HOOFDSTUK VII.Als Brit en Schot ooit elkander ontmoetIn een oord op de grens van hun staatDan is ’t een wonder, als beider bloed,Niet rijkelijk stroomt over straat.Slag bij Offerbourne.Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van den Engelschenmonarchgeplaatst, daar zij, even als de troepen uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren, dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën, daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid, door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide, gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen den algemeenen vijand te overtreffen.Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte, hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon gevoelig,—en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste natie waren,—begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermachtdulden, en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed, als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was, niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak, maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen, de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden; maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde, die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot ons verhaal.Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder, tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen, getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen, op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen, die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette,en door verachtelijk op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar, om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan; en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden, moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt, hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte, dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was, en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans zullen verhalen.Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers, terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard’s tent vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing, te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken, welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden, en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen boven de menigte uitstaken.Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling tooneel—want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières te laten—zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot; en hij mompelde in zich zelven: „Een Schot is het—en wel die van den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten.”Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred, die schijnt te zeggen: „ik ken u, maar ik wil niets met u te doen hebben;” maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, dierechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid zeide: „Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met u te spreken.”„Zoo!” antwoordde de Engelsche baron, „met mij? Maar spreek op, zoo het kort is.—Ik ben hier op last van den Koning.”„Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan,” antwoordde sir Kenneth; „ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid.”Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en hervatte: „Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot—ik had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland rijkdom bracht.”Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was, antwoordde hij toch bedaard: „Gezondheid voor Richard is roem en rijkdom voor het Christendom.—Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik den Koning zien?”„Voorzeker niet, waarde heer,” zeide de baron, „zoo niet uwe boodschap duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van het noorden.”„Mylord,” zeide Kenneth, „het kruis, dat ik draag even als gij, en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede, die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten.”„Een Moorsch geneesheer!” riep de Vaux uit, „en wie wil er voor instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt.”„Zijn eigen leven, mylord—zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt.”„Ik heb menig stouten roover gekend,” hervatte de Vaux, „die zijn leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen.”„De zaak is, mylord,” hernam de Schot; „dat Saladin, aan wien niemand den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd duizend ruiters in zijn gevolg.Belieftgij, die in den geheimen raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen, en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?”„Het is vreemd!” zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.—„En wie wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?”„Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne goederen.”„Vreemd!” riep de Vaux andermaal; „de Noorman wordt borg voor den Oosterling—de Schot voor den Turk!—Mag ik u verzoeken, heer ridder, mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?”„Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest,” hervatte sir Kenneth, „in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen kluizenaar van Engaddi.”„Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van den heiligen man?”„Dat mag ik niet, mylord,” antwoordde de Schot.„Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland,” zeide de Engelschman fier.„En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd,” hernam Kenneth. „Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk lot van Engeland’s Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last overbrengen.”„He! wat zegt gij?” riep de trotsche baron. „Maar verneem, boodschapper van Koningen en vorsten, of wat gijdanzijn moogt, geen geneesheer zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen.”Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende, en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg, of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.„Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel,” antwoordde Thomas de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij er bij: „het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, datgij een goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper heeft zien verrichten.”„Welnu,” hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van de laatste verklaring, „laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat, zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige leven—zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u, dat ik niets anders wenschdan deredding van Richard Leeuwenhart, door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen.”De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring, en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: „Zeg mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land, waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken, dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele Christenheid van zoo veel waarde is?”„Mylord,” hervatte de Schot, „ik kan hierop slechts dit antwoorden, dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer, El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hijkande ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden; en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke mislukking, een genoegzame waarborg zijn.”De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: „Mag ik uwen zieken schildknaap zien, edele heer?”De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde hij: „Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden, wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne zuidelijke naburen. Ik benarmoediggehuisvest, mylord van Gilsland,” voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willente ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter, om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.„Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn,” zeide hij, „zoo hij aan wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen.”Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,—omdat de ridder, uit vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk gevolg,—gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten, haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.Sir Kennethwierpeen treurigen blik om zich heen; maar zijne gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naastlagen en een zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die, naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk, dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis, waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren, dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had, dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne borst hing—dat hij een hoogentolpachop had, dat is eene Tartaarsche muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen, ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben, dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal, zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe rust scheen te liggen.„Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan,”zeide sir Kenneth, „zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft.”„Edele Schot,” zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde met woorden te doen blijken; „die toestand moet verbeterd worden—uw schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast.”Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.„Mijn meester,” prevelde deze als in den droom, „edele sir Kenneth—vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?”„Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap,” fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt, wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende, terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de voorzijde van de hut.„In den naam van Issa Ben Mariam,” zeide hij, „dien wij, even als gij, ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en, zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben.”De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer, die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den geneesheer is.Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn bezoeker afscheid zou nemen,—en de Vaux, als of hij iets op het hart had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven, vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben, maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde, dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernsten zag er uit, alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan; want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.„Een zeer verstandige hond,” zeide hij; „mij dunkt, edele heer, Koning Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen, hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van Koning Richard, zonder koninklijk verlof,—dat gij, sir Kenneth, naar ik meen niet gekregen hebt?—Ik spreek als stalmeester.”„En ik antwoord als vrij Schotsch ridder,” antwoordde Kenneth op ernstigen toon. „Voor het tegenwoordige volg ik de banier van Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den stijgbeugel—wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens te belemmeren.”„Niettemin,” hernam de Vaux, „is het eene dwaasheid, om aan het bevel des Konings ongehoorzaam te zijn—dus, met uw verlof, zal ik u, daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen vriend zenden.”„Ik dank u,” hervatte de Schot woel; „maar hij kent het mij aangewezen kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.—Maar,” voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, „dit is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van mijne huishouding gezien, mylord,” vervolgde hij met een glimlach, „dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar, dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is.”„Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht—en toch,” zeide de baron,„er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onzeNoordschevorsten het hoofd geheel op hol brengt.”„Wij hebben onlangs gehoord,” zeide de Schot, „van minnezangers en pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant, den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die in het heilige Land van kracht te doen zijn.”„Wild werk, sir Kenneth,” hernam de Vaux, de schouders ophalende, als iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde vermijden—„eene dwaze wereld, sir.—Ik moet u thans vaarwel zeggen, daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig verbeteren kon.”„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde sir Kenneth, „maar het is niet noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd, daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens dient om het wild te drogen.”De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven, die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.
HOOFDSTUK VII.Als Brit en Schot ooit elkander ontmoetIn een oord op de grens van hun staatDan is ’t een wonder, als beider bloed,Niet rijkelijk stroomt over straat.Slag bij Offerbourne.Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van den Engelschenmonarchgeplaatst, daar zij, even als de troepen uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren, dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën, daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid, door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide, gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen den algemeenen vijand te overtreffen.Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte, hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon gevoelig,—en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste natie waren,—begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermachtdulden, en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed, als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was, niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak, maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen, de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden; maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde, die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot ons verhaal.Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder, tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen, getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen, op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen, die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette,en door verachtelijk op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar, om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan; en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden, moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt, hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte, dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was, en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans zullen verhalen.Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers, terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard’s tent vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing, te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken, welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden, en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen boven de menigte uitstaken.Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling tooneel—want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières te laten—zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot; en hij mompelde in zich zelven: „Een Schot is het—en wel die van den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten.”Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred, die schijnt te zeggen: „ik ken u, maar ik wil niets met u te doen hebben;” maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, dierechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid zeide: „Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met u te spreken.”„Zoo!” antwoordde de Engelsche baron, „met mij? Maar spreek op, zoo het kort is.—Ik ben hier op last van den Koning.”„Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan,” antwoordde sir Kenneth; „ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid.”Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en hervatte: „Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot—ik had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland rijkdom bracht.”Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was, antwoordde hij toch bedaard: „Gezondheid voor Richard is roem en rijkdom voor het Christendom.—Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik den Koning zien?”„Voorzeker niet, waarde heer,” zeide de baron, „zoo niet uwe boodschap duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van het noorden.”„Mylord,” zeide Kenneth, „het kruis, dat ik draag even als gij, en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede, die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten.”„Een Moorsch geneesheer!” riep de Vaux uit, „en wie wil er voor instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt.”„Zijn eigen leven, mylord—zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt.”„Ik heb menig stouten roover gekend,” hervatte de Vaux, „die zijn leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen.”„De zaak is, mylord,” hernam de Schot; „dat Saladin, aan wien niemand den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd duizend ruiters in zijn gevolg.Belieftgij, die in den geheimen raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen, en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?”„Het is vreemd!” zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.—„En wie wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?”„Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne goederen.”„Vreemd!” riep de Vaux andermaal; „de Noorman wordt borg voor den Oosterling—de Schot voor den Turk!—Mag ik u verzoeken, heer ridder, mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?”„Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest,” hervatte sir Kenneth, „in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen kluizenaar van Engaddi.”„Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van den heiligen man?”„Dat mag ik niet, mylord,” antwoordde de Schot.„Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland,” zeide de Engelschman fier.„En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd,” hernam Kenneth. „Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk lot van Engeland’s Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last overbrengen.”„He! wat zegt gij?” riep de trotsche baron. „Maar verneem, boodschapper van Koningen en vorsten, of wat gijdanzijn moogt, geen geneesheer zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen.”Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende, en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg, of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.„Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel,” antwoordde Thomas de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij er bij: „het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, datgij een goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper heeft zien verrichten.”„Welnu,” hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van de laatste verklaring, „laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat, zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige leven—zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u, dat ik niets anders wenschdan deredding van Richard Leeuwenhart, door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen.”De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring, en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: „Zeg mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land, waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken, dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele Christenheid van zoo veel waarde is?”„Mylord,” hervatte de Schot, „ik kan hierop slechts dit antwoorden, dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer, El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hijkande ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden; en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke mislukking, een genoegzame waarborg zijn.”De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: „Mag ik uwen zieken schildknaap zien, edele heer?”De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde hij: „Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden, wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne zuidelijke naburen. Ik benarmoediggehuisvest, mylord van Gilsland,” voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willente ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter, om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.„Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn,” zeide hij, „zoo hij aan wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen.”Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,—omdat de ridder, uit vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk gevolg,—gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten, haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.Sir Kennethwierpeen treurigen blik om zich heen; maar zijne gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naastlagen en een zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die, naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk, dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis, waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren, dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had, dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne borst hing—dat hij een hoogentolpachop had, dat is eene Tartaarsche muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen, ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben, dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal, zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe rust scheen te liggen.„Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan,”zeide sir Kenneth, „zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft.”„Edele Schot,” zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde met woorden te doen blijken; „die toestand moet verbeterd worden—uw schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast.”Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.„Mijn meester,” prevelde deze als in den droom, „edele sir Kenneth—vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?”„Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap,” fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt, wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende, terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de voorzijde van de hut.„In den naam van Issa Ben Mariam,” zeide hij, „dien wij, even als gij, ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en, zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben.”De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer, die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den geneesheer is.Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn bezoeker afscheid zou nemen,—en de Vaux, als of hij iets op het hart had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven, vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben, maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde, dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernsten zag er uit, alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan; want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.„Een zeer verstandige hond,” zeide hij; „mij dunkt, edele heer, Koning Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen, hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van Koning Richard, zonder koninklijk verlof,—dat gij, sir Kenneth, naar ik meen niet gekregen hebt?—Ik spreek als stalmeester.”„En ik antwoord als vrij Schotsch ridder,” antwoordde Kenneth op ernstigen toon. „Voor het tegenwoordige volg ik de banier van Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den stijgbeugel—wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens te belemmeren.”„Niettemin,” hernam de Vaux, „is het eene dwaasheid, om aan het bevel des Konings ongehoorzaam te zijn—dus, met uw verlof, zal ik u, daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen vriend zenden.”„Ik dank u,” hervatte de Schot woel; „maar hij kent het mij aangewezen kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.—Maar,” voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, „dit is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van mijne huishouding gezien, mylord,” vervolgde hij met een glimlach, „dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar, dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is.”„Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht—en toch,” zeide de baron,„er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onzeNoordschevorsten het hoofd geheel op hol brengt.”„Wij hebben onlangs gehoord,” zeide de Schot, „van minnezangers en pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant, den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die in het heilige Land van kracht te doen zijn.”„Wild werk, sir Kenneth,” hernam de Vaux, de schouders ophalende, als iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde vermijden—„eene dwaze wereld, sir.—Ik moet u thans vaarwel zeggen, daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig verbeteren kon.”„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde sir Kenneth, „maar het is niet noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd, daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens dient om het wild te drogen.”De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven, die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.
HOOFDSTUK VII.Als Brit en Schot ooit elkander ontmoetIn een oord op de grens van hun staatDan is ’t een wonder, als beider bloed,Niet rijkelijk stroomt over straat.Slag bij Offerbourne.
Als Brit en Schot ooit elkander ontmoetIn een oord op de grens van hun staatDan is ’t een wonder, als beider bloed,Niet rijkelijk stroomt over straat.Slag bij Offerbourne.
Als Brit en Schot ooit elkander ontmoetIn een oord op de grens van hun staatDan is ’t een wonder, als beider bloed,Niet rijkelijk stroomt over straat.
Als Brit en Schot ooit elkander ontmoet
In een oord op de grens van hun staat
Dan is ’t een wonder, als beider bloed,
Niet rijkelijk stroomt over straat.
Slag bij Offerbourne.
Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van den Engelschenmonarchgeplaatst, daar zij, even als de troepen uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren, dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën, daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid, door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide, gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen den algemeenen vijand te overtreffen.Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte, hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon gevoelig,—en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste natie waren,—begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermachtdulden, en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed, als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was, niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak, maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen, de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden; maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde, die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot ons verhaal.Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder, tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen, getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen, op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen, die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette,en door verachtelijk op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar, om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan; en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden, moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt, hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte, dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was, en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans zullen verhalen.Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers, terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard’s tent vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing, te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken, welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden, en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen boven de menigte uitstaken.Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling tooneel—want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières te laten—zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot; en hij mompelde in zich zelven: „Een Schot is het—en wel die van den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten.”Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred, die schijnt te zeggen: „ik ken u, maar ik wil niets met u te doen hebben;” maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, dierechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid zeide: „Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met u te spreken.”„Zoo!” antwoordde de Engelsche baron, „met mij? Maar spreek op, zoo het kort is.—Ik ben hier op last van den Koning.”„Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan,” antwoordde sir Kenneth; „ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid.”Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en hervatte: „Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot—ik had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland rijkdom bracht.”Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was, antwoordde hij toch bedaard: „Gezondheid voor Richard is roem en rijkdom voor het Christendom.—Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik den Koning zien?”„Voorzeker niet, waarde heer,” zeide de baron, „zoo niet uwe boodschap duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van het noorden.”„Mylord,” zeide Kenneth, „het kruis, dat ik draag even als gij, en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede, die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten.”„Een Moorsch geneesheer!” riep de Vaux uit, „en wie wil er voor instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt.”„Zijn eigen leven, mylord—zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt.”„Ik heb menig stouten roover gekend,” hervatte de Vaux, „die zijn leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen.”„De zaak is, mylord,” hernam de Schot; „dat Saladin, aan wien niemand den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd duizend ruiters in zijn gevolg.Belieftgij, die in den geheimen raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen, en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?”„Het is vreemd!” zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.—„En wie wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?”„Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne goederen.”„Vreemd!” riep de Vaux andermaal; „de Noorman wordt borg voor den Oosterling—de Schot voor den Turk!—Mag ik u verzoeken, heer ridder, mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?”„Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest,” hervatte sir Kenneth, „in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen kluizenaar van Engaddi.”„Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van den heiligen man?”„Dat mag ik niet, mylord,” antwoordde de Schot.„Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland,” zeide de Engelschman fier.„En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd,” hernam Kenneth. „Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk lot van Engeland’s Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last overbrengen.”„He! wat zegt gij?” riep de trotsche baron. „Maar verneem, boodschapper van Koningen en vorsten, of wat gijdanzijn moogt, geen geneesheer zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen.”Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende, en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg, of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.„Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel,” antwoordde Thomas de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij er bij: „het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, datgij een goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper heeft zien verrichten.”„Welnu,” hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van de laatste verklaring, „laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat, zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige leven—zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u, dat ik niets anders wenschdan deredding van Richard Leeuwenhart, door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen.”De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring, en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: „Zeg mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land, waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken, dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele Christenheid van zoo veel waarde is?”„Mylord,” hervatte de Schot, „ik kan hierop slechts dit antwoorden, dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer, El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hijkande ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden; en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke mislukking, een genoegzame waarborg zijn.”De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: „Mag ik uwen zieken schildknaap zien, edele heer?”De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde hij: „Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden, wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne zuidelijke naburen. Ik benarmoediggehuisvest, mylord van Gilsland,” voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willente ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter, om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.„Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn,” zeide hij, „zoo hij aan wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen.”Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,—omdat de ridder, uit vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk gevolg,—gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten, haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.Sir Kennethwierpeen treurigen blik om zich heen; maar zijne gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naastlagen en een zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die, naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk, dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis, waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren, dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had, dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne borst hing—dat hij een hoogentolpachop had, dat is eene Tartaarsche muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen, ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben, dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal, zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe rust scheen te liggen.„Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan,”zeide sir Kenneth, „zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft.”„Edele Schot,” zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde met woorden te doen blijken; „die toestand moet verbeterd worden—uw schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast.”Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.„Mijn meester,” prevelde deze als in den droom, „edele sir Kenneth—vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?”„Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap,” fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt, wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende, terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de voorzijde van de hut.„In den naam van Issa Ben Mariam,” zeide hij, „dien wij, even als gij, ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en, zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben.”De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer, die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den geneesheer is.Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn bezoeker afscheid zou nemen,—en de Vaux, als of hij iets op het hart had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven, vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben, maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde, dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernsten zag er uit, alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan; want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.„Een zeer verstandige hond,” zeide hij; „mij dunkt, edele heer, Koning Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen, hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van Koning Richard, zonder koninklijk verlof,—dat gij, sir Kenneth, naar ik meen niet gekregen hebt?—Ik spreek als stalmeester.”„En ik antwoord als vrij Schotsch ridder,” antwoordde Kenneth op ernstigen toon. „Voor het tegenwoordige volg ik de banier van Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den stijgbeugel—wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens te belemmeren.”„Niettemin,” hernam de Vaux, „is het eene dwaasheid, om aan het bevel des Konings ongehoorzaam te zijn—dus, met uw verlof, zal ik u, daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen vriend zenden.”„Ik dank u,” hervatte de Schot woel; „maar hij kent het mij aangewezen kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.—Maar,” voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, „dit is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van mijne huishouding gezien, mylord,” vervolgde hij met een glimlach, „dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar, dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is.”„Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht—en toch,” zeide de baron,„er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onzeNoordschevorsten het hoofd geheel op hol brengt.”„Wij hebben onlangs gehoord,” zeide de Schot, „van minnezangers en pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant, den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die in het heilige Land van kracht te doen zijn.”„Wild werk, sir Kenneth,” hernam de Vaux, de schouders ophalende, als iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde vermijden—„eene dwaze wereld, sir.—Ik moet u thans vaarwel zeggen, daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig verbeteren kon.”„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde sir Kenneth, „maar het is niet noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd, daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens dient om het wild te drogen.”De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven, die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.
Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van den Engelschenmonarchgeplaatst, daar zij, even als de troepen uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren, dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën, daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid, door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide, gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen den algemeenen vijand te overtreffen.
Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte, hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.
De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon gevoelig,—en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste natie waren,—begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermachtdulden, en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed, als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was, niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak, maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen, de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden; maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde, die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot ons verhaal.
Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder, tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen, getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen, op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.
Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen, die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette,en door verachtelijk op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar, om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan; en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden, moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt, hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte, dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was, en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans zullen verhalen.
Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers, terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard’s tent vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing, te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken, welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden, en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen boven de menigte uitstaken.
Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling tooneel—want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières te laten—zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.
Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot; en hij mompelde in zich zelven: „Een Schot is het—en wel die van den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten.”
Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred, die schijnt te zeggen: „ik ken u, maar ik wil niets met u te doen hebben;” maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, dierechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid zeide: „Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met u te spreken.”
„Zoo!” antwoordde de Engelsche baron, „met mij? Maar spreek op, zoo het kort is.—Ik ben hier op last van den Koning.”
„Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan,” antwoordde sir Kenneth; „ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid.”
Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en hervatte: „Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot—ik had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland rijkdom bracht.”
Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was, antwoordde hij toch bedaard: „Gezondheid voor Richard is roem en rijkdom voor het Christendom.—Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik den Koning zien?”
„Voorzeker niet, waarde heer,” zeide de baron, „zoo niet uwe boodschap duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van het noorden.”
„Mylord,” zeide Kenneth, „het kruis, dat ik draag even als gij, en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede, die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten.”
„Een Moorsch geneesheer!” riep de Vaux uit, „en wie wil er voor instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt.”
„Zijn eigen leven, mylord—zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt.”
„Ik heb menig stouten roover gekend,” hervatte de Vaux, „die zijn leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen.”
„De zaak is, mylord,” hernam de Schot; „dat Saladin, aan wien niemand den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd duizend ruiters in zijn gevolg.Belieftgij, die in den geheimen raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen, en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?”
„Het is vreemd!” zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.—„En wie wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?”
„Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne goederen.”
„Vreemd!” riep de Vaux andermaal; „de Noorman wordt borg voor den Oosterling—de Schot voor den Turk!—Mag ik u verzoeken, heer ridder, mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?”
„Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest,” hervatte sir Kenneth, „in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen kluizenaar van Engaddi.”
„Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van den heiligen man?”
„Dat mag ik niet, mylord,” antwoordde de Schot.
„Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland,” zeide de Engelschman fier.
„En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd,” hernam Kenneth. „Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk lot van Engeland’s Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last overbrengen.”
„He! wat zegt gij?” riep de trotsche baron. „Maar verneem, boodschapper van Koningen en vorsten, of wat gijdanzijn moogt, geen geneesheer zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen.”
Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende, en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg, of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.
„Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel,” antwoordde Thomas de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij er bij: „het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, datgij een goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper heeft zien verrichten.”
„Welnu,” hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van de laatste verklaring, „laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat, zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige leven—zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u, dat ik niets anders wenschdan deredding van Richard Leeuwenhart, door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen.”
De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring, en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: „Zeg mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land, waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken, dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele Christenheid van zoo veel waarde is?”
„Mylord,” hervatte de Schot, „ik kan hierop slechts dit antwoorden, dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer, El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hijkande ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden; en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke mislukking, een genoegzame waarborg zijn.”
De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: „Mag ik uwen zieken schildknaap zien, edele heer?”
De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde hij: „Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden, wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne zuidelijke naburen. Ik benarmoediggehuisvest, mylord van Gilsland,” voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.
Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willente ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter, om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.
„Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn,” zeide hij, „zoo hij aan wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen.”
Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.
Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,—omdat de ridder, uit vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk gevolg,—gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten, haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.
Sir Kennethwierpeen treurigen blik om zich heen; maar zijne gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.
Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naastlagen en een zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die, naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk, dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis, waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren, dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had, dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.
Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne borst hing—dat hij een hoogentolpachop had, dat is eene Tartaarsche muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen, ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben, dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal, zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe rust scheen te liggen.
„Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan,”zeide sir Kenneth, „zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft.”
„Edele Schot,” zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde met woorden te doen blijken; „die toestand moet verbeterd worden—uw schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast.”
Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.
„Mijn meester,” prevelde deze als in den droom, „edele sir Kenneth—vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?”
„Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap,” fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt, wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende, terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de voorzijde van de hut.
„In den naam van Issa Ben Mariam,” zeide hij, „dien wij, even als gij, ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en, zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben.”
De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer, die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den geneesheer is.
Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn bezoeker afscheid zou nemen,—en de Vaux, als of hij iets op het hart had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven, vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben, maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde, dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernsten zag er uit, alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan; want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.
„Een zeer verstandige hond,” zeide hij; „mij dunkt, edele heer, Koning Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen, hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van Koning Richard, zonder koninklijk verlof,—dat gij, sir Kenneth, naar ik meen niet gekregen hebt?—Ik spreek als stalmeester.”
„En ik antwoord als vrij Schotsch ridder,” antwoordde Kenneth op ernstigen toon. „Voor het tegenwoordige volg ik de banier van Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den stijgbeugel—wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens te belemmeren.”
„Niettemin,” hernam de Vaux, „is het eene dwaasheid, om aan het bevel des Konings ongehoorzaam te zijn—dus, met uw verlof, zal ik u, daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen vriend zenden.”
„Ik dank u,” hervatte de Schot woel; „maar hij kent het mij aangewezen kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.—Maar,” voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, „dit is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van mijne huishouding gezien, mylord,” vervolgde hij met een glimlach, „dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar, dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is.”
„Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht—en toch,” zeide de baron,„er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onzeNoordschevorsten het hoofd geheel op hol brengt.”
„Wij hebben onlangs gehoord,” zeide de Schot, „van minnezangers en pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant, den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die in het heilige Land van kracht te doen zijn.”
„Wild werk, sir Kenneth,” hernam de Vaux, de schouders ophalende, als iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde vermijden—„eene dwaze wereld, sir.—Ik moet u thans vaarwel zeggen, daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig verbeteren kon.”
„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde sir Kenneth, „maar het is niet noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd, daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens dient om het wild te drogen.”
De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven, die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.