HOOFDSTUK X.’k Zal nu ’t geheime boek ontsluiten,En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.Hendrik IV. I Gedeelte.De markies vanMontserraten de grootmeester van de Tempelridders stonden te zamen voor de koninklijke tent, waarin dit zonderling tooneel was voorgevallen, en zagen eene sterke wacht met hellebaardenen bogen, die rondom haar een kring vormde, om allen, welke den stervenden Monarch mochten lastig zijn, op een afstand te houden. De soldaten hadden de terneergeslagen, stille en sombere blikken, waarmede zij bij een lijkstoet hunne wapenen dragen, en stapten met zoo veel behoedzaamheid, dat men geen schild klinken, geen zwaard kletteren hoorde, ofschoon zoo vele gewapende manschappen rondom de tent in beweging waren. Zij lieten met grooten eerbied de wapens zakken, toen de hooge personen langs hunne gelederen gingen, maar met dezelfde diepe stilte.„Er heeft eene verandering in de stemming van die eilandhonden plaats gehad,” zeide de grootmeester tot Koenraad, toen zij Richard’s wachten voorbij waren. „Welk een wild gedruisch en geraas placht er voor deze tent te heerschen? Niets dan met stokken werpen, met den bal slaan, worstelen, liederen uitbrullen, en flesschen ledigen onder die stuursche boeren, als of zij eene dorpskermis vierden, met een meiboom in hun midden, in plaats van den koninklijken standaard.”„Bulhonden zijn een trouw ras,” zeide de markies; „en de Koning, hun meester, heeft hunne liefde gewonnen, door gereed te zijn om het eerst onder hen te worstelen, te schreeuwen of te jubelen, zoodra dit hem in den zin kwam.”„Hij is een en al gril,” hervatte de grootmeester. „Hebt gij den dronk opgemerkt, dien hij ons in plaats van een gebed bij zijn beker toebracht?”„Hij zou de werking van dien beker eens voelen,” hernam de Markies, „als Saladin gelijk was aan ieder ander Turk, die ooit den tulband droeg, of zich op de stem van den Muezzin naar Mekka wendde. Maar hij veinst braafheid, eer en edelmoedigheid,—alsof het een ongedoopten hond, gelijk hij is, paste het deugdzaam gedrag van een Christen ridder na te volgen. Men zegt, dat hij zich tot Richard gewend heeft, om in de ridderschap aangenomen te worden.”„Bij St. Bernard!” riep de grootmeester uit, „dan ware het tijd voor ons, om onze zwaarden en sporen weg te werpen, Koenraad, onze wapens uit te wisschen, en onze helmen af te leggen, wanneer de hoogste eer van het Christendom verleend werd aan een ellendigen ongedoopten Turk, die geen tien stuivers waard is.”„Gij schat den sultan niet hoog,” hervatte de markies; „en toch, schoon hij nog al het voorkomen van een flink man heeft, heb ik er beteren voor veertig stuivers in de galeiën zien verkoopen.”Zij waren nu dicht bij hunne paarden, die op eenigen afstand van de koninklijke tent stonden, en steigerden te midden van het zwierige gevolg van schildknapen en pages, die hen begeleidden, toen Koenraad, na een oogenblik zwijgen, voorstelde, om de koelheid te genieten van den avondwind, die was opgestoken, en hunne paarden en bedienden ontslaande, naar hunne eigen kwartieren te wandelen door de uitgebreide liniën van het Christen leger. De grootmeester stemde hierin toe, en zij wandelden dus te zamen verder, terwijl zij, als bij onderlinge overeenkomst, de meer bewoonde gedeelten van de linnen stad vermeden,en door de breede esplanaden gingen, die tusschen de tent en de buitenste verdedigingswerken lagen, waar zij in het geheim en onopgemerkt konden spreken, behalve wanneer zij schildwachtenvoorbij moesten.Zij spraken een tijdlang over de militaire aangelegenheden en de middelen tot verdediging; maar dit onderwerp van gesprek, waarin geen van beide veel belang scheen te stellen, raakte spoedig uitgeput, en er ontstond eene lange stilte, die eindigde, door dat de markies van Montserrat bleef staan, als iemand, die een plotseling besluit genomen heeft, en eenige oogenblikken het somber, onbuigzaam gelaat van den grootmeester aanschouwende, hem aldus toesprak: „Zoo het met uwe dapperheid en heiligheid overeenkomt, eerwaarde ridder Giles Amaury, dan wilde ik u wel verzoeken, om voor een enkele maal het donkere vizier af te leggen, dat gij draagt, en u met een vriend met ontbloot gelaat te onderhouden.”De Tempelier zeide half glimlachend: „er zijn zoo wel lichtgekleurde maskers, als donkere vizieren, en de eerste verbergen de natuurlijke trekken even volmaakt als de laatste.”„Het zij zoo,” antwoordde de markies, de hand aan zijne kin leggende, en die met de beweging van iemand, die zich ontmaskert, wegtrekkende, „daar ligt mijne vermomming. En nu, wat dunkt u van de belangen van uwe eigen orde, of de vooruitzichten van dezen kruistocht?”„Dat noem ik den sluier vanmijnegedachten afrukken, veeleer dan de uwe blootleggen,” hervatte de grootmeester;„nochtans wil ik met eene gelijkenis antwoorden, die mij een santon uit de woestijn heeft verteld.—Een landman bad den Hemel om regen, en morde, als die niet naar zijne behoefte viel. Om zijn ongeduld te bestraffen, zond Allah den Eufraat, over zijne landerijen, en hij verging met al zijne bezittingen door de bevrediging van het geen hij zelf gewenscht had.”„Zeer waar gesproken”, zeide markies Koenraad; „had toch de oceaan negen tienden van de benden van deze vorsten verzwolgen! Het overschot zou tot grooter voordeel der Christen edelen van Palestina, het ellendig overschot van het Latijnsche koninkrijk van Jeruzalem, hebben gestrekt. Aan ons zelven overgelaten, konden wij voor den storm gebukt, of, matig met geld en troepen ondersteund, Saladin gedwongen hebben, om onze dapperheid te eerbiedigen, en ons op voordeelige voorwaarden vrede en bescherming te schenken. Maar wegens het groote gevaar, waarmede deze kruistocht den Sultan bedreigt, kunnen wij niet hopen, wanneer die zal afgeloopen zijn, dat de Sarraceen dulden zal, dat een van ons bezittingen of vorstendommen in Syrië behoudt, en nog veel minder het bestaan der krijgshaftige orden vergunnen, waarvan zij zoo veel onheil ondervonden hebben.”„Ja maar,” zeide de Tempelier, „deze ondernemende kruisvaarders konden er wel eens in slagen, om het kruis weder op de wallen van Sion te planten.”„En wat zou dit de orde der Tempeliers of Koenraad van Montserrat baten?” vroeg de markies.„U kan het voordeel aanbrengen,” antwoordde de grootmeester. „Koenraad van Montserrat zou Koning Koenraad van Jeruzalem kunnen worden.”„Dat klinkt naar iets,” hervatte de markies, „en toch klinkt het maar hol.—Godfried van Bouillon had wel reden om de doornenkroon tot zijn zinnebeeld te kiezen. Grootmeester, ik wil u bekennen, dat ik eenige liefde voor de Oostersche wijze van regeeren heb gekregen: eene zuivere en eenvoudige alleenheerschappij moest alleen uit Koning en onderdanen bestaan. Dit is het eenvoudige en oorspronkelijke gebouw—een herder en zijne kudde. Deze geheele binnenlandsche keten van leenroerige afhankelijkheid is kunstmatig en valsch, en ik wilde liever den staf van mijn arm markgraafschap met vaste hand houden, en hem naar welbehagen zwaaien, dan den scepter voeren van een monarch, om in werkelijkheid in bedwang te worden gehouden door den wil van even zoovele trotsche, leenroerige barons, als er land is onder het gebied van Jeruzalem. Een Koning moet vrij voort kunnen gaan, grootmeester, en niet belemmerd worden hier door eene gracht, en ginds door een vestingwerk, hier door een leenroerig voorrecht, en daar door een geharnasten baron met het zwaard in de hand om het te verdedigen. En om het geheel volkomen te maken, ik begrijp zeer wel, dat de eischen van Guy de Lusignan op den troon boven de mijne zouden gesteld worden, als Richard herstelt en iets over de keus te zeggen heeft.”„Genoeg,” hernam de grootmeester, „gij hebt mij wezenlijk van uwe oprechtheid overtuigd. Anderen mogen dezelfde vermoedens koesteren, maar weinigen op Koenraad van Montserrat na zouden vrijuit durven bekennen, dat zij het herstel van het koninkrijk Jeruzalem niet verlangen, maar liever meester van een brokstuk van zijne overblijfselen zouden willen zijn; even als de onbeschaafde eilanders, die niet voor de redding van een schoon, door de baren geteisterd schip werken, daar zij veeleer hopen zich ten koste van het wrak te verrijken.”„Gij zult toch mijn geheim niet willen verraden?” zeide Koenraad met een achterdochtig en listig gelaat. „Houd u overtuigd, dat mijne tong nooit mijn hoofd onrecht zal aandoen, en dat mijne hand nooit de verdediging van beide zal verzuimen. Beschuldig mij, zoo gij wilt.—Ik ben bereid, om mij in het strijdperk te verdedigen tegen den besten Tempelier, die ooit een lans gevoerd heeft.”„Toch schrikt gij wat spoedig voor een zoo moedig ros,” hernam de grootmeester. „Maar ik zweer u bij den heiligen Tempel, dien onze orde gezworen heeft te verdedigen, dat ik, als trouw kameraad, uw geheim zal bewaren.”„Bij welken tempel?” vroeg de markies van Montserrat, wiens lust voor spot dikwijls verder ging dan met zijn belang en bescheidenheid overeenkwam. „Zweert gij bij dien op den heuvel van Sion, dien Koning Salomo gebouwd heeft, of bij dat zinnebeeldig gebouw, waarvanmen zegt, dat in de raadsvergaderingen, die in de gewelven uwer preceptorijen gehouden worden, over de vergrooting van uwe dappere en eerwaardige orde gesproken wordt?”De Tempelier zag hem met een verpletterenden blik aan, maar antwoordde bedaard: „bij welken tempel ik ook moge zweren, wees verzekerd, markies, dat mijn eed heilig is.—Ik wenschte dat ik wist, hoe ik u door een eed van evenveel kracht kon verbinden.”„Ik wil u de waarheid zweren,” hervatte de markies lachend, „bij mijn kroontje, dat ik voor het einde van dezen oorlog tegen iets beters hoop te verwisselen. Deze geringe kroon voelt koud op mijn voorhoofd; een hertogshoed zou eene betere beschutting zijn tegen een nachtwind, zoo als thans waait; en eene koningskroon zou nog verreweg de voorkeur verdienen, daar deze behoorlijk met hermelijn en fluweel gevoerd is. In één woord, ons eigen belang verbindt ons aan elkander; want geloof niet, heer grootmeester, dat, zoo deze verbonden vorsten Jeruzalem weder veroverden en daar een Koning van hunne keus plaatsten, zij uwe orde meer dan mijn arm markgraafschap in zijne tegenwoordige onafhankelijkheid dulden zouden. Neen, bij onze heilige Maagd! in dit geval moeten de trotsche ridders van St. Jan weder in de hospitalen pleisters smeren en pestzweren verbinden; en gij, zeer matige en eerwaarde ridders van den Tempel, moet tot uw stand van eenvoudige krijgslieden terugkeeren, met hun drieën op het stroo slapen, en twee op één paard rijden, zoo als uw tegenwoordig zegel nog aanduidt, dat uwe oude en zeer eenvoudige gewoonte geweest is.”„Rang, voorrechten en rijkdom van onze orde beletten zulk eene vernedering, als waarmede gij ons bedreigt,” zeide de Tempelier op trotschen toon.„Dat zal juist tot uw verderf strekken”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „en gij weet even goed als ik, eerwaarde grootmeester, dat, zoo de verbonden vorsten wel slaagden in Palestina, het hun eerste staatkundige daad zou zijn, om de onafhankelijkheid uwer orde te beperken, zoo als gij sedert lang zoudt ondervonden hebben, zonder de bescherming van onzen heiligen Vader, den Paus, en de noodzakelijkheid om van uwe dapperheid bij de verovering van Palestina gebruik te maken. Bezorg hun een volkomen goeden uitslag, en gij zult terzijde gezet worden, gelijk de splinters van eene gebroken lans uit detoernooiplaatsworden geworpen.”„Er kan waarheid zijn in hetgeen gij zegt,” hernam de Tempelier met een somberen glimlach, „maar wat zou onze toekomst zijn, indien de verbondenen hunne macht terugtrokken en Palestina in het bezit lieten van Saladin?”„Groot en zeker,” hervatte Koenraad; „de Sultan zou uitgestrekte landstreken geven, om een schaar van goed geoefende Frankische lansdragers ter zijner beschikking te hebben. In Egypte, in Perzië zouden honderd zulke bondgenooten, gevoegd bij zijne eigen lichte ruiters, de overwinning op de meest geduchte overmacht behalen. Deze afhankelijkheid zou slechts een tijdlang duren—misschien gedurendehet leven van dezen ondernemenden Sultan—maar in het Oosten komen de machtigen op als paddestoelen. Onderstel dat hij dood was, en dat wij door eene voortdurende aanvulling van krachtige en ondernemende mannen uit Europa versterkt werden, wat konden wij niet hopen te volbrengen, bevrijd van den toestand van deze monarchen, wier waardigheid ons thans in de schaduw stelt—en die, zoo zij hier bleven en in dezen krijgstocht overwonnen, ons gaarne voor altijd tot vernedering en afhankelijkheid zouden willen veroordeelen?”„Goed gesproken, heer markies,” hervatte de grootmeester; „en uwe woorden vinden weerklank in mijn hart. Maar wij moeten voorzichtig zijn; Filips van Frankrijk is even verstandig als dapper.”„Dat is waar, en des te eerder zal hij van een krijgstocht kunnen afgebracht worden, waartoe hij zich in een oogenblik van verbijstering, of op aandrang van zijne edelen, overijld verbonden heeft. Hij is jaloersch op Koning Richard, zijn natuurlijken vijand, en verlangt terug te keeren, ten einde eerzuchtige plannen ten uitvoer te brengen, die nader bij Parijs dan bij Palestina liggen. Ieder geschikt voorwendsel zal hem dienstig zijn, om zich van een tooneel te verwijderen, waar hij bemerkte, dat hij de kracht van zijn koninkrijk verspilt.”„En de hertog van Oostenrijk?” vroeg de Tempelier.„O, wat den hertog betreft,” antwoordde Koenraad, „zijn eigenwaan en zijne dwaasheid brengen hem tot dezelfde gevolgtrekkingen, als de staatkunde en wijsheid van Filips. Hij verbeeldt zich, God helpe hem, dat hij ondankbaar behandeld wordt, omdat de monden der menschen—zelfs die van zijne eigen minnezangers—vol zijn van den lof van Koning Richard, dien hij vreest en haat, en in wiens ongeluk hij zich verheugen zou, evenals die niet afgerichte bastaardhonden, die als de voorste van den troep door een greep van den wolf lijdt, hem veeleer van achteren zullen aanvallen, dan hem te hulp komen.—Maar waarom zeg ik u dit, behalve om u te toonen, dat ik oprecht ben in mijn wensch, dat dit verbond moge worden verbroken, en het land bevrijd van deze groote monarchen met hunne legers? En gij hebt zelf gezien, hoe al de Vorsten van invloed en macht, op een enkele na, begeerig zijn om met den Sultan in onderhandeling te treden.”„Dit erken ik,” hernam de Tempelier, „men moest blind zijn, zoo men dit niet bij hunne laatste beraadslagingen bespeurd had. Maar licht uw masker nog een duim hooger op, en zeg mij de ware reden, waarom gij dien noordschen Engelschman of Schot, of hoe gij dien ridder van den Luipaard noemt, aan den raad opgedrongen hebt, om hunne voorstellen betreffende eene onderhandeling over te brengen?”„Daar was staatkunde in,” hervatte de Italiaan; „zijn karakter, als inboorling van Brittannië, was voldoende, om de wenschen van Saladin te gemoet te komen, daar hij wist, dat hij tot het leger van Richard behoorde, terwijl zijn karakter van Schot en eenige andere persoonlijke oneenigheden, waarvan ik kennis droeg, het zeer onwaarschijnlijk maakten, dat onze afgevaardigde, bij zijne terugkomst, eenige verbintenismet den zieken Richard zou houden, daar aan dezen zijne tegenwoordigheid altijd onaangenaam was.”„Eene al te fijn gesponnen staatkunde,” zeide de grootmeester, „geloof mij, dat Italiaansche spinnewebben nooit dezen ongeschoren Simson van het eiland binden zullen—goed, zoo gij zulks met nieuwe koorden, en dat wel van de sterkste, doen kunt. Ziet gij niet, dat de afgezant, dien gij met zoo veel zorg gekozen hebt, ons in dezen geneesheer het middel heeft gebracht, om den leeuwenhartigen, stierkoppigen Engelschman te doen herstellen, ten einde zijn kruistocht voort te zetten; en zoo hij eens weder in staat is om voorwaarts te trekken, wie van de vorsten zal hem durven terughouden? Zij moeten hem uit schaamte wel volgen, al wilden zij ook even gaarne onder de banier van Satan optrekken.”„Wees tevreden”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „eer deze geneesheer, tenzij hij wonderen verrichten kan, Richard’s genezing kan voltooien, zal het mogelijk zijn om eene open breuk teweeg te brengen tusschen den Franschman of ten minste den Oostenrijker, en zijne Engelsche bondgenooten, zóó dat deze onherstelbaar zal zijn; en Richard moge van zijn bed opstaan, misschien om zijne eigen vaderlandsche troepen aan te voeren, maar nooit om door zijne veerkracht alleen het geheele leger van kruisvaarders te leiden.”„Gij zijt een gewillig boogschutter”, zeide de Tempelier; „maar, Koenraad van Montserrat, uw boog is te slap om een pijl in het wit te brengen.”Hij brak hier af, wierp een achterdochtigen blik om te zien, of iemand hem ook hoorde, en Koenraad bij de hand vattende, drukte hij die met kracht, terwijl hij den Italiaan in het gelaat zag en langzaam herhaalde: „Richard van zijn bed opstaan, zegt gij?—Koenraad, hij moet nooit weder opstaan!”De markies van Montserrat schrikte.—„Hoe!—spraakt gij van Richard van Engeland—van Leeuwenhart—den kampioen van het Christendom?”Zijne wang verbleekte en zijne knieën sidderden, terwijl hij dit zeide. De Tempelier zag hem aan, zijn ijzeren gelaat tot een minachtenden glimlach samentrekkende.„Weet gij, op wien gij gelijkt, heer Koenraad, op dit oogenblik? Niet op den staatkundigen en dapperen markies van Montserrat—niet op den man, die den raad van vorsten wilde bestieren en het lot der rijken beslissen, maar op een nieuweling, die eene bezwering in het leerboek van zijn leermeester ontmoetende, den duivel opgeroepen heeft, toen hij er niet in het minst aan dacht, en nu verschrikt staat voor den geest, die voor hem verrezen is.”„Ik geef u toe,” hernam Koenraad zich herstellende, „dat—zoo men geen veiligen weg kan vinden—gij dien hebt aangewezen, die het meest rechtstreeks tot ons doel voert. Maar heilige Maria! wij zullen de vervloeking van geheel Europa worden, de verwensching van ieder, van den Paus op den troon tot den bedelaar bij de kerkdeur, die, haveloos en melaatsch, tot het diepste van menschelijke ellende gezonken, zich gezegend zal achten dat hij noch Giles Amaury noch Koenraad van Montserrat is.”„Als gij het zoo neemt,” hervatte de grootmeester met dezelfde kalmte, die hem gedurende dit geheele merkwaardige gesprek gekenmerkt had, „laat het ons er dan voor houden, dat er niets tusschen ons is voorgevallen—dat wij in den slaap gesproken hebben—ontwaakt zijn, en het visioen verdwenen is.”„Het kan nooit meer verdwijnen,” antwoordde Koenraad.„Visioenen van hertogelijke hoeden en koninklijke diademen houden inderdaad hunne plaats in de verbeelding wat vaster,” hervatte de grootmeester.„Goed,” hernam Koenraad, „laat mij eerst slechts beproeven, om den vrede tusschen Oostenrijk en Engeland te breken.”Zij scheidden.—Koenraad bleef nog op de plek staan, en zag den zwevenden, witten mantel van den Tempelier na, terwijl deze langzaam voortstapte, en allengs in de snel vallende duisternis van den Oosterschen nacht verdween. Trotsch, eergierig, staatkundig en niet zeer nauwgezet, was nochtans de markies van Montserrat niet wreed van aard. Hij was wellustig en een vriend van een lekker leven, en zoo als velen van deze gemoedsgesteldheid, was hij, zelfs uit baatzuchtige oogmerken, afkeerig van iemand leed te doen of van wreede daden getuige te zijn; ook koesterde hij een gevoel van achting voor zijn naam, wat somtijds het gebrek van het betere beginsel, waardoor een goede naam verkregen moet worden, vervangt.„Ik heb,” zeide hij, terwijl zijne oogen nog op het punt gevestigd waren, waar hij het laatste wuiven van den mantel des Tempeliers gezien had,—„ik heb in waarheid den duivel opgeroepen! Wie zou gedacht hebben, dat deze sombere, ascetische grootmeester, wiens geheel geluk en ongeluk in dat van zijne orde begrepen is, meer tot bevordering daarvan zou willen doen, dan ik, die voor mijn eigen belang werk? Dezen wilden kruistocht tegen te gaan was weliswaar mijn oogmerk, maar ik durfde niet aan het eenvoudige middel denken, dat deze vermetele priester heeft gewaagd aan de hand te geven—en niettemin is dat het zekerste—en mogelijk zelfs het veiligste.”Zulke overpeinzingen hield de Markies bij zich zelf, toen zijne stille alleenspraak afgebroken werd door eene stem op een kleinen afstand,die op den luidklinkenden toon van een heraut riep: „Denk aan het heilige graf!”Deze kreet weergalmde van post tot post, want het was de plicht der schildwachten, om deze woorden van tijd tot tijd op hunne wacht te laten hooren, opdat het leger der kruisvaarders altijd het doel zijner wapening mocht in de gedachten houden. Maar ofschoon deze gewoonte zeer goed aan Koenraad bekend was, en hij de waarschuwende stem bij alle vorige gelegenheden als iets gewoons vernomen had, kwam zij echter voor het oogenblik zoo hevig in botsing met den loop zijner eigen gedachten, dat het hem eene stem des Hemels toescheen, die hem tegen zijne voorgenomen boosheid waarschuwde. Hij zag angstig rond, alsof hij, gelijk de aartsvader in aloude tijden, hoewel in zeer verschillende omstandigheden, een in de struiken gevangen ram verwachtte—den eenen of anderen plaatsvervanger voor het offer, dat zijn makker had voorgesteld, niet om hem het Opperste Wezen, maar den Moloch van hunne eigen eerzucht te slachten. Terwijl hij rondzag, viel zijn oog op de breede banen van het vaandel van Engeland, dat zich met moeite in de zwakke nachtkoelte uitspreidde. Het vertoonde zich op een met kunst opgeworpen wal, bijna in het midden van de legerplaats, dien misschien voorheen een of ander Hebreeuwsch opperhoofd of strijder tot gedenkplaats van zijne rustplaats uitgekozen had. Al was dit zoo, de naam was thans vergeten, en de kruisvaarders hadden dien St. George berg gedoopt, omdat van die gebiedende hoogte de banier van Engeland zich verhief en uitspreidde, alsof zij een teeken van oppermacht ware boven de vele uitstekende, edele, en zelfs koninklijke vaandels, die op lagere standplaatsen fladderden.Een vlug vernuft, gelijk de markies bezat, krijgt gedachten door één blik. Een enkele blik van zijn oog op den standaard scheen de onzekerheid van gemoed, die hem geschokt had, te verbannen. Hij begaf zich naar zijne tent met de haastige en vaste schreden van iemand, die een plan gemaakt heeft, dat hij besloten heeft ten uitvoer te brengen, ontsloeg het bijna vorstelijke gevolg, dat gereed was hem op te wachten, en terwijl hij zich op zijne legerstede ter nederlegde, prevelde hij zijn veranderd besluit, dat de zachtere middelen moeten beproefd worden, eer men tot de meer wanhopige overgaat.„Morgen”, zeide hij, „zit ik aan de tafel van den Aartshertog van Oostenrijk,—wij zullen zien wat ter bevordering van ons plan kan gedaan worden, eer wij de zwarte inblazingen van dezen Tempelier volgen.”
HOOFDSTUK X.’k Zal nu ’t geheime boek ontsluiten,En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.Hendrik IV. I Gedeelte.De markies vanMontserraten de grootmeester van de Tempelridders stonden te zamen voor de koninklijke tent, waarin dit zonderling tooneel was voorgevallen, en zagen eene sterke wacht met hellebaardenen bogen, die rondom haar een kring vormde, om allen, welke den stervenden Monarch mochten lastig zijn, op een afstand te houden. De soldaten hadden de terneergeslagen, stille en sombere blikken, waarmede zij bij een lijkstoet hunne wapenen dragen, en stapten met zoo veel behoedzaamheid, dat men geen schild klinken, geen zwaard kletteren hoorde, ofschoon zoo vele gewapende manschappen rondom de tent in beweging waren. Zij lieten met grooten eerbied de wapens zakken, toen de hooge personen langs hunne gelederen gingen, maar met dezelfde diepe stilte.„Er heeft eene verandering in de stemming van die eilandhonden plaats gehad,” zeide de grootmeester tot Koenraad, toen zij Richard’s wachten voorbij waren. „Welk een wild gedruisch en geraas placht er voor deze tent te heerschen? Niets dan met stokken werpen, met den bal slaan, worstelen, liederen uitbrullen, en flesschen ledigen onder die stuursche boeren, als of zij eene dorpskermis vierden, met een meiboom in hun midden, in plaats van den koninklijken standaard.”„Bulhonden zijn een trouw ras,” zeide de markies; „en de Koning, hun meester, heeft hunne liefde gewonnen, door gereed te zijn om het eerst onder hen te worstelen, te schreeuwen of te jubelen, zoodra dit hem in den zin kwam.”„Hij is een en al gril,” hervatte de grootmeester. „Hebt gij den dronk opgemerkt, dien hij ons in plaats van een gebed bij zijn beker toebracht?”„Hij zou de werking van dien beker eens voelen,” hernam de Markies, „als Saladin gelijk was aan ieder ander Turk, die ooit den tulband droeg, of zich op de stem van den Muezzin naar Mekka wendde. Maar hij veinst braafheid, eer en edelmoedigheid,—alsof het een ongedoopten hond, gelijk hij is, paste het deugdzaam gedrag van een Christen ridder na te volgen. Men zegt, dat hij zich tot Richard gewend heeft, om in de ridderschap aangenomen te worden.”„Bij St. Bernard!” riep de grootmeester uit, „dan ware het tijd voor ons, om onze zwaarden en sporen weg te werpen, Koenraad, onze wapens uit te wisschen, en onze helmen af te leggen, wanneer de hoogste eer van het Christendom verleend werd aan een ellendigen ongedoopten Turk, die geen tien stuivers waard is.”„Gij schat den sultan niet hoog,” hervatte de markies; „en toch, schoon hij nog al het voorkomen van een flink man heeft, heb ik er beteren voor veertig stuivers in de galeiën zien verkoopen.”Zij waren nu dicht bij hunne paarden, die op eenigen afstand van de koninklijke tent stonden, en steigerden te midden van het zwierige gevolg van schildknapen en pages, die hen begeleidden, toen Koenraad, na een oogenblik zwijgen, voorstelde, om de koelheid te genieten van den avondwind, die was opgestoken, en hunne paarden en bedienden ontslaande, naar hunne eigen kwartieren te wandelen door de uitgebreide liniën van het Christen leger. De grootmeester stemde hierin toe, en zij wandelden dus te zamen verder, terwijl zij, als bij onderlinge overeenkomst, de meer bewoonde gedeelten van de linnen stad vermeden,en door de breede esplanaden gingen, die tusschen de tent en de buitenste verdedigingswerken lagen, waar zij in het geheim en onopgemerkt konden spreken, behalve wanneer zij schildwachtenvoorbij moesten.Zij spraken een tijdlang over de militaire aangelegenheden en de middelen tot verdediging; maar dit onderwerp van gesprek, waarin geen van beide veel belang scheen te stellen, raakte spoedig uitgeput, en er ontstond eene lange stilte, die eindigde, door dat de markies van Montserrat bleef staan, als iemand, die een plotseling besluit genomen heeft, en eenige oogenblikken het somber, onbuigzaam gelaat van den grootmeester aanschouwende, hem aldus toesprak: „Zoo het met uwe dapperheid en heiligheid overeenkomt, eerwaarde ridder Giles Amaury, dan wilde ik u wel verzoeken, om voor een enkele maal het donkere vizier af te leggen, dat gij draagt, en u met een vriend met ontbloot gelaat te onderhouden.”De Tempelier zeide half glimlachend: „er zijn zoo wel lichtgekleurde maskers, als donkere vizieren, en de eerste verbergen de natuurlijke trekken even volmaakt als de laatste.”„Het zij zoo,” antwoordde de markies, de hand aan zijne kin leggende, en die met de beweging van iemand, die zich ontmaskert, wegtrekkende, „daar ligt mijne vermomming. En nu, wat dunkt u van de belangen van uwe eigen orde, of de vooruitzichten van dezen kruistocht?”„Dat noem ik den sluier vanmijnegedachten afrukken, veeleer dan de uwe blootleggen,” hervatte de grootmeester;„nochtans wil ik met eene gelijkenis antwoorden, die mij een santon uit de woestijn heeft verteld.—Een landman bad den Hemel om regen, en morde, als die niet naar zijne behoefte viel. Om zijn ongeduld te bestraffen, zond Allah den Eufraat, over zijne landerijen, en hij verging met al zijne bezittingen door de bevrediging van het geen hij zelf gewenscht had.”„Zeer waar gesproken”, zeide markies Koenraad; „had toch de oceaan negen tienden van de benden van deze vorsten verzwolgen! Het overschot zou tot grooter voordeel der Christen edelen van Palestina, het ellendig overschot van het Latijnsche koninkrijk van Jeruzalem, hebben gestrekt. Aan ons zelven overgelaten, konden wij voor den storm gebukt, of, matig met geld en troepen ondersteund, Saladin gedwongen hebben, om onze dapperheid te eerbiedigen, en ons op voordeelige voorwaarden vrede en bescherming te schenken. Maar wegens het groote gevaar, waarmede deze kruistocht den Sultan bedreigt, kunnen wij niet hopen, wanneer die zal afgeloopen zijn, dat de Sarraceen dulden zal, dat een van ons bezittingen of vorstendommen in Syrië behoudt, en nog veel minder het bestaan der krijgshaftige orden vergunnen, waarvan zij zoo veel onheil ondervonden hebben.”„Ja maar,” zeide de Tempelier, „deze ondernemende kruisvaarders konden er wel eens in slagen, om het kruis weder op de wallen van Sion te planten.”„En wat zou dit de orde der Tempeliers of Koenraad van Montserrat baten?” vroeg de markies.„U kan het voordeel aanbrengen,” antwoordde de grootmeester. „Koenraad van Montserrat zou Koning Koenraad van Jeruzalem kunnen worden.”„Dat klinkt naar iets,” hervatte de markies, „en toch klinkt het maar hol.—Godfried van Bouillon had wel reden om de doornenkroon tot zijn zinnebeeld te kiezen. Grootmeester, ik wil u bekennen, dat ik eenige liefde voor de Oostersche wijze van regeeren heb gekregen: eene zuivere en eenvoudige alleenheerschappij moest alleen uit Koning en onderdanen bestaan. Dit is het eenvoudige en oorspronkelijke gebouw—een herder en zijne kudde. Deze geheele binnenlandsche keten van leenroerige afhankelijkheid is kunstmatig en valsch, en ik wilde liever den staf van mijn arm markgraafschap met vaste hand houden, en hem naar welbehagen zwaaien, dan den scepter voeren van een monarch, om in werkelijkheid in bedwang te worden gehouden door den wil van even zoovele trotsche, leenroerige barons, als er land is onder het gebied van Jeruzalem. Een Koning moet vrij voort kunnen gaan, grootmeester, en niet belemmerd worden hier door eene gracht, en ginds door een vestingwerk, hier door een leenroerig voorrecht, en daar door een geharnasten baron met het zwaard in de hand om het te verdedigen. En om het geheel volkomen te maken, ik begrijp zeer wel, dat de eischen van Guy de Lusignan op den troon boven de mijne zouden gesteld worden, als Richard herstelt en iets over de keus te zeggen heeft.”„Genoeg,” hernam de grootmeester, „gij hebt mij wezenlijk van uwe oprechtheid overtuigd. Anderen mogen dezelfde vermoedens koesteren, maar weinigen op Koenraad van Montserrat na zouden vrijuit durven bekennen, dat zij het herstel van het koninkrijk Jeruzalem niet verlangen, maar liever meester van een brokstuk van zijne overblijfselen zouden willen zijn; even als de onbeschaafde eilanders, die niet voor de redding van een schoon, door de baren geteisterd schip werken, daar zij veeleer hopen zich ten koste van het wrak te verrijken.”„Gij zult toch mijn geheim niet willen verraden?” zeide Koenraad met een achterdochtig en listig gelaat. „Houd u overtuigd, dat mijne tong nooit mijn hoofd onrecht zal aandoen, en dat mijne hand nooit de verdediging van beide zal verzuimen. Beschuldig mij, zoo gij wilt.—Ik ben bereid, om mij in het strijdperk te verdedigen tegen den besten Tempelier, die ooit een lans gevoerd heeft.”„Toch schrikt gij wat spoedig voor een zoo moedig ros,” hernam de grootmeester. „Maar ik zweer u bij den heiligen Tempel, dien onze orde gezworen heeft te verdedigen, dat ik, als trouw kameraad, uw geheim zal bewaren.”„Bij welken tempel?” vroeg de markies van Montserrat, wiens lust voor spot dikwijls verder ging dan met zijn belang en bescheidenheid overeenkwam. „Zweert gij bij dien op den heuvel van Sion, dien Koning Salomo gebouwd heeft, of bij dat zinnebeeldig gebouw, waarvanmen zegt, dat in de raadsvergaderingen, die in de gewelven uwer preceptorijen gehouden worden, over de vergrooting van uwe dappere en eerwaardige orde gesproken wordt?”De Tempelier zag hem met een verpletterenden blik aan, maar antwoordde bedaard: „bij welken tempel ik ook moge zweren, wees verzekerd, markies, dat mijn eed heilig is.—Ik wenschte dat ik wist, hoe ik u door een eed van evenveel kracht kon verbinden.”„Ik wil u de waarheid zweren,” hervatte de markies lachend, „bij mijn kroontje, dat ik voor het einde van dezen oorlog tegen iets beters hoop te verwisselen. Deze geringe kroon voelt koud op mijn voorhoofd; een hertogshoed zou eene betere beschutting zijn tegen een nachtwind, zoo als thans waait; en eene koningskroon zou nog verreweg de voorkeur verdienen, daar deze behoorlijk met hermelijn en fluweel gevoerd is. In één woord, ons eigen belang verbindt ons aan elkander; want geloof niet, heer grootmeester, dat, zoo deze verbonden vorsten Jeruzalem weder veroverden en daar een Koning van hunne keus plaatsten, zij uwe orde meer dan mijn arm markgraafschap in zijne tegenwoordige onafhankelijkheid dulden zouden. Neen, bij onze heilige Maagd! in dit geval moeten de trotsche ridders van St. Jan weder in de hospitalen pleisters smeren en pestzweren verbinden; en gij, zeer matige en eerwaarde ridders van den Tempel, moet tot uw stand van eenvoudige krijgslieden terugkeeren, met hun drieën op het stroo slapen, en twee op één paard rijden, zoo als uw tegenwoordig zegel nog aanduidt, dat uwe oude en zeer eenvoudige gewoonte geweest is.”„Rang, voorrechten en rijkdom van onze orde beletten zulk eene vernedering, als waarmede gij ons bedreigt,” zeide de Tempelier op trotschen toon.„Dat zal juist tot uw verderf strekken”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „en gij weet even goed als ik, eerwaarde grootmeester, dat, zoo de verbonden vorsten wel slaagden in Palestina, het hun eerste staatkundige daad zou zijn, om de onafhankelijkheid uwer orde te beperken, zoo als gij sedert lang zoudt ondervonden hebben, zonder de bescherming van onzen heiligen Vader, den Paus, en de noodzakelijkheid om van uwe dapperheid bij de verovering van Palestina gebruik te maken. Bezorg hun een volkomen goeden uitslag, en gij zult terzijde gezet worden, gelijk de splinters van eene gebroken lans uit detoernooiplaatsworden geworpen.”„Er kan waarheid zijn in hetgeen gij zegt,” hernam de Tempelier met een somberen glimlach, „maar wat zou onze toekomst zijn, indien de verbondenen hunne macht terugtrokken en Palestina in het bezit lieten van Saladin?”„Groot en zeker,” hervatte Koenraad; „de Sultan zou uitgestrekte landstreken geven, om een schaar van goed geoefende Frankische lansdragers ter zijner beschikking te hebben. In Egypte, in Perzië zouden honderd zulke bondgenooten, gevoegd bij zijne eigen lichte ruiters, de overwinning op de meest geduchte overmacht behalen. Deze afhankelijkheid zou slechts een tijdlang duren—misschien gedurendehet leven van dezen ondernemenden Sultan—maar in het Oosten komen de machtigen op als paddestoelen. Onderstel dat hij dood was, en dat wij door eene voortdurende aanvulling van krachtige en ondernemende mannen uit Europa versterkt werden, wat konden wij niet hopen te volbrengen, bevrijd van den toestand van deze monarchen, wier waardigheid ons thans in de schaduw stelt—en die, zoo zij hier bleven en in dezen krijgstocht overwonnen, ons gaarne voor altijd tot vernedering en afhankelijkheid zouden willen veroordeelen?”„Goed gesproken, heer markies,” hervatte de grootmeester; „en uwe woorden vinden weerklank in mijn hart. Maar wij moeten voorzichtig zijn; Filips van Frankrijk is even verstandig als dapper.”„Dat is waar, en des te eerder zal hij van een krijgstocht kunnen afgebracht worden, waartoe hij zich in een oogenblik van verbijstering, of op aandrang van zijne edelen, overijld verbonden heeft. Hij is jaloersch op Koning Richard, zijn natuurlijken vijand, en verlangt terug te keeren, ten einde eerzuchtige plannen ten uitvoer te brengen, die nader bij Parijs dan bij Palestina liggen. Ieder geschikt voorwendsel zal hem dienstig zijn, om zich van een tooneel te verwijderen, waar hij bemerkte, dat hij de kracht van zijn koninkrijk verspilt.”„En de hertog van Oostenrijk?” vroeg de Tempelier.„O, wat den hertog betreft,” antwoordde Koenraad, „zijn eigenwaan en zijne dwaasheid brengen hem tot dezelfde gevolgtrekkingen, als de staatkunde en wijsheid van Filips. Hij verbeeldt zich, God helpe hem, dat hij ondankbaar behandeld wordt, omdat de monden der menschen—zelfs die van zijne eigen minnezangers—vol zijn van den lof van Koning Richard, dien hij vreest en haat, en in wiens ongeluk hij zich verheugen zou, evenals die niet afgerichte bastaardhonden, die als de voorste van den troep door een greep van den wolf lijdt, hem veeleer van achteren zullen aanvallen, dan hem te hulp komen.—Maar waarom zeg ik u dit, behalve om u te toonen, dat ik oprecht ben in mijn wensch, dat dit verbond moge worden verbroken, en het land bevrijd van deze groote monarchen met hunne legers? En gij hebt zelf gezien, hoe al de Vorsten van invloed en macht, op een enkele na, begeerig zijn om met den Sultan in onderhandeling te treden.”„Dit erken ik,” hernam de Tempelier, „men moest blind zijn, zoo men dit niet bij hunne laatste beraadslagingen bespeurd had. Maar licht uw masker nog een duim hooger op, en zeg mij de ware reden, waarom gij dien noordschen Engelschman of Schot, of hoe gij dien ridder van den Luipaard noemt, aan den raad opgedrongen hebt, om hunne voorstellen betreffende eene onderhandeling over te brengen?”„Daar was staatkunde in,” hervatte de Italiaan; „zijn karakter, als inboorling van Brittannië, was voldoende, om de wenschen van Saladin te gemoet te komen, daar hij wist, dat hij tot het leger van Richard behoorde, terwijl zijn karakter van Schot en eenige andere persoonlijke oneenigheden, waarvan ik kennis droeg, het zeer onwaarschijnlijk maakten, dat onze afgevaardigde, bij zijne terugkomst, eenige verbintenismet den zieken Richard zou houden, daar aan dezen zijne tegenwoordigheid altijd onaangenaam was.”„Eene al te fijn gesponnen staatkunde,” zeide de grootmeester, „geloof mij, dat Italiaansche spinnewebben nooit dezen ongeschoren Simson van het eiland binden zullen—goed, zoo gij zulks met nieuwe koorden, en dat wel van de sterkste, doen kunt. Ziet gij niet, dat de afgezant, dien gij met zoo veel zorg gekozen hebt, ons in dezen geneesheer het middel heeft gebracht, om den leeuwenhartigen, stierkoppigen Engelschman te doen herstellen, ten einde zijn kruistocht voort te zetten; en zoo hij eens weder in staat is om voorwaarts te trekken, wie van de vorsten zal hem durven terughouden? Zij moeten hem uit schaamte wel volgen, al wilden zij ook even gaarne onder de banier van Satan optrekken.”„Wees tevreden”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „eer deze geneesheer, tenzij hij wonderen verrichten kan, Richard’s genezing kan voltooien, zal het mogelijk zijn om eene open breuk teweeg te brengen tusschen den Franschman of ten minste den Oostenrijker, en zijne Engelsche bondgenooten, zóó dat deze onherstelbaar zal zijn; en Richard moge van zijn bed opstaan, misschien om zijne eigen vaderlandsche troepen aan te voeren, maar nooit om door zijne veerkracht alleen het geheele leger van kruisvaarders te leiden.”„Gij zijt een gewillig boogschutter”, zeide de Tempelier; „maar, Koenraad van Montserrat, uw boog is te slap om een pijl in het wit te brengen.”Hij brak hier af, wierp een achterdochtigen blik om te zien, of iemand hem ook hoorde, en Koenraad bij de hand vattende, drukte hij die met kracht, terwijl hij den Italiaan in het gelaat zag en langzaam herhaalde: „Richard van zijn bed opstaan, zegt gij?—Koenraad, hij moet nooit weder opstaan!”De markies van Montserrat schrikte.—„Hoe!—spraakt gij van Richard van Engeland—van Leeuwenhart—den kampioen van het Christendom?”Zijne wang verbleekte en zijne knieën sidderden, terwijl hij dit zeide. De Tempelier zag hem aan, zijn ijzeren gelaat tot een minachtenden glimlach samentrekkende.„Weet gij, op wien gij gelijkt, heer Koenraad, op dit oogenblik? Niet op den staatkundigen en dapperen markies van Montserrat—niet op den man, die den raad van vorsten wilde bestieren en het lot der rijken beslissen, maar op een nieuweling, die eene bezwering in het leerboek van zijn leermeester ontmoetende, den duivel opgeroepen heeft, toen hij er niet in het minst aan dacht, en nu verschrikt staat voor den geest, die voor hem verrezen is.”„Ik geef u toe,” hernam Koenraad zich herstellende, „dat—zoo men geen veiligen weg kan vinden—gij dien hebt aangewezen, die het meest rechtstreeks tot ons doel voert. Maar heilige Maria! wij zullen de vervloeking van geheel Europa worden, de verwensching van ieder, van den Paus op den troon tot den bedelaar bij de kerkdeur, die, haveloos en melaatsch, tot het diepste van menschelijke ellende gezonken, zich gezegend zal achten dat hij noch Giles Amaury noch Koenraad van Montserrat is.”„Als gij het zoo neemt,” hervatte de grootmeester met dezelfde kalmte, die hem gedurende dit geheele merkwaardige gesprek gekenmerkt had, „laat het ons er dan voor houden, dat er niets tusschen ons is voorgevallen—dat wij in den slaap gesproken hebben—ontwaakt zijn, en het visioen verdwenen is.”„Het kan nooit meer verdwijnen,” antwoordde Koenraad.„Visioenen van hertogelijke hoeden en koninklijke diademen houden inderdaad hunne plaats in de verbeelding wat vaster,” hervatte de grootmeester.„Goed,” hernam Koenraad, „laat mij eerst slechts beproeven, om den vrede tusschen Oostenrijk en Engeland te breken.”Zij scheidden.—Koenraad bleef nog op de plek staan, en zag den zwevenden, witten mantel van den Tempelier na, terwijl deze langzaam voortstapte, en allengs in de snel vallende duisternis van den Oosterschen nacht verdween. Trotsch, eergierig, staatkundig en niet zeer nauwgezet, was nochtans de markies van Montserrat niet wreed van aard. Hij was wellustig en een vriend van een lekker leven, en zoo als velen van deze gemoedsgesteldheid, was hij, zelfs uit baatzuchtige oogmerken, afkeerig van iemand leed te doen of van wreede daden getuige te zijn; ook koesterde hij een gevoel van achting voor zijn naam, wat somtijds het gebrek van het betere beginsel, waardoor een goede naam verkregen moet worden, vervangt.„Ik heb,” zeide hij, terwijl zijne oogen nog op het punt gevestigd waren, waar hij het laatste wuiven van den mantel des Tempeliers gezien had,—„ik heb in waarheid den duivel opgeroepen! Wie zou gedacht hebben, dat deze sombere, ascetische grootmeester, wiens geheel geluk en ongeluk in dat van zijne orde begrepen is, meer tot bevordering daarvan zou willen doen, dan ik, die voor mijn eigen belang werk? Dezen wilden kruistocht tegen te gaan was weliswaar mijn oogmerk, maar ik durfde niet aan het eenvoudige middel denken, dat deze vermetele priester heeft gewaagd aan de hand te geven—en niettemin is dat het zekerste—en mogelijk zelfs het veiligste.”Zulke overpeinzingen hield de Markies bij zich zelf, toen zijne stille alleenspraak afgebroken werd door eene stem op een kleinen afstand,die op den luidklinkenden toon van een heraut riep: „Denk aan het heilige graf!”Deze kreet weergalmde van post tot post, want het was de plicht der schildwachten, om deze woorden van tijd tot tijd op hunne wacht te laten hooren, opdat het leger der kruisvaarders altijd het doel zijner wapening mocht in de gedachten houden. Maar ofschoon deze gewoonte zeer goed aan Koenraad bekend was, en hij de waarschuwende stem bij alle vorige gelegenheden als iets gewoons vernomen had, kwam zij echter voor het oogenblik zoo hevig in botsing met den loop zijner eigen gedachten, dat het hem eene stem des Hemels toescheen, die hem tegen zijne voorgenomen boosheid waarschuwde. Hij zag angstig rond, alsof hij, gelijk de aartsvader in aloude tijden, hoewel in zeer verschillende omstandigheden, een in de struiken gevangen ram verwachtte—den eenen of anderen plaatsvervanger voor het offer, dat zijn makker had voorgesteld, niet om hem het Opperste Wezen, maar den Moloch van hunne eigen eerzucht te slachten. Terwijl hij rondzag, viel zijn oog op de breede banen van het vaandel van Engeland, dat zich met moeite in de zwakke nachtkoelte uitspreidde. Het vertoonde zich op een met kunst opgeworpen wal, bijna in het midden van de legerplaats, dien misschien voorheen een of ander Hebreeuwsch opperhoofd of strijder tot gedenkplaats van zijne rustplaats uitgekozen had. Al was dit zoo, de naam was thans vergeten, en de kruisvaarders hadden dien St. George berg gedoopt, omdat van die gebiedende hoogte de banier van Engeland zich verhief en uitspreidde, alsof zij een teeken van oppermacht ware boven de vele uitstekende, edele, en zelfs koninklijke vaandels, die op lagere standplaatsen fladderden.Een vlug vernuft, gelijk de markies bezat, krijgt gedachten door één blik. Een enkele blik van zijn oog op den standaard scheen de onzekerheid van gemoed, die hem geschokt had, te verbannen. Hij begaf zich naar zijne tent met de haastige en vaste schreden van iemand, die een plan gemaakt heeft, dat hij besloten heeft ten uitvoer te brengen, ontsloeg het bijna vorstelijke gevolg, dat gereed was hem op te wachten, en terwijl hij zich op zijne legerstede ter nederlegde, prevelde hij zijn veranderd besluit, dat de zachtere middelen moeten beproefd worden, eer men tot de meer wanhopige overgaat.„Morgen”, zeide hij, „zit ik aan de tafel van den Aartshertog van Oostenrijk,—wij zullen zien wat ter bevordering van ons plan kan gedaan worden, eer wij de zwarte inblazingen van dezen Tempelier volgen.”
HOOFDSTUK X.’k Zal nu ’t geheime boek ontsluiten,En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.Hendrik IV. I Gedeelte.
’k Zal nu ’t geheime boek ontsluiten,En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.Hendrik IV. I Gedeelte.
’k Zal nu ’t geheime boek ontsluiten,En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.
’k Zal nu ’t geheime boek ontsluiten,
En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,
Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.
Hendrik IV. I Gedeelte.
De markies vanMontserraten de grootmeester van de Tempelridders stonden te zamen voor de koninklijke tent, waarin dit zonderling tooneel was voorgevallen, en zagen eene sterke wacht met hellebaardenen bogen, die rondom haar een kring vormde, om allen, welke den stervenden Monarch mochten lastig zijn, op een afstand te houden. De soldaten hadden de terneergeslagen, stille en sombere blikken, waarmede zij bij een lijkstoet hunne wapenen dragen, en stapten met zoo veel behoedzaamheid, dat men geen schild klinken, geen zwaard kletteren hoorde, ofschoon zoo vele gewapende manschappen rondom de tent in beweging waren. Zij lieten met grooten eerbied de wapens zakken, toen de hooge personen langs hunne gelederen gingen, maar met dezelfde diepe stilte.„Er heeft eene verandering in de stemming van die eilandhonden plaats gehad,” zeide de grootmeester tot Koenraad, toen zij Richard’s wachten voorbij waren. „Welk een wild gedruisch en geraas placht er voor deze tent te heerschen? Niets dan met stokken werpen, met den bal slaan, worstelen, liederen uitbrullen, en flesschen ledigen onder die stuursche boeren, als of zij eene dorpskermis vierden, met een meiboom in hun midden, in plaats van den koninklijken standaard.”„Bulhonden zijn een trouw ras,” zeide de markies; „en de Koning, hun meester, heeft hunne liefde gewonnen, door gereed te zijn om het eerst onder hen te worstelen, te schreeuwen of te jubelen, zoodra dit hem in den zin kwam.”„Hij is een en al gril,” hervatte de grootmeester. „Hebt gij den dronk opgemerkt, dien hij ons in plaats van een gebed bij zijn beker toebracht?”„Hij zou de werking van dien beker eens voelen,” hernam de Markies, „als Saladin gelijk was aan ieder ander Turk, die ooit den tulband droeg, of zich op de stem van den Muezzin naar Mekka wendde. Maar hij veinst braafheid, eer en edelmoedigheid,—alsof het een ongedoopten hond, gelijk hij is, paste het deugdzaam gedrag van een Christen ridder na te volgen. Men zegt, dat hij zich tot Richard gewend heeft, om in de ridderschap aangenomen te worden.”„Bij St. Bernard!” riep de grootmeester uit, „dan ware het tijd voor ons, om onze zwaarden en sporen weg te werpen, Koenraad, onze wapens uit te wisschen, en onze helmen af te leggen, wanneer de hoogste eer van het Christendom verleend werd aan een ellendigen ongedoopten Turk, die geen tien stuivers waard is.”„Gij schat den sultan niet hoog,” hervatte de markies; „en toch, schoon hij nog al het voorkomen van een flink man heeft, heb ik er beteren voor veertig stuivers in de galeiën zien verkoopen.”Zij waren nu dicht bij hunne paarden, die op eenigen afstand van de koninklijke tent stonden, en steigerden te midden van het zwierige gevolg van schildknapen en pages, die hen begeleidden, toen Koenraad, na een oogenblik zwijgen, voorstelde, om de koelheid te genieten van den avondwind, die was opgestoken, en hunne paarden en bedienden ontslaande, naar hunne eigen kwartieren te wandelen door de uitgebreide liniën van het Christen leger. De grootmeester stemde hierin toe, en zij wandelden dus te zamen verder, terwijl zij, als bij onderlinge overeenkomst, de meer bewoonde gedeelten van de linnen stad vermeden,en door de breede esplanaden gingen, die tusschen de tent en de buitenste verdedigingswerken lagen, waar zij in het geheim en onopgemerkt konden spreken, behalve wanneer zij schildwachtenvoorbij moesten.Zij spraken een tijdlang over de militaire aangelegenheden en de middelen tot verdediging; maar dit onderwerp van gesprek, waarin geen van beide veel belang scheen te stellen, raakte spoedig uitgeput, en er ontstond eene lange stilte, die eindigde, door dat de markies van Montserrat bleef staan, als iemand, die een plotseling besluit genomen heeft, en eenige oogenblikken het somber, onbuigzaam gelaat van den grootmeester aanschouwende, hem aldus toesprak: „Zoo het met uwe dapperheid en heiligheid overeenkomt, eerwaarde ridder Giles Amaury, dan wilde ik u wel verzoeken, om voor een enkele maal het donkere vizier af te leggen, dat gij draagt, en u met een vriend met ontbloot gelaat te onderhouden.”De Tempelier zeide half glimlachend: „er zijn zoo wel lichtgekleurde maskers, als donkere vizieren, en de eerste verbergen de natuurlijke trekken even volmaakt als de laatste.”„Het zij zoo,” antwoordde de markies, de hand aan zijne kin leggende, en die met de beweging van iemand, die zich ontmaskert, wegtrekkende, „daar ligt mijne vermomming. En nu, wat dunkt u van de belangen van uwe eigen orde, of de vooruitzichten van dezen kruistocht?”„Dat noem ik den sluier vanmijnegedachten afrukken, veeleer dan de uwe blootleggen,” hervatte de grootmeester;„nochtans wil ik met eene gelijkenis antwoorden, die mij een santon uit de woestijn heeft verteld.—Een landman bad den Hemel om regen, en morde, als die niet naar zijne behoefte viel. Om zijn ongeduld te bestraffen, zond Allah den Eufraat, over zijne landerijen, en hij verging met al zijne bezittingen door de bevrediging van het geen hij zelf gewenscht had.”„Zeer waar gesproken”, zeide markies Koenraad; „had toch de oceaan negen tienden van de benden van deze vorsten verzwolgen! Het overschot zou tot grooter voordeel der Christen edelen van Palestina, het ellendig overschot van het Latijnsche koninkrijk van Jeruzalem, hebben gestrekt. Aan ons zelven overgelaten, konden wij voor den storm gebukt, of, matig met geld en troepen ondersteund, Saladin gedwongen hebben, om onze dapperheid te eerbiedigen, en ons op voordeelige voorwaarden vrede en bescherming te schenken. Maar wegens het groote gevaar, waarmede deze kruistocht den Sultan bedreigt, kunnen wij niet hopen, wanneer die zal afgeloopen zijn, dat de Sarraceen dulden zal, dat een van ons bezittingen of vorstendommen in Syrië behoudt, en nog veel minder het bestaan der krijgshaftige orden vergunnen, waarvan zij zoo veel onheil ondervonden hebben.”„Ja maar,” zeide de Tempelier, „deze ondernemende kruisvaarders konden er wel eens in slagen, om het kruis weder op de wallen van Sion te planten.”„En wat zou dit de orde der Tempeliers of Koenraad van Montserrat baten?” vroeg de markies.„U kan het voordeel aanbrengen,” antwoordde de grootmeester. „Koenraad van Montserrat zou Koning Koenraad van Jeruzalem kunnen worden.”„Dat klinkt naar iets,” hervatte de markies, „en toch klinkt het maar hol.—Godfried van Bouillon had wel reden om de doornenkroon tot zijn zinnebeeld te kiezen. Grootmeester, ik wil u bekennen, dat ik eenige liefde voor de Oostersche wijze van regeeren heb gekregen: eene zuivere en eenvoudige alleenheerschappij moest alleen uit Koning en onderdanen bestaan. Dit is het eenvoudige en oorspronkelijke gebouw—een herder en zijne kudde. Deze geheele binnenlandsche keten van leenroerige afhankelijkheid is kunstmatig en valsch, en ik wilde liever den staf van mijn arm markgraafschap met vaste hand houden, en hem naar welbehagen zwaaien, dan den scepter voeren van een monarch, om in werkelijkheid in bedwang te worden gehouden door den wil van even zoovele trotsche, leenroerige barons, als er land is onder het gebied van Jeruzalem. Een Koning moet vrij voort kunnen gaan, grootmeester, en niet belemmerd worden hier door eene gracht, en ginds door een vestingwerk, hier door een leenroerig voorrecht, en daar door een geharnasten baron met het zwaard in de hand om het te verdedigen. En om het geheel volkomen te maken, ik begrijp zeer wel, dat de eischen van Guy de Lusignan op den troon boven de mijne zouden gesteld worden, als Richard herstelt en iets over de keus te zeggen heeft.”„Genoeg,” hernam de grootmeester, „gij hebt mij wezenlijk van uwe oprechtheid overtuigd. Anderen mogen dezelfde vermoedens koesteren, maar weinigen op Koenraad van Montserrat na zouden vrijuit durven bekennen, dat zij het herstel van het koninkrijk Jeruzalem niet verlangen, maar liever meester van een brokstuk van zijne overblijfselen zouden willen zijn; even als de onbeschaafde eilanders, die niet voor de redding van een schoon, door de baren geteisterd schip werken, daar zij veeleer hopen zich ten koste van het wrak te verrijken.”„Gij zult toch mijn geheim niet willen verraden?” zeide Koenraad met een achterdochtig en listig gelaat. „Houd u overtuigd, dat mijne tong nooit mijn hoofd onrecht zal aandoen, en dat mijne hand nooit de verdediging van beide zal verzuimen. Beschuldig mij, zoo gij wilt.—Ik ben bereid, om mij in het strijdperk te verdedigen tegen den besten Tempelier, die ooit een lans gevoerd heeft.”„Toch schrikt gij wat spoedig voor een zoo moedig ros,” hernam de grootmeester. „Maar ik zweer u bij den heiligen Tempel, dien onze orde gezworen heeft te verdedigen, dat ik, als trouw kameraad, uw geheim zal bewaren.”„Bij welken tempel?” vroeg de markies van Montserrat, wiens lust voor spot dikwijls verder ging dan met zijn belang en bescheidenheid overeenkwam. „Zweert gij bij dien op den heuvel van Sion, dien Koning Salomo gebouwd heeft, of bij dat zinnebeeldig gebouw, waarvanmen zegt, dat in de raadsvergaderingen, die in de gewelven uwer preceptorijen gehouden worden, over de vergrooting van uwe dappere en eerwaardige orde gesproken wordt?”De Tempelier zag hem met een verpletterenden blik aan, maar antwoordde bedaard: „bij welken tempel ik ook moge zweren, wees verzekerd, markies, dat mijn eed heilig is.—Ik wenschte dat ik wist, hoe ik u door een eed van evenveel kracht kon verbinden.”„Ik wil u de waarheid zweren,” hervatte de markies lachend, „bij mijn kroontje, dat ik voor het einde van dezen oorlog tegen iets beters hoop te verwisselen. Deze geringe kroon voelt koud op mijn voorhoofd; een hertogshoed zou eene betere beschutting zijn tegen een nachtwind, zoo als thans waait; en eene koningskroon zou nog verreweg de voorkeur verdienen, daar deze behoorlijk met hermelijn en fluweel gevoerd is. In één woord, ons eigen belang verbindt ons aan elkander; want geloof niet, heer grootmeester, dat, zoo deze verbonden vorsten Jeruzalem weder veroverden en daar een Koning van hunne keus plaatsten, zij uwe orde meer dan mijn arm markgraafschap in zijne tegenwoordige onafhankelijkheid dulden zouden. Neen, bij onze heilige Maagd! in dit geval moeten de trotsche ridders van St. Jan weder in de hospitalen pleisters smeren en pestzweren verbinden; en gij, zeer matige en eerwaarde ridders van den Tempel, moet tot uw stand van eenvoudige krijgslieden terugkeeren, met hun drieën op het stroo slapen, en twee op één paard rijden, zoo als uw tegenwoordig zegel nog aanduidt, dat uwe oude en zeer eenvoudige gewoonte geweest is.”„Rang, voorrechten en rijkdom van onze orde beletten zulk eene vernedering, als waarmede gij ons bedreigt,” zeide de Tempelier op trotschen toon.„Dat zal juist tot uw verderf strekken”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „en gij weet even goed als ik, eerwaarde grootmeester, dat, zoo de verbonden vorsten wel slaagden in Palestina, het hun eerste staatkundige daad zou zijn, om de onafhankelijkheid uwer orde te beperken, zoo als gij sedert lang zoudt ondervonden hebben, zonder de bescherming van onzen heiligen Vader, den Paus, en de noodzakelijkheid om van uwe dapperheid bij de verovering van Palestina gebruik te maken. Bezorg hun een volkomen goeden uitslag, en gij zult terzijde gezet worden, gelijk de splinters van eene gebroken lans uit detoernooiplaatsworden geworpen.”„Er kan waarheid zijn in hetgeen gij zegt,” hernam de Tempelier met een somberen glimlach, „maar wat zou onze toekomst zijn, indien de verbondenen hunne macht terugtrokken en Palestina in het bezit lieten van Saladin?”„Groot en zeker,” hervatte Koenraad; „de Sultan zou uitgestrekte landstreken geven, om een schaar van goed geoefende Frankische lansdragers ter zijner beschikking te hebben. In Egypte, in Perzië zouden honderd zulke bondgenooten, gevoegd bij zijne eigen lichte ruiters, de overwinning op de meest geduchte overmacht behalen. Deze afhankelijkheid zou slechts een tijdlang duren—misschien gedurendehet leven van dezen ondernemenden Sultan—maar in het Oosten komen de machtigen op als paddestoelen. Onderstel dat hij dood was, en dat wij door eene voortdurende aanvulling van krachtige en ondernemende mannen uit Europa versterkt werden, wat konden wij niet hopen te volbrengen, bevrijd van den toestand van deze monarchen, wier waardigheid ons thans in de schaduw stelt—en die, zoo zij hier bleven en in dezen krijgstocht overwonnen, ons gaarne voor altijd tot vernedering en afhankelijkheid zouden willen veroordeelen?”„Goed gesproken, heer markies,” hervatte de grootmeester; „en uwe woorden vinden weerklank in mijn hart. Maar wij moeten voorzichtig zijn; Filips van Frankrijk is even verstandig als dapper.”„Dat is waar, en des te eerder zal hij van een krijgstocht kunnen afgebracht worden, waartoe hij zich in een oogenblik van verbijstering, of op aandrang van zijne edelen, overijld verbonden heeft. Hij is jaloersch op Koning Richard, zijn natuurlijken vijand, en verlangt terug te keeren, ten einde eerzuchtige plannen ten uitvoer te brengen, die nader bij Parijs dan bij Palestina liggen. Ieder geschikt voorwendsel zal hem dienstig zijn, om zich van een tooneel te verwijderen, waar hij bemerkte, dat hij de kracht van zijn koninkrijk verspilt.”„En de hertog van Oostenrijk?” vroeg de Tempelier.„O, wat den hertog betreft,” antwoordde Koenraad, „zijn eigenwaan en zijne dwaasheid brengen hem tot dezelfde gevolgtrekkingen, als de staatkunde en wijsheid van Filips. Hij verbeeldt zich, God helpe hem, dat hij ondankbaar behandeld wordt, omdat de monden der menschen—zelfs die van zijne eigen minnezangers—vol zijn van den lof van Koning Richard, dien hij vreest en haat, en in wiens ongeluk hij zich verheugen zou, evenals die niet afgerichte bastaardhonden, die als de voorste van den troep door een greep van den wolf lijdt, hem veeleer van achteren zullen aanvallen, dan hem te hulp komen.—Maar waarom zeg ik u dit, behalve om u te toonen, dat ik oprecht ben in mijn wensch, dat dit verbond moge worden verbroken, en het land bevrijd van deze groote monarchen met hunne legers? En gij hebt zelf gezien, hoe al de Vorsten van invloed en macht, op een enkele na, begeerig zijn om met den Sultan in onderhandeling te treden.”„Dit erken ik,” hernam de Tempelier, „men moest blind zijn, zoo men dit niet bij hunne laatste beraadslagingen bespeurd had. Maar licht uw masker nog een duim hooger op, en zeg mij de ware reden, waarom gij dien noordschen Engelschman of Schot, of hoe gij dien ridder van den Luipaard noemt, aan den raad opgedrongen hebt, om hunne voorstellen betreffende eene onderhandeling over te brengen?”„Daar was staatkunde in,” hervatte de Italiaan; „zijn karakter, als inboorling van Brittannië, was voldoende, om de wenschen van Saladin te gemoet te komen, daar hij wist, dat hij tot het leger van Richard behoorde, terwijl zijn karakter van Schot en eenige andere persoonlijke oneenigheden, waarvan ik kennis droeg, het zeer onwaarschijnlijk maakten, dat onze afgevaardigde, bij zijne terugkomst, eenige verbintenismet den zieken Richard zou houden, daar aan dezen zijne tegenwoordigheid altijd onaangenaam was.”„Eene al te fijn gesponnen staatkunde,” zeide de grootmeester, „geloof mij, dat Italiaansche spinnewebben nooit dezen ongeschoren Simson van het eiland binden zullen—goed, zoo gij zulks met nieuwe koorden, en dat wel van de sterkste, doen kunt. Ziet gij niet, dat de afgezant, dien gij met zoo veel zorg gekozen hebt, ons in dezen geneesheer het middel heeft gebracht, om den leeuwenhartigen, stierkoppigen Engelschman te doen herstellen, ten einde zijn kruistocht voort te zetten; en zoo hij eens weder in staat is om voorwaarts te trekken, wie van de vorsten zal hem durven terughouden? Zij moeten hem uit schaamte wel volgen, al wilden zij ook even gaarne onder de banier van Satan optrekken.”„Wees tevreden”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „eer deze geneesheer, tenzij hij wonderen verrichten kan, Richard’s genezing kan voltooien, zal het mogelijk zijn om eene open breuk teweeg te brengen tusschen den Franschman of ten minste den Oostenrijker, en zijne Engelsche bondgenooten, zóó dat deze onherstelbaar zal zijn; en Richard moge van zijn bed opstaan, misschien om zijne eigen vaderlandsche troepen aan te voeren, maar nooit om door zijne veerkracht alleen het geheele leger van kruisvaarders te leiden.”„Gij zijt een gewillig boogschutter”, zeide de Tempelier; „maar, Koenraad van Montserrat, uw boog is te slap om een pijl in het wit te brengen.”Hij brak hier af, wierp een achterdochtigen blik om te zien, of iemand hem ook hoorde, en Koenraad bij de hand vattende, drukte hij die met kracht, terwijl hij den Italiaan in het gelaat zag en langzaam herhaalde: „Richard van zijn bed opstaan, zegt gij?—Koenraad, hij moet nooit weder opstaan!”De markies van Montserrat schrikte.—„Hoe!—spraakt gij van Richard van Engeland—van Leeuwenhart—den kampioen van het Christendom?”Zijne wang verbleekte en zijne knieën sidderden, terwijl hij dit zeide. De Tempelier zag hem aan, zijn ijzeren gelaat tot een minachtenden glimlach samentrekkende.„Weet gij, op wien gij gelijkt, heer Koenraad, op dit oogenblik? Niet op den staatkundigen en dapperen markies van Montserrat—niet op den man, die den raad van vorsten wilde bestieren en het lot der rijken beslissen, maar op een nieuweling, die eene bezwering in het leerboek van zijn leermeester ontmoetende, den duivel opgeroepen heeft, toen hij er niet in het minst aan dacht, en nu verschrikt staat voor den geest, die voor hem verrezen is.”„Ik geef u toe,” hernam Koenraad zich herstellende, „dat—zoo men geen veiligen weg kan vinden—gij dien hebt aangewezen, die het meest rechtstreeks tot ons doel voert. Maar heilige Maria! wij zullen de vervloeking van geheel Europa worden, de verwensching van ieder, van den Paus op den troon tot den bedelaar bij de kerkdeur, die, haveloos en melaatsch, tot het diepste van menschelijke ellende gezonken, zich gezegend zal achten dat hij noch Giles Amaury noch Koenraad van Montserrat is.”„Als gij het zoo neemt,” hervatte de grootmeester met dezelfde kalmte, die hem gedurende dit geheele merkwaardige gesprek gekenmerkt had, „laat het ons er dan voor houden, dat er niets tusschen ons is voorgevallen—dat wij in den slaap gesproken hebben—ontwaakt zijn, en het visioen verdwenen is.”„Het kan nooit meer verdwijnen,” antwoordde Koenraad.„Visioenen van hertogelijke hoeden en koninklijke diademen houden inderdaad hunne plaats in de verbeelding wat vaster,” hervatte de grootmeester.„Goed,” hernam Koenraad, „laat mij eerst slechts beproeven, om den vrede tusschen Oostenrijk en Engeland te breken.”Zij scheidden.—Koenraad bleef nog op de plek staan, en zag den zwevenden, witten mantel van den Tempelier na, terwijl deze langzaam voortstapte, en allengs in de snel vallende duisternis van den Oosterschen nacht verdween. Trotsch, eergierig, staatkundig en niet zeer nauwgezet, was nochtans de markies van Montserrat niet wreed van aard. Hij was wellustig en een vriend van een lekker leven, en zoo als velen van deze gemoedsgesteldheid, was hij, zelfs uit baatzuchtige oogmerken, afkeerig van iemand leed te doen of van wreede daden getuige te zijn; ook koesterde hij een gevoel van achting voor zijn naam, wat somtijds het gebrek van het betere beginsel, waardoor een goede naam verkregen moet worden, vervangt.„Ik heb,” zeide hij, terwijl zijne oogen nog op het punt gevestigd waren, waar hij het laatste wuiven van den mantel des Tempeliers gezien had,—„ik heb in waarheid den duivel opgeroepen! Wie zou gedacht hebben, dat deze sombere, ascetische grootmeester, wiens geheel geluk en ongeluk in dat van zijne orde begrepen is, meer tot bevordering daarvan zou willen doen, dan ik, die voor mijn eigen belang werk? Dezen wilden kruistocht tegen te gaan was weliswaar mijn oogmerk, maar ik durfde niet aan het eenvoudige middel denken, dat deze vermetele priester heeft gewaagd aan de hand te geven—en niettemin is dat het zekerste—en mogelijk zelfs het veiligste.”Zulke overpeinzingen hield de Markies bij zich zelf, toen zijne stille alleenspraak afgebroken werd door eene stem op een kleinen afstand,die op den luidklinkenden toon van een heraut riep: „Denk aan het heilige graf!”Deze kreet weergalmde van post tot post, want het was de plicht der schildwachten, om deze woorden van tijd tot tijd op hunne wacht te laten hooren, opdat het leger der kruisvaarders altijd het doel zijner wapening mocht in de gedachten houden. Maar ofschoon deze gewoonte zeer goed aan Koenraad bekend was, en hij de waarschuwende stem bij alle vorige gelegenheden als iets gewoons vernomen had, kwam zij echter voor het oogenblik zoo hevig in botsing met den loop zijner eigen gedachten, dat het hem eene stem des Hemels toescheen, die hem tegen zijne voorgenomen boosheid waarschuwde. Hij zag angstig rond, alsof hij, gelijk de aartsvader in aloude tijden, hoewel in zeer verschillende omstandigheden, een in de struiken gevangen ram verwachtte—den eenen of anderen plaatsvervanger voor het offer, dat zijn makker had voorgesteld, niet om hem het Opperste Wezen, maar den Moloch van hunne eigen eerzucht te slachten. Terwijl hij rondzag, viel zijn oog op de breede banen van het vaandel van Engeland, dat zich met moeite in de zwakke nachtkoelte uitspreidde. Het vertoonde zich op een met kunst opgeworpen wal, bijna in het midden van de legerplaats, dien misschien voorheen een of ander Hebreeuwsch opperhoofd of strijder tot gedenkplaats van zijne rustplaats uitgekozen had. Al was dit zoo, de naam was thans vergeten, en de kruisvaarders hadden dien St. George berg gedoopt, omdat van die gebiedende hoogte de banier van Engeland zich verhief en uitspreidde, alsof zij een teeken van oppermacht ware boven de vele uitstekende, edele, en zelfs koninklijke vaandels, die op lagere standplaatsen fladderden.Een vlug vernuft, gelijk de markies bezat, krijgt gedachten door één blik. Een enkele blik van zijn oog op den standaard scheen de onzekerheid van gemoed, die hem geschokt had, te verbannen. Hij begaf zich naar zijne tent met de haastige en vaste schreden van iemand, die een plan gemaakt heeft, dat hij besloten heeft ten uitvoer te brengen, ontsloeg het bijna vorstelijke gevolg, dat gereed was hem op te wachten, en terwijl hij zich op zijne legerstede ter nederlegde, prevelde hij zijn veranderd besluit, dat de zachtere middelen moeten beproefd worden, eer men tot de meer wanhopige overgaat.„Morgen”, zeide hij, „zit ik aan de tafel van den Aartshertog van Oostenrijk,—wij zullen zien wat ter bevordering van ons plan kan gedaan worden, eer wij de zwarte inblazingen van dezen Tempelier volgen.”
De markies vanMontserraten de grootmeester van de Tempelridders stonden te zamen voor de koninklijke tent, waarin dit zonderling tooneel was voorgevallen, en zagen eene sterke wacht met hellebaardenen bogen, die rondom haar een kring vormde, om allen, welke den stervenden Monarch mochten lastig zijn, op een afstand te houden. De soldaten hadden de terneergeslagen, stille en sombere blikken, waarmede zij bij een lijkstoet hunne wapenen dragen, en stapten met zoo veel behoedzaamheid, dat men geen schild klinken, geen zwaard kletteren hoorde, ofschoon zoo vele gewapende manschappen rondom de tent in beweging waren. Zij lieten met grooten eerbied de wapens zakken, toen de hooge personen langs hunne gelederen gingen, maar met dezelfde diepe stilte.
„Er heeft eene verandering in de stemming van die eilandhonden plaats gehad,” zeide de grootmeester tot Koenraad, toen zij Richard’s wachten voorbij waren. „Welk een wild gedruisch en geraas placht er voor deze tent te heerschen? Niets dan met stokken werpen, met den bal slaan, worstelen, liederen uitbrullen, en flesschen ledigen onder die stuursche boeren, als of zij eene dorpskermis vierden, met een meiboom in hun midden, in plaats van den koninklijken standaard.”
„Bulhonden zijn een trouw ras,” zeide de markies; „en de Koning, hun meester, heeft hunne liefde gewonnen, door gereed te zijn om het eerst onder hen te worstelen, te schreeuwen of te jubelen, zoodra dit hem in den zin kwam.”
„Hij is een en al gril,” hervatte de grootmeester. „Hebt gij den dronk opgemerkt, dien hij ons in plaats van een gebed bij zijn beker toebracht?”
„Hij zou de werking van dien beker eens voelen,” hernam de Markies, „als Saladin gelijk was aan ieder ander Turk, die ooit den tulband droeg, of zich op de stem van den Muezzin naar Mekka wendde. Maar hij veinst braafheid, eer en edelmoedigheid,—alsof het een ongedoopten hond, gelijk hij is, paste het deugdzaam gedrag van een Christen ridder na te volgen. Men zegt, dat hij zich tot Richard gewend heeft, om in de ridderschap aangenomen te worden.”
„Bij St. Bernard!” riep de grootmeester uit, „dan ware het tijd voor ons, om onze zwaarden en sporen weg te werpen, Koenraad, onze wapens uit te wisschen, en onze helmen af te leggen, wanneer de hoogste eer van het Christendom verleend werd aan een ellendigen ongedoopten Turk, die geen tien stuivers waard is.”
„Gij schat den sultan niet hoog,” hervatte de markies; „en toch, schoon hij nog al het voorkomen van een flink man heeft, heb ik er beteren voor veertig stuivers in de galeiën zien verkoopen.”
Zij waren nu dicht bij hunne paarden, die op eenigen afstand van de koninklijke tent stonden, en steigerden te midden van het zwierige gevolg van schildknapen en pages, die hen begeleidden, toen Koenraad, na een oogenblik zwijgen, voorstelde, om de koelheid te genieten van den avondwind, die was opgestoken, en hunne paarden en bedienden ontslaande, naar hunne eigen kwartieren te wandelen door de uitgebreide liniën van het Christen leger. De grootmeester stemde hierin toe, en zij wandelden dus te zamen verder, terwijl zij, als bij onderlinge overeenkomst, de meer bewoonde gedeelten van de linnen stad vermeden,en door de breede esplanaden gingen, die tusschen de tent en de buitenste verdedigingswerken lagen, waar zij in het geheim en onopgemerkt konden spreken, behalve wanneer zij schildwachtenvoorbij moesten.
Zij spraken een tijdlang over de militaire aangelegenheden en de middelen tot verdediging; maar dit onderwerp van gesprek, waarin geen van beide veel belang scheen te stellen, raakte spoedig uitgeput, en er ontstond eene lange stilte, die eindigde, door dat de markies van Montserrat bleef staan, als iemand, die een plotseling besluit genomen heeft, en eenige oogenblikken het somber, onbuigzaam gelaat van den grootmeester aanschouwende, hem aldus toesprak: „Zoo het met uwe dapperheid en heiligheid overeenkomt, eerwaarde ridder Giles Amaury, dan wilde ik u wel verzoeken, om voor een enkele maal het donkere vizier af te leggen, dat gij draagt, en u met een vriend met ontbloot gelaat te onderhouden.”
De Tempelier zeide half glimlachend: „er zijn zoo wel lichtgekleurde maskers, als donkere vizieren, en de eerste verbergen de natuurlijke trekken even volmaakt als de laatste.”
„Het zij zoo,” antwoordde de markies, de hand aan zijne kin leggende, en die met de beweging van iemand, die zich ontmaskert, wegtrekkende, „daar ligt mijne vermomming. En nu, wat dunkt u van de belangen van uwe eigen orde, of de vooruitzichten van dezen kruistocht?”
„Dat noem ik den sluier vanmijnegedachten afrukken, veeleer dan de uwe blootleggen,” hervatte de grootmeester;„nochtans wil ik met eene gelijkenis antwoorden, die mij een santon uit de woestijn heeft verteld.—Een landman bad den Hemel om regen, en morde, als die niet naar zijne behoefte viel. Om zijn ongeduld te bestraffen, zond Allah den Eufraat, over zijne landerijen, en hij verging met al zijne bezittingen door de bevrediging van het geen hij zelf gewenscht had.”
„Zeer waar gesproken”, zeide markies Koenraad; „had toch de oceaan negen tienden van de benden van deze vorsten verzwolgen! Het overschot zou tot grooter voordeel der Christen edelen van Palestina, het ellendig overschot van het Latijnsche koninkrijk van Jeruzalem, hebben gestrekt. Aan ons zelven overgelaten, konden wij voor den storm gebukt, of, matig met geld en troepen ondersteund, Saladin gedwongen hebben, om onze dapperheid te eerbiedigen, en ons op voordeelige voorwaarden vrede en bescherming te schenken. Maar wegens het groote gevaar, waarmede deze kruistocht den Sultan bedreigt, kunnen wij niet hopen, wanneer die zal afgeloopen zijn, dat de Sarraceen dulden zal, dat een van ons bezittingen of vorstendommen in Syrië behoudt, en nog veel minder het bestaan der krijgshaftige orden vergunnen, waarvan zij zoo veel onheil ondervonden hebben.”
„Ja maar,” zeide de Tempelier, „deze ondernemende kruisvaarders konden er wel eens in slagen, om het kruis weder op de wallen van Sion te planten.”
„En wat zou dit de orde der Tempeliers of Koenraad van Montserrat baten?” vroeg de markies.
„U kan het voordeel aanbrengen,” antwoordde de grootmeester. „Koenraad van Montserrat zou Koning Koenraad van Jeruzalem kunnen worden.”
„Dat klinkt naar iets,” hervatte de markies, „en toch klinkt het maar hol.—Godfried van Bouillon had wel reden om de doornenkroon tot zijn zinnebeeld te kiezen. Grootmeester, ik wil u bekennen, dat ik eenige liefde voor de Oostersche wijze van regeeren heb gekregen: eene zuivere en eenvoudige alleenheerschappij moest alleen uit Koning en onderdanen bestaan. Dit is het eenvoudige en oorspronkelijke gebouw—een herder en zijne kudde. Deze geheele binnenlandsche keten van leenroerige afhankelijkheid is kunstmatig en valsch, en ik wilde liever den staf van mijn arm markgraafschap met vaste hand houden, en hem naar welbehagen zwaaien, dan den scepter voeren van een monarch, om in werkelijkheid in bedwang te worden gehouden door den wil van even zoovele trotsche, leenroerige barons, als er land is onder het gebied van Jeruzalem. Een Koning moet vrij voort kunnen gaan, grootmeester, en niet belemmerd worden hier door eene gracht, en ginds door een vestingwerk, hier door een leenroerig voorrecht, en daar door een geharnasten baron met het zwaard in de hand om het te verdedigen. En om het geheel volkomen te maken, ik begrijp zeer wel, dat de eischen van Guy de Lusignan op den troon boven de mijne zouden gesteld worden, als Richard herstelt en iets over de keus te zeggen heeft.”
„Genoeg,” hernam de grootmeester, „gij hebt mij wezenlijk van uwe oprechtheid overtuigd. Anderen mogen dezelfde vermoedens koesteren, maar weinigen op Koenraad van Montserrat na zouden vrijuit durven bekennen, dat zij het herstel van het koninkrijk Jeruzalem niet verlangen, maar liever meester van een brokstuk van zijne overblijfselen zouden willen zijn; even als de onbeschaafde eilanders, die niet voor de redding van een schoon, door de baren geteisterd schip werken, daar zij veeleer hopen zich ten koste van het wrak te verrijken.”
„Gij zult toch mijn geheim niet willen verraden?” zeide Koenraad met een achterdochtig en listig gelaat. „Houd u overtuigd, dat mijne tong nooit mijn hoofd onrecht zal aandoen, en dat mijne hand nooit de verdediging van beide zal verzuimen. Beschuldig mij, zoo gij wilt.—Ik ben bereid, om mij in het strijdperk te verdedigen tegen den besten Tempelier, die ooit een lans gevoerd heeft.”
„Toch schrikt gij wat spoedig voor een zoo moedig ros,” hernam de grootmeester. „Maar ik zweer u bij den heiligen Tempel, dien onze orde gezworen heeft te verdedigen, dat ik, als trouw kameraad, uw geheim zal bewaren.”
„Bij welken tempel?” vroeg de markies van Montserrat, wiens lust voor spot dikwijls verder ging dan met zijn belang en bescheidenheid overeenkwam. „Zweert gij bij dien op den heuvel van Sion, dien Koning Salomo gebouwd heeft, of bij dat zinnebeeldig gebouw, waarvanmen zegt, dat in de raadsvergaderingen, die in de gewelven uwer preceptorijen gehouden worden, over de vergrooting van uwe dappere en eerwaardige orde gesproken wordt?”
De Tempelier zag hem met een verpletterenden blik aan, maar antwoordde bedaard: „bij welken tempel ik ook moge zweren, wees verzekerd, markies, dat mijn eed heilig is.—Ik wenschte dat ik wist, hoe ik u door een eed van evenveel kracht kon verbinden.”
„Ik wil u de waarheid zweren,” hervatte de markies lachend, „bij mijn kroontje, dat ik voor het einde van dezen oorlog tegen iets beters hoop te verwisselen. Deze geringe kroon voelt koud op mijn voorhoofd; een hertogshoed zou eene betere beschutting zijn tegen een nachtwind, zoo als thans waait; en eene koningskroon zou nog verreweg de voorkeur verdienen, daar deze behoorlijk met hermelijn en fluweel gevoerd is. In één woord, ons eigen belang verbindt ons aan elkander; want geloof niet, heer grootmeester, dat, zoo deze verbonden vorsten Jeruzalem weder veroverden en daar een Koning van hunne keus plaatsten, zij uwe orde meer dan mijn arm markgraafschap in zijne tegenwoordige onafhankelijkheid dulden zouden. Neen, bij onze heilige Maagd! in dit geval moeten de trotsche ridders van St. Jan weder in de hospitalen pleisters smeren en pestzweren verbinden; en gij, zeer matige en eerwaarde ridders van den Tempel, moet tot uw stand van eenvoudige krijgslieden terugkeeren, met hun drieën op het stroo slapen, en twee op één paard rijden, zoo als uw tegenwoordig zegel nog aanduidt, dat uwe oude en zeer eenvoudige gewoonte geweest is.”
„Rang, voorrechten en rijkdom van onze orde beletten zulk eene vernedering, als waarmede gij ons bedreigt,” zeide de Tempelier op trotschen toon.
„Dat zal juist tot uw verderf strekken”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „en gij weet even goed als ik, eerwaarde grootmeester, dat, zoo de verbonden vorsten wel slaagden in Palestina, het hun eerste staatkundige daad zou zijn, om de onafhankelijkheid uwer orde te beperken, zoo als gij sedert lang zoudt ondervonden hebben, zonder de bescherming van onzen heiligen Vader, den Paus, en de noodzakelijkheid om van uwe dapperheid bij de verovering van Palestina gebruik te maken. Bezorg hun een volkomen goeden uitslag, en gij zult terzijde gezet worden, gelijk de splinters van eene gebroken lans uit detoernooiplaatsworden geworpen.”
„Er kan waarheid zijn in hetgeen gij zegt,” hernam de Tempelier met een somberen glimlach, „maar wat zou onze toekomst zijn, indien de verbondenen hunne macht terugtrokken en Palestina in het bezit lieten van Saladin?”
„Groot en zeker,” hervatte Koenraad; „de Sultan zou uitgestrekte landstreken geven, om een schaar van goed geoefende Frankische lansdragers ter zijner beschikking te hebben. In Egypte, in Perzië zouden honderd zulke bondgenooten, gevoegd bij zijne eigen lichte ruiters, de overwinning op de meest geduchte overmacht behalen. Deze afhankelijkheid zou slechts een tijdlang duren—misschien gedurendehet leven van dezen ondernemenden Sultan—maar in het Oosten komen de machtigen op als paddestoelen. Onderstel dat hij dood was, en dat wij door eene voortdurende aanvulling van krachtige en ondernemende mannen uit Europa versterkt werden, wat konden wij niet hopen te volbrengen, bevrijd van den toestand van deze monarchen, wier waardigheid ons thans in de schaduw stelt—en die, zoo zij hier bleven en in dezen krijgstocht overwonnen, ons gaarne voor altijd tot vernedering en afhankelijkheid zouden willen veroordeelen?”
„Goed gesproken, heer markies,” hervatte de grootmeester; „en uwe woorden vinden weerklank in mijn hart. Maar wij moeten voorzichtig zijn; Filips van Frankrijk is even verstandig als dapper.”
„Dat is waar, en des te eerder zal hij van een krijgstocht kunnen afgebracht worden, waartoe hij zich in een oogenblik van verbijstering, of op aandrang van zijne edelen, overijld verbonden heeft. Hij is jaloersch op Koning Richard, zijn natuurlijken vijand, en verlangt terug te keeren, ten einde eerzuchtige plannen ten uitvoer te brengen, die nader bij Parijs dan bij Palestina liggen. Ieder geschikt voorwendsel zal hem dienstig zijn, om zich van een tooneel te verwijderen, waar hij bemerkte, dat hij de kracht van zijn koninkrijk verspilt.”
„En de hertog van Oostenrijk?” vroeg de Tempelier.
„O, wat den hertog betreft,” antwoordde Koenraad, „zijn eigenwaan en zijne dwaasheid brengen hem tot dezelfde gevolgtrekkingen, als de staatkunde en wijsheid van Filips. Hij verbeeldt zich, God helpe hem, dat hij ondankbaar behandeld wordt, omdat de monden der menschen—zelfs die van zijne eigen minnezangers—vol zijn van den lof van Koning Richard, dien hij vreest en haat, en in wiens ongeluk hij zich verheugen zou, evenals die niet afgerichte bastaardhonden, die als de voorste van den troep door een greep van den wolf lijdt, hem veeleer van achteren zullen aanvallen, dan hem te hulp komen.—Maar waarom zeg ik u dit, behalve om u te toonen, dat ik oprecht ben in mijn wensch, dat dit verbond moge worden verbroken, en het land bevrijd van deze groote monarchen met hunne legers? En gij hebt zelf gezien, hoe al de Vorsten van invloed en macht, op een enkele na, begeerig zijn om met den Sultan in onderhandeling te treden.”
„Dit erken ik,” hernam de Tempelier, „men moest blind zijn, zoo men dit niet bij hunne laatste beraadslagingen bespeurd had. Maar licht uw masker nog een duim hooger op, en zeg mij de ware reden, waarom gij dien noordschen Engelschman of Schot, of hoe gij dien ridder van den Luipaard noemt, aan den raad opgedrongen hebt, om hunne voorstellen betreffende eene onderhandeling over te brengen?”
„Daar was staatkunde in,” hervatte de Italiaan; „zijn karakter, als inboorling van Brittannië, was voldoende, om de wenschen van Saladin te gemoet te komen, daar hij wist, dat hij tot het leger van Richard behoorde, terwijl zijn karakter van Schot en eenige andere persoonlijke oneenigheden, waarvan ik kennis droeg, het zeer onwaarschijnlijk maakten, dat onze afgevaardigde, bij zijne terugkomst, eenige verbintenismet den zieken Richard zou houden, daar aan dezen zijne tegenwoordigheid altijd onaangenaam was.”
„Eene al te fijn gesponnen staatkunde,” zeide de grootmeester, „geloof mij, dat Italiaansche spinnewebben nooit dezen ongeschoren Simson van het eiland binden zullen—goed, zoo gij zulks met nieuwe koorden, en dat wel van de sterkste, doen kunt. Ziet gij niet, dat de afgezant, dien gij met zoo veel zorg gekozen hebt, ons in dezen geneesheer het middel heeft gebracht, om den leeuwenhartigen, stierkoppigen Engelschman te doen herstellen, ten einde zijn kruistocht voort te zetten; en zoo hij eens weder in staat is om voorwaarts te trekken, wie van de vorsten zal hem durven terughouden? Zij moeten hem uit schaamte wel volgen, al wilden zij ook even gaarne onder de banier van Satan optrekken.”
„Wees tevreden”, antwoordde Koenraad van Montserrat, „eer deze geneesheer, tenzij hij wonderen verrichten kan, Richard’s genezing kan voltooien, zal het mogelijk zijn om eene open breuk teweeg te brengen tusschen den Franschman of ten minste den Oostenrijker, en zijne Engelsche bondgenooten, zóó dat deze onherstelbaar zal zijn; en Richard moge van zijn bed opstaan, misschien om zijne eigen vaderlandsche troepen aan te voeren, maar nooit om door zijne veerkracht alleen het geheele leger van kruisvaarders te leiden.”
„Gij zijt een gewillig boogschutter”, zeide de Tempelier; „maar, Koenraad van Montserrat, uw boog is te slap om een pijl in het wit te brengen.”
Hij brak hier af, wierp een achterdochtigen blik om te zien, of iemand hem ook hoorde, en Koenraad bij de hand vattende, drukte hij die met kracht, terwijl hij den Italiaan in het gelaat zag en langzaam herhaalde: „Richard van zijn bed opstaan, zegt gij?—Koenraad, hij moet nooit weder opstaan!”
De markies van Montserrat schrikte.—„Hoe!—spraakt gij van Richard van Engeland—van Leeuwenhart—den kampioen van het Christendom?”
Zijne wang verbleekte en zijne knieën sidderden, terwijl hij dit zeide. De Tempelier zag hem aan, zijn ijzeren gelaat tot een minachtenden glimlach samentrekkende.
„Weet gij, op wien gij gelijkt, heer Koenraad, op dit oogenblik? Niet op den staatkundigen en dapperen markies van Montserrat—niet op den man, die den raad van vorsten wilde bestieren en het lot der rijken beslissen, maar op een nieuweling, die eene bezwering in het leerboek van zijn leermeester ontmoetende, den duivel opgeroepen heeft, toen hij er niet in het minst aan dacht, en nu verschrikt staat voor den geest, die voor hem verrezen is.”
„Ik geef u toe,” hernam Koenraad zich herstellende, „dat—zoo men geen veiligen weg kan vinden—gij dien hebt aangewezen, die het meest rechtstreeks tot ons doel voert. Maar heilige Maria! wij zullen de vervloeking van geheel Europa worden, de verwensching van ieder, van den Paus op den troon tot den bedelaar bij de kerkdeur, die, haveloos en melaatsch, tot het diepste van menschelijke ellende gezonken, zich gezegend zal achten dat hij noch Giles Amaury noch Koenraad van Montserrat is.”
„Als gij het zoo neemt,” hervatte de grootmeester met dezelfde kalmte, die hem gedurende dit geheele merkwaardige gesprek gekenmerkt had, „laat het ons er dan voor houden, dat er niets tusschen ons is voorgevallen—dat wij in den slaap gesproken hebben—ontwaakt zijn, en het visioen verdwenen is.”
„Het kan nooit meer verdwijnen,” antwoordde Koenraad.
„Visioenen van hertogelijke hoeden en koninklijke diademen houden inderdaad hunne plaats in de verbeelding wat vaster,” hervatte de grootmeester.
„Goed,” hernam Koenraad, „laat mij eerst slechts beproeven, om den vrede tusschen Oostenrijk en Engeland te breken.”
Zij scheidden.—Koenraad bleef nog op de plek staan, en zag den zwevenden, witten mantel van den Tempelier na, terwijl deze langzaam voortstapte, en allengs in de snel vallende duisternis van den Oosterschen nacht verdween. Trotsch, eergierig, staatkundig en niet zeer nauwgezet, was nochtans de markies van Montserrat niet wreed van aard. Hij was wellustig en een vriend van een lekker leven, en zoo als velen van deze gemoedsgesteldheid, was hij, zelfs uit baatzuchtige oogmerken, afkeerig van iemand leed te doen of van wreede daden getuige te zijn; ook koesterde hij een gevoel van achting voor zijn naam, wat somtijds het gebrek van het betere beginsel, waardoor een goede naam verkregen moet worden, vervangt.
„Ik heb,” zeide hij, terwijl zijne oogen nog op het punt gevestigd waren, waar hij het laatste wuiven van den mantel des Tempeliers gezien had,—„ik heb in waarheid den duivel opgeroepen! Wie zou gedacht hebben, dat deze sombere, ascetische grootmeester, wiens geheel geluk en ongeluk in dat van zijne orde begrepen is, meer tot bevordering daarvan zou willen doen, dan ik, die voor mijn eigen belang werk? Dezen wilden kruistocht tegen te gaan was weliswaar mijn oogmerk, maar ik durfde niet aan het eenvoudige middel denken, dat deze vermetele priester heeft gewaagd aan de hand te geven—en niettemin is dat het zekerste—en mogelijk zelfs het veiligste.”
Zulke overpeinzingen hield de Markies bij zich zelf, toen zijne stille alleenspraak afgebroken werd door eene stem op een kleinen afstand,die op den luidklinkenden toon van een heraut riep: „Denk aan het heilige graf!”
Deze kreet weergalmde van post tot post, want het was de plicht der schildwachten, om deze woorden van tijd tot tijd op hunne wacht te laten hooren, opdat het leger der kruisvaarders altijd het doel zijner wapening mocht in de gedachten houden. Maar ofschoon deze gewoonte zeer goed aan Koenraad bekend was, en hij de waarschuwende stem bij alle vorige gelegenheden als iets gewoons vernomen had, kwam zij echter voor het oogenblik zoo hevig in botsing met den loop zijner eigen gedachten, dat het hem eene stem des Hemels toescheen, die hem tegen zijne voorgenomen boosheid waarschuwde. Hij zag angstig rond, alsof hij, gelijk de aartsvader in aloude tijden, hoewel in zeer verschillende omstandigheden, een in de struiken gevangen ram verwachtte—den eenen of anderen plaatsvervanger voor het offer, dat zijn makker had voorgesteld, niet om hem het Opperste Wezen, maar den Moloch van hunne eigen eerzucht te slachten. Terwijl hij rondzag, viel zijn oog op de breede banen van het vaandel van Engeland, dat zich met moeite in de zwakke nachtkoelte uitspreidde. Het vertoonde zich op een met kunst opgeworpen wal, bijna in het midden van de legerplaats, dien misschien voorheen een of ander Hebreeuwsch opperhoofd of strijder tot gedenkplaats van zijne rustplaats uitgekozen had. Al was dit zoo, de naam was thans vergeten, en de kruisvaarders hadden dien St. George berg gedoopt, omdat van die gebiedende hoogte de banier van Engeland zich verhief en uitspreidde, alsof zij een teeken van oppermacht ware boven de vele uitstekende, edele, en zelfs koninklijke vaandels, die op lagere standplaatsen fladderden.
Een vlug vernuft, gelijk de markies bezat, krijgt gedachten door één blik. Een enkele blik van zijn oog op den standaard scheen de onzekerheid van gemoed, die hem geschokt had, te verbannen. Hij begaf zich naar zijne tent met de haastige en vaste schreden van iemand, die een plan gemaakt heeft, dat hij besloten heeft ten uitvoer te brengen, ontsloeg het bijna vorstelijke gevolg, dat gereed was hem op te wachten, en terwijl hij zich op zijne legerstede ter nederlegde, prevelde hij zijn veranderd besluit, dat de zachtere middelen moeten beproefd worden, eer men tot de meer wanhopige overgaat.
„Morgen”, zeide hij, „zit ik aan de tafel van den Aartshertog van Oostenrijk,—wij zullen zien wat ter bevordering van ons plan kan gedaan worden, eer wij de zwarte inblazingen van dezen Tempelier volgen.”