HOOFDSTUK III.Na de korte rust en eenvoudige verversching stonden de krijgers op, en boden elkander vriendelijk de hulpzame hand, terwijl zij hunne trouwe rossen het tuig, waarvan zij hen voor dien tijd verlicht hadden, weder oplegden. Elk van hen scheen ten volle vertrouwd met eene handeling, welke in dien tijd een deel van een noodzakelijken, ja onvermijdelijken plicht was. Ieder scheen ook, voor zoover het verschil tusschen het redelijk en onredelijk schepsel toeliet, het vertrouwen en de genegenheid van het paard te genieten, dat de bestendige metgezel van zijne reizen en oorlogsdaden was. Bij den Sarraceen vormde deze gemeenzaamheid een deel van zijne vroegtijdige gewoonten; want bij de Oostersche oorlogzuchtige stammen staat het paard van den krijgsman het naast en bijna gelijk in waarde met zijne vrouw en zijn huisgezin; en voor den Europeeschen held maakten de omstandigheden en de nood zijn strijdros hem nauwelijks minder dierbaar dan zijn wapenbroeder. De paarden lieten zich dan ook rustig van hun voeder en hunne vrijheid afroepen, en brieschten en snoven liefdelijk om hunne meesters, terwijl deze hen tot den verderen tocht en volgende moeielijkheden uitrustten. Ieder krijger zag onder het volbrengen van zijne eigen taak of het welwillend helpen van zijn metgezel, met opmerkzame nieuwsgierigheid naar hetgeen zijn reisgenoot deed, en merkte vooral op hetgeen hem in de wijze van optooming van deze hem vreemd voorkwam.Eer zij weder opstegen, om hunne reis te hervatten, bevochtigde zichnogmaals de Christen ridder, dompelde zijne handen in de springende fontein, en zeide tot zijn ongeloovigen reisgenoot: „ik wenschte wel den naam van deze heerlijke fontein te weten, om dien in mijn dankbaar geheugen te bewaren; want nooit heeft water op aangenamer wijze een meer brandenden dorst gelescht, dan ik heden ondervonden heb.”„Zijheetin het Arabisch de Diamant van de woestijn”, antwoordde de Sarraceen.„En terecht draagt zij dezen naam”, hervatte de Christen. „De vallei, waarin ik geboren werd heeft duizend bronnen, maar aan geene zal ik zulke kostbare herinneringen hechten als aan dezen eenzamen put, die zijn vochtigen schat dáár schenkt, waar die niet slechts aangenaam maar bijna onmisbaar is.”„Gij spreekt de waarheid”, hernam de Sarraceen; „want op gindsche zee des doods ligt nog de vloek, en mensch noch dier drinkt van hare wateren noch van die der rivier, die haar voedt, zonder ze te vullen, totdat hij deze onherbergzame woestijn is doorgetrokken.”Zij stegen te paard en vervolgden hunne reis door de zandwoestijn. De middaghitte was thans voorbij, en een zoel windje verlichtte de verschrikking der woestijn een weinig, ofschoon niet zonder op zijne vleugelen een vluchtig stof mede te brengen, waarom de Sarraceen zich weinig bekreunde, terwijl zijn zwaar gewapende reismakker het zoo lastig vond, dat hij zijn ijzeren helm aan den knop van zijn zadel hing, en in plaats daarvan de lichte rijmuts opzette, die in de taal van dien tijdmortiergenoemd werd wegens hare gelijkenis met den vorm van een gewonen vijzel. Zij reden eenigen tijd zwijgend naast elkander, terwijl de Sarraceen de taak van aanvoerder en wegwijzer waarnam door op kleine kenteekens en de vormen der verafgelegene rotsen te letten die zij allengs naderden. Eene poos lang scheen hij in die taak verdiept te zijn, even als een loods, die een schip door een gevaarlijk kanaal stuurt; maar zij waren nog geene halve mijl voortgetrokken, toen hij zeker was van zijn weg, en meer bereid scheen om een gesprek aan te vangen, dan dit eigen is aan zijn volk.„Gij hebt”, zeide hij, „naar den naam eener onbezielde fontein gevraagd, die het voorkomen, maar niet de werkelijkheid van een levend schepsel heeft. Vergun mij nu naar den naam van den makker te vragen, dien ik heden zoowel in gevaar als in rust gevonden heb, en dien ik zelfs in de woestijnen van Palestina niet kan gelooven onbekend te zijn?”„Die naam is nog niet waard bekend gemaakt te worden”, antwoordde de Christen. „Verneem echter, dat ik onder de soldaten van het kruis Kenneth genoemd wordt, Kenneth van den Liggenden Luipaard; in mijn vaderland heb ik nog andere titels; maar deze zouden in uwe Oostersche ooren hard klinken. DappereSarraceen, laat ik u vragen, welke Arabische stam op uwe afkomst roemen kan, en onder welken naam gij bekend zijt?”„Ridder Kenneth”, hernam de Muzelman, „het verheugt mij, dat uw naam van dien is, dat mijne lippen dien gemakkelijk kunnen uitspreken.Wat mij betreft, ik ben geen Arabier, maar stam toch af van een niet minder woest en krijgshaftig geslacht. Verneem, heer ridder van den Luipaard, dat ik Sheerkohf, de Leeuw van den Berg heet, en dat Kurdistan, van waar ik geboortig ben, geen geslacht voor edeler houdt dan dat van Seljook.”„Ik heb gehoord”, antwoordde de Christen, „dat uw groote Sultan uit hetzelfde bloed gesproten is.”„Gedankt zij de profeet, dat hij in zoover onze bergen vereerd heeft, om uit hun midden hem te zenden, wiens woord de zege is,” hernam de Paynim. „Ik ben slechts een worm voor den Koning van Egypte en Syrië, en echter vermag mijn naam nog al iets in mijn land.—Vreemdeling, met hoe veel man zijt gij naar dezen oorlog getrokken?”„Op mijn woord,” antwoordde sir Kenneth, „met de hulp van vrienden en bloedverwanten, bracht ik nauwelijks met groote moeite tien wel geoefende lansdragers en omstreeks vijftig man meer bijeen, boogschutters en knechten inbegrepen. Sommigen hebben mijn vaandel verlaten—anderen zijn in den slag gesneuveld—verscheidenen zijn aan ziekten gestorven—en een getrouwe schildknaap, voor wiens leven ik thans dezen tocht aanvaardde, ligt op het ziekbed uitgestrekt.”„Christen”, zeide Sheerkohf, „ik heb hier vijf pijlen in mijn pijlkoker, ieder met arendsveeren voorzien. Wanneer ik eene van deze naar mijne tenten zend, stijgen duizend krijgers te paard—wanneer ik eene tweede afzend, zal er eene gelijke macht opdagen—met die vijf kan ik vijfduizend man bijeenbrengen; en wanneer ik mijn boog zend, dan zullen tienduizend wel bereden ruiters de woestijn doen trillen. En met uwe vijftig volgelingen zijt gij gekomen, om een land aan te vallen, waarin ik een der geringsten ben!”„Nu, bij het heilige Kruis, Sarraceen”, hervatte de Westersche krijgsman, „gij moest weten, eer gij u beroemt, dat een stalen handschoen eene geheele handvol paardenvliegen kan verpletteren.”„Ja, maar hij moet die eerst binnen zijn bereik hebben”, hernam de Sarraceen met een glimlach, die hun nieuw verbond had kunnen in gevaar brengen, zoo hij niet van onderwerp ware veranderd door er bij te voegen: „en wordt de dapperheid onder de Christen vorsten zoo zeer op prijs gesteld, dat gij, zoo arm aan vermogen en manschappen, u zoo straks tot mijn beschermer in het kamp uwer broederen durfdet aanbieden?”„Weet, Sarraceen”, zeide de Christen, „daar gij een man van zooveel aanzien zijt, dat de naam eens ridders, en het bloed van een edelman, hem het recht geven, om zich zelfs met vorsten van den eersten rang op gelijken voet te plaatsen in alles, wat het koninklijke gezag en gebied niet betreft. Zoo Richard van Engeland zelf de eer van een arm ridder als ik kwetste, kon hij, volgens de wetten der ridderschap, mij het tweegevecht niet weigeren.”„Ik zou wel eens zulk een zonderling tooneel willen zien”, antwoordde de emir,„waarin een lederen gordel en een paar sporen den armste met den machtigste gelijk maken.”„Gij moet er bijvoegen edel bloed en een onversaagd hart”, zeide de Christen;„en dan zult gij misschien geen onwaarheid gezegd hebben.”„En mengt gij u even zoo stout onder de vrouwen van uwe vorsten en aanvoerders?” vroeg de Sarraceen verder.„Gode zij dank”, antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard, „heeft de armste ridder van de Christenheid bij alle eervolle diensten de vrijheid om zijn hart en zwaard, den roem van zijne daden, en de bepaalde neiging zijns harten te wijden aan de schoonste prinses, die ooit eene kroon op het hoofd droeg.”„Maar eene korte poos geleden,” hernam de Sarraceen, „hebt gij de liefde als den hoogsten schat van het hart beschreven—het uwe is zonder twijfel op eene verheven en edele wijze geschonken? Is het niet zoo?”„Vreemdeling”, antwoordde de Christen hoog kleurende onder het spreken, „wij zeggen niet onbedachtzaam waar wij onze kostbaarste schatten bewaren—het is genoeg voor u te weten, dat, gelijk gij zegt, mijne liefde op een verheven en edel voorwerp geplaatst is—zeer verheven—zeer edel; maar zoo gij iets van liefde en het breken van lansen hooren wilt, waag u dan, zoo als gij straks zeidet, in de legerplaats der kruisvaarders, en gij zult oefening voor uwe ooren, en, zoo gij wilt, ook voor uwe handen vinden.”De Oostersche krijgsman, zich in de stijgbeugels verheffende en zijne lans in de lucht zwaaiende, antwoordde: „Ik twijfel er zeer aan, of er wel een met het kruis op den schouder is, die het met mij in het werpen van de werpspies zou durven opnemen.”„Daar wil ik niet voor instaan”, hervatte de ridder, „maar er zijn eenige Spanjaarden in het leger, die zeer behendig zijn in uw Oostersch spel van het slingeren met de werpspies.”„Honden, en zonen van honden!” riep de Sarraceen uit; „wat behoeven die Spanjaarden hierheen te komen, om de ware geloovigen te bestrijden, die in hun eigen land hunne heeren en tuchtmeesters zijn? Met hen zal ik mij in geen krijgsspel inlaten.”„Laat de ridders van Leon en Asturië u niet zoo van zich hooren spreken,” zeide de ridder van den Luipaard; „maar,” voegde hij er bij, glimlachend bij de herinnering aan den strijd van dien morgen, „zoo gij lust hebt in plaats van eene spies, den worp van eene strijdbijl uit te houden, dan zullen er Westersche krijgslieden gevonden worden, die aan uw verlangen zullen willen voldoen.”„Bij den baard mijns vaders, ridder,” antwoordde de Sarraceen met een neiging tot lachen, „dat spel is te grof voor bloote scherts—ik zal die in den slag nooit vreezen; maar mijn hoofd,” zeide hij, zijne hand aan het voorhoofd houdende, „zal mij voor eenigen tijd niet vergunnen van deze in scherts op te zoeken.”„Ik wenschte, dat gij de bijl van koning Richard zaagt,” vervolgde de Westersche krijgsman, „waarbij die, welke aan mijn zadelboog hangt, slechts eene veder in gewicht is.”„Wij hooren veel van dezen eiland-vorst”, zeide de Sarraceen, „zijt gij een van zijne onderdanen?”„Een van zijn volgelingen in dezen krijgstocht ben ik”, antwoordde de ridder, „en ik stel eene eer in dezen dienst; maar ik ben zijn geboren onderdaan niet, ofschoon ik afkomstig ben van het eiland, waarover hij heerscht.”„Hoe meent gij dat?” vroeg de Oosterling; „hebt gij dan twee koningen op één arm eiland?”„Zoo als gij wel zegt”, antwoordde de Schot, want dit was sir Kenneth van geboorte—„het is zoo; en toch, hoewel de bewoners van de twee deelen van dit eiland dikwijls met elkander in oorlog zijn, kan het nog, gelijk gij ziet, een korps gewapenden op de been brengen, die de onheilige macht, waarmede uw Vorst zich van de steden van Sion heeft meester gemaakt, duchtig doen sidderen.”„Bij den baard van Saladin, Nazareër, zoo het niet eene onbezonnen en kinderachtige zotheid was, dan zou ik kunnen lachen over de onnoozelheid van uw grooten Sultan, die herwaarts komt om woestijnen en rotsen te veroveren, en haar bezit te betwisten aan hen, welke tienmaal grooter scharen aan te voeren hebben, terwijl hij een gedeelte van zijn klein eiland, waarop hij als heerscher geboren werd, aan een vreemden schepter onderworpen laat. Waarlijk, sir Kenneth, gij en de andere goede mannen van uw land hadt u aan het gebied van dezen koning Richard moeten onderwerpen, eer gij uw vaderland, verdeeld in zich zelf, verliet, om op dezen krijgstocht te aanvaarden.”Haastig en driftig gaf Kenneth tot antwoord: „Neen, bij het heldere licht des hemels! zoo de Koning van Engeland niet ter kruisvaart was getogen, vóór dat hij meester van Schotland geweest was, dan had wat mij en alle oprechte Schotten betreft, de halve maan voor eeuwig op de muren van Sion kunnen schitteren.”Tot zoo ver had hij gesproken, toen hij, zich plotseling bezinnende, zachtjes zeide: „Mea culpa! mea culpa!wat heb ik, een krijgsman van het kruis, met de herinnering aan den oorlog tusschen Christen volkeren te maken!”De snelle uitdrukking van het gevoel, door de voorschriften van den plicht bedwongen, ontging den Muzelman niet; want, ofschoon deze niet alles begreep, wat daarin lag opgesloten, zag hij toch genoeg om hem in het denkbeeld te bevestigen, dat de Christenen, even goed als de Mahomedanen, bijzondere gevoelens van persoonlijken wrok en nationale twisten hadden, die niet geheel uit den weg te ruimen waren. Maar de Sarraceenen waren een volk, dat, zoo ver hun godsdienst toeliet, beschaafd was, en bijzonder geschikt om hooge begrippen van beleefdheid en hoffelijkheid te koesteren; en deze beletten hem om eenige acht te slaan op de onbestaanbaarheid van sir Kenneth’s gevoelens, omtrent de met elkaar strijdende karakters van Schot en kruisvaarder.Intusschen begon, terwijl zij voorwaarts trokken, het tooneel rondom hen te veranderen. Zij wendden zich nu naar het oosten, en hadden de keten van steile en woeste bergen bereikt, die in deze streek denaakte vlakte begrenst, en eenige afwisseling brengt in het voorkomen dezer landstreek, maar zonder hare onvruchtbaarheid weg te nemen. Steile, rotsachtige hoogten begonnen zich rondom hen te verheffen, en weldra boden diepe afgronden en steile bergpassen, verschrikkelijk door hunne hoogte en moeielijk door hunne engte, de reizigers hinderpalen aan van geheel verschillenden aard van die, waarmede zij kort te voren te kampen hadden gehad. Duistere holen en spleten in de rotsen,—die grotten, waarvan zoo dikwijls in den Bijbel gewaagd wordt,—gaapten hen bij hun voortgang van beide zijden dreigend aan. De emir deelde den Schotschen ridder mede, dat deze dikwijls de schuilhoeken waren van roofdieren, of nog wilder menschen, die, door den bestendigen oorlog en de onderdrukking, die de soldaten zoowel van het Kruis als van de Halve maan uitoefenden, tot wanhoop gedreven, roovers waren geworden, en stand noch godsdienst, geslacht noch ouderdom bij hunne plunderingen spaarden.De Schotsche ridder luisterde met onverschilligheid naar het verhaal der verwoestingen, die wilde dieren of goddelooze menschen aanrichtten, daar hij zich veilig gevoelde door zijne eigen dapperheid en persoonlijke kracht; maar hij werd door eene geheimzinnige vrees getroffen, nu hij zich bevond in de vreeselijke woestijn der veertigdaagsche vasten en het tooneel van de werkelijke persoonlijke verzoeking, die de booze verlof kreeg om den Zoon des menschen te doen ondergaan. Hij onttrok allengs zijne aandacht aan het lichte en wereldsche onderhoud met den ongeloovigen krijgsman, die naast hem reed, en hoe aangenaam diens vroolijkheid en dapperheid hem overal elders als tochtgenoot gemaakt hadden, kwam het sir Kenneth toch voor, dat in die wildernissen, de woeste en dorre plaatsen, waarin de booze geesten plachten rond te waren, wanneer zij gedreven waren uit de lichamen der stervelingen, welke zij bezeten hadden, een barrevoeter monnik een beter gezelschap zou geweest zijn, dan de opgeruimde, maar ongeloovige Paynim.Deze gedachten drukten hem, te meer daar de vroolijkheid van den Sarraceen scheen toe te nemen naarmate de reis vorderde, en zijne gesprekken luchthartiger werden, hoe verder zij in de sombere kloven der bergen drongen; en toen deze onbeantwoord bleven, werd zijn gezang des te luider. Sir Kenneth verstond genoeg van de Oostersche talen om te weten, dat hij minneliederen zong, die al de gloeiende lofspraken op de schoonheid bevatten, waarin de Oostersche dichters zich gaarne verlustigen, en die derhalve bijzonder ongeschikt waren voor ernstige of vrome gedachten, welke het best voor de woestijn der verzoeking betaamden. In vrij groote tegenspraak met zich zelven zong de Sarraceen ook lofliederen op den wijn, de vloeibare robijn der Perzische dichters, en zijne vroolijkheid werd eindelijk zoo onbestaanbaar met den loop der gedachten van den Christen ridder, dat, zonder de onderling gedane belofte van vriendschap, sir Kenneth zeker maatregelen zou genomen hebben, om hem van melodie te doen veranderen. In zijn toestand kwam het hem bijna voor, of hij een vroolijken, losbandigenboozen geest naast zich had, die poogde zijne ziel te verstrikken, en zijn onsterfelijk heil in gevaar brengen, door hem lichtzinnige gedachten van aardsch vermaak in te boezemen, en dus zijne aandacht te bezoedelen juist op een tijd, dat zijne trouw als Christen en zijne gelofte als pelgrim van hem een ernstig en berouwhebbenden gemoedstoestand vorderden. Hij was dus zeer verlegen en besluiteloos hoe hij handelen moest. Eindelijk brak hij zijn stilzwijgen af en stoorde zijn metgezel in het lied van den beroemden Rudpiki, waarin hij de moedervlek op den boezem zijner minnares boven al de schatten van Bokara en Samarcand stelt.„Sarraceen”, zeide de kruisvaarder ernstig, „hoe verblind gij ook zijt en hoe gedompeld in de dwalingen van eene valsche leer, moest gijtochbegrijpen, dat sommige plaatsen heiliger zijn dan andere, en dat op deze de booze meer dan gewone macht heeft over de zondige stervelingen. Ik wil u niet zeggen, om welke huiveringwekkende redenen deze plaats, deze rotsen, deze holen met hunne sombere gewelven, die als het ware naar den diepsten afgrond in het middelpunt der aarde leiden, voor het bijzonder verblijf van Satan en zijne dienaren gehouden worden. Het is voldoende te zeggen, dat ik door wijze en heilige mannen, die met de eigenschappen van deze heillooze streek bekend zijn, lang gewaarschuwd ben om mij voor deze plaats te hoeden. Daarom, Sarraceen, laat uwe dwaze en ontijdige lichtzinnigheid varen, en vestig uwe gedachten op dingen, die beter voor deze plek geschikt zijn; ofschoon, helaas! uwe beste gebeden niets zijn dan godslastering en zonde.”De Sarraceen luisterde met eenige verbazing en antwoordde toen met goedhartige luim en vroolijkheid, die slechts in zoover beperkt was als de beleefdheid vorderde: „Goede sir Kenneth, mij dunkt, gij handelt niet naar behooren tegenover uw metgezel, of wel uwe Westerschevolksstammenweten niet wat beleefdheid is. Ik heb er geen ergernis aan genomen, toen ikuzwijnenvleesch zag verslinden en wijn drinken, en u uw maaltijd zag nuttigen met uwe zoogenoemde christelijke vrijheid, terwijl ik in mijn hart slechts medelijden had met uw ellendig tijdverdrijf. Daarom zoudt gij u dus ergeren, dat ik, zoo goed ik kan, een vervelenden weg door een vroolijk liedje zoek te verkorten? Wat zegt de dichter? het gezang is als de dauw des hemels op den boezem der woestenij; het maakt het pad des reizigers koel.”„Vriend Sarraceen”, hernam de Christen, „ik keur de liefde voor het gezang en de vroolijke wetenschap niet af; ofschoon wij in onzen geest somtijds daaraan meer plaats inruimen, wanneer zij op betere dingen moesten gericht zijn. Maar gebeden en heilige psalmen passen beter dan liederen op de min en den wijn, wanneer men trekt door deze vallei van de schaduw des doods, die vol is van booze geesten en duivels, welke de gebeden van heilige mannen uit de woonplaatsen der menschheid verdreven hebben, om in streken rond te waren, die even vervloekt zijn als zij zelve.”„Oordeel niet zoo over de geesten, Christen”, antwoordde de Sarraceen,„want gij moet weten, dat gij tot een man spreekt, wiens stam en volk hun oorsprong ontleenen aan dat onsterfelijk geslacht, dat uwe aanhangers vreezen en lasteren.”„Ik dacht het wel”, hervatte de kruisvaarder, „dat uw verblind geslacht van den booze afstamde, zonder wiens bijstand gij nooit in staat zoudt geweest zijn, om dit gezegende land Palestina tegen zoo vele dappere soldaten van God te verdedigen. Ik spreek niet zoo in het bijzonder van u, Sarraceen, maar in het algemeen van uw volk en uw godsdienst. Het verwondert mij echter niet, dat gij van den booze afstamt, maar wel dat gij er u op beroemt.”„Op welken oorsprong zal de dapperste roemen dan van hem, die de dapperste is?” hernam de Sarraceen; „van wien zouden de fiersten liever hun stam afleiden dan van dien somberen geest, die eer door geweld wilde ter neerstorten, dan vrijwillig zijne knie buigen? Eblis kan gehaat worden, vreemdeling, maar toch moet hij gevreesd worden; en gelijk Eblis zijn ook zijne afstammelingen uit Kurdistan.”Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis, die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.„Gij moet dan weten, dappere vreemdeling,” zeide hij, „dat de wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden, lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiendejaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden, gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf stonden, ontbloot van alle kleeding behalve eenwitzijden bovenkleed, dat harebekoorlijkhedenhet hart van onsterfelijke wezens troffen. De donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een, en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen, en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen, en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen; maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht, dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. „Zeineb” zeide de aanvoerder van den troep,—en dit zeggende nam hij de oudste der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en zwaarmoedig,—„ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht, het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem, omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol, dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht, en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht, in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het gansche heelal bekend is.”De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: „In waarheid,heer ridder, gij hebt gelijk—uw stam kan gevreesd en gehaat, maar niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert, die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner menschelijke voorouders naderen.”„Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid, waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; „want ofschoon de profeet—geloofd zij zijn naam!—het zaad onder ons uitgestrooid heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving, en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen.”Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman, het kwade beginsel.AHRIMANVorst Ahriman! wien Iraks zaadVoor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!Als, knielend voor uw rijk,’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,Een macht aan u gelijk?Als ’t wezen dat ons gunstig is,Een bron schept in de wildernis,Waaruit de pelgrim drinkt;U is de golf die ’trotsstrandslaat,De draaikolk, waarin ’t al vergaat,Waar schip bij schip verzinkt.Of, als uit d’aarde, door Zijn machtDe plant ontspruit vol levenskracht,Slechts enklen redt Zijn’ handVan uw gebied in oost en west,Het vuur der koorts, de bleeke pest,De pijlen uit uw hand.Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;En dikwijls als hij nedervielEn andre Godheên huldt—Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,En is met u vervuld.Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,Zoo als de wijze meent?Een ziel met haat en toorn vervuld,Met vleuglen van den dood omhuldEn schrikkelijk gebeent?Of zijt gij met Natuur verknocht,Een kracht die woont in elk gewrocht,En goed in kwaad verkeert?Een boos beginsel, bron van smart,Hetwelk ons beter deel steeds tart,En ach! zoo vaak beheert?’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,Elk voorwerp huldigt uw gebied,Natuur en ’s menschen staat:Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,Min, haat, verachting, blijdschap, smart,Verkeert uw macht in kwaad!Zoodra er op ons tranenveld,Één enkel zuiver straaltje welt,Zijt gij niet ver meer af:In ditkortstondiggunstig lot,Leidt ge iedre bron van ons genot,Tot ons verderf en smart.Dus, van het uur van elks geboort,Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,Houdt ge ieders lot bepaald.Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:En—wie beslist, of dan uw macht,Gij Geest des kwaads, hier faalt?Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand, die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen, en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong, dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven, dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had doen te voorschijn komen.„Maar wat kan het mij deren!” zeide de dappere sir Kenneth bij zich zelven; „weg met den booze en zijne vereerders!”Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen, gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens, zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde, sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed, midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde te werpen.De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half lachende uitriep: „Hamako—gek—laat mij los—dit gaat uw voorrecht te boven—laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken.”„Uw dolk!—ongeloovige hond!” riep de gedaante in het geitenvel, „houd hem vast, wanneer gij kunt,” en in een oogenblik scheurde hij het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.„Help, Nazareër!” riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; „help, of de Hamako zal mij vermoorden.”„U vermoorden,” hernam de bewoner der woestijn; „Wel hebt gij den dood verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, nietalleen op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze, maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf.”De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte in het geitenvel.„Wie gij ook zijn moogt,” zeide hij, „van goed of kwaad geslacht, verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden.”„En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!”Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.„Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft,” vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende, „en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo erniet in uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden godslasteringen had uitgebraakt.”„Hamako,” zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, „ik bid u, goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig, wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gijzultniets van mijn toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen, uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.—En u, vriend Kenneth,” voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, „voel ik mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest, mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had.”„Inderdaad,” antwoordde de ridder; „ik heb hierin gefaald—ik was wat traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van den aanvaller, het onverwachte van het tooneel …. het was alsof uw wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen, eer ik mijn wapen kon vatten.”„Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend,” zeide de Sarraceen: „en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden, zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon gij gewapend en wel bereden daarbij stondt.”„Op mijn woord, Sarraceen”, hernam de Christen, „als ik het u ronduit zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was, en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het zand roldet.”„Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth”, hervatte de Sarraceen, „want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt komen bezoeken.”„Deze!” riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaantedie voor hem stond, beschouwende—„deze!—gij schertst Sarraceen—dit kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!”„Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt”, antwoordde Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde de kluizenaar wat hij had gezegd.„Ik ben Theodorik van Engaddi”, zeide hij—„ik ben de wandelaar der woestijn—ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!—Weg met Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!”—Dit zeggende, haalde hij van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om zijn hoofd zwaaide.„Gij ziet uw heilige,” zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.„Dit is een krankzinnige”, zeide sir Kenneth.„En daarom niet minder heilig,” hernam de Muzelman, volgens het welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed van hoogere ingeving staan. „Weet, Christen, dat, wanneer het eene oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt—dat wanneer de eene hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook, wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is, ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter.”Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te schreeuwen: „Ik ben Theodorik van Engaddi—ik ben de brandtoorts van de woestijn—ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken; en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn—ik ben de toorts en de lantaarn—Kyrie Eleison!”Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd als ontsteld was.De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. „Gij ziet”, zeide hij, „dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen, die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild—ik ben de leeuw, zooals mijn naam aanduidt—en met de geit bedoelt hij, met toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris.”En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn, en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan, met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond, dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde, terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf, dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels, die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats, die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch, dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom enslechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen, dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen, terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: „De Hamako is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij gegeten hebben—want dit brengt zijne gelofte mede.”Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen, die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting, en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans de plichten der gastvrijheid vervulde.Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.„Drinkt, mijne kinderen”, zeide hij, en dit waren zijne eerste woorden,—„de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den gever denkt.”Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel, waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar, bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur, de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen, dienauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigenfakirte vinden, bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van de kruistocht waren opgedragen.Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken, eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk, naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem bij herhaling had zien ten toon spreiden;—dat hij in Jerusalem was verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen, die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was, zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig, maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien, als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde, aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid, dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. „Hij heeft,” vervolgde de Sarraceen, „een Rashidof sterrewacht van groote hoogte, om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen, door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als Muzelmannen gelooven, de loop dermenschelijke gebeurtenissen worden beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden.”Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf, en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het, dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan den woorden van denlaatstenhem zouden hebben doen vermoeden, en het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.„Neem u in acht, Sarraceen”, zeide hij; „mij komt het voor dat de verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van namen als van andere zaken. Uw naam isSheerkohf, en hij noemde u zoo straks bij een anderen.”„Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was”, hernam de Kurdman, „en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil, de Hamako komt—het is om ons ter rust te brengen—ik ken zijne gewoonte—geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden.”De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon: „Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen.”Beide krijgslieden antwoordden: „Amen!” stonden van de tafel op, en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van hen verwijderde.De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af, terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had, toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederente helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan den dag gelegd had.Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats begaf. De Muzelman wendde zich naar zijneKaaba, het punt, waarheen het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden, en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning, lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.
HOOFDSTUK III.Na de korte rust en eenvoudige verversching stonden de krijgers op, en boden elkander vriendelijk de hulpzame hand, terwijl zij hunne trouwe rossen het tuig, waarvan zij hen voor dien tijd verlicht hadden, weder oplegden. Elk van hen scheen ten volle vertrouwd met eene handeling, welke in dien tijd een deel van een noodzakelijken, ja onvermijdelijken plicht was. Ieder scheen ook, voor zoover het verschil tusschen het redelijk en onredelijk schepsel toeliet, het vertrouwen en de genegenheid van het paard te genieten, dat de bestendige metgezel van zijne reizen en oorlogsdaden was. Bij den Sarraceen vormde deze gemeenzaamheid een deel van zijne vroegtijdige gewoonten; want bij de Oostersche oorlogzuchtige stammen staat het paard van den krijgsman het naast en bijna gelijk in waarde met zijne vrouw en zijn huisgezin; en voor den Europeeschen held maakten de omstandigheden en de nood zijn strijdros hem nauwelijks minder dierbaar dan zijn wapenbroeder. De paarden lieten zich dan ook rustig van hun voeder en hunne vrijheid afroepen, en brieschten en snoven liefdelijk om hunne meesters, terwijl deze hen tot den verderen tocht en volgende moeielijkheden uitrustten. Ieder krijger zag onder het volbrengen van zijne eigen taak of het welwillend helpen van zijn metgezel, met opmerkzame nieuwsgierigheid naar hetgeen zijn reisgenoot deed, en merkte vooral op hetgeen hem in de wijze van optooming van deze hem vreemd voorkwam.Eer zij weder opstegen, om hunne reis te hervatten, bevochtigde zichnogmaals de Christen ridder, dompelde zijne handen in de springende fontein, en zeide tot zijn ongeloovigen reisgenoot: „ik wenschte wel den naam van deze heerlijke fontein te weten, om dien in mijn dankbaar geheugen te bewaren; want nooit heeft water op aangenamer wijze een meer brandenden dorst gelescht, dan ik heden ondervonden heb.”„Zijheetin het Arabisch de Diamant van de woestijn”, antwoordde de Sarraceen.„En terecht draagt zij dezen naam”, hervatte de Christen. „De vallei, waarin ik geboren werd heeft duizend bronnen, maar aan geene zal ik zulke kostbare herinneringen hechten als aan dezen eenzamen put, die zijn vochtigen schat dáár schenkt, waar die niet slechts aangenaam maar bijna onmisbaar is.”„Gij spreekt de waarheid”, hernam de Sarraceen; „want op gindsche zee des doods ligt nog de vloek, en mensch noch dier drinkt van hare wateren noch van die der rivier, die haar voedt, zonder ze te vullen, totdat hij deze onherbergzame woestijn is doorgetrokken.”Zij stegen te paard en vervolgden hunne reis door de zandwoestijn. De middaghitte was thans voorbij, en een zoel windje verlichtte de verschrikking der woestijn een weinig, ofschoon niet zonder op zijne vleugelen een vluchtig stof mede te brengen, waarom de Sarraceen zich weinig bekreunde, terwijl zijn zwaar gewapende reismakker het zoo lastig vond, dat hij zijn ijzeren helm aan den knop van zijn zadel hing, en in plaats daarvan de lichte rijmuts opzette, die in de taal van dien tijdmortiergenoemd werd wegens hare gelijkenis met den vorm van een gewonen vijzel. Zij reden eenigen tijd zwijgend naast elkander, terwijl de Sarraceen de taak van aanvoerder en wegwijzer waarnam door op kleine kenteekens en de vormen der verafgelegene rotsen te letten die zij allengs naderden. Eene poos lang scheen hij in die taak verdiept te zijn, even als een loods, die een schip door een gevaarlijk kanaal stuurt; maar zij waren nog geene halve mijl voortgetrokken, toen hij zeker was van zijn weg, en meer bereid scheen om een gesprek aan te vangen, dan dit eigen is aan zijn volk.„Gij hebt”, zeide hij, „naar den naam eener onbezielde fontein gevraagd, die het voorkomen, maar niet de werkelijkheid van een levend schepsel heeft. Vergun mij nu naar den naam van den makker te vragen, dien ik heden zoowel in gevaar als in rust gevonden heb, en dien ik zelfs in de woestijnen van Palestina niet kan gelooven onbekend te zijn?”„Die naam is nog niet waard bekend gemaakt te worden”, antwoordde de Christen. „Verneem echter, dat ik onder de soldaten van het kruis Kenneth genoemd wordt, Kenneth van den Liggenden Luipaard; in mijn vaderland heb ik nog andere titels; maar deze zouden in uwe Oostersche ooren hard klinken. DappereSarraceen, laat ik u vragen, welke Arabische stam op uwe afkomst roemen kan, en onder welken naam gij bekend zijt?”„Ridder Kenneth”, hernam de Muzelman, „het verheugt mij, dat uw naam van dien is, dat mijne lippen dien gemakkelijk kunnen uitspreken.Wat mij betreft, ik ben geen Arabier, maar stam toch af van een niet minder woest en krijgshaftig geslacht. Verneem, heer ridder van den Luipaard, dat ik Sheerkohf, de Leeuw van den Berg heet, en dat Kurdistan, van waar ik geboortig ben, geen geslacht voor edeler houdt dan dat van Seljook.”„Ik heb gehoord”, antwoordde de Christen, „dat uw groote Sultan uit hetzelfde bloed gesproten is.”„Gedankt zij de profeet, dat hij in zoover onze bergen vereerd heeft, om uit hun midden hem te zenden, wiens woord de zege is,” hernam de Paynim. „Ik ben slechts een worm voor den Koning van Egypte en Syrië, en echter vermag mijn naam nog al iets in mijn land.—Vreemdeling, met hoe veel man zijt gij naar dezen oorlog getrokken?”„Op mijn woord,” antwoordde sir Kenneth, „met de hulp van vrienden en bloedverwanten, bracht ik nauwelijks met groote moeite tien wel geoefende lansdragers en omstreeks vijftig man meer bijeen, boogschutters en knechten inbegrepen. Sommigen hebben mijn vaandel verlaten—anderen zijn in den slag gesneuveld—verscheidenen zijn aan ziekten gestorven—en een getrouwe schildknaap, voor wiens leven ik thans dezen tocht aanvaardde, ligt op het ziekbed uitgestrekt.”„Christen”, zeide Sheerkohf, „ik heb hier vijf pijlen in mijn pijlkoker, ieder met arendsveeren voorzien. Wanneer ik eene van deze naar mijne tenten zend, stijgen duizend krijgers te paard—wanneer ik eene tweede afzend, zal er eene gelijke macht opdagen—met die vijf kan ik vijfduizend man bijeenbrengen; en wanneer ik mijn boog zend, dan zullen tienduizend wel bereden ruiters de woestijn doen trillen. En met uwe vijftig volgelingen zijt gij gekomen, om een land aan te vallen, waarin ik een der geringsten ben!”„Nu, bij het heilige Kruis, Sarraceen”, hervatte de Westersche krijgsman, „gij moest weten, eer gij u beroemt, dat een stalen handschoen eene geheele handvol paardenvliegen kan verpletteren.”„Ja, maar hij moet die eerst binnen zijn bereik hebben”, hernam de Sarraceen met een glimlach, die hun nieuw verbond had kunnen in gevaar brengen, zoo hij niet van onderwerp ware veranderd door er bij te voegen: „en wordt de dapperheid onder de Christen vorsten zoo zeer op prijs gesteld, dat gij, zoo arm aan vermogen en manschappen, u zoo straks tot mijn beschermer in het kamp uwer broederen durfdet aanbieden?”„Weet, Sarraceen”, zeide de Christen, „daar gij een man van zooveel aanzien zijt, dat de naam eens ridders, en het bloed van een edelman, hem het recht geven, om zich zelfs met vorsten van den eersten rang op gelijken voet te plaatsen in alles, wat het koninklijke gezag en gebied niet betreft. Zoo Richard van Engeland zelf de eer van een arm ridder als ik kwetste, kon hij, volgens de wetten der ridderschap, mij het tweegevecht niet weigeren.”„Ik zou wel eens zulk een zonderling tooneel willen zien”, antwoordde de emir,„waarin een lederen gordel en een paar sporen den armste met den machtigste gelijk maken.”„Gij moet er bijvoegen edel bloed en een onversaagd hart”, zeide de Christen;„en dan zult gij misschien geen onwaarheid gezegd hebben.”„En mengt gij u even zoo stout onder de vrouwen van uwe vorsten en aanvoerders?” vroeg de Sarraceen verder.„Gode zij dank”, antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard, „heeft de armste ridder van de Christenheid bij alle eervolle diensten de vrijheid om zijn hart en zwaard, den roem van zijne daden, en de bepaalde neiging zijns harten te wijden aan de schoonste prinses, die ooit eene kroon op het hoofd droeg.”„Maar eene korte poos geleden,” hernam de Sarraceen, „hebt gij de liefde als den hoogsten schat van het hart beschreven—het uwe is zonder twijfel op eene verheven en edele wijze geschonken? Is het niet zoo?”„Vreemdeling”, antwoordde de Christen hoog kleurende onder het spreken, „wij zeggen niet onbedachtzaam waar wij onze kostbaarste schatten bewaren—het is genoeg voor u te weten, dat, gelijk gij zegt, mijne liefde op een verheven en edel voorwerp geplaatst is—zeer verheven—zeer edel; maar zoo gij iets van liefde en het breken van lansen hooren wilt, waag u dan, zoo als gij straks zeidet, in de legerplaats der kruisvaarders, en gij zult oefening voor uwe ooren, en, zoo gij wilt, ook voor uwe handen vinden.”De Oostersche krijgsman, zich in de stijgbeugels verheffende en zijne lans in de lucht zwaaiende, antwoordde: „Ik twijfel er zeer aan, of er wel een met het kruis op den schouder is, die het met mij in het werpen van de werpspies zou durven opnemen.”„Daar wil ik niet voor instaan”, hervatte de ridder, „maar er zijn eenige Spanjaarden in het leger, die zeer behendig zijn in uw Oostersch spel van het slingeren met de werpspies.”„Honden, en zonen van honden!” riep de Sarraceen uit; „wat behoeven die Spanjaarden hierheen te komen, om de ware geloovigen te bestrijden, die in hun eigen land hunne heeren en tuchtmeesters zijn? Met hen zal ik mij in geen krijgsspel inlaten.”„Laat de ridders van Leon en Asturië u niet zoo van zich hooren spreken,” zeide de ridder van den Luipaard; „maar,” voegde hij er bij, glimlachend bij de herinnering aan den strijd van dien morgen, „zoo gij lust hebt in plaats van eene spies, den worp van eene strijdbijl uit te houden, dan zullen er Westersche krijgslieden gevonden worden, die aan uw verlangen zullen willen voldoen.”„Bij den baard mijns vaders, ridder,” antwoordde de Sarraceen met een neiging tot lachen, „dat spel is te grof voor bloote scherts—ik zal die in den slag nooit vreezen; maar mijn hoofd,” zeide hij, zijne hand aan het voorhoofd houdende, „zal mij voor eenigen tijd niet vergunnen van deze in scherts op te zoeken.”„Ik wenschte, dat gij de bijl van koning Richard zaagt,” vervolgde de Westersche krijgsman, „waarbij die, welke aan mijn zadelboog hangt, slechts eene veder in gewicht is.”„Wij hooren veel van dezen eiland-vorst”, zeide de Sarraceen, „zijt gij een van zijne onderdanen?”„Een van zijn volgelingen in dezen krijgstocht ben ik”, antwoordde de ridder, „en ik stel eene eer in dezen dienst; maar ik ben zijn geboren onderdaan niet, ofschoon ik afkomstig ben van het eiland, waarover hij heerscht.”„Hoe meent gij dat?” vroeg de Oosterling; „hebt gij dan twee koningen op één arm eiland?”„Zoo als gij wel zegt”, antwoordde de Schot, want dit was sir Kenneth van geboorte—„het is zoo; en toch, hoewel de bewoners van de twee deelen van dit eiland dikwijls met elkander in oorlog zijn, kan het nog, gelijk gij ziet, een korps gewapenden op de been brengen, die de onheilige macht, waarmede uw Vorst zich van de steden van Sion heeft meester gemaakt, duchtig doen sidderen.”„Bij den baard van Saladin, Nazareër, zoo het niet eene onbezonnen en kinderachtige zotheid was, dan zou ik kunnen lachen over de onnoozelheid van uw grooten Sultan, die herwaarts komt om woestijnen en rotsen te veroveren, en haar bezit te betwisten aan hen, welke tienmaal grooter scharen aan te voeren hebben, terwijl hij een gedeelte van zijn klein eiland, waarop hij als heerscher geboren werd, aan een vreemden schepter onderworpen laat. Waarlijk, sir Kenneth, gij en de andere goede mannen van uw land hadt u aan het gebied van dezen koning Richard moeten onderwerpen, eer gij uw vaderland, verdeeld in zich zelf, verliet, om op dezen krijgstocht te aanvaarden.”Haastig en driftig gaf Kenneth tot antwoord: „Neen, bij het heldere licht des hemels! zoo de Koning van Engeland niet ter kruisvaart was getogen, vóór dat hij meester van Schotland geweest was, dan had wat mij en alle oprechte Schotten betreft, de halve maan voor eeuwig op de muren van Sion kunnen schitteren.”Tot zoo ver had hij gesproken, toen hij, zich plotseling bezinnende, zachtjes zeide: „Mea culpa! mea culpa!wat heb ik, een krijgsman van het kruis, met de herinnering aan den oorlog tusschen Christen volkeren te maken!”De snelle uitdrukking van het gevoel, door de voorschriften van den plicht bedwongen, ontging den Muzelman niet; want, ofschoon deze niet alles begreep, wat daarin lag opgesloten, zag hij toch genoeg om hem in het denkbeeld te bevestigen, dat de Christenen, even goed als de Mahomedanen, bijzondere gevoelens van persoonlijken wrok en nationale twisten hadden, die niet geheel uit den weg te ruimen waren. Maar de Sarraceenen waren een volk, dat, zoo ver hun godsdienst toeliet, beschaafd was, en bijzonder geschikt om hooge begrippen van beleefdheid en hoffelijkheid te koesteren; en deze beletten hem om eenige acht te slaan op de onbestaanbaarheid van sir Kenneth’s gevoelens, omtrent de met elkaar strijdende karakters van Schot en kruisvaarder.Intusschen begon, terwijl zij voorwaarts trokken, het tooneel rondom hen te veranderen. Zij wendden zich nu naar het oosten, en hadden de keten van steile en woeste bergen bereikt, die in deze streek denaakte vlakte begrenst, en eenige afwisseling brengt in het voorkomen dezer landstreek, maar zonder hare onvruchtbaarheid weg te nemen. Steile, rotsachtige hoogten begonnen zich rondom hen te verheffen, en weldra boden diepe afgronden en steile bergpassen, verschrikkelijk door hunne hoogte en moeielijk door hunne engte, de reizigers hinderpalen aan van geheel verschillenden aard van die, waarmede zij kort te voren te kampen hadden gehad. Duistere holen en spleten in de rotsen,—die grotten, waarvan zoo dikwijls in den Bijbel gewaagd wordt,—gaapten hen bij hun voortgang van beide zijden dreigend aan. De emir deelde den Schotschen ridder mede, dat deze dikwijls de schuilhoeken waren van roofdieren, of nog wilder menschen, die, door den bestendigen oorlog en de onderdrukking, die de soldaten zoowel van het Kruis als van de Halve maan uitoefenden, tot wanhoop gedreven, roovers waren geworden, en stand noch godsdienst, geslacht noch ouderdom bij hunne plunderingen spaarden.De Schotsche ridder luisterde met onverschilligheid naar het verhaal der verwoestingen, die wilde dieren of goddelooze menschen aanrichtten, daar hij zich veilig gevoelde door zijne eigen dapperheid en persoonlijke kracht; maar hij werd door eene geheimzinnige vrees getroffen, nu hij zich bevond in de vreeselijke woestijn der veertigdaagsche vasten en het tooneel van de werkelijke persoonlijke verzoeking, die de booze verlof kreeg om den Zoon des menschen te doen ondergaan. Hij onttrok allengs zijne aandacht aan het lichte en wereldsche onderhoud met den ongeloovigen krijgsman, die naast hem reed, en hoe aangenaam diens vroolijkheid en dapperheid hem overal elders als tochtgenoot gemaakt hadden, kwam het sir Kenneth toch voor, dat in die wildernissen, de woeste en dorre plaatsen, waarin de booze geesten plachten rond te waren, wanneer zij gedreven waren uit de lichamen der stervelingen, welke zij bezeten hadden, een barrevoeter monnik een beter gezelschap zou geweest zijn, dan de opgeruimde, maar ongeloovige Paynim.Deze gedachten drukten hem, te meer daar de vroolijkheid van den Sarraceen scheen toe te nemen naarmate de reis vorderde, en zijne gesprekken luchthartiger werden, hoe verder zij in de sombere kloven der bergen drongen; en toen deze onbeantwoord bleven, werd zijn gezang des te luider. Sir Kenneth verstond genoeg van de Oostersche talen om te weten, dat hij minneliederen zong, die al de gloeiende lofspraken op de schoonheid bevatten, waarin de Oostersche dichters zich gaarne verlustigen, en die derhalve bijzonder ongeschikt waren voor ernstige of vrome gedachten, welke het best voor de woestijn der verzoeking betaamden. In vrij groote tegenspraak met zich zelven zong de Sarraceen ook lofliederen op den wijn, de vloeibare robijn der Perzische dichters, en zijne vroolijkheid werd eindelijk zoo onbestaanbaar met den loop der gedachten van den Christen ridder, dat, zonder de onderling gedane belofte van vriendschap, sir Kenneth zeker maatregelen zou genomen hebben, om hem van melodie te doen veranderen. In zijn toestand kwam het hem bijna voor, of hij een vroolijken, losbandigenboozen geest naast zich had, die poogde zijne ziel te verstrikken, en zijn onsterfelijk heil in gevaar brengen, door hem lichtzinnige gedachten van aardsch vermaak in te boezemen, en dus zijne aandacht te bezoedelen juist op een tijd, dat zijne trouw als Christen en zijne gelofte als pelgrim van hem een ernstig en berouwhebbenden gemoedstoestand vorderden. Hij was dus zeer verlegen en besluiteloos hoe hij handelen moest. Eindelijk brak hij zijn stilzwijgen af en stoorde zijn metgezel in het lied van den beroemden Rudpiki, waarin hij de moedervlek op den boezem zijner minnares boven al de schatten van Bokara en Samarcand stelt.„Sarraceen”, zeide de kruisvaarder ernstig, „hoe verblind gij ook zijt en hoe gedompeld in de dwalingen van eene valsche leer, moest gijtochbegrijpen, dat sommige plaatsen heiliger zijn dan andere, en dat op deze de booze meer dan gewone macht heeft over de zondige stervelingen. Ik wil u niet zeggen, om welke huiveringwekkende redenen deze plaats, deze rotsen, deze holen met hunne sombere gewelven, die als het ware naar den diepsten afgrond in het middelpunt der aarde leiden, voor het bijzonder verblijf van Satan en zijne dienaren gehouden worden. Het is voldoende te zeggen, dat ik door wijze en heilige mannen, die met de eigenschappen van deze heillooze streek bekend zijn, lang gewaarschuwd ben om mij voor deze plaats te hoeden. Daarom, Sarraceen, laat uwe dwaze en ontijdige lichtzinnigheid varen, en vestig uwe gedachten op dingen, die beter voor deze plek geschikt zijn; ofschoon, helaas! uwe beste gebeden niets zijn dan godslastering en zonde.”De Sarraceen luisterde met eenige verbazing en antwoordde toen met goedhartige luim en vroolijkheid, die slechts in zoover beperkt was als de beleefdheid vorderde: „Goede sir Kenneth, mij dunkt, gij handelt niet naar behooren tegenover uw metgezel, of wel uwe Westerschevolksstammenweten niet wat beleefdheid is. Ik heb er geen ergernis aan genomen, toen ikuzwijnenvleesch zag verslinden en wijn drinken, en u uw maaltijd zag nuttigen met uwe zoogenoemde christelijke vrijheid, terwijl ik in mijn hart slechts medelijden had met uw ellendig tijdverdrijf. Daarom zoudt gij u dus ergeren, dat ik, zoo goed ik kan, een vervelenden weg door een vroolijk liedje zoek te verkorten? Wat zegt de dichter? het gezang is als de dauw des hemels op den boezem der woestenij; het maakt het pad des reizigers koel.”„Vriend Sarraceen”, hernam de Christen, „ik keur de liefde voor het gezang en de vroolijke wetenschap niet af; ofschoon wij in onzen geest somtijds daaraan meer plaats inruimen, wanneer zij op betere dingen moesten gericht zijn. Maar gebeden en heilige psalmen passen beter dan liederen op de min en den wijn, wanneer men trekt door deze vallei van de schaduw des doods, die vol is van booze geesten en duivels, welke de gebeden van heilige mannen uit de woonplaatsen der menschheid verdreven hebben, om in streken rond te waren, die even vervloekt zijn als zij zelve.”„Oordeel niet zoo over de geesten, Christen”, antwoordde de Sarraceen,„want gij moet weten, dat gij tot een man spreekt, wiens stam en volk hun oorsprong ontleenen aan dat onsterfelijk geslacht, dat uwe aanhangers vreezen en lasteren.”„Ik dacht het wel”, hervatte de kruisvaarder, „dat uw verblind geslacht van den booze afstamde, zonder wiens bijstand gij nooit in staat zoudt geweest zijn, om dit gezegende land Palestina tegen zoo vele dappere soldaten van God te verdedigen. Ik spreek niet zoo in het bijzonder van u, Sarraceen, maar in het algemeen van uw volk en uw godsdienst. Het verwondert mij echter niet, dat gij van den booze afstamt, maar wel dat gij er u op beroemt.”„Op welken oorsprong zal de dapperste roemen dan van hem, die de dapperste is?” hernam de Sarraceen; „van wien zouden de fiersten liever hun stam afleiden dan van dien somberen geest, die eer door geweld wilde ter neerstorten, dan vrijwillig zijne knie buigen? Eblis kan gehaat worden, vreemdeling, maar toch moet hij gevreesd worden; en gelijk Eblis zijn ook zijne afstammelingen uit Kurdistan.”Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis, die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.„Gij moet dan weten, dappere vreemdeling,” zeide hij, „dat de wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden, lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiendejaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden, gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf stonden, ontbloot van alle kleeding behalve eenwitzijden bovenkleed, dat harebekoorlijkhedenhet hart van onsterfelijke wezens troffen. De donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een, en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen, en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen, en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen; maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht, dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. „Zeineb” zeide de aanvoerder van den troep,—en dit zeggende nam hij de oudste der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en zwaarmoedig,—„ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht, het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem, omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol, dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht, en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht, in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het gansche heelal bekend is.”De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: „In waarheid,heer ridder, gij hebt gelijk—uw stam kan gevreesd en gehaat, maar niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert, die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner menschelijke voorouders naderen.”„Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid, waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; „want ofschoon de profeet—geloofd zij zijn naam!—het zaad onder ons uitgestrooid heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving, en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen.”Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman, het kwade beginsel.AHRIMANVorst Ahriman! wien Iraks zaadVoor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!Als, knielend voor uw rijk,’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,Een macht aan u gelijk?Als ’t wezen dat ons gunstig is,Een bron schept in de wildernis,Waaruit de pelgrim drinkt;U is de golf die ’trotsstrandslaat,De draaikolk, waarin ’t al vergaat,Waar schip bij schip verzinkt.Of, als uit d’aarde, door Zijn machtDe plant ontspruit vol levenskracht,Slechts enklen redt Zijn’ handVan uw gebied in oost en west,Het vuur der koorts, de bleeke pest,De pijlen uit uw hand.Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;En dikwijls als hij nedervielEn andre Godheên huldt—Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,En is met u vervuld.Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,Zoo als de wijze meent?Een ziel met haat en toorn vervuld,Met vleuglen van den dood omhuldEn schrikkelijk gebeent?Of zijt gij met Natuur verknocht,Een kracht die woont in elk gewrocht,En goed in kwaad verkeert?Een boos beginsel, bron van smart,Hetwelk ons beter deel steeds tart,En ach! zoo vaak beheert?’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,Elk voorwerp huldigt uw gebied,Natuur en ’s menschen staat:Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,Min, haat, verachting, blijdschap, smart,Verkeert uw macht in kwaad!Zoodra er op ons tranenveld,Één enkel zuiver straaltje welt,Zijt gij niet ver meer af:In ditkortstondiggunstig lot,Leidt ge iedre bron van ons genot,Tot ons verderf en smart.Dus, van het uur van elks geboort,Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,Houdt ge ieders lot bepaald.Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:En—wie beslist, of dan uw macht,Gij Geest des kwaads, hier faalt?Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand, die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen, en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong, dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven, dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had doen te voorschijn komen.„Maar wat kan het mij deren!” zeide de dappere sir Kenneth bij zich zelven; „weg met den booze en zijne vereerders!”Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen, gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens, zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde, sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed, midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde te werpen.De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half lachende uitriep: „Hamako—gek—laat mij los—dit gaat uw voorrecht te boven—laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken.”„Uw dolk!—ongeloovige hond!” riep de gedaante in het geitenvel, „houd hem vast, wanneer gij kunt,” en in een oogenblik scheurde hij het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.„Help, Nazareër!” riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; „help, of de Hamako zal mij vermoorden.”„U vermoorden,” hernam de bewoner der woestijn; „Wel hebt gij den dood verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, nietalleen op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze, maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf.”De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte in het geitenvel.„Wie gij ook zijn moogt,” zeide hij, „van goed of kwaad geslacht, verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden.”„En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!”Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.„Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft,” vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende, „en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo erniet in uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden godslasteringen had uitgebraakt.”„Hamako,” zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, „ik bid u, goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig, wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gijzultniets van mijn toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen, uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.—En u, vriend Kenneth,” voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, „voel ik mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest, mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had.”„Inderdaad,” antwoordde de ridder; „ik heb hierin gefaald—ik was wat traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van den aanvaller, het onverwachte van het tooneel …. het was alsof uw wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen, eer ik mijn wapen kon vatten.”„Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend,” zeide de Sarraceen: „en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden, zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon gij gewapend en wel bereden daarbij stondt.”„Op mijn woord, Sarraceen”, hernam de Christen, „als ik het u ronduit zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was, en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het zand roldet.”„Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth”, hervatte de Sarraceen, „want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt komen bezoeken.”„Deze!” riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaantedie voor hem stond, beschouwende—„deze!—gij schertst Sarraceen—dit kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!”„Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt”, antwoordde Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde de kluizenaar wat hij had gezegd.„Ik ben Theodorik van Engaddi”, zeide hij—„ik ben de wandelaar der woestijn—ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!—Weg met Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!”—Dit zeggende, haalde hij van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om zijn hoofd zwaaide.„Gij ziet uw heilige,” zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.„Dit is een krankzinnige”, zeide sir Kenneth.„En daarom niet minder heilig,” hernam de Muzelman, volgens het welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed van hoogere ingeving staan. „Weet, Christen, dat, wanneer het eene oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt—dat wanneer de eene hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook, wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is, ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter.”Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te schreeuwen: „Ik ben Theodorik van Engaddi—ik ben de brandtoorts van de woestijn—ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken; en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn—ik ben de toorts en de lantaarn—Kyrie Eleison!”Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd als ontsteld was.De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. „Gij ziet”, zeide hij, „dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen, die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild—ik ben de leeuw, zooals mijn naam aanduidt—en met de geit bedoelt hij, met toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris.”En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn, en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan, met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond, dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde, terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf, dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels, die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats, die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch, dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom enslechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen, dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen, terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: „De Hamako is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij gegeten hebben—want dit brengt zijne gelofte mede.”Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen, die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting, en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans de plichten der gastvrijheid vervulde.Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.„Drinkt, mijne kinderen”, zeide hij, en dit waren zijne eerste woorden,—„de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den gever denkt.”Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel, waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar, bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur, de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen, dienauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigenfakirte vinden, bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van de kruistocht waren opgedragen.Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken, eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk, naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem bij herhaling had zien ten toon spreiden;—dat hij in Jerusalem was verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen, die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was, zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig, maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien, als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde, aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid, dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. „Hij heeft,” vervolgde de Sarraceen, „een Rashidof sterrewacht van groote hoogte, om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen, door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als Muzelmannen gelooven, de loop dermenschelijke gebeurtenissen worden beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden.”Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf, en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het, dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan den woorden van denlaatstenhem zouden hebben doen vermoeden, en het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.„Neem u in acht, Sarraceen”, zeide hij; „mij komt het voor dat de verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van namen als van andere zaken. Uw naam isSheerkohf, en hij noemde u zoo straks bij een anderen.”„Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was”, hernam de Kurdman, „en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil, de Hamako komt—het is om ons ter rust te brengen—ik ken zijne gewoonte—geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden.”De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon: „Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen.”Beide krijgslieden antwoordden: „Amen!” stonden van de tafel op, en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van hen verwijderde.De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af, terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had, toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederente helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan den dag gelegd had.Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats begaf. De Muzelman wendde zich naar zijneKaaba, het punt, waarheen het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden, en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning, lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.
HOOFDSTUK III.
Na de korte rust en eenvoudige verversching stonden de krijgers op, en boden elkander vriendelijk de hulpzame hand, terwijl zij hunne trouwe rossen het tuig, waarvan zij hen voor dien tijd verlicht hadden, weder oplegden. Elk van hen scheen ten volle vertrouwd met eene handeling, welke in dien tijd een deel van een noodzakelijken, ja onvermijdelijken plicht was. Ieder scheen ook, voor zoover het verschil tusschen het redelijk en onredelijk schepsel toeliet, het vertrouwen en de genegenheid van het paard te genieten, dat de bestendige metgezel van zijne reizen en oorlogsdaden was. Bij den Sarraceen vormde deze gemeenzaamheid een deel van zijne vroegtijdige gewoonten; want bij de Oostersche oorlogzuchtige stammen staat het paard van den krijgsman het naast en bijna gelijk in waarde met zijne vrouw en zijn huisgezin; en voor den Europeeschen held maakten de omstandigheden en de nood zijn strijdros hem nauwelijks minder dierbaar dan zijn wapenbroeder. De paarden lieten zich dan ook rustig van hun voeder en hunne vrijheid afroepen, en brieschten en snoven liefdelijk om hunne meesters, terwijl deze hen tot den verderen tocht en volgende moeielijkheden uitrustten. Ieder krijger zag onder het volbrengen van zijne eigen taak of het welwillend helpen van zijn metgezel, met opmerkzame nieuwsgierigheid naar hetgeen zijn reisgenoot deed, en merkte vooral op hetgeen hem in de wijze van optooming van deze hem vreemd voorkwam.Eer zij weder opstegen, om hunne reis te hervatten, bevochtigde zichnogmaals de Christen ridder, dompelde zijne handen in de springende fontein, en zeide tot zijn ongeloovigen reisgenoot: „ik wenschte wel den naam van deze heerlijke fontein te weten, om dien in mijn dankbaar geheugen te bewaren; want nooit heeft water op aangenamer wijze een meer brandenden dorst gelescht, dan ik heden ondervonden heb.”„Zijheetin het Arabisch de Diamant van de woestijn”, antwoordde de Sarraceen.„En terecht draagt zij dezen naam”, hervatte de Christen. „De vallei, waarin ik geboren werd heeft duizend bronnen, maar aan geene zal ik zulke kostbare herinneringen hechten als aan dezen eenzamen put, die zijn vochtigen schat dáár schenkt, waar die niet slechts aangenaam maar bijna onmisbaar is.”„Gij spreekt de waarheid”, hernam de Sarraceen; „want op gindsche zee des doods ligt nog de vloek, en mensch noch dier drinkt van hare wateren noch van die der rivier, die haar voedt, zonder ze te vullen, totdat hij deze onherbergzame woestijn is doorgetrokken.”Zij stegen te paard en vervolgden hunne reis door de zandwoestijn. De middaghitte was thans voorbij, en een zoel windje verlichtte de verschrikking der woestijn een weinig, ofschoon niet zonder op zijne vleugelen een vluchtig stof mede te brengen, waarom de Sarraceen zich weinig bekreunde, terwijl zijn zwaar gewapende reismakker het zoo lastig vond, dat hij zijn ijzeren helm aan den knop van zijn zadel hing, en in plaats daarvan de lichte rijmuts opzette, die in de taal van dien tijdmortiergenoemd werd wegens hare gelijkenis met den vorm van een gewonen vijzel. Zij reden eenigen tijd zwijgend naast elkander, terwijl de Sarraceen de taak van aanvoerder en wegwijzer waarnam door op kleine kenteekens en de vormen der verafgelegene rotsen te letten die zij allengs naderden. Eene poos lang scheen hij in die taak verdiept te zijn, even als een loods, die een schip door een gevaarlijk kanaal stuurt; maar zij waren nog geene halve mijl voortgetrokken, toen hij zeker was van zijn weg, en meer bereid scheen om een gesprek aan te vangen, dan dit eigen is aan zijn volk.„Gij hebt”, zeide hij, „naar den naam eener onbezielde fontein gevraagd, die het voorkomen, maar niet de werkelijkheid van een levend schepsel heeft. Vergun mij nu naar den naam van den makker te vragen, dien ik heden zoowel in gevaar als in rust gevonden heb, en dien ik zelfs in de woestijnen van Palestina niet kan gelooven onbekend te zijn?”„Die naam is nog niet waard bekend gemaakt te worden”, antwoordde de Christen. „Verneem echter, dat ik onder de soldaten van het kruis Kenneth genoemd wordt, Kenneth van den Liggenden Luipaard; in mijn vaderland heb ik nog andere titels; maar deze zouden in uwe Oostersche ooren hard klinken. DappereSarraceen, laat ik u vragen, welke Arabische stam op uwe afkomst roemen kan, en onder welken naam gij bekend zijt?”„Ridder Kenneth”, hernam de Muzelman, „het verheugt mij, dat uw naam van dien is, dat mijne lippen dien gemakkelijk kunnen uitspreken.Wat mij betreft, ik ben geen Arabier, maar stam toch af van een niet minder woest en krijgshaftig geslacht. Verneem, heer ridder van den Luipaard, dat ik Sheerkohf, de Leeuw van den Berg heet, en dat Kurdistan, van waar ik geboortig ben, geen geslacht voor edeler houdt dan dat van Seljook.”„Ik heb gehoord”, antwoordde de Christen, „dat uw groote Sultan uit hetzelfde bloed gesproten is.”„Gedankt zij de profeet, dat hij in zoover onze bergen vereerd heeft, om uit hun midden hem te zenden, wiens woord de zege is,” hernam de Paynim. „Ik ben slechts een worm voor den Koning van Egypte en Syrië, en echter vermag mijn naam nog al iets in mijn land.—Vreemdeling, met hoe veel man zijt gij naar dezen oorlog getrokken?”„Op mijn woord,” antwoordde sir Kenneth, „met de hulp van vrienden en bloedverwanten, bracht ik nauwelijks met groote moeite tien wel geoefende lansdragers en omstreeks vijftig man meer bijeen, boogschutters en knechten inbegrepen. Sommigen hebben mijn vaandel verlaten—anderen zijn in den slag gesneuveld—verscheidenen zijn aan ziekten gestorven—en een getrouwe schildknaap, voor wiens leven ik thans dezen tocht aanvaardde, ligt op het ziekbed uitgestrekt.”„Christen”, zeide Sheerkohf, „ik heb hier vijf pijlen in mijn pijlkoker, ieder met arendsveeren voorzien. Wanneer ik eene van deze naar mijne tenten zend, stijgen duizend krijgers te paard—wanneer ik eene tweede afzend, zal er eene gelijke macht opdagen—met die vijf kan ik vijfduizend man bijeenbrengen; en wanneer ik mijn boog zend, dan zullen tienduizend wel bereden ruiters de woestijn doen trillen. En met uwe vijftig volgelingen zijt gij gekomen, om een land aan te vallen, waarin ik een der geringsten ben!”„Nu, bij het heilige Kruis, Sarraceen”, hervatte de Westersche krijgsman, „gij moest weten, eer gij u beroemt, dat een stalen handschoen eene geheele handvol paardenvliegen kan verpletteren.”„Ja, maar hij moet die eerst binnen zijn bereik hebben”, hernam de Sarraceen met een glimlach, die hun nieuw verbond had kunnen in gevaar brengen, zoo hij niet van onderwerp ware veranderd door er bij te voegen: „en wordt de dapperheid onder de Christen vorsten zoo zeer op prijs gesteld, dat gij, zoo arm aan vermogen en manschappen, u zoo straks tot mijn beschermer in het kamp uwer broederen durfdet aanbieden?”„Weet, Sarraceen”, zeide de Christen, „daar gij een man van zooveel aanzien zijt, dat de naam eens ridders, en het bloed van een edelman, hem het recht geven, om zich zelfs met vorsten van den eersten rang op gelijken voet te plaatsen in alles, wat het koninklijke gezag en gebied niet betreft. Zoo Richard van Engeland zelf de eer van een arm ridder als ik kwetste, kon hij, volgens de wetten der ridderschap, mij het tweegevecht niet weigeren.”„Ik zou wel eens zulk een zonderling tooneel willen zien”, antwoordde de emir,„waarin een lederen gordel en een paar sporen den armste met den machtigste gelijk maken.”„Gij moet er bijvoegen edel bloed en een onversaagd hart”, zeide de Christen;„en dan zult gij misschien geen onwaarheid gezegd hebben.”„En mengt gij u even zoo stout onder de vrouwen van uwe vorsten en aanvoerders?” vroeg de Sarraceen verder.„Gode zij dank”, antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard, „heeft de armste ridder van de Christenheid bij alle eervolle diensten de vrijheid om zijn hart en zwaard, den roem van zijne daden, en de bepaalde neiging zijns harten te wijden aan de schoonste prinses, die ooit eene kroon op het hoofd droeg.”„Maar eene korte poos geleden,” hernam de Sarraceen, „hebt gij de liefde als den hoogsten schat van het hart beschreven—het uwe is zonder twijfel op eene verheven en edele wijze geschonken? Is het niet zoo?”„Vreemdeling”, antwoordde de Christen hoog kleurende onder het spreken, „wij zeggen niet onbedachtzaam waar wij onze kostbaarste schatten bewaren—het is genoeg voor u te weten, dat, gelijk gij zegt, mijne liefde op een verheven en edel voorwerp geplaatst is—zeer verheven—zeer edel; maar zoo gij iets van liefde en het breken van lansen hooren wilt, waag u dan, zoo als gij straks zeidet, in de legerplaats der kruisvaarders, en gij zult oefening voor uwe ooren, en, zoo gij wilt, ook voor uwe handen vinden.”De Oostersche krijgsman, zich in de stijgbeugels verheffende en zijne lans in de lucht zwaaiende, antwoordde: „Ik twijfel er zeer aan, of er wel een met het kruis op den schouder is, die het met mij in het werpen van de werpspies zou durven opnemen.”„Daar wil ik niet voor instaan”, hervatte de ridder, „maar er zijn eenige Spanjaarden in het leger, die zeer behendig zijn in uw Oostersch spel van het slingeren met de werpspies.”„Honden, en zonen van honden!” riep de Sarraceen uit; „wat behoeven die Spanjaarden hierheen te komen, om de ware geloovigen te bestrijden, die in hun eigen land hunne heeren en tuchtmeesters zijn? Met hen zal ik mij in geen krijgsspel inlaten.”„Laat de ridders van Leon en Asturië u niet zoo van zich hooren spreken,” zeide de ridder van den Luipaard; „maar,” voegde hij er bij, glimlachend bij de herinnering aan den strijd van dien morgen, „zoo gij lust hebt in plaats van eene spies, den worp van eene strijdbijl uit te houden, dan zullen er Westersche krijgslieden gevonden worden, die aan uw verlangen zullen willen voldoen.”„Bij den baard mijns vaders, ridder,” antwoordde de Sarraceen met een neiging tot lachen, „dat spel is te grof voor bloote scherts—ik zal die in den slag nooit vreezen; maar mijn hoofd,” zeide hij, zijne hand aan het voorhoofd houdende, „zal mij voor eenigen tijd niet vergunnen van deze in scherts op te zoeken.”„Ik wenschte, dat gij de bijl van koning Richard zaagt,” vervolgde de Westersche krijgsman, „waarbij die, welke aan mijn zadelboog hangt, slechts eene veder in gewicht is.”„Wij hooren veel van dezen eiland-vorst”, zeide de Sarraceen, „zijt gij een van zijne onderdanen?”„Een van zijn volgelingen in dezen krijgstocht ben ik”, antwoordde de ridder, „en ik stel eene eer in dezen dienst; maar ik ben zijn geboren onderdaan niet, ofschoon ik afkomstig ben van het eiland, waarover hij heerscht.”„Hoe meent gij dat?” vroeg de Oosterling; „hebt gij dan twee koningen op één arm eiland?”„Zoo als gij wel zegt”, antwoordde de Schot, want dit was sir Kenneth van geboorte—„het is zoo; en toch, hoewel de bewoners van de twee deelen van dit eiland dikwijls met elkander in oorlog zijn, kan het nog, gelijk gij ziet, een korps gewapenden op de been brengen, die de onheilige macht, waarmede uw Vorst zich van de steden van Sion heeft meester gemaakt, duchtig doen sidderen.”„Bij den baard van Saladin, Nazareër, zoo het niet eene onbezonnen en kinderachtige zotheid was, dan zou ik kunnen lachen over de onnoozelheid van uw grooten Sultan, die herwaarts komt om woestijnen en rotsen te veroveren, en haar bezit te betwisten aan hen, welke tienmaal grooter scharen aan te voeren hebben, terwijl hij een gedeelte van zijn klein eiland, waarop hij als heerscher geboren werd, aan een vreemden schepter onderworpen laat. Waarlijk, sir Kenneth, gij en de andere goede mannen van uw land hadt u aan het gebied van dezen koning Richard moeten onderwerpen, eer gij uw vaderland, verdeeld in zich zelf, verliet, om op dezen krijgstocht te aanvaarden.”Haastig en driftig gaf Kenneth tot antwoord: „Neen, bij het heldere licht des hemels! zoo de Koning van Engeland niet ter kruisvaart was getogen, vóór dat hij meester van Schotland geweest was, dan had wat mij en alle oprechte Schotten betreft, de halve maan voor eeuwig op de muren van Sion kunnen schitteren.”Tot zoo ver had hij gesproken, toen hij, zich plotseling bezinnende, zachtjes zeide: „Mea culpa! mea culpa!wat heb ik, een krijgsman van het kruis, met de herinnering aan den oorlog tusschen Christen volkeren te maken!”De snelle uitdrukking van het gevoel, door de voorschriften van den plicht bedwongen, ontging den Muzelman niet; want, ofschoon deze niet alles begreep, wat daarin lag opgesloten, zag hij toch genoeg om hem in het denkbeeld te bevestigen, dat de Christenen, even goed als de Mahomedanen, bijzondere gevoelens van persoonlijken wrok en nationale twisten hadden, die niet geheel uit den weg te ruimen waren. Maar de Sarraceenen waren een volk, dat, zoo ver hun godsdienst toeliet, beschaafd was, en bijzonder geschikt om hooge begrippen van beleefdheid en hoffelijkheid te koesteren; en deze beletten hem om eenige acht te slaan op de onbestaanbaarheid van sir Kenneth’s gevoelens, omtrent de met elkaar strijdende karakters van Schot en kruisvaarder.Intusschen begon, terwijl zij voorwaarts trokken, het tooneel rondom hen te veranderen. Zij wendden zich nu naar het oosten, en hadden de keten van steile en woeste bergen bereikt, die in deze streek denaakte vlakte begrenst, en eenige afwisseling brengt in het voorkomen dezer landstreek, maar zonder hare onvruchtbaarheid weg te nemen. Steile, rotsachtige hoogten begonnen zich rondom hen te verheffen, en weldra boden diepe afgronden en steile bergpassen, verschrikkelijk door hunne hoogte en moeielijk door hunne engte, de reizigers hinderpalen aan van geheel verschillenden aard van die, waarmede zij kort te voren te kampen hadden gehad. Duistere holen en spleten in de rotsen,—die grotten, waarvan zoo dikwijls in den Bijbel gewaagd wordt,—gaapten hen bij hun voortgang van beide zijden dreigend aan. De emir deelde den Schotschen ridder mede, dat deze dikwijls de schuilhoeken waren van roofdieren, of nog wilder menschen, die, door den bestendigen oorlog en de onderdrukking, die de soldaten zoowel van het Kruis als van de Halve maan uitoefenden, tot wanhoop gedreven, roovers waren geworden, en stand noch godsdienst, geslacht noch ouderdom bij hunne plunderingen spaarden.De Schotsche ridder luisterde met onverschilligheid naar het verhaal der verwoestingen, die wilde dieren of goddelooze menschen aanrichtten, daar hij zich veilig gevoelde door zijne eigen dapperheid en persoonlijke kracht; maar hij werd door eene geheimzinnige vrees getroffen, nu hij zich bevond in de vreeselijke woestijn der veertigdaagsche vasten en het tooneel van de werkelijke persoonlijke verzoeking, die de booze verlof kreeg om den Zoon des menschen te doen ondergaan. Hij onttrok allengs zijne aandacht aan het lichte en wereldsche onderhoud met den ongeloovigen krijgsman, die naast hem reed, en hoe aangenaam diens vroolijkheid en dapperheid hem overal elders als tochtgenoot gemaakt hadden, kwam het sir Kenneth toch voor, dat in die wildernissen, de woeste en dorre plaatsen, waarin de booze geesten plachten rond te waren, wanneer zij gedreven waren uit de lichamen der stervelingen, welke zij bezeten hadden, een barrevoeter monnik een beter gezelschap zou geweest zijn, dan de opgeruimde, maar ongeloovige Paynim.Deze gedachten drukten hem, te meer daar de vroolijkheid van den Sarraceen scheen toe te nemen naarmate de reis vorderde, en zijne gesprekken luchthartiger werden, hoe verder zij in de sombere kloven der bergen drongen; en toen deze onbeantwoord bleven, werd zijn gezang des te luider. Sir Kenneth verstond genoeg van de Oostersche talen om te weten, dat hij minneliederen zong, die al de gloeiende lofspraken op de schoonheid bevatten, waarin de Oostersche dichters zich gaarne verlustigen, en die derhalve bijzonder ongeschikt waren voor ernstige of vrome gedachten, welke het best voor de woestijn der verzoeking betaamden. In vrij groote tegenspraak met zich zelven zong de Sarraceen ook lofliederen op den wijn, de vloeibare robijn der Perzische dichters, en zijne vroolijkheid werd eindelijk zoo onbestaanbaar met den loop der gedachten van den Christen ridder, dat, zonder de onderling gedane belofte van vriendschap, sir Kenneth zeker maatregelen zou genomen hebben, om hem van melodie te doen veranderen. In zijn toestand kwam het hem bijna voor, of hij een vroolijken, losbandigenboozen geest naast zich had, die poogde zijne ziel te verstrikken, en zijn onsterfelijk heil in gevaar brengen, door hem lichtzinnige gedachten van aardsch vermaak in te boezemen, en dus zijne aandacht te bezoedelen juist op een tijd, dat zijne trouw als Christen en zijne gelofte als pelgrim van hem een ernstig en berouwhebbenden gemoedstoestand vorderden. Hij was dus zeer verlegen en besluiteloos hoe hij handelen moest. Eindelijk brak hij zijn stilzwijgen af en stoorde zijn metgezel in het lied van den beroemden Rudpiki, waarin hij de moedervlek op den boezem zijner minnares boven al de schatten van Bokara en Samarcand stelt.„Sarraceen”, zeide de kruisvaarder ernstig, „hoe verblind gij ook zijt en hoe gedompeld in de dwalingen van eene valsche leer, moest gijtochbegrijpen, dat sommige plaatsen heiliger zijn dan andere, en dat op deze de booze meer dan gewone macht heeft over de zondige stervelingen. Ik wil u niet zeggen, om welke huiveringwekkende redenen deze plaats, deze rotsen, deze holen met hunne sombere gewelven, die als het ware naar den diepsten afgrond in het middelpunt der aarde leiden, voor het bijzonder verblijf van Satan en zijne dienaren gehouden worden. Het is voldoende te zeggen, dat ik door wijze en heilige mannen, die met de eigenschappen van deze heillooze streek bekend zijn, lang gewaarschuwd ben om mij voor deze plaats te hoeden. Daarom, Sarraceen, laat uwe dwaze en ontijdige lichtzinnigheid varen, en vestig uwe gedachten op dingen, die beter voor deze plek geschikt zijn; ofschoon, helaas! uwe beste gebeden niets zijn dan godslastering en zonde.”De Sarraceen luisterde met eenige verbazing en antwoordde toen met goedhartige luim en vroolijkheid, die slechts in zoover beperkt was als de beleefdheid vorderde: „Goede sir Kenneth, mij dunkt, gij handelt niet naar behooren tegenover uw metgezel, of wel uwe Westerschevolksstammenweten niet wat beleefdheid is. Ik heb er geen ergernis aan genomen, toen ikuzwijnenvleesch zag verslinden en wijn drinken, en u uw maaltijd zag nuttigen met uwe zoogenoemde christelijke vrijheid, terwijl ik in mijn hart slechts medelijden had met uw ellendig tijdverdrijf. Daarom zoudt gij u dus ergeren, dat ik, zoo goed ik kan, een vervelenden weg door een vroolijk liedje zoek te verkorten? Wat zegt de dichter? het gezang is als de dauw des hemels op den boezem der woestenij; het maakt het pad des reizigers koel.”„Vriend Sarraceen”, hernam de Christen, „ik keur de liefde voor het gezang en de vroolijke wetenschap niet af; ofschoon wij in onzen geest somtijds daaraan meer plaats inruimen, wanneer zij op betere dingen moesten gericht zijn. Maar gebeden en heilige psalmen passen beter dan liederen op de min en den wijn, wanneer men trekt door deze vallei van de schaduw des doods, die vol is van booze geesten en duivels, welke de gebeden van heilige mannen uit de woonplaatsen der menschheid verdreven hebben, om in streken rond te waren, die even vervloekt zijn als zij zelve.”„Oordeel niet zoo over de geesten, Christen”, antwoordde de Sarraceen,„want gij moet weten, dat gij tot een man spreekt, wiens stam en volk hun oorsprong ontleenen aan dat onsterfelijk geslacht, dat uwe aanhangers vreezen en lasteren.”„Ik dacht het wel”, hervatte de kruisvaarder, „dat uw verblind geslacht van den booze afstamde, zonder wiens bijstand gij nooit in staat zoudt geweest zijn, om dit gezegende land Palestina tegen zoo vele dappere soldaten van God te verdedigen. Ik spreek niet zoo in het bijzonder van u, Sarraceen, maar in het algemeen van uw volk en uw godsdienst. Het verwondert mij echter niet, dat gij van den booze afstamt, maar wel dat gij er u op beroemt.”„Op welken oorsprong zal de dapperste roemen dan van hem, die de dapperste is?” hernam de Sarraceen; „van wien zouden de fiersten liever hun stam afleiden dan van dien somberen geest, die eer door geweld wilde ter neerstorten, dan vrijwillig zijne knie buigen? Eblis kan gehaat worden, vreemdeling, maar toch moet hij gevreesd worden; en gelijk Eblis zijn ook zijne afstammelingen uit Kurdistan.”Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis, die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.„Gij moet dan weten, dappere vreemdeling,” zeide hij, „dat de wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden, lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiendejaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden, gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf stonden, ontbloot van alle kleeding behalve eenwitzijden bovenkleed, dat harebekoorlijkhedenhet hart van onsterfelijke wezens troffen. De donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een, en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen, en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen, en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen; maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht, dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. „Zeineb” zeide de aanvoerder van den troep,—en dit zeggende nam hij de oudste der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en zwaarmoedig,—„ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht, het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem, omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol, dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht, en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht, in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het gansche heelal bekend is.”De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: „In waarheid,heer ridder, gij hebt gelijk—uw stam kan gevreesd en gehaat, maar niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert, die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner menschelijke voorouders naderen.”„Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid, waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; „want ofschoon de profeet—geloofd zij zijn naam!—het zaad onder ons uitgestrooid heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving, en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen.”Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman, het kwade beginsel.AHRIMANVorst Ahriman! wien Iraks zaadVoor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!Als, knielend voor uw rijk,’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,Een macht aan u gelijk?Als ’t wezen dat ons gunstig is,Een bron schept in de wildernis,Waaruit de pelgrim drinkt;U is de golf die ’trotsstrandslaat,De draaikolk, waarin ’t al vergaat,Waar schip bij schip verzinkt.Of, als uit d’aarde, door Zijn machtDe plant ontspruit vol levenskracht,Slechts enklen redt Zijn’ handVan uw gebied in oost en west,Het vuur der koorts, de bleeke pest,De pijlen uit uw hand.Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;En dikwijls als hij nedervielEn andre Godheên huldt—Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,En is met u vervuld.Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,Zoo als de wijze meent?Een ziel met haat en toorn vervuld,Met vleuglen van den dood omhuldEn schrikkelijk gebeent?Of zijt gij met Natuur verknocht,Een kracht die woont in elk gewrocht,En goed in kwaad verkeert?Een boos beginsel, bron van smart,Hetwelk ons beter deel steeds tart,En ach! zoo vaak beheert?’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,Elk voorwerp huldigt uw gebied,Natuur en ’s menschen staat:Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,Min, haat, verachting, blijdschap, smart,Verkeert uw macht in kwaad!Zoodra er op ons tranenveld,Één enkel zuiver straaltje welt,Zijt gij niet ver meer af:In ditkortstondiggunstig lot,Leidt ge iedre bron van ons genot,Tot ons verderf en smart.Dus, van het uur van elks geboort,Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,Houdt ge ieders lot bepaald.Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:En—wie beslist, of dan uw macht,Gij Geest des kwaads, hier faalt?Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand, die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen, en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong, dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven, dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had doen te voorschijn komen.„Maar wat kan het mij deren!” zeide de dappere sir Kenneth bij zich zelven; „weg met den booze en zijne vereerders!”Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen, gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens, zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde, sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed, midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde te werpen.De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half lachende uitriep: „Hamako—gek—laat mij los—dit gaat uw voorrecht te boven—laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken.”„Uw dolk!—ongeloovige hond!” riep de gedaante in het geitenvel, „houd hem vast, wanneer gij kunt,” en in een oogenblik scheurde hij het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.„Help, Nazareër!” riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; „help, of de Hamako zal mij vermoorden.”„U vermoorden,” hernam de bewoner der woestijn; „Wel hebt gij den dood verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, nietalleen op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze, maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf.”De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte in het geitenvel.„Wie gij ook zijn moogt,” zeide hij, „van goed of kwaad geslacht, verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden.”„En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!”Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.„Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft,” vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende, „en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo erniet in uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden godslasteringen had uitgebraakt.”„Hamako,” zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, „ik bid u, goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig, wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gijzultniets van mijn toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen, uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.—En u, vriend Kenneth,” voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, „voel ik mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest, mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had.”„Inderdaad,” antwoordde de ridder; „ik heb hierin gefaald—ik was wat traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van den aanvaller, het onverwachte van het tooneel …. het was alsof uw wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen, eer ik mijn wapen kon vatten.”„Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend,” zeide de Sarraceen: „en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden, zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon gij gewapend en wel bereden daarbij stondt.”„Op mijn woord, Sarraceen”, hernam de Christen, „als ik het u ronduit zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was, en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het zand roldet.”„Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth”, hervatte de Sarraceen, „want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt komen bezoeken.”„Deze!” riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaantedie voor hem stond, beschouwende—„deze!—gij schertst Sarraceen—dit kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!”„Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt”, antwoordde Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde de kluizenaar wat hij had gezegd.„Ik ben Theodorik van Engaddi”, zeide hij—„ik ben de wandelaar der woestijn—ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!—Weg met Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!”—Dit zeggende, haalde hij van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om zijn hoofd zwaaide.„Gij ziet uw heilige,” zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.„Dit is een krankzinnige”, zeide sir Kenneth.„En daarom niet minder heilig,” hernam de Muzelman, volgens het welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed van hoogere ingeving staan. „Weet, Christen, dat, wanneer het eene oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt—dat wanneer de eene hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook, wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is, ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter.”Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te schreeuwen: „Ik ben Theodorik van Engaddi—ik ben de brandtoorts van de woestijn—ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken; en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn—ik ben de toorts en de lantaarn—Kyrie Eleison!”Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd als ontsteld was.De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. „Gij ziet”, zeide hij, „dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen, die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild—ik ben de leeuw, zooals mijn naam aanduidt—en met de geit bedoelt hij, met toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris.”En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn, en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan, met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond, dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde, terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf, dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels, die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats, die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch, dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom enslechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen, dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen, terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: „De Hamako is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij gegeten hebben—want dit brengt zijne gelofte mede.”Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen, die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting, en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans de plichten der gastvrijheid vervulde.Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.„Drinkt, mijne kinderen”, zeide hij, en dit waren zijne eerste woorden,—„de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den gever denkt.”Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel, waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar, bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur, de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen, dienauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigenfakirte vinden, bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van de kruistocht waren opgedragen.Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken, eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk, naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem bij herhaling had zien ten toon spreiden;—dat hij in Jerusalem was verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen, die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was, zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig, maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien, als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde, aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid, dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. „Hij heeft,” vervolgde de Sarraceen, „een Rashidof sterrewacht van groote hoogte, om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen, door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als Muzelmannen gelooven, de loop dermenschelijke gebeurtenissen worden beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden.”Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf, en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het, dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan den woorden van denlaatstenhem zouden hebben doen vermoeden, en het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.„Neem u in acht, Sarraceen”, zeide hij; „mij komt het voor dat de verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van namen als van andere zaken. Uw naam isSheerkohf, en hij noemde u zoo straks bij een anderen.”„Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was”, hernam de Kurdman, „en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil, de Hamako komt—het is om ons ter rust te brengen—ik ken zijne gewoonte—geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden.”De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon: „Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen.”Beide krijgslieden antwoordden: „Amen!” stonden van de tafel op, en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van hen verwijderde.De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af, terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had, toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederente helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan den dag gelegd had.Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats begaf. De Muzelman wendde zich naar zijneKaaba, het punt, waarheen het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden, en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning, lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.
Na de korte rust en eenvoudige verversching stonden de krijgers op, en boden elkander vriendelijk de hulpzame hand, terwijl zij hunne trouwe rossen het tuig, waarvan zij hen voor dien tijd verlicht hadden, weder oplegden. Elk van hen scheen ten volle vertrouwd met eene handeling, welke in dien tijd een deel van een noodzakelijken, ja onvermijdelijken plicht was. Ieder scheen ook, voor zoover het verschil tusschen het redelijk en onredelijk schepsel toeliet, het vertrouwen en de genegenheid van het paard te genieten, dat de bestendige metgezel van zijne reizen en oorlogsdaden was. Bij den Sarraceen vormde deze gemeenzaamheid een deel van zijne vroegtijdige gewoonten; want bij de Oostersche oorlogzuchtige stammen staat het paard van den krijgsman het naast en bijna gelijk in waarde met zijne vrouw en zijn huisgezin; en voor den Europeeschen held maakten de omstandigheden en de nood zijn strijdros hem nauwelijks minder dierbaar dan zijn wapenbroeder. De paarden lieten zich dan ook rustig van hun voeder en hunne vrijheid afroepen, en brieschten en snoven liefdelijk om hunne meesters, terwijl deze hen tot den verderen tocht en volgende moeielijkheden uitrustten. Ieder krijger zag onder het volbrengen van zijne eigen taak of het welwillend helpen van zijn metgezel, met opmerkzame nieuwsgierigheid naar hetgeen zijn reisgenoot deed, en merkte vooral op hetgeen hem in de wijze van optooming van deze hem vreemd voorkwam.
Eer zij weder opstegen, om hunne reis te hervatten, bevochtigde zichnogmaals de Christen ridder, dompelde zijne handen in de springende fontein, en zeide tot zijn ongeloovigen reisgenoot: „ik wenschte wel den naam van deze heerlijke fontein te weten, om dien in mijn dankbaar geheugen te bewaren; want nooit heeft water op aangenamer wijze een meer brandenden dorst gelescht, dan ik heden ondervonden heb.”
„Zijheetin het Arabisch de Diamant van de woestijn”, antwoordde de Sarraceen.
„En terecht draagt zij dezen naam”, hervatte de Christen. „De vallei, waarin ik geboren werd heeft duizend bronnen, maar aan geene zal ik zulke kostbare herinneringen hechten als aan dezen eenzamen put, die zijn vochtigen schat dáár schenkt, waar die niet slechts aangenaam maar bijna onmisbaar is.”
„Gij spreekt de waarheid”, hernam de Sarraceen; „want op gindsche zee des doods ligt nog de vloek, en mensch noch dier drinkt van hare wateren noch van die der rivier, die haar voedt, zonder ze te vullen, totdat hij deze onherbergzame woestijn is doorgetrokken.”
Zij stegen te paard en vervolgden hunne reis door de zandwoestijn. De middaghitte was thans voorbij, en een zoel windje verlichtte de verschrikking der woestijn een weinig, ofschoon niet zonder op zijne vleugelen een vluchtig stof mede te brengen, waarom de Sarraceen zich weinig bekreunde, terwijl zijn zwaar gewapende reismakker het zoo lastig vond, dat hij zijn ijzeren helm aan den knop van zijn zadel hing, en in plaats daarvan de lichte rijmuts opzette, die in de taal van dien tijdmortiergenoemd werd wegens hare gelijkenis met den vorm van een gewonen vijzel. Zij reden eenigen tijd zwijgend naast elkander, terwijl de Sarraceen de taak van aanvoerder en wegwijzer waarnam door op kleine kenteekens en de vormen der verafgelegene rotsen te letten die zij allengs naderden. Eene poos lang scheen hij in die taak verdiept te zijn, even als een loods, die een schip door een gevaarlijk kanaal stuurt; maar zij waren nog geene halve mijl voortgetrokken, toen hij zeker was van zijn weg, en meer bereid scheen om een gesprek aan te vangen, dan dit eigen is aan zijn volk.
„Gij hebt”, zeide hij, „naar den naam eener onbezielde fontein gevraagd, die het voorkomen, maar niet de werkelijkheid van een levend schepsel heeft. Vergun mij nu naar den naam van den makker te vragen, dien ik heden zoowel in gevaar als in rust gevonden heb, en dien ik zelfs in de woestijnen van Palestina niet kan gelooven onbekend te zijn?”
„Die naam is nog niet waard bekend gemaakt te worden”, antwoordde de Christen. „Verneem echter, dat ik onder de soldaten van het kruis Kenneth genoemd wordt, Kenneth van den Liggenden Luipaard; in mijn vaderland heb ik nog andere titels; maar deze zouden in uwe Oostersche ooren hard klinken. DappereSarraceen, laat ik u vragen, welke Arabische stam op uwe afkomst roemen kan, en onder welken naam gij bekend zijt?”
„Ridder Kenneth”, hernam de Muzelman, „het verheugt mij, dat uw naam van dien is, dat mijne lippen dien gemakkelijk kunnen uitspreken.Wat mij betreft, ik ben geen Arabier, maar stam toch af van een niet minder woest en krijgshaftig geslacht. Verneem, heer ridder van den Luipaard, dat ik Sheerkohf, de Leeuw van den Berg heet, en dat Kurdistan, van waar ik geboortig ben, geen geslacht voor edeler houdt dan dat van Seljook.”
„Ik heb gehoord”, antwoordde de Christen, „dat uw groote Sultan uit hetzelfde bloed gesproten is.”
„Gedankt zij de profeet, dat hij in zoover onze bergen vereerd heeft, om uit hun midden hem te zenden, wiens woord de zege is,” hernam de Paynim. „Ik ben slechts een worm voor den Koning van Egypte en Syrië, en echter vermag mijn naam nog al iets in mijn land.—Vreemdeling, met hoe veel man zijt gij naar dezen oorlog getrokken?”
„Op mijn woord,” antwoordde sir Kenneth, „met de hulp van vrienden en bloedverwanten, bracht ik nauwelijks met groote moeite tien wel geoefende lansdragers en omstreeks vijftig man meer bijeen, boogschutters en knechten inbegrepen. Sommigen hebben mijn vaandel verlaten—anderen zijn in den slag gesneuveld—verscheidenen zijn aan ziekten gestorven—en een getrouwe schildknaap, voor wiens leven ik thans dezen tocht aanvaardde, ligt op het ziekbed uitgestrekt.”
„Christen”, zeide Sheerkohf, „ik heb hier vijf pijlen in mijn pijlkoker, ieder met arendsveeren voorzien. Wanneer ik eene van deze naar mijne tenten zend, stijgen duizend krijgers te paard—wanneer ik eene tweede afzend, zal er eene gelijke macht opdagen—met die vijf kan ik vijfduizend man bijeenbrengen; en wanneer ik mijn boog zend, dan zullen tienduizend wel bereden ruiters de woestijn doen trillen. En met uwe vijftig volgelingen zijt gij gekomen, om een land aan te vallen, waarin ik een der geringsten ben!”
„Nu, bij het heilige Kruis, Sarraceen”, hervatte de Westersche krijgsman, „gij moest weten, eer gij u beroemt, dat een stalen handschoen eene geheele handvol paardenvliegen kan verpletteren.”
„Ja, maar hij moet die eerst binnen zijn bereik hebben”, hernam de Sarraceen met een glimlach, die hun nieuw verbond had kunnen in gevaar brengen, zoo hij niet van onderwerp ware veranderd door er bij te voegen: „en wordt de dapperheid onder de Christen vorsten zoo zeer op prijs gesteld, dat gij, zoo arm aan vermogen en manschappen, u zoo straks tot mijn beschermer in het kamp uwer broederen durfdet aanbieden?”
„Weet, Sarraceen”, zeide de Christen, „daar gij een man van zooveel aanzien zijt, dat de naam eens ridders, en het bloed van een edelman, hem het recht geven, om zich zelfs met vorsten van den eersten rang op gelijken voet te plaatsen in alles, wat het koninklijke gezag en gebied niet betreft. Zoo Richard van Engeland zelf de eer van een arm ridder als ik kwetste, kon hij, volgens de wetten der ridderschap, mij het tweegevecht niet weigeren.”
„Ik zou wel eens zulk een zonderling tooneel willen zien”, antwoordde de emir,„waarin een lederen gordel en een paar sporen den armste met den machtigste gelijk maken.”
„Gij moet er bijvoegen edel bloed en een onversaagd hart”, zeide de Christen;„en dan zult gij misschien geen onwaarheid gezegd hebben.”
„En mengt gij u even zoo stout onder de vrouwen van uwe vorsten en aanvoerders?” vroeg de Sarraceen verder.
„Gode zij dank”, antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard, „heeft de armste ridder van de Christenheid bij alle eervolle diensten de vrijheid om zijn hart en zwaard, den roem van zijne daden, en de bepaalde neiging zijns harten te wijden aan de schoonste prinses, die ooit eene kroon op het hoofd droeg.”
„Maar eene korte poos geleden,” hernam de Sarraceen, „hebt gij de liefde als den hoogsten schat van het hart beschreven—het uwe is zonder twijfel op eene verheven en edele wijze geschonken? Is het niet zoo?”
„Vreemdeling”, antwoordde de Christen hoog kleurende onder het spreken, „wij zeggen niet onbedachtzaam waar wij onze kostbaarste schatten bewaren—het is genoeg voor u te weten, dat, gelijk gij zegt, mijne liefde op een verheven en edel voorwerp geplaatst is—zeer verheven—zeer edel; maar zoo gij iets van liefde en het breken van lansen hooren wilt, waag u dan, zoo als gij straks zeidet, in de legerplaats der kruisvaarders, en gij zult oefening voor uwe ooren, en, zoo gij wilt, ook voor uwe handen vinden.”
De Oostersche krijgsman, zich in de stijgbeugels verheffende en zijne lans in de lucht zwaaiende, antwoordde: „Ik twijfel er zeer aan, of er wel een met het kruis op den schouder is, die het met mij in het werpen van de werpspies zou durven opnemen.”
„Daar wil ik niet voor instaan”, hervatte de ridder, „maar er zijn eenige Spanjaarden in het leger, die zeer behendig zijn in uw Oostersch spel van het slingeren met de werpspies.”
„Honden, en zonen van honden!” riep de Sarraceen uit; „wat behoeven die Spanjaarden hierheen te komen, om de ware geloovigen te bestrijden, die in hun eigen land hunne heeren en tuchtmeesters zijn? Met hen zal ik mij in geen krijgsspel inlaten.”
„Laat de ridders van Leon en Asturië u niet zoo van zich hooren spreken,” zeide de ridder van den Luipaard; „maar,” voegde hij er bij, glimlachend bij de herinnering aan den strijd van dien morgen, „zoo gij lust hebt in plaats van eene spies, den worp van eene strijdbijl uit te houden, dan zullen er Westersche krijgslieden gevonden worden, die aan uw verlangen zullen willen voldoen.”
„Bij den baard mijns vaders, ridder,” antwoordde de Sarraceen met een neiging tot lachen, „dat spel is te grof voor bloote scherts—ik zal die in den slag nooit vreezen; maar mijn hoofd,” zeide hij, zijne hand aan het voorhoofd houdende, „zal mij voor eenigen tijd niet vergunnen van deze in scherts op te zoeken.”
„Ik wenschte, dat gij de bijl van koning Richard zaagt,” vervolgde de Westersche krijgsman, „waarbij die, welke aan mijn zadelboog hangt, slechts eene veder in gewicht is.”
„Wij hooren veel van dezen eiland-vorst”, zeide de Sarraceen, „zijt gij een van zijne onderdanen?”
„Een van zijn volgelingen in dezen krijgstocht ben ik”, antwoordde de ridder, „en ik stel eene eer in dezen dienst; maar ik ben zijn geboren onderdaan niet, ofschoon ik afkomstig ben van het eiland, waarover hij heerscht.”
„Hoe meent gij dat?” vroeg de Oosterling; „hebt gij dan twee koningen op één arm eiland?”
„Zoo als gij wel zegt”, antwoordde de Schot, want dit was sir Kenneth van geboorte—„het is zoo; en toch, hoewel de bewoners van de twee deelen van dit eiland dikwijls met elkander in oorlog zijn, kan het nog, gelijk gij ziet, een korps gewapenden op de been brengen, die de onheilige macht, waarmede uw Vorst zich van de steden van Sion heeft meester gemaakt, duchtig doen sidderen.”
„Bij den baard van Saladin, Nazareër, zoo het niet eene onbezonnen en kinderachtige zotheid was, dan zou ik kunnen lachen over de onnoozelheid van uw grooten Sultan, die herwaarts komt om woestijnen en rotsen te veroveren, en haar bezit te betwisten aan hen, welke tienmaal grooter scharen aan te voeren hebben, terwijl hij een gedeelte van zijn klein eiland, waarop hij als heerscher geboren werd, aan een vreemden schepter onderworpen laat. Waarlijk, sir Kenneth, gij en de andere goede mannen van uw land hadt u aan het gebied van dezen koning Richard moeten onderwerpen, eer gij uw vaderland, verdeeld in zich zelf, verliet, om op dezen krijgstocht te aanvaarden.”
Haastig en driftig gaf Kenneth tot antwoord: „Neen, bij het heldere licht des hemels! zoo de Koning van Engeland niet ter kruisvaart was getogen, vóór dat hij meester van Schotland geweest was, dan had wat mij en alle oprechte Schotten betreft, de halve maan voor eeuwig op de muren van Sion kunnen schitteren.”
Tot zoo ver had hij gesproken, toen hij, zich plotseling bezinnende, zachtjes zeide: „Mea culpa! mea culpa!wat heb ik, een krijgsman van het kruis, met de herinnering aan den oorlog tusschen Christen volkeren te maken!”
De snelle uitdrukking van het gevoel, door de voorschriften van den plicht bedwongen, ontging den Muzelman niet; want, ofschoon deze niet alles begreep, wat daarin lag opgesloten, zag hij toch genoeg om hem in het denkbeeld te bevestigen, dat de Christenen, even goed als de Mahomedanen, bijzondere gevoelens van persoonlijken wrok en nationale twisten hadden, die niet geheel uit den weg te ruimen waren. Maar de Sarraceenen waren een volk, dat, zoo ver hun godsdienst toeliet, beschaafd was, en bijzonder geschikt om hooge begrippen van beleefdheid en hoffelijkheid te koesteren; en deze beletten hem om eenige acht te slaan op de onbestaanbaarheid van sir Kenneth’s gevoelens, omtrent de met elkaar strijdende karakters van Schot en kruisvaarder.
Intusschen begon, terwijl zij voorwaarts trokken, het tooneel rondom hen te veranderen. Zij wendden zich nu naar het oosten, en hadden de keten van steile en woeste bergen bereikt, die in deze streek denaakte vlakte begrenst, en eenige afwisseling brengt in het voorkomen dezer landstreek, maar zonder hare onvruchtbaarheid weg te nemen. Steile, rotsachtige hoogten begonnen zich rondom hen te verheffen, en weldra boden diepe afgronden en steile bergpassen, verschrikkelijk door hunne hoogte en moeielijk door hunne engte, de reizigers hinderpalen aan van geheel verschillenden aard van die, waarmede zij kort te voren te kampen hadden gehad. Duistere holen en spleten in de rotsen,—die grotten, waarvan zoo dikwijls in den Bijbel gewaagd wordt,—gaapten hen bij hun voortgang van beide zijden dreigend aan. De emir deelde den Schotschen ridder mede, dat deze dikwijls de schuilhoeken waren van roofdieren, of nog wilder menschen, die, door den bestendigen oorlog en de onderdrukking, die de soldaten zoowel van het Kruis als van de Halve maan uitoefenden, tot wanhoop gedreven, roovers waren geworden, en stand noch godsdienst, geslacht noch ouderdom bij hunne plunderingen spaarden.
De Schotsche ridder luisterde met onverschilligheid naar het verhaal der verwoestingen, die wilde dieren of goddelooze menschen aanrichtten, daar hij zich veilig gevoelde door zijne eigen dapperheid en persoonlijke kracht; maar hij werd door eene geheimzinnige vrees getroffen, nu hij zich bevond in de vreeselijke woestijn der veertigdaagsche vasten en het tooneel van de werkelijke persoonlijke verzoeking, die de booze verlof kreeg om den Zoon des menschen te doen ondergaan. Hij onttrok allengs zijne aandacht aan het lichte en wereldsche onderhoud met den ongeloovigen krijgsman, die naast hem reed, en hoe aangenaam diens vroolijkheid en dapperheid hem overal elders als tochtgenoot gemaakt hadden, kwam het sir Kenneth toch voor, dat in die wildernissen, de woeste en dorre plaatsen, waarin de booze geesten plachten rond te waren, wanneer zij gedreven waren uit de lichamen der stervelingen, welke zij bezeten hadden, een barrevoeter monnik een beter gezelschap zou geweest zijn, dan de opgeruimde, maar ongeloovige Paynim.
Deze gedachten drukten hem, te meer daar de vroolijkheid van den Sarraceen scheen toe te nemen naarmate de reis vorderde, en zijne gesprekken luchthartiger werden, hoe verder zij in de sombere kloven der bergen drongen; en toen deze onbeantwoord bleven, werd zijn gezang des te luider. Sir Kenneth verstond genoeg van de Oostersche talen om te weten, dat hij minneliederen zong, die al de gloeiende lofspraken op de schoonheid bevatten, waarin de Oostersche dichters zich gaarne verlustigen, en die derhalve bijzonder ongeschikt waren voor ernstige of vrome gedachten, welke het best voor de woestijn der verzoeking betaamden. In vrij groote tegenspraak met zich zelven zong de Sarraceen ook lofliederen op den wijn, de vloeibare robijn der Perzische dichters, en zijne vroolijkheid werd eindelijk zoo onbestaanbaar met den loop der gedachten van den Christen ridder, dat, zonder de onderling gedane belofte van vriendschap, sir Kenneth zeker maatregelen zou genomen hebben, om hem van melodie te doen veranderen. In zijn toestand kwam het hem bijna voor, of hij een vroolijken, losbandigenboozen geest naast zich had, die poogde zijne ziel te verstrikken, en zijn onsterfelijk heil in gevaar brengen, door hem lichtzinnige gedachten van aardsch vermaak in te boezemen, en dus zijne aandacht te bezoedelen juist op een tijd, dat zijne trouw als Christen en zijne gelofte als pelgrim van hem een ernstig en berouwhebbenden gemoedstoestand vorderden. Hij was dus zeer verlegen en besluiteloos hoe hij handelen moest. Eindelijk brak hij zijn stilzwijgen af en stoorde zijn metgezel in het lied van den beroemden Rudpiki, waarin hij de moedervlek op den boezem zijner minnares boven al de schatten van Bokara en Samarcand stelt.
„Sarraceen”, zeide de kruisvaarder ernstig, „hoe verblind gij ook zijt en hoe gedompeld in de dwalingen van eene valsche leer, moest gijtochbegrijpen, dat sommige plaatsen heiliger zijn dan andere, en dat op deze de booze meer dan gewone macht heeft over de zondige stervelingen. Ik wil u niet zeggen, om welke huiveringwekkende redenen deze plaats, deze rotsen, deze holen met hunne sombere gewelven, die als het ware naar den diepsten afgrond in het middelpunt der aarde leiden, voor het bijzonder verblijf van Satan en zijne dienaren gehouden worden. Het is voldoende te zeggen, dat ik door wijze en heilige mannen, die met de eigenschappen van deze heillooze streek bekend zijn, lang gewaarschuwd ben om mij voor deze plaats te hoeden. Daarom, Sarraceen, laat uwe dwaze en ontijdige lichtzinnigheid varen, en vestig uwe gedachten op dingen, die beter voor deze plek geschikt zijn; ofschoon, helaas! uwe beste gebeden niets zijn dan godslastering en zonde.”
De Sarraceen luisterde met eenige verbazing en antwoordde toen met goedhartige luim en vroolijkheid, die slechts in zoover beperkt was als de beleefdheid vorderde: „Goede sir Kenneth, mij dunkt, gij handelt niet naar behooren tegenover uw metgezel, of wel uwe Westerschevolksstammenweten niet wat beleefdheid is. Ik heb er geen ergernis aan genomen, toen ikuzwijnenvleesch zag verslinden en wijn drinken, en u uw maaltijd zag nuttigen met uwe zoogenoemde christelijke vrijheid, terwijl ik in mijn hart slechts medelijden had met uw ellendig tijdverdrijf. Daarom zoudt gij u dus ergeren, dat ik, zoo goed ik kan, een vervelenden weg door een vroolijk liedje zoek te verkorten? Wat zegt de dichter? het gezang is als de dauw des hemels op den boezem der woestenij; het maakt het pad des reizigers koel.”
„Vriend Sarraceen”, hernam de Christen, „ik keur de liefde voor het gezang en de vroolijke wetenschap niet af; ofschoon wij in onzen geest somtijds daaraan meer plaats inruimen, wanneer zij op betere dingen moesten gericht zijn. Maar gebeden en heilige psalmen passen beter dan liederen op de min en den wijn, wanneer men trekt door deze vallei van de schaduw des doods, die vol is van booze geesten en duivels, welke de gebeden van heilige mannen uit de woonplaatsen der menschheid verdreven hebben, om in streken rond te waren, die even vervloekt zijn als zij zelve.”
„Oordeel niet zoo over de geesten, Christen”, antwoordde de Sarraceen,„want gij moet weten, dat gij tot een man spreekt, wiens stam en volk hun oorsprong ontleenen aan dat onsterfelijk geslacht, dat uwe aanhangers vreezen en lasteren.”
„Ik dacht het wel”, hervatte de kruisvaarder, „dat uw verblind geslacht van den booze afstamde, zonder wiens bijstand gij nooit in staat zoudt geweest zijn, om dit gezegende land Palestina tegen zoo vele dappere soldaten van God te verdedigen. Ik spreek niet zoo in het bijzonder van u, Sarraceen, maar in het algemeen van uw volk en uw godsdienst. Het verwondert mij echter niet, dat gij van den booze afstamt, maar wel dat gij er u op beroemt.”
„Op welken oorsprong zal de dapperste roemen dan van hem, die de dapperste is?” hernam de Sarraceen; „van wien zouden de fiersten liever hun stam afleiden dan van dien somberen geest, die eer door geweld wilde ter neerstorten, dan vrijwillig zijne knie buigen? Eblis kan gehaat worden, vreemdeling, maar toch moet hij gevreesd worden; en gelijk Eblis zijn ook zijne afstammelingen uit Kurdistan.”
Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis, die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.
„Gij moet dan weten, dappere vreemdeling,” zeide hij, „dat de wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden, lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiendejaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden, gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf stonden, ontbloot van alle kleeding behalve eenwitzijden bovenkleed, dat harebekoorlijkhedenhet hart van onsterfelijke wezens troffen. De donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een, en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen, en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen, en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen; maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht, dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. „Zeineb” zeide de aanvoerder van den troep,—en dit zeggende nam hij de oudste der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en zwaarmoedig,—„ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht, het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem, omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol, dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht, en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht, in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het gansche heelal bekend is.”
De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: „In waarheid,heer ridder, gij hebt gelijk—uw stam kan gevreesd en gehaat, maar niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert, die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner menschelijke voorouders naderen.”
„Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid, waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; „want ofschoon de profeet—geloofd zij zijn naam!—het zaad onder ons uitgestrooid heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving, en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen.”
Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman, het kwade beginsel.
AHRIMANVorst Ahriman! wien Iraks zaadVoor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!Als, knielend voor uw rijk,’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,Een macht aan u gelijk?Als ’t wezen dat ons gunstig is,Een bron schept in de wildernis,Waaruit de pelgrim drinkt;U is de golf die ’trotsstrandslaat,De draaikolk, waarin ’t al vergaat,Waar schip bij schip verzinkt.Of, als uit d’aarde, door Zijn machtDe plant ontspruit vol levenskracht,Slechts enklen redt Zijn’ handVan uw gebied in oost en west,Het vuur der koorts, de bleeke pest,De pijlen uit uw hand.Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;En dikwijls als hij nedervielEn andre Godheên huldt—Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,En is met u vervuld.Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,Zoo als de wijze meent?Een ziel met haat en toorn vervuld,Met vleuglen van den dood omhuldEn schrikkelijk gebeent?Of zijt gij met Natuur verknocht,Een kracht die woont in elk gewrocht,En goed in kwaad verkeert?Een boos beginsel, bron van smart,Hetwelk ons beter deel steeds tart,En ach! zoo vaak beheert?’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,Elk voorwerp huldigt uw gebied,Natuur en ’s menschen staat:Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,Min, haat, verachting, blijdschap, smart,Verkeert uw macht in kwaad!Zoodra er op ons tranenveld,Één enkel zuiver straaltje welt,Zijt gij niet ver meer af:In ditkortstondiggunstig lot,Leidt ge iedre bron van ons genot,Tot ons verderf en smart.Dus, van het uur van elks geboort,Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,Houdt ge ieders lot bepaald.Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:En—wie beslist, of dan uw macht,Gij Geest des kwaads, hier faalt?
Vorst Ahriman! wien Iraks zaadVoor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!Als, knielend voor uw rijk,’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,Een macht aan u gelijk?
Vorst Ahriman! wien Iraks zaad
Voor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!
Als, knielend voor uw rijk,
’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,
Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,
Een macht aan u gelijk?
Als ’t wezen dat ons gunstig is,Een bron schept in de wildernis,Waaruit de pelgrim drinkt;U is de golf die ’trotsstrandslaat,De draaikolk, waarin ’t al vergaat,Waar schip bij schip verzinkt.
Als ’t wezen dat ons gunstig is,
Een bron schept in de wildernis,
Waaruit de pelgrim drinkt;
U is de golf die ’trotsstrandslaat,
De draaikolk, waarin ’t al vergaat,
Waar schip bij schip verzinkt.
Of, als uit d’aarde, door Zijn machtDe plant ontspruit vol levenskracht,Slechts enklen redt Zijn’ handVan uw gebied in oost en west,Het vuur der koorts, de bleeke pest,De pijlen uit uw hand.
Of, als uit d’aarde, door Zijn macht
De plant ontspruit vol levenskracht,
Slechts enklen redt Zijn’ hand
Van uw gebied in oost en west,
Het vuur der koorts, de bleeke pest,
De pijlen uit uw hand.
Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;En dikwijls als hij nedervielEn andre Godheên huldt—Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,En is met u vervuld.
Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;
En dikwijls als hij nederviel
En andre Godheên huldt—
Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,
Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,
En is met u vervuld.
Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,Zoo als de wijze meent?Een ziel met haat en toorn vervuld,Met vleuglen van den dood omhuldEn schrikkelijk gebeent?
Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,
Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,
Zoo als de wijze meent?
Een ziel met haat en toorn vervuld,
Met vleuglen van den dood omhuld
En schrikkelijk gebeent?
Of zijt gij met Natuur verknocht,Een kracht die woont in elk gewrocht,En goed in kwaad verkeert?Een boos beginsel, bron van smart,Hetwelk ons beter deel steeds tart,En ach! zoo vaak beheert?
Of zijt gij met Natuur verknocht,
Een kracht die woont in elk gewrocht,
En goed in kwaad verkeert?
Een boos beginsel, bron van smart,
Hetwelk ons beter deel steeds tart,
En ach! zoo vaak beheert?
’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,Elk voorwerp huldigt uw gebied,Natuur en ’s menschen staat:Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,Min, haat, verachting, blijdschap, smart,Verkeert uw macht in kwaad!
’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,
Elk voorwerp huldigt uw gebied,
Natuur en ’s menschen staat:
Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,
Min, haat, verachting, blijdschap, smart,
Verkeert uw macht in kwaad!
Zoodra er op ons tranenveld,Één enkel zuiver straaltje welt,Zijt gij niet ver meer af:In ditkortstondiggunstig lot,Leidt ge iedre bron van ons genot,Tot ons verderf en smart.
Zoodra er op ons tranenveld,
Één enkel zuiver straaltje welt,
Zijt gij niet ver meer af:
In ditkortstondiggunstig lot,
Leidt ge iedre bron van ons genot,
Tot ons verderf en smart.
Dus, van het uur van elks geboort,Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,Houdt ge ieders lot bepaald.Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:En—wie beslist, of dan uw macht,Gij Geest des kwaads, hier faalt?
Dus, van het uur van elks geboort,
Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,
Houdt ge ieders lot bepaald.
Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:
En—wie beslist, of dan uw macht,
Gij Geest des kwaads, hier faalt?
Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand, die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen, en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.
De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong, dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven, dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had doen te voorschijn komen.
„Maar wat kan het mij deren!” zeide de dappere sir Kenneth bij zich zelven; „weg met den booze en zijne vereerders!”
Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen, gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens, zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde, sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed, midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde te werpen.
De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half lachende uitriep: „Hamako—gek—laat mij los—dit gaat uw voorrecht te boven—laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken.”
„Uw dolk!—ongeloovige hond!” riep de gedaante in het geitenvel, „houd hem vast, wanneer gij kunt,” en in een oogenblik scheurde hij het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.
„Help, Nazareër!” riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; „help, of de Hamako zal mij vermoorden.”
„U vermoorden,” hernam de bewoner der woestijn; „Wel hebt gij den dood verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, nietalleen op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze, maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf.”
De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte in het geitenvel.
„Wie gij ook zijn moogt,” zeide hij, „van goed of kwaad geslacht, verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden.”
„En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!”
Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.
„Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft,” vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende, „en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo erniet in uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden godslasteringen had uitgebraakt.”
„Hamako,” zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, „ik bid u, goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig, wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gijzultniets van mijn toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen, uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.—En u, vriend Kenneth,” voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, „voel ik mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest, mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had.”
„Inderdaad,” antwoordde de ridder; „ik heb hierin gefaald—ik was wat traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van den aanvaller, het onverwachte van het tooneel …. het was alsof uw wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen, eer ik mijn wapen kon vatten.”
„Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend,” zeide de Sarraceen: „en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden, zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon gij gewapend en wel bereden daarbij stondt.”
„Op mijn woord, Sarraceen”, hernam de Christen, „als ik het u ronduit zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was, en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het zand roldet.”
„Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth”, hervatte de Sarraceen, „want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt komen bezoeken.”
„Deze!” riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaantedie voor hem stond, beschouwende—„deze!—gij schertst Sarraceen—dit kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!”
„Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt”, antwoordde Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde de kluizenaar wat hij had gezegd.
„Ik ben Theodorik van Engaddi”, zeide hij—„ik ben de wandelaar der woestijn—ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!—Weg met Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!”—Dit zeggende, haalde hij van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om zijn hoofd zwaaide.
„Gij ziet uw heilige,” zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.
„Dit is een krankzinnige”, zeide sir Kenneth.
„En daarom niet minder heilig,” hernam de Muzelman, volgens het welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed van hoogere ingeving staan. „Weet, Christen, dat, wanneer het eene oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt—dat wanneer de eene hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook, wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is, ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter.”
Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te schreeuwen: „Ik ben Theodorik van Engaddi—ik ben de brandtoorts van de woestijn—ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken; en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn—ik ben de toorts en de lantaarn—Kyrie Eleison!”
Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd als ontsteld was.
De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. „Gij ziet”, zeide hij, „dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen, die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild—ik ben de leeuw, zooals mijn naam aanduidt—en met de geit bedoelt hij, met toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris.”
En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn, en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan, met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond, dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde, terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.
Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf, dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels, die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats, die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.
In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch, dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom enslechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen, dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.
Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen, terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: „De Hamako is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij gegeten hebben—want dit brengt zijne gelofte mede.”
Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen, die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting, en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans de plichten der gastvrijheid vervulde.
Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.
„Drinkt, mijne kinderen”, zeide hij, en dit waren zijne eerste woorden,—„de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den gever denkt.”
Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel, waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar, bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur, de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen, dienauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigenfakirte vinden, bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van de kruistocht waren opgedragen.
Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken, eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk, naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem bij herhaling had zien ten toon spreiden;—dat hij in Jerusalem was verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen, die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was, zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig, maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien, als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde, aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid, dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. „Hij heeft,” vervolgde de Sarraceen, „een Rashidof sterrewacht van groote hoogte, om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen, door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als Muzelmannen gelooven, de loop dermenschelijke gebeurtenissen worden beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden.”
Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf, en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het, dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan den woorden van denlaatstenhem zouden hebben doen vermoeden, en het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.
„Neem u in acht, Sarraceen”, zeide hij; „mij komt het voor dat de verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van namen als van andere zaken. Uw naam isSheerkohf, en hij noemde u zoo straks bij een anderen.”
„Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was”, hernam de Kurdman, „en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil, de Hamako komt—het is om ons ter rust te brengen—ik ken zijne gewoonte—geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden.”
De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon: „Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen.”
Beide krijgslieden antwoordden: „Amen!” stonden van de tafel op, en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van hen verwijderde.
De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af, terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had, toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederente helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan den dag gelegd had.
Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats begaf. De Muzelman wendde zich naar zijneKaaba, het punt, waarheen het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden, en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning, lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.