Chapter 10

Niettegenstaande dit alles ware het toch wellicht mogelijk, dat de Staten-Generaal invloed op de richting van het staatsbestuur zouden kunnen uitoefenen, mits zij overtuiging en kracht genoeg in zich zelven voelden, om voor het algemeen belang op te treden. De overweging der jaarlijksche buitengewone begrooting kon daarvoor een handvatsel zijn. Maar was die overtuiging, was die kracht van dit collegie te wachten? Wij herinneren ons hoe de Grondwet over de eerste vervulling der grondwettige lichamen niets bepaald had, hoe ook de notabelen dit punt met stilzwijgen voorbijgingen, en hoe daaruit de gevolgtrekking gemaakt werd, dat de Souvereine Vorst dan maar de eerste keuze moest doen, dus ook van de Staten-Generaal. Deze door hem aangewezen leden zouden zitting hebben tot 1 November 1817; eerst van dit tijdstip af begon de keuze door de provinciale Staten te werken, die telken jare een derde van het getal zouden kiezen. De definitieve voor eens vast te stellen begrooting zoude dus tot stand komen door de toestemming van Staten-Generaal, die door den Souvereinen Vorst waren benoemd.

En wat van de Staten-Generaal gold, was eveneens het geval met de Staten-provinciaal. De eerste aftreding, voor een derde, van de door den Souvereinen Vorst aangewezen leden der Staten vond volgens de door hemden 26sten Augustus 1814 vastgestelde reglementen330)eerst plaats den 1sten Mei 1817, zoodat de eerste keuze van leden der Staten-Generaal zoude geschieden door leden voor het grootste deel nog door den Vorst benoemd. En later, wanneer de tijd van zitting van al deze leden verstreken was, ook dan zoude de invloed van den Souvereinen Vorst nog nawerken in de stedelijke raden en in den adel, de bron in de meeste gewesten van twee derde der provinciale Staten. Immers de stedelijke besturen werden ook den eersten keer door den Souvereinen Vorst aangesteld voor het leven; de Ridderschap bestond uit personen, door den Vorst in den adelstand verheven of als zoodanig erkend, en dus door banden van dankbaarheid aan hem verknocht. Alleen bij den landelijken stand kon met 1 Mei 1817 van invloed des volks op de keuze der Staten sprake zijn; trouwens was het geen rechtstreeksche keuze, maar verkiezing met een trap. Eigenerfden kozen kiezers, en deze de leden der Staten. Uit dit alles volgt, dat althans in de eerste jaren van eene krachtige vertegenwoordiging geen sprake kon zijn. En zoude ook later de Regeering, gesteund door de Gouverneurs in de provinciën, niet middelen in de hand hebben, om de keuze van onwelgevallige personen tegen te gaan? Men bedenke toch, dat zij, die door Stad of Ridderschap in de Staten werden afgevaardigd, meestal wel tot die klasse der maatschappij zouden behooren, die bij voorkeur tot vervulling der ambten geroepen was. Voorwaar de verleiding moest groot zijn, om niet mede te werken tot de keuze van zelfstandige mannen; men liep toch gevaar, daardoor in ongenade te vallen en de bron van eer en van voordeel voor zich en de zijnen verstopt te zien.

De bedervende invloed van dit alles zoude te sterker moeten werken bij het volslagen gemis aan openbaarheidin het bestuur. Staten-Generaal, Provinciale Staten, Gemeenteraden vergaderden achter gesloten deuren. Iets waarin geen bezwaar werd gezien, niettegenstaande die lichamen ten slotte een uitvloeisel zouden worden van keuze, en dus alle mogelijkheid om een oordeel over de verkozenen te vellen, daardoor werd afgesneden. Het beginsel van openbaarheid was niet in eere. Zelfs de vrij onschuldige bepaling van Hogendorp's Schets (art. 30), dat door den druk zoude worden publiek gemaakt het aan de Staten-Generaal te doen jaarlijksch verslag van het gebruik der geldmiddelen, werd geschrapt. De ingezetenen zouden dus van hetgeen er omging in het bestuur niets anders behoeven gewaar te worden, dan wat in wet of vorstelijk besluit, bij provinciale of gemeentelijke verordening, te hunner kennis moest worden gebracht. Aan opwekking tot deelneming in de publieke zaak, aan contrôle van het publiek op het bestuur, viel onder zulk eene inrichting niet te denken. Klinkt het ons dan bijna niet als ironie in de ooren, wanneer Hogendorp aan het slot zijner Aanmerkingen er op wijst, hoe een zin voor het vaderland, eenpublic spiritdoor al de klassen van ingezetenen verspreid en in alle gemoederen opgewekt zal worden331)?

Wij nemen afscheid van den Regeeringsvorm der Vereenigde Nederlanden onder de Grondwet van 1814. Was het wel noodig, ons zoo lang bezig te houden met eene Grondwet, die niet meer dan een jaar heeft geleefd, om in 1815 door de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden te worden vervangen? Ik meende van ja, omdat het de Grondwet van 1814 is, waarbij de grondwettige monarchie in het huis van Oranje-Nassau voor het eerst in ons vaderland is gevestigd, omdat de hoofdtrekken en hoofdbeginselen dezer Grondwet zijn overgegaan in die van 1815, al moge dan deze haar op enkelepunten—zooals door de openbaarheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal—ten goede hebben gewijzigd. Immers ook de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden hulde voor het overige het bestuur in een geheimzinnig duister, ook zij kende aan de natie geen meerderen invloed toe; zij kenschetste zich vooral—evenals die van 1814—door het gemis van hetgeen het merg der constitutioneele monarchie uitmaakt, door het gemis der ministerieele verantwoordelijkheid en de handhaving mitsdien van het persoonlijk gouvernement. In zoover heeft de Grondwet van 1814 tot 1840, gedurende de geheele regeering van Willem I, hare werking doen gevoelen. Zoo er ooit harmonie heeft bestaan tusschen den regeeringsvorm en den Vorst, die geroepen was hem toe te passen, dan is het voorzeker hier het geval geweest. In het verslag van den toestand des lands, den 7den November 1814 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, Röell, aan de Staten-Generaal gedaan332), wees deze reeds op „de rustelooze zorgen, waarmede de Souvereine Vorst van het eerste oogenblik zijner regeering de belangen zijner onderdanen had behartigd en nog dagelijks bleef behartigen, zoodat bij diegenen, welke hem van nabij volgden, wel eens het gevoel van eerbied en bewondering over eene zoo zeldzame opoffering door vrees voor de gevolgen van onafgebroken inspanning werden opgewogen”. Deze woorden waren geene vleierij, maar de zuivere waarheid. Zoo iemand hetmétier de roiernstig opvatte, zoo iemand zich afsloofde in de behartiging der publieke zaak, dan is het voorzeker Willem I geweest. De geschiedenis echter heeft met onuitwischbare trekken opgeteekend, welke de uitkomsten van dit alles geweest zijn, in welken ontredderden toestand ons vaderland bij het einde der regeering van dezen Vorst was gebracht. En hoewelhet nu onbillijk zou zijn, bij de beschouwing dezer uitkomsten niet in rekening te brengen de moeilijkheden, waarmede Willem I te kampen had, in 't bijzonder de bezwaren, voortvloeiende uit de vereeniging met België, uit de gedwongen samenleving van Noord en Zuid; zoo zoude het niet minder eenzijdig zijn te willen ontkennen, dat dergelijke uitkomsten, ook zelfs bij de beste bedoelingen, een natuurlijk gevolg waren van een regeeringstelsel als dat van de Grondwet van 1815, waaronder een volk zijn lot plaatst in handen van éen persoon, die naar zijnen wil, naar zijn inzicht, buiten het weten des volks om, het land regeert. Het kan dan ook alleen uit onbekendheid met de politieke geschiedenis van ons vaderland verklaard worden, dat bij dezen en genen soms de opwelling ontstaat om met terzijdestelling van den overwegenden invloed der volksvertegenwoordiging eene vorstelijke macht terug te wenschen, zooals die onder de regeering van onzen eersten Koning heeft gewerkt. Wanneer men dit overweegt, zal men het mij eerder vergeven, dat ik bij de beschouwing van den regeeringsvorm volgens de Grondwet van 29 Maart 1814 zoolang heb stilgestaan.

Hogendorp knoopte het erfrecht vast(hiervóór, bl. 153). Zie over deze geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à Thuessink van der Hoop,De Orde van Erfopvolging tot den Troon in Nederland(Amsterdam 1911). bl. 1–84.Zonder eenige beperking(hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art. 5 der eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij gemis van mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters of derzelvermannelijkenakomelingen. Het wegvallen van het woordmannelijkeuit art. 6, waarover Tellegen zich in zijnenoot op bl. 156zoo verbaast, heeft denzelfden grond als het wegvallen dier woorden uit art. 5. Zie daarover van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef het woordmannelijkestaan wegens de resolutie van 1747 waarin hetvoorkwam. De woorden „op gelijke wijze als voren”, die in art. 5 bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet aangenomen stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815 heeft deze zaak in het reine gebracht.Vreemd is het in elk geval(hiervóór,bl. 158). Men kan het geval in 1814 moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze aangegeven waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten worden voorzien.'s Vorsten inkomen(hiervóór, bl. 159). Ziehiervóór, bl. 96. „De Prins”, schrijft G. K. in 1817, „was te vrede geweest met een millioen vast inkomen, dog begeerde, dat de helft van deze som uit domeinen zoude voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal goed werden afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen te worden gebruikt”.333). Niet billijk voor de commissie is hetgeen dan verder volgt: „Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen misvatten, weet ik niet; maar zeker is het, dat het denkbeeld ontstond en doorging, om de domeinen toe te voegen boven het millioen”. Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's eigen nieuwe redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het millioen aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch334)stelt het inkomen uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton in gereed geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som van anderhalf millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van Elout. Eerst bleek het onpractisch een gedeelte van het inkomen in vruchtgebruik der landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten tot onderpand der domeinbons en men was verlegen daar een andere hypotheek voor aan te wijzen. Men bracht dus de zes ton op een millioen en sprak niet van het vruchtgebruik der landsdomeinen, nog wel van teruggave der onvervreemde oude goederen van het huis. Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn: immers onder de verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke van het huis van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere hypotheek uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te spreken, en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der teruggave van als hypotheek vastliggende goederen „opzien baren”. Zoo is men er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken,ter gedeeltelijke voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen eigendom zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen335).Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht(hiervóór bl. 162). Door den S. V. aanvankelijk wèl:hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer verklaart zich in de commissie voor het tweekamerstelsel336), maar komt er niet op terug als de president het denkbeeld af doet met op te merken dat het „hier te lande eene volstrekte nieuwigheid” zijn zoude.Gekozen door de Staten der Provinciën(hiervóór bl. 164). 3 Jan. stelt Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een nominatie van twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden337). Hogendorp antwoordt, „dat de Vorst dit middel van gezag nu niet noodig heeft, zooals in de stadhouderlijke tijden, toen hij, om zijnen invloed te vermeerderen, zijn gezag op allerlei wijze moest zoeken uit te breiden”. Aylva komt niet terug, doch de Vorst verlangt 22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie338). De commissie van redactie antwoordt kortweg: „Men oordeelt, dat de keuze aan de Staten-Provinciaal dient te blijven”339), waarop de Vorst met een uitvoeriger aanteekening terugkomt. „Het is de vraag”, schrijft hij,„of eene nominatie van drieën aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn. Nu is het niet noodig, maar in latere tijden konde bij een minder goede geest, zwarigheid en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan, wanneer op hare electie geen invloed (des Vorsten) kan verzekerd zijn. De kiezers benoemen de Raden in de Steden, deze de Leden Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal, en alle deze instantiën blijven buiten den invloed of inzage van den S. V.”340)Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr. worden afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd praatte. „Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen baat gevonden hadden bij deninvloedop de aanstelling der Stedelijke Regenten, omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zijzig vele vijanden daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer vooruit dan achteruit zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn verstand en rondborstige taal hetgeen hij mijne menschkundige aanmerkingen noemde, en de Prins berustte in de zaak”341).Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers, enz. (hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt niet dat de ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn, maar dat de leden van de Staten-Generaal tevens minister enz. kunnen zijn. Dit is geen verschil in woordschikking; een der eigenaardigheden van Hogendorp's voorstelling is er mede gemoeid. Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals Tellegen opgeeft, „dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden”, maar juist omgekeerd, dat die dienaren voort zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich zelfs voor dat leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als hoofden van missiën naar het buitenland; ook dat zij een militair commando kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg dragen naar de Staten-Generaal af te vaardigen „de bloem der natie”, lieden „uit allerlei standen, uit allerlei collegiën, uit het huis van den Souvereinen Vorst, uit de vloot en het leger”, zoodat „alle mogelijke kunde en talenten” in die vergadering vereenigd zijn342). In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt hij zich nog, dat dit denkbeeld er „met eenige moeite in de commissie doorgegaan was, en eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de uitzonderingen alleen te noemen343)”; ook dat de Vorst bij de eerste benoeming van de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had gebracht, en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal zullen nu maar spoedig door hun keuzen „de egte beginselen” moeten verlevendigen344). Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem in alle behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien. De Vorst zal in G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de Staten-Generaal brengen; integendeel de Staten-Generaal zullen hem helpen aan het hooge bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem toen eenige kans van slagen had; de ondervinding leerde het wel anders; maar het was niettemin Hogendorp's voorstelling, en men begrijpt den man niet in zijn eigenaardigheid wanneer men dit voorbijziet.Naar men meent(hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit op gezag eener aanteekening van Röell: „Niet weinig werkte tot verwerping der voorgedragene bepaling omtrent het ambt van Raadpensionaris mede de waarschijnlijkheid van tot de bedoelde functiën een man benoemd te zien, wiens uitgebreide kennis van 's Lands belangen, warme vaderlandsliefde en beproefde trouw door alle leden naar waarde geschat werden, doch wiens regeerziek karakter, verregaande vooringenomenheid met eigene denkbeelden en stroeve omgang bij sommigen de vrees inboezemden van weldra de botsing te zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking scheen te hebben345). Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich gereedelijk gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo lang mogelijk aan het geliefde denkbeeld bleef vasthouden en het eindelijk niet dan zijn ondanks varen liet.”Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit denotulenvan Röell, gelijk de Bosch KemperLetterk. Aantt.470 verzekert. Zij is een der notities die Röell tusschen 1820 en 1830 opstelde ten behoeve zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.Eene vergoeding?(hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5 Jan. het ambt van Raadspensionaris uit deSchetsgeschrapt heeft, komt 26 Jan. van der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er in de constitutie een post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij, is van meening dat G. K. „het eerste ambt in den Staat” hebben moet. 28 Jan., nog eer Hogendorp geantwoord heeft, geeft de Vorst het denkbeeld aan de hand, hem te benoemen tot vice-president van den Raad van State, met rang van Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst, „zal aan dat van Raadpensionaris subintreeren346)”.Raad van State(hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht tegen. Het artikel derSchetsluidt: „De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van Staten”. Tot toelichting verwijst G. K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat hij zegt te hebben willen volgen: „in Engeland wordt het advies van den Raad door den Presidentaan den Koning gebracht347)en hetbesluit des Konings luidtthe King in Council. Op dezen voet had ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad”.348)Duidelijker kan hij niet te kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens adviezen zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op een oogenblik dat G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad ervaring heeft en eene ervaring die hem die aanwezigheid (om het plat maar geheel naar waarheid uit te drukken) naar den duivel doet wenschen349). Hij maakt zichzelven nu wijs dat hij die aanwezigheid nimmer als normaal beschouwd heeft, maar dit is met de waarheid in strijd. Den 30sten Dec. 1813 geeft hij, door Röell en van Maanen geïnterpelleerd, woordelijk ten antwoord, „dat wat de vrage aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten decideeren,het ongetwijfeld de intentie geweest is350)dat zulks zoude plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen opleggen, zulks dadelijk na de gehoudene deliberatiën te doen”351).Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat hij zich in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke zaken niet in den Raad brengt352), terwijl hij 30 Dec. 1813, „tot opheldering der remarques van Röell en van Maanen”, te kennen geeft, „dat onder de bewoordingendaden van Souvereine waardigheidalleenlijk bedoeld wordendaden van wetgeving, en niet hetgeen tot de executive magt behoort.”Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas te binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer persoonlijk standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde Raadpensionaris te zullen worden, en dus het zwaartepunt der regeering niet in den Raad van State zag liggen, waar hij het wel wenschte toen hij later fungeerde als des Raads vice-president.353)Het vijfde artikel derSchets, art. 20 der aan den Souvereinen Vorst voorgelegde redactie geworden354), ontmoette bij dezen een bezwaar waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid derCommissie, Mollerus. De uitdrukking: „de S. V. pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van State,” schrijft deze355)„schijnt mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te definieeren welke daden van souvereine waardigheid zijn, en welke dus in den Raad van State zouden moeten worden gepleegd. B.v. het verheffen in den adelstand is eene daad van souvereiniteit: zal de Vorst die uitoefenen in den Raad van State?” Hij wil de rol van het college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken die de Vorst er brengen wil, waartoemoetenbehooren voordrachten van wet. De Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van redactie op 25 Febr. dit artikel voor: „De S. V. pleegt alle daden van Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad van State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen besluit aan den Raad”356). Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem geraden had, maar in ieder geval is de Raad nu niet langer de plaatswaarde daden van souvereine waardigheid gepleegd worden. Weinig anders dan 's Vorsten artikel luidt dat der Grondwet (32): „de S. V. pleegt alle daden van souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij den Raad van State. Hij alleen beslist, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad”.Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in 1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.Op het voorbeeld der Schets(hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen, pas van deSchetsin derde redactie (ziehiervóór, bl. 97).Vereenigde Nederlanden(hiervóór bl. 171).—Art. 53geeftniet den naam, maarnoemthem als den bestaanden en algemeen bekenden (ziehiervóór, bl. 71).Elout over de Rechterlijke Macht(hiervóór bl. 179).—Het is vooral Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake:Ontstaan1, 512.

Hogendorp knoopte het erfrecht vast(hiervóór, bl. 153). Zie over deze geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à Thuessink van der Hoop,De Orde van Erfopvolging tot den Troon in Nederland(Amsterdam 1911). bl. 1–84.

Zonder eenige beperking(hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art. 5 der eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij gemis van mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters of derzelvermannelijkenakomelingen. Het wegvallen van het woordmannelijkeuit art. 6, waarover Tellegen zich in zijnenoot op bl. 156zoo verbaast, heeft denzelfden grond als het wegvallen dier woorden uit art. 5. Zie daarover van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef het woordmannelijkestaan wegens de resolutie van 1747 waarin hetvoorkwam. De woorden „op gelijke wijze als voren”, die in art. 5 bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet aangenomen stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815 heeft deze zaak in het reine gebracht.

Vreemd is het in elk geval(hiervóór,bl. 158). Men kan het geval in 1814 moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze aangegeven waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten worden voorzien.

's Vorsten inkomen(hiervóór, bl. 159). Ziehiervóór, bl. 96. „De Prins”, schrijft G. K. in 1817, „was te vrede geweest met een millioen vast inkomen, dog begeerde, dat de helft van deze som uit domeinen zoude voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal goed werden afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen te worden gebruikt”.333). Niet billijk voor de commissie is hetgeen dan verder volgt: „Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen misvatten, weet ik niet; maar zeker is het, dat het denkbeeld ontstond en doorging, om de domeinen toe te voegen boven het millioen”. Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's eigen nieuwe redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het millioen aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch334)stelt het inkomen uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton in gereed geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som van anderhalf millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van Elout. Eerst bleek het onpractisch een gedeelte van het inkomen in vruchtgebruik der landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten tot onderpand der domeinbons en men was verlegen daar een andere hypotheek voor aan te wijzen. Men bracht dus de zes ton op een millioen en sprak niet van het vruchtgebruik der landsdomeinen, nog wel van teruggave der onvervreemde oude goederen van het huis. Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn: immers onder de verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke van het huis van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere hypotheek uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te spreken, en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der teruggave van als hypotheek vastliggende goederen „opzien baren”. Zoo is men er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken,ter gedeeltelijke voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen eigendom zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen335).

Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht(hiervóór bl. 162). Door den S. V. aanvankelijk wèl:hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer verklaart zich in de commissie voor het tweekamerstelsel336), maar komt er niet op terug als de president het denkbeeld af doet met op te merken dat het „hier te lande eene volstrekte nieuwigheid” zijn zoude.

Gekozen door de Staten der Provinciën(hiervóór bl. 164). 3 Jan. stelt Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een nominatie van twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden337). Hogendorp antwoordt, „dat de Vorst dit middel van gezag nu niet noodig heeft, zooals in de stadhouderlijke tijden, toen hij, om zijnen invloed te vermeerderen, zijn gezag op allerlei wijze moest zoeken uit te breiden”. Aylva komt niet terug, doch de Vorst verlangt 22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie338). De commissie van redactie antwoordt kortweg: „Men oordeelt, dat de keuze aan de Staten-Provinciaal dient te blijven”339), waarop de Vorst met een uitvoeriger aanteekening terugkomt. „Het is de vraag”, schrijft hij,„of eene nominatie van drieën aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn. Nu is het niet noodig, maar in latere tijden konde bij een minder goede geest, zwarigheid en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan, wanneer op hare electie geen invloed (des Vorsten) kan verzekerd zijn. De kiezers benoemen de Raden in de Steden, deze de Leden Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal, en alle deze instantiën blijven buiten den invloed of inzage van den S. V.”340)Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr. worden afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd praatte. „Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen baat gevonden hadden bij deninvloedop de aanstelling der Stedelijke Regenten, omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zijzig vele vijanden daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer vooruit dan achteruit zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn verstand en rondborstige taal hetgeen hij mijne menschkundige aanmerkingen noemde, en de Prins berustte in de zaak”341).

Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers, enz. (hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt niet dat de ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn, maar dat de leden van de Staten-Generaal tevens minister enz. kunnen zijn. Dit is geen verschil in woordschikking; een der eigenaardigheden van Hogendorp's voorstelling is er mede gemoeid. Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals Tellegen opgeeft, „dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden”, maar juist omgekeerd, dat die dienaren voort zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich zelfs voor dat leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als hoofden van missiën naar het buitenland; ook dat zij een militair commando kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg dragen naar de Staten-Generaal af te vaardigen „de bloem der natie”, lieden „uit allerlei standen, uit allerlei collegiën, uit het huis van den Souvereinen Vorst, uit de vloot en het leger”, zoodat „alle mogelijke kunde en talenten” in die vergadering vereenigd zijn342). In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt hij zich nog, dat dit denkbeeld er „met eenige moeite in de commissie doorgegaan was, en eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de uitzonderingen alleen te noemen343)”; ook dat de Vorst bij de eerste benoeming van de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had gebracht, en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal zullen nu maar spoedig door hun keuzen „de egte beginselen” moeten verlevendigen344). Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem in alle behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien. De Vorst zal in G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de Staten-Generaal brengen; integendeel de Staten-Generaal zullen hem helpen aan het hooge bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem toen eenige kans van slagen had; de ondervinding leerde het wel anders; maar het was niettemin Hogendorp's voorstelling, en men begrijpt den man niet in zijn eigenaardigheid wanneer men dit voorbijziet.

Naar men meent(hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit op gezag eener aanteekening van Röell: „Niet weinig werkte tot verwerping der voorgedragene bepaling omtrent het ambt van Raadpensionaris mede de waarschijnlijkheid van tot de bedoelde functiën een man benoemd te zien, wiens uitgebreide kennis van 's Lands belangen, warme vaderlandsliefde en beproefde trouw door alle leden naar waarde geschat werden, doch wiens regeerziek karakter, verregaande vooringenomenheid met eigene denkbeelden en stroeve omgang bij sommigen de vrees inboezemden van weldra de botsing te zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking scheen te hebben345). Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich gereedelijk gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo lang mogelijk aan het geliefde denkbeeld bleef vasthouden en het eindelijk niet dan zijn ondanks varen liet.”

Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit denotulenvan Röell, gelijk de Bosch KemperLetterk. Aantt.470 verzekert. Zij is een der notities die Röell tusschen 1820 en 1830 opstelde ten behoeve zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.

Eene vergoeding?(hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5 Jan. het ambt van Raadspensionaris uit deSchetsgeschrapt heeft, komt 26 Jan. van der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er in de constitutie een post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij, is van meening dat G. K. „het eerste ambt in den Staat” hebben moet. 28 Jan., nog eer Hogendorp geantwoord heeft, geeft de Vorst het denkbeeld aan de hand, hem te benoemen tot vice-president van den Raad van State, met rang van Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst, „zal aan dat van Raadpensionaris subintreeren346)”.

Raad van State(hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht tegen. Het artikel derSchetsluidt: „De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van Staten”. Tot toelichting verwijst G. K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat hij zegt te hebben willen volgen: „in Engeland wordt het advies van den Raad door den Presidentaan den Koning gebracht347)en hetbesluit des Konings luidtthe King in Council. Op dezen voet had ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad”.348)Duidelijker kan hij niet te kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens adviezen zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op een oogenblik dat G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad ervaring heeft en eene ervaring die hem die aanwezigheid (om het plat maar geheel naar waarheid uit te drukken) naar den duivel doet wenschen349). Hij maakt zichzelven nu wijs dat hij die aanwezigheid nimmer als normaal beschouwd heeft, maar dit is met de waarheid in strijd. Den 30sten Dec. 1813 geeft hij, door Röell en van Maanen geïnterpelleerd, woordelijk ten antwoord, „dat wat de vrage aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten decideeren,het ongetwijfeld de intentie geweest is350)dat zulks zoude plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen opleggen, zulks dadelijk na de gehoudene deliberatiën te doen”351).

Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat hij zich in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke zaken niet in den Raad brengt352), terwijl hij 30 Dec. 1813, „tot opheldering der remarques van Röell en van Maanen”, te kennen geeft, „dat onder de bewoordingendaden van Souvereine waardigheidalleenlijk bedoeld wordendaden van wetgeving, en niet hetgeen tot de executive magt behoort.”

Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas te binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer persoonlijk standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde Raadpensionaris te zullen worden, en dus het zwaartepunt der regeering niet in den Raad van State zag liggen, waar hij het wel wenschte toen hij later fungeerde als des Raads vice-president.353)

Het vijfde artikel derSchets, art. 20 der aan den Souvereinen Vorst voorgelegde redactie geworden354), ontmoette bij dezen een bezwaar waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid derCommissie, Mollerus. De uitdrukking: „de S. V. pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van State,” schrijft deze355)„schijnt mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te definieeren welke daden van souvereine waardigheid zijn, en welke dus in den Raad van State zouden moeten worden gepleegd. B.v. het verheffen in den adelstand is eene daad van souvereiniteit: zal de Vorst die uitoefenen in den Raad van State?” Hij wil de rol van het college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken die de Vorst er brengen wil, waartoemoetenbehooren voordrachten van wet. De Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van redactie op 25 Febr. dit artikel voor: „De S. V. pleegt alle daden van Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad van State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen besluit aan den Raad”356). Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem geraden had, maar in ieder geval is de Raad nu niet langer de plaatswaarde daden van souvereine waardigheid gepleegd worden. Weinig anders dan 's Vorsten artikel luidt dat der Grondwet (32): „de S. V. pleegt alle daden van souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij den Raad van State. Hij alleen beslist, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad”.

Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in 1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.

Op het voorbeeld der Schets(hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen, pas van deSchetsin derde redactie (ziehiervóór, bl. 97).

Vereenigde Nederlanden(hiervóór bl. 171).—Art. 53geeftniet den naam, maarnoemthem als den bestaanden en algemeen bekenden (ziehiervóór, bl. 71).

Elout over de Rechterlijke Macht(hiervóór bl. 179).—Het is vooral Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake:Ontstaan1, 512.

291)OntstaanI, 74.

292)Zonder dat de reden daarvan bekend is, in art. 6 van de Grondwet het woordmannelijkevoor de nakomelingen van de douairière van Brunswijk-Luneburg weggevallen, terwijl in art. 7 de uitdrukkingmannelijk oirvoor het huis van Nassau-Weilburg bleef gehandhaafd.

293)BijdragenVIII, blz. 228.

294)Aanteekening op de Grondwet, I, blz. 61.

295)Mr. Farncombe Sanders heeft in zijn doorwrocht stuk overde Troonopvolging(Bijdragen tot het Staatsbestuur, XXVI, blz. 251 envlg.) de meening verdedigd, dat dit voorschrift alleen zag op de huwelijken van de leden van het huis van Oranje-Nassau, niet op die van de leden van vreemde huizen, door vrouwen afstammende van Willem I. De hoofdkracht van zijn betoog zit, indien ik mij niet bedrieg, hierin, dat de gewone opvatting tot ongerijmdheden zou leiden. Geeft dit echter recht niet uitgezonderde gevallen aan de werking van een algemeen voorschrift te onttrekken?

296)Art. 106 Gw.: De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk huis of de Staat als gedaagden worden aangesproken.

297)Bl. 132.

298)OntstaanI, 74.

299)Art. 8, 9, 43, 58, 126 der Grondwet.

300)Art. 47.

301)Bl. 45.

302)Br. en Ged.III, 175.

303)Schets (art. 29, 2e zinsnede:) „Zij (de Staten-Generaal) wijzen vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden worden.”Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: „De Staten-Generaal delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen genomen worden.”Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): „Zij raadplegen vervolgens over devoorgeslagenmiddelen tot vinding van dezelve” (de uitgaven).

Schets (art. 29, 2e zinsnede:) „Zij (de Staten-Generaal) wijzen vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden worden.”

Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: „De Staten-Generaal delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen genomen worden.”

Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): „Zij raadplegen vervolgens over devoorgeslagenmiddelen tot vinding van dezelve” (de uitgaven).

304)OntstaanI, 63.

305)OntstaanI, 484.

306)De Bosch Kemper,Staatkundige Geschiedenis van Nederland tot 1830, bl. 414.

307)Voor een ministerieel ambtenaar stemden:Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell, van Maanen.—OntstaanI, 154.

Voor een ministerieel ambtenaar stemden:Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell, van Maanen.—OntstaanI, 154.

Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.

Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell, van Maanen.—OntstaanI, 154.

308)Men herinnert zich, dat Hogendorp na de aanneming der Grondwet benoemd werd tot Vicepresident van den Raad van State, een ambt in de Schets onbekend, doch tot de instelling waarvan de Souvereine Vorst bij art. 32 der Grw. de bevoegdheid erlangde. Het was op verlangen van dezen, dat deze bepaling in de Grondwet werd gelascht (OntstaanI, 371). Was diteene vergoedingvoor het ambt van Raadpensionaris?

309)III, 96.

310)OntstaanI, 95.

311)Aanteekening, I, 282.

312)Aanspraak bij Metelerkamp, 114.

313)Rede, gehouden in de Tweede Kamer der Staten-Generaal den 29 Mei 1845.

314)Bl. 47.

315)OntstaanI, 170 (zeven tegen vijf).

316)Schets art.39, 1e en 2elid: „De Staten der provinciën en landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constitutiën en Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst, te maken behoudens alleen deze Grondwet.”Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814: „De Staten der provinciën of landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is bij deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het aan dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij noodig zullen oordeelen met goedvinden en toestemming van den Souvereinen Vorst en behoudens deze Grondwet.”Redactie der Commissie van 11 Januari 1814: „Er zullen Staten van de provinciën of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze Grondwet en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd behoudens deze Grondwet.De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden door den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden; dezelve maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen.”Redactie der Commissie van 7 Februari 1814: „Er zullen Staten van de provinciën of landschappen zijn.De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste plaats geregeld door de instellingen van deze Grondwet.De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten dien einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem te dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen”.Grondwet, art. 73: „Er zullen zijn Staten van de provinciën of landschappen.Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie of landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van advies.Art. 75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen Vorst, ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen.”

Schets art.39, 1e en 2elid: „De Staten der provinciën en landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constitutiën en Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst, te maken behoudens alleen deze Grondwet.”

Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814: „De Staten der provinciën of landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is bij deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het aan dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij noodig zullen oordeelen met goedvinden en toestemming van den Souvereinen Vorst en behoudens deze Grondwet.”

Redactie der Commissie van 11 Januari 1814: „Er zullen Staten van de provinciën of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze Grondwet en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd behoudens deze Grondwet.

De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden door den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden; dezelve maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen.”

Redactie der Commissie van 7 Februari 1814: „Er zullen Staten van de provinciën of landschappen zijn.

De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste plaats geregeld door de instellingen van deze Grondwet.

De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten dien einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem te dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.

De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.

De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen”.

Grondwet, art. 73: „Er zullen zijn Staten van de provinciën of landschappen.

Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie of landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van advies.

Art. 75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen Vorst, ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen.”

317)Verhandelingen, III, 95 (brief van 2 Februari 1814 aan denSouvereinenVorst).

318)OntstaanI, 123, 129.

319)Art. 86 der Grondwet. „Dezelve Staten worden belast met de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst, openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrieken en trafieken en voorts omtrent alle andere zaken, welke aan hen ten dien einde door den Souvereinen Vorst worden toegezonden.”

320)OntstaanI, 243.

321)Falck schrijft den 24sten September 1814 aan Röell: „De waarschuwingen van van Maanen, Kemper enz. hebben mij op het stuk der Staten dikwijls doen denken, maar nimmer is een vreeze of beduchtheid voor verlamming van het Souverein Gezag door middel hunner werking, het resultaat mijner overwegingen geweest.”

322)OntstaanI, 75.

323)OntstaanI, 253.

324)OntstaanI, 248.

325)Aanteekening, I, 107.

326)Br. en Ged.III, 180.

327)De Bosch Kemper,Geschiedenis, 419.

328)Br. en Ged.III, 108, 178 vlg.

329)Metelerkamp, 211.

330)Reglementen op de wijze van samenstelling der Staten (Bijv. tot het Staatsblad, I, 566).

331)OntstaanI, 64.

332)Stuart,Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden, 1814, bl. 250.

333)Br. en Ged.V, 87.

334)OntstaanI, 46.

335)OntstaanI, 518 vv.; vgl.Overzicht19 vv.

336)OntstaanI, 124.

337)OntstaanI, 123.—Staten-Generaalaldaar is klaarblijkelijk een schrijffout voor Staten-Provinciaal.

338)OntstaanI, 440.

339)OntstaanI, 443.

340)OntstaanII, bl. CXX.

341)Br. en Ged.V, 98.

342)OntstaanI, 63.

343)Art. 60 der grondwet; vgl. voor het ontstaan van dat artikel:Overzicht54.

344)Br. en Ged.V, 110.

345)Vgl.OntstaanI, 150, waar Röell voor een tweede uitgave van Oldenbarnevelt vreest.

346)Br. en Ged.V, 68, 264, 266, 275.

347)Ik cursiveer.

348)Br. en Ged.V, 98.

349)Zie daarover deaanteekening bij hoofdstuk VIII.

350)Ik cursiveer.

351)OntstaanI, 100.

352)Br. en Ged.V, 99.


Back to IndexNext