DRUKFOUTEN EN VERBETERINGEN.

646)Het is bekend, dat de Fransche wetgeving eerder is ingevoerd in de landen, afgestaan bij tractaat van 16 Maart 1810, dan in het bij decreet van 9 Juli 1810 ingelijfde grondgebied. Voor zoover in den tekst de invoering van Wetten of Decreten wordt vermeld, ziet dit alleen op de invoering in het vóór de inlijving overgebleven grondgebied. Het was, meen ik, voor mijn onderwerp minder noodig, afzonderlijk melding te maken van de invoering dier wetgeving in het bij tractaat vroeger afgestane deel.

647)Art. 21 van het Keizerlijk Decreet van 18 October 1810: „La langue hollandaise pourra être employée concurremment avec la langue française dans les tribunaux, dans les actes d'administration, dans ceux des notaires en dans ceux sous signature privée.”

648)Gervinus,Geschichte des XIX Jahrhunderts, II, 434.

649)Zoo werden onder anderen bij decreet van 14 November 1810 gehandhaafd de wet van 31 Januari 1810 op het onderhoud der dijken en het daarbij behoorende reglement van 15 Juni 1810. Zoo bleven ook van kracht de wetten, die niet uitdrukkelijk waren afgeschaft, of door eene nieuwe regeling niet waren vervangen. De vraag is betwist, maar later door den Hoogen Raad in bovenvermelden zin beantwoord.

650)Br. en Ged.III, 105.

651)Sillem,Gogel, 54.—„Men zou bijna kunnen zeggen: wat thans op financieel gebied te doen valt, bestaat in de consequente toepassing der beginselen, die Gogel heeft uitgesproken, in het doortrekken der groote lijnen van het stelsel van 1805” (N. G. Pierson inGids1881, III, 28).

652)Decreet van 21 October 1811.

653)Sickenga,Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert 1810, I, 10 vv.

654)Besluiten van 6 December 1813 (Staatsbladno. 5 en 7).

655)Besluit van 7 December 1813 (Staatsbladno. 9).

656)Fruin,Tien jaren(6e druk), 51; Sickenga,Belastingen der Republiek, 102, 132; Sillem,Gogel, 159.

657)Groot Placcaatboek, VI, blz. 1338.

658)Besluit van 16 December 1813 (Staatsbladno. 12).

659)Aan vrijwillige giften werd in December 1813 en in de eerste maand van 1814 ruimƒ1.200.000 ontvangen (Stuart,Jaarboek voor 1814, bl. 194).

660)Staatsbladno. 17.

661)Wet van 4 October 1805. Het recht was 10% van 't saldo der nalatenschap; vrijgesteld waren de nederdalende lijn, en de ouders voor zoover hun aandeel bij versterf betrof; verminderd werd dit recht eveneens voor het aandeel bij versterf, tot 5% voor grootouders en broeders en zusters, tot 7½% voor bloedverwanten in den derden graad. Volgens de wet van 22 frimaire jaar VII bedroeg het recht in de rechte lijn ¼% van roerende, 1% van onroerende goederen, en in de zijlinie 1¼% van roerende, 5% van onroerende goederen. Daar het recht werd geheven van al het goed, zonder aftrek der schulden, zoo was de verzwaring door de wederinvoering der Hollandsche wet niet zoo groot, als het oppervlakkig zou schijnen.

662)Besluit van 26 December 1813 (Staatsbladno. 18).

663)Bijdragen, I, 9.

664)Bijdragen, I, 7.

665)Wetten van 10 Februari (Staatsbl.no. 12, 13) en wet van 10 Maart 1815 (Staatsbl.no. 22).

666)De Fransche bepalingen op den waarborg verdwenen eerst geheel en al door de wet van 18 September 1852, die op de grondbelasting door de wet van 26 Mei 1870, die op het zegel door de wet van 3 October 1843. De griffierechten verdwenen bij de wet van 31 December 1856. Bij de registratie- en hypotheekrechten zijn de laatste sporen der vreemde overheersching eerst in 1893 uitgewischt.

667)Buys,Nederlandsche Staatsschuld, 17.

668)Betz,Bijdragen tot het Staatsbestuur, IV, 241.

669)Van Akerlaken,Hendrik van Stralen, 281.

670)Wat de wijze van uitloting door middel der zoogenaamdekansbillettenbetreft, verwijs ik naar Betz,BijdragenV, 17.

671)Wet van 27 September 1841 (Staatsbladno. 35). Voor duizend gulden uitgestelde schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook van ƒ 1000, kreeg men in contanten ƒ 68.Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall en Thorbecke voor het eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste verdedigde de wet van 1841, de andere zag er eene rechtsschennis in (De Bosch Kemper,Geschiedenis na 1830, IV, aant. 48).

Wet van 27 September 1841 (Staatsbladno. 35). Voor duizend gulden uitgestelde schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook van ƒ 1000, kreeg men in contanten ƒ 68.

Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall en Thorbecke voor het eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste verdedigde de wet van 1841, de andere zag er eene rechtsschennis in (De Bosch Kemper,Geschiedenis na 1830, IV, aant. 48).

672)In een onuitgegeven memorie van den beroemden Amsterdamschen advokaat J. D. Meyer, in Sept. 1830 door tusschenkomst van Mr. W. F. Röell aan Koning Willem I medegedeeld en handelende over de Belgische onlusten, wordt van de wet van 1814 gezegd: „Het is buiten bedenking, dat reeds twintig jaren geleden Holland onder een bijna ondragelijken schuldenlast gebukt ging. Het Fransche bestuur had den last door detierceringverminderd, doch de Hollandsche eerlijkheid droeg die wijze om zich van schulden te ontdoen niet dan met moeite. Na het herstel der onafhankelijkheid wierd de algemeene wensch vereenigd met een financieelen maatregel om zich voor het oogenblik uit den geldelijken nood te redden, en het onzalig denkbeeld van de wet van Juli 1814 belastte het Rijk niet alleen met eene aanzienlijk vermeerderde werkelijke schuld, maar ook nog met den invretenden kanker der uitgestelde schuld, die jaarlijks het bedrag der werkelijke schuld komt vergrooten en de rentebetalingen moeilijker maakt” (Archief van Mr. W. F. Röell).

673)Hogendorp,BijdragenI, 5.—(Zie echterde aanteekening hierachter).

674)OntstaanI, 423.

675)OntstaanI, 440, 445.

676)OntstaanI, 424.

677)De conventies, door den Souvereinen Vorst in 1814 en in de eerste helft van 1815 gesloten, vindt men bij Lagemans. Zie ook zijne Inleiding, § 59.

678)§ 3 van de Inleiding tot het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande, van 15 Maart 1815.

679)De man, die den grootsten invloed op deze zaak heeft uitgeoefend, was F. H. Moorrees, vroeger onder koning Lodewijk lid der Hooge Militaire Vierschaar, thans lid van het Hooggerechtshof en benoemd tot president der Commissie. De man was geen optimist. In een advies aan van Maanen van 28 December 1813 schrijft hij: „Nu wil alles vegten, elk loopt te wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste, dat er gebeurt, gaan ze loopen als hazen; den eenen Commandant zondigt uit doldriftigheid, den ander uit onkunde, den derden, omdat hij nog geen genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierde pleegt groote verzuimen uit onagtzaamheid, enz.; dus ik zie binnen weinig tijd, als de vijand ons meer ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan zul je misdaden hebben—gevangenen, gearresteerden—zonder Wetboek, zonder Regter; waar zal dat heen? Ik houde dus het acheveren van dit stuk in 't ogenblik waarin wij zijn, alzoo pressant als de constitutie, want ik voorzie nog wel, dat er een krabbelvuistje zal voorvallen” (te vinden bij Mr. H. van der Hoeven,Onze Militaire Strafwetgeving, 28).

680)1. Een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te water; 2. een reglement van discipline voor het krijgsvolk te water; 3. de rechtspleging voor het krijgsvolk te water; 4. de rechtspleging voor het krijgsvolk te lande; 5. eene provisioneele instructie voor het Hoog Militair gerechtshof.

681)Art. 298 Staatsr. van 1798, art. 86 Staatsr. van 1801, art. 75 Staatsr. van 1805, art. 70 Constitutie van 1806. Zoo ook Reglement van 1799, afd. 2, Hoofdstukb, art. 1.

682)Van der Hoeven, bl. 6. Art. 70 der Constitutie had dan moeten worden gewijzigd.

683)Van der Hoeven, 8.

684)Van der Hoeven, 62, 173.

685)Bij deze wet werden vastgesteld: 1. een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande; 2. een reglement vandisciplinevoor hetzelve krijgsvolk.

686)Bij dit onderwerp behoort nog de strafwet van 25 Juni 1814 (Staatsbl.no. 72), aangevuld door de wet van 19 November 1814 (Staatsbl.no. 107) tegen de begunstiging van desertie van het krijgsvolk van den Staat. Het werd uitgevaardigd tegelijk met het generaal pardon voor de deserteurs der landmacht (besluit van 25 Juni 1814,Staatsbl.no. 71). Men denkt aan het gezegde van Moorrees (hierboven bl. 347), wanneer men in den aanhef van dit besluit hoort spreken van „menigvuldige manspersonen, welke in de eerste dagen van de gelukkige omwenteling dienst genomen hebben of ook tot de landmilitie opgeroepen zijnde, veelal door onbedachtzaamheid en losheid hun corps hebben verlaten.”

687)Bl. 327.

688)OntstaanII, 606.

689)Volgens den Utrechtschen professor Matthaeus (de Criminibus, bl. 901) was de strop voor deplebeji, het zwaard voor denobiles. Het laatste was eenhonestius supplicium(bl. 835). Op het voorbeeld van het Crimineel Wetboek was echter ook in dit besluit de wijze van uitoefening der doodstraf van den stand losgemaakt, doch aan het min of meer schandelijke van het misdrijf vastgeknoopt.

690)Volgens Modderman,Hervorming onzer Strafwetgeving, bl. 140, is wel een enkele maal de veroordeeling tot onthoofding uitgesproken, maar, naar hij vooronderstelt, om den schuldige daardoor zijne begenadiging te verzekeren.

691)H. V. A. (Mr. A. W. Engelen)Herinneringen, bl. 51 schrijft: „Er was in dien tijd (tusschen 1820/25) door hetCour d'Assiseste Groningen eene vrouw, eene nog zeer jeugdige vrouw, tot openbare geeseling veroordeeld. De vrouw, een teer en zwak schepsel—wie kan er tegenwoordig zonder siddering aan denken?—onderging dan op de Groote Markt hare straf, en de talrijke toeschouwers, die bij dusdanige gelegenheid nooit ontbraken, hadden allen duidelijk opgemerkt, dat de ongelukkige, die, hoe misdadig zij ook zijn mocht, toch nog een levendig gevoel van eerbaarheid schijnt bezeten te hebben, machtelooze moeite in het werk stelde om hare door den scherprechter ontbloote borst met hare handen te bedekken.”

692)Hiervóór, bl. 180.

693)Bl. 134.

694)Ged.VI, 1443.

695)Jorissen in Fruin'sBijdragen, 2e reeks IX, 90.

696)Fortuyn,Verzameling van Fransche WettenIII, 538.

697)Proefschrift van F. W. Smit over de Zondagswet, Leiden, 1867.

698)Kort daarna vervangen door de wet van 18 November 1814.

699)Smit, bl. 142.

700)Stuart,Jaarboeken 1814, bl. 265.

701)OntstaanI, 300.

702)Zoo werd in 1801 onder de werking der staatsregeling van 1798 te Groningen de verplichting der professoren afgeschaft, om vóór de aanvaarding van hun vak de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Canones der Dordtsche Synode te onderteekenen. Curatoren overwogen den 16den Augustus 1801, dat, nu „bij den veranderden staat van zaken is gedecreteerd de afscheiding der Kerk van den Staat”, zij van oordeel waren, „dat even hierdoor de verplichting bij het vorig Gouvernement opgelegd, geheel en al kwam te cesseren, en dus deze onderteekening in het vervolg niet meer behoorde te worden geëischt”. (Jonckbloet,Gedenkboek, 268). Aan de andere hoogescholen had hetzelfde plaats. Voor Franeker zie men Boelens,Frieslands Hoogeschool, I, 327.

703)Vissering inGids1867, III, 196.

704)Vissering inGids1867, III, 194: „Ik schat de deugden van het Besluit zoo hoog, dat ik uit den grond des harten wensch, maar nauwelijks durf hopen, dat de nieuwe wettelijke regeling, die wij nu in het vooruitzicht hebben, niet ongunstig daarbij afsteken zal.”

705)Besluiten van den Souvereinen Vorst van 6 December 1813, 21 December 1813 en 24 Januari 1814. Brieven van Falck aan D. J. van Lennep van 6 December en 24 December 1813. (Brieven, nos. 95, 97).

706)Oeuvres, VI, 45: „Libérauxest un nom que les philosophes et les Jacobins ont pris, depuis qu'ayant sous le nom dephilosophesbouleversé le trône et l'autel, ce nom est devenu en horreur dans toute l'Europe. Le célèbre lord Castlereagh, premier d'Angleterre, qui avait été à même de bien connaître ce parti, en rendant compte en 1816 au parlement des traités de Paris et du Congrès de Vienne, a dit, que leslibérauxétaient defrancs jacobins”. Elders schrijft hij: „Je me rappelle encore que ces mots (idées libérales) n'ont acquis leur grande vogue que depuis ce fameux 18 brumaire, parce qu'il semble qu'alors c'était le mot de parti pour se reconnaître. Le but était de donner à la France un gouvernementlibéral; le nom dephilosopheavait perdu de son crédit, et parce qu'on n'osait plus le prononcer et que cependant on était bien déterminé de ne pas renoncer à ce système, il fallait de toute nécessité inventer un mot inintelligible, au moins pour le peuple, et donner ainsi le change à l'opinion, à la faveur d'un mot plus doux et plus agréable. Le motlibéralfut donc adopté”.(OntstaanI, bl. XXVII.)

707)OntstaanII, bl. XXXVII: „Falck, le confident principal du Roi, mais du parti des libéraux.”

708)Geschiedenis des Vaderlands, § 987 vv.

709)Aldaar, § 1001.

710)Aldaar, § 1071.

711)Aldaar, § 998: „Bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans iedereen Oranjegezind was.”

712)Ged.VI, inl. 3e stuk, bl. XCII.

713)Ged.VI, inl. 3e stuk, bl. XCIII.—„Onze opinie”, schrijft reeds 28 Nov. het Algemeen Bestuur aan Kemper en Scholten, „is dat de douanes geheel weg moeten; dat de lijst van 1725 wederom moet worden ingevoerd” (aldaar, LXXXIX).

714)Zie mijnSchimmelpenninck en Koning Lodewijk, 102–'03.

715)Br. en Ged.V, 112.

716)Gedenkschriften, 132.

717)„Alle” niet te verbinden met „effecten”, maar met „instellingen.”

718)Appendix achter Falck'sGedenkschriften, bl. 652.

719)Ged.VI, inl. 3e stuk LXXVIII.

720)Aldaar, LXXXV.—Werving in Friesland, aldaar, XXV; te Alkmaar, aldaar CLIII; te Amsterdam, aldaar CLXXVI enz., enz.

721)Aldaar, XCIX.

722)Koolemans Beynen inGedenkboek 1813, I, 179.

723)Aldaar, 218.

724)Ged.VII, 73.

725)Het Oranje-legioen vermeldhiervóór, bl. 31–32.

726)Br. en Ged.V, 458; vgl.Ged.VII, 74.

727)Ged.VII, 97–103.

728)Br. en Ged.V, 26.

729)Br. en Ged.V, 46.—Canneman's ontwerp, schrijft G. K., „eischte vier maal zooveel volk als eene Fransche conscriptie.”

730)Falck'sBrieven, no. 96.

731)Bij Koolemans Beynen,GedenkboekI, 219.

732)OntstaanI, 440, 444; II, bl. CXXI.

733)OntstaanI, 444.

734)Van 27 Febr. 1815 (hiervóór, bl. 344).

735)Vgl. de wijze waarop men zich in den zomer van 1813 in den Haag door „vrijwilligers” vervangen liet voor de nationale garde:Ged.VI, 1664.

736)Falck'sGedenkschriften, 375.

737)Van Hamel inTijdschrift voor Strafrecht, III, 1–23.

738)In deze beide opzichten keert het besluit van 11 Dec. 1813 tot de vaderlandsche traditie terug: ziehiervóór, bl. 354.—Zie over dit besluit (van van Maanen, Philipse en van Gennep afkomstig) van der Hoeven inVerh. K.Akad. afd. Letterkunde4e reeks VII, 245 vv.

739)Ged.VI, inl. 2e stuk, XLV.—Het rapport verscheen bij den drukker der Universiteit en werd in Holland bekend.

740)Leven van D. J. van LennepII, 1.—Eischen gesteld aan de benoembaarheid tot leeraar (onder het oude regime hing de aanstelling alleen af van de gunst van onkundige curatoren); staatsinspectie; verruiming van het leerplan.

741)Falck schrijft dit in 1835.

742)Falck'sGedenkschriften, 217.

743)Falck'sGedenkschriften, 231–'22.

744)Zie b.v. Falck'sGedenkschriften, 427.

745)Falck'sBrieven, no. 105.

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 2tuschentusschenBlz. 9wereldrijkewereldlijkeBlz. 16 (voetnoot)[Niet in Bron.],Blz. 25gaat gaatgaatBlz. 28 (voetnoot)independantindependentBlz. 27zaak zaakzaakBlz. 31Castleraegh'sCastlereagh'sBlz. 34 (voetnoot)1I11Blz. 62aurauBlz. 66deidieBlz. 68 (voetnoot),.Blz. 78 (voetnoot)àpresaprèsBlz. 84indivuduëeleindividuëeleBlz. 88 (voetnoot)RoëllRöellBlz. 88 (voetnoot)RoëllRöellBlz. 92SchetsontvangenSchetsontvangenBlz. 92 (voetnoot)Ontstaan,OntstaanBlz. 95 (voetnoot)vlg.vgl.Blz. 100onrangistischeorangistischeBlz. 103ontrekkenonttrekkenBlz. 105voornalijkvoornamelijkBlz. 105venvanBlz. 105presideer enderpresideeren derBlz. 108[Niet in Bron.].Blz. 110aanleidenaanleidingBlz. 111[Niet in Bron.].Blz. 114 (voetnoot)vlg.vgl.Blz. 115indivudueeleindividueeleBlz. 120gelijkstelliggelijkstellingBlz. 120 (voetnoot)I,76I, 76Blz. 125 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 14018061805Blz. 141alhaaral haarBlz. 145eenenBlz. 147preseritprescritBlz. 148ancuneaucuneBlz. 158 (voetnoot)vg.vlg.Blz. 163deteBlz. 168 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 173[Niet in Bron.].Blz. 173 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 175 (voetnoot)SoureinenSouvereinenBlz. 183verantantwoordingverantwoordingBlz. 189[Niet in Bron.],Blz. 190[Niet in Bron.]„Blz. 190invoedinvloedBlz. 200 (voetnoot)seperationseparationBlz. 205hoodkwartierhoofdkwartierBlz. 205 (voetnoot)CastereaghCastlereaghBlz. 211 (voetnoot)s'ètaits'étaitBlz. 211 (voetnoot)GovernementGovernmentBlz. 212 (voetnoot)provisioireprovisoireBlz. 215 (voetnoot)fortwithforthwithBlz. 216 (voetnoot)OnstaanOntstaanBlz. 220CastleraeghCastlereaghBlz. 222uotnotBlz. 224 (voetnoot)iminBlz. 224 (voetnoot)tontetouteBlz. 224 (voetnoot)ppursurBlz. 224 (voetnoot)duauBlz. 224 (voetnoot)provisoireuprovisoireBlz. 227partageépartagéeBlz. 227etatétatBlz. 228witthwithBlz. 235202203Blz. 238préferablepréférableBlz. 239dipositionsdispositionsBlz. 240 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 244er nietnietBlz. 244 (voetnoot)[Niet in Bron.],Blz. 245SnrinameSurinameBlz. 249onbeteekendeonbeteekenendeBlz. 256naturenaturaBlz. 256 (voetnoot)d'untraitéd'un traitéBlz. 257revenceerevenueBlz. 257aldaddBlz. 257 (voetnoot)[Niet in Bron.],Blz. 260bezitingenbezittingenBlz. 275îninBlz. 278.,Blz. 289fƒBlz. 293zoodaningzoodanigBlz. 294vantotBlz. 303 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 304treedtreedtBlz. 304[Niet in Bron.].Blz. 304te teteBlz. 313[Niet in Bron.],Blz. 320hiervoorhiervóórBlz. 320baucoupbeaucoupBlz. 320[Niet in Bron.],Blz. 320 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 321 (voetnoot)beraaadslagingberaadslagingBlz. 322)]Blz. 322])Blz. 322 (voetnoot)[Niet in Bron.],Blz. 332 (voetnoot)fƒBlz. 339milloenmillioenBlz. 342daaaropvolgendedaaropvolgendeBlz. 346[Niet in Bron.]denBlz. 349 (voetnoot)diciplinedisciplineBlz. 35622sten.22stenBlz. 358kerkgenootschapenkerkgenootschappenBlz. 364kunenkunnenBlz. 365 (voetnoot)philosophlephilosopheBlz. 36925 00025.000Blz. 370hiervoorhiervóórBlz. 377[Niet in Bron.]”Blz. 377latijnschescholenlatijnsche scholenBlz. 380zichtzichBlz. 380d.w z.d.w.z.

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext