De Kerkenraad der Hervormde Gemeente van Pynacker.Joh'. de Jong,Predikant.J. van der Wal.W. v. d. Velden.P. Zegwaard.G. Lamens,Ouderlingen.L. v. d. Kooy.Ht. van der Elst,Diakenen.Terwijl nu de kerkeraad der Hervormde gemeente te Bunschoten zijn best deed om zich het oordeel van den Zoon des menschen op den hals te halen: „Ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed”, stak de burgervader geen vinger uit om het lot zijner medeburgers te verzachten.In het geheele dorp was geen enkele woning open, behalve de beide hutjes, waaruit zij, die „over de noodige zaak der barmhartigheid” gesteld waren, hun slachtoffers verjaagd hadden. Twee meergegoede leden van de Afgescheiden gemeente ruimden daarom ieder een groot deel van hun schuur in en maakten die voor een der beide gezinnen bewoonbaar.De gezondheid van vrouw de Greef had veel geleden door de haar aangedane behandeling. De jonge vrouwvan den „meester” bezocht haar dikwijls; nooit met een ledig hart en zelden met ledige handen.Onder haar nieuwe vriendinnen ontmoette Jannetje meer dan anderen de jeugdige weduwe Poort, die zoo levendig aandeel nam in al wat tot steun en opbouw van de gemeente des Heeren strekken kon. Hoeveel hadden zij niet met elkander te bespreken, en de een de ander te verhalen uit eigen ondervinding!„Zeg me toch eens, Reintje,” vroeg Jannetje haar vriendin op zekeren zomernamiddag, „hoe gaat het toch met dien ontslagen veldwachter? Ik heb hem nog niet gezien, maar mijn man heeft me veel van hem verteld.”„Koelewijn meen je? Die man is een waar toonbeeld van Gods genade. Toen de vervolging begon was hij even ijverig als de andere vijanden, maar gaandeweg heeft hij leeren inzien dat wij niets misdeden; dat we in onze heiligste rechten gekrenkt werden; en eindelijk kon en mocht hij er niet meer aan meedoen. Toen werd hij op staanden voet uit zijn brood gestooten.”„Gerrit zei me dat de burgemeester op last van den gouverneur handelde.”„Ja....als je 't gelooven wil! Neen Jannetje; hij was wel degelijk door den burgemeester voor ontslag voorgedragen. Ik heb zijn ontslagbrief zelf gezien. Daar schrijft mijnheer Van Toulon met zooveel woorden in: „Gezien hebbende de missive van den burgemeester van Bunschoten van 10 Mei 1837, houdende dat de veldwachter zijner gemeente geweigerd heeft aan zijne bevelen te voldoen.... heeft goedgevonden en verstaan den persoon van Dirk Koelewijn uit zijne betrekking als veldwachter te ontslaan.”Maar er wordt geen enkelfeitvan ongehoorzaamheid opgenoemd. Koelewijn heeft nooit geweigerd den burgemeester te gehoorzamen; maar weigerde op order van de luitenants en de sergeants ons te mishandelen.... De man is nu niet meer hier, maar heeft, als ik wèl heb, werk in Utrecht gevonden.... Hij is de eenige niet!”„Neen; Gerrit vertelde me van zijn ondermeester Jan Verlinden.”„Ja, die ook. Maar je weet toch wel wat hier een paar maanden geleden met Nagel gebeurd is?”„Wat dan?”„Je moet weten: Gijs Nagel was hier nachtwacht, een goed vriend van Jakob Baas, de broer van mijn zwager Jan. Nu: Zondag den 11enFebruari waren eenige leden van de gemeente bij Jakob en anderen bij Nagel aan huis vergaderd. Allebei hadden ze een heele troep gemeen voor 't huis. Bij Jakob was de dienst pas begonnen of de burgemeester aan 't hoofd van een troep soldaten drong naar binnen en joeg de gemeente uiteen. Hij liet vier of vijf soldaten achter om het huis te bewaken en ging met de rest zóó naar Nagel. Ze trapten de deur in en drongen naar binnen. Maar er waren geen twintig menschen, zoodat de wet niet overtreden was. Nu zou je denken: daar is de geschiedenis mee uit. Maar jawel! den volgenden dag werd onze goede vriend Nagel als nachtwacht van zijn bediening ontzet.”„Hoe kon dàt nu!” riep Jannetje.„Ja mensch, vraag dàt niet! Wat kan erniet; tegen Afgescheidenen! Maar eigenlijk kon het toch niet want zoodra ze het gedaan hadden, zagen de burgemeester ende assessoren, dat ze hem eerst voor zes weken hadden moeten schorsen. Daarom werd den volgenden dag zijn ontslag ingetrokken en werd hij geschorst.”„Zoo wordt alles een kwaadaardig spelletje!”„Jawel; maar daar bleef het niet bij. Zaterdagmorgen, den 17en, werden plotseling mijn zwager Jan, en Jakob Baas, Gijs Nagel en Willem van de Kolk....”„Is dat die Van de Kolk waar verleden jaar de soldaten zoo schandelijk huisgehouden hebben?”„Dezelfde; de ontvanger van de Eem- en havengelden; die vier werden door politie en soldaten uit hun huizen gehaald, geboeid en te voet naar Amersfoort overgebracht. Waarom? vraag je. Dat weten ze zelf nóg niet! Daar werden ze bij allerlei soort van misdadigers in de gevangenis gestopt. 's Middags laat moesten ze voorkomen en werden uit en na ondervraagd over alles en nog wat. En het slot was dat ze 's avonds om zeven uur alle vier weer naar huis gestuurd werden; zoo maar, zonder inlichtingen, zonder vergoeding: „Jullie kan nu wel maar naar Bunschoten teruggaan! Goeien avond!””„Alsjij't me niet zelf vertelde,” riep Jannetje, „zou ik het niet gelooven.”„Och mensch!” hernam Reintje; „het schijnt wel dat we daar allemaal voor blootstaan. Afgescheidenen mag iedereen nu eenmaal in ons land behandelen zooals hij goedvindt. Een paar weken later—ik geloof den 19enMaart,—komen er plotseling twee politieagenten en vier soldaten bij Hein Koelewijn, den broer van den veldwachter, weet je, doen hem handboeien aan en nemen hem mee. Onderweg ontmoet hij den burgemeester envraagt hem in 't voorbijgaan waar dat om is. „Dat zullen ze je in Amersfoort wel zeggen!” riep de burgemeester en ging door. In Amersfoort sluiten ze hem in een hok; daar moet hij den heelen nacht in blijven; den volgenden morgen komt hij voor den rechter van instructie. Maar die weet eigenlijk niet waarom ze Koelewijn bij hem gebracht hebben, zit met den man verlegen en stuurt hem na een kwartiertje maar weer naar huis.”Jannetje sloeg van verbazing de handen in elkaar. „Neen, vanzulkegekke dingen hebben we bij ons nog niet gehoord!”„Dan mag je van geluk spreken,” hernam haar vriendin. „Of eigenlijk....zaligzijt gij zoo u de menschen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil!”„Dat is waar, Reintje,” antwoordde de jonge vrouw, „maar je kunt er in komen dat de arme menschen soms vragen: „Hoe lang nog, Heere!” De menschen zullen het in later tijd niet gelooven dat zulke dingen mogelijk waren!”„Och kom,” zei Reintje; „ze zullen in later tijd wel evenals nu allerlei voorwendsels weten te vinden om aan te toonen dat het zóó niet had mogen gebeuren, maar dat wij toch eigenlijk ongelijk hadden. Dacht je dat de menschen veranderden? Ik denk nog dikwijls om wat mijn goede man wel eens zei: „Rein,” zei hij, „of ze er later berouw over hebben of niet; of ze 't goedkeuren of leelijk vinden wat er nu gebeurt, 't geeft allemaal niets zoolang ze die Haagsche Synode houden!Diedoet het je allemaal aan! Ik zal het niet beleven, zei hij, maar onze kinderen zullen het wel ondervinden als ze getrouw blijven.””„Maar,” ging de weduwe voort na eenige minuten zwijgens: „we hebben nog tot den bloede toe niet tegengestaan! De Heere alleen weet wat nog over ons komen zal; maar het is er hier dicht aan toe geweest!”„Een van de gruwelijkste dingen,” zei Jannetje, „vond ik wat ik laatst las dat in Woudrichem gebeurd is; dat is haast erger dan er het bloed voor storten. Daar kwam een meisje van ongeveer twintig jaar uit de vergadering, die bij zekeren Rombout aan den Ouden Dijk gehouden was. Een troep kwaaddoeners van allerlei stand en leeftijd viel haar aan. Ze sloegen haar met vuisten, scheurden haar de muts van het hoofd, sleepten haar bij de haren over den grond en door de modder, en.... dán staat er letterlijk.... deden haar eindelijk, ten aanschouwe der menigte, een smaadheid aan, waarvan de beestachtige onbeschaamdheid zoo verregaand was, dat onze pen weigert de schandelijkheid daarvan te beschrijven. Haar twee vriendinnen zijn bij een Roomschen buurman binnen gevlucht, die ze met gevaar van zijn leven beschermd heeft.”„En hoe is dat afgeloopen?” vroeg Reintje.„Dat is eigenlijk niet afgeloopen,” was het antwoord. „Er is een aanklacht ingediend, maar daar is nooit eenig antwoord op gekomen.”„Ja,” zuchtte de jonge weduwe; „het heeft slechts een haar gescheeld of mijn eenig kindje van twee jaar, mijn lieve kleine Willempje, was in mijn eigen huis voor mijn oogen vermoord. Dat was Zondag 25 Februari; ik zal dien dag mijn leven lang niet vergeten! Er was bij mij aan huis ochtenddienst; Jakob zou een preek van Comrie lezen. Alles samen waren we met z'n drie-en-twintigen.Dat had de schildwacht ontdekt, en jawel, daar kwam de veldwachter Loendersloot, zoo maar zonder eenig bewijs van den burgemeester, en beval ons uiteen te gaan. Daar stoorden we ons niet aan. Juist zongen we Psalm 68:15, daar komen burgemeester Hoolwerf en luitenant Worm, met een heele troep soldaten binnen. De luitenant op Jakob af! Hij scheurt hem het psalmboek uit de handen, smijt het op den grond en schreeuwt: „Er uit! Voor den duivel.””„Dat mocht hij naar waarheid zeggen;” riep Jannetje; „hetwasvoor den duivel!”„Meteen grijpen de soldaten al de broeders en zusters en smijten hen de deur uit. Tafels en stoelen omver! Een van de soldaten stootte met de bajonet uit moedwil al de schotels en borden van de kast af, aan duizend gruizelementen op den grond. Maar een ander neemt mijn lieve dochtertje en gooit het kind de heele kamer door in een hoek; daar lag het te gillen van de pijn. Gelukkig weet de soldaat Bosch, die zich altijd veel fatsoenlijker gedraagt dan de anderen, er door te dringen, en haalt de kleine meid van tusschen de sporten van een omgegooiden stoel tevoorschijn. In de kamer daarnaast woont Dirk Krom, zooals je weet; daar is een luikje. Krom deed dat open om te zien wat er gebeurde. Zoodra de luitenant dat merkte, schreeuwde hij: „Steek den kerel dood!” en dadelijk stak de soldaat, die er het dichtste bij was, zijn bajonet er door. Krom kon nog juist bijtijds achteruitspringen.”Jannetje had totnogtoe nooit goed begrepen hoe het kwam dat de Afscheiding in Loosdrecht niet zoo groote vorderingen maakte als in Bunschoten, terwijl de beideplaatsen toch betrekkelijk zoo dicht bij elkander lagen: ofschoon er in Loosdrecht ook geen reden van klagen was. Maar zulke gesprekken en verhalen gaven haar den sleutel van het raadsel in handen. De vervolging was in Bunschoten veel feller en vinniger dan in veel andere plaatsen in den omtrek. Derhalve was de bloei van de gemeente ook veel grooter dan elders. De vervolging werd tot in het bespottelijke gedreven. Zoo gebeurde het op Vrijdag, den 30enMaart 1838, dat Jan Baas twintig kinderen in zijn huis vereenigd had. Was er catechisatie? Of was er kinderpartij? De burgemeester kon het niet zeggen; alleen wist hij dat daar een verboden samenkomst gehouden werd. Dus liet hij de kinderen door eenige soldaten op straat jagen. De jongens maakten er een spelletje van en vlogen als musschen om de soldaten heen en in wijden kring achter hen om naar binnen. Zelfs soldaten, wier eenige roeping was het Hervormde kerkgenootschap te verdedigen, hadden wel wat anders te doen dan voortdurend met zulke bengels krijgertje te spelen; zoodat van de vervolging afgezien werd en men het troepje verder ongemoeid liet. Ze waren naar 't schijnt nietstaats- ofkerkgevaarlijk.Bijzondere zorg werd te Bunschoten ook besteed aan gedurige afwisseling van militairen. Het was min of meer gevaarlijk dezelfde mannen lang op dezelfde posten te laten: ze mochten eens op te goeden voet komen met de vervolgden! Daardoor had men ook telkens een anderen luitenant. Nauwelijks was Jannetje zes weken in haar nieuwe woonplaats of de troep militairen werd alweer vervangen door een andere.Toen Jannetje, die niet bang uitgevallen was en haar mondje wèl tot haar wil had, den 15enJuli met de overigen bij haar vriendin Poort op straat gezet werd, zei ze tot den luitenant: „Mijnheer, met welk recht behandelt u ons zoo?”„Als je 't niet bevalt, klaag me dan gerust aan bij gouverneur Van Toulon!” snauwde de officier, die wel wist welk adres hij opgaf.Den 12enAugustus daaraanvolgende werd de jonge vrouw ten huize van Jakob Baas door een soldaat bij den arm gegrepen en naar buiten gedrongen.„Mijnheer de luitenant!” riep ze, „laat u dat maar zoo toe?”„Beste meid!” antwoordde de luitenant, terwijl hij spottend de pet voor haar afnam: „ik ken geen genoegelijker oogenblikken in mijn leven, dan wanneer ik jullie ontuig uit elkaar jagen kan!”Zoo hoorde de eenvoudige boerendochter wel niet telkens als ze met de gemeente opging, een preek, maar ze maakte kennis met de beschaving van de hoogere standen. En dat kan ook z'n nut hebben![1]Letterlijk; de taal- en spelfouten waarvan het stuk wemelt, zijnniette wijten aan slordigheid van den zetter en den corrector dezer bladzijden.[2]Dr. G. J. Vos Az.: Groen van Prinsterer en zijn tijd. 1800-1857. blz. 136.XX.„Van geslacht tot geslacht.”In opgewekte stemming wandelde Gerrit Beukman op Zondag den 7enApril 1839 's middags te twaalf uur, naar huis. Hij had de morgen-godsdienstoefening ten huize van den visscher W. Hartog, bijgewoond, die—zeldzaam geval!—zonder eenige stoornis afgeloopen was.De frissche lentelucht deed hem ruim ademhalen; de knoppen aan de kastanjeboomen, rood-geel-groen gezwollen, barstten de windselen uit; de lammetjes in de wei huppelden aan de zijde hunner moeders; de zon begon reeds goed kracht te krijgen en overgoot het gansche landschap met glans en vroolijkheid. Alles getuigde en jubelde van jong leven: „Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.”Vroolijk en met snelle schreden ging de jonge Beukman alleen verder; vroolijk omdat hij alleen was. Want Jannetje was thuisgebleven; heel blij omdat ze niet kon meegaan. Zij wachtte in de slaapkamer haar echtgenoot af met een jong leven in de armen, dat rijker en kostbaarder was dan al de heerlijkheid der natuur daarbuiten! Zij drukte met moederweelde haar, verleden Maandag geboren, zuigeling aan het hart.De kamerdeur ging open; langzaam, voorzichtig. Zoo zacht mogelijk kwam de jonge vader binnen.„Neen, ik slaap niet, hoor!” Een zilveren lach klonk hem uit de bedstede tegemoet.„Dag schat! Hoe maak je het?”„Best! Kijk onzen jongen eens!”Rustig lag de kleine te slapen; aan elke zij van het kopje een kleine rozenroode vuist. „Ben je niet rijk?”„Dubbel rijk: een beste vrouw en een flinke stamhouder!”„Ja hè.... Loof den Heere, mijne ziel! En vertel nu eens: hoe heb je 't gehad?”„Heel goed, en we zijn van begin tot eind ongestoord samen geweest!”„Wat je zegt! Hoe kwam dàt zoo?”„De schildwacht telde nauwkeurig, maar met Hartog en z'n gezin mee waren er slechts negentien menschen, want de twintigste....”.... „hadik anders moeten zijn,”vulde Jannetje den zin aan. „Van morgen was ik liever hier hoor!”„En ik breng goed nieuws voor je mee. Raad eens!”„Neen, Gerrit, zeg het maar gauw. Je weet wel dat ik me nog niet mag vermoeien. En als ik nu lang over het raadsel lag te surfen, zou hetjouwschuld zijn....”„Zeker! Zeker! Als je meer zulke gewichtige vermaningen uitdeelt, zal ik je voortaan Ernestine inplaats van Jannetje noemen! Nu dan.... vandaag over veertien dagen hoopt dominee Scholte hier te prediken.”„Heerlijk!” riep Jannetje; „dan kan meteen onze kleine Gerrit gedoopt worden!”„Ja.... tenminste als je sterk genoeg bent! We moetener altijd aan denken dat het geen gewone kerkgang is als vroeger. Je moet dus instaat zijn om eenigen schrik te doorstaan, voor het geval dat we vervolgd worden.”„Lieve man, ik ben nu reeds zóó wel, en de Heere zal mijn sterkte zijn! Wij gaan hoor!”Veertien dagen later, den 21enApril 1839, was de gemeente, voorzoover de wet dat toestond, vergaderd ten huize van W. Hartog, dat geregeld door den bewoner voor de samenkomsten afgestaan werd. Niet meer dan twintig personen waren aanwezig, Jannetje's zuigeling medegerekend. Zoowel de schildwacht voor de deur als de soldaat in het vertrek had goed geteld.De dienst begon met de bediening van den heiligen doop, elk oogenblik kon men gestoord, ja met levensgevaar verjaagd worden, zoodat men terecht begreep dat vóór alles zooveel doenlijk gezorgd behoorde te worden, dat de doopeling niet vergeefs binnengebracht was en het teeder leven er niet bij inschoot.In zulke omstandigheden werd door de ouders het gebed vóór den doop niet aangehoord, maar meegebeden. De psalmen zijn door de heiligen des Ouden Verbonds uit het hart van al Gods kinderen gezongen. Maar evenzeer gevoelen Gods kinderen—verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde—dat de formulieren der Gereformeerde Kerk belijdenissen zijn van „medegenooten in de verdrukking en in het koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus”, en opgeschreven werden bij den gloed der brandstapels. Voor Gerrit en Jannetje kwamen de heerlijke woorden thans eerst waarlijk tot hun recht: „o Almachtige, eeuwigeGod.... wijbidden u door uwegrondelooze barmhartigheid, dat gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven, opdat zij met hem in zijnen dood begraven worden en met hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen mogen, hem aanhangen met een waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; dat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil getroost verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uwen Zoon zonder verschrikken mogen verschijnen, door denzelven onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met u en den Heiligen Geest een eenig God leeft en regeert in eeuwigheid, Amen.”Het heilige water was op het hoofd van het kindeken gesprengd; het nagebed was opgezonden, een gedeelte van Gods Woord werd gelezen.Daar vloog de deur open; zekere luitenant Steenbergen, vergezeld van den veldwachter, drong binnen.„Ik kom even op last van den burgemeester de neuzen tellen,” riep hij.Twintig bleef twintig, zoodat de luitenant tot zijn leedwezen onverrichter zake weer vertrekken moest; toen hij in een der zijmuren een kleine opening ontdekte. Het belendend perceel was met dat van Hartog onder één dak gebouwd. Het behoorde aan een zekeren Malestijn, een Godvreezend man, die Hervormd gebleven was. De kamer naast het huis van Hartog werd bewoond door onzen bekenden Jan Verlinden. Die kamer had door een kleine opening in den wand wel geen gemeenschap methet huis van Hartog, maar zoo men het luikje opendeed, kon daar alles verstaan worden wat in het vertrek van den buurman gesproken werd. Natuurlijk werd dikwijls van die gelegenheid gebruik gemaakt om nog eenige vrienden aan de godsdienstoefeningen te doen deelnemen.Dat was goed gegaan tot er onverwacht den 24enMaart van dat jaar door den burgemeesterproces-verbaalopgemaakt was. De zaak had den 17enApril voor de Rechtbank teAmersfoortgediend. Bij vonnis, dien dag gewezen, was Verlinden vrijgesproken; de Rechtbank zag daarin geen overtreding der wet. Zeker van zijn zaak, had Verlinden dien morgen twee vrienden in zijn kamer toegelaten; hij zelf was in de vergadering.De luitenant liep naar de opening, keek er door en riep „Ha, ha! Daar zijn er twee. Dus twee en twintig! Jullie moet er uit!”„Mijnheer,” zei Verlinden, „dat is een ander huis. Dat is mijn woonkamer.”„Praatjes! Alles is onder één dak!”„Die zaak is reeds beslist;” antwoordde Verlinden. „Verleden Woensdag heeft de Rechtbank te Amersfoort uitgemaakt, dat hier geen wetsovertreding bestaat. U hebt dus wèl toe te zien wat u doet.”De luitenant vertrok met de woorden: „Wacht maar even! Dat maak ik wel gauw in orde!”Zoodra hij de deur uit was, oordeelde men algemeen het veiliger voor de jonge moeder en haar kindje, dat zij naar huis zou gaan. Maar daarvan wilde ze niets hooren. In het voorstel van Verlinden, dat ze met haar man én kind naar zijn kamer zou gaan, stemde ze echter toe.Zij begaven zich dus, natuurlijk buiten om, naar het huis van hun vriend Malestijn.Nog juist bijtijds! Geen vijf minuten later kwam de luitenant met zijn onmisbare militairen, maar nu in gezelschap van den burgemeester, terug.„Och Verlinden,” sprak de burgemeester ongewoon vriendelijk; „mag ik je even buiten spreken?”Deze voldeed dadelijk aan dat verzoek.„Wees zoo goed,” zei de burgemeester zoodra ze buiten waren, „en laat die vier menschen met dat kind vertrekken.”„Burgemeester, aan dat verzoek kan ik niet voldoen. Het vonnis van verleden Woensdag heeft uitgemaakt, dat de wet mij volkomen in het gelijk stelt. En bovendien is me door u gezegd, dat u in de uitspraak van de Rechtbank berust.”„Dat doe ik ook; maar je weet: ik moet de bevelen van den gouverneur uitvoeren, en die heeft me geschreven dat ik den toegang tot deze woning weren moet. Wanneer je nu die menschen laat weggaan, zal ik er den gouverneur nader over schrijven en vragen of ik den toegang weer, evenals vroeger, mag vergunnen.”„Indien de burgemeester mij bewijzen wil dat de gouverneur dat geschreven heeft, zal ik aan zijn verzoek voldoen.”„Dus je gelooft me niet!” riep de burgemeester toornig, maar voltooide den zin niet, keerde zich om en ging weg.Verlinden zag geen reden om langer buiten te blijven staan en voegde zich weer bij zijn vrienden.De dienst werd voortgezet; de gemeente zong Psalm 68:8.„Godts bergh die is seer wonderbaer,Gelijck Basan den bergh voorwaerStaet hij hoogh onbesweken.Wat is 't dat gy bergen rebel,Met al uwe....”„Stilte!” riep plotseling met donderende stem de burgemeester, die weer met den luitenant en den veldwachter binnengekomen was.De gemeente hield op met zingen.„Verlinden!” ging de burgemeester voort: „ik gebied je in naam des konings, de vergadering te laten uiteengaan!”„Burgemeester; ik heb hier niets te zeggen; we zijn in het huis van Hartog.”„Ook goed: Hartog, ik gebied je in naam des konings de vergadering te laten uiteengaan!”„Burgemeester,” antwoordde Hartog; „hier zijn zeventien menschen. Ik behoef dat dus niet te doen.”„Daar zijn er nog zes, dus...”„Dat ismijnhuis!” viel Verlinden den burgemeester in de rede. „Indien de burgemeester dáár iets te zeggen heeft, zal ik meegaan.”De beide mannen gingen naar Verlinden's kamer; de luitenant bleef buiten wachten.De burgemeester en Verlinden namen ieder een stoel en gingen zitten.„Nu, wat heb je nu te zeggen?” vroeg de burgervader.„Wat vraagt de burgemeester?” antwoordde Verlinden.„Dat je deze menschen laat vertrekken!”„Waarom, burgemeester? Ze zijn ver beneden de twintig!”„Omdat...” Maar verder kwam de burgemeester niet. De gemeente, die begreep dat ze zóó wel den ganschen dag tot speelbal van kleinzielige willekeur kon dienen, hief Psalm 68:14 aan:„Israël, Godt geeft u dat gySyn Koninckryck aenschouwet vrij,Hij regeert al u wercken;Wilt doch, Heer, gij die ons bemint,'t Werck dat gij nu in ons.....”Maar verder kwam de gemeente op haar beurt niet!De luitenant stoof—zonder burgemeester, maar met militairen—vloekend en razend naar binnen. Met de blanke sabel sloeg hij naar de vergaderden; zijn manschappen dreven met gevelde bajonetten de weerloozen naar buiten. Overhaast moesten dezen elkaar verdringen om het aanrichten van een bloedbad te ontgaan. Een meisje raakte onder den voet, en moest als gevolg van den doorgestanen schrik eenige dagen het bed houden.Enkele minuten later kwam Verlinden met gehavende kleeding zijn kamer binnen.„Je hebt er alles van gezien, meester,”zei hij. „Gelukkig dat we bijtijds er aan dachten uw vrouw en uw kind hier te bergen!”„Ja, 't zijn wel droevige tijden,”sprak een van de andere vrienden, die in het vertrek waren. „Waar moet dat alles nog op uitloopen!”„Toch kan ik er mij in verheugen,”zei Jannetje, „hoe vreemd je 't misschien vinden zult, dat onze jongen onder zulke omstandigheden in de gemeente des Heeren ingelijfd is.”„U meent,”hernam de vriend; „omdat hij als hij mag opgroeien, daar zijn heele leven aan denken kan!”„En,”zei de jonge moeder, „omdat het hem herinneren kan aan de dure, heilige verplichting, die op hem rust om een goed krijgsknecht van Jezus Christus te zijn.”„We zullen het,”zei Gerrit Beukman, „in korte woorden vóór in den familiebijbel opschrijven. Die zal toch eens naar we hopen, voor onzen eerstgeborene zijn.”„Dat is goed!” riep Jannetje, „en een toepasselijken tekst uit het Woord Gods er onder!”„Daar zou je voor kunnen nemen Mattheus 2:16,” merkte Verlinden op: „Herodes, eenigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder.”„Neen!” viel Gerrit hem in de rede; „bij den doop wat anders! Wie weet wat onze jongen nog beleeft! Wie zal zeggen watzijnkinderen, als het Gode behaagt hem die te schenken, nog zullen moeten doormaken! Aan deze vervolging zal wel een einde komen, maar even zeker zal ze de laatste niet zijn... ook in ons goede land niet. Onze kinderen moeten voorzien worden van de wapenrusting Gods.”„Wat zet je er dan onder, Gerrit?” vroeg zijn vrouw.Gerrit Beukman nam den bijbel en sloeg Psalm 22 op: „Dit lieve vrouw!”„Het Koninkrijk is des Heeren, en hij heerscht onder de heidenen.Alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden; allen die in het stof nederdalen zullen voor zijn aangezicht nederbukken, en die zijne ziel bij het leven niet kan houden.Het zaad zal hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat hij het gedaan heeft!”Einde.INHOUD.I.Staatsmisdaad1II.Tweestrijd7III.Het doel gemist15IV.Goede buurschap20V.Rechtloos26VI.Kerstfeest in Nederland35VII.Het nieuwste nieuws42VIII.Zware kerkgang53IX.Een „schip der Kerk”62X.„Postwinkel”70XI.Hoog en laag gemeen77XII.Van „hooger hand”89XIII.De ondermeester95XIV.Jannetjes besluit106XV.Diakonale armenzorg119XVI.Toegestemd129XVII.Dubbel ontslagen144XVIII.„Onder het kruis”154XIX.Nieuwe vrienden167XX.„Van geslacht tot geslacht”181
De Kerkenraad der Hervormde Gemeente van Pynacker.Joh'. de Jong,Predikant.J. van der Wal.W. v. d. Velden.P. Zegwaard.G. Lamens,Ouderlingen.L. v. d. Kooy.Ht. van der Elst,Diakenen.
Joh'. de Jong,Predikant.J. van der Wal.W. v. d. Velden.P. Zegwaard.G. Lamens,Ouderlingen.L. v. d. Kooy.Ht. van der Elst,Diakenen.
Terwijl nu de kerkeraad der Hervormde gemeente te Bunschoten zijn best deed om zich het oordeel van den Zoon des menschen op den hals te halen: „Ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed”, stak de burgervader geen vinger uit om het lot zijner medeburgers te verzachten.
In het geheele dorp was geen enkele woning open, behalve de beide hutjes, waaruit zij, die „over de noodige zaak der barmhartigheid” gesteld waren, hun slachtoffers verjaagd hadden. Twee meergegoede leden van de Afgescheiden gemeente ruimden daarom ieder een groot deel van hun schuur in en maakten die voor een der beide gezinnen bewoonbaar.
De gezondheid van vrouw de Greef had veel geleden door de haar aangedane behandeling. De jonge vrouwvan den „meester” bezocht haar dikwijls; nooit met een ledig hart en zelden met ledige handen.
Onder haar nieuwe vriendinnen ontmoette Jannetje meer dan anderen de jeugdige weduwe Poort, die zoo levendig aandeel nam in al wat tot steun en opbouw van de gemeente des Heeren strekken kon. Hoeveel hadden zij niet met elkander te bespreken, en de een de ander te verhalen uit eigen ondervinding!
„Zeg me toch eens, Reintje,” vroeg Jannetje haar vriendin op zekeren zomernamiddag, „hoe gaat het toch met dien ontslagen veldwachter? Ik heb hem nog niet gezien, maar mijn man heeft me veel van hem verteld.”
„Koelewijn meen je? Die man is een waar toonbeeld van Gods genade. Toen de vervolging begon was hij even ijverig als de andere vijanden, maar gaandeweg heeft hij leeren inzien dat wij niets misdeden; dat we in onze heiligste rechten gekrenkt werden; en eindelijk kon en mocht hij er niet meer aan meedoen. Toen werd hij op staanden voet uit zijn brood gestooten.”
„Gerrit zei me dat de burgemeester op last van den gouverneur handelde.”
„Ja....als je 't gelooven wil! Neen Jannetje; hij was wel degelijk door den burgemeester voor ontslag voorgedragen. Ik heb zijn ontslagbrief zelf gezien. Daar schrijft mijnheer Van Toulon met zooveel woorden in: „Gezien hebbende de missive van den burgemeester van Bunschoten van 10 Mei 1837, houdende dat de veldwachter zijner gemeente geweigerd heeft aan zijne bevelen te voldoen.... heeft goedgevonden en verstaan den persoon van Dirk Koelewijn uit zijne betrekking als veldwachter te ontslaan.”Maar er wordt geen enkelfeitvan ongehoorzaamheid opgenoemd. Koelewijn heeft nooit geweigerd den burgemeester te gehoorzamen; maar weigerde op order van de luitenants en de sergeants ons te mishandelen.... De man is nu niet meer hier, maar heeft, als ik wèl heb, werk in Utrecht gevonden.... Hij is de eenige niet!”
„Neen; Gerrit vertelde me van zijn ondermeester Jan Verlinden.”
„Ja, die ook. Maar je weet toch wel wat hier een paar maanden geleden met Nagel gebeurd is?”
„Wat dan?”
„Je moet weten: Gijs Nagel was hier nachtwacht, een goed vriend van Jakob Baas, de broer van mijn zwager Jan. Nu: Zondag den 11enFebruari waren eenige leden van de gemeente bij Jakob en anderen bij Nagel aan huis vergaderd. Allebei hadden ze een heele troep gemeen voor 't huis. Bij Jakob was de dienst pas begonnen of de burgemeester aan 't hoofd van een troep soldaten drong naar binnen en joeg de gemeente uiteen. Hij liet vier of vijf soldaten achter om het huis te bewaken en ging met de rest zóó naar Nagel. Ze trapten de deur in en drongen naar binnen. Maar er waren geen twintig menschen, zoodat de wet niet overtreden was. Nu zou je denken: daar is de geschiedenis mee uit. Maar jawel! den volgenden dag werd onze goede vriend Nagel als nachtwacht van zijn bediening ontzet.”
„Hoe kon dàt nu!” riep Jannetje.
„Ja mensch, vraag dàt niet! Wat kan erniet; tegen Afgescheidenen! Maar eigenlijk kon het toch niet want zoodra ze het gedaan hadden, zagen de burgemeester ende assessoren, dat ze hem eerst voor zes weken hadden moeten schorsen. Daarom werd den volgenden dag zijn ontslag ingetrokken en werd hij geschorst.”
„Zoo wordt alles een kwaadaardig spelletje!”
„Jawel; maar daar bleef het niet bij. Zaterdagmorgen, den 17en, werden plotseling mijn zwager Jan, en Jakob Baas, Gijs Nagel en Willem van de Kolk....”
„Is dat die Van de Kolk waar verleden jaar de soldaten zoo schandelijk huisgehouden hebben?”
„Dezelfde; de ontvanger van de Eem- en havengelden; die vier werden door politie en soldaten uit hun huizen gehaald, geboeid en te voet naar Amersfoort overgebracht. Waarom? vraag je. Dat weten ze zelf nóg niet! Daar werden ze bij allerlei soort van misdadigers in de gevangenis gestopt. 's Middags laat moesten ze voorkomen en werden uit en na ondervraagd over alles en nog wat. En het slot was dat ze 's avonds om zeven uur alle vier weer naar huis gestuurd werden; zoo maar, zonder inlichtingen, zonder vergoeding: „Jullie kan nu wel maar naar Bunschoten teruggaan! Goeien avond!””
„Alsjij't me niet zelf vertelde,” riep Jannetje, „zou ik het niet gelooven.”
„Och mensch!” hernam Reintje; „het schijnt wel dat we daar allemaal voor blootstaan. Afgescheidenen mag iedereen nu eenmaal in ons land behandelen zooals hij goedvindt. Een paar weken later—ik geloof den 19enMaart,—komen er plotseling twee politieagenten en vier soldaten bij Hein Koelewijn, den broer van den veldwachter, weet je, doen hem handboeien aan en nemen hem mee. Onderweg ontmoet hij den burgemeester envraagt hem in 't voorbijgaan waar dat om is. „Dat zullen ze je in Amersfoort wel zeggen!” riep de burgemeester en ging door. In Amersfoort sluiten ze hem in een hok; daar moet hij den heelen nacht in blijven; den volgenden morgen komt hij voor den rechter van instructie. Maar die weet eigenlijk niet waarom ze Koelewijn bij hem gebracht hebben, zit met den man verlegen en stuurt hem na een kwartiertje maar weer naar huis.”
Jannetje sloeg van verbazing de handen in elkaar. „Neen, vanzulkegekke dingen hebben we bij ons nog niet gehoord!”
„Dan mag je van geluk spreken,” hernam haar vriendin. „Of eigenlijk....zaligzijt gij zoo u de menschen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil!”
„Dat is waar, Reintje,” antwoordde de jonge vrouw, „maar je kunt er in komen dat de arme menschen soms vragen: „Hoe lang nog, Heere!” De menschen zullen het in later tijd niet gelooven dat zulke dingen mogelijk waren!”
„Och kom,” zei Reintje; „ze zullen in later tijd wel evenals nu allerlei voorwendsels weten te vinden om aan te toonen dat het zóó niet had mogen gebeuren, maar dat wij toch eigenlijk ongelijk hadden. Dacht je dat de menschen veranderden? Ik denk nog dikwijls om wat mijn goede man wel eens zei: „Rein,” zei hij, „of ze er later berouw over hebben of niet; of ze 't goedkeuren of leelijk vinden wat er nu gebeurt, 't geeft allemaal niets zoolang ze die Haagsche Synode houden!Diedoet het je allemaal aan! Ik zal het niet beleven, zei hij, maar onze kinderen zullen het wel ondervinden als ze getrouw blijven.””
„Maar,” ging de weduwe voort na eenige minuten zwijgens: „we hebben nog tot den bloede toe niet tegengestaan! De Heere alleen weet wat nog over ons komen zal; maar het is er hier dicht aan toe geweest!”
„Een van de gruwelijkste dingen,” zei Jannetje, „vond ik wat ik laatst las dat in Woudrichem gebeurd is; dat is haast erger dan er het bloed voor storten. Daar kwam een meisje van ongeveer twintig jaar uit de vergadering, die bij zekeren Rombout aan den Ouden Dijk gehouden was. Een troep kwaaddoeners van allerlei stand en leeftijd viel haar aan. Ze sloegen haar met vuisten, scheurden haar de muts van het hoofd, sleepten haar bij de haren over den grond en door de modder, en.... dán staat er letterlijk.... deden haar eindelijk, ten aanschouwe der menigte, een smaadheid aan, waarvan de beestachtige onbeschaamdheid zoo verregaand was, dat onze pen weigert de schandelijkheid daarvan te beschrijven. Haar twee vriendinnen zijn bij een Roomschen buurman binnen gevlucht, die ze met gevaar van zijn leven beschermd heeft.”
„En hoe is dat afgeloopen?” vroeg Reintje.
„Dat is eigenlijk niet afgeloopen,” was het antwoord. „Er is een aanklacht ingediend, maar daar is nooit eenig antwoord op gekomen.”
„Ja,” zuchtte de jonge weduwe; „het heeft slechts een haar gescheeld of mijn eenig kindje van twee jaar, mijn lieve kleine Willempje, was in mijn eigen huis voor mijn oogen vermoord. Dat was Zondag 25 Februari; ik zal dien dag mijn leven lang niet vergeten! Er was bij mij aan huis ochtenddienst; Jakob zou een preek van Comrie lezen. Alles samen waren we met z'n drie-en-twintigen.Dat had de schildwacht ontdekt, en jawel, daar kwam de veldwachter Loendersloot, zoo maar zonder eenig bewijs van den burgemeester, en beval ons uiteen te gaan. Daar stoorden we ons niet aan. Juist zongen we Psalm 68:15, daar komen burgemeester Hoolwerf en luitenant Worm, met een heele troep soldaten binnen. De luitenant op Jakob af! Hij scheurt hem het psalmboek uit de handen, smijt het op den grond en schreeuwt: „Er uit! Voor den duivel.””
„Dat mocht hij naar waarheid zeggen;” riep Jannetje; „hetwasvoor den duivel!”
„Meteen grijpen de soldaten al de broeders en zusters en smijten hen de deur uit. Tafels en stoelen omver! Een van de soldaten stootte met de bajonet uit moedwil al de schotels en borden van de kast af, aan duizend gruizelementen op den grond. Maar een ander neemt mijn lieve dochtertje en gooit het kind de heele kamer door in een hoek; daar lag het te gillen van de pijn. Gelukkig weet de soldaat Bosch, die zich altijd veel fatsoenlijker gedraagt dan de anderen, er door te dringen, en haalt de kleine meid van tusschen de sporten van een omgegooiden stoel tevoorschijn. In de kamer daarnaast woont Dirk Krom, zooals je weet; daar is een luikje. Krom deed dat open om te zien wat er gebeurde. Zoodra de luitenant dat merkte, schreeuwde hij: „Steek den kerel dood!” en dadelijk stak de soldaat, die er het dichtste bij was, zijn bajonet er door. Krom kon nog juist bijtijds achteruitspringen.”
Jannetje had totnogtoe nooit goed begrepen hoe het kwam dat de Afscheiding in Loosdrecht niet zoo groote vorderingen maakte als in Bunschoten, terwijl de beideplaatsen toch betrekkelijk zoo dicht bij elkander lagen: ofschoon er in Loosdrecht ook geen reden van klagen was. Maar zulke gesprekken en verhalen gaven haar den sleutel van het raadsel in handen. De vervolging was in Bunschoten veel feller en vinniger dan in veel andere plaatsen in den omtrek. Derhalve was de bloei van de gemeente ook veel grooter dan elders. De vervolging werd tot in het bespottelijke gedreven. Zoo gebeurde het op Vrijdag, den 30enMaart 1838, dat Jan Baas twintig kinderen in zijn huis vereenigd had. Was er catechisatie? Of was er kinderpartij? De burgemeester kon het niet zeggen; alleen wist hij dat daar een verboden samenkomst gehouden werd. Dus liet hij de kinderen door eenige soldaten op straat jagen. De jongens maakten er een spelletje van en vlogen als musschen om de soldaten heen en in wijden kring achter hen om naar binnen. Zelfs soldaten, wier eenige roeping was het Hervormde kerkgenootschap te verdedigen, hadden wel wat anders te doen dan voortdurend met zulke bengels krijgertje te spelen; zoodat van de vervolging afgezien werd en men het troepje verder ongemoeid liet. Ze waren naar 't schijnt nietstaats- ofkerkgevaarlijk.
Bijzondere zorg werd te Bunschoten ook besteed aan gedurige afwisseling van militairen. Het was min of meer gevaarlijk dezelfde mannen lang op dezelfde posten te laten: ze mochten eens op te goeden voet komen met de vervolgden! Daardoor had men ook telkens een anderen luitenant. Nauwelijks was Jannetje zes weken in haar nieuwe woonplaats of de troep militairen werd alweer vervangen door een andere.
Toen Jannetje, die niet bang uitgevallen was en haar mondje wèl tot haar wil had, den 15enJuli met de overigen bij haar vriendin Poort op straat gezet werd, zei ze tot den luitenant: „Mijnheer, met welk recht behandelt u ons zoo?”
„Als je 't niet bevalt, klaag me dan gerust aan bij gouverneur Van Toulon!” snauwde de officier, die wel wist welk adres hij opgaf.
Den 12enAugustus daaraanvolgende werd de jonge vrouw ten huize van Jakob Baas door een soldaat bij den arm gegrepen en naar buiten gedrongen.
„Mijnheer de luitenant!” riep ze, „laat u dat maar zoo toe?”
„Beste meid!” antwoordde de luitenant, terwijl hij spottend de pet voor haar afnam: „ik ken geen genoegelijker oogenblikken in mijn leven, dan wanneer ik jullie ontuig uit elkaar jagen kan!”
Zoo hoorde de eenvoudige boerendochter wel niet telkens als ze met de gemeente opging, een preek, maar ze maakte kennis met de beschaving van de hoogere standen. En dat kan ook z'n nut hebben!
[1]Letterlijk; de taal- en spelfouten waarvan het stuk wemelt, zijnniette wijten aan slordigheid van den zetter en den corrector dezer bladzijden.
[1]Letterlijk; de taal- en spelfouten waarvan het stuk wemelt, zijnniette wijten aan slordigheid van den zetter en den corrector dezer bladzijden.
[2]Dr. G. J. Vos Az.: Groen van Prinsterer en zijn tijd. 1800-1857. blz. 136.
[2]Dr. G. J. Vos Az.: Groen van Prinsterer en zijn tijd. 1800-1857. blz. 136.
In opgewekte stemming wandelde Gerrit Beukman op Zondag den 7enApril 1839 's middags te twaalf uur, naar huis. Hij had de morgen-godsdienstoefening ten huize van den visscher W. Hartog, bijgewoond, die—zeldzaam geval!—zonder eenige stoornis afgeloopen was.
De frissche lentelucht deed hem ruim ademhalen; de knoppen aan de kastanjeboomen, rood-geel-groen gezwollen, barstten de windselen uit; de lammetjes in de wei huppelden aan de zijde hunner moeders; de zon begon reeds goed kracht te krijgen en overgoot het gansche landschap met glans en vroolijkheid. Alles getuigde en jubelde van jong leven: „Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.”
Vroolijk en met snelle schreden ging de jonge Beukman alleen verder; vroolijk omdat hij alleen was. Want Jannetje was thuisgebleven; heel blij omdat ze niet kon meegaan. Zij wachtte in de slaapkamer haar echtgenoot af met een jong leven in de armen, dat rijker en kostbaarder was dan al de heerlijkheid der natuur daarbuiten! Zij drukte met moederweelde haar, verleden Maandag geboren, zuigeling aan het hart.
De kamerdeur ging open; langzaam, voorzichtig. Zoo zacht mogelijk kwam de jonge vader binnen.
„Neen, ik slaap niet, hoor!” Een zilveren lach klonk hem uit de bedstede tegemoet.
„Dag schat! Hoe maak je het?”
„Best! Kijk onzen jongen eens!”
Rustig lag de kleine te slapen; aan elke zij van het kopje een kleine rozenroode vuist. „Ben je niet rijk?”
„Dubbel rijk: een beste vrouw en een flinke stamhouder!”
„Ja hè.... Loof den Heere, mijne ziel! En vertel nu eens: hoe heb je 't gehad?”
„Heel goed, en we zijn van begin tot eind ongestoord samen geweest!”
„Wat je zegt! Hoe kwam dàt zoo?”
„De schildwacht telde nauwkeurig, maar met Hartog en z'n gezin mee waren er slechts negentien menschen, want de twintigste....”
.... „hadik anders moeten zijn,”vulde Jannetje den zin aan. „Van morgen was ik liever hier hoor!”
„En ik breng goed nieuws voor je mee. Raad eens!”
„Neen, Gerrit, zeg het maar gauw. Je weet wel dat ik me nog niet mag vermoeien. En als ik nu lang over het raadsel lag te surfen, zou hetjouwschuld zijn....”
„Zeker! Zeker! Als je meer zulke gewichtige vermaningen uitdeelt, zal ik je voortaan Ernestine inplaats van Jannetje noemen! Nu dan.... vandaag over veertien dagen hoopt dominee Scholte hier te prediken.”
„Heerlijk!” riep Jannetje; „dan kan meteen onze kleine Gerrit gedoopt worden!”
„Ja.... tenminste als je sterk genoeg bent! We moetener altijd aan denken dat het geen gewone kerkgang is als vroeger. Je moet dus instaat zijn om eenigen schrik te doorstaan, voor het geval dat we vervolgd worden.”
„Lieve man, ik ben nu reeds zóó wel, en de Heere zal mijn sterkte zijn! Wij gaan hoor!”
Veertien dagen later, den 21enApril 1839, was de gemeente, voorzoover de wet dat toestond, vergaderd ten huize van W. Hartog, dat geregeld door den bewoner voor de samenkomsten afgestaan werd. Niet meer dan twintig personen waren aanwezig, Jannetje's zuigeling medegerekend. Zoowel de schildwacht voor de deur als de soldaat in het vertrek had goed geteld.
De dienst begon met de bediening van den heiligen doop, elk oogenblik kon men gestoord, ja met levensgevaar verjaagd worden, zoodat men terecht begreep dat vóór alles zooveel doenlijk gezorgd behoorde te worden, dat de doopeling niet vergeefs binnengebracht was en het teeder leven er niet bij inschoot.
In zulke omstandigheden werd door de ouders het gebed vóór den doop niet aangehoord, maar meegebeden. De psalmen zijn door de heiligen des Ouden Verbonds uit het hart van al Gods kinderen gezongen. Maar evenzeer gevoelen Gods kinderen—verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde—dat de formulieren der Gereformeerde Kerk belijdenissen zijn van „medegenooten in de verdrukking en in het koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus”, en opgeschreven werden bij den gloed der brandstapels. Voor Gerrit en Jannetje kwamen de heerlijke woorden thans eerst waarlijk tot hun recht: „o Almachtige, eeuwigeGod.... wijbidden u door uwegrondelooze barmhartigheid, dat gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven, opdat zij met hem in zijnen dood begraven worden en met hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen mogen, hem aanhangen met een waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; dat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil getroost verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uwen Zoon zonder verschrikken mogen verschijnen, door denzelven onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met u en den Heiligen Geest een eenig God leeft en regeert in eeuwigheid, Amen.”
Het heilige water was op het hoofd van het kindeken gesprengd; het nagebed was opgezonden, een gedeelte van Gods Woord werd gelezen.
Daar vloog de deur open; zekere luitenant Steenbergen, vergezeld van den veldwachter, drong binnen.
„Ik kom even op last van den burgemeester de neuzen tellen,” riep hij.
Twintig bleef twintig, zoodat de luitenant tot zijn leedwezen onverrichter zake weer vertrekken moest; toen hij in een der zijmuren een kleine opening ontdekte. Het belendend perceel was met dat van Hartog onder één dak gebouwd. Het behoorde aan een zekeren Malestijn, een Godvreezend man, die Hervormd gebleven was. De kamer naast het huis van Hartog werd bewoond door onzen bekenden Jan Verlinden. Die kamer had door een kleine opening in den wand wel geen gemeenschap methet huis van Hartog, maar zoo men het luikje opendeed, kon daar alles verstaan worden wat in het vertrek van den buurman gesproken werd. Natuurlijk werd dikwijls van die gelegenheid gebruik gemaakt om nog eenige vrienden aan de godsdienstoefeningen te doen deelnemen.
Dat was goed gegaan tot er onverwacht den 24enMaart van dat jaar door den burgemeesterproces-verbaalopgemaakt was. De zaak had den 17enApril voor de Rechtbank teAmersfoortgediend. Bij vonnis, dien dag gewezen, was Verlinden vrijgesproken; de Rechtbank zag daarin geen overtreding der wet. Zeker van zijn zaak, had Verlinden dien morgen twee vrienden in zijn kamer toegelaten; hij zelf was in de vergadering.
De luitenant liep naar de opening, keek er door en riep „Ha, ha! Daar zijn er twee. Dus twee en twintig! Jullie moet er uit!”
„Mijnheer,” zei Verlinden, „dat is een ander huis. Dat is mijn woonkamer.”
„Praatjes! Alles is onder één dak!”
„Die zaak is reeds beslist;” antwoordde Verlinden. „Verleden Woensdag heeft de Rechtbank te Amersfoort uitgemaakt, dat hier geen wetsovertreding bestaat. U hebt dus wèl toe te zien wat u doet.”
De luitenant vertrok met de woorden: „Wacht maar even! Dat maak ik wel gauw in orde!”
Zoodra hij de deur uit was, oordeelde men algemeen het veiliger voor de jonge moeder en haar kindje, dat zij naar huis zou gaan. Maar daarvan wilde ze niets hooren. In het voorstel van Verlinden, dat ze met haar man én kind naar zijn kamer zou gaan, stemde ze echter toe.Zij begaven zich dus, natuurlijk buiten om, naar het huis van hun vriend Malestijn.
Nog juist bijtijds! Geen vijf minuten later kwam de luitenant met zijn onmisbare militairen, maar nu in gezelschap van den burgemeester, terug.
„Och Verlinden,” sprak de burgemeester ongewoon vriendelijk; „mag ik je even buiten spreken?”
Deze voldeed dadelijk aan dat verzoek.
„Wees zoo goed,” zei de burgemeester zoodra ze buiten waren, „en laat die vier menschen met dat kind vertrekken.”
„Burgemeester, aan dat verzoek kan ik niet voldoen. Het vonnis van verleden Woensdag heeft uitgemaakt, dat de wet mij volkomen in het gelijk stelt. En bovendien is me door u gezegd, dat u in de uitspraak van de Rechtbank berust.”
„Dat doe ik ook; maar je weet: ik moet de bevelen van den gouverneur uitvoeren, en die heeft me geschreven dat ik den toegang tot deze woning weren moet. Wanneer je nu die menschen laat weggaan, zal ik er den gouverneur nader over schrijven en vragen of ik den toegang weer, evenals vroeger, mag vergunnen.”
„Indien de burgemeester mij bewijzen wil dat de gouverneur dat geschreven heeft, zal ik aan zijn verzoek voldoen.”
„Dus je gelooft me niet!” riep de burgemeester toornig, maar voltooide den zin niet, keerde zich om en ging weg.
Verlinden zag geen reden om langer buiten te blijven staan en voegde zich weer bij zijn vrienden.
De dienst werd voortgezet; de gemeente zong Psalm 68:8.
„Godts bergh die is seer wonderbaer,Gelijck Basan den bergh voorwaerStaet hij hoogh onbesweken.Wat is 't dat gy bergen rebel,Met al uwe....”
„Stilte!” riep plotseling met donderende stem de burgemeester, die weer met den luitenant en den veldwachter binnengekomen was.
De gemeente hield op met zingen.
„Verlinden!” ging de burgemeester voort: „ik gebied je in naam des konings, de vergadering te laten uiteengaan!”
„Burgemeester; ik heb hier niets te zeggen; we zijn in het huis van Hartog.”
„Ook goed: Hartog, ik gebied je in naam des konings de vergadering te laten uiteengaan!”
„Burgemeester,” antwoordde Hartog; „hier zijn zeventien menschen. Ik behoef dat dus niet te doen.”
„Daar zijn er nog zes, dus...”
„Dat ismijnhuis!” viel Verlinden den burgemeester in de rede. „Indien de burgemeester dáár iets te zeggen heeft, zal ik meegaan.”
De beide mannen gingen naar Verlinden's kamer; de luitenant bleef buiten wachten.
De burgemeester en Verlinden namen ieder een stoel en gingen zitten.
„Nu, wat heb je nu te zeggen?” vroeg de burgervader.
„Wat vraagt de burgemeester?” antwoordde Verlinden.
„Dat je deze menschen laat vertrekken!”
„Waarom, burgemeester? Ze zijn ver beneden de twintig!”
„Omdat...” Maar verder kwam de burgemeester niet. De gemeente, die begreep dat ze zóó wel den ganschen dag tot speelbal van kleinzielige willekeur kon dienen, hief Psalm 68:14 aan:
„Israël, Godt geeft u dat gySyn Koninckryck aenschouwet vrij,Hij regeert al u wercken;Wilt doch, Heer, gij die ons bemint,'t Werck dat gij nu in ons.....”
Maar verder kwam de gemeente op haar beurt niet!
De luitenant stoof—zonder burgemeester, maar met militairen—vloekend en razend naar binnen. Met de blanke sabel sloeg hij naar de vergaderden; zijn manschappen dreven met gevelde bajonetten de weerloozen naar buiten. Overhaast moesten dezen elkaar verdringen om het aanrichten van een bloedbad te ontgaan. Een meisje raakte onder den voet, en moest als gevolg van den doorgestanen schrik eenige dagen het bed houden.
Enkele minuten later kwam Verlinden met gehavende kleeding zijn kamer binnen.
„Je hebt er alles van gezien, meester,”zei hij. „Gelukkig dat we bijtijds er aan dachten uw vrouw en uw kind hier te bergen!”
„Ja, 't zijn wel droevige tijden,”sprak een van de andere vrienden, die in het vertrek waren. „Waar moet dat alles nog op uitloopen!”
„Toch kan ik er mij in verheugen,”zei Jannetje, „hoe vreemd je 't misschien vinden zult, dat onze jongen onder zulke omstandigheden in de gemeente des Heeren ingelijfd is.”
„U meent,”hernam de vriend; „omdat hij als hij mag opgroeien, daar zijn heele leven aan denken kan!”
„En,”zei de jonge moeder, „omdat het hem herinneren kan aan de dure, heilige verplichting, die op hem rust om een goed krijgsknecht van Jezus Christus te zijn.”
„We zullen het,”zei Gerrit Beukman, „in korte woorden vóór in den familiebijbel opschrijven. Die zal toch eens naar we hopen, voor onzen eerstgeborene zijn.”
„Dat is goed!” riep Jannetje, „en een toepasselijken tekst uit het Woord Gods er onder!”
„Daar zou je voor kunnen nemen Mattheus 2:16,” merkte Verlinden op: „Herodes, eenigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder.”
„Neen!” viel Gerrit hem in de rede; „bij den doop wat anders! Wie weet wat onze jongen nog beleeft! Wie zal zeggen watzijnkinderen, als het Gode behaagt hem die te schenken, nog zullen moeten doormaken! Aan deze vervolging zal wel een einde komen, maar even zeker zal ze de laatste niet zijn... ook in ons goede land niet. Onze kinderen moeten voorzien worden van de wapenrusting Gods.”
„Wat zet je er dan onder, Gerrit?” vroeg zijn vrouw.
Gerrit Beukman nam den bijbel en sloeg Psalm 22 op: „Dit lieve vrouw!”
„Het Koninkrijk is des Heeren, en hij heerscht onder de heidenen.
Alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden; allen die in het stof nederdalen zullen voor zijn aangezicht nederbukken, en die zijne ziel bij het leven niet kan houden.
Het zaad zal hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.
Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat hij het gedaan heeft!”
Einde.