HOOFDSTUK XVIII.

HOOFDSTUK XVIII.Dit werk vereischt den invloed der planeten,Van Jupiter en Sol; doch deze geestenZijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taakHen van ’t bestuur te trekken hunner sferenOm stervelingen hunne zorg te wijden.Albumazar.De kluizenaar volgde de dames uit Richard’s tent, gelijk de schaduw een zonnestraal volgt, wanneer de wolken voor het gelaat der zon drijven. Maar hij keerde zich op den drempel om, en strekte zijne hand in waarschuwende, of veeleer dreigende houding naar den Koning uit, terwijl hij zeide: „Wee hem, die den raad der Kerk verwerpt, en zijne toevlucht tot de goddelooze vergadering der ongeloovigen neemt. Koning Richard, ik schud het stof nog niet van mijne voeten, en vertrek nog niet uit uwe legerplaats—het zwaard valt niet—maar het hangt slechts aan een haar.—Trotsche monarch, wij ontmoeten elkander weder.”„Het zij zoo, trotsche priester,” antwoordde Richard, „trotscher in uw geitenvel dan Vorsten in purper en fijn linnen.”De kluizenaar verliet de tent en de Koning wendde zich toen tot den Arabier: „Zijn de dervischen van het Oosten, wijze Hakim, even gemeenzaam jegens hunne vorsten?”„De dervisch,” antwoordde Adonbec, „moet òf een wijze òf een gek zijn; er is geen middelweg voor hem, die dekhirkhah1draagt, des nachts waakt, en des daags vast. Van daar heeft hij òf wijsheid genoeg om zich in de tegenwoordigheid van vorsten bescheiden te gedragen, òf, zoo hij geen verstand bezit, is hij voor zijne daden niet verantwoordelijk.”„Mij dunkt, onze monniken hebben hoofdzakelijk het laatste karakter aangenomen,” hernam Richard.—„Maar ter zake.—Waarin kan ik u dienen, mijn geleerde arts?”„Groote Koning,” antwoordde El Hakim, zijne diepe Oostersche buiging makende, „laat uw dienaar één woord spreken, en toch leven. Ik wilde u herinneren, dat gij niet aan mij, haar gering werktuig—maar aan de machten, wier weldaden ik aan de stervelingen uitdeel, een leven te danken hebt ….”„En ik sta er voor in, dat gij een ander tot vergelding wilt hebben, niet waar?” viel de Koning hem in de rede.„Dit is mijn nederig verzoek,” zeide Hakim, „bij den grooten Melec Ric—en wel het leven van dezen goeden ridder, die ter dood gedoemd is, en dat slechts om eene schuld, gelijk die, welke Sultan Adam, bijgenaamd Abulbeschar, of vader van alle menschen beging.”„En uwe wijsheid moest u herinneren, Hakim, dat Adam daarvoor stierf,” hervatte de Koning eenigszins norsch, en toen doorliep hij de enge ruimte van zijne tent met eenige aandoening en zeide daarop bij zichzelven: „Rechtvaardige God—ik wist, wat hij begeerde,zoodra hij de tent binnentrad!—Hier is één armzalig leven, dat met alle rechtvaardigheid ter dood veroordeeld is, en ik, een koning en krijgsman, die duizenden op mijn bevel heb doen ter dood brengen, en eene menigte met mijne eigen hand gedood heb, ik zal geene macht daarover hebben, ofschoon de eer van mijne wapenen, mijn huis, mijne gemalin zelve door den misdadiger geschonden is.—Bij St. George het doet mij lachen.—Bij St. Lodewijk het doet mij denken aan Blondel’s verhaal van een betooverd kasteel, waar de door het noodlot vervolgde ridder achtereenvolgens in het binnentreden verhinderd werd door de allerongelijksoortigste gedaanten en verschijningen, maar die allen vijandig tegen zijne onderneming waren. Nauwelijks was de eene verdwenen, of er verscheen eene andere!—Echtgenoote—Bloedverwante—Kluizenaar—Geneesheer—ieder van dezen verschijnt in het strijdperk, zoodra de ander verslagen is!—Wel dit is een enkel ridder, die tegen de geheele menigte van het toernooi strijdt—ha! ha! ha!”—en Richard lachte luid; want hij was inderdaad begonnen van luim te veranderen, daar zijn toorn gewoonlijk te hevig was, om lang te kunnen duren.De geneesheer zag hem intusschen met een blik vol verbazing aan, die niet vrij van minachting was, want de Oosterlingen dulden deze kwikzilverachtige veranderingen van luim niet, en beschouwen een luid gelach, bijna bij elke gelegenheid, als beneden de waardigheid van een man, en als alleen aan vrouwen en kinderen passende. Eindelijk wendde de wijze zich tot den Koning, toen hij dezen kalmer zag.„Een doodvonnis moet over geen lachende lippen komen.—Laat uw dienaar hopen, dat gij hem het leven van dezen man geschonken hebt.”„Neem de vrijheid van duizend slaven in zijne plaats,” zeide Richard; „schenk zoo veel van uwe landslieden aan hunne tenten en huisgezinnen terug, en ik zal het bevel daartoe terstond uitvaardigen. Het leven van dezen man kan u niets baten; het is verbeurd.”„Het leven van ons allen is verbeurd,” hernam Hakim, de hand aan zijne muts slaande. „Maar de groote schuldeischer is barmhartig, en vordert het pand niet gestreng of ontijdig.”„Gij kunt mij niet bewijzen dat gij zelf eenig belang hebt,” zeide Richard, „om middelaar te worden tusschen mij en de voltrekking der gerechtigheid, die ik als gekroond Koning bezworen heb.”„Gij hebt gezworen, zoowel om genade uit te deelen als recht,” hervatte El Hakim, „maar wat gij zoekt, groote Koning, is de vervulling van uw eigen wil. En wat mijn belang bij dit verzoek betreft, verneem, dat het leven van menig mensch er van afhangt, dat gij mij deze gunst schenkt.”„Verklaar uwe woorden,” zeide Richard; „maar denk niet, dat gij mij door valsche voorwendsels om den tuin kunt leiden.”„Dit zij verre van uw dienaar,” hernam Adonbec, „Gij moet dan weten, heer Koning, dat het geneesmiddel, waaraan gij en vele anderen hun herstel te danken hebben, een Talisman is, die onder zekereaspecten van den hemel is vervaardigd, wanneer de goddelijke machten het gunstigst zijn. Ik ben slechts de arme uitdeeler van zijne kracht. Ik doop het in een beker water, neem het geschikte uur in acht, om het den lijder te geven, en de macht van den drank bewerkt de genezing.”„Eene zeer zonderlinge artsenij,” zeide de Koning, „en tevens zeer gemakkelijk! en daar de geneesheer die in zijne beurs kan dragen, zoo kan hij de geheele karavaan van kameelen besparen, die noodig zijn om drogerijen en heelende kruiden mede te brengen.—Het verwondert mij, dat er nog eene andere in gebruik is.”„Er staat geschreven,” antwoordde Hakim met onverstoorbaren ernst, „mishandel het paard niet, dat u uit den slag gedragen heeft. Weet, dat zulke Talismans wel konden gemaakt worden, maar dat het aantal ingewijden klein is geweest, die de aanwending van hun kracht hebben durven beproeven. Strenge onthoudingen, moeilijke oefeningen, vasten en boete zijn noodig van den kant van den wijze, die van deze soort van genezing gebruik maakt; en zoo hij door verzuim van deze voorbereidingen, door zijne liefde voor gemak, of zijne bevrediging van zinnelijke lusten nalaat, om steeds in den tijd van eene maand ten minste twaalf personen te genezen, dan gaat de kracht van de goddelijke gave van het amulet verloren, en zoowel de laatste patiënt als de geneesheer zullen spoedig daarna aan een ongeluk blootgesteld zijn, en geen van beide zal het dan overleven. Ik heb nog één leven noodig, om het getal vol te maken.”„Ga in het leger, goede Hakim, waar gij er eene menigte zult vinden,” hernam de Koning;„en tracht niet mijn scherprechter van zijne patiënten te berooven; het past niet aan een geneesheer zoo voortreffelijk als gij, om zich in de practijk van een anderen te mengen.—Bovendien kan ik niet inzien, hoe het bevrijden van een misdadiger van den dood, dien hij verdient, het getal van uwe wonderkuren zou kunnen volmaken.”„Wanneer gij aantoonen kunt, hoe een dronk koud water u genezen heeft, terwijl de kostbaarste artsenijen krachteloos waren,” zeide Hakim, „dan moogt gij over de andere geheimen, die met deze zaak verbonden zijn, redeneeren. Wat mij betreft, ik ben ongeschikt tot het groote werk, daar ik dezen morgen een onrein dier aangeraakt heb. Doe dus geen verdere vragen; het is genoeg, dat gij, groote Koning, door het leven van dezen man op mijn verzoek te sparen, u zelven en uw dienaar van een groot gevaar zult verlossen.”„Luister, Adonbec,” hervatte de Koning; „ik heb er niets tegen, dat de geneesheeren hunne woorden in het duister hullen, en voorgeven kennis uit de sterren te trekken; maar, wanneer gij meent Richard Plantagenet bevreesd te maken voor een onheil, dat hem uit een kwaad voorteeken of eene verzuimde plechtigheid zou overkomen, dan schijnt gij uit het oog te verliezen, dat gij niet tot een onkundigen Sakser of eene zwakke oude vrouw spreekt, die van haar voornemenafziet, omdat een haas over den weg loopt, een raaf krast, of eene kat niest.”„Ik kan u niet beletten om aan mijne woorden te twijfelen,” hernam Adonbec; „maar gesteld, mijn Koning en heer waren verzekerd, dat er waarheid op de tong van zijn dienaar lag—zal hij het dan voor billijk houden om de wereld en elken ellendige, die aan de smarten lijdt, die hem nog zoo kort geleden op dit leger ketenden, van de weldaad van dezen allerkrachtigsten Talisman te berooven, liever dan zijne vergiffenis tot een armen misdadiger uit te strekken? Bedenk, heer Koning, dat, ofschoon gij duizenden kunt verslaan, gij niet aan één de gezondheid kunt terugschenken. De Koningen hebben de macht des satans om te kwellen, de wijzen die van Allah om te genezen—wacht u, om het goede jegens het menschdom te verhinderen, dat gij zelf niet bewijzen kunt. Gij kunt het hoofd afhouwen, maar niet eens tandpijn genezen.”„Dit is al te onbeschaamd,” riep de Koning uit, die zich verhardde, naarmate Hakim een hoogeren en bijna bevelenden toon aannam. „Wij hebben u voor onzen geneesheer, en niet voor onzen raadsman of gewetensraad genomen.”„En is het op deze wijze dat de beroemdste Vorst van Frangistan eene weldaad, die aan zijn koninklijken persoon bewezen werd, vergeldt?” zeide El Hakim, de ootmoedige, gebogen houding, waarin hij tot hiertoe den Koning gesmeekt had, in eene trotsche en gebiedende veranderende. „Verneem dan, dat ik bij ieder hof van Europa en Azië—bij Muzelman en Nazareër—bij ridder en dame—waar de harp zich hooren laat en de zwaarden gedragen worden—in ieder oord van de wereld u, Melec Ric, als ondankbaar en onedelmoedig zal beschuldigen; en zelfs de landen—indien er nog zoodanige zijn—die nooit van uwen roem gehoord hebben, zullen met uwe schande bekend worden!”„Zijn dat woorden tegen mij, lage ongeloovige!”riep Richard, woedend op hem los gaande.—„Zijt gij het leven moede?”„Sla toe!” zeide El Hakim, „uwe eigen daad zal u dan uwe nietswaardigheid duidelijker doen gevoelen, dan mijne woorden, al had ook ieder daarvan den angel van een wesp.”Richard wendde zich woest van hem af, kruiste zijne armen, liep weder door de tent, en riep toen uit: „Ondankbaarheid en onedelmoedig!—even goed mocht men mij lafhartig en ongeloovig noemen!—Hakim, gij hebt uw loon gekozen; en ofschoon ik liever had, dat gij mijne kroonjuweelen gevraagd had, zoo mag ik echter als Koning u dat loon niet weigeren. Neem dezen Schot dus onder uwe bewaring—de provoost zal u hem tegen dit bevelschrift overgeven.”Hij schreef haastig een paar regels en gaf die aan den geneesheer. „Gebruik hem als uw slaaf, en beschik naar uw goedvinden over hem—laat hij er zich alleen voor wachten, weder vóór Richard’s oogen te verschijnen. Luister—gij zijt verstandig—hij heeft zich al te vermetel gedragen jegens diegenen, aan wier schoone blikken en zwakoordeel wij onze eer vertrouwen, zoo als gij in het Oosten uwe schatten in vazen van zilverdraad bewaart, die zoo fijn en breekbaar zijn als het weefsel der herfstdraden.”„Uwe dienaar verstaat het woord des Konings,” hervatte de wijze, op eens den eerbiedigen toon hernemende, waarmede hij het gesprek begonnen had. „Wanneer het rijke tapijt bemorst is, wijst de dwaas op de vlek—maar de wijze bedekt die met zijn mantel. Ik heb het welbehagen van mijn heer en meester gehoord, en hem hooren is hem gehoorzamen.”„Het is goed,” zeide de Koning; „laat hij voor zijne veiligheid zorgen, en nooit weder in mijne tegenwoordigheid verschijnen.—Is er nog iets, waarin ik u van dienst kan zijn?”„De goedheid des Konings heeft mijn kelk tot aan den rand gevuld” antwoordde de wijze; „ja zij is overvloedig geweest, gelijk de fontein, die te midden van het leger der kinderen Israëls ontsproot, toen de rots getroffen werd door den staf van Moussa Ben Amran.”„Ja maar,” hernam de Koning glimlachend, „het vorderde, even als in de woestijn, een harden slag tegen de rots, eer deze hare schatten schonk. Ik wenschte, dat ik iets wist, waarmede ik u genoegen kon doen, dat ik u zoo vrijwillig schenken mocht, als de natuurlijke fontein hare wateren geeft.”„Laat ik deze zegepralende hand aanraken,” zeide de wijze, „ten teeken dat, zoo Adonbec El Hakim in het vervolg eene gunst van Richard van Engeland vraagt, hij zich op zijne belofte beroepen kan.”„Vriend, hier hebt gij hand en handschoen daarop,” hervatte Richard „slechts dan, wanneer gij uw getal patiënten behoorlijk vol maken kunt zonder van mij te vorderen, dat ik hen, die in mijne macht zijn, van de verdiende straf bevrijde, zou ik liever mijne schuld onder een anderen vorm betalen.”„Mogen uwe dagen vermenigvuldigd worden,” antwoordde El Hakim en verliet het vertrek na de gewone diepe buiging. Koning Richard staarde hem na, terwijl hij heenging, alsof hij slechts half tevreden was met het voorgevallene.„Eene zonderlinge hardnekkigheid,” zeide hij, „bij dezen Hakim, en een wonderbaar toeval dat hij als middelaar tusschen dezen vermetelen Schot en zijne zoo wel verdiende straf moet treden. Doch, laat hij leven! Dan is er een braaf man meer in de wereld.—En nu de beurt van den Oostenrijker.—Hola, is de baron van Gilsland daarbuiten?”Sir Thomas de Vaux aldus opgeroepen, verdonkerde spoedig met zijn breede gestalte de opening van de tent, terwijl achter hem als een spook de woeste gedaante van den kluizenaar van Engaddi, in zijn mantel van geitenvel gewikkeld, binnentrad zonder aangediend te zijn, maar nochtans zonder dat iemand zich daartegen verzette.Richard, zonder op diens tegenwoordigheid acht te slaan, riep den baron met luide stem toe: „Sir Thomas de Vaux, van Lanercost en Gilsland, neem trompet en heraut, en begeef u dadelijk naar de tentvan hem, dien men den Aartshertog van Oostenrijk noemt, en zorg, dat dit geschiede, terwijl de drom van ridders en vasallen zoo groot mogelijk is,—gelijk thans waarschijnlijk het geval zal zijn, want het Duitsche zwijn ontbijt, eer hij ter mis gaat. Treed in zijne tegenwoordigheid met den minstmogelijken eerbied, en beschuldig hem, uit naam van Richard van Engeland, dat hij dezen nacht met eigen hand of door die van anderen de banier van Engeland van haar staf gestolen heeft. Breng hem mijn eisch, dat hij binnen één uur na deze aanzegging genoemde banier met allen eerbied teruggeve—terwijl zijne voornaamste barons met ontbloot hoofd en zonder eerekleederen daarbij tegenwoordig zijn.—En dat hij daarenboven aan den eenen kant zijne eigen Oostenrijksche banier het onderste boven steke, als door diefstal en trouweloosheid onteerd zijnde, en aan den anderen eene lans met het bloedige hoofd van dengene, die zijn voornaamste raadsman of medestander in deze lage beleediging geweest is.—En zeg, dat zoo deze onze bevelen stiptelijk worden nagekomen, wij om onze gelofte en het welzijn van het heiligste Land zijne andere snoode daden zullen vergeven.”„En zoo de Hertog van Oostenrijk alle deel aan dezen daad van lafhartigheid en trouweloosheid ontkent?” vroeg Thomas de Vaux.„Zeg hem,” hervatte de Koning, „dat wij dit op zijn lichaam zullen bewijzen—ja, al ware hij door twee zijner dapperste kampioenen gedekt. Ridderlijk zullen wij dit bewijzen, te voet of te paard, in de woestijn of in het veld, tijd, plaats en wapenen, alles ter zijne eigene keuze.”„Denk, mijn Koning,” zeide de baron van Gilsland, „aan den vrede Gods en der Kerk, die gesloten is tusschen de vorsten, welk zich tot dezen heiligen kruistocht verbonden hebben.”„Overleg hoe gij mijne bevelen zult ten uitvoer brengen, heer vasal,” antwoordde Richard ongeduldig. „Mij dunkt, de menschen verwachten, dat zij ons met hun adem van ons voornemen kunnen afbrengen, even als kinderen veêren heen en weer blazen.—Vrede van de kerk!—Wie stoort zich daaraan, bid ik u?—De vrede van de kerk onder kruisvaarders sluit oorlog tegen de Sarraceenen in zich, met wie de vorsten een wapenstilstand gesloten hebben, en de eene eindigt met den anderen. En bovendien, ziet gij niet, hoe ieder der vorsten zijn eigen verschillend doel zoekt te bereiken?—Ik wil het mijne ook zoeken—en dat is de eer. Om de eer kwam ik herwaarts, en zoo ik die niet op de Sarraceenen behalen kan, zoo wil ik toch geen jota van den mij verschuldigden eerbied aan dezen armzaligen Hertog verliezen, al werd hij ook door alle Vorsten van den kruistocht beschermd en gerugsteund.”De Vaux keerde zich om, ten einde des Konings last te volbrengen, terwijl hij tevens de schouders ophaalde, daar de rondheid van zijn karakter niet in staat was te verbergen, dat de inhoud met zijn oordeel streed. Maar de kluizenaar van Engaddi trad voorwaarts en nam het voorkomen aan van een man, wien hoogere bevelen dan die vaneen bloot aardschen machthebber zijn gegeven. Werkelijk deden zijne kleeding van ruige vellen, zijn ongekamd, wild neerhangend haar en baard, zijne magere, woeste en zenuwachtige trekken, en het bijna krankzinnige vuur, dat van onder zijne borstelige wenkbrauwen fonkelde, hem sterk gelijken naar de voorstelling van een profeet uit de heilige Schrift, die, met een hooge zending aan de zondige Koningen van Juda of Israël belast, was nedergedaald van de rotsen en holen, waar hij in afgetrokken eenzaamheid woonde, om de tirannen der aarde te midden van hun hoogmoed te vernederen, door de vernietigende aankondiging der majesteit Gods over hem uit te storten zooals de wolk de bliksemstralen, waarmede zij is gevuld, op de tinnen en torens van kasteelen en paleizen uitstort. Te midden van zijne onstuimigste gemoedsgesteldheid, eerbiedigde Richard de kerk en hare dienaars; en ofschoon hij over het indringen van den kluizenaar in zijne tent gebelgd was, groette hij hem eerbiedig, tevens echter een teeken aan sir Thomas de Vaux gevende om zich van zijn last te kwijten.Maar de kluizenaar verbood den baron door gebaren, blikken en woorden, om een stap voor zulk een boodschap te doen; zijn arm, mager door de onthouding en geteekend met de slagen van zelfkastijding opheffende zóó, dat zijn mantel van geitenvel door de heftigheid zijner gebaren afviel.„In den naam van God en den heiligen Vader, den stedehouder van Christus in de kerk op aarde, verbied ik deze onheiligste, bloeddorstige en roekelooze uitdaging tusschen twee Christen Vorsten, wier schouders gesierd zijn met het gezegende teeken, onder hetwelk zij broederschap gezworen hebben. Wee hem, door wien deze verbroken is.—Richard van Engeland, herroep den alleronzaligsten last, dien gij aan dezen baron hebt gegeven.—Gevaar en dood zijn nabij!—de dolk schittert reeds aan uwe keel!—”„Gevaar en dood zijn speelmakkers van Richard,” antwoordde de monarch op trotschen toon; „en hij heeft te veel zwaarden getrotseerd, om een dolk te vreezen.”„Gevaar en dood zijn nabij,” hervatte de ziener; en voegde hij er bij: terwijl zijne stem diep zonk, „en na den dood het oordeel!”„Goede en heilige vader,” zeide Richard, „ik eerbiedig uw persoon en uwe heiligheid ….”„Eerbiedig mij niet!” viel de kluizenaar hem in de rede; „eerbiedig veeleer het laagste insect, dat aan de oevers van de Doode Zee kruipt en van haar gevloekt slijk zich voedt. Maar eerbiedig Hem, wiens bevelen ik verkondig. Eerbiedig Hem, wiens graf gij gezworen hebt te bevrijden.—Eerbiedig den eed van eendracht, dien gij gezworen hebt, en verbreek de zilveren snaar van eenheid en trouw niet, waarmede gij u aan uw vorstelijke bondgenooten hebt verbonden.”„Goede vader,” hernam de Koning, „gij heeren van de kerk schijnt mij toe u vrij wat op de waardigheid van uw heilig ambt in te beelden, als een leek dit zeggen mag. Zonder uw recht te bestrijden, omu met ons geweten te belasten, kondt gij ons den last wel overlaten om voor onze eer te waken, dunkt mij.”„U inbeeldt!”—herhaalde de kluizenaar—„ik zou mij iets kunnen inbeelden, Koning Richard, ik, die slechts de klok in de hand van den koster ben—slechts de ongevoelige en onwaardige trompet, die het bevel overbrengt van dengene, die daar op blaast.—Zie, op mijne knieën werp ik mij, u smeekende, om medelijden te hebben met het Christendom, met Engeland en met u zelven.”„Sta op, sta op,” zeide Richard, hem noodzakende om op te staan, „het voegt niet, dat knieën, die zich zoo dikwijls voor de Godheid gebogen hebben, den grond ter eer van een mensch zouden drukken.—Welk gevaar staat ons te duchten, eerwaarde vader?—en wanneer stond het met de macht van Engeland zóó slecht, dat het snoevend lawaai van het ongenoegen van dezen nieuwbakken Hertog dit rijk of zijn Monarch zou verontrusten?”„Ik zag van mijn bergtoren naar het sterrenheer aan den hemel, terwijl elk der sterren gedurende haar nachtelijken loop aan de andere wijsheid en kennis verkondigde, voor de weinigen, die hare stem verstaan kunnen. Er zit een vijand in het huis van uw leven, heer Koning, die even boosaardig voor uw roem als uw voorspoed is—eene uitstrooming van Saturnus, die u met dadelijk en bloedig gevaar dreigt, en die, zoo gij niet uw trotschen wil voor den regel van uw plicht buigt, te midden van uw hoogmoed u zal verpletteren.”„Weg—weg—dit is eene heidensche wetenschap,” hernam de Koning. „Christenen beoefenen die niet—wijzen gelooven daaraan niet—oude man, gij raaskalt.”„Ik raaskal niet, Richard.—Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk, en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman, wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den krankzinnigen verstooteling, die ik ben.”„Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht niet verbreken,” antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer gebaren, „maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht en de beleediging, die ik ondergaan heb?”„Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft.”„Het is vreemd,” hervatte Richard, „dat anderen beraadslagen over hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!”„Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is,” antwoordde de kluizenaar. „Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat debanier van Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de wolven en raven overgeven.”„En Oostenrijk,” zeide Richard—„op wien zulke zware vermoedens rusten, dat hij de bewerker der daad is?”„Om de tweedracht in het leger te voorkomen,” hernam de kluizenaar, „wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem zal opleggen.”„Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?” vroeg Koning Richard.„Zijn eed verbiedt dat,” antwoordde de kluizenaar; „en bovendien de raad der vorsten ….”„Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders toestaan,” viel Richard hem in de rede. „Maar het is genoeg, vader—gij hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat het zoo loopen.—Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het Godsoordeel staan.—Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt, terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!”„Zwijg Richard,” zeide de hermiet—„o zwijg uit schaamte, zoo niet uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen, als gij,—zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken moed—aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en, in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste, wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien koning der wouden vermengd moet zijn.”Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond staarde, en vervolgde toen: „Maar de Hemel, die onze onvolmaakte natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken in zijne hand, waarmede hij,—niet zeer ver is de tijd—Richard Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken.”„Moet het dan zoo spoedig zijn?”—zeide Richard. „Goed, laat het dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts schitterend is!”„Helaas! edele Koning,” hernam de kluizenaar, en het scheen of een traan—een ongewoon verschijnsel—in zijn droog, glinsterendoog opkwam—„kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf scheidt—een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u op te volgen—zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke oorlogen uitgeput, om u te betreuren—zonder de kennis uwer onderdanen uitgebreid—zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan te hebben.”„Maar niet zonder roem, monnik—niet zonder de tranen van de dame mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf.”„Kenik die niet—kanik niet op prijs stellen de waarde van den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!” hervatte de kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard zelven scheen te evenaren. „Koning van Engeland”, vervolgde hij, terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, „het bloed, dat in uwe blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn, zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan—van den heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,—dat wil zeggen, ik was, toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar ….”„Wiens daden,” viel Richard hem in de rede, „zoo dikwerf door de faam zijn verkondigd! Is dit zoo—kan dit zoo zijn?—Kon zulk eene ster, als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld onzeker zijn, waar uwe asch rustte?”„Zoek een gevallen ster,” antwoordde de kluizenaar, „en gij zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen, dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen, gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood wijdde.—Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo wild schepsel, als gij zijt.—Ja—ik wil—ik wil de lang verborgen wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid tot den dood toe doen bloeden.”Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden, luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis, die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen verklaarde.„Ik behoef u niet te zeggen,” zeide hij, „dat ik van edele geboorte,groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren, wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne liefde gevestigd—onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd—op een meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis, zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan, die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te voren in den staat.—Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de onfeilbare!—Ik was de raadsman van vergaderingen—ik was de bestierder van prelaten—hoe kon ik struikelen—waarom zou ik de verzoeking vreezen?—Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder deze vond ik de lang beminde—de lang verlorene. Bespaar mij eene verdere bekentenis!—Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen.”„Ongelukkige!” zeide Richard. „Ik verwonder mij niet langer over uwe ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke wetten tegen uwe misdaad uitspreken?”„Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft,” hernam de kluizenaar, „en hij zal spreken van een leven, dat gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken, wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in het Tophet moetgeworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten van den geest bezield—de eene werkzaam,schranderen doordringend, om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen—de andere laag, verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende, om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te werpen. Heb geen medelijden met mij!—het is reeds eene zonde om met zulk een voorwerp medelijden te hebben—beklaag mij niet, maar trek nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af, die als dochters u aankleven—ofschoon deze aangenomen furiën den zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst—uw hoogmoed, uwe weelderigheid, uw bloeddorst.”„Hij raaskalt,” zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die zich toch daarover niet durft wreken—vervolgens keerde hij zich kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort: „Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand, die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar daar ik ze buiten ’s huis moet zetten, zal het zijn als een vader, die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed afstaan aan de edele domheeren der kerk—mijne weelderigheid, zoo als gij ze noemt, aan de orden der monniken—en mijn bloeddorst aan de ridders van den tempel.”„O hart van staal en hand van ijzer,” hervatte de kluizenaar, „voor wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!—Toch zult gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!—Wat mij betref, ik moet naar mijne plaats terugkeeren.—Kyrie Eleison!—Ik ben degene, door wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende, tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en onveranderd blijft.—Kyrie Eleison!—De armen moeten geroepen worden, want de rijken hebben den maaltijd geweigerd—Kyrie Eleison!”Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.„Een krankzinnig priester!”—riep Richard, uit wiens gemoed de woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen teweeggebracht hadden. „Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige, en misschien drijven zij den spot met hem.”De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemdhad.—„Vroegtijdig sterven—zonder nakroost—zonder beweend te worden!—een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne banier ondervraagd had, want zelfs de heiligeTishbiet, de stichter van zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.—Welnu, de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?”„Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?” antwoordde de Vaux. „Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen.”„Bij dit licht een edelkluizenaar!” zeide Koning Richard. „Maar wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagenpar amoursgeleefd heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen, al ware zijnebelle amieeene abdis geweest.”Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet, eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.1Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen genoemd.↑

HOOFDSTUK XVIII.Dit werk vereischt den invloed der planeten,Van Jupiter en Sol; doch deze geestenZijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taakHen van ’t bestuur te trekken hunner sferenOm stervelingen hunne zorg te wijden.Albumazar.De kluizenaar volgde de dames uit Richard’s tent, gelijk de schaduw een zonnestraal volgt, wanneer de wolken voor het gelaat der zon drijven. Maar hij keerde zich op den drempel om, en strekte zijne hand in waarschuwende, of veeleer dreigende houding naar den Koning uit, terwijl hij zeide: „Wee hem, die den raad der Kerk verwerpt, en zijne toevlucht tot de goddelooze vergadering der ongeloovigen neemt. Koning Richard, ik schud het stof nog niet van mijne voeten, en vertrek nog niet uit uwe legerplaats—het zwaard valt niet—maar het hangt slechts aan een haar.—Trotsche monarch, wij ontmoeten elkander weder.”„Het zij zoo, trotsche priester,” antwoordde Richard, „trotscher in uw geitenvel dan Vorsten in purper en fijn linnen.”De kluizenaar verliet de tent en de Koning wendde zich toen tot den Arabier: „Zijn de dervischen van het Oosten, wijze Hakim, even gemeenzaam jegens hunne vorsten?”„De dervisch,” antwoordde Adonbec, „moet òf een wijze òf een gek zijn; er is geen middelweg voor hem, die dekhirkhah1draagt, des nachts waakt, en des daags vast. Van daar heeft hij òf wijsheid genoeg om zich in de tegenwoordigheid van vorsten bescheiden te gedragen, òf, zoo hij geen verstand bezit, is hij voor zijne daden niet verantwoordelijk.”„Mij dunkt, onze monniken hebben hoofdzakelijk het laatste karakter aangenomen,” hernam Richard.—„Maar ter zake.—Waarin kan ik u dienen, mijn geleerde arts?”„Groote Koning,” antwoordde El Hakim, zijne diepe Oostersche buiging makende, „laat uw dienaar één woord spreken, en toch leven. Ik wilde u herinneren, dat gij niet aan mij, haar gering werktuig—maar aan de machten, wier weldaden ik aan de stervelingen uitdeel, een leven te danken hebt ….”„En ik sta er voor in, dat gij een ander tot vergelding wilt hebben, niet waar?” viel de Koning hem in de rede.„Dit is mijn nederig verzoek,” zeide Hakim, „bij den grooten Melec Ric—en wel het leven van dezen goeden ridder, die ter dood gedoemd is, en dat slechts om eene schuld, gelijk die, welke Sultan Adam, bijgenaamd Abulbeschar, of vader van alle menschen beging.”„En uwe wijsheid moest u herinneren, Hakim, dat Adam daarvoor stierf,” hervatte de Koning eenigszins norsch, en toen doorliep hij de enge ruimte van zijne tent met eenige aandoening en zeide daarop bij zichzelven: „Rechtvaardige God—ik wist, wat hij begeerde,zoodra hij de tent binnentrad!—Hier is één armzalig leven, dat met alle rechtvaardigheid ter dood veroordeeld is, en ik, een koning en krijgsman, die duizenden op mijn bevel heb doen ter dood brengen, en eene menigte met mijne eigen hand gedood heb, ik zal geene macht daarover hebben, ofschoon de eer van mijne wapenen, mijn huis, mijne gemalin zelve door den misdadiger geschonden is.—Bij St. George het doet mij lachen.—Bij St. Lodewijk het doet mij denken aan Blondel’s verhaal van een betooverd kasteel, waar de door het noodlot vervolgde ridder achtereenvolgens in het binnentreden verhinderd werd door de allerongelijksoortigste gedaanten en verschijningen, maar die allen vijandig tegen zijne onderneming waren. Nauwelijks was de eene verdwenen, of er verscheen eene andere!—Echtgenoote—Bloedverwante—Kluizenaar—Geneesheer—ieder van dezen verschijnt in het strijdperk, zoodra de ander verslagen is!—Wel dit is een enkel ridder, die tegen de geheele menigte van het toernooi strijdt—ha! ha! ha!”—en Richard lachte luid; want hij was inderdaad begonnen van luim te veranderen, daar zijn toorn gewoonlijk te hevig was, om lang te kunnen duren.De geneesheer zag hem intusschen met een blik vol verbazing aan, die niet vrij van minachting was, want de Oosterlingen dulden deze kwikzilverachtige veranderingen van luim niet, en beschouwen een luid gelach, bijna bij elke gelegenheid, als beneden de waardigheid van een man, en als alleen aan vrouwen en kinderen passende. Eindelijk wendde de wijze zich tot den Koning, toen hij dezen kalmer zag.„Een doodvonnis moet over geen lachende lippen komen.—Laat uw dienaar hopen, dat gij hem het leven van dezen man geschonken hebt.”„Neem de vrijheid van duizend slaven in zijne plaats,” zeide Richard; „schenk zoo veel van uwe landslieden aan hunne tenten en huisgezinnen terug, en ik zal het bevel daartoe terstond uitvaardigen. Het leven van dezen man kan u niets baten; het is verbeurd.”„Het leven van ons allen is verbeurd,” hernam Hakim, de hand aan zijne muts slaande. „Maar de groote schuldeischer is barmhartig, en vordert het pand niet gestreng of ontijdig.”„Gij kunt mij niet bewijzen dat gij zelf eenig belang hebt,” zeide Richard, „om middelaar te worden tusschen mij en de voltrekking der gerechtigheid, die ik als gekroond Koning bezworen heb.”„Gij hebt gezworen, zoowel om genade uit te deelen als recht,” hervatte El Hakim, „maar wat gij zoekt, groote Koning, is de vervulling van uw eigen wil. En wat mijn belang bij dit verzoek betreft, verneem, dat het leven van menig mensch er van afhangt, dat gij mij deze gunst schenkt.”„Verklaar uwe woorden,” zeide Richard; „maar denk niet, dat gij mij door valsche voorwendsels om den tuin kunt leiden.”„Dit zij verre van uw dienaar,” hernam Adonbec, „Gij moet dan weten, heer Koning, dat het geneesmiddel, waaraan gij en vele anderen hun herstel te danken hebben, een Talisman is, die onder zekereaspecten van den hemel is vervaardigd, wanneer de goddelijke machten het gunstigst zijn. Ik ben slechts de arme uitdeeler van zijne kracht. Ik doop het in een beker water, neem het geschikte uur in acht, om het den lijder te geven, en de macht van den drank bewerkt de genezing.”„Eene zeer zonderlinge artsenij,” zeide de Koning, „en tevens zeer gemakkelijk! en daar de geneesheer die in zijne beurs kan dragen, zoo kan hij de geheele karavaan van kameelen besparen, die noodig zijn om drogerijen en heelende kruiden mede te brengen.—Het verwondert mij, dat er nog eene andere in gebruik is.”„Er staat geschreven,” antwoordde Hakim met onverstoorbaren ernst, „mishandel het paard niet, dat u uit den slag gedragen heeft. Weet, dat zulke Talismans wel konden gemaakt worden, maar dat het aantal ingewijden klein is geweest, die de aanwending van hun kracht hebben durven beproeven. Strenge onthoudingen, moeilijke oefeningen, vasten en boete zijn noodig van den kant van den wijze, die van deze soort van genezing gebruik maakt; en zoo hij door verzuim van deze voorbereidingen, door zijne liefde voor gemak, of zijne bevrediging van zinnelijke lusten nalaat, om steeds in den tijd van eene maand ten minste twaalf personen te genezen, dan gaat de kracht van de goddelijke gave van het amulet verloren, en zoowel de laatste patiënt als de geneesheer zullen spoedig daarna aan een ongeluk blootgesteld zijn, en geen van beide zal het dan overleven. Ik heb nog één leven noodig, om het getal vol te maken.”„Ga in het leger, goede Hakim, waar gij er eene menigte zult vinden,” hernam de Koning;„en tracht niet mijn scherprechter van zijne patiënten te berooven; het past niet aan een geneesheer zoo voortreffelijk als gij, om zich in de practijk van een anderen te mengen.—Bovendien kan ik niet inzien, hoe het bevrijden van een misdadiger van den dood, dien hij verdient, het getal van uwe wonderkuren zou kunnen volmaken.”„Wanneer gij aantoonen kunt, hoe een dronk koud water u genezen heeft, terwijl de kostbaarste artsenijen krachteloos waren,” zeide Hakim, „dan moogt gij over de andere geheimen, die met deze zaak verbonden zijn, redeneeren. Wat mij betreft, ik ben ongeschikt tot het groote werk, daar ik dezen morgen een onrein dier aangeraakt heb. Doe dus geen verdere vragen; het is genoeg, dat gij, groote Koning, door het leven van dezen man op mijn verzoek te sparen, u zelven en uw dienaar van een groot gevaar zult verlossen.”„Luister, Adonbec,” hervatte de Koning; „ik heb er niets tegen, dat de geneesheeren hunne woorden in het duister hullen, en voorgeven kennis uit de sterren te trekken; maar, wanneer gij meent Richard Plantagenet bevreesd te maken voor een onheil, dat hem uit een kwaad voorteeken of eene verzuimde plechtigheid zou overkomen, dan schijnt gij uit het oog te verliezen, dat gij niet tot een onkundigen Sakser of eene zwakke oude vrouw spreekt, die van haar voornemenafziet, omdat een haas over den weg loopt, een raaf krast, of eene kat niest.”„Ik kan u niet beletten om aan mijne woorden te twijfelen,” hernam Adonbec; „maar gesteld, mijn Koning en heer waren verzekerd, dat er waarheid op de tong van zijn dienaar lag—zal hij het dan voor billijk houden om de wereld en elken ellendige, die aan de smarten lijdt, die hem nog zoo kort geleden op dit leger ketenden, van de weldaad van dezen allerkrachtigsten Talisman te berooven, liever dan zijne vergiffenis tot een armen misdadiger uit te strekken? Bedenk, heer Koning, dat, ofschoon gij duizenden kunt verslaan, gij niet aan één de gezondheid kunt terugschenken. De Koningen hebben de macht des satans om te kwellen, de wijzen die van Allah om te genezen—wacht u, om het goede jegens het menschdom te verhinderen, dat gij zelf niet bewijzen kunt. Gij kunt het hoofd afhouwen, maar niet eens tandpijn genezen.”„Dit is al te onbeschaamd,” riep de Koning uit, die zich verhardde, naarmate Hakim een hoogeren en bijna bevelenden toon aannam. „Wij hebben u voor onzen geneesheer, en niet voor onzen raadsman of gewetensraad genomen.”„En is het op deze wijze dat de beroemdste Vorst van Frangistan eene weldaad, die aan zijn koninklijken persoon bewezen werd, vergeldt?” zeide El Hakim, de ootmoedige, gebogen houding, waarin hij tot hiertoe den Koning gesmeekt had, in eene trotsche en gebiedende veranderende. „Verneem dan, dat ik bij ieder hof van Europa en Azië—bij Muzelman en Nazareër—bij ridder en dame—waar de harp zich hooren laat en de zwaarden gedragen worden—in ieder oord van de wereld u, Melec Ric, als ondankbaar en onedelmoedig zal beschuldigen; en zelfs de landen—indien er nog zoodanige zijn—die nooit van uwen roem gehoord hebben, zullen met uwe schande bekend worden!”„Zijn dat woorden tegen mij, lage ongeloovige!”riep Richard, woedend op hem los gaande.—„Zijt gij het leven moede?”„Sla toe!” zeide El Hakim, „uwe eigen daad zal u dan uwe nietswaardigheid duidelijker doen gevoelen, dan mijne woorden, al had ook ieder daarvan den angel van een wesp.”Richard wendde zich woest van hem af, kruiste zijne armen, liep weder door de tent, en riep toen uit: „Ondankbaarheid en onedelmoedig!—even goed mocht men mij lafhartig en ongeloovig noemen!—Hakim, gij hebt uw loon gekozen; en ofschoon ik liever had, dat gij mijne kroonjuweelen gevraagd had, zoo mag ik echter als Koning u dat loon niet weigeren. Neem dezen Schot dus onder uwe bewaring—de provoost zal u hem tegen dit bevelschrift overgeven.”Hij schreef haastig een paar regels en gaf die aan den geneesheer. „Gebruik hem als uw slaaf, en beschik naar uw goedvinden over hem—laat hij er zich alleen voor wachten, weder vóór Richard’s oogen te verschijnen. Luister—gij zijt verstandig—hij heeft zich al te vermetel gedragen jegens diegenen, aan wier schoone blikken en zwakoordeel wij onze eer vertrouwen, zoo als gij in het Oosten uwe schatten in vazen van zilverdraad bewaart, die zoo fijn en breekbaar zijn als het weefsel der herfstdraden.”„Uwe dienaar verstaat het woord des Konings,” hervatte de wijze, op eens den eerbiedigen toon hernemende, waarmede hij het gesprek begonnen had. „Wanneer het rijke tapijt bemorst is, wijst de dwaas op de vlek—maar de wijze bedekt die met zijn mantel. Ik heb het welbehagen van mijn heer en meester gehoord, en hem hooren is hem gehoorzamen.”„Het is goed,” zeide de Koning; „laat hij voor zijne veiligheid zorgen, en nooit weder in mijne tegenwoordigheid verschijnen.—Is er nog iets, waarin ik u van dienst kan zijn?”„De goedheid des Konings heeft mijn kelk tot aan den rand gevuld” antwoordde de wijze; „ja zij is overvloedig geweest, gelijk de fontein, die te midden van het leger der kinderen Israëls ontsproot, toen de rots getroffen werd door den staf van Moussa Ben Amran.”„Ja maar,” hernam de Koning glimlachend, „het vorderde, even als in de woestijn, een harden slag tegen de rots, eer deze hare schatten schonk. Ik wenschte, dat ik iets wist, waarmede ik u genoegen kon doen, dat ik u zoo vrijwillig schenken mocht, als de natuurlijke fontein hare wateren geeft.”„Laat ik deze zegepralende hand aanraken,” zeide de wijze, „ten teeken dat, zoo Adonbec El Hakim in het vervolg eene gunst van Richard van Engeland vraagt, hij zich op zijne belofte beroepen kan.”„Vriend, hier hebt gij hand en handschoen daarop,” hervatte Richard „slechts dan, wanneer gij uw getal patiënten behoorlijk vol maken kunt zonder van mij te vorderen, dat ik hen, die in mijne macht zijn, van de verdiende straf bevrijde, zou ik liever mijne schuld onder een anderen vorm betalen.”„Mogen uwe dagen vermenigvuldigd worden,” antwoordde El Hakim en verliet het vertrek na de gewone diepe buiging. Koning Richard staarde hem na, terwijl hij heenging, alsof hij slechts half tevreden was met het voorgevallene.„Eene zonderlinge hardnekkigheid,” zeide hij, „bij dezen Hakim, en een wonderbaar toeval dat hij als middelaar tusschen dezen vermetelen Schot en zijne zoo wel verdiende straf moet treden. Doch, laat hij leven! Dan is er een braaf man meer in de wereld.—En nu de beurt van den Oostenrijker.—Hola, is de baron van Gilsland daarbuiten?”Sir Thomas de Vaux aldus opgeroepen, verdonkerde spoedig met zijn breede gestalte de opening van de tent, terwijl achter hem als een spook de woeste gedaante van den kluizenaar van Engaddi, in zijn mantel van geitenvel gewikkeld, binnentrad zonder aangediend te zijn, maar nochtans zonder dat iemand zich daartegen verzette.Richard, zonder op diens tegenwoordigheid acht te slaan, riep den baron met luide stem toe: „Sir Thomas de Vaux, van Lanercost en Gilsland, neem trompet en heraut, en begeef u dadelijk naar de tentvan hem, dien men den Aartshertog van Oostenrijk noemt, en zorg, dat dit geschiede, terwijl de drom van ridders en vasallen zoo groot mogelijk is,—gelijk thans waarschijnlijk het geval zal zijn, want het Duitsche zwijn ontbijt, eer hij ter mis gaat. Treed in zijne tegenwoordigheid met den minstmogelijken eerbied, en beschuldig hem, uit naam van Richard van Engeland, dat hij dezen nacht met eigen hand of door die van anderen de banier van Engeland van haar staf gestolen heeft. Breng hem mijn eisch, dat hij binnen één uur na deze aanzegging genoemde banier met allen eerbied teruggeve—terwijl zijne voornaamste barons met ontbloot hoofd en zonder eerekleederen daarbij tegenwoordig zijn.—En dat hij daarenboven aan den eenen kant zijne eigen Oostenrijksche banier het onderste boven steke, als door diefstal en trouweloosheid onteerd zijnde, en aan den anderen eene lans met het bloedige hoofd van dengene, die zijn voornaamste raadsman of medestander in deze lage beleediging geweest is.—En zeg, dat zoo deze onze bevelen stiptelijk worden nagekomen, wij om onze gelofte en het welzijn van het heiligste Land zijne andere snoode daden zullen vergeven.”„En zoo de Hertog van Oostenrijk alle deel aan dezen daad van lafhartigheid en trouweloosheid ontkent?” vroeg Thomas de Vaux.„Zeg hem,” hervatte de Koning, „dat wij dit op zijn lichaam zullen bewijzen—ja, al ware hij door twee zijner dapperste kampioenen gedekt. Ridderlijk zullen wij dit bewijzen, te voet of te paard, in de woestijn of in het veld, tijd, plaats en wapenen, alles ter zijne eigene keuze.”„Denk, mijn Koning,” zeide de baron van Gilsland, „aan den vrede Gods en der Kerk, die gesloten is tusschen de vorsten, welk zich tot dezen heiligen kruistocht verbonden hebben.”„Overleg hoe gij mijne bevelen zult ten uitvoer brengen, heer vasal,” antwoordde Richard ongeduldig. „Mij dunkt, de menschen verwachten, dat zij ons met hun adem van ons voornemen kunnen afbrengen, even als kinderen veêren heen en weer blazen.—Vrede van de kerk!—Wie stoort zich daaraan, bid ik u?—De vrede van de kerk onder kruisvaarders sluit oorlog tegen de Sarraceenen in zich, met wie de vorsten een wapenstilstand gesloten hebben, en de eene eindigt met den anderen. En bovendien, ziet gij niet, hoe ieder der vorsten zijn eigen verschillend doel zoekt te bereiken?—Ik wil het mijne ook zoeken—en dat is de eer. Om de eer kwam ik herwaarts, en zoo ik die niet op de Sarraceenen behalen kan, zoo wil ik toch geen jota van den mij verschuldigden eerbied aan dezen armzaligen Hertog verliezen, al werd hij ook door alle Vorsten van den kruistocht beschermd en gerugsteund.”De Vaux keerde zich om, ten einde des Konings last te volbrengen, terwijl hij tevens de schouders ophaalde, daar de rondheid van zijn karakter niet in staat was te verbergen, dat de inhoud met zijn oordeel streed. Maar de kluizenaar van Engaddi trad voorwaarts en nam het voorkomen aan van een man, wien hoogere bevelen dan die vaneen bloot aardschen machthebber zijn gegeven. Werkelijk deden zijne kleeding van ruige vellen, zijn ongekamd, wild neerhangend haar en baard, zijne magere, woeste en zenuwachtige trekken, en het bijna krankzinnige vuur, dat van onder zijne borstelige wenkbrauwen fonkelde, hem sterk gelijken naar de voorstelling van een profeet uit de heilige Schrift, die, met een hooge zending aan de zondige Koningen van Juda of Israël belast, was nedergedaald van de rotsen en holen, waar hij in afgetrokken eenzaamheid woonde, om de tirannen der aarde te midden van hun hoogmoed te vernederen, door de vernietigende aankondiging der majesteit Gods over hem uit te storten zooals de wolk de bliksemstralen, waarmede zij is gevuld, op de tinnen en torens van kasteelen en paleizen uitstort. Te midden van zijne onstuimigste gemoedsgesteldheid, eerbiedigde Richard de kerk en hare dienaars; en ofschoon hij over het indringen van den kluizenaar in zijne tent gebelgd was, groette hij hem eerbiedig, tevens echter een teeken aan sir Thomas de Vaux gevende om zich van zijn last te kwijten.Maar de kluizenaar verbood den baron door gebaren, blikken en woorden, om een stap voor zulk een boodschap te doen; zijn arm, mager door de onthouding en geteekend met de slagen van zelfkastijding opheffende zóó, dat zijn mantel van geitenvel door de heftigheid zijner gebaren afviel.„In den naam van God en den heiligen Vader, den stedehouder van Christus in de kerk op aarde, verbied ik deze onheiligste, bloeddorstige en roekelooze uitdaging tusschen twee Christen Vorsten, wier schouders gesierd zijn met het gezegende teeken, onder hetwelk zij broederschap gezworen hebben. Wee hem, door wien deze verbroken is.—Richard van Engeland, herroep den alleronzaligsten last, dien gij aan dezen baron hebt gegeven.—Gevaar en dood zijn nabij!—de dolk schittert reeds aan uwe keel!—”„Gevaar en dood zijn speelmakkers van Richard,” antwoordde de monarch op trotschen toon; „en hij heeft te veel zwaarden getrotseerd, om een dolk te vreezen.”„Gevaar en dood zijn nabij,” hervatte de ziener; en voegde hij er bij: terwijl zijne stem diep zonk, „en na den dood het oordeel!”„Goede en heilige vader,” zeide Richard, „ik eerbiedig uw persoon en uwe heiligheid ….”„Eerbiedig mij niet!” viel de kluizenaar hem in de rede; „eerbiedig veeleer het laagste insect, dat aan de oevers van de Doode Zee kruipt en van haar gevloekt slijk zich voedt. Maar eerbiedig Hem, wiens bevelen ik verkondig. Eerbiedig Hem, wiens graf gij gezworen hebt te bevrijden.—Eerbiedig den eed van eendracht, dien gij gezworen hebt, en verbreek de zilveren snaar van eenheid en trouw niet, waarmede gij u aan uw vorstelijke bondgenooten hebt verbonden.”„Goede vader,” hernam de Koning, „gij heeren van de kerk schijnt mij toe u vrij wat op de waardigheid van uw heilig ambt in te beelden, als een leek dit zeggen mag. Zonder uw recht te bestrijden, omu met ons geweten te belasten, kondt gij ons den last wel overlaten om voor onze eer te waken, dunkt mij.”„U inbeeldt!”—herhaalde de kluizenaar—„ik zou mij iets kunnen inbeelden, Koning Richard, ik, die slechts de klok in de hand van den koster ben—slechts de ongevoelige en onwaardige trompet, die het bevel overbrengt van dengene, die daar op blaast.—Zie, op mijne knieën werp ik mij, u smeekende, om medelijden te hebben met het Christendom, met Engeland en met u zelven.”„Sta op, sta op,” zeide Richard, hem noodzakende om op te staan, „het voegt niet, dat knieën, die zich zoo dikwijls voor de Godheid gebogen hebben, den grond ter eer van een mensch zouden drukken.—Welk gevaar staat ons te duchten, eerwaarde vader?—en wanneer stond het met de macht van Engeland zóó slecht, dat het snoevend lawaai van het ongenoegen van dezen nieuwbakken Hertog dit rijk of zijn Monarch zou verontrusten?”„Ik zag van mijn bergtoren naar het sterrenheer aan den hemel, terwijl elk der sterren gedurende haar nachtelijken loop aan de andere wijsheid en kennis verkondigde, voor de weinigen, die hare stem verstaan kunnen. Er zit een vijand in het huis van uw leven, heer Koning, die even boosaardig voor uw roem als uw voorspoed is—eene uitstrooming van Saturnus, die u met dadelijk en bloedig gevaar dreigt, en die, zoo gij niet uw trotschen wil voor den regel van uw plicht buigt, te midden van uw hoogmoed u zal verpletteren.”„Weg—weg—dit is eene heidensche wetenschap,” hernam de Koning. „Christenen beoefenen die niet—wijzen gelooven daaraan niet—oude man, gij raaskalt.”„Ik raaskal niet, Richard.—Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk, en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman, wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den krankzinnigen verstooteling, die ik ben.”„Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht niet verbreken,” antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer gebaren, „maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht en de beleediging, die ik ondergaan heb?”„Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft.”„Het is vreemd,” hervatte Richard, „dat anderen beraadslagen over hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!”„Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is,” antwoordde de kluizenaar. „Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat debanier van Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de wolven en raven overgeven.”„En Oostenrijk,” zeide Richard—„op wien zulke zware vermoedens rusten, dat hij de bewerker der daad is?”„Om de tweedracht in het leger te voorkomen,” hernam de kluizenaar, „wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem zal opleggen.”„Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?” vroeg Koning Richard.„Zijn eed verbiedt dat,” antwoordde de kluizenaar; „en bovendien de raad der vorsten ….”„Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders toestaan,” viel Richard hem in de rede. „Maar het is genoeg, vader—gij hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat het zoo loopen.—Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het Godsoordeel staan.—Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt, terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!”„Zwijg Richard,” zeide de hermiet—„o zwijg uit schaamte, zoo niet uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen, als gij,—zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken moed—aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en, in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste, wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien koning der wouden vermengd moet zijn.”Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond staarde, en vervolgde toen: „Maar de Hemel, die onze onvolmaakte natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken in zijne hand, waarmede hij,—niet zeer ver is de tijd—Richard Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken.”„Moet het dan zoo spoedig zijn?”—zeide Richard. „Goed, laat het dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts schitterend is!”„Helaas! edele Koning,” hernam de kluizenaar, en het scheen of een traan—een ongewoon verschijnsel—in zijn droog, glinsterendoog opkwam—„kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf scheidt—een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u op te volgen—zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke oorlogen uitgeput, om u te betreuren—zonder de kennis uwer onderdanen uitgebreid—zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan te hebben.”„Maar niet zonder roem, monnik—niet zonder de tranen van de dame mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf.”„Kenik die niet—kanik niet op prijs stellen de waarde van den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!” hervatte de kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard zelven scheen te evenaren. „Koning van Engeland”, vervolgde hij, terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, „het bloed, dat in uwe blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn, zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan—van den heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,—dat wil zeggen, ik was, toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar ….”„Wiens daden,” viel Richard hem in de rede, „zoo dikwerf door de faam zijn verkondigd! Is dit zoo—kan dit zoo zijn?—Kon zulk eene ster, als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld onzeker zijn, waar uwe asch rustte?”„Zoek een gevallen ster,” antwoordde de kluizenaar, „en gij zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen, dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen, gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood wijdde.—Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo wild schepsel, als gij zijt.—Ja—ik wil—ik wil de lang verborgen wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid tot den dood toe doen bloeden.”Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden, luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis, die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen verklaarde.„Ik behoef u niet te zeggen,” zeide hij, „dat ik van edele geboorte,groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren, wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne liefde gevestigd—onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd—op een meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis, zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan, die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te voren in den staat.—Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de onfeilbare!—Ik was de raadsman van vergaderingen—ik was de bestierder van prelaten—hoe kon ik struikelen—waarom zou ik de verzoeking vreezen?—Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder deze vond ik de lang beminde—de lang verlorene. Bespaar mij eene verdere bekentenis!—Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen.”„Ongelukkige!” zeide Richard. „Ik verwonder mij niet langer over uwe ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke wetten tegen uwe misdaad uitspreken?”„Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft,” hernam de kluizenaar, „en hij zal spreken van een leven, dat gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken, wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in het Tophet moetgeworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten van den geest bezield—de eene werkzaam,schranderen doordringend, om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen—de andere laag, verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende, om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te werpen. Heb geen medelijden met mij!—het is reeds eene zonde om met zulk een voorwerp medelijden te hebben—beklaag mij niet, maar trek nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af, die als dochters u aankleven—ofschoon deze aangenomen furiën den zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst—uw hoogmoed, uwe weelderigheid, uw bloeddorst.”„Hij raaskalt,” zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die zich toch daarover niet durft wreken—vervolgens keerde hij zich kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort: „Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand, die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar daar ik ze buiten ’s huis moet zetten, zal het zijn als een vader, die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed afstaan aan de edele domheeren der kerk—mijne weelderigheid, zoo als gij ze noemt, aan de orden der monniken—en mijn bloeddorst aan de ridders van den tempel.”„O hart van staal en hand van ijzer,” hervatte de kluizenaar, „voor wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!—Toch zult gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!—Wat mij betref, ik moet naar mijne plaats terugkeeren.—Kyrie Eleison!—Ik ben degene, door wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende, tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en onveranderd blijft.—Kyrie Eleison!—De armen moeten geroepen worden, want de rijken hebben den maaltijd geweigerd—Kyrie Eleison!”Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.„Een krankzinnig priester!”—riep Richard, uit wiens gemoed de woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen teweeggebracht hadden. „Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige, en misschien drijven zij den spot met hem.”De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemdhad.—„Vroegtijdig sterven—zonder nakroost—zonder beweend te worden!—een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne banier ondervraagd had, want zelfs de heiligeTishbiet, de stichter van zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.—Welnu, de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?”„Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?” antwoordde de Vaux. „Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen.”„Bij dit licht een edelkluizenaar!” zeide Koning Richard. „Maar wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagenpar amoursgeleefd heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen, al ware zijnebelle amieeene abdis geweest.”Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet, eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.1Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen genoemd.↑

HOOFDSTUK XVIII.Dit werk vereischt den invloed der planeten,Van Jupiter en Sol; doch deze geestenZijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taakHen van ’t bestuur te trekken hunner sferenOm stervelingen hunne zorg te wijden.Albumazar.

Dit werk vereischt den invloed der planeten,Van Jupiter en Sol; doch deze geestenZijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taakHen van ’t bestuur te trekken hunner sferenOm stervelingen hunne zorg te wijden.Albumazar.

Dit werk vereischt den invloed der planeten,Van Jupiter en Sol; doch deze geestenZijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taakHen van ’t bestuur te trekken hunner sferenOm stervelingen hunne zorg te wijden.

Dit werk vereischt den invloed der planeten,

Van Jupiter en Sol; doch deze geesten

Zijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taak

Hen van ’t bestuur te trekken hunner sferen

Om stervelingen hunne zorg te wijden.

Albumazar.

De kluizenaar volgde de dames uit Richard’s tent, gelijk de schaduw een zonnestraal volgt, wanneer de wolken voor het gelaat der zon drijven. Maar hij keerde zich op den drempel om, en strekte zijne hand in waarschuwende, of veeleer dreigende houding naar den Koning uit, terwijl hij zeide: „Wee hem, die den raad der Kerk verwerpt, en zijne toevlucht tot de goddelooze vergadering der ongeloovigen neemt. Koning Richard, ik schud het stof nog niet van mijne voeten, en vertrek nog niet uit uwe legerplaats—het zwaard valt niet—maar het hangt slechts aan een haar.—Trotsche monarch, wij ontmoeten elkander weder.”„Het zij zoo, trotsche priester,” antwoordde Richard, „trotscher in uw geitenvel dan Vorsten in purper en fijn linnen.”De kluizenaar verliet de tent en de Koning wendde zich toen tot den Arabier: „Zijn de dervischen van het Oosten, wijze Hakim, even gemeenzaam jegens hunne vorsten?”„De dervisch,” antwoordde Adonbec, „moet òf een wijze òf een gek zijn; er is geen middelweg voor hem, die dekhirkhah1draagt, des nachts waakt, en des daags vast. Van daar heeft hij òf wijsheid genoeg om zich in de tegenwoordigheid van vorsten bescheiden te gedragen, òf, zoo hij geen verstand bezit, is hij voor zijne daden niet verantwoordelijk.”„Mij dunkt, onze monniken hebben hoofdzakelijk het laatste karakter aangenomen,” hernam Richard.—„Maar ter zake.—Waarin kan ik u dienen, mijn geleerde arts?”„Groote Koning,” antwoordde El Hakim, zijne diepe Oostersche buiging makende, „laat uw dienaar één woord spreken, en toch leven. Ik wilde u herinneren, dat gij niet aan mij, haar gering werktuig—maar aan de machten, wier weldaden ik aan de stervelingen uitdeel, een leven te danken hebt ….”„En ik sta er voor in, dat gij een ander tot vergelding wilt hebben, niet waar?” viel de Koning hem in de rede.„Dit is mijn nederig verzoek,” zeide Hakim, „bij den grooten Melec Ric—en wel het leven van dezen goeden ridder, die ter dood gedoemd is, en dat slechts om eene schuld, gelijk die, welke Sultan Adam, bijgenaamd Abulbeschar, of vader van alle menschen beging.”„En uwe wijsheid moest u herinneren, Hakim, dat Adam daarvoor stierf,” hervatte de Koning eenigszins norsch, en toen doorliep hij de enge ruimte van zijne tent met eenige aandoening en zeide daarop bij zichzelven: „Rechtvaardige God—ik wist, wat hij begeerde,zoodra hij de tent binnentrad!—Hier is één armzalig leven, dat met alle rechtvaardigheid ter dood veroordeeld is, en ik, een koning en krijgsman, die duizenden op mijn bevel heb doen ter dood brengen, en eene menigte met mijne eigen hand gedood heb, ik zal geene macht daarover hebben, ofschoon de eer van mijne wapenen, mijn huis, mijne gemalin zelve door den misdadiger geschonden is.—Bij St. George het doet mij lachen.—Bij St. Lodewijk het doet mij denken aan Blondel’s verhaal van een betooverd kasteel, waar de door het noodlot vervolgde ridder achtereenvolgens in het binnentreden verhinderd werd door de allerongelijksoortigste gedaanten en verschijningen, maar die allen vijandig tegen zijne onderneming waren. Nauwelijks was de eene verdwenen, of er verscheen eene andere!—Echtgenoote—Bloedverwante—Kluizenaar—Geneesheer—ieder van dezen verschijnt in het strijdperk, zoodra de ander verslagen is!—Wel dit is een enkel ridder, die tegen de geheele menigte van het toernooi strijdt—ha! ha! ha!”—en Richard lachte luid; want hij was inderdaad begonnen van luim te veranderen, daar zijn toorn gewoonlijk te hevig was, om lang te kunnen duren.De geneesheer zag hem intusschen met een blik vol verbazing aan, die niet vrij van minachting was, want de Oosterlingen dulden deze kwikzilverachtige veranderingen van luim niet, en beschouwen een luid gelach, bijna bij elke gelegenheid, als beneden de waardigheid van een man, en als alleen aan vrouwen en kinderen passende. Eindelijk wendde de wijze zich tot den Koning, toen hij dezen kalmer zag.„Een doodvonnis moet over geen lachende lippen komen.—Laat uw dienaar hopen, dat gij hem het leven van dezen man geschonken hebt.”„Neem de vrijheid van duizend slaven in zijne plaats,” zeide Richard; „schenk zoo veel van uwe landslieden aan hunne tenten en huisgezinnen terug, en ik zal het bevel daartoe terstond uitvaardigen. Het leven van dezen man kan u niets baten; het is verbeurd.”„Het leven van ons allen is verbeurd,” hernam Hakim, de hand aan zijne muts slaande. „Maar de groote schuldeischer is barmhartig, en vordert het pand niet gestreng of ontijdig.”„Gij kunt mij niet bewijzen dat gij zelf eenig belang hebt,” zeide Richard, „om middelaar te worden tusschen mij en de voltrekking der gerechtigheid, die ik als gekroond Koning bezworen heb.”„Gij hebt gezworen, zoowel om genade uit te deelen als recht,” hervatte El Hakim, „maar wat gij zoekt, groote Koning, is de vervulling van uw eigen wil. En wat mijn belang bij dit verzoek betreft, verneem, dat het leven van menig mensch er van afhangt, dat gij mij deze gunst schenkt.”„Verklaar uwe woorden,” zeide Richard; „maar denk niet, dat gij mij door valsche voorwendsels om den tuin kunt leiden.”„Dit zij verre van uw dienaar,” hernam Adonbec, „Gij moet dan weten, heer Koning, dat het geneesmiddel, waaraan gij en vele anderen hun herstel te danken hebben, een Talisman is, die onder zekereaspecten van den hemel is vervaardigd, wanneer de goddelijke machten het gunstigst zijn. Ik ben slechts de arme uitdeeler van zijne kracht. Ik doop het in een beker water, neem het geschikte uur in acht, om het den lijder te geven, en de macht van den drank bewerkt de genezing.”„Eene zeer zonderlinge artsenij,” zeide de Koning, „en tevens zeer gemakkelijk! en daar de geneesheer die in zijne beurs kan dragen, zoo kan hij de geheele karavaan van kameelen besparen, die noodig zijn om drogerijen en heelende kruiden mede te brengen.—Het verwondert mij, dat er nog eene andere in gebruik is.”„Er staat geschreven,” antwoordde Hakim met onverstoorbaren ernst, „mishandel het paard niet, dat u uit den slag gedragen heeft. Weet, dat zulke Talismans wel konden gemaakt worden, maar dat het aantal ingewijden klein is geweest, die de aanwending van hun kracht hebben durven beproeven. Strenge onthoudingen, moeilijke oefeningen, vasten en boete zijn noodig van den kant van den wijze, die van deze soort van genezing gebruik maakt; en zoo hij door verzuim van deze voorbereidingen, door zijne liefde voor gemak, of zijne bevrediging van zinnelijke lusten nalaat, om steeds in den tijd van eene maand ten minste twaalf personen te genezen, dan gaat de kracht van de goddelijke gave van het amulet verloren, en zoowel de laatste patiënt als de geneesheer zullen spoedig daarna aan een ongeluk blootgesteld zijn, en geen van beide zal het dan overleven. Ik heb nog één leven noodig, om het getal vol te maken.”„Ga in het leger, goede Hakim, waar gij er eene menigte zult vinden,” hernam de Koning;„en tracht niet mijn scherprechter van zijne patiënten te berooven; het past niet aan een geneesheer zoo voortreffelijk als gij, om zich in de practijk van een anderen te mengen.—Bovendien kan ik niet inzien, hoe het bevrijden van een misdadiger van den dood, dien hij verdient, het getal van uwe wonderkuren zou kunnen volmaken.”„Wanneer gij aantoonen kunt, hoe een dronk koud water u genezen heeft, terwijl de kostbaarste artsenijen krachteloos waren,” zeide Hakim, „dan moogt gij over de andere geheimen, die met deze zaak verbonden zijn, redeneeren. Wat mij betreft, ik ben ongeschikt tot het groote werk, daar ik dezen morgen een onrein dier aangeraakt heb. Doe dus geen verdere vragen; het is genoeg, dat gij, groote Koning, door het leven van dezen man op mijn verzoek te sparen, u zelven en uw dienaar van een groot gevaar zult verlossen.”„Luister, Adonbec,” hervatte de Koning; „ik heb er niets tegen, dat de geneesheeren hunne woorden in het duister hullen, en voorgeven kennis uit de sterren te trekken; maar, wanneer gij meent Richard Plantagenet bevreesd te maken voor een onheil, dat hem uit een kwaad voorteeken of eene verzuimde plechtigheid zou overkomen, dan schijnt gij uit het oog te verliezen, dat gij niet tot een onkundigen Sakser of eene zwakke oude vrouw spreekt, die van haar voornemenafziet, omdat een haas over den weg loopt, een raaf krast, of eene kat niest.”„Ik kan u niet beletten om aan mijne woorden te twijfelen,” hernam Adonbec; „maar gesteld, mijn Koning en heer waren verzekerd, dat er waarheid op de tong van zijn dienaar lag—zal hij het dan voor billijk houden om de wereld en elken ellendige, die aan de smarten lijdt, die hem nog zoo kort geleden op dit leger ketenden, van de weldaad van dezen allerkrachtigsten Talisman te berooven, liever dan zijne vergiffenis tot een armen misdadiger uit te strekken? Bedenk, heer Koning, dat, ofschoon gij duizenden kunt verslaan, gij niet aan één de gezondheid kunt terugschenken. De Koningen hebben de macht des satans om te kwellen, de wijzen die van Allah om te genezen—wacht u, om het goede jegens het menschdom te verhinderen, dat gij zelf niet bewijzen kunt. Gij kunt het hoofd afhouwen, maar niet eens tandpijn genezen.”„Dit is al te onbeschaamd,” riep de Koning uit, die zich verhardde, naarmate Hakim een hoogeren en bijna bevelenden toon aannam. „Wij hebben u voor onzen geneesheer, en niet voor onzen raadsman of gewetensraad genomen.”„En is het op deze wijze dat de beroemdste Vorst van Frangistan eene weldaad, die aan zijn koninklijken persoon bewezen werd, vergeldt?” zeide El Hakim, de ootmoedige, gebogen houding, waarin hij tot hiertoe den Koning gesmeekt had, in eene trotsche en gebiedende veranderende. „Verneem dan, dat ik bij ieder hof van Europa en Azië—bij Muzelman en Nazareër—bij ridder en dame—waar de harp zich hooren laat en de zwaarden gedragen worden—in ieder oord van de wereld u, Melec Ric, als ondankbaar en onedelmoedig zal beschuldigen; en zelfs de landen—indien er nog zoodanige zijn—die nooit van uwen roem gehoord hebben, zullen met uwe schande bekend worden!”„Zijn dat woorden tegen mij, lage ongeloovige!”riep Richard, woedend op hem los gaande.—„Zijt gij het leven moede?”„Sla toe!” zeide El Hakim, „uwe eigen daad zal u dan uwe nietswaardigheid duidelijker doen gevoelen, dan mijne woorden, al had ook ieder daarvan den angel van een wesp.”Richard wendde zich woest van hem af, kruiste zijne armen, liep weder door de tent, en riep toen uit: „Ondankbaarheid en onedelmoedig!—even goed mocht men mij lafhartig en ongeloovig noemen!—Hakim, gij hebt uw loon gekozen; en ofschoon ik liever had, dat gij mijne kroonjuweelen gevraagd had, zoo mag ik echter als Koning u dat loon niet weigeren. Neem dezen Schot dus onder uwe bewaring—de provoost zal u hem tegen dit bevelschrift overgeven.”Hij schreef haastig een paar regels en gaf die aan den geneesheer. „Gebruik hem als uw slaaf, en beschik naar uw goedvinden over hem—laat hij er zich alleen voor wachten, weder vóór Richard’s oogen te verschijnen. Luister—gij zijt verstandig—hij heeft zich al te vermetel gedragen jegens diegenen, aan wier schoone blikken en zwakoordeel wij onze eer vertrouwen, zoo als gij in het Oosten uwe schatten in vazen van zilverdraad bewaart, die zoo fijn en breekbaar zijn als het weefsel der herfstdraden.”„Uwe dienaar verstaat het woord des Konings,” hervatte de wijze, op eens den eerbiedigen toon hernemende, waarmede hij het gesprek begonnen had. „Wanneer het rijke tapijt bemorst is, wijst de dwaas op de vlek—maar de wijze bedekt die met zijn mantel. Ik heb het welbehagen van mijn heer en meester gehoord, en hem hooren is hem gehoorzamen.”„Het is goed,” zeide de Koning; „laat hij voor zijne veiligheid zorgen, en nooit weder in mijne tegenwoordigheid verschijnen.—Is er nog iets, waarin ik u van dienst kan zijn?”„De goedheid des Konings heeft mijn kelk tot aan den rand gevuld” antwoordde de wijze; „ja zij is overvloedig geweest, gelijk de fontein, die te midden van het leger der kinderen Israëls ontsproot, toen de rots getroffen werd door den staf van Moussa Ben Amran.”„Ja maar,” hernam de Koning glimlachend, „het vorderde, even als in de woestijn, een harden slag tegen de rots, eer deze hare schatten schonk. Ik wenschte, dat ik iets wist, waarmede ik u genoegen kon doen, dat ik u zoo vrijwillig schenken mocht, als de natuurlijke fontein hare wateren geeft.”„Laat ik deze zegepralende hand aanraken,” zeide de wijze, „ten teeken dat, zoo Adonbec El Hakim in het vervolg eene gunst van Richard van Engeland vraagt, hij zich op zijne belofte beroepen kan.”„Vriend, hier hebt gij hand en handschoen daarop,” hervatte Richard „slechts dan, wanneer gij uw getal patiënten behoorlijk vol maken kunt zonder van mij te vorderen, dat ik hen, die in mijne macht zijn, van de verdiende straf bevrijde, zou ik liever mijne schuld onder een anderen vorm betalen.”„Mogen uwe dagen vermenigvuldigd worden,” antwoordde El Hakim en verliet het vertrek na de gewone diepe buiging. Koning Richard staarde hem na, terwijl hij heenging, alsof hij slechts half tevreden was met het voorgevallene.„Eene zonderlinge hardnekkigheid,” zeide hij, „bij dezen Hakim, en een wonderbaar toeval dat hij als middelaar tusschen dezen vermetelen Schot en zijne zoo wel verdiende straf moet treden. Doch, laat hij leven! Dan is er een braaf man meer in de wereld.—En nu de beurt van den Oostenrijker.—Hola, is de baron van Gilsland daarbuiten?”Sir Thomas de Vaux aldus opgeroepen, verdonkerde spoedig met zijn breede gestalte de opening van de tent, terwijl achter hem als een spook de woeste gedaante van den kluizenaar van Engaddi, in zijn mantel van geitenvel gewikkeld, binnentrad zonder aangediend te zijn, maar nochtans zonder dat iemand zich daartegen verzette.Richard, zonder op diens tegenwoordigheid acht te slaan, riep den baron met luide stem toe: „Sir Thomas de Vaux, van Lanercost en Gilsland, neem trompet en heraut, en begeef u dadelijk naar de tentvan hem, dien men den Aartshertog van Oostenrijk noemt, en zorg, dat dit geschiede, terwijl de drom van ridders en vasallen zoo groot mogelijk is,—gelijk thans waarschijnlijk het geval zal zijn, want het Duitsche zwijn ontbijt, eer hij ter mis gaat. Treed in zijne tegenwoordigheid met den minstmogelijken eerbied, en beschuldig hem, uit naam van Richard van Engeland, dat hij dezen nacht met eigen hand of door die van anderen de banier van Engeland van haar staf gestolen heeft. Breng hem mijn eisch, dat hij binnen één uur na deze aanzegging genoemde banier met allen eerbied teruggeve—terwijl zijne voornaamste barons met ontbloot hoofd en zonder eerekleederen daarbij tegenwoordig zijn.—En dat hij daarenboven aan den eenen kant zijne eigen Oostenrijksche banier het onderste boven steke, als door diefstal en trouweloosheid onteerd zijnde, en aan den anderen eene lans met het bloedige hoofd van dengene, die zijn voornaamste raadsman of medestander in deze lage beleediging geweest is.—En zeg, dat zoo deze onze bevelen stiptelijk worden nagekomen, wij om onze gelofte en het welzijn van het heiligste Land zijne andere snoode daden zullen vergeven.”„En zoo de Hertog van Oostenrijk alle deel aan dezen daad van lafhartigheid en trouweloosheid ontkent?” vroeg Thomas de Vaux.„Zeg hem,” hervatte de Koning, „dat wij dit op zijn lichaam zullen bewijzen—ja, al ware hij door twee zijner dapperste kampioenen gedekt. Ridderlijk zullen wij dit bewijzen, te voet of te paard, in de woestijn of in het veld, tijd, plaats en wapenen, alles ter zijne eigene keuze.”„Denk, mijn Koning,” zeide de baron van Gilsland, „aan den vrede Gods en der Kerk, die gesloten is tusschen de vorsten, welk zich tot dezen heiligen kruistocht verbonden hebben.”„Overleg hoe gij mijne bevelen zult ten uitvoer brengen, heer vasal,” antwoordde Richard ongeduldig. „Mij dunkt, de menschen verwachten, dat zij ons met hun adem van ons voornemen kunnen afbrengen, even als kinderen veêren heen en weer blazen.—Vrede van de kerk!—Wie stoort zich daaraan, bid ik u?—De vrede van de kerk onder kruisvaarders sluit oorlog tegen de Sarraceenen in zich, met wie de vorsten een wapenstilstand gesloten hebben, en de eene eindigt met den anderen. En bovendien, ziet gij niet, hoe ieder der vorsten zijn eigen verschillend doel zoekt te bereiken?—Ik wil het mijne ook zoeken—en dat is de eer. Om de eer kwam ik herwaarts, en zoo ik die niet op de Sarraceenen behalen kan, zoo wil ik toch geen jota van den mij verschuldigden eerbied aan dezen armzaligen Hertog verliezen, al werd hij ook door alle Vorsten van den kruistocht beschermd en gerugsteund.”De Vaux keerde zich om, ten einde des Konings last te volbrengen, terwijl hij tevens de schouders ophaalde, daar de rondheid van zijn karakter niet in staat was te verbergen, dat de inhoud met zijn oordeel streed. Maar de kluizenaar van Engaddi trad voorwaarts en nam het voorkomen aan van een man, wien hoogere bevelen dan die vaneen bloot aardschen machthebber zijn gegeven. Werkelijk deden zijne kleeding van ruige vellen, zijn ongekamd, wild neerhangend haar en baard, zijne magere, woeste en zenuwachtige trekken, en het bijna krankzinnige vuur, dat van onder zijne borstelige wenkbrauwen fonkelde, hem sterk gelijken naar de voorstelling van een profeet uit de heilige Schrift, die, met een hooge zending aan de zondige Koningen van Juda of Israël belast, was nedergedaald van de rotsen en holen, waar hij in afgetrokken eenzaamheid woonde, om de tirannen der aarde te midden van hun hoogmoed te vernederen, door de vernietigende aankondiging der majesteit Gods over hem uit te storten zooals de wolk de bliksemstralen, waarmede zij is gevuld, op de tinnen en torens van kasteelen en paleizen uitstort. Te midden van zijne onstuimigste gemoedsgesteldheid, eerbiedigde Richard de kerk en hare dienaars; en ofschoon hij over het indringen van den kluizenaar in zijne tent gebelgd was, groette hij hem eerbiedig, tevens echter een teeken aan sir Thomas de Vaux gevende om zich van zijn last te kwijten.Maar de kluizenaar verbood den baron door gebaren, blikken en woorden, om een stap voor zulk een boodschap te doen; zijn arm, mager door de onthouding en geteekend met de slagen van zelfkastijding opheffende zóó, dat zijn mantel van geitenvel door de heftigheid zijner gebaren afviel.„In den naam van God en den heiligen Vader, den stedehouder van Christus in de kerk op aarde, verbied ik deze onheiligste, bloeddorstige en roekelooze uitdaging tusschen twee Christen Vorsten, wier schouders gesierd zijn met het gezegende teeken, onder hetwelk zij broederschap gezworen hebben. Wee hem, door wien deze verbroken is.—Richard van Engeland, herroep den alleronzaligsten last, dien gij aan dezen baron hebt gegeven.—Gevaar en dood zijn nabij!—de dolk schittert reeds aan uwe keel!—”„Gevaar en dood zijn speelmakkers van Richard,” antwoordde de monarch op trotschen toon; „en hij heeft te veel zwaarden getrotseerd, om een dolk te vreezen.”„Gevaar en dood zijn nabij,” hervatte de ziener; en voegde hij er bij: terwijl zijne stem diep zonk, „en na den dood het oordeel!”„Goede en heilige vader,” zeide Richard, „ik eerbiedig uw persoon en uwe heiligheid ….”„Eerbiedig mij niet!” viel de kluizenaar hem in de rede; „eerbiedig veeleer het laagste insect, dat aan de oevers van de Doode Zee kruipt en van haar gevloekt slijk zich voedt. Maar eerbiedig Hem, wiens bevelen ik verkondig. Eerbiedig Hem, wiens graf gij gezworen hebt te bevrijden.—Eerbiedig den eed van eendracht, dien gij gezworen hebt, en verbreek de zilveren snaar van eenheid en trouw niet, waarmede gij u aan uw vorstelijke bondgenooten hebt verbonden.”„Goede vader,” hernam de Koning, „gij heeren van de kerk schijnt mij toe u vrij wat op de waardigheid van uw heilig ambt in te beelden, als een leek dit zeggen mag. Zonder uw recht te bestrijden, omu met ons geweten te belasten, kondt gij ons den last wel overlaten om voor onze eer te waken, dunkt mij.”„U inbeeldt!”—herhaalde de kluizenaar—„ik zou mij iets kunnen inbeelden, Koning Richard, ik, die slechts de klok in de hand van den koster ben—slechts de ongevoelige en onwaardige trompet, die het bevel overbrengt van dengene, die daar op blaast.—Zie, op mijne knieën werp ik mij, u smeekende, om medelijden te hebben met het Christendom, met Engeland en met u zelven.”„Sta op, sta op,” zeide Richard, hem noodzakende om op te staan, „het voegt niet, dat knieën, die zich zoo dikwijls voor de Godheid gebogen hebben, den grond ter eer van een mensch zouden drukken.—Welk gevaar staat ons te duchten, eerwaarde vader?—en wanneer stond het met de macht van Engeland zóó slecht, dat het snoevend lawaai van het ongenoegen van dezen nieuwbakken Hertog dit rijk of zijn Monarch zou verontrusten?”„Ik zag van mijn bergtoren naar het sterrenheer aan den hemel, terwijl elk der sterren gedurende haar nachtelijken loop aan de andere wijsheid en kennis verkondigde, voor de weinigen, die hare stem verstaan kunnen. Er zit een vijand in het huis van uw leven, heer Koning, die even boosaardig voor uw roem als uw voorspoed is—eene uitstrooming van Saturnus, die u met dadelijk en bloedig gevaar dreigt, en die, zoo gij niet uw trotschen wil voor den regel van uw plicht buigt, te midden van uw hoogmoed u zal verpletteren.”„Weg—weg—dit is eene heidensche wetenschap,” hernam de Koning. „Christenen beoefenen die niet—wijzen gelooven daaraan niet—oude man, gij raaskalt.”„Ik raaskal niet, Richard.—Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk, en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman, wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den krankzinnigen verstooteling, die ik ben.”„Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht niet verbreken,” antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer gebaren, „maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht en de beleediging, die ik ondergaan heb?”„Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft.”„Het is vreemd,” hervatte Richard, „dat anderen beraadslagen over hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!”„Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is,” antwoordde de kluizenaar. „Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat debanier van Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de wolven en raven overgeven.”„En Oostenrijk,” zeide Richard—„op wien zulke zware vermoedens rusten, dat hij de bewerker der daad is?”„Om de tweedracht in het leger te voorkomen,” hernam de kluizenaar, „wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem zal opleggen.”„Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?” vroeg Koning Richard.„Zijn eed verbiedt dat,” antwoordde de kluizenaar; „en bovendien de raad der vorsten ….”„Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders toestaan,” viel Richard hem in de rede. „Maar het is genoeg, vader—gij hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat het zoo loopen.—Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het Godsoordeel staan.—Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt, terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!”„Zwijg Richard,” zeide de hermiet—„o zwijg uit schaamte, zoo niet uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen, als gij,—zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken moed—aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en, in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste, wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien koning der wouden vermengd moet zijn.”Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond staarde, en vervolgde toen: „Maar de Hemel, die onze onvolmaakte natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken in zijne hand, waarmede hij,—niet zeer ver is de tijd—Richard Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken.”„Moet het dan zoo spoedig zijn?”—zeide Richard. „Goed, laat het dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts schitterend is!”„Helaas! edele Koning,” hernam de kluizenaar, en het scheen of een traan—een ongewoon verschijnsel—in zijn droog, glinsterendoog opkwam—„kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf scheidt—een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u op te volgen—zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke oorlogen uitgeput, om u te betreuren—zonder de kennis uwer onderdanen uitgebreid—zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan te hebben.”„Maar niet zonder roem, monnik—niet zonder de tranen van de dame mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf.”„Kenik die niet—kanik niet op prijs stellen de waarde van den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!” hervatte de kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard zelven scheen te evenaren. „Koning van Engeland”, vervolgde hij, terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, „het bloed, dat in uwe blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn, zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan—van den heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,—dat wil zeggen, ik was, toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar ….”„Wiens daden,” viel Richard hem in de rede, „zoo dikwerf door de faam zijn verkondigd! Is dit zoo—kan dit zoo zijn?—Kon zulk eene ster, als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld onzeker zijn, waar uwe asch rustte?”„Zoek een gevallen ster,” antwoordde de kluizenaar, „en gij zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen, dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen, gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood wijdde.—Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo wild schepsel, als gij zijt.—Ja—ik wil—ik wil de lang verborgen wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid tot den dood toe doen bloeden.”Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden, luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis, die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen verklaarde.„Ik behoef u niet te zeggen,” zeide hij, „dat ik van edele geboorte,groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren, wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne liefde gevestigd—onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd—op een meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis, zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan, die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te voren in den staat.—Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de onfeilbare!—Ik was de raadsman van vergaderingen—ik was de bestierder van prelaten—hoe kon ik struikelen—waarom zou ik de verzoeking vreezen?—Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder deze vond ik de lang beminde—de lang verlorene. Bespaar mij eene verdere bekentenis!—Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen.”„Ongelukkige!” zeide Richard. „Ik verwonder mij niet langer over uwe ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke wetten tegen uwe misdaad uitspreken?”„Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft,” hernam de kluizenaar, „en hij zal spreken van een leven, dat gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken, wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in het Tophet moetgeworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten van den geest bezield—de eene werkzaam,schranderen doordringend, om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen—de andere laag, verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende, om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te werpen. Heb geen medelijden met mij!—het is reeds eene zonde om met zulk een voorwerp medelijden te hebben—beklaag mij niet, maar trek nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af, die als dochters u aankleven—ofschoon deze aangenomen furiën den zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst—uw hoogmoed, uwe weelderigheid, uw bloeddorst.”„Hij raaskalt,” zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die zich toch daarover niet durft wreken—vervolgens keerde hij zich kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort: „Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand, die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar daar ik ze buiten ’s huis moet zetten, zal het zijn als een vader, die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed afstaan aan de edele domheeren der kerk—mijne weelderigheid, zoo als gij ze noemt, aan de orden der monniken—en mijn bloeddorst aan de ridders van den tempel.”„O hart van staal en hand van ijzer,” hervatte de kluizenaar, „voor wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!—Toch zult gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!—Wat mij betref, ik moet naar mijne plaats terugkeeren.—Kyrie Eleison!—Ik ben degene, door wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende, tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en onveranderd blijft.—Kyrie Eleison!—De armen moeten geroepen worden, want de rijken hebben den maaltijd geweigerd—Kyrie Eleison!”Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.„Een krankzinnig priester!”—riep Richard, uit wiens gemoed de woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen teweeggebracht hadden. „Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige, en misschien drijven zij den spot met hem.”De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemdhad.—„Vroegtijdig sterven—zonder nakroost—zonder beweend te worden!—een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne banier ondervraagd had, want zelfs de heiligeTishbiet, de stichter van zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.—Welnu, de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?”„Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?” antwoordde de Vaux. „Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen.”„Bij dit licht een edelkluizenaar!” zeide Koning Richard. „Maar wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagenpar amoursgeleefd heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen, al ware zijnebelle amieeene abdis geweest.”Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet, eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.

De kluizenaar volgde de dames uit Richard’s tent, gelijk de schaduw een zonnestraal volgt, wanneer de wolken voor het gelaat der zon drijven. Maar hij keerde zich op den drempel om, en strekte zijne hand in waarschuwende, of veeleer dreigende houding naar den Koning uit, terwijl hij zeide: „Wee hem, die den raad der Kerk verwerpt, en zijne toevlucht tot de goddelooze vergadering der ongeloovigen neemt. Koning Richard, ik schud het stof nog niet van mijne voeten, en vertrek nog niet uit uwe legerplaats—het zwaard valt niet—maar het hangt slechts aan een haar.—Trotsche monarch, wij ontmoeten elkander weder.”

„Het zij zoo, trotsche priester,” antwoordde Richard, „trotscher in uw geitenvel dan Vorsten in purper en fijn linnen.”

De kluizenaar verliet de tent en de Koning wendde zich toen tot den Arabier: „Zijn de dervischen van het Oosten, wijze Hakim, even gemeenzaam jegens hunne vorsten?”

„De dervisch,” antwoordde Adonbec, „moet òf een wijze òf een gek zijn; er is geen middelweg voor hem, die dekhirkhah1draagt, des nachts waakt, en des daags vast. Van daar heeft hij òf wijsheid genoeg om zich in de tegenwoordigheid van vorsten bescheiden te gedragen, òf, zoo hij geen verstand bezit, is hij voor zijne daden niet verantwoordelijk.”

„Mij dunkt, onze monniken hebben hoofdzakelijk het laatste karakter aangenomen,” hernam Richard.—„Maar ter zake.—Waarin kan ik u dienen, mijn geleerde arts?”

„Groote Koning,” antwoordde El Hakim, zijne diepe Oostersche buiging makende, „laat uw dienaar één woord spreken, en toch leven. Ik wilde u herinneren, dat gij niet aan mij, haar gering werktuig—maar aan de machten, wier weldaden ik aan de stervelingen uitdeel, een leven te danken hebt ….”

„En ik sta er voor in, dat gij een ander tot vergelding wilt hebben, niet waar?” viel de Koning hem in de rede.

„Dit is mijn nederig verzoek,” zeide Hakim, „bij den grooten Melec Ric—en wel het leven van dezen goeden ridder, die ter dood gedoemd is, en dat slechts om eene schuld, gelijk die, welke Sultan Adam, bijgenaamd Abulbeschar, of vader van alle menschen beging.”

„En uwe wijsheid moest u herinneren, Hakim, dat Adam daarvoor stierf,” hervatte de Koning eenigszins norsch, en toen doorliep hij de enge ruimte van zijne tent met eenige aandoening en zeide daarop bij zichzelven: „Rechtvaardige God—ik wist, wat hij begeerde,zoodra hij de tent binnentrad!—Hier is één armzalig leven, dat met alle rechtvaardigheid ter dood veroordeeld is, en ik, een koning en krijgsman, die duizenden op mijn bevel heb doen ter dood brengen, en eene menigte met mijne eigen hand gedood heb, ik zal geene macht daarover hebben, ofschoon de eer van mijne wapenen, mijn huis, mijne gemalin zelve door den misdadiger geschonden is.—Bij St. George het doet mij lachen.—Bij St. Lodewijk het doet mij denken aan Blondel’s verhaal van een betooverd kasteel, waar de door het noodlot vervolgde ridder achtereenvolgens in het binnentreden verhinderd werd door de allerongelijksoortigste gedaanten en verschijningen, maar die allen vijandig tegen zijne onderneming waren. Nauwelijks was de eene verdwenen, of er verscheen eene andere!—Echtgenoote—Bloedverwante—Kluizenaar—Geneesheer—ieder van dezen verschijnt in het strijdperk, zoodra de ander verslagen is!—Wel dit is een enkel ridder, die tegen de geheele menigte van het toernooi strijdt—ha! ha! ha!”—en Richard lachte luid; want hij was inderdaad begonnen van luim te veranderen, daar zijn toorn gewoonlijk te hevig was, om lang te kunnen duren.

De geneesheer zag hem intusschen met een blik vol verbazing aan, die niet vrij van minachting was, want de Oosterlingen dulden deze kwikzilverachtige veranderingen van luim niet, en beschouwen een luid gelach, bijna bij elke gelegenheid, als beneden de waardigheid van een man, en als alleen aan vrouwen en kinderen passende. Eindelijk wendde de wijze zich tot den Koning, toen hij dezen kalmer zag.

„Een doodvonnis moet over geen lachende lippen komen.—Laat uw dienaar hopen, dat gij hem het leven van dezen man geschonken hebt.”

„Neem de vrijheid van duizend slaven in zijne plaats,” zeide Richard; „schenk zoo veel van uwe landslieden aan hunne tenten en huisgezinnen terug, en ik zal het bevel daartoe terstond uitvaardigen. Het leven van dezen man kan u niets baten; het is verbeurd.”

„Het leven van ons allen is verbeurd,” hernam Hakim, de hand aan zijne muts slaande. „Maar de groote schuldeischer is barmhartig, en vordert het pand niet gestreng of ontijdig.”

„Gij kunt mij niet bewijzen dat gij zelf eenig belang hebt,” zeide Richard, „om middelaar te worden tusschen mij en de voltrekking der gerechtigheid, die ik als gekroond Koning bezworen heb.”

„Gij hebt gezworen, zoowel om genade uit te deelen als recht,” hervatte El Hakim, „maar wat gij zoekt, groote Koning, is de vervulling van uw eigen wil. En wat mijn belang bij dit verzoek betreft, verneem, dat het leven van menig mensch er van afhangt, dat gij mij deze gunst schenkt.”

„Verklaar uwe woorden,” zeide Richard; „maar denk niet, dat gij mij door valsche voorwendsels om den tuin kunt leiden.”

„Dit zij verre van uw dienaar,” hernam Adonbec, „Gij moet dan weten, heer Koning, dat het geneesmiddel, waaraan gij en vele anderen hun herstel te danken hebben, een Talisman is, die onder zekereaspecten van den hemel is vervaardigd, wanneer de goddelijke machten het gunstigst zijn. Ik ben slechts de arme uitdeeler van zijne kracht. Ik doop het in een beker water, neem het geschikte uur in acht, om het den lijder te geven, en de macht van den drank bewerkt de genezing.”

„Eene zeer zonderlinge artsenij,” zeide de Koning, „en tevens zeer gemakkelijk! en daar de geneesheer die in zijne beurs kan dragen, zoo kan hij de geheele karavaan van kameelen besparen, die noodig zijn om drogerijen en heelende kruiden mede te brengen.—Het verwondert mij, dat er nog eene andere in gebruik is.”

„Er staat geschreven,” antwoordde Hakim met onverstoorbaren ernst, „mishandel het paard niet, dat u uit den slag gedragen heeft. Weet, dat zulke Talismans wel konden gemaakt worden, maar dat het aantal ingewijden klein is geweest, die de aanwending van hun kracht hebben durven beproeven. Strenge onthoudingen, moeilijke oefeningen, vasten en boete zijn noodig van den kant van den wijze, die van deze soort van genezing gebruik maakt; en zoo hij door verzuim van deze voorbereidingen, door zijne liefde voor gemak, of zijne bevrediging van zinnelijke lusten nalaat, om steeds in den tijd van eene maand ten minste twaalf personen te genezen, dan gaat de kracht van de goddelijke gave van het amulet verloren, en zoowel de laatste patiënt als de geneesheer zullen spoedig daarna aan een ongeluk blootgesteld zijn, en geen van beide zal het dan overleven. Ik heb nog één leven noodig, om het getal vol te maken.”

„Ga in het leger, goede Hakim, waar gij er eene menigte zult vinden,” hernam de Koning;„en tracht niet mijn scherprechter van zijne patiënten te berooven; het past niet aan een geneesheer zoo voortreffelijk als gij, om zich in de practijk van een anderen te mengen.—Bovendien kan ik niet inzien, hoe het bevrijden van een misdadiger van den dood, dien hij verdient, het getal van uwe wonderkuren zou kunnen volmaken.”

„Wanneer gij aantoonen kunt, hoe een dronk koud water u genezen heeft, terwijl de kostbaarste artsenijen krachteloos waren,” zeide Hakim, „dan moogt gij over de andere geheimen, die met deze zaak verbonden zijn, redeneeren. Wat mij betreft, ik ben ongeschikt tot het groote werk, daar ik dezen morgen een onrein dier aangeraakt heb. Doe dus geen verdere vragen; het is genoeg, dat gij, groote Koning, door het leven van dezen man op mijn verzoek te sparen, u zelven en uw dienaar van een groot gevaar zult verlossen.”

„Luister, Adonbec,” hervatte de Koning; „ik heb er niets tegen, dat de geneesheeren hunne woorden in het duister hullen, en voorgeven kennis uit de sterren te trekken; maar, wanneer gij meent Richard Plantagenet bevreesd te maken voor een onheil, dat hem uit een kwaad voorteeken of eene verzuimde plechtigheid zou overkomen, dan schijnt gij uit het oog te verliezen, dat gij niet tot een onkundigen Sakser of eene zwakke oude vrouw spreekt, die van haar voornemenafziet, omdat een haas over den weg loopt, een raaf krast, of eene kat niest.”

„Ik kan u niet beletten om aan mijne woorden te twijfelen,” hernam Adonbec; „maar gesteld, mijn Koning en heer waren verzekerd, dat er waarheid op de tong van zijn dienaar lag—zal hij het dan voor billijk houden om de wereld en elken ellendige, die aan de smarten lijdt, die hem nog zoo kort geleden op dit leger ketenden, van de weldaad van dezen allerkrachtigsten Talisman te berooven, liever dan zijne vergiffenis tot een armen misdadiger uit te strekken? Bedenk, heer Koning, dat, ofschoon gij duizenden kunt verslaan, gij niet aan één de gezondheid kunt terugschenken. De Koningen hebben de macht des satans om te kwellen, de wijzen die van Allah om te genezen—wacht u, om het goede jegens het menschdom te verhinderen, dat gij zelf niet bewijzen kunt. Gij kunt het hoofd afhouwen, maar niet eens tandpijn genezen.”

„Dit is al te onbeschaamd,” riep de Koning uit, die zich verhardde, naarmate Hakim een hoogeren en bijna bevelenden toon aannam. „Wij hebben u voor onzen geneesheer, en niet voor onzen raadsman of gewetensraad genomen.”

„En is het op deze wijze dat de beroemdste Vorst van Frangistan eene weldaad, die aan zijn koninklijken persoon bewezen werd, vergeldt?” zeide El Hakim, de ootmoedige, gebogen houding, waarin hij tot hiertoe den Koning gesmeekt had, in eene trotsche en gebiedende veranderende. „Verneem dan, dat ik bij ieder hof van Europa en Azië—bij Muzelman en Nazareër—bij ridder en dame—waar de harp zich hooren laat en de zwaarden gedragen worden—in ieder oord van de wereld u, Melec Ric, als ondankbaar en onedelmoedig zal beschuldigen; en zelfs de landen—indien er nog zoodanige zijn—die nooit van uwen roem gehoord hebben, zullen met uwe schande bekend worden!”

„Zijn dat woorden tegen mij, lage ongeloovige!”riep Richard, woedend op hem los gaande.—„Zijt gij het leven moede?”

„Sla toe!” zeide El Hakim, „uwe eigen daad zal u dan uwe nietswaardigheid duidelijker doen gevoelen, dan mijne woorden, al had ook ieder daarvan den angel van een wesp.”

Richard wendde zich woest van hem af, kruiste zijne armen, liep weder door de tent, en riep toen uit: „Ondankbaarheid en onedelmoedig!—even goed mocht men mij lafhartig en ongeloovig noemen!—Hakim, gij hebt uw loon gekozen; en ofschoon ik liever had, dat gij mijne kroonjuweelen gevraagd had, zoo mag ik echter als Koning u dat loon niet weigeren. Neem dezen Schot dus onder uwe bewaring—de provoost zal u hem tegen dit bevelschrift overgeven.”

Hij schreef haastig een paar regels en gaf die aan den geneesheer. „Gebruik hem als uw slaaf, en beschik naar uw goedvinden over hem—laat hij er zich alleen voor wachten, weder vóór Richard’s oogen te verschijnen. Luister—gij zijt verstandig—hij heeft zich al te vermetel gedragen jegens diegenen, aan wier schoone blikken en zwakoordeel wij onze eer vertrouwen, zoo als gij in het Oosten uwe schatten in vazen van zilverdraad bewaart, die zoo fijn en breekbaar zijn als het weefsel der herfstdraden.”

„Uwe dienaar verstaat het woord des Konings,” hervatte de wijze, op eens den eerbiedigen toon hernemende, waarmede hij het gesprek begonnen had. „Wanneer het rijke tapijt bemorst is, wijst de dwaas op de vlek—maar de wijze bedekt die met zijn mantel. Ik heb het welbehagen van mijn heer en meester gehoord, en hem hooren is hem gehoorzamen.”

„Het is goed,” zeide de Koning; „laat hij voor zijne veiligheid zorgen, en nooit weder in mijne tegenwoordigheid verschijnen.—Is er nog iets, waarin ik u van dienst kan zijn?”

„De goedheid des Konings heeft mijn kelk tot aan den rand gevuld” antwoordde de wijze; „ja zij is overvloedig geweest, gelijk de fontein, die te midden van het leger der kinderen Israëls ontsproot, toen de rots getroffen werd door den staf van Moussa Ben Amran.”

„Ja maar,” hernam de Koning glimlachend, „het vorderde, even als in de woestijn, een harden slag tegen de rots, eer deze hare schatten schonk. Ik wenschte, dat ik iets wist, waarmede ik u genoegen kon doen, dat ik u zoo vrijwillig schenken mocht, als de natuurlijke fontein hare wateren geeft.”

„Laat ik deze zegepralende hand aanraken,” zeide de wijze, „ten teeken dat, zoo Adonbec El Hakim in het vervolg eene gunst van Richard van Engeland vraagt, hij zich op zijne belofte beroepen kan.”

„Vriend, hier hebt gij hand en handschoen daarop,” hervatte Richard „slechts dan, wanneer gij uw getal patiënten behoorlijk vol maken kunt zonder van mij te vorderen, dat ik hen, die in mijne macht zijn, van de verdiende straf bevrijde, zou ik liever mijne schuld onder een anderen vorm betalen.”

„Mogen uwe dagen vermenigvuldigd worden,” antwoordde El Hakim en verliet het vertrek na de gewone diepe buiging. Koning Richard staarde hem na, terwijl hij heenging, alsof hij slechts half tevreden was met het voorgevallene.

„Eene zonderlinge hardnekkigheid,” zeide hij, „bij dezen Hakim, en een wonderbaar toeval dat hij als middelaar tusschen dezen vermetelen Schot en zijne zoo wel verdiende straf moet treden. Doch, laat hij leven! Dan is er een braaf man meer in de wereld.—En nu de beurt van den Oostenrijker.—Hola, is de baron van Gilsland daarbuiten?”

Sir Thomas de Vaux aldus opgeroepen, verdonkerde spoedig met zijn breede gestalte de opening van de tent, terwijl achter hem als een spook de woeste gedaante van den kluizenaar van Engaddi, in zijn mantel van geitenvel gewikkeld, binnentrad zonder aangediend te zijn, maar nochtans zonder dat iemand zich daartegen verzette.

Richard, zonder op diens tegenwoordigheid acht te slaan, riep den baron met luide stem toe: „Sir Thomas de Vaux, van Lanercost en Gilsland, neem trompet en heraut, en begeef u dadelijk naar de tentvan hem, dien men den Aartshertog van Oostenrijk noemt, en zorg, dat dit geschiede, terwijl de drom van ridders en vasallen zoo groot mogelijk is,—gelijk thans waarschijnlijk het geval zal zijn, want het Duitsche zwijn ontbijt, eer hij ter mis gaat. Treed in zijne tegenwoordigheid met den minstmogelijken eerbied, en beschuldig hem, uit naam van Richard van Engeland, dat hij dezen nacht met eigen hand of door die van anderen de banier van Engeland van haar staf gestolen heeft. Breng hem mijn eisch, dat hij binnen één uur na deze aanzegging genoemde banier met allen eerbied teruggeve—terwijl zijne voornaamste barons met ontbloot hoofd en zonder eerekleederen daarbij tegenwoordig zijn.—En dat hij daarenboven aan den eenen kant zijne eigen Oostenrijksche banier het onderste boven steke, als door diefstal en trouweloosheid onteerd zijnde, en aan den anderen eene lans met het bloedige hoofd van dengene, die zijn voornaamste raadsman of medestander in deze lage beleediging geweest is.—En zeg, dat zoo deze onze bevelen stiptelijk worden nagekomen, wij om onze gelofte en het welzijn van het heiligste Land zijne andere snoode daden zullen vergeven.”

„En zoo de Hertog van Oostenrijk alle deel aan dezen daad van lafhartigheid en trouweloosheid ontkent?” vroeg Thomas de Vaux.

„Zeg hem,” hervatte de Koning, „dat wij dit op zijn lichaam zullen bewijzen—ja, al ware hij door twee zijner dapperste kampioenen gedekt. Ridderlijk zullen wij dit bewijzen, te voet of te paard, in de woestijn of in het veld, tijd, plaats en wapenen, alles ter zijne eigene keuze.”

„Denk, mijn Koning,” zeide de baron van Gilsland, „aan den vrede Gods en der Kerk, die gesloten is tusschen de vorsten, welk zich tot dezen heiligen kruistocht verbonden hebben.”

„Overleg hoe gij mijne bevelen zult ten uitvoer brengen, heer vasal,” antwoordde Richard ongeduldig. „Mij dunkt, de menschen verwachten, dat zij ons met hun adem van ons voornemen kunnen afbrengen, even als kinderen veêren heen en weer blazen.—Vrede van de kerk!—Wie stoort zich daaraan, bid ik u?—De vrede van de kerk onder kruisvaarders sluit oorlog tegen de Sarraceenen in zich, met wie de vorsten een wapenstilstand gesloten hebben, en de eene eindigt met den anderen. En bovendien, ziet gij niet, hoe ieder der vorsten zijn eigen verschillend doel zoekt te bereiken?—Ik wil het mijne ook zoeken—en dat is de eer. Om de eer kwam ik herwaarts, en zoo ik die niet op de Sarraceenen behalen kan, zoo wil ik toch geen jota van den mij verschuldigden eerbied aan dezen armzaligen Hertog verliezen, al werd hij ook door alle Vorsten van den kruistocht beschermd en gerugsteund.”

De Vaux keerde zich om, ten einde des Konings last te volbrengen, terwijl hij tevens de schouders ophaalde, daar de rondheid van zijn karakter niet in staat was te verbergen, dat de inhoud met zijn oordeel streed. Maar de kluizenaar van Engaddi trad voorwaarts en nam het voorkomen aan van een man, wien hoogere bevelen dan die vaneen bloot aardschen machthebber zijn gegeven. Werkelijk deden zijne kleeding van ruige vellen, zijn ongekamd, wild neerhangend haar en baard, zijne magere, woeste en zenuwachtige trekken, en het bijna krankzinnige vuur, dat van onder zijne borstelige wenkbrauwen fonkelde, hem sterk gelijken naar de voorstelling van een profeet uit de heilige Schrift, die, met een hooge zending aan de zondige Koningen van Juda of Israël belast, was nedergedaald van de rotsen en holen, waar hij in afgetrokken eenzaamheid woonde, om de tirannen der aarde te midden van hun hoogmoed te vernederen, door de vernietigende aankondiging der majesteit Gods over hem uit te storten zooals de wolk de bliksemstralen, waarmede zij is gevuld, op de tinnen en torens van kasteelen en paleizen uitstort. Te midden van zijne onstuimigste gemoedsgesteldheid, eerbiedigde Richard de kerk en hare dienaars; en ofschoon hij over het indringen van den kluizenaar in zijne tent gebelgd was, groette hij hem eerbiedig, tevens echter een teeken aan sir Thomas de Vaux gevende om zich van zijn last te kwijten.

Maar de kluizenaar verbood den baron door gebaren, blikken en woorden, om een stap voor zulk een boodschap te doen; zijn arm, mager door de onthouding en geteekend met de slagen van zelfkastijding opheffende zóó, dat zijn mantel van geitenvel door de heftigheid zijner gebaren afviel.

„In den naam van God en den heiligen Vader, den stedehouder van Christus in de kerk op aarde, verbied ik deze onheiligste, bloeddorstige en roekelooze uitdaging tusschen twee Christen Vorsten, wier schouders gesierd zijn met het gezegende teeken, onder hetwelk zij broederschap gezworen hebben. Wee hem, door wien deze verbroken is.—Richard van Engeland, herroep den alleronzaligsten last, dien gij aan dezen baron hebt gegeven.—Gevaar en dood zijn nabij!—de dolk schittert reeds aan uwe keel!—”

„Gevaar en dood zijn speelmakkers van Richard,” antwoordde de monarch op trotschen toon; „en hij heeft te veel zwaarden getrotseerd, om een dolk te vreezen.”

„Gevaar en dood zijn nabij,” hervatte de ziener; en voegde hij er bij: terwijl zijne stem diep zonk, „en na den dood het oordeel!”

„Goede en heilige vader,” zeide Richard, „ik eerbiedig uw persoon en uwe heiligheid ….”

„Eerbiedig mij niet!” viel de kluizenaar hem in de rede; „eerbiedig veeleer het laagste insect, dat aan de oevers van de Doode Zee kruipt en van haar gevloekt slijk zich voedt. Maar eerbiedig Hem, wiens bevelen ik verkondig. Eerbiedig Hem, wiens graf gij gezworen hebt te bevrijden.—Eerbiedig den eed van eendracht, dien gij gezworen hebt, en verbreek de zilveren snaar van eenheid en trouw niet, waarmede gij u aan uw vorstelijke bondgenooten hebt verbonden.”

„Goede vader,” hernam de Koning, „gij heeren van de kerk schijnt mij toe u vrij wat op de waardigheid van uw heilig ambt in te beelden, als een leek dit zeggen mag. Zonder uw recht te bestrijden, omu met ons geweten te belasten, kondt gij ons den last wel overlaten om voor onze eer te waken, dunkt mij.”

„U inbeeldt!”—herhaalde de kluizenaar—„ik zou mij iets kunnen inbeelden, Koning Richard, ik, die slechts de klok in de hand van den koster ben—slechts de ongevoelige en onwaardige trompet, die het bevel overbrengt van dengene, die daar op blaast.—Zie, op mijne knieën werp ik mij, u smeekende, om medelijden te hebben met het Christendom, met Engeland en met u zelven.”

„Sta op, sta op,” zeide Richard, hem noodzakende om op te staan, „het voegt niet, dat knieën, die zich zoo dikwijls voor de Godheid gebogen hebben, den grond ter eer van een mensch zouden drukken.—Welk gevaar staat ons te duchten, eerwaarde vader?—en wanneer stond het met de macht van Engeland zóó slecht, dat het snoevend lawaai van het ongenoegen van dezen nieuwbakken Hertog dit rijk of zijn Monarch zou verontrusten?”

„Ik zag van mijn bergtoren naar het sterrenheer aan den hemel, terwijl elk der sterren gedurende haar nachtelijken loop aan de andere wijsheid en kennis verkondigde, voor de weinigen, die hare stem verstaan kunnen. Er zit een vijand in het huis van uw leven, heer Koning, die even boosaardig voor uw roem als uw voorspoed is—eene uitstrooming van Saturnus, die u met dadelijk en bloedig gevaar dreigt, en die, zoo gij niet uw trotschen wil voor den regel van uw plicht buigt, te midden van uw hoogmoed u zal verpletteren.”

„Weg—weg—dit is eene heidensche wetenschap,” hernam de Koning. „Christenen beoefenen die niet—wijzen gelooven daaraan niet—oude man, gij raaskalt.”

„Ik raaskal niet, Richard.—Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk, en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman, wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den krankzinnigen verstooteling, die ik ben.”

„Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht niet verbreken,” antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer gebaren, „maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht en de beleediging, die ik ondergaan heb?”

„Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft.”

„Het is vreemd,” hervatte Richard, „dat anderen beraadslagen over hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!”

„Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is,” antwoordde de kluizenaar. „Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat debanier van Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de wolven en raven overgeven.”

„En Oostenrijk,” zeide Richard—„op wien zulke zware vermoedens rusten, dat hij de bewerker der daad is?”

„Om de tweedracht in het leger te voorkomen,” hernam de kluizenaar, „wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem zal opleggen.”

„Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?” vroeg Koning Richard.

„Zijn eed verbiedt dat,” antwoordde de kluizenaar; „en bovendien de raad der vorsten ….”

„Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders toestaan,” viel Richard hem in de rede. „Maar het is genoeg, vader—gij hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat het zoo loopen.—Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het Godsoordeel staan.—Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt, terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!”

„Zwijg Richard,” zeide de hermiet—„o zwijg uit schaamte, zoo niet uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen, als gij,—zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken moed—aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en, in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste, wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien koning der wouden vermengd moet zijn.”

Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond staarde, en vervolgde toen: „Maar de Hemel, die onze onvolmaakte natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken in zijne hand, waarmede hij,—niet zeer ver is de tijd—Richard Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken.”

„Moet het dan zoo spoedig zijn?”—zeide Richard. „Goed, laat het dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts schitterend is!”

„Helaas! edele Koning,” hernam de kluizenaar, en het scheen of een traan—een ongewoon verschijnsel—in zijn droog, glinsterendoog opkwam—„kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf scheidt—een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u op te volgen—zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke oorlogen uitgeput, om u te betreuren—zonder de kennis uwer onderdanen uitgebreid—zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan te hebben.”

„Maar niet zonder roem, monnik—niet zonder de tranen van de dame mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf.”

„Kenik die niet—kanik niet op prijs stellen de waarde van den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!” hervatte de kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard zelven scheen te evenaren. „Koning van Engeland”, vervolgde hij, terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, „het bloed, dat in uwe blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn, zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan—van den heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,—dat wil zeggen, ik was, toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar ….”

„Wiens daden,” viel Richard hem in de rede, „zoo dikwerf door de faam zijn verkondigd! Is dit zoo—kan dit zoo zijn?—Kon zulk eene ster, als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld onzeker zijn, waar uwe asch rustte?”

„Zoek een gevallen ster,” antwoordde de kluizenaar, „en gij zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen, dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen, gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood wijdde.—Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo wild schepsel, als gij zijt.—Ja—ik wil—ik wil de lang verborgen wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid tot den dood toe doen bloeden.”

Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden, luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis, die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen verklaarde.

„Ik behoef u niet te zeggen,” zeide hij, „dat ik van edele geboorte,groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren, wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne liefde gevestigd—onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd—op een meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis, zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan, die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te voren in den staat.—Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de onfeilbare!—Ik was de raadsman van vergaderingen—ik was de bestierder van prelaten—hoe kon ik struikelen—waarom zou ik de verzoeking vreezen?—Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder deze vond ik de lang beminde—de lang verlorene. Bespaar mij eene verdere bekentenis!—Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen.”

„Ongelukkige!” zeide Richard. „Ik verwonder mij niet langer over uwe ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke wetten tegen uwe misdaad uitspreken?”

„Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft,” hernam de kluizenaar, „en hij zal spreken van een leven, dat gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken, wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in het Tophet moetgeworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten van den geest bezield—de eene werkzaam,schranderen doordringend, om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen—de andere laag, verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende, om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te werpen. Heb geen medelijden met mij!—het is reeds eene zonde om met zulk een voorwerp medelijden te hebben—beklaag mij niet, maar trek nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af, die als dochters u aankleven—ofschoon deze aangenomen furiën den zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst—uw hoogmoed, uwe weelderigheid, uw bloeddorst.”

„Hij raaskalt,” zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die zich toch daarover niet durft wreken—vervolgens keerde hij zich kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort: „Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand, die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar daar ik ze buiten ’s huis moet zetten, zal het zijn als een vader, die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed afstaan aan de edele domheeren der kerk—mijne weelderigheid, zoo als gij ze noemt, aan de orden der monniken—en mijn bloeddorst aan de ridders van den tempel.”

„O hart van staal en hand van ijzer,” hervatte de kluizenaar, „voor wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!—Toch zult gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!—Wat mij betref, ik moet naar mijne plaats terugkeeren.—Kyrie Eleison!—Ik ben degene, door wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende, tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en onveranderd blijft.—Kyrie Eleison!—De armen moeten geroepen worden, want de rijken hebben den maaltijd geweigerd—Kyrie Eleison!”

Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.

„Een krankzinnig priester!”—riep Richard, uit wiens gemoed de woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen teweeggebracht hadden. „Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige, en misschien drijven zij den spot met hem.”

De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemdhad.—„Vroegtijdig sterven—zonder nakroost—zonder beweend te worden!—een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne banier ondervraagd had, want zelfs de heiligeTishbiet, de stichter van zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.—Welnu, de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?”

„Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?” antwoordde de Vaux. „Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen.”

„Bij dit licht een edelkluizenaar!” zeide Koning Richard. „Maar wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagenpar amoursgeleefd heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen, al ware zijnebelle amieeene abdis geweest.”

Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet, eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.

1Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen genoemd.↑

1Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen genoemd.↑

1Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen genoemd.↑


Back to IndexNext