Hoofdstuk X.Het arme blanke uitschot.Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: „Let op uwe eigene mindere volksklassen.”De voorstanders der slavernij hebben Engeland opzijne eigene armengewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,—ja, zelfs van zijne landbouw-districten.Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn metslechtseven zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: „wij zijn niet slechter dan gij.” Het moest oneindig veel beter zijn.Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van eenvruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijkegift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia—hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschapkoopenliever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van „arm blank uitschot,” zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om „eennegerof twee te koopen,” en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien „wat een neger er bij won om met hen handel te drijven.” Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid,getuigenkonden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:—Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woninggemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van hetgepeupeler op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.Deze aanvoerders hebben den kreet „afschaffing” voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn „voort” aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal1; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgerstrachtente vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, inZuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van „de blanke Slaaf.”Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:„Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hijjuist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, omzoo hoogMaar ookniet hoogerop te rijzen naar den boog.”Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden—meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd:Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in hettrotscheZuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echterwaar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid,dat de slavernij vrije werklieden—landlieden, pachters, ambachtslieden,—ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten ’s lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien meteen gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne „Brieven over de slavernij,” pag. 65:In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: „Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben.” In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in hetZuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat „een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten”; en echter heeft Kentucky een „school-fonds” op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundigejournalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. DeNational Erahaalt uit deRaleigh-Register(Nieuw Carolina) het volgende aan:Zij zullen Noord-Carolina verlaten.Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het „verre Westen” gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.Als er eenige „wenschelijke verbetering” te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.De uitgever van deErahaalt ook het volgende aan uit deGreensboro’(Alabama),Beacon:Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurendede laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?In de kolommen van deNational Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:„Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan deTrue Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:„Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.„Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschenhouden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op.”Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.Het volgende wordt in deNational Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van deAugusta Republic(Georgia).Vrijheid van spreken in Georgia.Warrenton(Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt doorde tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk—gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij—en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.Er werd, op een voorstel,Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juistsignalementvan gezegden Watson, naar de uitgevers derAugustanieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.Beschrijving.—Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.Hierna werd de bijeenkomst gesloten.Thomas F. Parsons,Voorzitter.William H. Pilcher,Secretaris.Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.Het volgende is uit denRichmond Timesdoor deNational Eraovergenomen.Lynch-wet!Op den 13den dezer heeft het „Vigilance Committee”, uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en deWytheville Republicanvan den 20sten dezer, geeft op, dat het „Vigilance Committee” van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.Over dezen hoon, maakt deWytheville Republicande volgende aanmerkingen:Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het „Committee of Vigilance” van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder vanhem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geenblankekinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.De „Vigilance Committee’s” waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon’s aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit denRichmond Times(Virginia) door deNational Eraovergenomen:Meer moeijelijkheden in Grayson.Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de „Vigilance Committee’s” op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te biedenvoor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee’s.Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:„Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het „Circuit Court”, hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhandeene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte,rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van deEra, van den 3den April 1852:Lynching in Kentucky.DeAmerican Baptist, van Utica (New York), behelst brievenvan Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van deAmerican Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van denRichmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men „slaveneigendom” noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeeneopinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit deJournal and Messengervan Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:„De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en dewet, maar niet vooronwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijnregter toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat „onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt.” Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwachtte zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,kanin een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; „als zij u in de eene stadvervolgen, vlugt dan naar eene andere,” zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eenebelofteaf, dat gij uweregtenniet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar hetis de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eenebeloftezou afleggen omnooit terug te keeren, ten einde zijnlevente redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijnregtis, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.Het volgende is uit deNational Eravan den 10den Julij 1851.De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.Gebeurde met den Eerw.Jesse McBride.Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:„Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne „meeting”, 8 mijlen beoosten Greensboro’, waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ikzeide hun dat ik gaan zou, en als „goede soldaten” volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:„Mr.McBride, hier is een brief voor u.”Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: „Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der „meeting.”„Neen, gij moet diennulezen.”Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: „Ik moet u spreken,” en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.„Ik zal later met u spreken,” zeide ik, mijn horologie uithalende; „gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure.”Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:„Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!”Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen „Vader”, pleitte op Zijne beloften, zoo als: „Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zalIkeen standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood” enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro’, zeide:„Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt.”„Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?”„Neen, mijnheer.”„Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?”„Ik ben onbekend metHem.”„Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongstedag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijtover het algemeengeen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gijweetdat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarinzijnebeginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBridenu. En wat zal het dan? Wel, alsuwgedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de „kinderen Israëls,” verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!” zeide ik.„O ja,” zeide Hiatt, „gij kunt zingen.”„De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben,” en ik begon het gezang: „Vader, ik hef mijne handen naar u op,” alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, „Laat ons bidden.”„G—d ver....e, dat is geen zingen!” zeide een uit het gezelschap achteraan.„Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, „het is ons goed dat wij hier zijn.” Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: „Pakt hem aan!” „Sleept hem er uit!” „Brengt hem tot zwijgen!”Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.„Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gijmoest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?”„O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden.”„Zij zullen niet door mij lijden,” zeide ik.Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden „moeten ondergaan”; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en datChristus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: „Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd—e afschaffing.” En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was,zij die niet konden tegenhouden—dat zij mij konden vermoorden, maarnietde waarheiddooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:Mr. McBride!Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)Eenigen waren professors in de Godsdienst,—Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een „vermaner”, en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!J. McBride.”1De schrijfster beschrijft hier een toneel, dat onlangs in een Slavenstaat heeft plaats gehad en waarvan zij de bijzonderheden maar al te goed kent. Het bedoelde werk wasUncle Tom’s Cabin.
Hoofdstuk X.Het arme blanke uitschot.Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: „Let op uwe eigene mindere volksklassen.”De voorstanders der slavernij hebben Engeland opzijne eigene armengewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,—ja, zelfs van zijne landbouw-districten.Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn metslechtseven zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: „wij zijn niet slechter dan gij.” Het moest oneindig veel beter zijn.Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van eenvruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijkegift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia—hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschapkoopenliever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van „arm blank uitschot,” zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om „eennegerof twee te koopen,” en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien „wat een neger er bij won om met hen handel te drijven.” Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid,getuigenkonden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:—Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woninggemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van hetgepeupeler op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.Deze aanvoerders hebben den kreet „afschaffing” voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn „voort” aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal1; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgerstrachtente vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, inZuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van „de blanke Slaaf.”Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:„Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hijjuist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, omzoo hoogMaar ookniet hoogerop te rijzen naar den boog.”Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden—meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd:Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in hettrotscheZuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echterwaar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid,dat de slavernij vrije werklieden—landlieden, pachters, ambachtslieden,—ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten ’s lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien meteen gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne „Brieven over de slavernij,” pag. 65:In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: „Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben.” In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in hetZuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat „een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten”; en echter heeft Kentucky een „school-fonds” op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundigejournalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. DeNational Erahaalt uit deRaleigh-Register(Nieuw Carolina) het volgende aan:Zij zullen Noord-Carolina verlaten.Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het „verre Westen” gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.Als er eenige „wenschelijke verbetering” te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.De uitgever van deErahaalt ook het volgende aan uit deGreensboro’(Alabama),Beacon:Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurendede laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?In de kolommen van deNational Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:„Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan deTrue Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:„Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.„Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschenhouden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op.”Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.Het volgende wordt in deNational Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van deAugusta Republic(Georgia).Vrijheid van spreken in Georgia.Warrenton(Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt doorde tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk—gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij—en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.Er werd, op een voorstel,Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juistsignalementvan gezegden Watson, naar de uitgevers derAugustanieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.Beschrijving.—Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.Hierna werd de bijeenkomst gesloten.Thomas F. Parsons,Voorzitter.William H. Pilcher,Secretaris.Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.Het volgende is uit denRichmond Timesdoor deNational Eraovergenomen.Lynch-wet!Op den 13den dezer heeft het „Vigilance Committee”, uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en deWytheville Republicanvan den 20sten dezer, geeft op, dat het „Vigilance Committee” van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.Over dezen hoon, maakt deWytheville Republicande volgende aanmerkingen:Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het „Committee of Vigilance” van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder vanhem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geenblankekinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.De „Vigilance Committee’s” waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon’s aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit denRichmond Times(Virginia) door deNational Eraovergenomen:Meer moeijelijkheden in Grayson.Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de „Vigilance Committee’s” op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te biedenvoor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee’s.Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:„Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het „Circuit Court”, hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhandeene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte,rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van deEra, van den 3den April 1852:Lynching in Kentucky.DeAmerican Baptist, van Utica (New York), behelst brievenvan Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van deAmerican Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van denRichmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men „slaveneigendom” noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeeneopinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit deJournal and Messengervan Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:„De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en dewet, maar niet vooronwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijnregter toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat „onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt.” Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwachtte zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,kanin een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; „als zij u in de eene stadvervolgen, vlugt dan naar eene andere,” zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eenebelofteaf, dat gij uweregtenniet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar hetis de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eenebeloftezou afleggen omnooit terug te keeren, ten einde zijnlevente redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijnregtis, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.Het volgende is uit deNational Eravan den 10den Julij 1851.De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.Gebeurde met den Eerw.Jesse McBride.Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:„Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne „meeting”, 8 mijlen beoosten Greensboro’, waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ikzeide hun dat ik gaan zou, en als „goede soldaten” volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:„Mr.McBride, hier is een brief voor u.”Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: „Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der „meeting.”„Neen, gij moet diennulezen.”Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: „Ik moet u spreken,” en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.„Ik zal later met u spreken,” zeide ik, mijn horologie uithalende; „gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure.”Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:„Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!”Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen „Vader”, pleitte op Zijne beloften, zoo als: „Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zalIkeen standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood” enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro’, zeide:„Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt.”„Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?”„Neen, mijnheer.”„Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?”„Ik ben onbekend metHem.”„Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongstedag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijtover het algemeengeen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gijweetdat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarinzijnebeginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBridenu. En wat zal het dan? Wel, alsuwgedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de „kinderen Israëls,” verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!” zeide ik.„O ja,” zeide Hiatt, „gij kunt zingen.”„De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben,” en ik begon het gezang: „Vader, ik hef mijne handen naar u op,” alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, „Laat ons bidden.”„G—d ver....e, dat is geen zingen!” zeide een uit het gezelschap achteraan.„Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, „het is ons goed dat wij hier zijn.” Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: „Pakt hem aan!” „Sleept hem er uit!” „Brengt hem tot zwijgen!”Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.„Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gijmoest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?”„O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden.”„Zij zullen niet door mij lijden,” zeide ik.Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden „moeten ondergaan”; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en datChristus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: „Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd—e afschaffing.” En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was,zij die niet konden tegenhouden—dat zij mij konden vermoorden, maarnietde waarheiddooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:Mr. McBride!Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)Eenigen waren professors in de Godsdienst,—Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een „vermaner”, en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!J. McBride.”1De schrijfster beschrijft hier een toneel, dat onlangs in een Slavenstaat heeft plaats gehad en waarvan zij de bijzonderheden maar al te goed kent. Het bedoelde werk wasUncle Tom’s Cabin.
Hoofdstuk X.Het arme blanke uitschot.Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: „Let op uwe eigene mindere volksklassen.”De voorstanders der slavernij hebben Engeland opzijne eigene armengewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,—ja, zelfs van zijne landbouw-districten.Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn metslechtseven zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: „wij zijn niet slechter dan gij.” Het moest oneindig veel beter zijn.Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van eenvruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijkegift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia—hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschapkoopenliever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van „arm blank uitschot,” zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om „eennegerof twee te koopen,” en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien „wat een neger er bij won om met hen handel te drijven.” Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid,getuigenkonden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:—Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woninggemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van hetgepeupeler op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.Deze aanvoerders hebben den kreet „afschaffing” voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn „voort” aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal1; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgerstrachtente vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, inZuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van „de blanke Slaaf.”Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:„Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hijjuist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, omzoo hoogMaar ookniet hoogerop te rijzen naar den boog.”Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden—meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd:Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in hettrotscheZuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echterwaar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid,dat de slavernij vrije werklieden—landlieden, pachters, ambachtslieden,—ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten ’s lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien meteen gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne „Brieven over de slavernij,” pag. 65:In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: „Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben.” In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in hetZuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat „een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten”; en echter heeft Kentucky een „school-fonds” op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundigejournalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. DeNational Erahaalt uit deRaleigh-Register(Nieuw Carolina) het volgende aan:Zij zullen Noord-Carolina verlaten.Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het „verre Westen” gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.Als er eenige „wenschelijke verbetering” te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.De uitgever van deErahaalt ook het volgende aan uit deGreensboro’(Alabama),Beacon:Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurendede laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?In de kolommen van deNational Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:„Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan deTrue Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:„Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.„Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschenhouden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op.”Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.Het volgende wordt in deNational Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van deAugusta Republic(Georgia).Vrijheid van spreken in Georgia.Warrenton(Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt doorde tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk—gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij—en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.Er werd, op een voorstel,Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juistsignalementvan gezegden Watson, naar de uitgevers derAugustanieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.Beschrijving.—Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.Hierna werd de bijeenkomst gesloten.Thomas F. Parsons,Voorzitter.William H. Pilcher,Secretaris.Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.Het volgende is uit denRichmond Timesdoor deNational Eraovergenomen.Lynch-wet!Op den 13den dezer heeft het „Vigilance Committee”, uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en deWytheville Republicanvan den 20sten dezer, geeft op, dat het „Vigilance Committee” van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.Over dezen hoon, maakt deWytheville Republicande volgende aanmerkingen:Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het „Committee of Vigilance” van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder vanhem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geenblankekinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.De „Vigilance Committee’s” waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon’s aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit denRichmond Times(Virginia) door deNational Eraovergenomen:Meer moeijelijkheden in Grayson.Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de „Vigilance Committee’s” op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te biedenvoor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee’s.Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:„Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het „Circuit Court”, hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhandeene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte,rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van deEra, van den 3den April 1852:Lynching in Kentucky.DeAmerican Baptist, van Utica (New York), behelst brievenvan Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van deAmerican Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van denRichmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men „slaveneigendom” noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeeneopinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit deJournal and Messengervan Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:„De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en dewet, maar niet vooronwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijnregter toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat „onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt.” Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwachtte zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,kanin een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; „als zij u in de eene stadvervolgen, vlugt dan naar eene andere,” zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eenebelofteaf, dat gij uweregtenniet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar hetis de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eenebeloftezou afleggen omnooit terug te keeren, ten einde zijnlevente redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijnregtis, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.Het volgende is uit deNational Eravan den 10den Julij 1851.De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.Gebeurde met den Eerw.Jesse McBride.Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:„Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne „meeting”, 8 mijlen beoosten Greensboro’, waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ikzeide hun dat ik gaan zou, en als „goede soldaten” volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:„Mr.McBride, hier is een brief voor u.”Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: „Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der „meeting.”„Neen, gij moet diennulezen.”Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: „Ik moet u spreken,” en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.„Ik zal later met u spreken,” zeide ik, mijn horologie uithalende; „gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure.”Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:„Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!”Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen „Vader”, pleitte op Zijne beloften, zoo als: „Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zalIkeen standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood” enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro’, zeide:„Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt.”„Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?”„Neen, mijnheer.”„Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?”„Ik ben onbekend metHem.”„Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongstedag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijtover het algemeengeen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gijweetdat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarinzijnebeginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBridenu. En wat zal het dan? Wel, alsuwgedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de „kinderen Israëls,” verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!” zeide ik.„O ja,” zeide Hiatt, „gij kunt zingen.”„De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben,” en ik begon het gezang: „Vader, ik hef mijne handen naar u op,” alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, „Laat ons bidden.”„G—d ver....e, dat is geen zingen!” zeide een uit het gezelschap achteraan.„Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, „het is ons goed dat wij hier zijn.” Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: „Pakt hem aan!” „Sleept hem er uit!” „Brengt hem tot zwijgen!”Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.„Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gijmoest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?”„O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden.”„Zij zullen niet door mij lijden,” zeide ik.Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden „moeten ondergaan”; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en datChristus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: „Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd—e afschaffing.” En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was,zij die niet konden tegenhouden—dat zij mij konden vermoorden, maarnietde waarheiddooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:Mr. McBride!Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)Eenigen waren professors in de Godsdienst,—Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een „vermaner”, en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!J. McBride.”1De schrijfster beschrijft hier een toneel, dat onlangs in een Slavenstaat heeft plaats gehad en waarvan zij de bijzonderheden maar al te goed kent. Het bedoelde werk wasUncle Tom’s Cabin.
Hoofdstuk X.Het arme blanke uitschot.
Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: „Let op uwe eigene mindere volksklassen.”De voorstanders der slavernij hebben Engeland opzijne eigene armengewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,—ja, zelfs van zijne landbouw-districten.Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn metslechtseven zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: „wij zijn niet slechter dan gij.” Het moest oneindig veel beter zijn.Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van eenvruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijkegift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia—hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschapkoopenliever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van „arm blank uitschot,” zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om „eennegerof twee te koopen,” en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien „wat een neger er bij won om met hen handel te drijven.” Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid,getuigenkonden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:—Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woninggemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van hetgepeupeler op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.Deze aanvoerders hebben den kreet „afschaffing” voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn „voort” aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal1; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgerstrachtente vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, inZuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van „de blanke Slaaf.”Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:„Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hijjuist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, omzoo hoogMaar ookniet hoogerop te rijzen naar den boog.”Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden—meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd:Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in hettrotscheZuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echterwaar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid,dat de slavernij vrije werklieden—landlieden, pachters, ambachtslieden,—ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten ’s lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien meteen gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne „Brieven over de slavernij,” pag. 65:In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: „Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben.” In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in hetZuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat „een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten”; en echter heeft Kentucky een „school-fonds” op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundigejournalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. DeNational Erahaalt uit deRaleigh-Register(Nieuw Carolina) het volgende aan:Zij zullen Noord-Carolina verlaten.Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het „verre Westen” gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.Als er eenige „wenschelijke verbetering” te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.De uitgever van deErahaalt ook het volgende aan uit deGreensboro’(Alabama),Beacon:Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurendede laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?In de kolommen van deNational Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:„Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan deTrue Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:„Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.„Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschenhouden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op.”Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.Het volgende wordt in deNational Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van deAugusta Republic(Georgia).Vrijheid van spreken in Georgia.Warrenton(Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt doorde tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk—gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij—en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.Er werd, op een voorstel,Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juistsignalementvan gezegden Watson, naar de uitgevers derAugustanieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.Beschrijving.—Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.Hierna werd de bijeenkomst gesloten.Thomas F. Parsons,Voorzitter.William H. Pilcher,Secretaris.Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.Het volgende is uit denRichmond Timesdoor deNational Eraovergenomen.Lynch-wet!Op den 13den dezer heeft het „Vigilance Committee”, uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en deWytheville Republicanvan den 20sten dezer, geeft op, dat het „Vigilance Committee” van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.Over dezen hoon, maakt deWytheville Republicande volgende aanmerkingen:Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het „Committee of Vigilance” van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder vanhem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geenblankekinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.De „Vigilance Committee’s” waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon’s aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit denRichmond Times(Virginia) door deNational Eraovergenomen:Meer moeijelijkheden in Grayson.Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de „Vigilance Committee’s” op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te biedenvoor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee’s.Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:„Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het „Circuit Court”, hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhandeene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte,rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van deEra, van den 3den April 1852:Lynching in Kentucky.DeAmerican Baptist, van Utica (New York), behelst brievenvan Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van deAmerican Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van denRichmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men „slaveneigendom” noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeeneopinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit deJournal and Messengervan Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:„De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en dewet, maar niet vooronwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijnregter toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat „onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt.” Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwachtte zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,kanin een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; „als zij u in de eene stadvervolgen, vlugt dan naar eene andere,” zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eenebelofteaf, dat gij uweregtenniet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar hetis de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eenebeloftezou afleggen omnooit terug te keeren, ten einde zijnlevente redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijnregtis, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.Het volgende is uit deNational Eravan den 10den Julij 1851.De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.Gebeurde met den Eerw.Jesse McBride.Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:„Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne „meeting”, 8 mijlen beoosten Greensboro’, waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ikzeide hun dat ik gaan zou, en als „goede soldaten” volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:„Mr.McBride, hier is een brief voor u.”Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: „Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der „meeting.”„Neen, gij moet diennulezen.”Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: „Ik moet u spreken,” en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.„Ik zal later met u spreken,” zeide ik, mijn horologie uithalende; „gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure.”Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:„Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!”Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen „Vader”, pleitte op Zijne beloften, zoo als: „Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zalIkeen standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood” enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro’, zeide:„Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt.”„Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?”„Neen, mijnheer.”„Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?”„Ik ben onbekend metHem.”„Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongstedag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijtover het algemeengeen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gijweetdat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarinzijnebeginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBridenu. En wat zal het dan? Wel, alsuwgedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de „kinderen Israëls,” verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!” zeide ik.„O ja,” zeide Hiatt, „gij kunt zingen.”„De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben,” en ik begon het gezang: „Vader, ik hef mijne handen naar u op,” alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, „Laat ons bidden.”„G—d ver....e, dat is geen zingen!” zeide een uit het gezelschap achteraan.„Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, „het is ons goed dat wij hier zijn.” Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: „Pakt hem aan!” „Sleept hem er uit!” „Brengt hem tot zwijgen!”Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.„Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gijmoest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?”„O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden.”„Zij zullen niet door mij lijden,” zeide ik.Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden „moeten ondergaan”; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en datChristus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: „Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd—e afschaffing.” En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was,zij die niet konden tegenhouden—dat zij mij konden vermoorden, maarnietde waarheiddooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:Mr. McBride!Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)Eenigen waren professors in de Godsdienst,—Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een „vermaner”, en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!J. McBride.”
Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: „Let op uwe eigene mindere volksklassen.”
De voorstanders der slavernij hebben Engeland opzijne eigene armengewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,—ja, zelfs van zijne landbouw-districten.
Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn metslechtseven zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.
Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: „wij zijn niet slechter dan gij.” Het moest oneindig veel beter zijn.
Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van eenvruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.
De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.
Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijkegift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.
Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia—hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschapkoopenliever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van „arm blank uitschot,” zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om „eennegerof twee te koopen,” en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.
Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien „wat een neger er bij won om met hen handel te drijven.” Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid,getuigenkonden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?
Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:—Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woninggemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.
Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.
De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van hetgepeupeler op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.
Deze aanvoerders hebben den kreet „afschaffing” voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn „voort” aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.
Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal1; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgerstrachtente vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.
Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, inZuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van „de blanke Slaaf.”
Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:
„Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hijjuist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, omzoo hoogMaar ookniet hoogerop te rijzen naar den boog.”
„Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hijjuist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, omzoo hoogMaar ookniet hoogerop te rijzen naar den boog.”
Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden—meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.
Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd:Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:
Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in hettrotscheZuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echterwaar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.
Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in hettrotscheZuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echterwaar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.
De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:
Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid,dat de slavernij vrije werklieden—landlieden, pachters, ambachtslieden,—ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten ’s lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien meteen gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.
Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid,dat de slavernij vrije werklieden—landlieden, pachters, ambachtslieden,—ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten ’s lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien meteen gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.
Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne „Brieven over de slavernij,” pag. 65:
In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: „Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben.” In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in hetZuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat „een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten”; en echter heeft Kentucky een „school-fonds” op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundigejournalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.
In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: „Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben.” In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.
In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.
In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.
In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in hetZuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.
Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat „een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten”; en echter heeft Kentucky een „school-fonds” op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.
Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundigejournalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.
Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.
In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.
In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.
De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. DeNational Erahaalt uit deRaleigh-Register(Nieuw Carolina) het volgende aan:
Zij zullen Noord-Carolina verlaten.Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het „verre Westen” gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.Als er eenige „wenschelijke verbetering” te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.
Zij zullen Noord-Carolina verlaten.
Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het „verre Westen” gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.
Als er eenige „wenschelijke verbetering” te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.
De uitgever van deErahaalt ook het volgende aan uit deGreensboro’(Alabama),Beacon:
Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurendede laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?
Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurendede laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.
Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.
Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?
In de kolommen van deNational Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:
„Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan deTrue Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:„Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.„Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschenhouden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op.”Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.
„Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan deTrue Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:
„Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.
„Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschenhouden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op.”
Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.
Het volgende wordt in deNational Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van deAugusta Republic(Georgia).
Vrijheid van spreken in Georgia.Warrenton(Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt doorde tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk—gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij—en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.Er werd, op een voorstel,Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juistsignalementvan gezegden Watson, naar de uitgevers derAugustanieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.Beschrijving.—Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.Hierna werd de bijeenkomst gesloten.Thomas F. Parsons,Voorzitter.William H. Pilcher,Secretaris.
Vrijheid van spreken in Georgia.
Warrenton(Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.
Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.
De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:
Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt doorde tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk—gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij—en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.
Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.
Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.
De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:
William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.
De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.
Er werd, op een voorstel,
Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juistsignalementvan gezegden Watson, naar de uitgevers derAugustanieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.
Beschrijving.—Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.
Hierna werd de bijeenkomst gesloten.
Thomas F. Parsons,Voorzitter.
William H. Pilcher,Secretaris.
Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.
Het volgende is uit denRichmond Timesdoor deNational Eraovergenomen.
Lynch-wet!Op den 13den dezer heeft het „Vigilance Committee”, uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en deWytheville Republicanvan den 20sten dezer, geeft op, dat het „Vigilance Committee” van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.
Lynch-wet!
Op den 13den dezer heeft het „Vigilance Committee”, uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en deWytheville Republicanvan den 20sten dezer, geeft op, dat het „Vigilance Committee” van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.
Over dezen hoon, maakt deWytheville Republicande volgende aanmerkingen:
Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het „Committee of Vigilance” van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder vanhem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geenblankekinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.De „Vigilance Committee’s” waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon’s aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.
Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.
Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het „Committee of Vigilance” van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder vanhem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.
Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geenblankekinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.
De „Vigilance Committee’s” waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon’s aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.
De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit denRichmond Times(Virginia) door deNational Eraovergenomen:
Meer moeijelijkheden in Grayson.Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de „Vigilance Committee’s” op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te biedenvoor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee’s.Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:„Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het „Circuit Court”, hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhandeene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte,rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.
Meer moeijelijkheden in Grayson.
Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.
Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de „Vigilance Committee’s” op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te biedenvoor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee’s.
Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:
„Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het „Circuit Court”, hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhandeene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte,rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.
Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van deEra, van den 3den April 1852:
Lynching in Kentucky.
DeAmerican Baptist, van Utica (New York), behelst brievenvan Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.
Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van deAmerican Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van denRichmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men „slaveneigendom” noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeeneopinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit deJournal and Messengervan Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:„De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en dewet, maar niet vooronwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijnregter toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat „onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt.” Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwachtte zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,kanin een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; „als zij u in de eene stadvervolgen, vlugt dan naar eene andere,” zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eenebelofteaf, dat gij uweregtenniet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar hetis de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eenebeloftezou afleggen omnooit terug te keeren, ten einde zijnlevente redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijnregtis, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.
Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van deAmerican Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.
Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.
Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van denRichmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.
Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men „slaveneigendom” noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeeneopinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.
Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.
Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit deJournal and Messengervan Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:
„De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en dewet, maar niet vooronwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijnregter toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat „onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt.” Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwachtte zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,kanin een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; „als zij u in de eene stadvervolgen, vlugt dan naar eene andere,” zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eenebelofteaf, dat gij uweregtenniet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar hetis de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eenebeloftezou afleggen omnooit terug te keeren, ten einde zijnlevente redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijnregtis, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.
Het volgende is uit deNational Eravan den 10den Julij 1851.
De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.
Gebeurde met den Eerw.Jesse McBride.Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.
Gebeurde met den Eerw.Jesse McBride.
Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.
Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:
„Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne „meeting”, 8 mijlen beoosten Greensboro’, waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ikzeide hun dat ik gaan zou, en als „goede soldaten” volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:„Mr.McBride, hier is een brief voor u.”Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: „Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der „meeting.”„Neen, gij moet diennulezen.”Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: „Ik moet u spreken,” en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.„Ik zal later met u spreken,” zeide ik, mijn horologie uithalende; „gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure.”Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:„Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!”Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen „Vader”, pleitte op Zijne beloften, zoo als: „Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zalIkeen standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood” enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro’, zeide:„Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt.”„Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?”„Neen, mijnheer.”„Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?”„Ik ben onbekend metHem.”„Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongstedag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijtover het algemeengeen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gijweetdat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarinzijnebeginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBridenu. En wat zal het dan? Wel, alsuwgedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de „kinderen Israëls,” verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!” zeide ik.„O ja,” zeide Hiatt, „gij kunt zingen.”„De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben,” en ik begon het gezang: „Vader, ik hef mijne handen naar u op,” alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, „Laat ons bidden.”„G—d ver....e, dat is geen zingen!” zeide een uit het gezelschap achteraan.„Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, „het is ons goed dat wij hier zijn.” Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: „Pakt hem aan!” „Sleept hem er uit!” „Brengt hem tot zwijgen!”Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.„Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gijmoest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?”„O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden.”„Zij zullen niet door mij lijden,” zeide ik.Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden „moeten ondergaan”; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en datChristus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: „Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd—e afschaffing.” En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was,zij die niet konden tegenhouden—dat zij mij konden vermoorden, maarnietde waarheiddooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:Mr. McBride!Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)Eenigen waren professors in de Godsdienst,—Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een „vermaner”, en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!
„Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne „meeting”, 8 mijlen beoosten Greensboro’, waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ikzeide hun dat ik gaan zou, en als „goede soldaten” volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:
„Mr.McBride, hier is een brief voor u.”
Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: „Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der „meeting.”
„Neen, gij moet diennulezen.”
Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: „Ik moet u spreken,” en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.
„Ik zal later met u spreken,” zeide ik, mijn horologie uithalende; „gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure.”
Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:
„Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!”
Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen „Vader”, pleitte op Zijne beloften, zoo als: „Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zalIkeen standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood” enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro’, zeide:
„Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt.”
„Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?”
„Neen, mijnheer.”
„Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?”
„Ik ben onbekend metHem.”
„Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongstedag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijtover het algemeengeen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gijweetdat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarinzijnebeginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBridenu. En wat zal het dan? Wel, alsuwgedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de „kinderen Israëls,” verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!” zeide ik.
„O ja,” zeide Hiatt, „gij kunt zingen.”
„De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben,” en ik begon het gezang: „Vader, ik hef mijne handen naar u op,” alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, „Laat ons bidden.”
„G—d ver....e, dat is geen zingen!” zeide een uit het gezelschap achteraan.
„Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, „het is ons goed dat wij hier zijn.” Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: „Pakt hem aan!” „Sleept hem er uit!” „Brengt hem tot zwijgen!”
Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.
„Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gijmoest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?”
„O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden.”
„Zij zullen niet door mij lijden,” zeide ik.
Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden „moeten ondergaan”; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en datChristus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: „Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd—e afschaffing.” En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.
Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was,zij die niet konden tegenhouden—dat zij mij konden vermoorden, maarnietde waarheiddooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.
Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:
Mr. McBride!Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)
Mr. McBride!
Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.
6 Mei 1851.(Geteekend door 32 personen.)
Eenigen waren professors in de Godsdienst,—Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een „vermaner”, en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!
J. McBride.”
1De schrijfster beschrijft hier een toneel, dat onlangs in een Slavenstaat heeft plaats gehad en waarvan zij de bijzonderheden maar al te goed kent. Het bedoelde werk wasUncle Tom’s Cabin.
1De schrijfster beschrijft hier een toneel, dat onlangs in een Slavenstaat heeft plaats gehad en waarvan zij de bijzonderheden maar al te goed kent. Het bedoelde werk wasUncle Tom’s Cabin.