HOOFDSTUK XVI.

HOOFDSTUK XVI.Niet haar verstand—want dit verdientGeen ongemeen vertrouwen;En al haar geest is slechts geklap,Zooals bij alle vrouwen.Een Lied.De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre, en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten, dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar, en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die, zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig; en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde, dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten, haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken, wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde als een jongeleeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten, die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde, dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond, een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith, een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare verbeelding vrij wat moeite.Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora, de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid, en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs, ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben, behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijnelivreien, symbolen, wapenfeiten, motto’s en deviezen werden nauwkeurig gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith haar minnaar gegevenhad, opmerkte en niet in gebreke bleef dit dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand—want hierin bestond de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht—als ooit eene Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria’s ijdele vermaken was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen, waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottendeboosaardigheidten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht, dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan, zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts te voorkomen.De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was—de ridder had na zijne nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den standaard gevlucht—het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een arm avonturier—of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis te schenken—men moest maar wachten, tot dat Richard’s eerste drift voorbij was.Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou, bij deneersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.„Mevrouw”, zeide zij tot de Koningin, „verlies geen oogenblik meer met spreken, maar red een leven—zoo inderdaad” voegde zij op sidderenden toon er bij, „het leven nog te redden is.”„Dat is het nog—dat is het nog”, antwoordde jonkvrouw Calista. „Ik heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht—alles is nog niet voorbij, maar”, voegde zij er bij, terwijl zij in een hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig deel had—„maar het zal spoedig voorbij zijn—zoo er niet eenig middel aangewend wordt.”„Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf—een zilveren altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi—een mantel, honderd byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez ….” zeide de Koningin buiten zich zelve.„Op, op, mevrouw”, riep Edith; „roep de heiligen aan, zoo gij wilt, maar wees zelve uw beste heilige.”„Wezenlijk, mevrouw”, zeide de verschrikte kamerjuffer, „lady Edith spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken.”„Ik wil gaan—ik wil oogenblikkelijk gaan”, antwoordde de Koningin opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten te bewijzen, welke haarleververeischte. Kalm, bedaard, maar bleek als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.„Wat staat gij daar, meisjes”, riep de Koningin uit, die toen zelfs een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. „Duldt gij, dat lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?—Ziet gij, Edith, zij kunnen niets doen.—Ik zal nooit bij tijds gekleed zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als middelaar gebruiken.”„O, neen, neen!” riep Edith.—„Ga zelve, Mevrouw—gij hebt het kwaad gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe.”„Ik zal gaan—ik zal gaan”, antwoordde de Koningin; „maar zoo Richard in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken—hij zal mij dooden.”„Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw”, zeide lady Calista, die het karakter van hare meesteres het best kende; „geen leeuw in zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien, en nog eene toornige gedachte behouden—en veel minder een waarachtig ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw minste woord een bevel zou zijn.”„Meent gij dat, Calista?” hervatte de Koningin. „Ach, gij kent hem weinig—toch wil ik gaan.—Maar zie eens—wat beduidt dit? Gijhebt mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij, geef mij een blauw kleed, en—zoek het tooisel van robijn, dat een gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt—het is in het stalen kistje of ergens anders.”„Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!” riep Edithverontwaardigd; „dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uwgemak, mevrouw—ik zal naar Koning Richard gaan—ik ben de betrokken partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen; en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot te maken voor het geheele Christenleger.”Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak: „houd haar tegen—houd haar tegen.”„Voorwaar, edele lady Edith”, zeide Calista, zachtkens haar arm vattende; „en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede niet koelen.”„Ik wil gaan—ik wil gaan”, zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen gade te slaan.Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel, die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld doorEdith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal met het leeuwenhart.

HOOFDSTUK XVI.Niet haar verstand—want dit verdientGeen ongemeen vertrouwen;En al haar geest is slechts geklap,Zooals bij alle vrouwen.Een Lied.De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre, en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten, dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar, en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die, zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig; en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde, dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten, haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken, wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde als een jongeleeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten, die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde, dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond, een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith, een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare verbeelding vrij wat moeite.Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora, de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid, en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs, ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben, behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijnelivreien, symbolen, wapenfeiten, motto’s en deviezen werden nauwkeurig gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith haar minnaar gegevenhad, opmerkte en niet in gebreke bleef dit dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand—want hierin bestond de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht—als ooit eene Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria’s ijdele vermaken was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen, waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottendeboosaardigheidten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht, dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan, zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts te voorkomen.De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was—de ridder had na zijne nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den standaard gevlucht—het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een arm avonturier—of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis te schenken—men moest maar wachten, tot dat Richard’s eerste drift voorbij was.Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou, bij deneersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.„Mevrouw”, zeide zij tot de Koningin, „verlies geen oogenblik meer met spreken, maar red een leven—zoo inderdaad” voegde zij op sidderenden toon er bij, „het leven nog te redden is.”„Dat is het nog—dat is het nog”, antwoordde jonkvrouw Calista. „Ik heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht—alles is nog niet voorbij, maar”, voegde zij er bij, terwijl zij in een hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig deel had—„maar het zal spoedig voorbij zijn—zoo er niet eenig middel aangewend wordt.”„Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf—een zilveren altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi—een mantel, honderd byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez ….” zeide de Koningin buiten zich zelve.„Op, op, mevrouw”, riep Edith; „roep de heiligen aan, zoo gij wilt, maar wees zelve uw beste heilige.”„Wezenlijk, mevrouw”, zeide de verschrikte kamerjuffer, „lady Edith spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken.”„Ik wil gaan—ik wil oogenblikkelijk gaan”, antwoordde de Koningin opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten te bewijzen, welke haarleververeischte. Kalm, bedaard, maar bleek als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.„Wat staat gij daar, meisjes”, riep de Koningin uit, die toen zelfs een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. „Duldt gij, dat lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?—Ziet gij, Edith, zij kunnen niets doen.—Ik zal nooit bij tijds gekleed zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als middelaar gebruiken.”„O, neen, neen!” riep Edith.—„Ga zelve, Mevrouw—gij hebt het kwaad gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe.”„Ik zal gaan—ik zal gaan”, antwoordde de Koningin; „maar zoo Richard in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken—hij zal mij dooden.”„Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw”, zeide lady Calista, die het karakter van hare meesteres het best kende; „geen leeuw in zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien, en nog eene toornige gedachte behouden—en veel minder een waarachtig ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw minste woord een bevel zou zijn.”„Meent gij dat, Calista?” hervatte de Koningin. „Ach, gij kent hem weinig—toch wil ik gaan.—Maar zie eens—wat beduidt dit? Gijhebt mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij, geef mij een blauw kleed, en—zoek het tooisel van robijn, dat een gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt—het is in het stalen kistje of ergens anders.”„Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!” riep Edithverontwaardigd; „dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uwgemak, mevrouw—ik zal naar Koning Richard gaan—ik ben de betrokken partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen; en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot te maken voor het geheele Christenleger.”Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak: „houd haar tegen—houd haar tegen.”„Voorwaar, edele lady Edith”, zeide Calista, zachtkens haar arm vattende; „en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede niet koelen.”„Ik wil gaan—ik wil gaan”, zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen gade te slaan.Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel, die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld doorEdith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal met het leeuwenhart.

HOOFDSTUK XVI.Niet haar verstand—want dit verdientGeen ongemeen vertrouwen;En al haar geest is slechts geklap,Zooals bij alle vrouwen.Een Lied.

Niet haar verstand—want dit verdientGeen ongemeen vertrouwen;En al haar geest is slechts geklap,Zooals bij alle vrouwen.Een Lied.

Niet haar verstand—want dit verdientGeen ongemeen vertrouwen;En al haar geest is slechts geklap,Zooals bij alle vrouwen.

Niet haar verstand—want dit verdient

Geen ongemeen vertrouwen;

En al haar geest is slechts geklap,

Zooals bij alle vrouwen.

Een Lied.

De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre, en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten, dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar, en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die, zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig; en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde, dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten, haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken, wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde als een jongeleeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten, die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde, dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond, een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith, een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare verbeelding vrij wat moeite.Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora, de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid, en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs, ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben, behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijnelivreien, symbolen, wapenfeiten, motto’s en deviezen werden nauwkeurig gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith haar minnaar gegevenhad, opmerkte en niet in gebreke bleef dit dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand—want hierin bestond de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht—als ooit eene Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria’s ijdele vermaken was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen, waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottendeboosaardigheidten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht, dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan, zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts te voorkomen.De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was—de ridder had na zijne nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den standaard gevlucht—het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een arm avonturier—of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis te schenken—men moest maar wachten, tot dat Richard’s eerste drift voorbij was.Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou, bij deneersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.„Mevrouw”, zeide zij tot de Koningin, „verlies geen oogenblik meer met spreken, maar red een leven—zoo inderdaad” voegde zij op sidderenden toon er bij, „het leven nog te redden is.”„Dat is het nog—dat is het nog”, antwoordde jonkvrouw Calista. „Ik heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht—alles is nog niet voorbij, maar”, voegde zij er bij, terwijl zij in een hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig deel had—„maar het zal spoedig voorbij zijn—zoo er niet eenig middel aangewend wordt.”„Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf—een zilveren altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi—een mantel, honderd byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez ….” zeide de Koningin buiten zich zelve.„Op, op, mevrouw”, riep Edith; „roep de heiligen aan, zoo gij wilt, maar wees zelve uw beste heilige.”„Wezenlijk, mevrouw”, zeide de verschrikte kamerjuffer, „lady Edith spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken.”„Ik wil gaan—ik wil oogenblikkelijk gaan”, antwoordde de Koningin opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten te bewijzen, welke haarleververeischte. Kalm, bedaard, maar bleek als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.„Wat staat gij daar, meisjes”, riep de Koningin uit, die toen zelfs een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. „Duldt gij, dat lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?—Ziet gij, Edith, zij kunnen niets doen.—Ik zal nooit bij tijds gekleed zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als middelaar gebruiken.”„O, neen, neen!” riep Edith.—„Ga zelve, Mevrouw—gij hebt het kwaad gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe.”„Ik zal gaan—ik zal gaan”, antwoordde de Koningin; „maar zoo Richard in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken—hij zal mij dooden.”„Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw”, zeide lady Calista, die het karakter van hare meesteres het best kende; „geen leeuw in zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien, en nog eene toornige gedachte behouden—en veel minder een waarachtig ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw minste woord een bevel zou zijn.”„Meent gij dat, Calista?” hervatte de Koningin. „Ach, gij kent hem weinig—toch wil ik gaan.—Maar zie eens—wat beduidt dit? Gijhebt mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij, geef mij een blauw kleed, en—zoek het tooisel van robijn, dat een gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt—het is in het stalen kistje of ergens anders.”„Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!” riep Edithverontwaardigd; „dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uwgemak, mevrouw—ik zal naar Koning Richard gaan—ik ben de betrokken partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen; en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot te maken voor het geheele Christenleger.”Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak: „houd haar tegen—houd haar tegen.”„Voorwaar, edele lady Edith”, zeide Calista, zachtkens haar arm vattende; „en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede niet koelen.”„Ik wil gaan—ik wil gaan”, zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen gade te slaan.Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel, die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld doorEdith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal met het leeuwenhart.

De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre, en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten, dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar, en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die, zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig; en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde, dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten, haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken, wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde als een jongeleeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten, die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.

Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde, dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond, een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith, een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare verbeelding vrij wat moeite.

Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora, de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid, en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs, ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben, behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.

De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijnelivreien, symbolen, wapenfeiten, motto’s en deviezen werden nauwkeurig gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith haar minnaar gegevenhad, opmerkte en niet in gebreke bleef dit dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand—want hierin bestond de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht—als ooit eene Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria’s ijdele vermaken was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen, waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.

De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottendeboosaardigheidten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht, dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan, zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts te voorkomen.

De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was—de ridder had na zijne nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den standaard gevlucht—het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een arm avonturier—of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis te schenken—men moest maar wachten, tot dat Richard’s eerste drift voorbij was.

Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou, bij deneersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.

„Mevrouw”, zeide zij tot de Koningin, „verlies geen oogenblik meer met spreken, maar red een leven—zoo inderdaad” voegde zij op sidderenden toon er bij, „het leven nog te redden is.”

„Dat is het nog—dat is het nog”, antwoordde jonkvrouw Calista. „Ik heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht—alles is nog niet voorbij, maar”, voegde zij er bij, terwijl zij in een hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig deel had—„maar het zal spoedig voorbij zijn—zoo er niet eenig middel aangewend wordt.”

„Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf—een zilveren altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi—een mantel, honderd byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez ….” zeide de Koningin buiten zich zelve.

„Op, op, mevrouw”, riep Edith; „roep de heiligen aan, zoo gij wilt, maar wees zelve uw beste heilige.”

„Wezenlijk, mevrouw”, zeide de verschrikte kamerjuffer, „lady Edith spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken.”

„Ik wil gaan—ik wil oogenblikkelijk gaan”, antwoordde de Koningin opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten te bewijzen, welke haarleververeischte. Kalm, bedaard, maar bleek als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.

„Wat staat gij daar, meisjes”, riep de Koningin uit, die toen zelfs een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. „Duldt gij, dat lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?—Ziet gij, Edith, zij kunnen niets doen.—Ik zal nooit bij tijds gekleed zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als middelaar gebruiken.”

„O, neen, neen!” riep Edith.—„Ga zelve, Mevrouw—gij hebt het kwaad gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe.”

„Ik zal gaan—ik zal gaan”, antwoordde de Koningin; „maar zoo Richard in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken—hij zal mij dooden.”

„Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw”, zeide lady Calista, die het karakter van hare meesteres het best kende; „geen leeuw in zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien, en nog eene toornige gedachte behouden—en veel minder een waarachtig ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw minste woord een bevel zou zijn.”

„Meent gij dat, Calista?” hervatte de Koningin. „Ach, gij kent hem weinig—toch wil ik gaan.—Maar zie eens—wat beduidt dit? Gijhebt mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij, geef mij een blauw kleed, en—zoek het tooisel van robijn, dat een gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt—het is in het stalen kistje of ergens anders.”

„Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!” riep Edithverontwaardigd; „dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uwgemak, mevrouw—ik zal naar Koning Richard gaan—ik ben de betrokken partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen; en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot te maken voor het geheele Christenleger.”

Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak: „houd haar tegen—houd haar tegen.”

„Voorwaar, edele lady Edith”, zeide Calista, zachtkens haar arm vattende; „en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede niet koelen.”

„Ik wil gaan—ik wil gaan”, zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen gade te slaan.

Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel, die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld doorEdith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal met het leeuwenhart.


Back to IndexNext