Tweede afdeeling.De Geslachtsorganen.De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant, of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen, noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen, voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk, het afscheidingsproduct harer borstklieren.Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren (mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de verrichting derborstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd, zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer 12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op de groote borstspier (musculus pectoralis major),Plaat II No. 28, tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus), van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt, zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen, is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.De borstklier,Plaat I No. 63, bestaat uit 15–24 afzonderlijke kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der kliertakken als van meer vetafzetting in hetdaartusschen liggend bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en doorboren dien met een fijne opening.In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk, haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap aanwezig.De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof, melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding der vrouw oefent grooten invloed uit op dehoedanigheidder melk.Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei kan brengen.Schenken wij thans onze aandacht aan deuitwendige schaamdeelen, waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen (labia majora).Fig. 8 a. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien, die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia minora of nymphae).Fig. 8 b. Dit zijn dunne, zachte huidplooien, meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den kittelaar (clitoris),Fig. 8 e, in verbinding. De voorste plooi vormt de voorhuidvan den kittelaar (praeputium clitoridis),Fig. 8 d, de achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis),Fig. 8 f.De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen, die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp, vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel zetelt voornamelijk in dit orgaan.De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae).Fig. 8 c. Ongeveer in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde of spleetvormige opening.Fig. 8 g. Deze is van dikke randen voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening,de ingang der scheede(ostium vaginae),Fig. 8 i, die bij maagden gedeeltelijk gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap plaats greep.Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren.Fig. 8 h. Dezeslijm-afscheidendeklieren liggen achter den ingang der scheede; zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.Fig. 8. Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).Fig. 8.Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).a. groote schaamlippen.b. kleine schaamlippen.c. voorhof van de scheede.d. voorhuid van den kittelaar.e. kittelaar.f. bandje van den kittelaar.g. uitloozingsopening van de pisbuis.h. opening der Bartholinische klieren.i. ingang van de scheede.j. hymen.k. vereenigingsband van de groote schaamlippen.l. scheede.m. seheedegedeelte van de baarmoeder.n. lichaam van de baarmoeder.o. bodem van de baarmoeder.p. eileider.q. buikopening van den eileider.q.franjeachtige uitsteeksels.r. franjeachtig uitsteeksel, dat den eileider met den eierstok verbindt.s. eierstok.t. band, die den eierstok met de baarmoeder verbindt.u. breede baarmoederband.v. ronde baarmoederband.Boven den ingang der scheede beginnen deinwendigegeslachtsorganen. Descheede(vagina),Fig. 8 l, is een lang, eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis, verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte van de pisblaas.Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde, vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en is zij daardoor wijder geworden.In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van debaarmoeder(uterus). Dit orgaan,Plaat V No. 58, is een holle spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem (fundus uteri),Fig. 8 o, is zij naar boven, met haar afgeplatten cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen, heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri),Fig. 8 m. Het gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt, noemt men het lichaam (corpus uteri),Fig. 8 n.Deholtevan de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot de grootte van het orgaan.Fig. 9 a. Het vormt een fleschvormig driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe insnoering, deinwendigebaarmoedermond (ostium uteri internum),Fig. 9 b. Deuitwendigebaarmoedermond (ostium uteri externum),Fig. 9 d, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en baarmoederholte tot stand.De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze, tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar ruim vertegenwoordigd. Vanbinnenis de wand geheel bekleed met slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch in het halskanaal vele plooien vormt.Fig. 9 c.Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat daar in het slijmvlies der scheede over.Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de blaas of deendeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in ʼt algemeen aan, dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.Fig. 9. Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).Fig. 9.Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).a. baarmoederholte.b. inwendige baarmoedermond.c. slijmvlies van het halskanaal.d. uitwendige baarmoedermond.e. bodem van de baarmoeder.Vanbuitenis de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies, dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder ligt dus als ʼt ware ingestulpt in het buikvlies.Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór- en achterplooi van het buikvlies samen en vormen debreedebaarmoederbanden (ligamenta lata),Fig. 8 u. Deze banden zijn dus uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.Derondebaarmoederbanden (ligamenta rotunda),Fig. 8 v, ontstaan uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, deeileiders(tubae Fallopiae),Fig. 8 p. De eileiders zijn door den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode franje omzoomen,Fig. 8 q.Eénvan deze uitsteeksels is langer dan de overige en is met den eierstok verbonden.Fig. 8 r. Waarschijnlijk gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder voort te bewegen.Deeierstokken(ovarii),Fig. 8 s, zijn de organen, die de kiem voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine bekken,Plaat V No. 59. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede door een band (ligamentum ovarii proprium)Fig. 8 tverbonden. Met de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met den eileider in verbinding.Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus ovarii),Fig. 10 aa. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea),Fig. 10 e, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt, omgeeft den eierstok geheel.Fig. 10. Doorsnede van een eierstok. (Gegenbaur).Fig. 10.Doorsnede van een eierstok.(Gegenbaur).aa. poort van den eierstok.b. merggedeelte.c. Graafsche follikel.d. ledige follikels.e. vezelachtig vlies.Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte,Fig. 10 b,en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal vliezige blaasjes, de Graafsche follikels,Fig. 10 c, bevat. Deze Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht (liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft; dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel, waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen, aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is, een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte, zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen tijd onregelmatig en ruw.De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts het ⅓ gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer 12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats grijpt, isvan vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan 15 jaren.Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert, in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk worden toegeschreven.Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje, met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid, in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren worden begroeid.Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid het lichaam het grootst.In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid is ingetreden.Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam, gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer 20-j. leeftijd voltooid is.Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het intreden van de eerste menstruatie.Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30 dagen en duurt 3–5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke afwijkingen.De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af tusschende 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen, die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn, bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten, gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij later zullen blijken onjuist te zijn.Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen, omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen, waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn, slaperigheid.Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager inde scheede. De slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen daarvan voort.De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling, die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden, het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie, meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen, het langdurig staan vermijden, in ʼt kort, alle buitengewone inspanning achterwege laten.Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45- à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode bij de vrouw den climacterischen leeftijd.In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen, het geheele orgaan schrompelt ineen.De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties, sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd verdwijnen deze verschijnselen.Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen (spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen) in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider; de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft, of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder aangekomen is.Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich kunnen voortbewegen.Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap niet terug.Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken, waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft.Fig. 11.De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen, tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel neemt, is blijven hangen.Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen dit ruimteverlies genoegzaam op.Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot, een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.Fig. 11. Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft. (Schroeder.)Fig. 11.Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft.(Schroeder.)a. baarmoederwand.b. slijmvlies van de baarmoeder in beginnende ontwikkeling.c. bevrucht ei.En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en worden donkerder van kleur.De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger besproken.De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend, daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping, duizeligheid of congestie naar het hoofd.Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral in het gezicht, donkere huidvlekken.Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling verdwijnen zij meestal spoorloos.Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven, omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag, waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven, ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de moederkoek (placenta) vormt.Fig. 12. De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling (Schroeder).Fig. 12.De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling(Schroeder).fig.atotfgeven de ontwikkelingsstadia weer, tot aan het einde der 4e week. fig.genhzijn vruchten uit de 5e en 6e week, fig.iis de vrucht van ongeveer 8 weken.Demoederkoekis een sponsachtig weeke, platte schijf, die grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht verbonden. Deze streng, denavelstreng, is ongeveer een vinger dik en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter, die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest, maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion, ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Hetvruchtwater, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.Fig. 12 atotistellen de verschillende ontwikkelingsstadia voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de 9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en teenen beginnen reeds te verhoornen.In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans veel grooter is dan van de voldragen vrucht.In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij ongeveer een halven meter lang en 3 à 3½ kilogram zwaar.De ruimte in de baarmoederholte is niet groot genoeg om de vrucht een gemakkelijke houding te verschaffen. Deze is gedwongen zich te behelpen en zoo tegaan liggen, dat zij de kleinst mogelijke ruimte inneemt. Daarom kromt zij den rug sterk naar voren, legt de kin op de borst, trekt de beenen tegen den buik, buigt de knieën, en legt de onderbeenen met de voeten gekruist en met de hielen naar onderen. De bovenarmen worden tegen de borstkas gedrukt, de onderarmen en handen over de borst gekruist. In de ruimte, die tusschen armen en beenen vrij blijft, vindt dan de navelstreng een plaats.Fig. 13.Het hoofdje ligt daarbij meestal naar onderen, de rug naar voren, eenigszins links of rechts en de billen en voeten naar boven gekeerd. Dit is de meest voorkomende ligging van de vrucht op het einde der zwangerschap, doch talrijke afwijkingen doen zich voor.Gedurig tracht de vrucht haar ongemakkelijke houding te veranderen, een verandering, die bijna altijd gering en snel voorbijgaande is, waardoor dan de kleine, stootende bewegingen veroorzaakt worden, die door de moeder als »het leven van het kind« worden gevoeld.Op het einde van de 40e week drijft de moeder de vrucht uit de baarmoederholte door het halskanaal van de baarmoeder en door de scheede naar buiten.De uitdrijving, de baring, komt tot stand door samenwerking van twee verschillende krachten. Deze vinden haar oorsprong in samentrekkingen van den baarmoederwand, die wegens de daardoor veroorzaakte pijn als »weeën« worden aangeduid, en in samentrekkingen van buikspieren en middelrif, die als »buikpers« dienst doen.Fig. 13. Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).Fig. 13.Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).a. darmen.b.wervelkolom.c. buikwand.d. endeldarm.e. scheede.f. pisbuis.g. pisblaas.De weeën volgen elkander met korte tusschenpoozen op. Zij zijn in den aanvang zwak en de pijn gering, doch hoe verder de baring vordert, des te krachtiger en pijnlijker worden zij. Dan komt ook de buikpers onwillekeurig in werking en helpt krachtig mede aan de uitdrijving van de vrucht. Eerst komt het hoofd naarbuiten, daarna met een paar volgende weeën gewoonlijk het overige gedeelte van het kind.Na de geboorte wordt de navelstreng met bandjes dichtgebonden en doorgeknipt. Spoedig volgen dan eenige samentrekkingen van de baarmoeder en worden de moederkoek en de eivliezen (de nageboorte) uitgedreven.Zoodra het kind geboren is, verkondigt het zijn intrede in de wereld door eenige flinke schreeuwen. Met dit schreeuwen vangen tevens de eerste ademhalingsbewegingen aan.Het eindje navelstreng, dat aan zijn lichaam is blijven hangen, verdroogt spoedig en valt na 4 of 5 dagen af.Onmiddellijk nadat de nageboorte is uitgedreven, beginnen de geslachtsorganen tot den toestand terug te keeren, waarin zij zich vóór de zwangerschap bevonden. Bij vrouwen, die het kind zoogen, maken de borstklieren hierop een uitzondering. Eerst ongeveer 6 weken na de bevalling is de vroegere toestand, met uitzondering van de hiervoor reeds genoemde blijvende verandering van sommige organen, weder teruggekeerd.Beschrijving der platen.Plaat II. De Spieren.De linker lichaamshelft vertoont de oppervlakkig gelegen spieren; de rechter lichaamshelft geeft een aantal dieper gelegen spieren te zien, die eerst zichtbaar worden, als de daarboven gelegene verwijderd zijn.1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)2. Peesachtige schedelkap. (Galea aponeurotica cranii.)3. Voorhoofdsspier. (Musculus frontalis.)4. Slaapspier. (Musculus temporalis.)5. Wenkbrauwfronser. (Musculus corrugator supercilii.)6. Sluitspier van het ooglid. (Musculus orbicularis orbitae.)7. Aantrekker van het oor. (Musculus attrahens auriculae.)8. Nederdrukker van den neus. (Musculus depressor alae nasi.)9. Oplichter der bovenlip. (Musc. levator labii sup. proprius.)10. Oplichter van den neusvleugel en bovenlip. (Musc. levator alae nasi et labii superioris.)11. Sluitspier van den mond. (Musculus orbicularis oris.)12. Kauwspier. (Musculus masseter.)13. Wangspier. (Musculus buccinator.)14. Kinspier of opheffer van de kin. (Musculus levator menti.)15. Schuine halsspier. (Musculus sterno-cleido-mastoideus.)16. Schouderblad-tongbeenspier. (Musculus omo-hyoideus.)17. Borstbeen-tongbeenspier. (Musculus sterno-hyoideus.)18. Voorste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus anticus.)19. Middelste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus medius.)20. Optrekker van het schouderblad. (Musculus levator scapulae.)21.Monnikskapspier. (Musculus cucularis.)22. Sleutelbeen. (Clavicula.)23. Borstbeen. (Sternum.)24. Bovenarmbeen. (Humerus.)25. Sleutelbeenspier. (Musculus subclavius.)26. Kleine borstspier. (Musculus pectoralis minor.)27. Groote getande spier. (Musc. serratus anticus major.)28. Groote borstspier. (Musculus pectoralis major.)29. Onderschouderbladspier. (Musculus subscapularis.)30. Ravenbeksarmspier. (Musculus coraco-brachialis.)31. Tweehoofdige armspier. (Musculus biceps brachii.)32. Deltaspier. (Musculus deltoideus.)33. Binnenste hoofd van de driehoofdige armspier. (Musculus triceps.)34. Binnenste armspier. (Musculus brachialis internus.)35. Rechte buikspier met peesstrooken. (Musculus rectus abdominis.)36. Witte buiklijn. (Linea alba.)37. Buitenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis externus.)38. Binnenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis internus.)39. Band van Poupart. (Ligamentum Poupartii.)40. Inwendige opening van het lieskanaal. (Apertura interna canalis inguinalis.)41. Lieskanaal. (Canalis inguinalis.)42. Uitwendige opening van het lieskanaal. (Apertura externa canalis inguinalis.)43. Middelste bilspier. (Musculus glutaeus medius.)44. Het lange hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen (musculus extensor cruris quadriceps); slechts het bovenste gedeelte is zichtbaar.45. Kamspier. (Musculus pectineus.)46. Lange aantrekkende spier van het been. (Musculus adductor magnus.)47. Het buitenste hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen.48. Lange beenspier of kleermakersspier. (Musculus sartorius.)49. Dunne dijspier. (Musculus gracilis.)Plaat III. De Bloedsomloop.De rood gekleurde bloedvaten zijn de slagaderen (arteriae), de blauw gekleurde de aderen (venae).1. Linker hartkamer. (Ventriculus sinister.)2. Rechter hartkamer. (Ventriculus dexter.)3. Rechter voorkamer met hartoor. (Atrium dexter.)4. Linker hartoor. (Auriculum sinistrum.)5. Opstijgende tak van de groote lichaamsslagader (aorta), die uit de linker hartkamer ontspringt. (Aorta ascendens.)6. Aorta-boog. (Arcus aorta.)7. Neerdalende tak van de aorta. (Aorta descendens.)8. Longslagader (Arteria pulmonalis), die uit de rechter hartkamer ontspringt.9. Bovenste holle ader. (Vena cava superior.)10. Onderste holle ader. (Vena cava inferior.) Beide storten haar bloed in de rechter voorkamer.11. Naamlooze slagader (Arteria anonyma), die uit de aorta voortkomt.12. Gemeenschappelijke halsslagader (Carotis communis); door haar vertakkingen voorziet zij het hoofd van bloed.13. Buitenste kaakslagader. (Arteria maxillaris externa.)14. Oppervlakkige slaapslagader. (Arteria temporalis superficialis.)15. Diepe slaapslagader. (Arteria temporalis profundis.)De naamlooze slagader levert ook het bloed voor den arm door de:16. Sleutelbeenslagader. (Arteria subclavia.)17. Okselslagader (Arteria axillaris), en:18. Bovenarmslagaderen. (Arteriae brachialis.)Uit het buikgedeelte der aorta komen de:19. Korte buikslagaderen. (Arteria coeliacae) (afgesneden.)20. Bovenste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica superior.) (eveneens afgesneden).21. Nierslagader. (Arteria renalis.)22. Onderste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica inferior) (afgesneden).23. Linker binnenste zaadslagader (Arteria spermatica interna); de rechter ontspringt meestal uit de nierslagader.De binnenste zaadslagaderen voorzien de geslachtsorganen van bloed.Door de vorkvormige verdeeling der aorta in de twee:24. Gemeenschappelijke bekkenslagaderen (Arteriae iliacae communes) worden de beenen van bloed voorzien. Voor dit doel geven zij af de:25. Dijslagader (Arteria cruralis) en haar in de diepte gaanden tak, de:26. Diepe dijslagader. (Arteria profunda femoris.)De bovenste holle ader stort het veneuze bloed uit het bovenste gedeelte van het lichaam in de rechter voorkamer. Zij ontstaat door vereeniging van de beide:27. Naamlooze aderen. (Venae innominatae.)Deze ontvangen het veneuze bloed uit den arm door de:28. Sleutelbeenader (Vena subclavia) en de:29 en 30. Huidaderen van den arm (Venae subcutaneae brachii) en uit het hoofd door de:31. Inwendige strotader. (Vena jugularis interna.)32. Uitwendige strotader. (Vena jugularis externa.)De onderste holle ader stort eveneens haar bloed in de rechter voorkamer. Zij ontvangt dit uit de aderen van het onderste gedeelte van het lichaam.Haar takken zijn:33. Leveraderen. (Venae hepaticae.)34. Nierader. (Vena renalis.)35. Inwendige zaadader. (Vena spermatica int.)36. Gemeenschappelijke bekkenader. (Vena iliaca communis.)37. Dijader. (Vena cruralis).Plaat IV. Het zenuwstelsel.Een doorsnede van het hoofd en de wervelkolom geeft ten deele een overzicht van hersenen en ruggemerg, terwijl de armen en beenen zoodanig zijn afgesneden, dat men den aanvang der voor hen bestemde zenuwen kan overzien.1. Groote hersenen. (Cerebrum.)2. Brug van Varol (Pons Varolii), die de beide kleine hersenhalfronden verbindt.3. Verlengde merg. (Medulla oblongata.)4. Halsgedeelte van het ruggemerg. (Medulla spinalis.)5. Borstgedeelte van het ruggemerg.6. Mergkegel. (Conus.)7. Lendengedeelte van het ruggemerg.8. Paardestaart (Cauda equina.)Uit de hersenen ontspringen 12 paar hersenzenuwen, waarvan evenwel op deze plaat slechts de oorsprong te zien is van de:9. Buitenste oogspierzenuw. (Nervus oculomotorius.)10. Drielingszenuw. (Nervus trigeminus.)11. Aangezichtszenuw en gehoorzenuw. (Nervus facialis et acusticus.)12. Tong- en keelzenuw. (Nervus glosso-pharyngeus.)Uit het ruggemerg ontspringen 31 paar ruggemergszenuwen. De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:13. Halszenuwvlecht. (Plexus cervicalis.)De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:14. Armenzenuwvlecht. (Plexis brachialis), welke op de plaat zichtbare takken naar den arm zendt.15. Huidzenuwen van den arm. (Nervi cutanei brachii.)16. Middelarmzenuw. (Nervus medianus.)17. Elleboogzenuw. (Nervus ulnaris.)18. Spier-huidzenuw. (Nervus musculo-cutaneus). Verder kan men nog het begin zien van de:19. Achtste halszenuw. (Nervus cervicalis.)20. Eerste borstzenuw. (Nervus thoracicus.)21. Twaalfde borstzenuw. (Nervus thoracicus.)22. Eerste lendenzenuw. (Nervus lumbalis.)23. Heup-bekkenzenuw. (Nervus ilio-hypogastricus.)24. Heup-lieszenuw. (Nervus ilio-inguinalis.)25. Huidzenuw van het bovenbeen. (Nervus cutaneus femoris.)26. Heupkomzenuw. (Nervus obturatorius.)27. Dijzenuw. (Nervus cruralis.)28. Schaambeenzenuw. (Nervus genito-cruralis.)29. Eerste heiligbeenzenuw. (Nervus sacralis.)30. Verbindingsstreng van den sympathicus. (Nervus sympathicus.)31. Heupzenuw. (Nervus ischiadicus.)Plaat V. Het Geraamte (gedeeltelijk) en de inhoud van borst- en buikholte.Van de schedelbeenderen ziet men slechts:1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)2. Kruin- of wandbeen. (Os parietale.)3. Slaapbeen. (Os temporum.)4. Jukbeen. (Os zygomaticum.)5. Bovenkaakbeen. (Os maxillare superius.)6. Onderkaak. (Mandibula.)Verder ziet men:7. Zevende halswervel. (Vertebra prominens.)8. Eerste borstwervel. (Vertebra thoracicus.)9. Twaalfde borstwervel. (Vertebra thoracicus.)10. Vijfde lendenwervel. (Vertebra lumbalis.)11. Kruis- of heiligbeen. (Os sacrum.)12. Stuitbeen. (Os coccygis.)13. Sleutelbeen. (Clavicula.)14. Borstbeen. (Sternum.)15. Eerste rib, (Costa.)16. Twaalfde rib,(Costa.)17. Schouderblad. (Scapula.)18. Bovenarmbeen. (Humerus.)19. Voorgebergte. (Promontorium.)Het heupbeen (Os innominatum), dat in verbinding met het heiligbeen en stuitbeen het eigenlijke bekken vormt, is samengesteld uit:20. Darmbeen (Os ilei.)21. Schaambeen. (Os pubis.)22. Zitbeen. (Os ischii.)No. 23 toont het Dij- of bovenschenkelbeen (Femur) aan.De Ingewanden.24. Strottenhoofd. (Larynx.)25. Luchtpijp. (Trachea.)26. Luchtpijpstakken. (Bronchi.)27. Rechter en linker long. (Pulmones dexter et sinister.)28. Hart. (Cor.)29. Linker hartkamer van binnen.30. Rechter hartkamer van binnen. Gedeeltelijk ziet men in beide hartkamers de uitgespreide hartkleppen. (Valvulae.)31. Rechter voorkamer van het hart.32. Linker hartoor.33. Groote lichaamsslagader. (Aorta.)34. Longslagader.35. Bovenste holle ader.36. Linker voorkamer van het hart.37. Onderste holle ader.38. Keelholte. (Pharynx.)39. Slokdarm. (Oesophagus.)40. Maag. (Ventriculus.)41. Milt. (Lien.)42. Alvleeschklier. (Pankreas.)43. Twaalfvingerige darm. (Intestinum duodenum) (gedeeltelijk geopend.)44. Dunne darm (nuchtere darm en kronkeldarm.) (Intestinum jejunum et ileum.)45. Blinde darm (Intestinum coecum) met het wormsgewijze verlengsel. (Processus vermicularis.)46. Karteldarm. (Colon.)47. Aars- of endeldarm. (Intestinum rectum.)48. Lever. (Hepar.)49. Galblaas. (Cystis fellea.)50. Middelrif. (Diaphragma.)51. Nier. (Ren.)52. Nierbekken. (Pelvis renalis.)53. Pisleider. (Ureter.)54. Pisblaas. (Vesica urinaria.)55. Uitwendige geslachtsorganen. (Genitalia.)56. Scheede. (Vagina.)57. Baarmoedermond. (Orificium uterinum.)58. Baarmoeder. (Uterus.)59. Eierstok. (Ovarium) (rechter is geopend.)60. Eileider. (Oviductus of Tuba Fallopiana.)61. Breede baarmoederband. (Ligamentum latum.)62. Ronde baarmoederband. (Ligamentum rotundum.)63. Op plaat 1 vinden wij de opengelegde borstklier (Mamma), die eveneens tot de geslachtsorganen behoort.64. Groote lendenspier. (Musculus psoas major.)
Tweede afdeeling.De Geslachtsorganen.De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant, of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen, noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen, voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk, het afscheidingsproduct harer borstklieren.Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren (mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de verrichting derborstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd, zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer 12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op de groote borstspier (musculus pectoralis major),Plaat II No. 28, tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus), van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt, zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen, is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.De borstklier,Plaat I No. 63, bestaat uit 15–24 afzonderlijke kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der kliertakken als van meer vetafzetting in hetdaartusschen liggend bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en doorboren dien met een fijne opening.In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk, haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap aanwezig.De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof, melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding der vrouw oefent grooten invloed uit op dehoedanigheidder melk.Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei kan brengen.Schenken wij thans onze aandacht aan deuitwendige schaamdeelen, waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen (labia majora).Fig. 8 a. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien, die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia minora of nymphae).Fig. 8 b. Dit zijn dunne, zachte huidplooien, meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den kittelaar (clitoris),Fig. 8 e, in verbinding. De voorste plooi vormt de voorhuidvan den kittelaar (praeputium clitoridis),Fig. 8 d, de achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis),Fig. 8 f.De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen, die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp, vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel zetelt voornamelijk in dit orgaan.De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae).Fig. 8 c. Ongeveer in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde of spleetvormige opening.Fig. 8 g. Deze is van dikke randen voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening,de ingang der scheede(ostium vaginae),Fig. 8 i, die bij maagden gedeeltelijk gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap plaats greep.Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren.Fig. 8 h. Dezeslijm-afscheidendeklieren liggen achter den ingang der scheede; zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.Fig. 8. Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).Fig. 8.Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).a. groote schaamlippen.b. kleine schaamlippen.c. voorhof van de scheede.d. voorhuid van den kittelaar.e. kittelaar.f. bandje van den kittelaar.g. uitloozingsopening van de pisbuis.h. opening der Bartholinische klieren.i. ingang van de scheede.j. hymen.k. vereenigingsband van de groote schaamlippen.l. scheede.m. seheedegedeelte van de baarmoeder.n. lichaam van de baarmoeder.o. bodem van de baarmoeder.p. eileider.q. buikopening van den eileider.q.franjeachtige uitsteeksels.r. franjeachtig uitsteeksel, dat den eileider met den eierstok verbindt.s. eierstok.t. band, die den eierstok met de baarmoeder verbindt.u. breede baarmoederband.v. ronde baarmoederband.Boven den ingang der scheede beginnen deinwendigegeslachtsorganen. Descheede(vagina),Fig. 8 l, is een lang, eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis, verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte van de pisblaas.Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde, vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en is zij daardoor wijder geworden.In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van debaarmoeder(uterus). Dit orgaan,Plaat V No. 58, is een holle spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem (fundus uteri),Fig. 8 o, is zij naar boven, met haar afgeplatten cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen, heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri),Fig. 8 m. Het gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt, noemt men het lichaam (corpus uteri),Fig. 8 n.Deholtevan de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot de grootte van het orgaan.Fig. 9 a. Het vormt een fleschvormig driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe insnoering, deinwendigebaarmoedermond (ostium uteri internum),Fig. 9 b. Deuitwendigebaarmoedermond (ostium uteri externum),Fig. 9 d, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en baarmoederholte tot stand.De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze, tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar ruim vertegenwoordigd. Vanbinnenis de wand geheel bekleed met slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch in het halskanaal vele plooien vormt.Fig. 9 c.Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat daar in het slijmvlies der scheede over.Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de blaas of deendeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in ʼt algemeen aan, dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.Fig. 9. Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).Fig. 9.Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).a. baarmoederholte.b. inwendige baarmoedermond.c. slijmvlies van het halskanaal.d. uitwendige baarmoedermond.e. bodem van de baarmoeder.Vanbuitenis de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies, dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder ligt dus als ʼt ware ingestulpt in het buikvlies.Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór- en achterplooi van het buikvlies samen en vormen debreedebaarmoederbanden (ligamenta lata),Fig. 8 u. Deze banden zijn dus uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.Derondebaarmoederbanden (ligamenta rotunda),Fig. 8 v, ontstaan uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, deeileiders(tubae Fallopiae),Fig. 8 p. De eileiders zijn door den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode franje omzoomen,Fig. 8 q.Eénvan deze uitsteeksels is langer dan de overige en is met den eierstok verbonden.Fig. 8 r. Waarschijnlijk gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder voort te bewegen.Deeierstokken(ovarii),Fig. 8 s, zijn de organen, die de kiem voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine bekken,Plaat V No. 59. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede door een band (ligamentum ovarii proprium)Fig. 8 tverbonden. Met de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met den eileider in verbinding.Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus ovarii),Fig. 10 aa. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea),Fig. 10 e, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt, omgeeft den eierstok geheel.Fig. 10. Doorsnede van een eierstok. (Gegenbaur).Fig. 10.Doorsnede van een eierstok.(Gegenbaur).aa. poort van den eierstok.b. merggedeelte.c. Graafsche follikel.d. ledige follikels.e. vezelachtig vlies.Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte,Fig. 10 b,en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal vliezige blaasjes, de Graafsche follikels,Fig. 10 c, bevat. Deze Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht (liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft; dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel, waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen, aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is, een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte, zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen tijd onregelmatig en ruw.De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts het ⅓ gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer 12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats grijpt, isvan vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan 15 jaren.Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert, in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk worden toegeschreven.Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje, met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid, in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren worden begroeid.Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid het lichaam het grootst.In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid is ingetreden.Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam, gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer 20-j. leeftijd voltooid is.Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het intreden van de eerste menstruatie.Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30 dagen en duurt 3–5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke afwijkingen.De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af tusschende 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen, die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn, bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten, gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij later zullen blijken onjuist te zijn.Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen, omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen, waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn, slaperigheid.Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager inde scheede. De slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen daarvan voort.De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling, die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden, het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie, meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen, het langdurig staan vermijden, in ʼt kort, alle buitengewone inspanning achterwege laten.Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45- à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode bij de vrouw den climacterischen leeftijd.In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen, het geheele orgaan schrompelt ineen.De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties, sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd verdwijnen deze verschijnselen.Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen (spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen) in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider; de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft, of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder aangekomen is.Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich kunnen voortbewegen.Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap niet terug.Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken, waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft.Fig. 11.De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen, tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel neemt, is blijven hangen.Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen dit ruimteverlies genoegzaam op.Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot, een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.Fig. 11. Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft. (Schroeder.)Fig. 11.Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft.(Schroeder.)a. baarmoederwand.b. slijmvlies van de baarmoeder in beginnende ontwikkeling.c. bevrucht ei.En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en worden donkerder van kleur.De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger besproken.De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend, daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping, duizeligheid of congestie naar het hoofd.Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral in het gezicht, donkere huidvlekken.Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling verdwijnen zij meestal spoorloos.Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven, omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag, waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven, ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de moederkoek (placenta) vormt.Fig. 12. De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling (Schroeder).Fig. 12.De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling(Schroeder).fig.atotfgeven de ontwikkelingsstadia weer, tot aan het einde der 4e week. fig.genhzijn vruchten uit de 5e en 6e week, fig.iis de vrucht van ongeveer 8 weken.Demoederkoekis een sponsachtig weeke, platte schijf, die grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht verbonden. Deze streng, denavelstreng, is ongeveer een vinger dik en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter, die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest, maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion, ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Hetvruchtwater, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.Fig. 12 atotistellen de verschillende ontwikkelingsstadia voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de 9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en teenen beginnen reeds te verhoornen.In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans veel grooter is dan van de voldragen vrucht.In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij ongeveer een halven meter lang en 3 à 3½ kilogram zwaar.De ruimte in de baarmoederholte is niet groot genoeg om de vrucht een gemakkelijke houding te verschaffen. Deze is gedwongen zich te behelpen en zoo tegaan liggen, dat zij de kleinst mogelijke ruimte inneemt. Daarom kromt zij den rug sterk naar voren, legt de kin op de borst, trekt de beenen tegen den buik, buigt de knieën, en legt de onderbeenen met de voeten gekruist en met de hielen naar onderen. De bovenarmen worden tegen de borstkas gedrukt, de onderarmen en handen over de borst gekruist. In de ruimte, die tusschen armen en beenen vrij blijft, vindt dan de navelstreng een plaats.Fig. 13.Het hoofdje ligt daarbij meestal naar onderen, de rug naar voren, eenigszins links of rechts en de billen en voeten naar boven gekeerd. Dit is de meest voorkomende ligging van de vrucht op het einde der zwangerschap, doch talrijke afwijkingen doen zich voor.Gedurig tracht de vrucht haar ongemakkelijke houding te veranderen, een verandering, die bijna altijd gering en snel voorbijgaande is, waardoor dan de kleine, stootende bewegingen veroorzaakt worden, die door de moeder als »het leven van het kind« worden gevoeld.Op het einde van de 40e week drijft de moeder de vrucht uit de baarmoederholte door het halskanaal van de baarmoeder en door de scheede naar buiten.De uitdrijving, de baring, komt tot stand door samenwerking van twee verschillende krachten. Deze vinden haar oorsprong in samentrekkingen van den baarmoederwand, die wegens de daardoor veroorzaakte pijn als »weeën« worden aangeduid, en in samentrekkingen van buikspieren en middelrif, die als »buikpers« dienst doen.Fig. 13. Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).Fig. 13.Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).a. darmen.b.wervelkolom.c. buikwand.d. endeldarm.e. scheede.f. pisbuis.g. pisblaas.De weeën volgen elkander met korte tusschenpoozen op. Zij zijn in den aanvang zwak en de pijn gering, doch hoe verder de baring vordert, des te krachtiger en pijnlijker worden zij. Dan komt ook de buikpers onwillekeurig in werking en helpt krachtig mede aan de uitdrijving van de vrucht. Eerst komt het hoofd naarbuiten, daarna met een paar volgende weeën gewoonlijk het overige gedeelte van het kind.Na de geboorte wordt de navelstreng met bandjes dichtgebonden en doorgeknipt. Spoedig volgen dan eenige samentrekkingen van de baarmoeder en worden de moederkoek en de eivliezen (de nageboorte) uitgedreven.Zoodra het kind geboren is, verkondigt het zijn intrede in de wereld door eenige flinke schreeuwen. Met dit schreeuwen vangen tevens de eerste ademhalingsbewegingen aan.Het eindje navelstreng, dat aan zijn lichaam is blijven hangen, verdroogt spoedig en valt na 4 of 5 dagen af.Onmiddellijk nadat de nageboorte is uitgedreven, beginnen de geslachtsorganen tot den toestand terug te keeren, waarin zij zich vóór de zwangerschap bevonden. Bij vrouwen, die het kind zoogen, maken de borstklieren hierop een uitzondering. Eerst ongeveer 6 weken na de bevalling is de vroegere toestand, met uitzondering van de hiervoor reeds genoemde blijvende verandering van sommige organen, weder teruggekeerd.
De Geslachtsorganen.De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant, of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen, noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen, voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk, het afscheidingsproduct harer borstklieren.Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren (mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de verrichting derborstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd, zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer 12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op de groote borstspier (musculus pectoralis major),Plaat II No. 28, tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus), van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt, zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen, is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.De borstklier,Plaat I No. 63, bestaat uit 15–24 afzonderlijke kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der kliertakken als van meer vetafzetting in hetdaartusschen liggend bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en doorboren dien met een fijne opening.In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk, haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap aanwezig.De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof, melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding der vrouw oefent grooten invloed uit op dehoedanigheidder melk.Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei kan brengen.Schenken wij thans onze aandacht aan deuitwendige schaamdeelen, waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen (labia majora).Fig. 8 a. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien, die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia minora of nymphae).Fig. 8 b. Dit zijn dunne, zachte huidplooien, meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den kittelaar (clitoris),Fig. 8 e, in verbinding. De voorste plooi vormt de voorhuidvan den kittelaar (praeputium clitoridis),Fig. 8 d, de achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis),Fig. 8 f.De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen, die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp, vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel zetelt voornamelijk in dit orgaan.De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae).Fig. 8 c. Ongeveer in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde of spleetvormige opening.Fig. 8 g. Deze is van dikke randen voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening,de ingang der scheede(ostium vaginae),Fig. 8 i, die bij maagden gedeeltelijk gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap plaats greep.Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren.Fig. 8 h. Dezeslijm-afscheidendeklieren liggen achter den ingang der scheede; zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.Fig. 8. Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).Fig. 8.Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).a. groote schaamlippen.b. kleine schaamlippen.c. voorhof van de scheede.d. voorhuid van den kittelaar.e. kittelaar.f. bandje van den kittelaar.g. uitloozingsopening van de pisbuis.h. opening der Bartholinische klieren.i. ingang van de scheede.j. hymen.k. vereenigingsband van de groote schaamlippen.l. scheede.m. seheedegedeelte van de baarmoeder.n. lichaam van de baarmoeder.o. bodem van de baarmoeder.p. eileider.q. buikopening van den eileider.q.franjeachtige uitsteeksels.r. franjeachtig uitsteeksel, dat den eileider met den eierstok verbindt.s. eierstok.t. band, die den eierstok met de baarmoeder verbindt.u. breede baarmoederband.v. ronde baarmoederband.Boven den ingang der scheede beginnen deinwendigegeslachtsorganen. Descheede(vagina),Fig. 8 l, is een lang, eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis, verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte van de pisblaas.Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde, vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en is zij daardoor wijder geworden.In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van debaarmoeder(uterus). Dit orgaan,Plaat V No. 58, is een holle spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem (fundus uteri),Fig. 8 o, is zij naar boven, met haar afgeplatten cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen, heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri),Fig. 8 m. Het gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt, noemt men het lichaam (corpus uteri),Fig. 8 n.Deholtevan de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot de grootte van het orgaan.Fig. 9 a. Het vormt een fleschvormig driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe insnoering, deinwendigebaarmoedermond (ostium uteri internum),Fig. 9 b. Deuitwendigebaarmoedermond (ostium uteri externum),Fig. 9 d, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en baarmoederholte tot stand.De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze, tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar ruim vertegenwoordigd. Vanbinnenis de wand geheel bekleed met slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch in het halskanaal vele plooien vormt.Fig. 9 c.Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat daar in het slijmvlies der scheede over.Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de blaas of deendeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in ʼt algemeen aan, dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.Fig. 9. Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).Fig. 9.Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).a. baarmoederholte.b. inwendige baarmoedermond.c. slijmvlies van het halskanaal.d. uitwendige baarmoedermond.e. bodem van de baarmoeder.Vanbuitenis de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies, dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder ligt dus als ʼt ware ingestulpt in het buikvlies.Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór- en achterplooi van het buikvlies samen en vormen debreedebaarmoederbanden (ligamenta lata),Fig. 8 u. Deze banden zijn dus uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.Derondebaarmoederbanden (ligamenta rotunda),Fig. 8 v, ontstaan uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, deeileiders(tubae Fallopiae),Fig. 8 p. De eileiders zijn door den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode franje omzoomen,Fig. 8 q.Eénvan deze uitsteeksels is langer dan de overige en is met den eierstok verbonden.Fig. 8 r. Waarschijnlijk gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder voort te bewegen.Deeierstokken(ovarii),Fig. 8 s, zijn de organen, die de kiem voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine bekken,Plaat V No. 59. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede door een band (ligamentum ovarii proprium)Fig. 8 tverbonden. Met de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met den eileider in verbinding.Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus ovarii),Fig. 10 aa. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea),Fig. 10 e, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt, omgeeft den eierstok geheel.Fig. 10. Doorsnede van een eierstok. (Gegenbaur).Fig. 10.Doorsnede van een eierstok.(Gegenbaur).aa. poort van den eierstok.b. merggedeelte.c. Graafsche follikel.d. ledige follikels.e. vezelachtig vlies.Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte,Fig. 10 b,en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal vliezige blaasjes, de Graafsche follikels,Fig. 10 c, bevat. Deze Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht (liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft; dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel, waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen, aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is, een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte, zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen tijd onregelmatig en ruw.De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts het ⅓ gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer 12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats grijpt, isvan vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan 15 jaren.Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert, in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk worden toegeschreven.Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje, met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid, in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren worden begroeid.Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid het lichaam het grootst.In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid is ingetreden.Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam, gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer 20-j. leeftijd voltooid is.Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het intreden van de eerste menstruatie.Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30 dagen en duurt 3–5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke afwijkingen.De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af tusschende 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen, die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn, bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten, gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij later zullen blijken onjuist te zijn.Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen, omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen, waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn, slaperigheid.Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager inde scheede. De slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen daarvan voort.De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling, die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden, het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie, meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen, het langdurig staan vermijden, in ʼt kort, alle buitengewone inspanning achterwege laten.Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45- à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode bij de vrouw den climacterischen leeftijd.In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen, het geheele orgaan schrompelt ineen.De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties, sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd verdwijnen deze verschijnselen.Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen (spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen) in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider; de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft, of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder aangekomen is.Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich kunnen voortbewegen.Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap niet terug.Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken, waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft.Fig. 11.De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen, tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel neemt, is blijven hangen.Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen dit ruimteverlies genoegzaam op.Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot, een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.Fig. 11. Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft. (Schroeder.)Fig. 11.Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft.(Schroeder.)a. baarmoederwand.b. slijmvlies van de baarmoeder in beginnende ontwikkeling.c. bevrucht ei.En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en worden donkerder van kleur.De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger besproken.De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend, daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping, duizeligheid of congestie naar het hoofd.Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral in het gezicht, donkere huidvlekken.Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling verdwijnen zij meestal spoorloos.Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven, omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag, waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven, ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de moederkoek (placenta) vormt.Fig. 12. De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling (Schroeder).Fig. 12.De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling(Schroeder).fig.atotfgeven de ontwikkelingsstadia weer, tot aan het einde der 4e week. fig.genhzijn vruchten uit de 5e en 6e week, fig.iis de vrucht van ongeveer 8 weken.Demoederkoekis een sponsachtig weeke, platte schijf, die grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht verbonden. Deze streng, denavelstreng, is ongeveer een vinger dik en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter, die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest, maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion, ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Hetvruchtwater, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.Fig. 12 atotistellen de verschillende ontwikkelingsstadia voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de 9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en teenen beginnen reeds te verhoornen.In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans veel grooter is dan van de voldragen vrucht.In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij ongeveer een halven meter lang en 3 à 3½ kilogram zwaar.De ruimte in de baarmoederholte is niet groot genoeg om de vrucht een gemakkelijke houding te verschaffen. Deze is gedwongen zich te behelpen en zoo tegaan liggen, dat zij de kleinst mogelijke ruimte inneemt. Daarom kromt zij den rug sterk naar voren, legt de kin op de borst, trekt de beenen tegen den buik, buigt de knieën, en legt de onderbeenen met de voeten gekruist en met de hielen naar onderen. De bovenarmen worden tegen de borstkas gedrukt, de onderarmen en handen over de borst gekruist. In de ruimte, die tusschen armen en beenen vrij blijft, vindt dan de navelstreng een plaats.Fig. 13.Het hoofdje ligt daarbij meestal naar onderen, de rug naar voren, eenigszins links of rechts en de billen en voeten naar boven gekeerd. Dit is de meest voorkomende ligging van de vrucht op het einde der zwangerschap, doch talrijke afwijkingen doen zich voor.Gedurig tracht de vrucht haar ongemakkelijke houding te veranderen, een verandering, die bijna altijd gering en snel voorbijgaande is, waardoor dan de kleine, stootende bewegingen veroorzaakt worden, die door de moeder als »het leven van het kind« worden gevoeld.Op het einde van de 40e week drijft de moeder de vrucht uit de baarmoederholte door het halskanaal van de baarmoeder en door de scheede naar buiten.De uitdrijving, de baring, komt tot stand door samenwerking van twee verschillende krachten. Deze vinden haar oorsprong in samentrekkingen van den baarmoederwand, die wegens de daardoor veroorzaakte pijn als »weeën« worden aangeduid, en in samentrekkingen van buikspieren en middelrif, die als »buikpers« dienst doen.Fig. 13. Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).Fig. 13.Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).a. darmen.b.wervelkolom.c. buikwand.d. endeldarm.e. scheede.f. pisbuis.g. pisblaas.De weeën volgen elkander met korte tusschenpoozen op. Zij zijn in den aanvang zwak en de pijn gering, doch hoe verder de baring vordert, des te krachtiger en pijnlijker worden zij. Dan komt ook de buikpers onwillekeurig in werking en helpt krachtig mede aan de uitdrijving van de vrucht. Eerst komt het hoofd naarbuiten, daarna met een paar volgende weeën gewoonlijk het overige gedeelte van het kind.Na de geboorte wordt de navelstreng met bandjes dichtgebonden en doorgeknipt. Spoedig volgen dan eenige samentrekkingen van de baarmoeder en worden de moederkoek en de eivliezen (de nageboorte) uitgedreven.Zoodra het kind geboren is, verkondigt het zijn intrede in de wereld door eenige flinke schreeuwen. Met dit schreeuwen vangen tevens de eerste ademhalingsbewegingen aan.Het eindje navelstreng, dat aan zijn lichaam is blijven hangen, verdroogt spoedig en valt na 4 of 5 dagen af.Onmiddellijk nadat de nageboorte is uitgedreven, beginnen de geslachtsorganen tot den toestand terug te keeren, waarin zij zich vóór de zwangerschap bevonden. Bij vrouwen, die het kind zoogen, maken de borstklieren hierop een uitzondering. Eerst ongeveer 6 weken na de bevalling is de vroegere toestand, met uitzondering van de hiervoor reeds genoemde blijvende verandering van sommige organen, weder teruggekeerd.
De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant, of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.
Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen, noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen, voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.
In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk, het afscheidingsproduct harer borstklieren.
Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren (mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.
Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de verrichting derborstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd, zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer 12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op de groote borstspier (musculus pectoralis major),Plaat II No. 28, tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus), van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt, zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen, is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.
De borstklier,Plaat I No. 63, bestaat uit 15–24 afzonderlijke kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der kliertakken als van meer vetafzetting in hetdaartusschen liggend bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en doorboren dien met een fijne opening.
In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk, haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap aanwezig.
De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.
De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof, melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding der vrouw oefent grooten invloed uit op dehoedanigheidder melk.
Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei kan brengen.
Schenken wij thans onze aandacht aan deuitwendige schaamdeelen, waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen (labia majora).Fig. 8 a. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien, die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.
Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia minora of nymphae).Fig. 8 b. Dit zijn dunne, zachte huidplooien, meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den kittelaar (clitoris),Fig. 8 e, in verbinding. De voorste plooi vormt de voorhuidvan den kittelaar (praeputium clitoridis),Fig. 8 d, de achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis),Fig. 8 f.
De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen, die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp, vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel zetelt voornamelijk in dit orgaan.
De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae).Fig. 8 c. Ongeveer in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde of spleetvormige opening.Fig. 8 g. Deze is van dikke randen voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening,de ingang der scheede(ostium vaginae),Fig. 8 i, die bij maagden gedeeltelijk gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap plaats greep.
Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren.Fig. 8 h. Dezeslijm-afscheidendeklieren liggen achter den ingang der scheede; zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.
Fig. 8. Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).Fig. 8.Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).a. groote schaamlippen.b. kleine schaamlippen.c. voorhof van de scheede.d. voorhuid van den kittelaar.e. kittelaar.f. bandje van den kittelaar.g. uitloozingsopening van de pisbuis.h. opening der Bartholinische klieren.i. ingang van de scheede.j. hymen.k. vereenigingsband van de groote schaamlippen.l. scheede.m. seheedegedeelte van de baarmoeder.n. lichaam van de baarmoeder.o. bodem van de baarmoeder.p. eileider.q. buikopening van den eileider.q.franjeachtige uitsteeksels.r. franjeachtig uitsteeksel, dat den eileider met den eierstok verbindt.s. eierstok.t. band, die den eierstok met de baarmoeder verbindt.u. breede baarmoederband.v. ronde baarmoederband.
Fig. 8.Geslachtsorganen van een 14-jarig meisje. (Heitzmann).
Boven den ingang der scheede beginnen deinwendigegeslachtsorganen. Descheede(vagina),Fig. 8 l, is een lang, eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis, verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte van de pisblaas.
Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).
Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde, vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en is zij daardoor wijder geworden.
In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van debaarmoeder(uterus). Dit orgaan,Plaat V No. 58, is een holle spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem (fundus uteri),Fig. 8 o, is zij naar boven, met haar afgeplatten cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen, heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri),Fig. 8 m. Het gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt, noemt men het lichaam (corpus uteri),Fig. 8 n.
Deholtevan de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot de grootte van het orgaan.Fig. 9 a. Het vormt een fleschvormig driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe insnoering, deinwendigebaarmoedermond (ostium uteri internum),Fig. 9 b. Deuitwendigebaarmoedermond (ostium uteri externum),Fig. 9 d, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en baarmoederholte tot stand.
De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.
De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze, tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar ruim vertegenwoordigd. Vanbinnenis de wand geheel bekleed met slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch in het halskanaal vele plooien vormt.Fig. 9 c.
Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat daar in het slijmvlies der scheede over.
Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.
De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de blaas of deendeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in ʼt algemeen aan, dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.
Fig. 9. Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).Fig. 9.Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).a. baarmoederholte.b. inwendige baarmoedermond.c. slijmvlies van het halskanaal.d. uitwendige baarmoedermond.e. bodem van de baarmoeder.
Fig. 9.Doorsnede van een maagdelijke baarmoeder. (Gegenbaur).
Vanbuitenis de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies, dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder ligt dus als ʼt ware ingestulpt in het buikvlies.
Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór- en achterplooi van het buikvlies samen en vormen debreedebaarmoederbanden (ligamenta lata),Fig. 8 u. Deze banden zijn dus uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.
Derondebaarmoederbanden (ligamenta rotunda),Fig. 8 v, ontstaan uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.
Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, deeileiders(tubae Fallopiae),Fig. 8 p. De eileiders zijn door den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode franje omzoomen,Fig. 8 q.Eénvan deze uitsteeksels is langer dan de overige en is met den eierstok verbonden.Fig. 8 r. Waarschijnlijk gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.
Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder voort te bewegen.
Deeierstokken(ovarii),Fig. 8 s, zijn de organen, die de kiem voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine bekken,Plaat V No. 59. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede door een band (ligamentum ovarii proprium)Fig. 8 tverbonden. Met de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met den eileider in verbinding.
Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus ovarii),Fig. 10 aa. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea),Fig. 10 e, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt, omgeeft den eierstok geheel.
Fig. 10. Doorsnede van een eierstok. (Gegenbaur).Fig. 10.Doorsnede van een eierstok.(Gegenbaur).aa. poort van den eierstok.b. merggedeelte.c. Graafsche follikel.d. ledige follikels.e. vezelachtig vlies.
Fig. 10.Doorsnede van een eierstok.(Gegenbaur).
Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte,Fig. 10 b,en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal vliezige blaasjes, de Graafsche follikels,Fig. 10 c, bevat. Deze Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht (liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft; dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.
Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel, waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.
Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen, aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.
Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is, een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte, zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen tijd onregelmatig en ruw.
De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts het ⅓ gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.
Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer 12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.
De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats grijpt, isvan vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan 15 jaren.
Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert, in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk worden toegeschreven.
Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.
Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje, met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.
Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid, in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.
Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren worden begroeid.
Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid het lichaam het grootst.
In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid is ingetreden.
Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam, gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer 20-j. leeftijd voltooid is.
Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het intreden van de eerste menstruatie.
Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30 dagen en duurt 3–5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke afwijkingen.
De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af tusschende 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.
Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen, die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn, bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten, gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij later zullen blijken onjuist te zijn.
Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.
Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.
De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen, omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.
De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen, waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn, slaperigheid.
Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager inde scheede. De slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen daarvan voort.
De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling, die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.
De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden, het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie, meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen, het langdurig staan vermijden, in ʼt kort, alle buitengewone inspanning achterwege laten.
Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45- à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode bij de vrouw den climacterischen leeftijd.
In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.
De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen, het geheele orgaan schrompelt ineen.
De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.
Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties, sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd verdwijnen deze verschijnselen.
Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.
Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen (spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen) in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider; de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft, of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder aangekomen is.
Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich kunnen voortbewegen.
Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.
Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.
De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap niet terug.
Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken, waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft.Fig. 11.
De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen, tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.
Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel neemt, is blijven hangen.
Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen dit ruimteverlies genoegzaam op.
Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot, een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.
Fig. 11. Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft. (Schroeder.)Fig. 11.Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft.(Schroeder.)a. baarmoederwand.b. slijmvlies van de baarmoeder in beginnende ontwikkeling.c. bevrucht ei.
Fig. 11.Doorsnede van een baarmoeder, waarin een bevrucht ei zich vastgezet heeft.(Schroeder.)
En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en worden donkerder van kleur.
De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.
Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.
De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger besproken.
De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.
De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend, daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping, duizeligheid of congestie naar het hoofd.
Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.
Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.
Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral in het gezicht, donkere huidvlekken.
Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.
Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.
Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling verdwijnen zij meestal spoorloos.
Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven, omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag, waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.
Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven, ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.
Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de moederkoek (placenta) vormt.
Fig. 12. De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling (Schroeder).Fig. 12.De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling(Schroeder).fig.atotfgeven de ontwikkelingsstadia weer, tot aan het einde der 4e week. fig.genhzijn vruchten uit de 5e en 6e week, fig.iis de vrucht van ongeveer 8 weken.
Fig. 12.De menschelijke vrucht in de eerste acht weken van ontwikkeling(Schroeder).
fig.atotfgeven de ontwikkelingsstadia weer, tot aan het einde der 4e week. fig.genhzijn vruchten uit de 5e en 6e week, fig.iis de vrucht van ongeveer 8 weken.
Demoederkoekis een sponsachtig weeke, platte schijf, die grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht verbonden. Deze streng, denavelstreng, is ongeveer een vinger dik en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.
Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter, die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest, maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.
In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion, ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Hetvruchtwater, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.
Fig. 12 atotistellen de verschillende ontwikkelingsstadia voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de 9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.
Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.
In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.
Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en teenen beginnen reeds te verhoornen.
In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans veel grooter is dan van de voldragen vrucht.
In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.
De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij ongeveer een halven meter lang en 3 à 3½ kilogram zwaar.
De ruimte in de baarmoederholte is niet groot genoeg om de vrucht een gemakkelijke houding te verschaffen. Deze is gedwongen zich te behelpen en zoo tegaan liggen, dat zij de kleinst mogelijke ruimte inneemt. Daarom kromt zij den rug sterk naar voren, legt de kin op de borst, trekt de beenen tegen den buik, buigt de knieën, en legt de onderbeenen met de voeten gekruist en met de hielen naar onderen. De bovenarmen worden tegen de borstkas gedrukt, de onderarmen en handen over de borst gekruist. In de ruimte, die tusschen armen en beenen vrij blijft, vindt dan de navelstreng een plaats.Fig. 13.
Het hoofdje ligt daarbij meestal naar onderen, de rug naar voren, eenigszins links of rechts en de billen en voeten naar boven gekeerd. Dit is de meest voorkomende ligging van de vrucht op het einde der zwangerschap, doch talrijke afwijkingen doen zich voor.
Gedurig tracht de vrucht haar ongemakkelijke houding te veranderen, een verandering, die bijna altijd gering en snel voorbijgaande is, waardoor dan de kleine, stootende bewegingen veroorzaakt worden, die door de moeder als »het leven van het kind« worden gevoeld.
Op het einde van de 40e week drijft de moeder de vrucht uit de baarmoederholte door het halskanaal van de baarmoeder en door de scheede naar buiten.
De uitdrijving, de baring, komt tot stand door samenwerking van twee verschillende krachten. Deze vinden haar oorsprong in samentrekkingen van den baarmoederwand, die wegens de daardoor veroorzaakte pijn als »weeën« worden aangeduid, en in samentrekkingen van buikspieren en middelrif, die als »buikpers« dienst doen.
Fig. 13. Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).Fig. 13.Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).a. darmen.b.wervelkolom.c. buikwand.d. endeldarm.e. scheede.f. pisbuis.g. pisblaas.
Fig. 13.Doorsnede van het bekken in de laatste maand van de zwangerschap. (Schroeder).
a. darmen.b.wervelkolom.c. buikwand.d. endeldarm.e. scheede.f. pisbuis.g. pisblaas.
De weeën volgen elkander met korte tusschenpoozen op. Zij zijn in den aanvang zwak en de pijn gering, doch hoe verder de baring vordert, des te krachtiger en pijnlijker worden zij. Dan komt ook de buikpers onwillekeurig in werking en helpt krachtig mede aan de uitdrijving van de vrucht. Eerst komt het hoofd naarbuiten, daarna met een paar volgende weeën gewoonlijk het overige gedeelte van het kind.
Na de geboorte wordt de navelstreng met bandjes dichtgebonden en doorgeknipt. Spoedig volgen dan eenige samentrekkingen van de baarmoeder en worden de moederkoek en de eivliezen (de nageboorte) uitgedreven.
Zoodra het kind geboren is, verkondigt het zijn intrede in de wereld door eenige flinke schreeuwen. Met dit schreeuwen vangen tevens de eerste ademhalingsbewegingen aan.
Het eindje navelstreng, dat aan zijn lichaam is blijven hangen, verdroogt spoedig en valt na 4 of 5 dagen af.
Onmiddellijk nadat de nageboorte is uitgedreven, beginnen de geslachtsorganen tot den toestand terug te keeren, waarin zij zich vóór de zwangerschap bevonden. Bij vrouwen, die het kind zoogen, maken de borstklieren hierop een uitzondering. Eerst ongeveer 6 weken na de bevalling is de vroegere toestand, met uitzondering van de hiervoor reeds genoemde blijvende verandering van sommige organen, weder teruggekeerd.
Beschrijving der platen.Plaat II. De Spieren.De linker lichaamshelft vertoont de oppervlakkig gelegen spieren; de rechter lichaamshelft geeft een aantal dieper gelegen spieren te zien, die eerst zichtbaar worden, als de daarboven gelegene verwijderd zijn.1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)2. Peesachtige schedelkap. (Galea aponeurotica cranii.)3. Voorhoofdsspier. (Musculus frontalis.)4. Slaapspier. (Musculus temporalis.)5. Wenkbrauwfronser. (Musculus corrugator supercilii.)6. Sluitspier van het ooglid. (Musculus orbicularis orbitae.)7. Aantrekker van het oor. (Musculus attrahens auriculae.)8. Nederdrukker van den neus. (Musculus depressor alae nasi.)9. Oplichter der bovenlip. (Musc. levator labii sup. proprius.)10. Oplichter van den neusvleugel en bovenlip. (Musc. levator alae nasi et labii superioris.)11. Sluitspier van den mond. (Musculus orbicularis oris.)12. Kauwspier. (Musculus masseter.)13. Wangspier. (Musculus buccinator.)14. Kinspier of opheffer van de kin. (Musculus levator menti.)15. Schuine halsspier. (Musculus sterno-cleido-mastoideus.)16. Schouderblad-tongbeenspier. (Musculus omo-hyoideus.)17. Borstbeen-tongbeenspier. (Musculus sterno-hyoideus.)18. Voorste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus anticus.)19. Middelste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus medius.)20. Optrekker van het schouderblad. (Musculus levator scapulae.)21.Monnikskapspier. (Musculus cucularis.)22. Sleutelbeen. (Clavicula.)23. Borstbeen. (Sternum.)24. Bovenarmbeen. (Humerus.)25. Sleutelbeenspier. (Musculus subclavius.)26. Kleine borstspier. (Musculus pectoralis minor.)27. Groote getande spier. (Musc. serratus anticus major.)28. Groote borstspier. (Musculus pectoralis major.)29. Onderschouderbladspier. (Musculus subscapularis.)30. Ravenbeksarmspier. (Musculus coraco-brachialis.)31. Tweehoofdige armspier. (Musculus biceps brachii.)32. Deltaspier. (Musculus deltoideus.)33. Binnenste hoofd van de driehoofdige armspier. (Musculus triceps.)34. Binnenste armspier. (Musculus brachialis internus.)35. Rechte buikspier met peesstrooken. (Musculus rectus abdominis.)36. Witte buiklijn. (Linea alba.)37. Buitenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis externus.)38. Binnenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis internus.)39. Band van Poupart. (Ligamentum Poupartii.)40. Inwendige opening van het lieskanaal. (Apertura interna canalis inguinalis.)41. Lieskanaal. (Canalis inguinalis.)42. Uitwendige opening van het lieskanaal. (Apertura externa canalis inguinalis.)43. Middelste bilspier. (Musculus glutaeus medius.)44. Het lange hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen (musculus extensor cruris quadriceps); slechts het bovenste gedeelte is zichtbaar.45. Kamspier. (Musculus pectineus.)46. Lange aantrekkende spier van het been. (Musculus adductor magnus.)47. Het buitenste hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen.48. Lange beenspier of kleermakersspier. (Musculus sartorius.)49. Dunne dijspier. (Musculus gracilis.)Plaat III. De Bloedsomloop.De rood gekleurde bloedvaten zijn de slagaderen (arteriae), de blauw gekleurde de aderen (venae).1. Linker hartkamer. (Ventriculus sinister.)2. Rechter hartkamer. (Ventriculus dexter.)3. Rechter voorkamer met hartoor. (Atrium dexter.)4. Linker hartoor. (Auriculum sinistrum.)5. Opstijgende tak van de groote lichaamsslagader (aorta), die uit de linker hartkamer ontspringt. (Aorta ascendens.)6. Aorta-boog. (Arcus aorta.)7. Neerdalende tak van de aorta. (Aorta descendens.)8. Longslagader (Arteria pulmonalis), die uit de rechter hartkamer ontspringt.9. Bovenste holle ader. (Vena cava superior.)10. Onderste holle ader. (Vena cava inferior.) Beide storten haar bloed in de rechter voorkamer.11. Naamlooze slagader (Arteria anonyma), die uit de aorta voortkomt.12. Gemeenschappelijke halsslagader (Carotis communis); door haar vertakkingen voorziet zij het hoofd van bloed.13. Buitenste kaakslagader. (Arteria maxillaris externa.)14. Oppervlakkige slaapslagader. (Arteria temporalis superficialis.)15. Diepe slaapslagader. (Arteria temporalis profundis.)De naamlooze slagader levert ook het bloed voor den arm door de:16. Sleutelbeenslagader. (Arteria subclavia.)17. Okselslagader (Arteria axillaris), en:18. Bovenarmslagaderen. (Arteriae brachialis.)Uit het buikgedeelte der aorta komen de:19. Korte buikslagaderen. (Arteria coeliacae) (afgesneden.)20. Bovenste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica superior.) (eveneens afgesneden).21. Nierslagader. (Arteria renalis.)22. Onderste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica inferior) (afgesneden).23. Linker binnenste zaadslagader (Arteria spermatica interna); de rechter ontspringt meestal uit de nierslagader.De binnenste zaadslagaderen voorzien de geslachtsorganen van bloed.Door de vorkvormige verdeeling der aorta in de twee:24. Gemeenschappelijke bekkenslagaderen (Arteriae iliacae communes) worden de beenen van bloed voorzien. Voor dit doel geven zij af de:25. Dijslagader (Arteria cruralis) en haar in de diepte gaanden tak, de:26. Diepe dijslagader. (Arteria profunda femoris.)De bovenste holle ader stort het veneuze bloed uit het bovenste gedeelte van het lichaam in de rechter voorkamer. Zij ontstaat door vereeniging van de beide:27. Naamlooze aderen. (Venae innominatae.)Deze ontvangen het veneuze bloed uit den arm door de:28. Sleutelbeenader (Vena subclavia) en de:29 en 30. Huidaderen van den arm (Venae subcutaneae brachii) en uit het hoofd door de:31. Inwendige strotader. (Vena jugularis interna.)32. Uitwendige strotader. (Vena jugularis externa.)De onderste holle ader stort eveneens haar bloed in de rechter voorkamer. Zij ontvangt dit uit de aderen van het onderste gedeelte van het lichaam.Haar takken zijn:33. Leveraderen. (Venae hepaticae.)34. Nierader. (Vena renalis.)35. Inwendige zaadader. (Vena spermatica int.)36. Gemeenschappelijke bekkenader. (Vena iliaca communis.)37. Dijader. (Vena cruralis).Plaat IV. Het zenuwstelsel.Een doorsnede van het hoofd en de wervelkolom geeft ten deele een overzicht van hersenen en ruggemerg, terwijl de armen en beenen zoodanig zijn afgesneden, dat men den aanvang der voor hen bestemde zenuwen kan overzien.1. Groote hersenen. (Cerebrum.)2. Brug van Varol (Pons Varolii), die de beide kleine hersenhalfronden verbindt.3. Verlengde merg. (Medulla oblongata.)4. Halsgedeelte van het ruggemerg. (Medulla spinalis.)5. Borstgedeelte van het ruggemerg.6. Mergkegel. (Conus.)7. Lendengedeelte van het ruggemerg.8. Paardestaart (Cauda equina.)Uit de hersenen ontspringen 12 paar hersenzenuwen, waarvan evenwel op deze plaat slechts de oorsprong te zien is van de:9. Buitenste oogspierzenuw. (Nervus oculomotorius.)10. Drielingszenuw. (Nervus trigeminus.)11. Aangezichtszenuw en gehoorzenuw. (Nervus facialis et acusticus.)12. Tong- en keelzenuw. (Nervus glosso-pharyngeus.)Uit het ruggemerg ontspringen 31 paar ruggemergszenuwen. De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:13. Halszenuwvlecht. (Plexus cervicalis.)De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:14. Armenzenuwvlecht. (Plexis brachialis), welke op de plaat zichtbare takken naar den arm zendt.15. Huidzenuwen van den arm. (Nervi cutanei brachii.)16. Middelarmzenuw. (Nervus medianus.)17. Elleboogzenuw. (Nervus ulnaris.)18. Spier-huidzenuw. (Nervus musculo-cutaneus). Verder kan men nog het begin zien van de:19. Achtste halszenuw. (Nervus cervicalis.)20. Eerste borstzenuw. (Nervus thoracicus.)21. Twaalfde borstzenuw. (Nervus thoracicus.)22. Eerste lendenzenuw. (Nervus lumbalis.)23. Heup-bekkenzenuw. (Nervus ilio-hypogastricus.)24. Heup-lieszenuw. (Nervus ilio-inguinalis.)25. Huidzenuw van het bovenbeen. (Nervus cutaneus femoris.)26. Heupkomzenuw. (Nervus obturatorius.)27. Dijzenuw. (Nervus cruralis.)28. Schaambeenzenuw. (Nervus genito-cruralis.)29. Eerste heiligbeenzenuw. (Nervus sacralis.)30. Verbindingsstreng van den sympathicus. (Nervus sympathicus.)31. Heupzenuw. (Nervus ischiadicus.)Plaat V. Het Geraamte (gedeeltelijk) en de inhoud van borst- en buikholte.Van de schedelbeenderen ziet men slechts:1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)2. Kruin- of wandbeen. (Os parietale.)3. Slaapbeen. (Os temporum.)4. Jukbeen. (Os zygomaticum.)5. Bovenkaakbeen. (Os maxillare superius.)6. Onderkaak. (Mandibula.)Verder ziet men:7. Zevende halswervel. (Vertebra prominens.)8. Eerste borstwervel. (Vertebra thoracicus.)9. Twaalfde borstwervel. (Vertebra thoracicus.)10. Vijfde lendenwervel. (Vertebra lumbalis.)11. Kruis- of heiligbeen. (Os sacrum.)12. Stuitbeen. (Os coccygis.)13. Sleutelbeen. (Clavicula.)14. Borstbeen. (Sternum.)15. Eerste rib, (Costa.)16. Twaalfde rib,(Costa.)17. Schouderblad. (Scapula.)18. Bovenarmbeen. (Humerus.)19. Voorgebergte. (Promontorium.)Het heupbeen (Os innominatum), dat in verbinding met het heiligbeen en stuitbeen het eigenlijke bekken vormt, is samengesteld uit:20. Darmbeen (Os ilei.)21. Schaambeen. (Os pubis.)22. Zitbeen. (Os ischii.)No. 23 toont het Dij- of bovenschenkelbeen (Femur) aan.De Ingewanden.24. Strottenhoofd. (Larynx.)25. Luchtpijp. (Trachea.)26. Luchtpijpstakken. (Bronchi.)27. Rechter en linker long. (Pulmones dexter et sinister.)28. Hart. (Cor.)29. Linker hartkamer van binnen.30. Rechter hartkamer van binnen. Gedeeltelijk ziet men in beide hartkamers de uitgespreide hartkleppen. (Valvulae.)31. Rechter voorkamer van het hart.32. Linker hartoor.33. Groote lichaamsslagader. (Aorta.)34. Longslagader.35. Bovenste holle ader.36. Linker voorkamer van het hart.37. Onderste holle ader.38. Keelholte. (Pharynx.)39. Slokdarm. (Oesophagus.)40. Maag. (Ventriculus.)41. Milt. (Lien.)42. Alvleeschklier. (Pankreas.)43. Twaalfvingerige darm. (Intestinum duodenum) (gedeeltelijk geopend.)44. Dunne darm (nuchtere darm en kronkeldarm.) (Intestinum jejunum et ileum.)45. Blinde darm (Intestinum coecum) met het wormsgewijze verlengsel. (Processus vermicularis.)46. Karteldarm. (Colon.)47. Aars- of endeldarm. (Intestinum rectum.)48. Lever. (Hepar.)49. Galblaas. (Cystis fellea.)50. Middelrif. (Diaphragma.)51. Nier. (Ren.)52. Nierbekken. (Pelvis renalis.)53. Pisleider. (Ureter.)54. Pisblaas. (Vesica urinaria.)55. Uitwendige geslachtsorganen. (Genitalia.)56. Scheede. (Vagina.)57. Baarmoedermond. (Orificium uterinum.)58. Baarmoeder. (Uterus.)59. Eierstok. (Ovarium) (rechter is geopend.)60. Eileider. (Oviductus of Tuba Fallopiana.)61. Breede baarmoederband. (Ligamentum latum.)62. Ronde baarmoederband. (Ligamentum rotundum.)63. Op plaat 1 vinden wij de opengelegde borstklier (Mamma), die eveneens tot de geslachtsorganen behoort.64. Groote lendenspier. (Musculus psoas major.)
Plaat II. De Spieren.De linker lichaamshelft vertoont de oppervlakkig gelegen spieren; de rechter lichaamshelft geeft een aantal dieper gelegen spieren te zien, die eerst zichtbaar worden, als de daarboven gelegene verwijderd zijn.1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)2. Peesachtige schedelkap. (Galea aponeurotica cranii.)3. Voorhoofdsspier. (Musculus frontalis.)4. Slaapspier. (Musculus temporalis.)5. Wenkbrauwfronser. (Musculus corrugator supercilii.)6. Sluitspier van het ooglid. (Musculus orbicularis orbitae.)7. Aantrekker van het oor. (Musculus attrahens auriculae.)8. Nederdrukker van den neus. (Musculus depressor alae nasi.)9. Oplichter der bovenlip. (Musc. levator labii sup. proprius.)10. Oplichter van den neusvleugel en bovenlip. (Musc. levator alae nasi et labii superioris.)11. Sluitspier van den mond. (Musculus orbicularis oris.)12. Kauwspier. (Musculus masseter.)13. Wangspier. (Musculus buccinator.)14. Kinspier of opheffer van de kin. (Musculus levator menti.)15. Schuine halsspier. (Musculus sterno-cleido-mastoideus.)16. Schouderblad-tongbeenspier. (Musculus omo-hyoideus.)17. Borstbeen-tongbeenspier. (Musculus sterno-hyoideus.)18. Voorste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus anticus.)19. Middelste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus medius.)20. Optrekker van het schouderblad. (Musculus levator scapulae.)21.Monnikskapspier. (Musculus cucularis.)22. Sleutelbeen. (Clavicula.)23. Borstbeen. (Sternum.)24. Bovenarmbeen. (Humerus.)25. Sleutelbeenspier. (Musculus subclavius.)26. Kleine borstspier. (Musculus pectoralis minor.)27. Groote getande spier. (Musc. serratus anticus major.)28. Groote borstspier. (Musculus pectoralis major.)29. Onderschouderbladspier. (Musculus subscapularis.)30. Ravenbeksarmspier. (Musculus coraco-brachialis.)31. Tweehoofdige armspier. (Musculus biceps brachii.)32. Deltaspier. (Musculus deltoideus.)33. Binnenste hoofd van de driehoofdige armspier. (Musculus triceps.)34. Binnenste armspier. (Musculus brachialis internus.)35. Rechte buikspier met peesstrooken. (Musculus rectus abdominis.)36. Witte buiklijn. (Linea alba.)37. Buitenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis externus.)38. Binnenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis internus.)39. Band van Poupart. (Ligamentum Poupartii.)40. Inwendige opening van het lieskanaal. (Apertura interna canalis inguinalis.)41. Lieskanaal. (Canalis inguinalis.)42. Uitwendige opening van het lieskanaal. (Apertura externa canalis inguinalis.)43. Middelste bilspier. (Musculus glutaeus medius.)44. Het lange hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen (musculus extensor cruris quadriceps); slechts het bovenste gedeelte is zichtbaar.45. Kamspier. (Musculus pectineus.)46. Lange aantrekkende spier van het been. (Musculus adductor magnus.)47. Het buitenste hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen.48. Lange beenspier of kleermakersspier. (Musculus sartorius.)49. Dunne dijspier. (Musculus gracilis.)
De linker lichaamshelft vertoont de oppervlakkig gelegen spieren; de rechter lichaamshelft geeft een aantal dieper gelegen spieren te zien, die eerst zichtbaar worden, als de daarboven gelegene verwijderd zijn.
Plaat III. De Bloedsomloop.De rood gekleurde bloedvaten zijn de slagaderen (arteriae), de blauw gekleurde de aderen (venae).1. Linker hartkamer. (Ventriculus sinister.)2. Rechter hartkamer. (Ventriculus dexter.)3. Rechter voorkamer met hartoor. (Atrium dexter.)4. Linker hartoor. (Auriculum sinistrum.)5. Opstijgende tak van de groote lichaamsslagader (aorta), die uit de linker hartkamer ontspringt. (Aorta ascendens.)6. Aorta-boog. (Arcus aorta.)7. Neerdalende tak van de aorta. (Aorta descendens.)8. Longslagader (Arteria pulmonalis), die uit de rechter hartkamer ontspringt.9. Bovenste holle ader. (Vena cava superior.)10. Onderste holle ader. (Vena cava inferior.) Beide storten haar bloed in de rechter voorkamer.11. Naamlooze slagader (Arteria anonyma), die uit de aorta voortkomt.12. Gemeenschappelijke halsslagader (Carotis communis); door haar vertakkingen voorziet zij het hoofd van bloed.13. Buitenste kaakslagader. (Arteria maxillaris externa.)14. Oppervlakkige slaapslagader. (Arteria temporalis superficialis.)15. Diepe slaapslagader. (Arteria temporalis profundis.)De naamlooze slagader levert ook het bloed voor den arm door de:16. Sleutelbeenslagader. (Arteria subclavia.)17. Okselslagader (Arteria axillaris), en:18. Bovenarmslagaderen. (Arteriae brachialis.)Uit het buikgedeelte der aorta komen de:19. Korte buikslagaderen. (Arteria coeliacae) (afgesneden.)20. Bovenste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica superior.) (eveneens afgesneden).21. Nierslagader. (Arteria renalis.)22. Onderste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica inferior) (afgesneden).23. Linker binnenste zaadslagader (Arteria spermatica interna); de rechter ontspringt meestal uit de nierslagader.De binnenste zaadslagaderen voorzien de geslachtsorganen van bloed.Door de vorkvormige verdeeling der aorta in de twee:24. Gemeenschappelijke bekkenslagaderen (Arteriae iliacae communes) worden de beenen van bloed voorzien. Voor dit doel geven zij af de:25. Dijslagader (Arteria cruralis) en haar in de diepte gaanden tak, de:26. Diepe dijslagader. (Arteria profunda femoris.)De bovenste holle ader stort het veneuze bloed uit het bovenste gedeelte van het lichaam in de rechter voorkamer. Zij ontstaat door vereeniging van de beide:27. Naamlooze aderen. (Venae innominatae.)Deze ontvangen het veneuze bloed uit den arm door de:28. Sleutelbeenader (Vena subclavia) en de:29 en 30. Huidaderen van den arm (Venae subcutaneae brachii) en uit het hoofd door de:31. Inwendige strotader. (Vena jugularis interna.)32. Uitwendige strotader. (Vena jugularis externa.)De onderste holle ader stort eveneens haar bloed in de rechter voorkamer. Zij ontvangt dit uit de aderen van het onderste gedeelte van het lichaam.Haar takken zijn:33. Leveraderen. (Venae hepaticae.)34. Nierader. (Vena renalis.)35. Inwendige zaadader. (Vena spermatica int.)36. Gemeenschappelijke bekkenader. (Vena iliaca communis.)37. Dijader. (Vena cruralis).
De rood gekleurde bloedvaten zijn de slagaderen (arteriae), de blauw gekleurde de aderen (venae).
De naamlooze slagader levert ook het bloed voor den arm door de:
Uit het buikgedeelte der aorta komen de:
De binnenste zaadslagaderen voorzien de geslachtsorganen van bloed.
Door de vorkvormige verdeeling der aorta in de twee:
De bovenste holle ader stort het veneuze bloed uit het bovenste gedeelte van het lichaam in de rechter voorkamer. Zij ontstaat door vereeniging van de beide:
Deze ontvangen het veneuze bloed uit den arm door de:
De onderste holle ader stort eveneens haar bloed in de rechter voorkamer. Zij ontvangt dit uit de aderen van het onderste gedeelte van het lichaam.
Haar takken zijn:
Plaat IV. Het zenuwstelsel.Een doorsnede van het hoofd en de wervelkolom geeft ten deele een overzicht van hersenen en ruggemerg, terwijl de armen en beenen zoodanig zijn afgesneden, dat men den aanvang der voor hen bestemde zenuwen kan overzien.1. Groote hersenen. (Cerebrum.)2. Brug van Varol (Pons Varolii), die de beide kleine hersenhalfronden verbindt.3. Verlengde merg. (Medulla oblongata.)4. Halsgedeelte van het ruggemerg. (Medulla spinalis.)5. Borstgedeelte van het ruggemerg.6. Mergkegel. (Conus.)7. Lendengedeelte van het ruggemerg.8. Paardestaart (Cauda equina.)Uit de hersenen ontspringen 12 paar hersenzenuwen, waarvan evenwel op deze plaat slechts de oorsprong te zien is van de:9. Buitenste oogspierzenuw. (Nervus oculomotorius.)10. Drielingszenuw. (Nervus trigeminus.)11. Aangezichtszenuw en gehoorzenuw. (Nervus facialis et acusticus.)12. Tong- en keelzenuw. (Nervus glosso-pharyngeus.)Uit het ruggemerg ontspringen 31 paar ruggemergszenuwen. De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:13. Halszenuwvlecht. (Plexus cervicalis.)De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:14. Armenzenuwvlecht. (Plexis brachialis), welke op de plaat zichtbare takken naar den arm zendt.15. Huidzenuwen van den arm. (Nervi cutanei brachii.)16. Middelarmzenuw. (Nervus medianus.)17. Elleboogzenuw. (Nervus ulnaris.)18. Spier-huidzenuw. (Nervus musculo-cutaneus). Verder kan men nog het begin zien van de:19. Achtste halszenuw. (Nervus cervicalis.)20. Eerste borstzenuw. (Nervus thoracicus.)21. Twaalfde borstzenuw. (Nervus thoracicus.)22. Eerste lendenzenuw. (Nervus lumbalis.)23. Heup-bekkenzenuw. (Nervus ilio-hypogastricus.)24. Heup-lieszenuw. (Nervus ilio-inguinalis.)25. Huidzenuw van het bovenbeen. (Nervus cutaneus femoris.)26. Heupkomzenuw. (Nervus obturatorius.)27. Dijzenuw. (Nervus cruralis.)28. Schaambeenzenuw. (Nervus genito-cruralis.)29. Eerste heiligbeenzenuw. (Nervus sacralis.)30. Verbindingsstreng van den sympathicus. (Nervus sympathicus.)31. Heupzenuw. (Nervus ischiadicus.)
Een doorsnede van het hoofd en de wervelkolom geeft ten deele een overzicht van hersenen en ruggemerg, terwijl de armen en beenen zoodanig zijn afgesneden, dat men den aanvang der voor hen bestemde zenuwen kan overzien.
Uit de hersenen ontspringen 12 paar hersenzenuwen, waarvan evenwel op deze plaat slechts de oorsprong te zien is van de:
Uit het ruggemerg ontspringen 31 paar ruggemergszenuwen. De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:
De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:
Plaat V. Het Geraamte (gedeeltelijk) en de inhoud van borst- en buikholte.Van de schedelbeenderen ziet men slechts:1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)2. Kruin- of wandbeen. (Os parietale.)3. Slaapbeen. (Os temporum.)4. Jukbeen. (Os zygomaticum.)5. Bovenkaakbeen. (Os maxillare superius.)6. Onderkaak. (Mandibula.)Verder ziet men:7. Zevende halswervel. (Vertebra prominens.)8. Eerste borstwervel. (Vertebra thoracicus.)9. Twaalfde borstwervel. (Vertebra thoracicus.)10. Vijfde lendenwervel. (Vertebra lumbalis.)11. Kruis- of heiligbeen. (Os sacrum.)12. Stuitbeen. (Os coccygis.)13. Sleutelbeen. (Clavicula.)14. Borstbeen. (Sternum.)15. Eerste rib, (Costa.)16. Twaalfde rib,(Costa.)17. Schouderblad. (Scapula.)18. Bovenarmbeen. (Humerus.)19. Voorgebergte. (Promontorium.)Het heupbeen (Os innominatum), dat in verbinding met het heiligbeen en stuitbeen het eigenlijke bekken vormt, is samengesteld uit:20. Darmbeen (Os ilei.)21. Schaambeen. (Os pubis.)22. Zitbeen. (Os ischii.)No. 23 toont het Dij- of bovenschenkelbeen (Femur) aan.De Ingewanden.24. Strottenhoofd. (Larynx.)25. Luchtpijp. (Trachea.)26. Luchtpijpstakken. (Bronchi.)27. Rechter en linker long. (Pulmones dexter et sinister.)28. Hart. (Cor.)29. Linker hartkamer van binnen.30. Rechter hartkamer van binnen. Gedeeltelijk ziet men in beide hartkamers de uitgespreide hartkleppen. (Valvulae.)31. Rechter voorkamer van het hart.32. Linker hartoor.33. Groote lichaamsslagader. (Aorta.)34. Longslagader.35. Bovenste holle ader.36. Linker voorkamer van het hart.37. Onderste holle ader.38. Keelholte. (Pharynx.)39. Slokdarm. (Oesophagus.)40. Maag. (Ventriculus.)41. Milt. (Lien.)42. Alvleeschklier. (Pankreas.)43. Twaalfvingerige darm. (Intestinum duodenum) (gedeeltelijk geopend.)44. Dunne darm (nuchtere darm en kronkeldarm.) (Intestinum jejunum et ileum.)45. Blinde darm (Intestinum coecum) met het wormsgewijze verlengsel. (Processus vermicularis.)46. Karteldarm. (Colon.)47. Aars- of endeldarm. (Intestinum rectum.)48. Lever. (Hepar.)49. Galblaas. (Cystis fellea.)50. Middelrif. (Diaphragma.)51. Nier. (Ren.)52. Nierbekken. (Pelvis renalis.)53. Pisleider. (Ureter.)54. Pisblaas. (Vesica urinaria.)55. Uitwendige geslachtsorganen. (Genitalia.)56. Scheede. (Vagina.)57. Baarmoedermond. (Orificium uterinum.)58. Baarmoeder. (Uterus.)59. Eierstok. (Ovarium) (rechter is geopend.)60. Eileider. (Oviductus of Tuba Fallopiana.)61. Breede baarmoederband. (Ligamentum latum.)62. Ronde baarmoederband. (Ligamentum rotundum.)63. Op plaat 1 vinden wij de opengelegde borstklier (Mamma), die eveneens tot de geslachtsorganen behoort.64. Groote lendenspier. (Musculus psoas major.)
Van de schedelbeenderen ziet men slechts:
Het heupbeen (Os innominatum), dat in verbinding met het heiligbeen en stuitbeen het eigenlijke bekken vormt, is samengesteld uit:
De Ingewanden.