Hoofdstuk XIII.

Hoofdstuk XIII.De menschen beter dan hunne wetten.Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.Jesaja LIX : 14, 15a.Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,—zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,—dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.Een edelaardig mensch is—in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten—geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt—gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren—kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheidin de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten—de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden1.Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.„Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenengroote moeijelijkhedenkan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete vanhonderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke „beschermende” besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien datdezelfde boeteis opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz.van eenigenslaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de grootehoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de „groote moeijelijkheden” die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende „verstandelijk onderwijs,” op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, „de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan alszij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken.”Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die „groote moeijelijkheden,” en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer vanThe Portfolioleert ons, dat „die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling,slaafofvrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen.”Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, „totbeschermingvan godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten.” Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:„Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal,onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols.”Dat besluit betreffende de „patrols,” zoo als het medegedeeld is door den redacteur vanPrince’s Digest, magtigtiederen vrederegter, elkevergaderingof elkebijeenkomstvan slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden,onmiddellijkzal gestraft worden,zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs ofgodsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de „slaven, vrije negers enz.,” die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene „beschermende wet” uitgevaardigd, die hun dezegroote voorregten op het stuk van Godsdienstverleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren,„ten zijhij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz.”Ten derde.Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eeneovertreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano’s, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.In Virginia wordt, „wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren,” de eerste beboet, de laatste gekastijd.In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door Countywardensen door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.InMississippiwordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofdeenigen eigendom, vanwelken aard ook, te bezitten.Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan,hetgeeneengroot deel van het misdrijf uitmaakt.140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester nietvervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordttegen den slaaf, niet tegen den meester.142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, datde meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.Ten vierde.Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.In vier Staten—Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi—kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen;terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekeniseven goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat„elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars.”Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met „de groote grondbeginsels” van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels2, zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat „elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken,” enz.De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.De vrijmaking moet geschieden bij eenegeschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minstetwee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont.Aan de Algemeene Vergadering(General Assembly) moet hetvoldoende bewijsgeleverd worden, dat de slaaf eenigeverdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot hetvoorloopig onderzoekbehoort, en niet van waarde is voor dat eenspeciaal besluit van de Vergaderingde vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, deregten der schuldeischers, en het verpligtederde voor de weduwe.Hetzelfdevoorloopig onderzoeknaarverdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daaromwordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. DeNew-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking eenvergrijp tegen de zamenlevingen een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament vanonwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder vandienzoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven diebeginselenniet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zichjegensden Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl deacte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijnonmiddellijketerugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegereregtsprakengelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingenvan eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen.”De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door deEvening Postals een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte dewetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt vanelken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zalhemschuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.1Gedurende en na de regering van Augustus werden eenige beperkende maatregelen genomen om de al te groote toename van onwaardige burgers, door vrijmaking, tegen te gaan. Zij geleken echter in geen opzigt naar de knellende banden der Amerikaansche wetten.2Men herinnere zich dezen term uit de Amerikaansche regtpleging, reeds voorkomende in het proces van Eliza Rowand. Zie pag. 74.Vertaler.

Hoofdstuk XIII.De menschen beter dan hunne wetten.Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.Jesaja LIX : 14, 15a.Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,—zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,—dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.Een edelaardig mensch is—in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten—geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt—gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren—kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheidin de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten—de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden1.Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.„Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenengroote moeijelijkhedenkan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete vanhonderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke „beschermende” besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien datdezelfde boeteis opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz.van eenigenslaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de grootehoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de „groote moeijelijkheden” die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende „verstandelijk onderwijs,” op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, „de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan alszij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken.”Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die „groote moeijelijkheden,” en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer vanThe Portfolioleert ons, dat „die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling,slaafofvrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen.”Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, „totbeschermingvan godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten.” Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:„Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal,onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols.”Dat besluit betreffende de „patrols,” zoo als het medegedeeld is door den redacteur vanPrince’s Digest, magtigtiederen vrederegter, elkevergaderingof elkebijeenkomstvan slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden,onmiddellijkzal gestraft worden,zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs ofgodsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de „slaven, vrije negers enz.,” die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene „beschermende wet” uitgevaardigd, die hun dezegroote voorregten op het stuk van Godsdienstverleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren,„ten zijhij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz.”Ten derde.Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eeneovertreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano’s, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.In Virginia wordt, „wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren,” de eerste beboet, de laatste gekastijd.In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door Countywardensen door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.InMississippiwordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofdeenigen eigendom, vanwelken aard ook, te bezitten.Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan,hetgeeneengroot deel van het misdrijf uitmaakt.140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester nietvervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordttegen den slaaf, niet tegen den meester.142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, datde meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.Ten vierde.Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.In vier Staten—Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi—kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen;terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekeniseven goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat„elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars.”Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met „de groote grondbeginsels” van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels2, zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat „elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken,” enz.De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.De vrijmaking moet geschieden bij eenegeschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minstetwee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont.Aan de Algemeene Vergadering(General Assembly) moet hetvoldoende bewijsgeleverd worden, dat de slaaf eenigeverdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot hetvoorloopig onderzoekbehoort, en niet van waarde is voor dat eenspeciaal besluit van de Vergaderingde vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, deregten der schuldeischers, en het verpligtederde voor de weduwe.Hetzelfdevoorloopig onderzoeknaarverdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daaromwordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. DeNew-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking eenvergrijp tegen de zamenlevingen een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament vanonwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder vandienzoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven diebeginselenniet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zichjegensden Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl deacte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijnonmiddellijketerugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegereregtsprakengelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingenvan eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen.”De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door deEvening Postals een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte dewetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt vanelken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zalhemschuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.1Gedurende en na de regering van Augustus werden eenige beperkende maatregelen genomen om de al te groote toename van onwaardige burgers, door vrijmaking, tegen te gaan. Zij geleken echter in geen opzigt naar de knellende banden der Amerikaansche wetten.2Men herinnere zich dezen term uit de Amerikaansche regtpleging, reeds voorkomende in het proces van Eliza Rowand. Zie pag. 74.Vertaler.

Hoofdstuk XIII.De menschen beter dan hunne wetten.Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.Jesaja LIX : 14, 15a.Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,—zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,—dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.Een edelaardig mensch is—in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten—geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt—gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren—kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheidin de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten—de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden1.Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.„Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenengroote moeijelijkhedenkan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete vanhonderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke „beschermende” besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien datdezelfde boeteis opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz.van eenigenslaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de grootehoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de „groote moeijelijkheden” die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende „verstandelijk onderwijs,” op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, „de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan alszij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken.”Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die „groote moeijelijkheden,” en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer vanThe Portfolioleert ons, dat „die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling,slaafofvrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen.”Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, „totbeschermingvan godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten.” Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:„Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal,onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols.”Dat besluit betreffende de „patrols,” zoo als het medegedeeld is door den redacteur vanPrince’s Digest, magtigtiederen vrederegter, elkevergaderingof elkebijeenkomstvan slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden,onmiddellijkzal gestraft worden,zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs ofgodsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de „slaven, vrije negers enz.,” die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene „beschermende wet” uitgevaardigd, die hun dezegroote voorregten op het stuk van Godsdienstverleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren,„ten zijhij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz.”Ten derde.Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eeneovertreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano’s, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.In Virginia wordt, „wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren,” de eerste beboet, de laatste gekastijd.In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door Countywardensen door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.InMississippiwordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofdeenigen eigendom, vanwelken aard ook, te bezitten.Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan,hetgeeneengroot deel van het misdrijf uitmaakt.140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester nietvervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordttegen den slaaf, niet tegen den meester.142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, datde meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.Ten vierde.Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.In vier Staten—Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi—kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen;terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekeniseven goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat„elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars.”Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met „de groote grondbeginsels” van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels2, zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat „elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken,” enz.De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.De vrijmaking moet geschieden bij eenegeschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minstetwee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont.Aan de Algemeene Vergadering(General Assembly) moet hetvoldoende bewijsgeleverd worden, dat de slaaf eenigeverdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot hetvoorloopig onderzoekbehoort, en niet van waarde is voor dat eenspeciaal besluit van de Vergaderingde vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, deregten der schuldeischers, en het verpligtederde voor de weduwe.Hetzelfdevoorloopig onderzoeknaarverdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daaromwordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. DeNew-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking eenvergrijp tegen de zamenlevingen een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament vanonwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder vandienzoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven diebeginselenniet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zichjegensden Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl deacte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijnonmiddellijketerugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegereregtsprakengelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingenvan eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen.”De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door deEvening Postals een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte dewetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt vanelken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zalhemschuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.1Gedurende en na de regering van Augustus werden eenige beperkende maatregelen genomen om de al te groote toename van onwaardige burgers, door vrijmaking, tegen te gaan. Zij geleken echter in geen opzigt naar de knellende banden der Amerikaansche wetten.2Men herinnere zich dezen term uit de Amerikaansche regtpleging, reeds voorkomende in het proces van Eliza Rowand. Zie pag. 74.Vertaler.

Hoofdstuk XIII.De menschen beter dan hunne wetten.Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.Jesaja LIX : 14, 15a.

Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.Jesaja LIX : 14, 15a.

Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.

Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.

Jesaja LIX : 14, 15a.

Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,—zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,—dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.Een edelaardig mensch is—in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten—geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt—gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren—kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheidin de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten—de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden1.Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.„Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenengroote moeijelijkhedenkan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete vanhonderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke „beschermende” besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien datdezelfde boeteis opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz.van eenigenslaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de grootehoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de „groote moeijelijkheden” die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende „verstandelijk onderwijs,” op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, „de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan alszij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken.”Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die „groote moeijelijkheden,” en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer vanThe Portfolioleert ons, dat „die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling,slaafofvrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen.”Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, „totbeschermingvan godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten.” Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:„Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal,onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols.”Dat besluit betreffende de „patrols,” zoo als het medegedeeld is door den redacteur vanPrince’s Digest, magtigtiederen vrederegter, elkevergaderingof elkebijeenkomstvan slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden,onmiddellijkzal gestraft worden,zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs ofgodsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de „slaven, vrije negers enz.,” die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene „beschermende wet” uitgevaardigd, die hun dezegroote voorregten op het stuk van Godsdienstverleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren,„ten zijhij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz.”Ten derde.Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eeneovertreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano’s, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.In Virginia wordt, „wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren,” de eerste beboet, de laatste gekastijd.In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door Countywardensen door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.InMississippiwordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofdeenigen eigendom, vanwelken aard ook, te bezitten.Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan,hetgeeneengroot deel van het misdrijf uitmaakt.140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester nietvervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordttegen den slaaf, niet tegen den meester.142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, datde meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.Ten vierde.Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.In vier Staten—Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi—kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen;terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekeniseven goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat„elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars.”Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met „de groote grondbeginsels” van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels2, zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat „elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken,” enz.De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.De vrijmaking moet geschieden bij eenegeschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minstetwee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont.Aan de Algemeene Vergadering(General Assembly) moet hetvoldoende bewijsgeleverd worden, dat de slaaf eenigeverdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot hetvoorloopig onderzoekbehoort, en niet van waarde is voor dat eenspeciaal besluit van de Vergaderingde vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, deregten der schuldeischers, en het verpligtederde voor de weduwe.Hetzelfdevoorloopig onderzoeknaarverdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daaromwordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. DeNew-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking eenvergrijp tegen de zamenlevingen een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament vanonwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder vandienzoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven diebeginselenniet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zichjegensden Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl deacte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijnonmiddellijketerugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegereregtsprakengelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingenvan eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen.”De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door deEvening Postals een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte dewetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt vanelken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zalhemschuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.

Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.

Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,—zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,—dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.

Een edelaardig mensch is—in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten—geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt—gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren—kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.

Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.

Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheidin de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.

Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten—de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden1.

Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.

De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.

„Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenengroote moeijelijkhedenkan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete vanhonderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke „beschermende” besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien datdezelfde boeteis opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz.van eenigenslaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.

Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de grootehoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de „groote moeijelijkheden” die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende „verstandelijk onderwijs,” op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, „de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan alszij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken.”

Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.

Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die „groote moeijelijkheden,” en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer vanThe Portfolioleert ons, dat „die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling,slaafofvrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen.”

Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:

De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, „totbeschermingvan godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten.” Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:

„Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal,onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols.”

„Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal,onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols.”

Dat besluit betreffende de „patrols,” zoo als het medegedeeld is door den redacteur vanPrince’s Digest, magtigtiederen vrederegter, elkevergaderingof elkebijeenkomstvan slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden,onmiddellijkzal gestraft worden,zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.

De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:

Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs ofgodsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.

Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs ofgodsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.

Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de „slaven, vrije negers enz.,” die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene „beschermende wet” uitgevaardigd, die hun dezegroote voorregten op het stuk van Godsdienstverleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren,„ten zijhij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz.”

Ten derde.Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eeneovertreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:

Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano’s, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.

Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano’s, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.

In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.

In Virginia wordt, „wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren,” de eerste beboet, de laatste gekastijd.

In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:

Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door Countywardensen door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.

Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door Countywardensen door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.

InMississippiwordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofdeenigen eigendom, vanwelken aard ook, te bezitten.

InMississippiwordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofdeenigen eigendom, vanwelken aard ook, te bezitten.

Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.

Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.

Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.

Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.

139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan,hetgeeneengroot deel van het misdrijf uitmaakt.140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester nietvervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordttegen den slaaf, niet tegen den meester.142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.

139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan,hetgeeneengroot deel van het misdrijf uitmaakt.

140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester nietvervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordttegen den slaaf, niet tegen den meester.

142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.

Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, datde meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.

Ten vierde.Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.

In vier Staten—Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi—kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.

In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen;terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekeniseven goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.

Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat„elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars.”

Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met „de groote grondbeginsels” van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels2, zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat „elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken,” enz.

De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.

De vrijmaking moet geschieden bij eenegeschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minstetwee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont.Aan de Algemeene Vergadering(General Assembly) moet hetvoldoende bewijsgeleverd worden, dat de slaaf eenigeverdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot hetvoorloopig onderzoekbehoort, en niet van waarde is voor dat eenspeciaal besluit van de Vergaderingde vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, deregten der schuldeischers, en het verpligtederde voor de weduwe.

De vrijmaking moet geschieden bij eenegeschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minstetwee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont.Aan de Algemeene Vergadering(General Assembly) moet hetvoldoende bewijsgeleverd worden, dat de slaaf eenigeverdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot hetvoorloopig onderzoekbehoort, en niet van waarde is voor dat eenspeciaal besluit van de Vergaderingde vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, deregten der schuldeischers, en het verpligtederde voor de weduwe.

Hetzelfdevoorloopig onderzoeknaarverdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.

Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daarom

wordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,

wordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,

en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,

mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.

mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.

Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.

Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. DeNew-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.

Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking eenvergrijp tegen de zamenlevingen een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament vanonwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder vandienzoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.

Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.

Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.

Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking eenvergrijp tegen de zamenlevingen een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament vanonwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder vandienzoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.

De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven diebeginselenniet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.

Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zichjegensden Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl deacte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijnonmiddellijketerugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegereregtsprakengelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingenvan eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen.”

Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.

De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zichjegensden Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl deacte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.

Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijnonmiddellijketerugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.

Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegereregtsprakengelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingenvan eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.

Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen.”

De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door deEvening Postals een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.

Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.

Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte dewetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt vanelken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zalhemschuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.

1Gedurende en na de regering van Augustus werden eenige beperkende maatregelen genomen om de al te groote toename van onwaardige burgers, door vrijmaking, tegen te gaan. Zij geleken echter in geen opzigt naar de knellende banden der Amerikaansche wetten.2Men herinnere zich dezen term uit de Amerikaansche regtpleging, reeds voorkomende in het proces van Eliza Rowand. Zie pag. 74.Vertaler.

1Gedurende en na de regering van Augustus werden eenige beperkende maatregelen genomen om de al te groote toename van onwaardige burgers, door vrijmaking, tegen te gaan. Zij geleken echter in geen opzigt naar de knellende banden der Amerikaansche wetten.

2Men herinnere zich dezen term uit de Amerikaansche regtpleging, reeds voorkomende in het proces van Eliza Rowand. Zie pag. 74.

Vertaler.


Back to IndexNext