HOOFDSTUK XXIII.

HOOFDSTUK XXIII.Betoov’ring wenkt—en door haar sterke handVerandert straks ’t gelaat van ’t gansche land:Totdat het wild tooneel rondom ons heen,Als’tijdel beeld eens droomgezichts verdween.Astolpho eene Romance.Toen de ridder van den Luipaard uit zijn langen en diepen slaap ontwaakte, bevond hij zich in omstandigheden, die zoo geheel verschillende waren van die, waarin hij zich ter rust had begeven, dat hij er aan twijfelde, of hij niet nog droomde, dan wel het tooneel door tooverij was veranderd geworden. In plaats van op het vochtige gras, lag hij op een legerstede van meer dan Oostersche weelde, en gedienstige handen hadden hem, gedurende zijn slaap, van den rok van gemsleêr, dien hij onder zijne wapenrusting droeg, ontdaan, en hem in plaats daarvan een nachtgewaad aangetrokken. Slechts palmen der woestijn hadden hem overschaduwd; maar thans lag hij onder eene zijden tent, die met de schitterendste kleuren van het chineesche weefgetouw prijkte, terwijl een licht gazen voorhangsel, dat rondom zijn bed hing, hem tegen de insecten moest beschermen, waarvan hij sedert zijne komst in deze hemelstreek de bestendige en geduldige prooi geweest was. Hij zag om zich heen, alsof hij zich wilde overtuigen, dat hij werkelijk waakte, en alles wat hem in de oogen viel, was in overeenstemming met den luister van zijne slaapstede. Een draagbaar bad van cederhout, met zilver ingelegd, stond gereed voor het gebruik en verspreidde de liefelijkste geuren, die tot de bereiding ervan waren gebruikt. Op een tafeltje van ebbenhout naast zijne ligplaats stond eene zilveren vaas, met sorbet van de heerlijkste soort, koud als sneeuw, en dat de dorst, die op het gebruik van het sterke slaapmiddel volgde, bijzonder aangenaam maakte. Om de laatste nog overgebleven dampen der bedwelming te verdrijven, besloot de ridder het bad te gebruiken, en voelde hierdoor zich heerlijk verfrischt. Na zich met handdoeken van Indische wol gedroogd te hebben, wilde hij zijn eigen grove kleeding weder aantrekken, om naar buiten te gaan en te zien, of de wereld buiten evenzeer als binnen de plaats van zijne rust veranderd was. Die was echter nergens te zien, maar in hare plaats vond hij een Saraceensch gewaad van zijden stoffen, met zwaard en dolk, zooals het voor een aanzienlijken emir paste. Hij kon geene andere reden voor deze groote zorg vinden, dan een vermoeden, dat deze bewijzen van oplettendheid bestemd waren, om hem in zijne godsdienstige overtuiging te doen wankelen, zooals wel bekend was, dat de hooge achting voor de Europeesche kunde en moed den sultan onbeperkt deed zijn in zijne geschenken jegens diegenen, die, na zijne gevangenen te zijn geworden, overgehaald waren om den tulband aan te nemen. Sir Kenneth sloeg daarom eerbiedig een kruis, en besloot al dergelijke strikken te trotseeren; en ten einde dit met te meer standvastigheid te kunnen doen, besloot hij vast om zoo matig mogelijk van de weelde gebruik te maken, waarmede hij zoomildelijk overstelpt werd. Toch voelde hij zijn hoofd nog zwaar en slaperig, en daar hij ook begreep, dat zijne lichte kleeding niet geschikt was om buiten te verschijnen, legde hij zich weder op zijn leger en opnieuw omvingen hem de armen des slaaps.Maar ditmaal was zijne rust niet ongestoord; want hij werd door de stem van den geneesheer aan de opening van de tent gewekt, die vroeg naar zijne gezondheid en of hij voldoende gerust had.„Mag ik uwe tent binnentreden?” zeide hij ten laatste, „want het gordijn is voor den ingang getrokken.”„De meester,” hervatte sir Kenneth, die besloten had te toonen, dat hij zijn toestand niet vergeten had, „behoeft geen verlof te vragen, om de tent van den slaaf binnen te treden.”„Maar indien ik niet als meester kom?” vroeg El Hakim, nog altijd zonder binnentreden.„De geneesheer,” antwoordde sir Kenneth, „heeft vrijen toegang tot het bed van zijn patiënt.”„Ik kom evenmin als geneesheer,” hernam El Hakim, „en daarom wil ik verlof vragen, eer ik onder het bekleedsel van uwe tent treed.”„Al wie als vriend komt,” zeide sir Kenneth, „en als zoodanig hebt gij u tot hiertoe jegens mij betoond, voor dien is de woning des vriends steeds open.”„En nog eens,” zeide de Oostersche wijze in den omslachtigen trant van zijne landslieden, „gesteld dat ik niet als vriend kom?”„Kom zoo als gij wilt,” hernam de Schotsche ridder, eenigszins ongeduldig over dezen omslag,—„wees wat gij wilt—gij weet wel, dat het noch in mijne macht noch in mijne neiging ligt, om u den toegang te weigeren.”„Ik kom dan,” zeide El Hakim, „als uw oude vijand, maar als een eerlijk en edelmoedig vijand.”Onder het uiten van deze woorden trad hij binnen; en toen hij voor het bed van sir Kenneth stond, bleef de stem die van Adonbec, den Arabischen geneesheer; maar de gestalte, kleeding en trekken waren die van Ilderim van Kurdistan, Sheerkohf genaamd. Sir Kenneth staarde hem aan, als of hij verwachtte, dat de verschijning, die hij als slechts door zijne verbeelding voortgebracht waande, zou verdwijnen.„Verbaast u dit zoo”, vroeg Ilderim, „en dat wel een beproefd krijgsman, te zien, dat een soldaat iets van de heelkunst verstaat?—Ik zeg u, Nazareër, dat een volmaakt ruiter zijn ros evengoed moet weten te zadelen, als te berijden; het zwaard op het aanbeeld te smeden, zoowel als in den slag te gebruiken; zijne wapenen te polijsten zoowel als te dragen, en vooral wonden te heelen, zoowel als toe te brengen.”Terwijl hij zoo sprak, sloot de Christen ridder herhaalde malen zijne oogen; en zoo lang deze gesloten bleven, was de gedachte aan den Hakim met zijn lang, wapperend, donker gewaad, zijne hooge Tartaarsche muts en deftige gebaren voor zijn geest tegenwoordig. Maar zoodra hij ze opende, verkondigde de zwierige en rijk met edelgesteenten versierdetulband, het lichte pantser van stalen ringen, met zilver doorvlochten, dat helder schitterde, zich voegende naar elke beweging van het lichaam, en de gelaatstrekken, die thans hun ernstig karakter verloren hadden, minder donker en niet langer door het rijke haar, dat thans uit een welgekamden baard bestond, overschaduwd waren, den krijgsman en niet den wijze.„Zijt gij nog zoo verbaasd?” vroeg de emir, „en hebt gij met zoo weinig opmerkzaamheid de wereld doorkruist, dat gij er u over verwondert, dat de menschen niet altijd zijn wat zij schijnen?—Gij zelf—zijt gij wat gij schijnt?”„Neen, bij St. Andries!” riep de ridder uit, „want het geheele Christenleger schijn ik een verrader toe, en ik ben overtuigd, dat ik een eerlijk man ben, hoewel ik gedwaald heb.”„Zoo beoordeelde ik u ook,” antwoordde Ilderim, „en daar wij zout te zamen gegeten hadden, achtte ik mij gebonden, om u van schande en dood te redden.—Maar waarom ligt gij nog op uw bed, daar de zon reeds hoog aan den hemel staat? of zijn de kleederen, die mijne lastkameelen u verschaft hebben niet waard om door u gedragen te worden?”„Niet onwaard, maar ongeschikt daarvoor”, antwoordde de Schot; „geef mij de kleeding van een slaaf, edele Ilderim, en ik zal ze met genoegen dragen; maar ik kan het niet over mij verkrijgen, om het gewaad van een vrijen Oosterschen krijgsman met den tulband van den Muzelman te dragen.”„Nazareër,” antwoordde de emir, „uw volk koestert zoo schielijk verdenking, dat dit hen lichtelijk zelven verdacht kan maken. Heb ik u niet gezegd, dat Saladin geene bekeerden verlangt, dan die, welke de heilige Profeet zal bewegen, om zich aan zijne wet te onderwerpen? Geweld en omkooping zijn even vreemd aan zijn plan, om het ware geloof uit te breiden. Luister naar mij, broeder. Toen de blinde op wonderdadige wijze het gezicht had teruggekregen, vielen de schellen door Gods welbehagen van zijne oogen—meent gij, dat eenig wereldsch geneesheer die had kunnen verwijderen? Neen. Zulk een heelmeester had den lijder met zijne instrumenten kunnen kwellen, of hem mogelijk met zijne balsems of hartversterkende middelen eenige verzachting kunnen geven, maar de blinde had even blind moeten blijven; en met de verblindheid van den geest is het even zoo gesteld. Zoo er onder de Franken sommigen zijn, die om aardsch gewin den tulband van den Profeet hebben aangenomen, en de wetten van den Islam gevolgd, dan ruste de blaam op hun eigen geweten. Zij zochten zelven het lokaas. De Sultan heeft hun het niet voorgehouden. En wanneer zij hier namaals, als huichelaars, tot de diepste kolk der hel, beneden Christen en Jood, toovenaar en afgodendienaar, zullen verdoemd worden, en veroordeeld om van de vrucht te eten, van den boom Yacourn, die het hoofd der duivelen is—dan zullen hunne schuld en straf niet aan den Sultan, maar aan hen zelven te wijten zijn.—Draag daarom,zonder te twijfelen of te aarzelen, het voor u bereide gewaad, daar uw eigen gewone kleeding, zoo gij naar het kamp van Saladin gaat, u aan lastige nieuwsgierigheid en misschien aan beleediging blootstellen zal.”„Zoo ik naar het kamp van Saladin ga?” vroeg sir Kenneth, de woorden van den emir herhalende. „Helaas! Ben ik dan vrij in mijne daden, en moet ik niet veeleer heengaan, waarheen uw goedvinden mij heenzendt?”„Uw eigen wil kan uwe bewegingen leiden”, zeide de Emir, „even vrij als de wind, die het stof van de woestijn beweegt in de richting, die hij goedvindt. De edele vijand, die met mij gestreden en mij bijna overwonnen heeft, kan mijn slaaf niet worden zoo als hij, die onder mijn zwaard bezweken is. Wanneer rijkdom en macht u in verzoeking konden brengen om u bij ons volk te voegen, dan zou ik u het bezit ervan kunnen verzekeren; maar de man, die de gunstbewijzen van den Sultan weigerde, toen de bijl aan zijn hals was, zal meen ik, die thans niet aannemen, nu ik hem zeg, dat hij zijne vrije keus heeft.”„Voltooi uwe edelmoedigheid, edele emir”, zeide sir Kenneth, „door niet langer mij eene wijze van vergelding voor te houden, die mijn geweten mij verbiedt aan te nemen. Vergun mij veeleer om, gelijk de beleefdheid vordert, mijne dankbaarheid voor deze ridderlijke goedheid, deze onverdiende grootmoedigheid uit te drukken.”„Zeg niet onverdiend,” hervatte de emir Ilderim;„was het niet door uw gesprek en uw verhaal omtrent de schoonheden, die het hof van Melec Ric tot sieraad strekken, dat ik mij verkleed derwaarts begaf, en waart gij het niet, die mij daardoor het heerlijkste tafereel deed aanschouwen, dat ik ooit genoten heb—dat ik ooit zal genieten, totdat de pracht van het paradijs voor mijne oogen zal schitteren?”„Ik begrijp u niet”, antwoordde sir Kenneth, beurtelings rood en bleek wordende, als een man, die gevoelde, dat het gesprek een zeer kiesche wending nam die hem tevens hoogst pijnlijk aandeed.„Mij niet begrijpen!” riep de emir uit. „Zoo hetgeen ik in de tent van Koning Richard aantrof, aan uwe aandacht ontsnapt is, dan wil ik die voor stomper houden, dan het houten zwaard van een potsenmaker. Het is zoo, over u was op dat oogenblik het doodvonnis uitgesproken; maar als ik in het geval geweest ware, en al ware mijn hoofd van den romp gevallen, dan zouden nog de laatste kwijnende blikken van mijne oogappels met genot zulk een aanminnig gelaat aanschouwd hebben, en het hoofd zou van zelf naar de onvergelijkelijkehourizijn gewenteld, om met zijne bevende lippen den zoom van haar gewaad te kussen.—Die Koningin van Engeland, die om hare uitnemende schoonheid verdient, Koningin van het heelal te zijn—welk eene teederheid in haar blauw oog—welk een glans in hare loshangende, gouden lokken!—Bij het graf van den profeet, ik geloof nauwelijks, dat dehouri, die mij den diamanten beker der onsterfelijkheid zal aanbieden, zulk eene warme liefkozing zal verdienen!”„Sarraceen”, zeide sir Kenneth ernstig, „gij spreekt van de gemalin van Richard van Engeland, aan wie de mannen niet denken en van wie zij niet spreken, als eene vrouw, die te winnen, maar als eene Koningin, die te eerbiedigen is.”„Ik vraag u vergiffenis”, hernam de Sarraceen. „Ik had uw bijgeloovigeneerbied voor de vrouwen vergeten, die gij veeleer beschouwt als geschikt om bewonderd en vereerd, dan gezocht en bezeten te worden. Ik sta er u borg voor, dat, daar gij zulk eene diepe achting voor dat teedere, zwakke schepsel eischt, waarvan elke beweging, elke stap en elke blik de vrouw aanduidt, aan haar niet minder dan eene algeheele aanbidding aan hare donkere lokken en edel, sprekend oog moet gebracht worden. Zij, inderdaad, dit wil ik bekennen, heeft in haar edelen gang en haar statig voorkomen iets, dat even rein als krachtig is.—Maar zij zelve, zoo de gelegenheid en een stout minnaar haar drongen, zou hem, ik verzeker het u, in haar hart danken, dat hij haar veeleer als eene stervelinge dan als eene godin behandelde.”„Eerbiedig de bloedverwante van Richard Leeuwenhart”, zeide sir Kenneth op een toon van onbedwongen toorn.„Haar eerbiedigen!” antwoordde de emir spottend—„bij de Kaaba, en als ik dat doe, zal dit vooral zijn als de bruid van Saladin.”„De ongeloovige Sultan is niet waardig, zelfs de plek te kussen, die Edith Plantagenet met haar voet gedrukt heeft!” riep de Christen, van zijn leger opspringende.„Ha! wat zegt de Giaour?” riep de emir, de hand aan het gevest van zijn dolk slaande, terwijl zijn voorhoofd, als blinkend koper gloeide, en de spieren van zijne lippen en wangen zich bewogen, totdat ieder lok van zijn baard zich scheen saam te vlechten en te persen, alsof ze doorinstinktmatigedrift bezield werd. Maar de Schotsche ridder, die den leeuwentoorn van Richard had doorstaan, was onbedeesd bij den tijgerblik van den vergramden Sarraceen.„Wat ik gezegd heb”, hervatte hij, met gekruiste armen en onverschrokken blikken, „zou ik te voet of te paard tegen alle stervelingen staande houden, en ik zou het niet de merkwaardigste daad van mijn leven achten, om het met mijn goed breed zwaard tegen een twintigtal van deze sikkels en naalden te handhaven”, en hierbij wees hij op het zwaard en den dolk van den emir.De Sarraceen herkreeg zijne bedaardheid, terwijl de Christen sprak, in zoo ver, dat hij de hand van zijn wapentuig terug trok, als of de beweging zonder bedoeling geweest was; maar hij verkeerde nog steeds in groote drift.„Bij het zwaard van den Profeet”, zeide hij, „dat de sleutel is zoowel van den hemel als van de hel, hij stelt zijn leven op geringen prijs, broeder, die zulk eene taal als gij gebruikt! Geloof mij, zoo uwe handen los waren, gelijk gij het noemt, een enkel waar geloovige die zóó veel te doen zou geven, dat gij spoedig wenschen zoudt, dat ze weder in ijzeren boeien geklonken waren.”„Liever zou ik wenschen, dat ze bij de schouders afgehouwen werden”, sprak sir Kenneth.„Goed. Uwe handen zijn thans gebonden”, zeide de Sarraceen op vriendelijker toon, „gebonden door uw eigen edelen zin van rechtschapenheid, en ik heb ook voor het oogenblik niet het minste plan om ze in vrijheid te stellen. Wij hebben elkander reeds vroeger onze krachten onzen moed getoond, en wij kunnen elkander wel weder in het open veld ontmoeten!—En schande kome over hem, die het eerst zijn vijand zal loslaten! Maar thans zijn wij vrienden, en ik zie om hulp tot u op, veeleer dan dat ik harde uitdrukkingen of eene uitdaging van u verwacht.”„Wij zijn vrienden” herhaalde de ridder; en er ontstond eene stilte, gedurende welke de vurige Sarraceen door de tent stapte als een leeuw, van wien men zegt, dat hij na eene geweldige prikkeling, dit middel gebruikt, om de drift van zijn bloed te verkoelen, eer hij zich in zijn hol ter rust uitstrekt. De kalmer Westerling bleef onveranderd in houding en voorkomen; evenwel was hij zonder twijfel ook bezig, om de gevoelens van gramschap, die zoo onverwachts waren opgewekt, te doen bedaren.„Laat ons hierover bedaard spreken”, zeide de Sarraceen; „ik ben geneesheer, zoo als gij weet, en er staat geschreven, dat hij, die zijne wond wil genezen hebben, niet moet terugdeinzen, als de wondarts haar onderzoekt en peilt. Ziet gij, ik ben op het punt om mijn vinger op de gekwetste plek te leggen. Gij bemint deze bloedverwante van Melec Ric—ontplooi den sluier, die uwe gedachten bedekt—of ontplooi dien niet, zoo gij dit verkiest, want mijne oogen zien door het bekleedsel heen.”„Ik beminde haar”, antwoordde sir Kenneth na eene poos, „zoo als de mensch de hemelsche genade bemint, en smeekte hare gunst om de hemelsche vergiffenis.”„En gij bemint haar niet langer?” vroeg de Sarraceen.„Helaas!” antwoordde sir Kenneth, „ik ben niet langer waardig haar te beminnen.—Ik bid u, houd met dit gesprek op—uwe woorden zijn dolken voor mij.”„Vergeef mij slechts een oogenblik, vervolgde Ilderim. „Toen gij, een arm en verborgen krijgsman, uwe genegenheid zoo stout en zoo hoog vestigdet, zeg mij, had gij toen hoop op een goeden uitslag?”„Liefde bestaat niet zonder hoop!”hernam de ridder; „maar de mijne grensde bijna even na aan wanhoop, als die van den zeeman, die om zijn leven zwemt, die baar op baar te boven komt, en bij tusschenpoozen een glimp van den verafgelegene baken opvangt, die hem toont, dat er land in het gezicht is, ofschoon zijn zinkend hart en zijne vermoeide leden hem overtuigen, dat hij het nooit zal bereiken.”„En nu”, zeide Ilderim, „is deze hoop gezonken—is dat eenzame licht voor altijd uitgebluscht?”„Voor altijd,”antwoordde sir Kenneth op den toon van een echo uit het binnenste van een verwoest graf.„Mij dunkt”, zeide de Sarraceen, „wanneer alles, wat u ontbreekt, slechts zulk een verwijderde, nevelachtige glans van geluk is, als gij te voren hadt, dan zou het licht van uw baken wel eens weder ontstoken, uwe hoop uit de oceaan, waarin het verzonken is weder opgevischt kunnen worden, en gij zelf, goede ridder, de bezigheid en het genot weder verkrijgen, om de liefde met eene zoo weinig voedzame kost, als hetmaanlicht, te voeden; want zoo gij morgen in een even goeden naam als ooit stondt, zou zij, die gij bemindt, niet minder de dochter van vorsten, en de uitverkoren bruid van Saladin zijn.”„Ik wenschte, dat het zoo ware,” zeide de Schot, „en zoo ik dan niet ….”Hij hield op, als een man, die vreest te snoeven onder omstandigheden, die niet toelieten, dat hij op de proef gesteld werd. De Sarraceen glimlachte, terwijl hij den afgebroken zin voltooide:„Dan zoudt gij den sultan tot een tweegevecht uitdagen?—”„En indien ik dit deed”, zeide Sir Kenneth op fieren toon, „dan zou hij noch de eerste noch de beste tulband zijn, tegen welke ik mijne lans heb geveld.”„Ja, maar mij dunkt, dat hij het als eene te ongelijke wijze zou beschouwen, om de kans van een koninklijke bruid en den uitslag van een grooten oorlog te wagen”, zeide de emir.„Men zou hem aan de spits van den slag kunnen aantreffen”, hernam de ridder, terwijl zijne oogen schitterden bij de visioenen, die hem zulk eene gedachte inboezemde.„Men heeft hem dáár steeds gevonden,” hervatte Ilderim; „ook is het zijne gewoonte niet, om den kop van zijn paard van een dapperen strijd af te wenden.—Maar het was niet van den Sultan, dat ik meende te spreken. In één woord, zoo het u genoegen kan geven, om zulk een naam te verwerven,—als verkregen kan worden door de ontdekking van den dief, die de banier van Engeland gestolen heeft dan kan ik u op een goeden weg leiden, om die taak ten uitvoer te brengen—dat is, zoo gij u wilt laten besturen; want wat zegt Lokman: Zoo het kind wil loopen, moet de min het leiden—zoo de onkundige wil verstaan, moet de wijze hem onderrichten.”„En gij zijt wijs, Ilderim”, zeide de Schot, „wijs ofschoon gij een Sarraceen zijt, en edelmoedig, hoewel gij een ongeloovige zijt. Ik ben van beide getuige geweest. Neem dan de leiding van deze zaak op u, en indien gij niets van mij vordert, dat in strijd is met mijne trouw en mijn christelijk geloof, dan wil ik u stipt gehoorzamen. Doe wat gij gezegd hebt, en neem mijn leven, wanneer het volbracht is.”„Luister dan naar mij”, zeide de Sarraceen. „Uw edele hond is thans hersteld door den zegen van dat goddelijke geneesmiddel, hetwelk mensch en dier geneest, en door zijn schranderheid zullen degenen, die hem aangevallen hebben, ontdekt worden.”„Ha!” riep de ridder uit—„mij dunkt, ik begrijp u—het was dom van mij, dat ik hieraan niet dacht!—”„Maar zegt mij”, voegde de emir erbij, „hebt gij eenige volgelingen of bedienden in het leger, door wie het dier zou kunnen herkend worden?”„Ik heb mijn ouden wapendienaar, uw patiënt, met een knecht, die hem oppaste, ontslagen”, antwoordde sir Kenneth, „op het oogenblik, dat ik de doodstraf verwachtte, en hem brieven voor mijne vrienden in Schotland medegegeven—er is geen ander, aan wien de hond nauwkeurigbekend is. Maar mijn eigen persoon is welbekend—mijne spraak zelve zal mij verraden in een kamp, waar ik verscheiden maanden lang geene geringe rol gespeeld heb.”„Gij zult in beide opzichten zoodanig vermomd worden, dat gij zelfs het nauwkeurigst onderzoek zult ontgaan.—Ik zeg u”, zeide de Sarraceen, „dat niet uw wapenbroeder—niet uw broeder in den bloede—u zal herkennen, zoo gij u door mijn raad leiden laat. Gij hebt mij moeilijke dingen zien verrichten—hij, die de stervenden uit de duisternis van de schaduw des doods kan terugroepen, kan gemakkelijk een nevel voor de oogen der levenden brengen. Maar let wel op—aan dezen dienst is nog deze voorwaarde verbonden, dat gij een brief van Saladin aan de nicht van Melec Ric overhandigt, wier naam even moeilijk is voor onze Oostersche tong en lippen, als hare schoonheid verrukkelijk is voor onze oogen.”Sir Kenneth zweeg eene poos eer hij antwoordde, en de Sarraceen, zijne aarzeling bemerkende, vroeg hem: „zijt gij bevreesd u met deze boodschap te belasten?”„Dat niet, al was ook de dood met de uitvoering gemoeid”, zeide sir Kenneth; „ik overwoog slechts, of het met mijne eer bestaanbaar was, om den brief van den Sultan over te brengen, of met die van jonkvrouw Edith, om dezen van een heidenschen vorst aan te nemen.”„Bij het hoofd van Mahomed, en bij de eer van een krijgsman—bij het graf te Mekka en bij de ziel van mijn vader”, hernam de emir, „zweer ik u, dat de brief in alle eer en achting geschreven is. Het gezang van den nachtegaal zal eer het rozenpriëel, dat hij bemint, schenden, dan dat de woorden van den Sultan de ooren van de bevallige bloedverwante van Engeland zouden beleedigen.”„In dat geval”, zeide de ridder, „zal ik den brief van den Sultan zoo getrouw overbrengen, alsof ik zijn geboren vasal was, met dien verstande echter, dat hij, behalve dezen eenvoudigen dienst, dien ik trouw zal vervullen, het minst van mij onder alle menschen bemiddeling of raad in dezen zonderlingen liefdehandel verwachten moet.”„Saladin is edel”, antwoordde de emir, „en zal een moedig paard niet tot een sprong aanzetten, dien het niet kan volbrengen.—Kom met mij naar mijne tent,” voegde hij er bij, „en gij zult terstond op eene wijze vermomd worden, dat gij even onherkenbaar zult zijn als de middernacht. En zoo kunt gij door het leger der Nazareërs gaan, als of gij den ring vanGiougidroegt.”

HOOFDSTUK XXIII.Betoov’ring wenkt—en door haar sterke handVerandert straks ’t gelaat van ’t gansche land:Totdat het wild tooneel rondom ons heen,Als’tijdel beeld eens droomgezichts verdween.Astolpho eene Romance.Toen de ridder van den Luipaard uit zijn langen en diepen slaap ontwaakte, bevond hij zich in omstandigheden, die zoo geheel verschillende waren van die, waarin hij zich ter rust had begeven, dat hij er aan twijfelde, of hij niet nog droomde, dan wel het tooneel door tooverij was veranderd geworden. In plaats van op het vochtige gras, lag hij op een legerstede van meer dan Oostersche weelde, en gedienstige handen hadden hem, gedurende zijn slaap, van den rok van gemsleêr, dien hij onder zijne wapenrusting droeg, ontdaan, en hem in plaats daarvan een nachtgewaad aangetrokken. Slechts palmen der woestijn hadden hem overschaduwd; maar thans lag hij onder eene zijden tent, die met de schitterendste kleuren van het chineesche weefgetouw prijkte, terwijl een licht gazen voorhangsel, dat rondom zijn bed hing, hem tegen de insecten moest beschermen, waarvan hij sedert zijne komst in deze hemelstreek de bestendige en geduldige prooi geweest was. Hij zag om zich heen, alsof hij zich wilde overtuigen, dat hij werkelijk waakte, en alles wat hem in de oogen viel, was in overeenstemming met den luister van zijne slaapstede. Een draagbaar bad van cederhout, met zilver ingelegd, stond gereed voor het gebruik en verspreidde de liefelijkste geuren, die tot de bereiding ervan waren gebruikt. Op een tafeltje van ebbenhout naast zijne ligplaats stond eene zilveren vaas, met sorbet van de heerlijkste soort, koud als sneeuw, en dat de dorst, die op het gebruik van het sterke slaapmiddel volgde, bijzonder aangenaam maakte. Om de laatste nog overgebleven dampen der bedwelming te verdrijven, besloot de ridder het bad te gebruiken, en voelde hierdoor zich heerlijk verfrischt. Na zich met handdoeken van Indische wol gedroogd te hebben, wilde hij zijn eigen grove kleeding weder aantrekken, om naar buiten te gaan en te zien, of de wereld buiten evenzeer als binnen de plaats van zijne rust veranderd was. Die was echter nergens te zien, maar in hare plaats vond hij een Saraceensch gewaad van zijden stoffen, met zwaard en dolk, zooals het voor een aanzienlijken emir paste. Hij kon geene andere reden voor deze groote zorg vinden, dan een vermoeden, dat deze bewijzen van oplettendheid bestemd waren, om hem in zijne godsdienstige overtuiging te doen wankelen, zooals wel bekend was, dat de hooge achting voor de Europeesche kunde en moed den sultan onbeperkt deed zijn in zijne geschenken jegens diegenen, die, na zijne gevangenen te zijn geworden, overgehaald waren om den tulband aan te nemen. Sir Kenneth sloeg daarom eerbiedig een kruis, en besloot al dergelijke strikken te trotseeren; en ten einde dit met te meer standvastigheid te kunnen doen, besloot hij vast om zoo matig mogelijk van de weelde gebruik te maken, waarmede hij zoomildelijk overstelpt werd. Toch voelde hij zijn hoofd nog zwaar en slaperig, en daar hij ook begreep, dat zijne lichte kleeding niet geschikt was om buiten te verschijnen, legde hij zich weder op zijn leger en opnieuw omvingen hem de armen des slaaps.Maar ditmaal was zijne rust niet ongestoord; want hij werd door de stem van den geneesheer aan de opening van de tent gewekt, die vroeg naar zijne gezondheid en of hij voldoende gerust had.„Mag ik uwe tent binnentreden?” zeide hij ten laatste, „want het gordijn is voor den ingang getrokken.”„De meester,” hervatte sir Kenneth, die besloten had te toonen, dat hij zijn toestand niet vergeten had, „behoeft geen verlof te vragen, om de tent van den slaaf binnen te treden.”„Maar indien ik niet als meester kom?” vroeg El Hakim, nog altijd zonder binnentreden.„De geneesheer,” antwoordde sir Kenneth, „heeft vrijen toegang tot het bed van zijn patiënt.”„Ik kom evenmin als geneesheer,” hernam El Hakim, „en daarom wil ik verlof vragen, eer ik onder het bekleedsel van uwe tent treed.”„Al wie als vriend komt,” zeide sir Kenneth, „en als zoodanig hebt gij u tot hiertoe jegens mij betoond, voor dien is de woning des vriends steeds open.”„En nog eens,” zeide de Oostersche wijze in den omslachtigen trant van zijne landslieden, „gesteld dat ik niet als vriend kom?”„Kom zoo als gij wilt,” hernam de Schotsche ridder, eenigszins ongeduldig over dezen omslag,—„wees wat gij wilt—gij weet wel, dat het noch in mijne macht noch in mijne neiging ligt, om u den toegang te weigeren.”„Ik kom dan,” zeide El Hakim, „als uw oude vijand, maar als een eerlijk en edelmoedig vijand.”Onder het uiten van deze woorden trad hij binnen; en toen hij voor het bed van sir Kenneth stond, bleef de stem die van Adonbec, den Arabischen geneesheer; maar de gestalte, kleeding en trekken waren die van Ilderim van Kurdistan, Sheerkohf genaamd. Sir Kenneth staarde hem aan, als of hij verwachtte, dat de verschijning, die hij als slechts door zijne verbeelding voortgebracht waande, zou verdwijnen.„Verbaast u dit zoo”, vroeg Ilderim, „en dat wel een beproefd krijgsman, te zien, dat een soldaat iets van de heelkunst verstaat?—Ik zeg u, Nazareër, dat een volmaakt ruiter zijn ros evengoed moet weten te zadelen, als te berijden; het zwaard op het aanbeeld te smeden, zoowel als in den slag te gebruiken; zijne wapenen te polijsten zoowel als te dragen, en vooral wonden te heelen, zoowel als toe te brengen.”Terwijl hij zoo sprak, sloot de Christen ridder herhaalde malen zijne oogen; en zoo lang deze gesloten bleven, was de gedachte aan den Hakim met zijn lang, wapperend, donker gewaad, zijne hooge Tartaarsche muts en deftige gebaren voor zijn geest tegenwoordig. Maar zoodra hij ze opende, verkondigde de zwierige en rijk met edelgesteenten versierdetulband, het lichte pantser van stalen ringen, met zilver doorvlochten, dat helder schitterde, zich voegende naar elke beweging van het lichaam, en de gelaatstrekken, die thans hun ernstig karakter verloren hadden, minder donker en niet langer door het rijke haar, dat thans uit een welgekamden baard bestond, overschaduwd waren, den krijgsman en niet den wijze.„Zijt gij nog zoo verbaasd?” vroeg de emir, „en hebt gij met zoo weinig opmerkzaamheid de wereld doorkruist, dat gij er u over verwondert, dat de menschen niet altijd zijn wat zij schijnen?—Gij zelf—zijt gij wat gij schijnt?”„Neen, bij St. Andries!” riep de ridder uit, „want het geheele Christenleger schijn ik een verrader toe, en ik ben overtuigd, dat ik een eerlijk man ben, hoewel ik gedwaald heb.”„Zoo beoordeelde ik u ook,” antwoordde Ilderim, „en daar wij zout te zamen gegeten hadden, achtte ik mij gebonden, om u van schande en dood te redden.—Maar waarom ligt gij nog op uw bed, daar de zon reeds hoog aan den hemel staat? of zijn de kleederen, die mijne lastkameelen u verschaft hebben niet waard om door u gedragen te worden?”„Niet onwaard, maar ongeschikt daarvoor”, antwoordde de Schot; „geef mij de kleeding van een slaaf, edele Ilderim, en ik zal ze met genoegen dragen; maar ik kan het niet over mij verkrijgen, om het gewaad van een vrijen Oosterschen krijgsman met den tulband van den Muzelman te dragen.”„Nazareër,” antwoordde de emir, „uw volk koestert zoo schielijk verdenking, dat dit hen lichtelijk zelven verdacht kan maken. Heb ik u niet gezegd, dat Saladin geene bekeerden verlangt, dan die, welke de heilige Profeet zal bewegen, om zich aan zijne wet te onderwerpen? Geweld en omkooping zijn even vreemd aan zijn plan, om het ware geloof uit te breiden. Luister naar mij, broeder. Toen de blinde op wonderdadige wijze het gezicht had teruggekregen, vielen de schellen door Gods welbehagen van zijne oogen—meent gij, dat eenig wereldsch geneesheer die had kunnen verwijderen? Neen. Zulk een heelmeester had den lijder met zijne instrumenten kunnen kwellen, of hem mogelijk met zijne balsems of hartversterkende middelen eenige verzachting kunnen geven, maar de blinde had even blind moeten blijven; en met de verblindheid van den geest is het even zoo gesteld. Zoo er onder de Franken sommigen zijn, die om aardsch gewin den tulband van den Profeet hebben aangenomen, en de wetten van den Islam gevolgd, dan ruste de blaam op hun eigen geweten. Zij zochten zelven het lokaas. De Sultan heeft hun het niet voorgehouden. En wanneer zij hier namaals, als huichelaars, tot de diepste kolk der hel, beneden Christen en Jood, toovenaar en afgodendienaar, zullen verdoemd worden, en veroordeeld om van de vrucht te eten, van den boom Yacourn, die het hoofd der duivelen is—dan zullen hunne schuld en straf niet aan den Sultan, maar aan hen zelven te wijten zijn.—Draag daarom,zonder te twijfelen of te aarzelen, het voor u bereide gewaad, daar uw eigen gewone kleeding, zoo gij naar het kamp van Saladin gaat, u aan lastige nieuwsgierigheid en misschien aan beleediging blootstellen zal.”„Zoo ik naar het kamp van Saladin ga?” vroeg sir Kenneth, de woorden van den emir herhalende. „Helaas! Ben ik dan vrij in mijne daden, en moet ik niet veeleer heengaan, waarheen uw goedvinden mij heenzendt?”„Uw eigen wil kan uwe bewegingen leiden”, zeide de Emir, „even vrij als de wind, die het stof van de woestijn beweegt in de richting, die hij goedvindt. De edele vijand, die met mij gestreden en mij bijna overwonnen heeft, kan mijn slaaf niet worden zoo als hij, die onder mijn zwaard bezweken is. Wanneer rijkdom en macht u in verzoeking konden brengen om u bij ons volk te voegen, dan zou ik u het bezit ervan kunnen verzekeren; maar de man, die de gunstbewijzen van den Sultan weigerde, toen de bijl aan zijn hals was, zal meen ik, die thans niet aannemen, nu ik hem zeg, dat hij zijne vrije keus heeft.”„Voltooi uwe edelmoedigheid, edele emir”, zeide sir Kenneth, „door niet langer mij eene wijze van vergelding voor te houden, die mijn geweten mij verbiedt aan te nemen. Vergun mij veeleer om, gelijk de beleefdheid vordert, mijne dankbaarheid voor deze ridderlijke goedheid, deze onverdiende grootmoedigheid uit te drukken.”„Zeg niet onverdiend,” hervatte de emir Ilderim;„was het niet door uw gesprek en uw verhaal omtrent de schoonheden, die het hof van Melec Ric tot sieraad strekken, dat ik mij verkleed derwaarts begaf, en waart gij het niet, die mij daardoor het heerlijkste tafereel deed aanschouwen, dat ik ooit genoten heb—dat ik ooit zal genieten, totdat de pracht van het paradijs voor mijne oogen zal schitteren?”„Ik begrijp u niet”, antwoordde sir Kenneth, beurtelings rood en bleek wordende, als een man, die gevoelde, dat het gesprek een zeer kiesche wending nam die hem tevens hoogst pijnlijk aandeed.„Mij niet begrijpen!” riep de emir uit. „Zoo hetgeen ik in de tent van Koning Richard aantrof, aan uwe aandacht ontsnapt is, dan wil ik die voor stomper houden, dan het houten zwaard van een potsenmaker. Het is zoo, over u was op dat oogenblik het doodvonnis uitgesproken; maar als ik in het geval geweest ware, en al ware mijn hoofd van den romp gevallen, dan zouden nog de laatste kwijnende blikken van mijne oogappels met genot zulk een aanminnig gelaat aanschouwd hebben, en het hoofd zou van zelf naar de onvergelijkelijkehourizijn gewenteld, om met zijne bevende lippen den zoom van haar gewaad te kussen.—Die Koningin van Engeland, die om hare uitnemende schoonheid verdient, Koningin van het heelal te zijn—welk eene teederheid in haar blauw oog—welk een glans in hare loshangende, gouden lokken!—Bij het graf van den profeet, ik geloof nauwelijks, dat dehouri, die mij den diamanten beker der onsterfelijkheid zal aanbieden, zulk eene warme liefkozing zal verdienen!”„Sarraceen”, zeide sir Kenneth ernstig, „gij spreekt van de gemalin van Richard van Engeland, aan wie de mannen niet denken en van wie zij niet spreken, als eene vrouw, die te winnen, maar als eene Koningin, die te eerbiedigen is.”„Ik vraag u vergiffenis”, hernam de Sarraceen. „Ik had uw bijgeloovigeneerbied voor de vrouwen vergeten, die gij veeleer beschouwt als geschikt om bewonderd en vereerd, dan gezocht en bezeten te worden. Ik sta er u borg voor, dat, daar gij zulk eene diepe achting voor dat teedere, zwakke schepsel eischt, waarvan elke beweging, elke stap en elke blik de vrouw aanduidt, aan haar niet minder dan eene algeheele aanbidding aan hare donkere lokken en edel, sprekend oog moet gebracht worden. Zij, inderdaad, dit wil ik bekennen, heeft in haar edelen gang en haar statig voorkomen iets, dat even rein als krachtig is.—Maar zij zelve, zoo de gelegenheid en een stout minnaar haar drongen, zou hem, ik verzeker het u, in haar hart danken, dat hij haar veeleer als eene stervelinge dan als eene godin behandelde.”„Eerbiedig de bloedverwante van Richard Leeuwenhart”, zeide sir Kenneth op een toon van onbedwongen toorn.„Haar eerbiedigen!” antwoordde de emir spottend—„bij de Kaaba, en als ik dat doe, zal dit vooral zijn als de bruid van Saladin.”„De ongeloovige Sultan is niet waardig, zelfs de plek te kussen, die Edith Plantagenet met haar voet gedrukt heeft!” riep de Christen, van zijn leger opspringende.„Ha! wat zegt de Giaour?” riep de emir, de hand aan het gevest van zijn dolk slaande, terwijl zijn voorhoofd, als blinkend koper gloeide, en de spieren van zijne lippen en wangen zich bewogen, totdat ieder lok van zijn baard zich scheen saam te vlechten en te persen, alsof ze doorinstinktmatigedrift bezield werd. Maar de Schotsche ridder, die den leeuwentoorn van Richard had doorstaan, was onbedeesd bij den tijgerblik van den vergramden Sarraceen.„Wat ik gezegd heb”, hervatte hij, met gekruiste armen en onverschrokken blikken, „zou ik te voet of te paard tegen alle stervelingen staande houden, en ik zou het niet de merkwaardigste daad van mijn leven achten, om het met mijn goed breed zwaard tegen een twintigtal van deze sikkels en naalden te handhaven”, en hierbij wees hij op het zwaard en den dolk van den emir.De Sarraceen herkreeg zijne bedaardheid, terwijl de Christen sprak, in zoo ver, dat hij de hand van zijn wapentuig terug trok, als of de beweging zonder bedoeling geweest was; maar hij verkeerde nog steeds in groote drift.„Bij het zwaard van den Profeet”, zeide hij, „dat de sleutel is zoowel van den hemel als van de hel, hij stelt zijn leven op geringen prijs, broeder, die zulk eene taal als gij gebruikt! Geloof mij, zoo uwe handen los waren, gelijk gij het noemt, een enkel waar geloovige die zóó veel te doen zou geven, dat gij spoedig wenschen zoudt, dat ze weder in ijzeren boeien geklonken waren.”„Liever zou ik wenschen, dat ze bij de schouders afgehouwen werden”, sprak sir Kenneth.„Goed. Uwe handen zijn thans gebonden”, zeide de Sarraceen op vriendelijker toon, „gebonden door uw eigen edelen zin van rechtschapenheid, en ik heb ook voor het oogenblik niet het minste plan om ze in vrijheid te stellen. Wij hebben elkander reeds vroeger onze krachten onzen moed getoond, en wij kunnen elkander wel weder in het open veld ontmoeten!—En schande kome over hem, die het eerst zijn vijand zal loslaten! Maar thans zijn wij vrienden, en ik zie om hulp tot u op, veeleer dan dat ik harde uitdrukkingen of eene uitdaging van u verwacht.”„Wij zijn vrienden” herhaalde de ridder; en er ontstond eene stilte, gedurende welke de vurige Sarraceen door de tent stapte als een leeuw, van wien men zegt, dat hij na eene geweldige prikkeling, dit middel gebruikt, om de drift van zijn bloed te verkoelen, eer hij zich in zijn hol ter rust uitstrekt. De kalmer Westerling bleef onveranderd in houding en voorkomen; evenwel was hij zonder twijfel ook bezig, om de gevoelens van gramschap, die zoo onverwachts waren opgewekt, te doen bedaren.„Laat ons hierover bedaard spreken”, zeide de Sarraceen; „ik ben geneesheer, zoo als gij weet, en er staat geschreven, dat hij, die zijne wond wil genezen hebben, niet moet terugdeinzen, als de wondarts haar onderzoekt en peilt. Ziet gij, ik ben op het punt om mijn vinger op de gekwetste plek te leggen. Gij bemint deze bloedverwante van Melec Ric—ontplooi den sluier, die uwe gedachten bedekt—of ontplooi dien niet, zoo gij dit verkiest, want mijne oogen zien door het bekleedsel heen.”„Ik beminde haar”, antwoordde sir Kenneth na eene poos, „zoo als de mensch de hemelsche genade bemint, en smeekte hare gunst om de hemelsche vergiffenis.”„En gij bemint haar niet langer?” vroeg de Sarraceen.„Helaas!” antwoordde sir Kenneth, „ik ben niet langer waardig haar te beminnen.—Ik bid u, houd met dit gesprek op—uwe woorden zijn dolken voor mij.”„Vergeef mij slechts een oogenblik, vervolgde Ilderim. „Toen gij, een arm en verborgen krijgsman, uwe genegenheid zoo stout en zoo hoog vestigdet, zeg mij, had gij toen hoop op een goeden uitslag?”„Liefde bestaat niet zonder hoop!”hernam de ridder; „maar de mijne grensde bijna even na aan wanhoop, als die van den zeeman, die om zijn leven zwemt, die baar op baar te boven komt, en bij tusschenpoozen een glimp van den verafgelegene baken opvangt, die hem toont, dat er land in het gezicht is, ofschoon zijn zinkend hart en zijne vermoeide leden hem overtuigen, dat hij het nooit zal bereiken.”„En nu”, zeide Ilderim, „is deze hoop gezonken—is dat eenzame licht voor altijd uitgebluscht?”„Voor altijd,”antwoordde sir Kenneth op den toon van een echo uit het binnenste van een verwoest graf.„Mij dunkt”, zeide de Sarraceen, „wanneer alles, wat u ontbreekt, slechts zulk een verwijderde, nevelachtige glans van geluk is, als gij te voren hadt, dan zou het licht van uw baken wel eens weder ontstoken, uwe hoop uit de oceaan, waarin het verzonken is weder opgevischt kunnen worden, en gij zelf, goede ridder, de bezigheid en het genot weder verkrijgen, om de liefde met eene zoo weinig voedzame kost, als hetmaanlicht, te voeden; want zoo gij morgen in een even goeden naam als ooit stondt, zou zij, die gij bemindt, niet minder de dochter van vorsten, en de uitverkoren bruid van Saladin zijn.”„Ik wenschte, dat het zoo ware,” zeide de Schot, „en zoo ik dan niet ….”Hij hield op, als een man, die vreest te snoeven onder omstandigheden, die niet toelieten, dat hij op de proef gesteld werd. De Sarraceen glimlachte, terwijl hij den afgebroken zin voltooide:„Dan zoudt gij den sultan tot een tweegevecht uitdagen?—”„En indien ik dit deed”, zeide Sir Kenneth op fieren toon, „dan zou hij noch de eerste noch de beste tulband zijn, tegen welke ik mijne lans heb geveld.”„Ja, maar mij dunkt, dat hij het als eene te ongelijke wijze zou beschouwen, om de kans van een koninklijke bruid en den uitslag van een grooten oorlog te wagen”, zeide de emir.„Men zou hem aan de spits van den slag kunnen aantreffen”, hernam de ridder, terwijl zijne oogen schitterden bij de visioenen, die hem zulk eene gedachte inboezemde.„Men heeft hem dáár steeds gevonden,” hervatte Ilderim; „ook is het zijne gewoonte niet, om den kop van zijn paard van een dapperen strijd af te wenden.—Maar het was niet van den Sultan, dat ik meende te spreken. In één woord, zoo het u genoegen kan geven, om zulk een naam te verwerven,—als verkregen kan worden door de ontdekking van den dief, die de banier van Engeland gestolen heeft dan kan ik u op een goeden weg leiden, om die taak ten uitvoer te brengen—dat is, zoo gij u wilt laten besturen; want wat zegt Lokman: Zoo het kind wil loopen, moet de min het leiden—zoo de onkundige wil verstaan, moet de wijze hem onderrichten.”„En gij zijt wijs, Ilderim”, zeide de Schot, „wijs ofschoon gij een Sarraceen zijt, en edelmoedig, hoewel gij een ongeloovige zijt. Ik ben van beide getuige geweest. Neem dan de leiding van deze zaak op u, en indien gij niets van mij vordert, dat in strijd is met mijne trouw en mijn christelijk geloof, dan wil ik u stipt gehoorzamen. Doe wat gij gezegd hebt, en neem mijn leven, wanneer het volbracht is.”„Luister dan naar mij”, zeide de Sarraceen. „Uw edele hond is thans hersteld door den zegen van dat goddelijke geneesmiddel, hetwelk mensch en dier geneest, en door zijn schranderheid zullen degenen, die hem aangevallen hebben, ontdekt worden.”„Ha!” riep de ridder uit—„mij dunkt, ik begrijp u—het was dom van mij, dat ik hieraan niet dacht!—”„Maar zegt mij”, voegde de emir erbij, „hebt gij eenige volgelingen of bedienden in het leger, door wie het dier zou kunnen herkend worden?”„Ik heb mijn ouden wapendienaar, uw patiënt, met een knecht, die hem oppaste, ontslagen”, antwoordde sir Kenneth, „op het oogenblik, dat ik de doodstraf verwachtte, en hem brieven voor mijne vrienden in Schotland medegegeven—er is geen ander, aan wien de hond nauwkeurigbekend is. Maar mijn eigen persoon is welbekend—mijne spraak zelve zal mij verraden in een kamp, waar ik verscheiden maanden lang geene geringe rol gespeeld heb.”„Gij zult in beide opzichten zoodanig vermomd worden, dat gij zelfs het nauwkeurigst onderzoek zult ontgaan.—Ik zeg u”, zeide de Sarraceen, „dat niet uw wapenbroeder—niet uw broeder in den bloede—u zal herkennen, zoo gij u door mijn raad leiden laat. Gij hebt mij moeilijke dingen zien verrichten—hij, die de stervenden uit de duisternis van de schaduw des doods kan terugroepen, kan gemakkelijk een nevel voor de oogen der levenden brengen. Maar let wel op—aan dezen dienst is nog deze voorwaarde verbonden, dat gij een brief van Saladin aan de nicht van Melec Ric overhandigt, wier naam even moeilijk is voor onze Oostersche tong en lippen, als hare schoonheid verrukkelijk is voor onze oogen.”Sir Kenneth zweeg eene poos eer hij antwoordde, en de Sarraceen, zijne aarzeling bemerkende, vroeg hem: „zijt gij bevreesd u met deze boodschap te belasten?”„Dat niet, al was ook de dood met de uitvoering gemoeid”, zeide sir Kenneth; „ik overwoog slechts, of het met mijne eer bestaanbaar was, om den brief van den Sultan over te brengen, of met die van jonkvrouw Edith, om dezen van een heidenschen vorst aan te nemen.”„Bij het hoofd van Mahomed, en bij de eer van een krijgsman—bij het graf te Mekka en bij de ziel van mijn vader”, hernam de emir, „zweer ik u, dat de brief in alle eer en achting geschreven is. Het gezang van den nachtegaal zal eer het rozenpriëel, dat hij bemint, schenden, dan dat de woorden van den Sultan de ooren van de bevallige bloedverwante van Engeland zouden beleedigen.”„In dat geval”, zeide de ridder, „zal ik den brief van den Sultan zoo getrouw overbrengen, alsof ik zijn geboren vasal was, met dien verstande echter, dat hij, behalve dezen eenvoudigen dienst, dien ik trouw zal vervullen, het minst van mij onder alle menschen bemiddeling of raad in dezen zonderlingen liefdehandel verwachten moet.”„Saladin is edel”, antwoordde de emir, „en zal een moedig paard niet tot een sprong aanzetten, dien het niet kan volbrengen.—Kom met mij naar mijne tent,” voegde hij er bij, „en gij zult terstond op eene wijze vermomd worden, dat gij even onherkenbaar zult zijn als de middernacht. En zoo kunt gij door het leger der Nazareërs gaan, als of gij den ring vanGiougidroegt.”

HOOFDSTUK XXIII.Betoov’ring wenkt—en door haar sterke handVerandert straks ’t gelaat van ’t gansche land:Totdat het wild tooneel rondom ons heen,Als’tijdel beeld eens droomgezichts verdween.Astolpho eene Romance.

Betoov’ring wenkt—en door haar sterke handVerandert straks ’t gelaat van ’t gansche land:Totdat het wild tooneel rondom ons heen,Als’tijdel beeld eens droomgezichts verdween.Astolpho eene Romance.

Betoov’ring wenkt—en door haar sterke handVerandert straks ’t gelaat van ’t gansche land:Totdat het wild tooneel rondom ons heen,Als’tijdel beeld eens droomgezichts verdween.

Betoov’ring wenkt—en door haar sterke hand

Verandert straks ’t gelaat van ’t gansche land:

Totdat het wild tooneel rondom ons heen,

Als’tijdel beeld eens droomgezichts verdween.

Astolpho eene Romance.

Toen de ridder van den Luipaard uit zijn langen en diepen slaap ontwaakte, bevond hij zich in omstandigheden, die zoo geheel verschillende waren van die, waarin hij zich ter rust had begeven, dat hij er aan twijfelde, of hij niet nog droomde, dan wel het tooneel door tooverij was veranderd geworden. In plaats van op het vochtige gras, lag hij op een legerstede van meer dan Oostersche weelde, en gedienstige handen hadden hem, gedurende zijn slaap, van den rok van gemsleêr, dien hij onder zijne wapenrusting droeg, ontdaan, en hem in plaats daarvan een nachtgewaad aangetrokken. Slechts palmen der woestijn hadden hem overschaduwd; maar thans lag hij onder eene zijden tent, die met de schitterendste kleuren van het chineesche weefgetouw prijkte, terwijl een licht gazen voorhangsel, dat rondom zijn bed hing, hem tegen de insecten moest beschermen, waarvan hij sedert zijne komst in deze hemelstreek de bestendige en geduldige prooi geweest was. Hij zag om zich heen, alsof hij zich wilde overtuigen, dat hij werkelijk waakte, en alles wat hem in de oogen viel, was in overeenstemming met den luister van zijne slaapstede. Een draagbaar bad van cederhout, met zilver ingelegd, stond gereed voor het gebruik en verspreidde de liefelijkste geuren, die tot de bereiding ervan waren gebruikt. Op een tafeltje van ebbenhout naast zijne ligplaats stond eene zilveren vaas, met sorbet van de heerlijkste soort, koud als sneeuw, en dat de dorst, die op het gebruik van het sterke slaapmiddel volgde, bijzonder aangenaam maakte. Om de laatste nog overgebleven dampen der bedwelming te verdrijven, besloot de ridder het bad te gebruiken, en voelde hierdoor zich heerlijk verfrischt. Na zich met handdoeken van Indische wol gedroogd te hebben, wilde hij zijn eigen grove kleeding weder aantrekken, om naar buiten te gaan en te zien, of de wereld buiten evenzeer als binnen de plaats van zijne rust veranderd was. Die was echter nergens te zien, maar in hare plaats vond hij een Saraceensch gewaad van zijden stoffen, met zwaard en dolk, zooals het voor een aanzienlijken emir paste. Hij kon geene andere reden voor deze groote zorg vinden, dan een vermoeden, dat deze bewijzen van oplettendheid bestemd waren, om hem in zijne godsdienstige overtuiging te doen wankelen, zooals wel bekend was, dat de hooge achting voor de Europeesche kunde en moed den sultan onbeperkt deed zijn in zijne geschenken jegens diegenen, die, na zijne gevangenen te zijn geworden, overgehaald waren om den tulband aan te nemen. Sir Kenneth sloeg daarom eerbiedig een kruis, en besloot al dergelijke strikken te trotseeren; en ten einde dit met te meer standvastigheid te kunnen doen, besloot hij vast om zoo matig mogelijk van de weelde gebruik te maken, waarmede hij zoomildelijk overstelpt werd. Toch voelde hij zijn hoofd nog zwaar en slaperig, en daar hij ook begreep, dat zijne lichte kleeding niet geschikt was om buiten te verschijnen, legde hij zich weder op zijn leger en opnieuw omvingen hem de armen des slaaps.Maar ditmaal was zijne rust niet ongestoord; want hij werd door de stem van den geneesheer aan de opening van de tent gewekt, die vroeg naar zijne gezondheid en of hij voldoende gerust had.„Mag ik uwe tent binnentreden?” zeide hij ten laatste, „want het gordijn is voor den ingang getrokken.”„De meester,” hervatte sir Kenneth, die besloten had te toonen, dat hij zijn toestand niet vergeten had, „behoeft geen verlof te vragen, om de tent van den slaaf binnen te treden.”„Maar indien ik niet als meester kom?” vroeg El Hakim, nog altijd zonder binnentreden.„De geneesheer,” antwoordde sir Kenneth, „heeft vrijen toegang tot het bed van zijn patiënt.”„Ik kom evenmin als geneesheer,” hernam El Hakim, „en daarom wil ik verlof vragen, eer ik onder het bekleedsel van uwe tent treed.”„Al wie als vriend komt,” zeide sir Kenneth, „en als zoodanig hebt gij u tot hiertoe jegens mij betoond, voor dien is de woning des vriends steeds open.”„En nog eens,” zeide de Oostersche wijze in den omslachtigen trant van zijne landslieden, „gesteld dat ik niet als vriend kom?”„Kom zoo als gij wilt,” hernam de Schotsche ridder, eenigszins ongeduldig over dezen omslag,—„wees wat gij wilt—gij weet wel, dat het noch in mijne macht noch in mijne neiging ligt, om u den toegang te weigeren.”„Ik kom dan,” zeide El Hakim, „als uw oude vijand, maar als een eerlijk en edelmoedig vijand.”Onder het uiten van deze woorden trad hij binnen; en toen hij voor het bed van sir Kenneth stond, bleef de stem die van Adonbec, den Arabischen geneesheer; maar de gestalte, kleeding en trekken waren die van Ilderim van Kurdistan, Sheerkohf genaamd. Sir Kenneth staarde hem aan, als of hij verwachtte, dat de verschijning, die hij als slechts door zijne verbeelding voortgebracht waande, zou verdwijnen.„Verbaast u dit zoo”, vroeg Ilderim, „en dat wel een beproefd krijgsman, te zien, dat een soldaat iets van de heelkunst verstaat?—Ik zeg u, Nazareër, dat een volmaakt ruiter zijn ros evengoed moet weten te zadelen, als te berijden; het zwaard op het aanbeeld te smeden, zoowel als in den slag te gebruiken; zijne wapenen te polijsten zoowel als te dragen, en vooral wonden te heelen, zoowel als toe te brengen.”Terwijl hij zoo sprak, sloot de Christen ridder herhaalde malen zijne oogen; en zoo lang deze gesloten bleven, was de gedachte aan den Hakim met zijn lang, wapperend, donker gewaad, zijne hooge Tartaarsche muts en deftige gebaren voor zijn geest tegenwoordig. Maar zoodra hij ze opende, verkondigde de zwierige en rijk met edelgesteenten versierdetulband, het lichte pantser van stalen ringen, met zilver doorvlochten, dat helder schitterde, zich voegende naar elke beweging van het lichaam, en de gelaatstrekken, die thans hun ernstig karakter verloren hadden, minder donker en niet langer door het rijke haar, dat thans uit een welgekamden baard bestond, overschaduwd waren, den krijgsman en niet den wijze.„Zijt gij nog zoo verbaasd?” vroeg de emir, „en hebt gij met zoo weinig opmerkzaamheid de wereld doorkruist, dat gij er u over verwondert, dat de menschen niet altijd zijn wat zij schijnen?—Gij zelf—zijt gij wat gij schijnt?”„Neen, bij St. Andries!” riep de ridder uit, „want het geheele Christenleger schijn ik een verrader toe, en ik ben overtuigd, dat ik een eerlijk man ben, hoewel ik gedwaald heb.”„Zoo beoordeelde ik u ook,” antwoordde Ilderim, „en daar wij zout te zamen gegeten hadden, achtte ik mij gebonden, om u van schande en dood te redden.—Maar waarom ligt gij nog op uw bed, daar de zon reeds hoog aan den hemel staat? of zijn de kleederen, die mijne lastkameelen u verschaft hebben niet waard om door u gedragen te worden?”„Niet onwaard, maar ongeschikt daarvoor”, antwoordde de Schot; „geef mij de kleeding van een slaaf, edele Ilderim, en ik zal ze met genoegen dragen; maar ik kan het niet over mij verkrijgen, om het gewaad van een vrijen Oosterschen krijgsman met den tulband van den Muzelman te dragen.”„Nazareër,” antwoordde de emir, „uw volk koestert zoo schielijk verdenking, dat dit hen lichtelijk zelven verdacht kan maken. Heb ik u niet gezegd, dat Saladin geene bekeerden verlangt, dan die, welke de heilige Profeet zal bewegen, om zich aan zijne wet te onderwerpen? Geweld en omkooping zijn even vreemd aan zijn plan, om het ware geloof uit te breiden. Luister naar mij, broeder. Toen de blinde op wonderdadige wijze het gezicht had teruggekregen, vielen de schellen door Gods welbehagen van zijne oogen—meent gij, dat eenig wereldsch geneesheer die had kunnen verwijderen? Neen. Zulk een heelmeester had den lijder met zijne instrumenten kunnen kwellen, of hem mogelijk met zijne balsems of hartversterkende middelen eenige verzachting kunnen geven, maar de blinde had even blind moeten blijven; en met de verblindheid van den geest is het even zoo gesteld. Zoo er onder de Franken sommigen zijn, die om aardsch gewin den tulband van den Profeet hebben aangenomen, en de wetten van den Islam gevolgd, dan ruste de blaam op hun eigen geweten. Zij zochten zelven het lokaas. De Sultan heeft hun het niet voorgehouden. En wanneer zij hier namaals, als huichelaars, tot de diepste kolk der hel, beneden Christen en Jood, toovenaar en afgodendienaar, zullen verdoemd worden, en veroordeeld om van de vrucht te eten, van den boom Yacourn, die het hoofd der duivelen is—dan zullen hunne schuld en straf niet aan den Sultan, maar aan hen zelven te wijten zijn.—Draag daarom,zonder te twijfelen of te aarzelen, het voor u bereide gewaad, daar uw eigen gewone kleeding, zoo gij naar het kamp van Saladin gaat, u aan lastige nieuwsgierigheid en misschien aan beleediging blootstellen zal.”„Zoo ik naar het kamp van Saladin ga?” vroeg sir Kenneth, de woorden van den emir herhalende. „Helaas! Ben ik dan vrij in mijne daden, en moet ik niet veeleer heengaan, waarheen uw goedvinden mij heenzendt?”„Uw eigen wil kan uwe bewegingen leiden”, zeide de Emir, „even vrij als de wind, die het stof van de woestijn beweegt in de richting, die hij goedvindt. De edele vijand, die met mij gestreden en mij bijna overwonnen heeft, kan mijn slaaf niet worden zoo als hij, die onder mijn zwaard bezweken is. Wanneer rijkdom en macht u in verzoeking konden brengen om u bij ons volk te voegen, dan zou ik u het bezit ervan kunnen verzekeren; maar de man, die de gunstbewijzen van den Sultan weigerde, toen de bijl aan zijn hals was, zal meen ik, die thans niet aannemen, nu ik hem zeg, dat hij zijne vrije keus heeft.”„Voltooi uwe edelmoedigheid, edele emir”, zeide sir Kenneth, „door niet langer mij eene wijze van vergelding voor te houden, die mijn geweten mij verbiedt aan te nemen. Vergun mij veeleer om, gelijk de beleefdheid vordert, mijne dankbaarheid voor deze ridderlijke goedheid, deze onverdiende grootmoedigheid uit te drukken.”„Zeg niet onverdiend,” hervatte de emir Ilderim;„was het niet door uw gesprek en uw verhaal omtrent de schoonheden, die het hof van Melec Ric tot sieraad strekken, dat ik mij verkleed derwaarts begaf, en waart gij het niet, die mij daardoor het heerlijkste tafereel deed aanschouwen, dat ik ooit genoten heb—dat ik ooit zal genieten, totdat de pracht van het paradijs voor mijne oogen zal schitteren?”„Ik begrijp u niet”, antwoordde sir Kenneth, beurtelings rood en bleek wordende, als een man, die gevoelde, dat het gesprek een zeer kiesche wending nam die hem tevens hoogst pijnlijk aandeed.„Mij niet begrijpen!” riep de emir uit. „Zoo hetgeen ik in de tent van Koning Richard aantrof, aan uwe aandacht ontsnapt is, dan wil ik die voor stomper houden, dan het houten zwaard van een potsenmaker. Het is zoo, over u was op dat oogenblik het doodvonnis uitgesproken; maar als ik in het geval geweest ware, en al ware mijn hoofd van den romp gevallen, dan zouden nog de laatste kwijnende blikken van mijne oogappels met genot zulk een aanminnig gelaat aanschouwd hebben, en het hoofd zou van zelf naar de onvergelijkelijkehourizijn gewenteld, om met zijne bevende lippen den zoom van haar gewaad te kussen.—Die Koningin van Engeland, die om hare uitnemende schoonheid verdient, Koningin van het heelal te zijn—welk eene teederheid in haar blauw oog—welk een glans in hare loshangende, gouden lokken!—Bij het graf van den profeet, ik geloof nauwelijks, dat dehouri, die mij den diamanten beker der onsterfelijkheid zal aanbieden, zulk eene warme liefkozing zal verdienen!”„Sarraceen”, zeide sir Kenneth ernstig, „gij spreekt van de gemalin van Richard van Engeland, aan wie de mannen niet denken en van wie zij niet spreken, als eene vrouw, die te winnen, maar als eene Koningin, die te eerbiedigen is.”„Ik vraag u vergiffenis”, hernam de Sarraceen. „Ik had uw bijgeloovigeneerbied voor de vrouwen vergeten, die gij veeleer beschouwt als geschikt om bewonderd en vereerd, dan gezocht en bezeten te worden. Ik sta er u borg voor, dat, daar gij zulk eene diepe achting voor dat teedere, zwakke schepsel eischt, waarvan elke beweging, elke stap en elke blik de vrouw aanduidt, aan haar niet minder dan eene algeheele aanbidding aan hare donkere lokken en edel, sprekend oog moet gebracht worden. Zij, inderdaad, dit wil ik bekennen, heeft in haar edelen gang en haar statig voorkomen iets, dat even rein als krachtig is.—Maar zij zelve, zoo de gelegenheid en een stout minnaar haar drongen, zou hem, ik verzeker het u, in haar hart danken, dat hij haar veeleer als eene stervelinge dan als eene godin behandelde.”„Eerbiedig de bloedverwante van Richard Leeuwenhart”, zeide sir Kenneth op een toon van onbedwongen toorn.„Haar eerbiedigen!” antwoordde de emir spottend—„bij de Kaaba, en als ik dat doe, zal dit vooral zijn als de bruid van Saladin.”„De ongeloovige Sultan is niet waardig, zelfs de plek te kussen, die Edith Plantagenet met haar voet gedrukt heeft!” riep de Christen, van zijn leger opspringende.„Ha! wat zegt de Giaour?” riep de emir, de hand aan het gevest van zijn dolk slaande, terwijl zijn voorhoofd, als blinkend koper gloeide, en de spieren van zijne lippen en wangen zich bewogen, totdat ieder lok van zijn baard zich scheen saam te vlechten en te persen, alsof ze doorinstinktmatigedrift bezield werd. Maar de Schotsche ridder, die den leeuwentoorn van Richard had doorstaan, was onbedeesd bij den tijgerblik van den vergramden Sarraceen.„Wat ik gezegd heb”, hervatte hij, met gekruiste armen en onverschrokken blikken, „zou ik te voet of te paard tegen alle stervelingen staande houden, en ik zou het niet de merkwaardigste daad van mijn leven achten, om het met mijn goed breed zwaard tegen een twintigtal van deze sikkels en naalden te handhaven”, en hierbij wees hij op het zwaard en den dolk van den emir.De Sarraceen herkreeg zijne bedaardheid, terwijl de Christen sprak, in zoo ver, dat hij de hand van zijn wapentuig terug trok, als of de beweging zonder bedoeling geweest was; maar hij verkeerde nog steeds in groote drift.„Bij het zwaard van den Profeet”, zeide hij, „dat de sleutel is zoowel van den hemel als van de hel, hij stelt zijn leven op geringen prijs, broeder, die zulk eene taal als gij gebruikt! Geloof mij, zoo uwe handen los waren, gelijk gij het noemt, een enkel waar geloovige die zóó veel te doen zou geven, dat gij spoedig wenschen zoudt, dat ze weder in ijzeren boeien geklonken waren.”„Liever zou ik wenschen, dat ze bij de schouders afgehouwen werden”, sprak sir Kenneth.„Goed. Uwe handen zijn thans gebonden”, zeide de Sarraceen op vriendelijker toon, „gebonden door uw eigen edelen zin van rechtschapenheid, en ik heb ook voor het oogenblik niet het minste plan om ze in vrijheid te stellen. Wij hebben elkander reeds vroeger onze krachten onzen moed getoond, en wij kunnen elkander wel weder in het open veld ontmoeten!—En schande kome over hem, die het eerst zijn vijand zal loslaten! Maar thans zijn wij vrienden, en ik zie om hulp tot u op, veeleer dan dat ik harde uitdrukkingen of eene uitdaging van u verwacht.”„Wij zijn vrienden” herhaalde de ridder; en er ontstond eene stilte, gedurende welke de vurige Sarraceen door de tent stapte als een leeuw, van wien men zegt, dat hij na eene geweldige prikkeling, dit middel gebruikt, om de drift van zijn bloed te verkoelen, eer hij zich in zijn hol ter rust uitstrekt. De kalmer Westerling bleef onveranderd in houding en voorkomen; evenwel was hij zonder twijfel ook bezig, om de gevoelens van gramschap, die zoo onverwachts waren opgewekt, te doen bedaren.„Laat ons hierover bedaard spreken”, zeide de Sarraceen; „ik ben geneesheer, zoo als gij weet, en er staat geschreven, dat hij, die zijne wond wil genezen hebben, niet moet terugdeinzen, als de wondarts haar onderzoekt en peilt. Ziet gij, ik ben op het punt om mijn vinger op de gekwetste plek te leggen. Gij bemint deze bloedverwante van Melec Ric—ontplooi den sluier, die uwe gedachten bedekt—of ontplooi dien niet, zoo gij dit verkiest, want mijne oogen zien door het bekleedsel heen.”„Ik beminde haar”, antwoordde sir Kenneth na eene poos, „zoo als de mensch de hemelsche genade bemint, en smeekte hare gunst om de hemelsche vergiffenis.”„En gij bemint haar niet langer?” vroeg de Sarraceen.„Helaas!” antwoordde sir Kenneth, „ik ben niet langer waardig haar te beminnen.—Ik bid u, houd met dit gesprek op—uwe woorden zijn dolken voor mij.”„Vergeef mij slechts een oogenblik, vervolgde Ilderim. „Toen gij, een arm en verborgen krijgsman, uwe genegenheid zoo stout en zoo hoog vestigdet, zeg mij, had gij toen hoop op een goeden uitslag?”„Liefde bestaat niet zonder hoop!”hernam de ridder; „maar de mijne grensde bijna even na aan wanhoop, als die van den zeeman, die om zijn leven zwemt, die baar op baar te boven komt, en bij tusschenpoozen een glimp van den verafgelegene baken opvangt, die hem toont, dat er land in het gezicht is, ofschoon zijn zinkend hart en zijne vermoeide leden hem overtuigen, dat hij het nooit zal bereiken.”„En nu”, zeide Ilderim, „is deze hoop gezonken—is dat eenzame licht voor altijd uitgebluscht?”„Voor altijd,”antwoordde sir Kenneth op den toon van een echo uit het binnenste van een verwoest graf.„Mij dunkt”, zeide de Sarraceen, „wanneer alles, wat u ontbreekt, slechts zulk een verwijderde, nevelachtige glans van geluk is, als gij te voren hadt, dan zou het licht van uw baken wel eens weder ontstoken, uwe hoop uit de oceaan, waarin het verzonken is weder opgevischt kunnen worden, en gij zelf, goede ridder, de bezigheid en het genot weder verkrijgen, om de liefde met eene zoo weinig voedzame kost, als hetmaanlicht, te voeden; want zoo gij morgen in een even goeden naam als ooit stondt, zou zij, die gij bemindt, niet minder de dochter van vorsten, en de uitverkoren bruid van Saladin zijn.”„Ik wenschte, dat het zoo ware,” zeide de Schot, „en zoo ik dan niet ….”Hij hield op, als een man, die vreest te snoeven onder omstandigheden, die niet toelieten, dat hij op de proef gesteld werd. De Sarraceen glimlachte, terwijl hij den afgebroken zin voltooide:„Dan zoudt gij den sultan tot een tweegevecht uitdagen?—”„En indien ik dit deed”, zeide Sir Kenneth op fieren toon, „dan zou hij noch de eerste noch de beste tulband zijn, tegen welke ik mijne lans heb geveld.”„Ja, maar mij dunkt, dat hij het als eene te ongelijke wijze zou beschouwen, om de kans van een koninklijke bruid en den uitslag van een grooten oorlog te wagen”, zeide de emir.„Men zou hem aan de spits van den slag kunnen aantreffen”, hernam de ridder, terwijl zijne oogen schitterden bij de visioenen, die hem zulk eene gedachte inboezemde.„Men heeft hem dáár steeds gevonden,” hervatte Ilderim; „ook is het zijne gewoonte niet, om den kop van zijn paard van een dapperen strijd af te wenden.—Maar het was niet van den Sultan, dat ik meende te spreken. In één woord, zoo het u genoegen kan geven, om zulk een naam te verwerven,—als verkregen kan worden door de ontdekking van den dief, die de banier van Engeland gestolen heeft dan kan ik u op een goeden weg leiden, om die taak ten uitvoer te brengen—dat is, zoo gij u wilt laten besturen; want wat zegt Lokman: Zoo het kind wil loopen, moet de min het leiden—zoo de onkundige wil verstaan, moet de wijze hem onderrichten.”„En gij zijt wijs, Ilderim”, zeide de Schot, „wijs ofschoon gij een Sarraceen zijt, en edelmoedig, hoewel gij een ongeloovige zijt. Ik ben van beide getuige geweest. Neem dan de leiding van deze zaak op u, en indien gij niets van mij vordert, dat in strijd is met mijne trouw en mijn christelijk geloof, dan wil ik u stipt gehoorzamen. Doe wat gij gezegd hebt, en neem mijn leven, wanneer het volbracht is.”„Luister dan naar mij”, zeide de Sarraceen. „Uw edele hond is thans hersteld door den zegen van dat goddelijke geneesmiddel, hetwelk mensch en dier geneest, en door zijn schranderheid zullen degenen, die hem aangevallen hebben, ontdekt worden.”„Ha!” riep de ridder uit—„mij dunkt, ik begrijp u—het was dom van mij, dat ik hieraan niet dacht!—”„Maar zegt mij”, voegde de emir erbij, „hebt gij eenige volgelingen of bedienden in het leger, door wie het dier zou kunnen herkend worden?”„Ik heb mijn ouden wapendienaar, uw patiënt, met een knecht, die hem oppaste, ontslagen”, antwoordde sir Kenneth, „op het oogenblik, dat ik de doodstraf verwachtte, en hem brieven voor mijne vrienden in Schotland medegegeven—er is geen ander, aan wien de hond nauwkeurigbekend is. Maar mijn eigen persoon is welbekend—mijne spraak zelve zal mij verraden in een kamp, waar ik verscheiden maanden lang geene geringe rol gespeeld heb.”„Gij zult in beide opzichten zoodanig vermomd worden, dat gij zelfs het nauwkeurigst onderzoek zult ontgaan.—Ik zeg u”, zeide de Sarraceen, „dat niet uw wapenbroeder—niet uw broeder in den bloede—u zal herkennen, zoo gij u door mijn raad leiden laat. Gij hebt mij moeilijke dingen zien verrichten—hij, die de stervenden uit de duisternis van de schaduw des doods kan terugroepen, kan gemakkelijk een nevel voor de oogen der levenden brengen. Maar let wel op—aan dezen dienst is nog deze voorwaarde verbonden, dat gij een brief van Saladin aan de nicht van Melec Ric overhandigt, wier naam even moeilijk is voor onze Oostersche tong en lippen, als hare schoonheid verrukkelijk is voor onze oogen.”Sir Kenneth zweeg eene poos eer hij antwoordde, en de Sarraceen, zijne aarzeling bemerkende, vroeg hem: „zijt gij bevreesd u met deze boodschap te belasten?”„Dat niet, al was ook de dood met de uitvoering gemoeid”, zeide sir Kenneth; „ik overwoog slechts, of het met mijne eer bestaanbaar was, om den brief van den Sultan over te brengen, of met die van jonkvrouw Edith, om dezen van een heidenschen vorst aan te nemen.”„Bij het hoofd van Mahomed, en bij de eer van een krijgsman—bij het graf te Mekka en bij de ziel van mijn vader”, hernam de emir, „zweer ik u, dat de brief in alle eer en achting geschreven is. Het gezang van den nachtegaal zal eer het rozenpriëel, dat hij bemint, schenden, dan dat de woorden van den Sultan de ooren van de bevallige bloedverwante van Engeland zouden beleedigen.”„In dat geval”, zeide de ridder, „zal ik den brief van den Sultan zoo getrouw overbrengen, alsof ik zijn geboren vasal was, met dien verstande echter, dat hij, behalve dezen eenvoudigen dienst, dien ik trouw zal vervullen, het minst van mij onder alle menschen bemiddeling of raad in dezen zonderlingen liefdehandel verwachten moet.”„Saladin is edel”, antwoordde de emir, „en zal een moedig paard niet tot een sprong aanzetten, dien het niet kan volbrengen.—Kom met mij naar mijne tent,” voegde hij er bij, „en gij zult terstond op eene wijze vermomd worden, dat gij even onherkenbaar zult zijn als de middernacht. En zoo kunt gij door het leger der Nazareërs gaan, als of gij den ring vanGiougidroegt.”

Toen de ridder van den Luipaard uit zijn langen en diepen slaap ontwaakte, bevond hij zich in omstandigheden, die zoo geheel verschillende waren van die, waarin hij zich ter rust had begeven, dat hij er aan twijfelde, of hij niet nog droomde, dan wel het tooneel door tooverij was veranderd geworden. In plaats van op het vochtige gras, lag hij op een legerstede van meer dan Oostersche weelde, en gedienstige handen hadden hem, gedurende zijn slaap, van den rok van gemsleêr, dien hij onder zijne wapenrusting droeg, ontdaan, en hem in plaats daarvan een nachtgewaad aangetrokken. Slechts palmen der woestijn hadden hem overschaduwd; maar thans lag hij onder eene zijden tent, die met de schitterendste kleuren van het chineesche weefgetouw prijkte, terwijl een licht gazen voorhangsel, dat rondom zijn bed hing, hem tegen de insecten moest beschermen, waarvan hij sedert zijne komst in deze hemelstreek de bestendige en geduldige prooi geweest was. Hij zag om zich heen, alsof hij zich wilde overtuigen, dat hij werkelijk waakte, en alles wat hem in de oogen viel, was in overeenstemming met den luister van zijne slaapstede. Een draagbaar bad van cederhout, met zilver ingelegd, stond gereed voor het gebruik en verspreidde de liefelijkste geuren, die tot de bereiding ervan waren gebruikt. Op een tafeltje van ebbenhout naast zijne ligplaats stond eene zilveren vaas, met sorbet van de heerlijkste soort, koud als sneeuw, en dat de dorst, die op het gebruik van het sterke slaapmiddel volgde, bijzonder aangenaam maakte. Om de laatste nog overgebleven dampen der bedwelming te verdrijven, besloot de ridder het bad te gebruiken, en voelde hierdoor zich heerlijk verfrischt. Na zich met handdoeken van Indische wol gedroogd te hebben, wilde hij zijn eigen grove kleeding weder aantrekken, om naar buiten te gaan en te zien, of de wereld buiten evenzeer als binnen de plaats van zijne rust veranderd was. Die was echter nergens te zien, maar in hare plaats vond hij een Saraceensch gewaad van zijden stoffen, met zwaard en dolk, zooals het voor een aanzienlijken emir paste. Hij kon geene andere reden voor deze groote zorg vinden, dan een vermoeden, dat deze bewijzen van oplettendheid bestemd waren, om hem in zijne godsdienstige overtuiging te doen wankelen, zooals wel bekend was, dat de hooge achting voor de Europeesche kunde en moed den sultan onbeperkt deed zijn in zijne geschenken jegens diegenen, die, na zijne gevangenen te zijn geworden, overgehaald waren om den tulband aan te nemen. Sir Kenneth sloeg daarom eerbiedig een kruis, en besloot al dergelijke strikken te trotseeren; en ten einde dit met te meer standvastigheid te kunnen doen, besloot hij vast om zoo matig mogelijk van de weelde gebruik te maken, waarmede hij zoomildelijk overstelpt werd. Toch voelde hij zijn hoofd nog zwaar en slaperig, en daar hij ook begreep, dat zijne lichte kleeding niet geschikt was om buiten te verschijnen, legde hij zich weder op zijn leger en opnieuw omvingen hem de armen des slaaps.

Maar ditmaal was zijne rust niet ongestoord; want hij werd door de stem van den geneesheer aan de opening van de tent gewekt, die vroeg naar zijne gezondheid en of hij voldoende gerust had.

„Mag ik uwe tent binnentreden?” zeide hij ten laatste, „want het gordijn is voor den ingang getrokken.”

„De meester,” hervatte sir Kenneth, die besloten had te toonen, dat hij zijn toestand niet vergeten had, „behoeft geen verlof te vragen, om de tent van den slaaf binnen te treden.”

„Maar indien ik niet als meester kom?” vroeg El Hakim, nog altijd zonder binnentreden.

„De geneesheer,” antwoordde sir Kenneth, „heeft vrijen toegang tot het bed van zijn patiënt.”

„Ik kom evenmin als geneesheer,” hernam El Hakim, „en daarom wil ik verlof vragen, eer ik onder het bekleedsel van uwe tent treed.”

„Al wie als vriend komt,” zeide sir Kenneth, „en als zoodanig hebt gij u tot hiertoe jegens mij betoond, voor dien is de woning des vriends steeds open.”

„En nog eens,” zeide de Oostersche wijze in den omslachtigen trant van zijne landslieden, „gesteld dat ik niet als vriend kom?”

„Kom zoo als gij wilt,” hernam de Schotsche ridder, eenigszins ongeduldig over dezen omslag,—„wees wat gij wilt—gij weet wel, dat het noch in mijne macht noch in mijne neiging ligt, om u den toegang te weigeren.”

„Ik kom dan,” zeide El Hakim, „als uw oude vijand, maar als een eerlijk en edelmoedig vijand.”

Onder het uiten van deze woorden trad hij binnen; en toen hij voor het bed van sir Kenneth stond, bleef de stem die van Adonbec, den Arabischen geneesheer; maar de gestalte, kleeding en trekken waren die van Ilderim van Kurdistan, Sheerkohf genaamd. Sir Kenneth staarde hem aan, als of hij verwachtte, dat de verschijning, die hij als slechts door zijne verbeelding voortgebracht waande, zou verdwijnen.

„Verbaast u dit zoo”, vroeg Ilderim, „en dat wel een beproefd krijgsman, te zien, dat een soldaat iets van de heelkunst verstaat?—Ik zeg u, Nazareër, dat een volmaakt ruiter zijn ros evengoed moet weten te zadelen, als te berijden; het zwaard op het aanbeeld te smeden, zoowel als in den slag te gebruiken; zijne wapenen te polijsten zoowel als te dragen, en vooral wonden te heelen, zoowel als toe te brengen.”

Terwijl hij zoo sprak, sloot de Christen ridder herhaalde malen zijne oogen; en zoo lang deze gesloten bleven, was de gedachte aan den Hakim met zijn lang, wapperend, donker gewaad, zijne hooge Tartaarsche muts en deftige gebaren voor zijn geest tegenwoordig. Maar zoodra hij ze opende, verkondigde de zwierige en rijk met edelgesteenten versierdetulband, het lichte pantser van stalen ringen, met zilver doorvlochten, dat helder schitterde, zich voegende naar elke beweging van het lichaam, en de gelaatstrekken, die thans hun ernstig karakter verloren hadden, minder donker en niet langer door het rijke haar, dat thans uit een welgekamden baard bestond, overschaduwd waren, den krijgsman en niet den wijze.

„Zijt gij nog zoo verbaasd?” vroeg de emir, „en hebt gij met zoo weinig opmerkzaamheid de wereld doorkruist, dat gij er u over verwondert, dat de menschen niet altijd zijn wat zij schijnen?—Gij zelf—zijt gij wat gij schijnt?”

„Neen, bij St. Andries!” riep de ridder uit, „want het geheele Christenleger schijn ik een verrader toe, en ik ben overtuigd, dat ik een eerlijk man ben, hoewel ik gedwaald heb.”

„Zoo beoordeelde ik u ook,” antwoordde Ilderim, „en daar wij zout te zamen gegeten hadden, achtte ik mij gebonden, om u van schande en dood te redden.—Maar waarom ligt gij nog op uw bed, daar de zon reeds hoog aan den hemel staat? of zijn de kleederen, die mijne lastkameelen u verschaft hebben niet waard om door u gedragen te worden?”

„Niet onwaard, maar ongeschikt daarvoor”, antwoordde de Schot; „geef mij de kleeding van een slaaf, edele Ilderim, en ik zal ze met genoegen dragen; maar ik kan het niet over mij verkrijgen, om het gewaad van een vrijen Oosterschen krijgsman met den tulband van den Muzelman te dragen.”

„Nazareër,” antwoordde de emir, „uw volk koestert zoo schielijk verdenking, dat dit hen lichtelijk zelven verdacht kan maken. Heb ik u niet gezegd, dat Saladin geene bekeerden verlangt, dan die, welke de heilige Profeet zal bewegen, om zich aan zijne wet te onderwerpen? Geweld en omkooping zijn even vreemd aan zijn plan, om het ware geloof uit te breiden. Luister naar mij, broeder. Toen de blinde op wonderdadige wijze het gezicht had teruggekregen, vielen de schellen door Gods welbehagen van zijne oogen—meent gij, dat eenig wereldsch geneesheer die had kunnen verwijderen? Neen. Zulk een heelmeester had den lijder met zijne instrumenten kunnen kwellen, of hem mogelijk met zijne balsems of hartversterkende middelen eenige verzachting kunnen geven, maar de blinde had even blind moeten blijven; en met de verblindheid van den geest is het even zoo gesteld. Zoo er onder de Franken sommigen zijn, die om aardsch gewin den tulband van den Profeet hebben aangenomen, en de wetten van den Islam gevolgd, dan ruste de blaam op hun eigen geweten. Zij zochten zelven het lokaas. De Sultan heeft hun het niet voorgehouden. En wanneer zij hier namaals, als huichelaars, tot de diepste kolk der hel, beneden Christen en Jood, toovenaar en afgodendienaar, zullen verdoemd worden, en veroordeeld om van de vrucht te eten, van den boom Yacourn, die het hoofd der duivelen is—dan zullen hunne schuld en straf niet aan den Sultan, maar aan hen zelven te wijten zijn.—Draag daarom,zonder te twijfelen of te aarzelen, het voor u bereide gewaad, daar uw eigen gewone kleeding, zoo gij naar het kamp van Saladin gaat, u aan lastige nieuwsgierigheid en misschien aan beleediging blootstellen zal.”

„Zoo ik naar het kamp van Saladin ga?” vroeg sir Kenneth, de woorden van den emir herhalende. „Helaas! Ben ik dan vrij in mijne daden, en moet ik niet veeleer heengaan, waarheen uw goedvinden mij heenzendt?”

„Uw eigen wil kan uwe bewegingen leiden”, zeide de Emir, „even vrij als de wind, die het stof van de woestijn beweegt in de richting, die hij goedvindt. De edele vijand, die met mij gestreden en mij bijna overwonnen heeft, kan mijn slaaf niet worden zoo als hij, die onder mijn zwaard bezweken is. Wanneer rijkdom en macht u in verzoeking konden brengen om u bij ons volk te voegen, dan zou ik u het bezit ervan kunnen verzekeren; maar de man, die de gunstbewijzen van den Sultan weigerde, toen de bijl aan zijn hals was, zal meen ik, die thans niet aannemen, nu ik hem zeg, dat hij zijne vrije keus heeft.”

„Voltooi uwe edelmoedigheid, edele emir”, zeide sir Kenneth, „door niet langer mij eene wijze van vergelding voor te houden, die mijn geweten mij verbiedt aan te nemen. Vergun mij veeleer om, gelijk de beleefdheid vordert, mijne dankbaarheid voor deze ridderlijke goedheid, deze onverdiende grootmoedigheid uit te drukken.”

„Zeg niet onverdiend,” hervatte de emir Ilderim;„was het niet door uw gesprek en uw verhaal omtrent de schoonheden, die het hof van Melec Ric tot sieraad strekken, dat ik mij verkleed derwaarts begaf, en waart gij het niet, die mij daardoor het heerlijkste tafereel deed aanschouwen, dat ik ooit genoten heb—dat ik ooit zal genieten, totdat de pracht van het paradijs voor mijne oogen zal schitteren?”

„Ik begrijp u niet”, antwoordde sir Kenneth, beurtelings rood en bleek wordende, als een man, die gevoelde, dat het gesprek een zeer kiesche wending nam die hem tevens hoogst pijnlijk aandeed.

„Mij niet begrijpen!” riep de emir uit. „Zoo hetgeen ik in de tent van Koning Richard aantrof, aan uwe aandacht ontsnapt is, dan wil ik die voor stomper houden, dan het houten zwaard van een potsenmaker. Het is zoo, over u was op dat oogenblik het doodvonnis uitgesproken; maar als ik in het geval geweest ware, en al ware mijn hoofd van den romp gevallen, dan zouden nog de laatste kwijnende blikken van mijne oogappels met genot zulk een aanminnig gelaat aanschouwd hebben, en het hoofd zou van zelf naar de onvergelijkelijkehourizijn gewenteld, om met zijne bevende lippen den zoom van haar gewaad te kussen.—Die Koningin van Engeland, die om hare uitnemende schoonheid verdient, Koningin van het heelal te zijn—welk eene teederheid in haar blauw oog—welk een glans in hare loshangende, gouden lokken!—Bij het graf van den profeet, ik geloof nauwelijks, dat dehouri, die mij den diamanten beker der onsterfelijkheid zal aanbieden, zulk eene warme liefkozing zal verdienen!”

„Sarraceen”, zeide sir Kenneth ernstig, „gij spreekt van de gemalin van Richard van Engeland, aan wie de mannen niet denken en van wie zij niet spreken, als eene vrouw, die te winnen, maar als eene Koningin, die te eerbiedigen is.”

„Ik vraag u vergiffenis”, hernam de Sarraceen. „Ik had uw bijgeloovigeneerbied voor de vrouwen vergeten, die gij veeleer beschouwt als geschikt om bewonderd en vereerd, dan gezocht en bezeten te worden. Ik sta er u borg voor, dat, daar gij zulk eene diepe achting voor dat teedere, zwakke schepsel eischt, waarvan elke beweging, elke stap en elke blik de vrouw aanduidt, aan haar niet minder dan eene algeheele aanbidding aan hare donkere lokken en edel, sprekend oog moet gebracht worden. Zij, inderdaad, dit wil ik bekennen, heeft in haar edelen gang en haar statig voorkomen iets, dat even rein als krachtig is.—Maar zij zelve, zoo de gelegenheid en een stout minnaar haar drongen, zou hem, ik verzeker het u, in haar hart danken, dat hij haar veeleer als eene stervelinge dan als eene godin behandelde.”

„Eerbiedig de bloedverwante van Richard Leeuwenhart”, zeide sir Kenneth op een toon van onbedwongen toorn.

„Haar eerbiedigen!” antwoordde de emir spottend—„bij de Kaaba, en als ik dat doe, zal dit vooral zijn als de bruid van Saladin.”

„De ongeloovige Sultan is niet waardig, zelfs de plek te kussen, die Edith Plantagenet met haar voet gedrukt heeft!” riep de Christen, van zijn leger opspringende.

„Ha! wat zegt de Giaour?” riep de emir, de hand aan het gevest van zijn dolk slaande, terwijl zijn voorhoofd, als blinkend koper gloeide, en de spieren van zijne lippen en wangen zich bewogen, totdat ieder lok van zijn baard zich scheen saam te vlechten en te persen, alsof ze doorinstinktmatigedrift bezield werd. Maar de Schotsche ridder, die den leeuwentoorn van Richard had doorstaan, was onbedeesd bij den tijgerblik van den vergramden Sarraceen.

„Wat ik gezegd heb”, hervatte hij, met gekruiste armen en onverschrokken blikken, „zou ik te voet of te paard tegen alle stervelingen staande houden, en ik zou het niet de merkwaardigste daad van mijn leven achten, om het met mijn goed breed zwaard tegen een twintigtal van deze sikkels en naalden te handhaven”, en hierbij wees hij op het zwaard en den dolk van den emir.

De Sarraceen herkreeg zijne bedaardheid, terwijl de Christen sprak, in zoo ver, dat hij de hand van zijn wapentuig terug trok, als of de beweging zonder bedoeling geweest was; maar hij verkeerde nog steeds in groote drift.

„Bij het zwaard van den Profeet”, zeide hij, „dat de sleutel is zoowel van den hemel als van de hel, hij stelt zijn leven op geringen prijs, broeder, die zulk eene taal als gij gebruikt! Geloof mij, zoo uwe handen los waren, gelijk gij het noemt, een enkel waar geloovige die zóó veel te doen zou geven, dat gij spoedig wenschen zoudt, dat ze weder in ijzeren boeien geklonken waren.”

„Liever zou ik wenschen, dat ze bij de schouders afgehouwen werden”, sprak sir Kenneth.

„Goed. Uwe handen zijn thans gebonden”, zeide de Sarraceen op vriendelijker toon, „gebonden door uw eigen edelen zin van rechtschapenheid, en ik heb ook voor het oogenblik niet het minste plan om ze in vrijheid te stellen. Wij hebben elkander reeds vroeger onze krachten onzen moed getoond, en wij kunnen elkander wel weder in het open veld ontmoeten!—En schande kome over hem, die het eerst zijn vijand zal loslaten! Maar thans zijn wij vrienden, en ik zie om hulp tot u op, veeleer dan dat ik harde uitdrukkingen of eene uitdaging van u verwacht.”

„Wij zijn vrienden” herhaalde de ridder; en er ontstond eene stilte, gedurende welke de vurige Sarraceen door de tent stapte als een leeuw, van wien men zegt, dat hij na eene geweldige prikkeling, dit middel gebruikt, om de drift van zijn bloed te verkoelen, eer hij zich in zijn hol ter rust uitstrekt. De kalmer Westerling bleef onveranderd in houding en voorkomen; evenwel was hij zonder twijfel ook bezig, om de gevoelens van gramschap, die zoo onverwachts waren opgewekt, te doen bedaren.

„Laat ons hierover bedaard spreken”, zeide de Sarraceen; „ik ben geneesheer, zoo als gij weet, en er staat geschreven, dat hij, die zijne wond wil genezen hebben, niet moet terugdeinzen, als de wondarts haar onderzoekt en peilt. Ziet gij, ik ben op het punt om mijn vinger op de gekwetste plek te leggen. Gij bemint deze bloedverwante van Melec Ric—ontplooi den sluier, die uwe gedachten bedekt—of ontplooi dien niet, zoo gij dit verkiest, want mijne oogen zien door het bekleedsel heen.”

„Ik beminde haar”, antwoordde sir Kenneth na eene poos, „zoo als de mensch de hemelsche genade bemint, en smeekte hare gunst om de hemelsche vergiffenis.”

„En gij bemint haar niet langer?” vroeg de Sarraceen.

„Helaas!” antwoordde sir Kenneth, „ik ben niet langer waardig haar te beminnen.—Ik bid u, houd met dit gesprek op—uwe woorden zijn dolken voor mij.”

„Vergeef mij slechts een oogenblik, vervolgde Ilderim. „Toen gij, een arm en verborgen krijgsman, uwe genegenheid zoo stout en zoo hoog vestigdet, zeg mij, had gij toen hoop op een goeden uitslag?”

„Liefde bestaat niet zonder hoop!”hernam de ridder; „maar de mijne grensde bijna even na aan wanhoop, als die van den zeeman, die om zijn leven zwemt, die baar op baar te boven komt, en bij tusschenpoozen een glimp van den verafgelegene baken opvangt, die hem toont, dat er land in het gezicht is, ofschoon zijn zinkend hart en zijne vermoeide leden hem overtuigen, dat hij het nooit zal bereiken.”

„En nu”, zeide Ilderim, „is deze hoop gezonken—is dat eenzame licht voor altijd uitgebluscht?”

„Voor altijd,”antwoordde sir Kenneth op den toon van een echo uit het binnenste van een verwoest graf.

„Mij dunkt”, zeide de Sarraceen, „wanneer alles, wat u ontbreekt, slechts zulk een verwijderde, nevelachtige glans van geluk is, als gij te voren hadt, dan zou het licht van uw baken wel eens weder ontstoken, uwe hoop uit de oceaan, waarin het verzonken is weder opgevischt kunnen worden, en gij zelf, goede ridder, de bezigheid en het genot weder verkrijgen, om de liefde met eene zoo weinig voedzame kost, als hetmaanlicht, te voeden; want zoo gij morgen in een even goeden naam als ooit stondt, zou zij, die gij bemindt, niet minder de dochter van vorsten, en de uitverkoren bruid van Saladin zijn.”

„Ik wenschte, dat het zoo ware,” zeide de Schot, „en zoo ik dan niet ….”

Hij hield op, als een man, die vreest te snoeven onder omstandigheden, die niet toelieten, dat hij op de proef gesteld werd. De Sarraceen glimlachte, terwijl hij den afgebroken zin voltooide:

„Dan zoudt gij den sultan tot een tweegevecht uitdagen?—”

„En indien ik dit deed”, zeide Sir Kenneth op fieren toon, „dan zou hij noch de eerste noch de beste tulband zijn, tegen welke ik mijne lans heb geveld.”

„Ja, maar mij dunkt, dat hij het als eene te ongelijke wijze zou beschouwen, om de kans van een koninklijke bruid en den uitslag van een grooten oorlog te wagen”, zeide de emir.

„Men zou hem aan de spits van den slag kunnen aantreffen”, hernam de ridder, terwijl zijne oogen schitterden bij de visioenen, die hem zulk eene gedachte inboezemde.

„Men heeft hem dáár steeds gevonden,” hervatte Ilderim; „ook is het zijne gewoonte niet, om den kop van zijn paard van een dapperen strijd af te wenden.—Maar het was niet van den Sultan, dat ik meende te spreken. In één woord, zoo het u genoegen kan geven, om zulk een naam te verwerven,—als verkregen kan worden door de ontdekking van den dief, die de banier van Engeland gestolen heeft dan kan ik u op een goeden weg leiden, om die taak ten uitvoer te brengen—dat is, zoo gij u wilt laten besturen; want wat zegt Lokman: Zoo het kind wil loopen, moet de min het leiden—zoo de onkundige wil verstaan, moet de wijze hem onderrichten.”

„En gij zijt wijs, Ilderim”, zeide de Schot, „wijs ofschoon gij een Sarraceen zijt, en edelmoedig, hoewel gij een ongeloovige zijt. Ik ben van beide getuige geweest. Neem dan de leiding van deze zaak op u, en indien gij niets van mij vordert, dat in strijd is met mijne trouw en mijn christelijk geloof, dan wil ik u stipt gehoorzamen. Doe wat gij gezegd hebt, en neem mijn leven, wanneer het volbracht is.”

„Luister dan naar mij”, zeide de Sarraceen. „Uw edele hond is thans hersteld door den zegen van dat goddelijke geneesmiddel, hetwelk mensch en dier geneest, en door zijn schranderheid zullen degenen, die hem aangevallen hebben, ontdekt worden.”

„Ha!” riep de ridder uit—„mij dunkt, ik begrijp u—het was dom van mij, dat ik hieraan niet dacht!—”

„Maar zegt mij”, voegde de emir erbij, „hebt gij eenige volgelingen of bedienden in het leger, door wie het dier zou kunnen herkend worden?”

„Ik heb mijn ouden wapendienaar, uw patiënt, met een knecht, die hem oppaste, ontslagen”, antwoordde sir Kenneth, „op het oogenblik, dat ik de doodstraf verwachtte, en hem brieven voor mijne vrienden in Schotland medegegeven—er is geen ander, aan wien de hond nauwkeurigbekend is. Maar mijn eigen persoon is welbekend—mijne spraak zelve zal mij verraden in een kamp, waar ik verscheiden maanden lang geene geringe rol gespeeld heb.”

„Gij zult in beide opzichten zoodanig vermomd worden, dat gij zelfs het nauwkeurigst onderzoek zult ontgaan.—Ik zeg u”, zeide de Sarraceen, „dat niet uw wapenbroeder—niet uw broeder in den bloede—u zal herkennen, zoo gij u door mijn raad leiden laat. Gij hebt mij moeilijke dingen zien verrichten—hij, die de stervenden uit de duisternis van de schaduw des doods kan terugroepen, kan gemakkelijk een nevel voor de oogen der levenden brengen. Maar let wel op—aan dezen dienst is nog deze voorwaarde verbonden, dat gij een brief van Saladin aan de nicht van Melec Ric overhandigt, wier naam even moeilijk is voor onze Oostersche tong en lippen, als hare schoonheid verrukkelijk is voor onze oogen.”

Sir Kenneth zweeg eene poos eer hij antwoordde, en de Sarraceen, zijne aarzeling bemerkende, vroeg hem: „zijt gij bevreesd u met deze boodschap te belasten?”

„Dat niet, al was ook de dood met de uitvoering gemoeid”, zeide sir Kenneth; „ik overwoog slechts, of het met mijne eer bestaanbaar was, om den brief van den Sultan over te brengen, of met die van jonkvrouw Edith, om dezen van een heidenschen vorst aan te nemen.”

„Bij het hoofd van Mahomed, en bij de eer van een krijgsman—bij het graf te Mekka en bij de ziel van mijn vader”, hernam de emir, „zweer ik u, dat de brief in alle eer en achting geschreven is. Het gezang van den nachtegaal zal eer het rozenpriëel, dat hij bemint, schenden, dan dat de woorden van den Sultan de ooren van de bevallige bloedverwante van Engeland zouden beleedigen.”

„In dat geval”, zeide de ridder, „zal ik den brief van den Sultan zoo getrouw overbrengen, alsof ik zijn geboren vasal was, met dien verstande echter, dat hij, behalve dezen eenvoudigen dienst, dien ik trouw zal vervullen, het minst van mij onder alle menschen bemiddeling of raad in dezen zonderlingen liefdehandel verwachten moet.”

„Saladin is edel”, antwoordde de emir, „en zal een moedig paard niet tot een sprong aanzetten, dien het niet kan volbrengen.—Kom met mij naar mijne tent,” voegde hij er bij, „en gij zult terstond op eene wijze vermomd worden, dat gij even onherkenbaar zult zijn als de middernacht. En zoo kunt gij door het leger der Nazareërs gaan, als of gij den ring vanGiougidroegt.”


Back to IndexNext