Hoofdstuk XIV.

Hoofdstuk XIV.De geest van St. Clare.De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van „Uncle Tom’s Cabin” luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs „eigenaardige instellingen” te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.DeJefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:UNCLE TOM’S CABIN.Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eenedoor de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijkwel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.Thomas Jefferson.Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:UNCLE TOM’S CABIN.Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.De redacteur van deSt. Louis Battery(Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot hetzeventigsteduizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden vanhet zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan denNew-York Evening Post:LICHT IN HET ZUIDEN.De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingenvan meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtigelieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een„Republikein.”De volgende feiten doen de verdichting van „Uncle Tom’s Cabin” bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit denNew-York Evangelist.UNCLE TOMS CABIN.Mijnheer de Redacteur!Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezenvan woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, ennaar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om hetmeisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen omden slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalfnuchteremannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachtingJames L. Hill.Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.„Het gevoelen van een Zuidlander,” hieronder medegedeeld, verscheen in deNational Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.—Red. van de Era.HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.Aan den redacteur der National Era.Ik heb juist in denNew-York Observervan 12 Augustus, een artikel uit deSouthern Free Pressgelezen, met eene inleiding aan de redactie van denObserver, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”De redacteur van deNew-York Observerzegt, dat deSouthern Free Presseen bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. DeObservervoegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider doorhet land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt deSouthern Presste voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: „De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet deondoordringbaarste zedelijke wapenrustingaandoen.” Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: „Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door dienoordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel,” enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen,„die somtijds voorkomen,” volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: „Daar komt een troep geketende slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan,welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: „Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?”—„Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen—zij wist er des morgens niets van—verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene „ondoordringbare zedelijke wapenrusting” noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar decompromisesvan Mr. Clay mag blijken te gelijken. DeSouthern Presszegt: „Wat dekarikaturen der slavernij in „Uncle Tom’s Cabin” en „The White Slave” betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden.” Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: „Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is.” Vooreerst wil ik deSouthern Pressuitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van „aanval op de slavernij,” gelijk die noordelijke dweepers in de laatste „twintig jaren” gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van „Staten en millioenen van menschen” voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door „Staten en door millioenen van menschen gelezen worden”, en wanneer deSouthern Presshaar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, „dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken,” en te zeggen dat dit naar zijne meening „de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;” zoo zullen zijnewerkelijkvenijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voorzichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van deSouthern Pressdan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als deSouthern Presster gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van „die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting,” welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat deSouthern Pressniet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.De „White Slave” heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.„Uncle Tom’s Cabin,” denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerkwas, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover deSouthern Pressklaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort—noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.Een Republikein.Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht van nadenkende lezers te verzekeren.Washington City, 6 Dec. 1852.Waarde Heer!Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, „Uncle Tom’s Cabin” door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eenecaricatuuris. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden—dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.Ik heb de eer te zijn, enz.A. M. Gangewer.D. R. Goodloe, Esq.Washington, 8 Dec. 1852.Waarde Heer!Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over „Uncle Tom’s Cabin” gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uitzulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land—of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen—en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.„Uncle Tom’s Cabin” volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn „aan den grond eigen”, en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk„gentleman”—vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van „Uncle Tom’s Cabin” niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheidingwas? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand—noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder ’s hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen.Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur derSouthern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:„Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen.”Hoezeer ik ook van den redacteur derSouthern Pressverschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkundebetreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit „bijkomende kwaad” en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan deSouthern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.Men kan zeggen, dat het St. Clare’s pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreedlot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.Zij, die tegen „Uncle Tom’s Cabin” hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk „gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende.” Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.Ik ben, mijnheer, met hoogachting,Uw dienstwillige dienaar,Daniël R. Goodloe.A. M. Gangewer, Esq., Washington.De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven spreken.Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.„Uncle Tom’s Cabin” werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb.„Wat is nu uwe meening er van?” zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dierbijzondereinstelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven—de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken—is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd—ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wildengeven—en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eenedoode letterzijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken—zelfs al ware verbetering hun oogmerk—zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever alsslaven-eigendomwordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid,dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.Ik heb in deSouthern Presstwee kolommen gelezen vanMrs. Eastman’s „Aunt Phillis’s Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is,” met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman’s werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.

Hoofdstuk XIV.De geest van St. Clare.De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van „Uncle Tom’s Cabin” luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs „eigenaardige instellingen” te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.DeJefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:UNCLE TOM’S CABIN.Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eenedoor de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijkwel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.Thomas Jefferson.Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:UNCLE TOM’S CABIN.Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.De redacteur van deSt. Louis Battery(Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot hetzeventigsteduizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden vanhet zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan denNew-York Evening Post:LICHT IN HET ZUIDEN.De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingenvan meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtigelieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een„Republikein.”De volgende feiten doen de verdichting van „Uncle Tom’s Cabin” bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit denNew-York Evangelist.UNCLE TOMS CABIN.Mijnheer de Redacteur!Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezenvan woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, ennaar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om hetmeisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen omden slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalfnuchteremannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachtingJames L. Hill.Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.„Het gevoelen van een Zuidlander,” hieronder medegedeeld, verscheen in deNational Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.—Red. van de Era.HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.Aan den redacteur der National Era.Ik heb juist in denNew-York Observervan 12 Augustus, een artikel uit deSouthern Free Pressgelezen, met eene inleiding aan de redactie van denObserver, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”De redacteur van deNew-York Observerzegt, dat deSouthern Free Presseen bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. DeObservervoegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider doorhet land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt deSouthern Presste voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: „De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet deondoordringbaarste zedelijke wapenrustingaandoen.” Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: „Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door dienoordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel,” enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen,„die somtijds voorkomen,” volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: „Daar komt een troep geketende slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan,welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: „Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?”—„Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen—zij wist er des morgens niets van—verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene „ondoordringbare zedelijke wapenrusting” noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar decompromisesvan Mr. Clay mag blijken te gelijken. DeSouthern Presszegt: „Wat dekarikaturen der slavernij in „Uncle Tom’s Cabin” en „The White Slave” betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden.” Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: „Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is.” Vooreerst wil ik deSouthern Pressuitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van „aanval op de slavernij,” gelijk die noordelijke dweepers in de laatste „twintig jaren” gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van „Staten en millioenen van menschen” voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door „Staten en door millioenen van menschen gelezen worden”, en wanneer deSouthern Presshaar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, „dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken,” en te zeggen dat dit naar zijne meening „de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;” zoo zullen zijnewerkelijkvenijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voorzichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van deSouthern Pressdan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als deSouthern Presster gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van „die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting,” welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat deSouthern Pressniet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.De „White Slave” heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.„Uncle Tom’s Cabin,” denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerkwas, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover deSouthern Pressklaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort—noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.Een Republikein.Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht van nadenkende lezers te verzekeren.Washington City, 6 Dec. 1852.Waarde Heer!Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, „Uncle Tom’s Cabin” door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eenecaricatuuris. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden—dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.Ik heb de eer te zijn, enz.A. M. Gangewer.D. R. Goodloe, Esq.Washington, 8 Dec. 1852.Waarde Heer!Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over „Uncle Tom’s Cabin” gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uitzulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land—of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen—en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.„Uncle Tom’s Cabin” volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn „aan den grond eigen”, en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk„gentleman”—vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van „Uncle Tom’s Cabin” niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheidingwas? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand—noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder ’s hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen.Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur derSouthern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:„Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen.”Hoezeer ik ook van den redacteur derSouthern Pressverschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkundebetreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit „bijkomende kwaad” en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan deSouthern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.Men kan zeggen, dat het St. Clare’s pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreedlot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.Zij, die tegen „Uncle Tom’s Cabin” hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk „gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende.” Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.Ik ben, mijnheer, met hoogachting,Uw dienstwillige dienaar,Daniël R. Goodloe.A. M. Gangewer, Esq., Washington.De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven spreken.Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.„Uncle Tom’s Cabin” werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb.„Wat is nu uwe meening er van?” zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dierbijzondereinstelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven—de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken—is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd—ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wildengeven—en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eenedoode letterzijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken—zelfs al ware verbetering hun oogmerk—zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever alsslaven-eigendomwordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid,dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.Ik heb in deSouthern Presstwee kolommen gelezen vanMrs. Eastman’s „Aunt Phillis’s Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is,” met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman’s werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.

Hoofdstuk XIV.De geest van St. Clare.De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van „Uncle Tom’s Cabin” luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs „eigenaardige instellingen” te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.DeJefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:UNCLE TOM’S CABIN.Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eenedoor de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijkwel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.Thomas Jefferson.Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:UNCLE TOM’S CABIN.Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.De redacteur van deSt. Louis Battery(Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot hetzeventigsteduizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden vanhet zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan denNew-York Evening Post:LICHT IN HET ZUIDEN.De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingenvan meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtigelieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een„Republikein.”De volgende feiten doen de verdichting van „Uncle Tom’s Cabin” bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit denNew-York Evangelist.UNCLE TOMS CABIN.Mijnheer de Redacteur!Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezenvan woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, ennaar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om hetmeisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen omden slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalfnuchteremannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachtingJames L. Hill.Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.„Het gevoelen van een Zuidlander,” hieronder medegedeeld, verscheen in deNational Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.—Red. van de Era.HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.Aan den redacteur der National Era.Ik heb juist in denNew-York Observervan 12 Augustus, een artikel uit deSouthern Free Pressgelezen, met eene inleiding aan de redactie van denObserver, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”De redacteur van deNew-York Observerzegt, dat deSouthern Free Presseen bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. DeObservervoegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider doorhet land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt deSouthern Presste voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: „De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet deondoordringbaarste zedelijke wapenrustingaandoen.” Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: „Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door dienoordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel,” enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen,„die somtijds voorkomen,” volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: „Daar komt een troep geketende slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan,welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: „Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?”—„Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen—zij wist er des morgens niets van—verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene „ondoordringbare zedelijke wapenrusting” noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar decompromisesvan Mr. Clay mag blijken te gelijken. DeSouthern Presszegt: „Wat dekarikaturen der slavernij in „Uncle Tom’s Cabin” en „The White Slave” betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden.” Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: „Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is.” Vooreerst wil ik deSouthern Pressuitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van „aanval op de slavernij,” gelijk die noordelijke dweepers in de laatste „twintig jaren” gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van „Staten en millioenen van menschen” voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door „Staten en door millioenen van menschen gelezen worden”, en wanneer deSouthern Presshaar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, „dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken,” en te zeggen dat dit naar zijne meening „de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;” zoo zullen zijnewerkelijkvenijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voorzichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van deSouthern Pressdan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als deSouthern Presster gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van „die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting,” welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat deSouthern Pressniet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.De „White Slave” heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.„Uncle Tom’s Cabin,” denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerkwas, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover deSouthern Pressklaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort—noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.Een Republikein.Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht van nadenkende lezers te verzekeren.Washington City, 6 Dec. 1852.Waarde Heer!Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, „Uncle Tom’s Cabin” door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eenecaricatuuris. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden—dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.Ik heb de eer te zijn, enz.A. M. Gangewer.D. R. Goodloe, Esq.Washington, 8 Dec. 1852.Waarde Heer!Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over „Uncle Tom’s Cabin” gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uitzulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land—of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen—en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.„Uncle Tom’s Cabin” volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn „aan den grond eigen”, en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk„gentleman”—vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van „Uncle Tom’s Cabin” niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheidingwas? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand—noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder ’s hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen.Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur derSouthern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:„Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen.”Hoezeer ik ook van den redacteur derSouthern Pressverschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkundebetreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit „bijkomende kwaad” en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan deSouthern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.Men kan zeggen, dat het St. Clare’s pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreedlot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.Zij, die tegen „Uncle Tom’s Cabin” hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk „gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende.” Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.Ik ben, mijnheer, met hoogachting,Uw dienstwillige dienaar,Daniël R. Goodloe.A. M. Gangewer, Esq., Washington.De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven spreken.Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.„Uncle Tom’s Cabin” werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb.„Wat is nu uwe meening er van?” zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dierbijzondereinstelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven—de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken—is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd—ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wildengeven—en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eenedoode letterzijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken—zelfs al ware verbetering hun oogmerk—zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever alsslaven-eigendomwordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid,dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.Ik heb in deSouthern Presstwee kolommen gelezen vanMrs. Eastman’s „Aunt Phillis’s Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is,” met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman’s werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.

Hoofdstuk XIV.De geest van St. Clare.

De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van „Uncle Tom’s Cabin” luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs „eigenaardige instellingen” te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.DeJefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:UNCLE TOM’S CABIN.Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eenedoor de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijkwel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.Thomas Jefferson.Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:UNCLE TOM’S CABIN.Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.De redacteur van deSt. Louis Battery(Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot hetzeventigsteduizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden vanhet zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan denNew-York Evening Post:LICHT IN HET ZUIDEN.De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingenvan meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtigelieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een„Republikein.”De volgende feiten doen de verdichting van „Uncle Tom’s Cabin” bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit denNew-York Evangelist.UNCLE TOMS CABIN.Mijnheer de Redacteur!Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezenvan woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, ennaar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om hetmeisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen omden slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalfnuchteremannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachtingJames L. Hill.Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.„Het gevoelen van een Zuidlander,” hieronder medegedeeld, verscheen in deNational Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.—Red. van de Era.HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.Aan den redacteur der National Era.Ik heb juist in denNew-York Observervan 12 Augustus, een artikel uit deSouthern Free Pressgelezen, met eene inleiding aan de redactie van denObserver, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”De redacteur van deNew-York Observerzegt, dat deSouthern Free Presseen bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. DeObservervoegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider doorhet land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt deSouthern Presste voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: „De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet deondoordringbaarste zedelijke wapenrustingaandoen.” Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: „Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door dienoordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel,” enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen,„die somtijds voorkomen,” volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: „Daar komt een troep geketende slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan,welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: „Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?”—„Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen—zij wist er des morgens niets van—verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene „ondoordringbare zedelijke wapenrusting” noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar decompromisesvan Mr. Clay mag blijken te gelijken. DeSouthern Presszegt: „Wat dekarikaturen der slavernij in „Uncle Tom’s Cabin” en „The White Slave” betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden.” Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: „Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is.” Vooreerst wil ik deSouthern Pressuitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van „aanval op de slavernij,” gelijk die noordelijke dweepers in de laatste „twintig jaren” gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van „Staten en millioenen van menschen” voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door „Staten en door millioenen van menschen gelezen worden”, en wanneer deSouthern Presshaar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, „dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken,” en te zeggen dat dit naar zijne meening „de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;” zoo zullen zijnewerkelijkvenijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voorzichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van deSouthern Pressdan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als deSouthern Presster gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van „die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting,” welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat deSouthern Pressniet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.De „White Slave” heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.„Uncle Tom’s Cabin,” denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerkwas, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover deSouthern Pressklaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort—noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.Een Republikein.Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht van nadenkende lezers te verzekeren.Washington City, 6 Dec. 1852.Waarde Heer!Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, „Uncle Tom’s Cabin” door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eenecaricatuuris. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden—dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.Ik heb de eer te zijn, enz.A. M. Gangewer.D. R. Goodloe, Esq.Washington, 8 Dec. 1852.Waarde Heer!Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over „Uncle Tom’s Cabin” gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uitzulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land—of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen—en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.„Uncle Tom’s Cabin” volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn „aan den grond eigen”, en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk„gentleman”—vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van „Uncle Tom’s Cabin” niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheidingwas? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand—noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder ’s hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen.Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur derSouthern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:„Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen.”Hoezeer ik ook van den redacteur derSouthern Pressverschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkundebetreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit „bijkomende kwaad” en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan deSouthern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.Men kan zeggen, dat het St. Clare’s pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreedlot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.Zij, die tegen „Uncle Tom’s Cabin” hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk „gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende.” Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.Ik ben, mijnheer, met hoogachting,Uw dienstwillige dienaar,Daniël R. Goodloe.A. M. Gangewer, Esq., Washington.De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven spreken.Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.„Uncle Tom’s Cabin” werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb.„Wat is nu uwe meening er van?” zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dierbijzondereinstelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven—de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken—is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd—ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wildengeven—en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eenedoode letterzijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken—zelfs al ware verbetering hun oogmerk—zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever alsslaven-eigendomwordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid,dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.Ik heb in deSouthern Presstwee kolommen gelezen vanMrs. Eastman’s „Aunt Phillis’s Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is,” met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman’s werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.

De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van „Uncle Tom’s Cabin” luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs „eigenaardige instellingen” te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.

De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.

DeJefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:

UNCLE TOM’S CABIN.Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eenedoor de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijkwel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.Thomas Jefferson.

UNCLE TOM’S CABIN.

Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eenedoor de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijkwel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.

Thomas Jefferson.

Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:

UNCLE TOM’S CABIN.Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.

UNCLE TOM’S CABIN.

Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.

Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.

Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.

Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.

De redacteur van deSt. Louis Battery(Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:

Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot hetzeventigsteduizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden vanhet zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.

Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.

Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.

Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.

Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot hetzeventigsteduizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden vanhet zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.

De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan denNew-York Evening Post:

LICHT IN HET ZUIDEN.De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingenvan meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtigelieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een„Republikein.”

LICHT IN HET ZUIDEN.

De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.

„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.

„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingenvan meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.

„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.

„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.

„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtigelieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.

„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.

„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een

„Republikein.”

De volgende feiten doen de verdichting van „Uncle Tom’s Cabin” bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit denNew-York Evangelist.

UNCLE TOMS CABIN.Mijnheer de Redacteur!Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezenvan woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, ennaar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om hetmeisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen omden slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalfnuchteremannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachtingJames L. Hill.Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.

UNCLE TOMS CABIN.

Mijnheer de Redacteur!

Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezenvan woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, ennaar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om hetmeisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.

Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen omden slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.

Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalfnuchteremannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.

Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachting

James L. Hill.

Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.

„Het gevoelen van een Zuidlander,” hieronder medegedeeld, verscheen in deNational Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.

De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.—Red. van de Era.

HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.Aan den redacteur der National Era.Ik heb juist in denNew-York Observervan 12 Augustus, een artikel uit deSouthern Free Pressgelezen, met eene inleiding aan de redactie van denObserver, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”De redacteur van deNew-York Observerzegt, dat deSouthern Free Presseen bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. DeObservervoegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider doorhet land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt deSouthern Presste voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: „De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet deondoordringbaarste zedelijke wapenrustingaandoen.” Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: „Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door dienoordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel,” enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen,„die somtijds voorkomen,” volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: „Daar komt een troep geketende slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan,welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: „Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?”—„Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen—zij wist er des morgens niets van—verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene „ondoordringbare zedelijke wapenrusting” noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar decompromisesvan Mr. Clay mag blijken te gelijken. DeSouthern Presszegt: „Wat dekarikaturen der slavernij in „Uncle Tom’s Cabin” en „The White Slave” betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden.” Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: „Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is.” Vooreerst wil ik deSouthern Pressuitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van „aanval op de slavernij,” gelijk die noordelijke dweepers in de laatste „twintig jaren” gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van „Staten en millioenen van menschen” voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door „Staten en door millioenen van menschen gelezen worden”, en wanneer deSouthern Presshaar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, „dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken,” en te zeggen dat dit naar zijne meening „de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;” zoo zullen zijnewerkelijkvenijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voorzichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van deSouthern Pressdan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als deSouthern Presster gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van „die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting,” welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat deSouthern Pressniet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.De „White Slave” heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.„Uncle Tom’s Cabin,” denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerkwas, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover deSouthern Pressklaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort—noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.Een Republikein.

HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.

Aan den redacteur der National Era.

Ik heb juist in denNew-York Observervan 12 Augustus, een artikel uit deSouthern Free Pressgelezen, met eene inleiding aan de redactie van denObserver, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”

De redacteur van deNew-York Observerzegt, dat deSouthern Free Presseen bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. DeObservervoegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.

Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider doorhet land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt deSouthern Presste voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: „De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet deondoordringbaarste zedelijke wapenrustingaandoen.” Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: „Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door dienoordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel,” enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen,„die somtijds voorkomen,” volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.

Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: „Daar komt een troep geketende slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan,welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: „Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?”—„Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen—zij wist er des morgens niets van—verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”

De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.

Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene „ondoordringbare zedelijke wapenrusting” noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar decompromisesvan Mr. Clay mag blijken te gelijken. DeSouthern Presszegt: „Wat dekarikaturen der slavernij in „Uncle Tom’s Cabin” en „The White Slave” betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden.” Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: „Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is.” Vooreerst wil ik deSouthern Pressuitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van „aanval op de slavernij,” gelijk die noordelijke dweepers in de laatste „twintig jaren” gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van „Staten en millioenen van menschen” voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door „Staten en door millioenen van menschen gelezen worden”, en wanneer deSouthern Presshaar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, „dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken,” en te zeggen dat dit naar zijne meening „de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;” zoo zullen zijnewerkelijkvenijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voorzichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van deSouthern Pressdan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.

Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als deSouthern Presster gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van „die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting,” welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat deSouthern Pressniet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.

De „White Slave” heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.

„Uncle Tom’s Cabin,” denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerkwas, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.

Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover deSouthern Pressklaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort—noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.

Een Republikein.

Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht van nadenkende lezers te verzekeren.

Washington City, 6 Dec. 1852.Waarde Heer!Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, „Uncle Tom’s Cabin” door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eenecaricatuuris. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden—dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.Ik heb de eer te zijn, enz.A. M. Gangewer.D. R. Goodloe, Esq.

Washington City, 6 Dec. 1852.

Waarde Heer!

Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, „Uncle Tom’s Cabin” door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eenecaricatuuris. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden—dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.

Ik heb de eer te zijn, enz.A. M. Gangewer.

D. R. Goodloe, Esq.

Washington, 8 Dec. 1852.Waarde Heer!Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over „Uncle Tom’s Cabin” gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uitzulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land—of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen—en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.„Uncle Tom’s Cabin” volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn „aan den grond eigen”, en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk„gentleman”—vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van „Uncle Tom’s Cabin” niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheidingwas? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand—noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder ’s hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen.Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur derSouthern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:„Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen.”Hoezeer ik ook van den redacteur derSouthern Pressverschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkundebetreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit „bijkomende kwaad” en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan deSouthern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.Men kan zeggen, dat het St. Clare’s pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreedlot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.Zij, die tegen „Uncle Tom’s Cabin” hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk „gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende.” Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.Ik ben, mijnheer, met hoogachting,Uw dienstwillige dienaar,Daniël R. Goodloe.A. M. Gangewer, Esq., Washington.

Washington, 8 Dec. 1852.

Waarde Heer!

Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over „Uncle Tom’s Cabin” gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.

Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uitzulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land—of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen—en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.

„Uncle Tom’s Cabin” volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn „aan den grond eigen”, en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.

Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk„gentleman”—vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.

Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van „Uncle Tom’s Cabin” niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.

Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheidingwas? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.

In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand—noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder ’s hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.

De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.

Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen.Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.

In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.

In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur derSouthern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:

„Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen.”

Hoezeer ik ook van den redacteur derSouthern Pressverschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkundebetreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit „bijkomende kwaad” en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan deSouthern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.

Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.

Men kan zeggen, dat het St. Clare’s pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreedlot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.

Zij, die tegen „Uncle Tom’s Cabin” hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk „gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende.” Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.

Ik ben, mijnheer, met hoogachting,

Uw dienstwillige dienaar,Daniël R. Goodloe.

A. M. Gangewer, Esq., Washington.

De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven spreken.

Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.„Uncle Tom’s Cabin” werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb.„Wat is nu uwe meening er van?” zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dierbijzondereinstelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven—de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken—is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd—ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wildengeven—en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eenedoode letterzijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken—zelfs al ware verbetering hun oogmerk—zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever alsslaven-eigendomwordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid,dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.Ik heb in deSouthern Presstwee kolommen gelezen vanMrs. Eastman’s „Aunt Phillis’s Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is,” met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman’s werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.

Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.

„Uncle Tom’s Cabin” werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb.„Wat is nu uwe meening er van?” zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dierbijzondereinstelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven—de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken—is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.

Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd—ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wildengeven—en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.

Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eenedoode letterzijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken—zelfs al ware verbetering hun oogmerk—zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever alsslaven-eigendomwordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid,dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.

Ik heb in deSouthern Presstwee kolommen gelezen vanMrs. Eastman’s „Aunt Phillis’s Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is,” met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman’s werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.


Back to IndexNext