shallow(stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen zij aan hebben!Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien heb. Zij schijnen heel tevreden.Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben, dat weet ge.Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na eenige oogenblikken herneemt de regter:„Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als ge weet.” Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook, die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van de lezer over.In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan, waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij, die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig is. Want omtrent eene scène in deNegerhut, waarbij verhaald wordt dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve aanmerking:„Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten vanLouisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het door eene wet verboden is.Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van huisgezinnen te zijn?Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen zijner persoonlijke vrijheid en ditmoet nog in sommige Staten door een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.Veronderstellen wij dat Butler Cassy’s negenjarig kind wil verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kangeeneactie instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan—wat dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil, kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen, dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen, en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens met zulk een maatregel.Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen spreken, zooveel te beter dit voor hen is.1Slavernij zoo als zij is; Verklaringen van een duizendtal getuigen.

Hoofdstuk VI.Beschermende bepalingen ten aanzien van voedsel, kleeding, arbeid, enz.De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven reeds overtollig en dwaas zijn:„Hoe!” zeggen zij, „zijn de slaven dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en kleeding of door bovenmatigen arbeid?” Die redenering schijnt echter niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter Taylor zegt: „de wet van 1786 erkent in den considerans het feit, datvelepersonen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden,” en heldert die woorden nader op door het volgende: „De wreede behandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende, strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen.”In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene bepaling voorkomt met den volgenden considerans:„Vermitsveleeigenaars van slaven enanderepersonen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt....”En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dantienuren, zelfs in de zomermaanden.Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters, die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen, stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen, die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt het mede zoo als zij het in de „Schets” heeft aangetroffen.„Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed,waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten.”Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet afleiden, dat zij althans totietsmoest leiden. Wij willen met een enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages.1„En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw endochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan—eens in de maand misschien—ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.„De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering,tweewoonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond.”De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn „Leven van Patrick Henry” de laagste en diepstgezonkene van alle standen in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep gevallen en gewetenlooze klassevan menschen.” Denken wij ons thans, terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden der plantage,—Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,—geven hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbeslotenom, indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige versterking.—Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw naam als ik vragen mag?—Shallow.—De heeren Legree en Shallow nemen stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:„Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van—hum hum! waar duivel is die wet? (Hij bladert intusschen ineen oud wetboek). Hoe drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord, Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet leveren, dat weet ge.”Shallow(stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen zij aan hebben!Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien heb. Zij schijnen heel tevreden.Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben, dat weet ge.Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na eenige oogenblikken herneemt de regter:„Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als ge weet.” Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook, die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van de lezer over.In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan, waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij, die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig is. Want omtrent eene scène in deNegerhut, waarbij verhaald wordt dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve aanmerking:„Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten vanLouisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het door eene wet verboden is.Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van huisgezinnen te zijn?Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen zijner persoonlijke vrijheid en ditmoet nog in sommige Staten door een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.Veronderstellen wij dat Butler Cassy’s negenjarig kind wil verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kangeeneactie instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan—wat dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil, kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen, dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen, en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens met zulk een maatregel.Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen spreken, zooveel te beter dit voor hen is.1Slavernij zoo als zij is; Verklaringen van een duizendtal getuigen.

Hoofdstuk VI.Beschermende bepalingen ten aanzien van voedsel, kleeding, arbeid, enz.De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven reeds overtollig en dwaas zijn:„Hoe!” zeggen zij, „zijn de slaven dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en kleeding of door bovenmatigen arbeid?” Die redenering schijnt echter niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter Taylor zegt: „de wet van 1786 erkent in den considerans het feit, datvelepersonen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden,” en heldert die woorden nader op door het volgende: „De wreede behandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende, strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen.”In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene bepaling voorkomt met den volgenden considerans:„Vermitsveleeigenaars van slaven enanderepersonen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt....”En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dantienuren, zelfs in de zomermaanden.Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters, die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen, stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen, die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt het mede zoo als zij het in de „Schets” heeft aangetroffen.„Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed,waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten.”Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet afleiden, dat zij althans totietsmoest leiden. Wij willen met een enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages.1„En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw endochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan—eens in de maand misschien—ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.„De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering,tweewoonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond.”De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn „Leven van Patrick Henry” de laagste en diepstgezonkene van alle standen in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep gevallen en gewetenlooze klassevan menschen.” Denken wij ons thans, terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden der plantage,—Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,—geven hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbeslotenom, indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige versterking.—Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw naam als ik vragen mag?—Shallow.—De heeren Legree en Shallow nemen stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:„Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van—hum hum! waar duivel is die wet? (Hij bladert intusschen ineen oud wetboek). Hoe drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord, Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet leveren, dat weet ge.”Shallow(stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen zij aan hebben!Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien heb. Zij schijnen heel tevreden.Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben, dat weet ge.Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na eenige oogenblikken herneemt de regter:„Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als ge weet.” Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook, die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van de lezer over.In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan, waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij, die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig is. Want omtrent eene scène in deNegerhut, waarbij verhaald wordt dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve aanmerking:„Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten vanLouisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het door eene wet verboden is.Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van huisgezinnen te zijn?Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen zijner persoonlijke vrijheid en ditmoet nog in sommige Staten door een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.Veronderstellen wij dat Butler Cassy’s negenjarig kind wil verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kangeeneactie instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan—wat dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil, kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen, dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen, en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens met zulk een maatregel.Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen spreken, zooveel te beter dit voor hen is.1Slavernij zoo als zij is; Verklaringen van een duizendtal getuigen.

Hoofdstuk VI.Beschermende bepalingen ten aanzien van voedsel, kleeding, arbeid, enz.De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.

De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.

De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.

Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven reeds overtollig en dwaas zijn:„Hoe!” zeggen zij, „zijn de slaven dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en kleeding of door bovenmatigen arbeid?” Die redenering schijnt echter niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter Taylor zegt: „de wet van 1786 erkent in den considerans het feit, datvelepersonen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden,” en heldert die woorden nader op door het volgende: „De wreede behandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende, strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen.”In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene bepaling voorkomt met den volgenden considerans:„Vermitsveleeigenaars van slaven enanderepersonen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt....”En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dantienuren, zelfs in de zomermaanden.Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters, die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen, stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen, die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt het mede zoo als zij het in de „Schets” heeft aangetroffen.„Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed,waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten.”Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet afleiden, dat zij althans totietsmoest leiden. Wij willen met een enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages.1„En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw endochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan—eens in de maand misschien—ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.„De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering,tweewoonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond.”De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn „Leven van Patrick Henry” de laagste en diepstgezonkene van alle standen in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep gevallen en gewetenlooze klassevan menschen.” Denken wij ons thans, terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden der plantage,—Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,—geven hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbeslotenom, indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige versterking.—Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw naam als ik vragen mag?—Shallow.—De heeren Legree en Shallow nemen stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:„Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van—hum hum! waar duivel is die wet? (Hij bladert intusschen ineen oud wetboek). Hoe drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord, Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet leveren, dat weet ge.”Shallow(stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen zij aan hebben!Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien heb. Zij schijnen heel tevreden.Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben, dat weet ge.Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na eenige oogenblikken herneemt de regter:„Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als ge weet.” Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook, die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van de lezer over.In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan, waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij, die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig is. Want omtrent eene scène in deNegerhut, waarbij verhaald wordt dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve aanmerking:„Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten vanLouisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het door eene wet verboden is.Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van huisgezinnen te zijn?Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen zijner persoonlijke vrijheid en ditmoet nog in sommige Staten door een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.Veronderstellen wij dat Butler Cassy’s negenjarig kind wil verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kangeeneactie instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan—wat dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil, kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen, dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen, en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens met zulk een maatregel.Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen spreken, zooveel te beter dit voor hen is.

Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven reeds overtollig en dwaas zijn:„Hoe!” zeggen zij, „zijn de slaven dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en kleeding of door bovenmatigen arbeid?” Die redenering schijnt echter niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter Taylor zegt: „de wet van 1786 erkent in den considerans het feit, datvelepersonen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden,” en heldert die woorden nader op door het volgende: „De wreede behandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende, strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen.”

In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene bepaling voorkomt met den volgenden considerans:

„Vermitsveleeigenaars van slaven enanderepersonen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt....”

„Vermitsveleeigenaars van slaven enanderepersonen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt....”

En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dantienuren, zelfs in de zomermaanden.

Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters, die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen, stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen, die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.

Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt het mede zoo als zij het in de „Schets” heeft aangetroffen.

„Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed,waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten.”

„Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed,waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten.”

Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.

Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet afleiden, dat zij althans totietsmoest leiden. Wij willen met een enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages.1

„En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw endochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan—eens in de maand misschien—ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.„De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering,tweewoonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond.”

„En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw endochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan—eens in de maand misschien—ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.

„De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering,tweewoonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond.”

De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn „Leven van Patrick Henry” de laagste en diepstgezonkene van alle standen in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep gevallen en gewetenlooze klassevan menschen.” Denken wij ons thans, terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden der plantage,—Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,—geven hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbeslotenom, indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.

De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.

Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige versterking.—Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw naam als ik vragen mag?—Shallow.—De heeren Legree en Shallow nemen stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:

„Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van—hum hum! waar duivel is die wet? (Hij bladert intusschen ineen oud wetboek). Hoe drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord, Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet leveren, dat weet ge.”

Shallow(stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen zij aan hebben!

Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien heb. Zij schijnen heel tevreden.

Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!

Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben, dat weet ge.

Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na eenige oogenblikken herneemt de regter:

„Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als ge weet.” Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook, die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van de lezer over.

In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan, waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij, die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig is. Want omtrent eene scène in deNegerhut, waarbij verhaald wordt dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve aanmerking:

„Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten vanLouisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.

„Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.

In denCode Noirvinden wij:

„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben.”

En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:

Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten vanLouisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.

Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het door eene wet verboden is.

Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van huisgezinnen te zijn?

Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen zijner persoonlijke vrijheid en ditmoet nog in sommige Staten door een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.

Veronderstellen wij dat Butler Cassy’s negenjarig kind wil verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kangeeneactie instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan—wat dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil, kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen, dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen, en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.

Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens met zulk een maatregel.

Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen spreken, zooveel te beter dit voor hen is.

1Slavernij zoo als zij is; Verklaringen van een duizendtal getuigen.

1Slavernij zoo als zij is; Verklaringen van een duizendtal getuigen.


Back to IndexNext