Onze wenschen moesten dus bij Engeland een geopend oor vinden. Wat echter dit land had kunnen weerhouden, terug te geven wat het had veroverd, zoude de vrees zijn geweest, dat wij te zwak waren de heerschappij over de koloniën te handhaven. Maar die vrees trad op den achtergrond, zoodra het zoo goed als zeker was dat door de vereeniging met België een naar men meende krachtig rijk zoude verrijzen. De vrees verdween geheel door de overweging, dat wij voortaan de bondgenooten van Engeland zouden zijn en dus altijd op de Engelsche bescherming zouden kunnen rekenen. Het zal, zeideLord Castlereaghaan Fagel, een groot voordeel voor het vereenigde Holland en België zijn, dat het zoozeer onder het bereik van Engeland ligt. Bij het minste gevaar kan het Engelsche leger den Souvereinen Vorst te hulp snellen. De Souvereine Vorst kan, meent hij, dat leger beschouwen als te zijner beschikking staande, zonder tot zijnen last te zijn508). Toen Engeland aan ons de koloniën teruggaf, deed het dit in de verwachting, dat beide landen door een innigen band zouden zijn en blijven omstrengeld. Eene alliantie zoude reeds toen zijn aangegaan, was men van de Engelsche zijde niet bevreesd geweest, hierdoor den naijver der andere mogendheden op te wekken en daardoor een nadeeligeninvloed uit te oefenen op de onderhandelingen, die over de vereeniging van al de Nederlanden nog op het Congres van Weenen moesten worden gevoerd. Maar was dit congres eens afgeloopen, dan zoude er, hierover was men het eens, een alliantie-verdrag worden geteekend509).
De Engelsche Regeering schijnt niet te hebben gevreesd, dat—zooals later is gebleken—uitstelwel eens afstel zoude kunnen zijn.
Met het oog op dit alles heeft Engeland er geen bezwaar in gezien, zich bij de formuleering van het tractaat op dit standpunt te plaatsen, dat het, met uitzondering van Ceilon, alles teruggaf, hetzij innatura, hetzij in andere equivalenten. Tegenover de vereeniging van België stond de afstand van een deel van Guyana aan Zweden, en, daar dit Rijk van Engeland daarvoor een millioen pond sterling ontving, de overdracht daarvan aan Engeland. Tegenover de Kaap de Goede Hoop stonden de 5 millioen pond als maximum te betalen voor den vestingbouw en de Russische schuld. De draad, die door alles liep, was dus de vereeniging met België. Na 1830 is ten onzent gezegd, dat „de gedwongene Belgische bruid ons reeds, als beginsel der smarten, vier allerbelangrijkste koloniën kostte”510). Als men het tractaat van 13 Augustus 1814 alleen leest, is dit beweren juist. Wanneer men echter meer achter de schermen ziet, dan wordt met meer recht de zaak aldus voorgesteld, dat de vereeniging met België de prijs is geweest, waarvoor wij de teruggaaf der koloniën hebben gekocht.
Over de zaak van de teruggave der koloniën bestaat thans een uitgebreide literatuur: van Deventer,Ned. gezag over Java sedert 1811(den Haag, 1891); Heeres,De afstand der Kaap de Goede Hoop aan Engeland(Hand. en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896–'97); Heeres,De overgang der Kaapkolonie van Nederlands in Engelands bezit(Ind. Genootschap, verg. van 29 Oct. 1901); van der Kemp,De sluiting van het Londensch tractaat van 13 Aug. 1814(Bijdr. Ind. Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp,De teruggave der O. I. Koloniën(den Haag, 1910). De heldere voorstelling van Tellegen kan echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.Demerary etc.(hiervóór, bl. 243).—Reeds in eene brochure van 1806, toen er sterke geruchten van vrede liepen: „Letter to the Right Hon. Charles James Fox on the importance of the Colonies situated on the Coast of Guiana, by a British Merchant511)”, wordt, met cijfers, op de groote waarde gewezen welke deze koloniën reeds voor Engeland verkregen hebben. „You cannot be ignorant, Sir, that the colonies of Surinam, Berbice and Demerary even in their present unimproved state, contain more estates and negroes, and send more produce of sugars, coffee, cotton, and cocoa to Europe, than all the old British islands in the West Indies together, Jamaica excepted; that in case these colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we should be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton produced by these colonies for the use of our own manufactories, who have introduced them, since the first possession last war, into so many branches of that lucrative trade, that they cannot do without them. Therevenuewill tell you what immense duties the produce of these colonies pay.... Threi-fourthe of the colony of Demerary, and nearly as much of the colony of Berbice, belong to British owners. In Surinam, the most important of these colonies, British capital in less engaged, but soon will be so, whenever this colony will continue to be a part of the British Empire. I may venture toadd, from what happened during the last short interval of peace, that the French and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our seamen into their service to carry on their trade; whereas now we navigate to these very colonies with some of the ships captured from them, and have many hundreds of Dutch seamen in our merchant service, to supply the want of British.... By giving up these colonies, we lose first a very large revenue to the State; second, the employ of 30.000 tons ofshipping annually, and more: third, employ of 2500 to 3000 seamen; fourth, an export annually of £ 5 or 600.000 of British merchandise to these colonies only; fifth, the immense re-exportation of coffee and sugar to the continent; and sixth, the additional employ of shipping for these re-exports and the profits attached to the same....”Deze beschouwingen worden herhaald in een request aanCastlereaghvanJohn Robert Gladstoneen 42 andere Liverpoolsche firma's, doorCanning, afgevaardigde voorLiverpoolin het Lagerhuis, 9 Juni 1814 bij den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling: „they venture to derive some hopes of its success from the very generally prevailing notion among the inhabitants that it has been long intended finally to annex these colonies to the British Empire.” Het request vestigt er de aandacht op, dat alles in Demerary, Essequebo en Berbice Engelsch is geworden, dat de Nederlandsche taal er bij de rechtbanken reeds is afgeschaft. „Should H. M. think it right to restore the important colony of Surinam to Holland, the same disadvantages wil not be felt there in that event, as the population and capital remain chiefly Dutch”.512)De verovering van Essequebo en de in 1746 door den energieken commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary (die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch kapitaal en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering voorafgegaan. De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur van suiker en koffie zóó geschikt, dat de waarde van den grond er tusschen 1759 en 1769 meer dan vertienvoudigde. Maar het waren meer en meer Engelschen van de naburige eilanden, die op deze cultures afkwamen. In 1762 telt het oudere Essequebo 68 plantages, waarvan er 8 in Engelsche handen zijn; het voorspoediger Demerary 93, waarvan er 34 aan Engelschen toebehooren. In 1769 zijn er in Demerary reeds 206 plantages, waarvan er 56 aan Engelschen toekomen. Op de plantages die eigendom van Nederlanders waren, moeten vele Engelschen als administrateurs enz. zijn werkzaam geweest; immers Storm bericht in een brief van 1760, dat onder de blanke bevolking van Demerary de Engelsch-sprekenden in de meerderheid zijn. Na Storm's tijd (hij vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen; eerder is het verergerd.Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in 1814 Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reedsaf te leiden uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek, in 1812 verdoopt in Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in 1796 woonden daar 250 blanken; in 1807, na tien jaar slechts even onderbroken Engelsch bestuur, 1500513). Ik geloof dat het Nederland van 1814 geheel onmachtig zou zijn gebleken, tegelijk deze Engelschen in Demerary weer te overvleugelen en de Engelschen uit den Maleischen Archipel te werken. Het is voor onze toekomst een groot voordeel geweest, dat Engeland een stuk van de West behield en niet de Oost; maar het verval van de West was toen onmogelijk te voorzien.Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin dat een goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren verhypothekeerd aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie weder Nederlandsch geworden, het dus wel in de macht zouden hebben gehad, het vervoer der producten voor een deel naar Nederland te leiden. Doch ook het Engelsche kapitaal was sedert 1796 in die mate direct bij Demerary betrokken geraakt, dat het den strijd nimmer zou hebben opgegeven, en het had, door het overwicht der Engelsche bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling der Engelsche scheepvaart, de betere kansen vóór zich.Van Nagell laat de onderhandelingen glippen(hiervóór, bl. 246).—De koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell overbracht, was een Engelsche koerier, met dépêches vanCastlereaghaanClancartybelast, die zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel bevond. De koerier nam zijn weg over den Haag, om daar Fagel's brief aan van Nagell af te geven, maar had ook een afschrift daarvan bij zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel meldde, in ieder geval direct van Brussel met het antwoord moeten terugkeeren. De eenige manier dus voor van Nagell om invloed op de beslissing uit te oefenen, ware geweest onmiddellijk naar Brussel mede te reizen; hij zendt echter alles aan den Vorst door, „sans se permettre aucune réflexion”514)(2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel een langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met het door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan Fagel teruggezonden.Banka(hiervóór, bl. 247).—ClancartyaanCastlereagh, 4 Aug. 1814: „M. Falck as well as the Prince is of opinion that the exchangeof Cochin for the island of Banca will be advantageous to the Dutch, but the Secretary of State doubts (not invidiously however) our title to Banca, and has waited upon me to enquire upon what it is founded. I have answered him: „upon unlitigated possession”, which he admits to be sufficient if the fact of possession is established”515). Van Deventer516)en van der Kemp517)werpen Falck naar het hoofd, dat hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij contract van 10 Juli 1668 onder de bescherming van het Nederlandsch gezag hadden gesteld.Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug. 1814 evenwel geen studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I. C., maar een gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronderde sedert 1 Jan. 1803 op Nederland veroverdebezittingenzouden worden teruggegeven. Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803 geen spoor van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De Engelschen bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan van Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet gesproken is van „Banka en onderhoorigheden”, zoodat de Engelschen bij de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun afzien van Billiton hebben kunnen maken.Geschreeuw op de beurs?(hiervóór, bl. 249).—Jawel, want de Engelsche couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit de afstand van Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met genoegzame zekerheid viel af te leiden. „La nouvelle donnée par leTimes”, schrijft Falck aan Fagel, 12 Sept. 1814, „de la cession de quelques-unes de nos colonies a fait à la Bourse d'Amsterdam une plus grande sensation qu'on ne devait attendre d'un article de gazette. Une députation des principaux intéressés est venue jusqu'à Bruxelles pour solliciter qu'une cession éventuelle fût du moins accompagnée de stipulations favorables à leurs intérêts518)”. Hiertoe strekte de conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeldhiervóór, bl. 248.Russische schuld(hiervóór, bl. 250).—Engelands eerste minister tilde hieraan nog zeer zwaar. „The continuance of the American war519)”, schrijft hij 2 Nov. 1814 aanCastlereagh, „will entail upon us a prodigious expense, much more than we had any idea of; and Icannot, therefore, avoid pressing upon you the importance of not entailing upon us any part of the Russian debt to Holland if you can avoid it. Consider only what this charge will be in addition to our war expenditure and to our pecuniary obligations to Holland and Sweden. It would be in principle one of the most difficult questions to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had been in peace with all the world, and the arrangements to be made at Vienna were likely to contain anything very gratifying to the feelings of this country, we might have met the question with some degree of confidence; but as matters now stand, everything that is really valuable will be consideredas having been gained before520), and we shall be asked whether we can really meet such a charge in addition to all the burthens which the American war will bring upon us521)”.Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloniën-zaak vóór Weenen is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet afzag en Ruslands handteekening onvermijdelijk noodig was voor de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar geloopen hebben dat in deze stemming Engeland b.v. ook nog op Suriname aanspraak had gemaakt.Genoopt was(hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te worden genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van het begin af de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van koloniën, op Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou moeten staan tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van zaken op het continent waarmede Engeland genoegen zou kunnen nemen. Ziehiervóór bl. 225het medegedeelde uitCastlereagh's correspondentie metLiverpool.Wel eens afstel zou kunnen zijn(hiervóór, bl. 256). In het systeem der Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van Parijs toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland en Nederland geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter sprake gekomen.
Over de zaak van de teruggave der koloniën bestaat thans een uitgebreide literatuur: van Deventer,Ned. gezag over Java sedert 1811(den Haag, 1891); Heeres,De afstand der Kaap de Goede Hoop aan Engeland(Hand. en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896–'97); Heeres,De overgang der Kaapkolonie van Nederlands in Engelands bezit(Ind. Genootschap, verg. van 29 Oct. 1901); van der Kemp,De sluiting van het Londensch tractaat van 13 Aug. 1814(Bijdr. Ind. Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp,De teruggave der O. I. Koloniën(den Haag, 1910). De heldere voorstelling van Tellegen kan echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.
Demerary etc.(hiervóór, bl. 243).—Reeds in eene brochure van 1806, toen er sterke geruchten van vrede liepen: „Letter to the Right Hon. Charles James Fox on the importance of the Colonies situated on the Coast of Guiana, by a British Merchant511)”, wordt, met cijfers, op de groote waarde gewezen welke deze koloniën reeds voor Engeland verkregen hebben. „You cannot be ignorant, Sir, that the colonies of Surinam, Berbice and Demerary even in their present unimproved state, contain more estates and negroes, and send more produce of sugars, coffee, cotton, and cocoa to Europe, than all the old British islands in the West Indies together, Jamaica excepted; that in case these colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we should be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton produced by these colonies for the use of our own manufactories, who have introduced them, since the first possession last war, into so many branches of that lucrative trade, that they cannot do without them. Therevenuewill tell you what immense duties the produce of these colonies pay.... Threi-fourthe of the colony of Demerary, and nearly as much of the colony of Berbice, belong to British owners. In Surinam, the most important of these colonies, British capital in less engaged, but soon will be so, whenever this colony will continue to be a part of the British Empire. I may venture toadd, from what happened during the last short interval of peace, that the French and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our seamen into their service to carry on their trade; whereas now we navigate to these very colonies with some of the ships captured from them, and have many hundreds of Dutch seamen in our merchant service, to supply the want of British.... By giving up these colonies, we lose first a very large revenue to the State; second, the employ of 30.000 tons ofshipping annually, and more: third, employ of 2500 to 3000 seamen; fourth, an export annually of £ 5 or 600.000 of British merchandise to these colonies only; fifth, the immense re-exportation of coffee and sugar to the continent; and sixth, the additional employ of shipping for these re-exports and the profits attached to the same....”
Deze beschouwingen worden herhaald in een request aanCastlereaghvanJohn Robert Gladstoneen 42 andere Liverpoolsche firma's, doorCanning, afgevaardigde voorLiverpoolin het Lagerhuis, 9 Juni 1814 bij den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling: „they venture to derive some hopes of its success from the very generally prevailing notion among the inhabitants that it has been long intended finally to annex these colonies to the British Empire.” Het request vestigt er de aandacht op, dat alles in Demerary, Essequebo en Berbice Engelsch is geworden, dat de Nederlandsche taal er bij de rechtbanken reeds is afgeschaft. „Should H. M. think it right to restore the important colony of Surinam to Holland, the same disadvantages wil not be felt there in that event, as the population and capital remain chiefly Dutch”.512)
De verovering van Essequebo en de in 1746 door den energieken commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary (die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch kapitaal en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering voorafgegaan. De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur van suiker en koffie zóó geschikt, dat de waarde van den grond er tusschen 1759 en 1769 meer dan vertienvoudigde. Maar het waren meer en meer Engelschen van de naburige eilanden, die op deze cultures afkwamen. In 1762 telt het oudere Essequebo 68 plantages, waarvan er 8 in Engelsche handen zijn; het voorspoediger Demerary 93, waarvan er 34 aan Engelschen toebehooren. In 1769 zijn er in Demerary reeds 206 plantages, waarvan er 56 aan Engelschen toekomen. Op de plantages die eigendom van Nederlanders waren, moeten vele Engelschen als administrateurs enz. zijn werkzaam geweest; immers Storm bericht in een brief van 1760, dat onder de blanke bevolking van Demerary de Engelsch-sprekenden in de meerderheid zijn. Na Storm's tijd (hij vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen; eerder is het verergerd.
Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in 1814 Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reedsaf te leiden uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek, in 1812 verdoopt in Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in 1796 woonden daar 250 blanken; in 1807, na tien jaar slechts even onderbroken Engelsch bestuur, 1500513). Ik geloof dat het Nederland van 1814 geheel onmachtig zou zijn gebleken, tegelijk deze Engelschen in Demerary weer te overvleugelen en de Engelschen uit den Maleischen Archipel te werken. Het is voor onze toekomst een groot voordeel geweest, dat Engeland een stuk van de West behield en niet de Oost; maar het verval van de West was toen onmogelijk te voorzien.
Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin dat een goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren verhypothekeerd aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie weder Nederlandsch geworden, het dus wel in de macht zouden hebben gehad, het vervoer der producten voor een deel naar Nederland te leiden. Doch ook het Engelsche kapitaal was sedert 1796 in die mate direct bij Demerary betrokken geraakt, dat het den strijd nimmer zou hebben opgegeven, en het had, door het overwicht der Engelsche bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling der Engelsche scheepvaart, de betere kansen vóór zich.
Van Nagell laat de onderhandelingen glippen(hiervóór, bl. 246).—De koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell overbracht, was een Engelsche koerier, met dépêches vanCastlereaghaanClancartybelast, die zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel bevond. De koerier nam zijn weg over den Haag, om daar Fagel's brief aan van Nagell af te geven, maar had ook een afschrift daarvan bij zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel meldde, in ieder geval direct van Brussel met het antwoord moeten terugkeeren. De eenige manier dus voor van Nagell om invloed op de beslissing uit te oefenen, ware geweest onmiddellijk naar Brussel mede te reizen; hij zendt echter alles aan den Vorst door, „sans se permettre aucune réflexion”514)(2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel een langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met het door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan Fagel teruggezonden.
Banka(hiervóór, bl. 247).—ClancartyaanCastlereagh, 4 Aug. 1814: „M. Falck as well as the Prince is of opinion that the exchangeof Cochin for the island of Banca will be advantageous to the Dutch, but the Secretary of State doubts (not invidiously however) our title to Banca, and has waited upon me to enquire upon what it is founded. I have answered him: „upon unlitigated possession”, which he admits to be sufficient if the fact of possession is established”515). Van Deventer516)en van der Kemp517)werpen Falck naar het hoofd, dat hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij contract van 10 Juli 1668 onder de bescherming van het Nederlandsch gezag hadden gesteld.Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug. 1814 evenwel geen studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I. C., maar een gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronderde sedert 1 Jan. 1803 op Nederland veroverdebezittingenzouden worden teruggegeven. Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803 geen spoor van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De Engelschen bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan van Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet gesproken is van „Banka en onderhoorigheden”, zoodat de Engelschen bij de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun afzien van Billiton hebben kunnen maken.
Geschreeuw op de beurs?(hiervóór, bl. 249).—Jawel, want de Engelsche couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit de afstand van Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met genoegzame zekerheid viel af te leiden. „La nouvelle donnée par leTimes”, schrijft Falck aan Fagel, 12 Sept. 1814, „de la cession de quelques-unes de nos colonies a fait à la Bourse d'Amsterdam une plus grande sensation qu'on ne devait attendre d'un article de gazette. Une députation des principaux intéressés est venue jusqu'à Bruxelles pour solliciter qu'une cession éventuelle fût du moins accompagnée de stipulations favorables à leurs intérêts518)”. Hiertoe strekte de conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeldhiervóór, bl. 248.
Russische schuld(hiervóór, bl. 250).—Engelands eerste minister tilde hieraan nog zeer zwaar. „The continuance of the American war519)”, schrijft hij 2 Nov. 1814 aanCastlereagh, „will entail upon us a prodigious expense, much more than we had any idea of; and Icannot, therefore, avoid pressing upon you the importance of not entailing upon us any part of the Russian debt to Holland if you can avoid it. Consider only what this charge will be in addition to our war expenditure and to our pecuniary obligations to Holland and Sweden. It would be in principle one of the most difficult questions to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had been in peace with all the world, and the arrangements to be made at Vienna were likely to contain anything very gratifying to the feelings of this country, we might have met the question with some degree of confidence; but as matters now stand, everything that is really valuable will be consideredas having been gained before520), and we shall be asked whether we can really meet such a charge in addition to all the burthens which the American war will bring upon us521)”.
Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloniën-zaak vóór Weenen is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet afzag en Ruslands handteekening onvermijdelijk noodig was voor de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar geloopen hebben dat in deze stemming Engeland b.v. ook nog op Suriname aanspraak had gemaakt.
Genoopt was(hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te worden genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van het begin af de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van koloniën, op Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou moeten staan tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van zaken op het continent waarmede Engeland genoegen zou kunnen nemen. Ziehiervóór bl. 225het medegedeelde uitCastlereagh's correspondentie metLiverpool.
Wel eens afstel zou kunnen zijn(hiervóór, bl. 256). In het systeem der Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van Parijs toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland en Nederland geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter sprake gekomen.
479)Br. en Ged.IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
480)Ged.VI, 1958.
481)Hiervóór, bl. 29.
482)CastlereaghaanLiverpool, 8 Jan. 1814 (Ged.VII, 25); S. V. aan Hendrik Fagel, 8 Jan. 1814 (Ged.VII).
483)ClancartyaanCastlereagh, 13 Maart 1814 (Ged.VII, 89).
484)Edward Cookeonder-staatssecretaris van buitenlandsche zaken, aanLord Castlereagh(17 Febr. 1814): „The cessions will be much felt, chiefly Demerary and Berbice, which are Anglicized” (Ged.VII, 61).Lord LiverpoolaanWellington, 23 Sept. 1814: „These settlements are most valuable to us, not only as they are occupied almost exclusively by British proprietors, but likewise as they contain the principal cotton establishments in America for the use of our manufactures” (Ged.VII, 185).
485)ClancartyaanCastlereagh, 17 Juni 1814 (Ged.VII, 150).
486)De instructie zelve is gedrukt bij van der Kemp,Tractaat 1814,bl. 60; de begeleidende missive aldaar, 64.
487)Van der Kemp,Tractaat 1814, bl. 22.
488)De brieven van 15 Juli en 22 Juli 1814 worden afgedrukt inGed.VII.
489)I, 256.
490)Historia foederum, § 390.
491)Fagel aan van Nagell, 30 Juli 1814 (Falck'sGedenkschriften, 354).
492)Van Nagell bij Metelerkamp.
493)AanClancarty, 14 Aug. 1814 (Ged.VII, 176).
494)Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brievenno. 105); Falck aan Röell, 20 Aug. 1814 (Falck'sGedenkschriften, 366).
495)Falck'sGedenkschriften, 351.
496)Lagemans I, no. 9.
497)Lagemans I, no. 31.
498)AanCastlereagh, 13 Maart 1814 (Ged.VII, 89).
499)Tractaat van 19 Mei 1815 (Lagemans, I, no. 27).
500)Stuart,Jaarboekenvan 1814, bl. 245.
501)Stuart, bl. 252–253.
502)OntstaanII, 77.
503)Stuart, 391.—Volgens deTimesvan 12 Juni 1815 had die overlegging plaats den 9den Juni.
504)Lagemans, I, no. 28, 27.
505)Lord Castlereaghuit Parijs aanLord Liverpool, 19 April 1814. (Ged.VII, 108): „I still feel great doubts about the acquisition of so many Dutch Colonies. I am sure our reputation on the continent, as a feature of strength, power, and confidence, is of more real moment to us than an acquisition thus made. The British merchant ought to be satisfied, if we secure them a direct import. Holland cannot well refuse this, nor Sweden if she acquires Berbice, which ought to satisfy. More than this I think Holland ought not to lose, even though compensated on the side of the Netherlands.”
506)ClancartyaanCastlereagh, 14 Dec. 1813 (Castlereagh's Corr.IX, 97).—Treitschke (Deutsche GeschichteI, 543) wijst er op, hoe het „glorreiche Albion” reeds op het congres vanChâtillonwist gedaan te krijgen, dat het zeerecht niet tot een onderwerp van gemeenschappelijk overleg zou gemaakt worden. Pruisen en Rusland hadden gaarne de grondbeginselen van een menschelijk zeerecht erkend gezien. Maar hunne humaniteit zwichtte voor hunne behoefte aan subsidiën van het niet alleen „glorreiche” maar ook goudrijke Engeland.
507)Lord LiverpoolaanWellington, 23 Sept. 1814: „It would be desirable to have some producible record that we had offered to France a pecuniary compensation, or an island, for the immediate abolition of the Slave Trade. Some such proposition is certainly expected by the Abolitionists. I have the less disinclination to the offer of an island for this object, since it has been determined to retain Demerary, Essequibo and Berbice.The retention of them will add in some degree to the colonial jealousy which exists on the continent of Great Britain; and I have reason to believe that the planters and merchants interested in the settlements in questiondid not expect that we should keep them. Under these circumstances, I think we can afford to offer a West India colony for the accomplishment of an object which the nation has certainly so much at heart” (Ged.VII, 184).
508)Hendrik Fagel aan den S. V., 12 Aug. 1814: „Le Prince Régent et Lord Castlereagh me firent remarquer tous les avantages que ce nouvel Etat va réunir, et dont ce ne sera pas l'une des moindres, qu'étant pour ainsi dire à la portée de ce pays-ci, l'armée anglaise entière pourra au besoin s'y porter à la moindre apparence de danger. Lord Castlereagh fit l'observation que V. A. R. pourrait considérer toute cette armée comme étant à sa disposition sans être à sa charge”.
509)Hendrik Fagel aan Falck, 13 Aug. 1814: „C'est à son retour dans ce pays après le congrès de Vienne que Lord Castlereagh propose de renvoyer la conclusiond'un traitéd'alliance entre les deux Etats, un tel traité, s'il avait lieu dès à présent, pouvant produire des jalousies et des ombrages qui pourraient être nuisibles aux négociations dont la Hollande et la Belgique réunies doivent être l'objet au prochain congrès”.
510)Van Kampen,Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, III (1833), bl. 516.
511)Naar den hoofdinhoud overgedrukt,Ged.VII, 146.
512)Ged.VII, 142 vv.
513)Harris en de Villiers,Storm van 's-Gravesande(London 1911).
514)Falck'sGedenkschriften, 355.
515)Ged.VII, 172.
516)Ned. Gezag, CCVII.
517)Tractaat 1814, bl. 78.
518)Falck'sGedenkschriften, 366.
519)De vrede van Gent werd geteekend 24 Dec. 1814, maar in November scheen er op de totstandkoming van dien vrede weinig kans.
520)Ik cursiveer.
521)Ged.VII, 210.
DE INVOERING DER GRONDWET.
Zoo was dan Nederland niet alleen weder opgenomen in de rij der onafhankelijke volken; het herrees ook als koloniale mogendheid; ja het was bovendien zoo goed als verzekerd van een aanzienlijke uitbreiding van grondgebied. Een gevoel van verademing, een gevoel van dankbaarheid doortintelde de geheele natie. „Zij erkende”, zoo sprak men in die dagen, „in den Vorst den redder door de Voorzienigheid gegeven. Oranje was het middenpunt, waarom allen zich schaarden, het eenige rustpunt, waarop men de toekomst veilig kon te gemoet zien.” „Onze redding”, riep men uit, „is volkomen; een algemeene vrede schenkt rust aan de aarde, opent al onze bronnen van welvaart en hergeeft ons niet alleen landen sedert twintig jaren van ons afgescheurd, maar verzekert ons zelfs eene vermeerdering van grondgebied en macht, waardoor deze nauwelijks herboren Staat, tot een hoogeren rang onder de Mogendheden verheven, de krachten zal erlangen, om dien rang, onder Goddelijken zegen, tot ons behoud en de rust van Europa met waarde te handhaven”522).
Zag de natie alzoo hare wenschen vervuld, niet minder was dit het geval met den Souvereinen Vorst, die bovendienin zijne verbeelding zich reeds getooid zag met de koninklijke kroon. Gelukkig echter voor hem, dat werken en zwoegen zijn lust en zijn leven was, want het was er verre van af, dat de tijd van rust en ontspanning voor hem zou zijn gekomen. Den 29sten Maart 1814 was de Grondwet aangenomen. Hiermede was het tusschentijdvak van 's Vorsten onbeperkte heerschappij geëindigd en was de nieuwe orde van zaken verbindend geworden voor Vorst en volk. Maar tusschen de vaststelling eener Grondwet en haar in werking treden ligt nog eene breede kloof. Het was de taak van den Souvereinen Vorst, dat wat op het papier stond, te doen overgaan in het leven. Dat dit zijne taak was, volgde voor een deel uit de uitdrukkelijke bepalingen der Grondwet. Doch ook wanneer de Grondwet hierover zweeg, meende de Souvereine Vorst, dat hij geroepen was om de maatregelen te nemen en de benoemingen te doen, noodig voor de invoering der Grondwet. Eene meening, die geene tegenspraak uitlokte. Ja er was, zooals wij gezien hebben523), alle grond om aan te nemen, dat ook de Notabelen bij de aanneming der Grondwet van deze voorstelling waren uitgegaan.
Eene gewichtige taak stond alzoo den Souvereinen Vorst te wachten. Eéne zaak moest allereerst zijne aandacht trekken. De Grondwet droeg den Souvereinen Vorst op, te bepalen in welke hoofdtakken het Staatsbestuur zoude worden verdeeld; aan te wijzen, welke personen hem bij elk dier takken ter zijde zouden staan. „De Souvereine Vorst”, zoo luidde art. 35 der Grondwet, „stelt ministeriëele Departementen in, benoemt derzelver hoofden en ontslaat die naar goedvinden”. Aan het hoofd van den Staat één persoon, de Monarch; aan het hoofd van elk der onderscheidene takken van Staatszorg één persoon, de Minister.
Eene inrichting van Staatsbestuur, waaraan wij zoo gewoon zijn geraakt, dat wij ze ons bijna niet anders kunnen denken. Toch was ze—wanneer men let op de organisatie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, en haar daarmede vergelijkt—eene nieuwigheid: zoo iets eigen was aan de oude Republiek, het was dit, dat niet alleen het stedelijk, niet alleen het provinciaal, maar ook het algemeen bestuur niet geplaatst was in handen van één persoon, maar in die van een collegie. De Staten-Generaal aan het hoofd—maar toch staande onder den invloed van de Staten der gewesten en van de vroedschappen der steden. Collegiën toegerust metwetgevendeenuitvoerendemacht tevens. Onder die Staten-Generaal stonden voorts collegiën van bestuur alleen, zooals de vijf Admiraliteiten, de Raad van State, de Rekenkamer. Dat er, bij de verbrokkeling der Souvereiniteit, onder de collegiën, die aan het hoofd stonden, en bij de verdere verdeeling van de bestuurstaak onder die ondergeschikte collegiën, nog van het algemeen bestuur iets terecht kwam, was bijna een wonder in de oogen van den Raadpensionaris Slingelandt en andere staatslieden der Republiek. Hogendorp524), na de revolutie van 1795 nadenkende over die vroegere organisatie, zocht de verklaring van dat wonder hierin, dat er zeer veel geschiedde, wat staatsrechtelijk niet was te verdedigen. Hij spreekt, als van iets onbekend bij de constitutie, van een geheimen raad van het bondgenootschap, bestaande uit den Stadhouder, uit den Raadpensionaris van Holland, uit de ministers of dienaren der Hooge Vergaderingen en Collegiën, en eindelijk uit eenige voorname leden der Staten-Generaal en van de groote Hollandsche steden, welke laatsten, daar zij voortdurend door anderen werden vervangen, echter in invloed bij al de eerstgenoemden achterstonden. Zoo stond de Stadhouder meteenige bekwame ambtenaren eigenlijk aan het hoofd van dezen Raad. Ja, zegt Hogendorp, zoo de Raadpensionaris een man van vernuft en van moed was, kon hij met den Stadhouder schier alles op zich nemen. En dit niettegenstaande deze laatste zelfs geene stem had in de vergadering der Staten-Generaal, en de Raadpensionaris van Holland niets anders was dan de dienaar van één lid van het bondgenootschap en een der gedeputeerden van dit lid in die hoogste vergadering der Unie: de Staten-Generaal. Al wat men echter deed, moest nog de sanctie dezer hoogste Vergadering erlangen of althans door haar niet worden afgekeurd, van die hoogste Vergadering, welke op hare beurt weder afhankelijk was van de zienswijze der provinciale en stedelijke besturen.
Werd nu door de revolutie van 1795, die het beginsel van staatseenheid invoerde, tevens de collegiale vorm van bestuur verlaten? Ik spreek hier niet van de wetgevende macht, die van de uitvoerende of besturende macht werd gescheiden. Het is de laatste, die hier ter sprake moet komen. Werd nu het voorbeeld gevolgd van Noord-Amerika, en één persoon, de president, aan het hoofd der uitvoerende macht geplaatst? Evenals de vrees voor de monarchie in 1795 in Frankrijk geleid had tot de instelling van hetDirectoire, zoo was ook hier de vrees voor het eenhoofdig bestuur levendig en wilde men van een president niets weten. De uitvoerende macht werd volgens de staatsregeling van 1798 gesteld in handen van een collegie van 5 leden:het Uitvoerend Bewind. Met den collegialen vorm van bestuur werd alzoo niet gebroken. Het moet hierbij echter worden erkend, dat al de moeilijkheden, verbonden aan het bestuur van de Unie, niet zoozeer een gevolg waren van het collegiale van het bestuur, als van de verbrokkeling van het gezag tusschen de leden van het bondgenootschap en de daarmede gepaard gaande onzelfstandigheidvan het hoogste collegie: de Staten-Generaal. Men behoefde die bezwaren niet meer te duchten, nu het beginsel van staatseenheid was ingevoerd en de uitvoerende macht in haar geheel in handen van één collegie geplaatst was. Doch er waren er, die nog verder wilden gaan. Er waren er, die, uit een overdreven vrees voor het eenhoofdig gezag, ook nog den collegialen vorm wilden toepassen op de dienaren der uitvoerende macht, bij de verdeeling der verschillende takken van staatsbestuur. Er waren er, die het uitvoerend bewind door comités wenschten te zien geadsisteerd. De meerderheid der Nationale Vergadering verklaarde zich echter voor ministers. Dit beginsel werd eveneens in de staatsregeling van 1798 gehuldigd. Alleen aan het hoofd werd een collegie geplaatst. Het denkbeeld was, dat dit collegie bedaard, ernstig zou raadplegen over de te nemen maatregelen, terwijl de werkelijke uitvoering, de eigenlijke bediening der uitvoerende macht voor elken hoofdtak van staatsbestuur zoude worden opgedragen aan één persoon, aan één minister. Deze had, meende men, niet te beoordeelen de wijsheid of verkeerdheid van de maatregelen der uitvoerende macht, hij had ze alleen uit te voeren in den geest van het collegie. Voor deze uitvoering nu was het wenschelijk één persoon voor zich te hebben, zoowel omdat hij tegenover het uitvoerend bewind zich niet kon verschuilen achter het scherm van een comité en alzoo zijne verantwoordelijkheid illusoir zoude worden, als omdat, waar het op snelheid en gemakkelijkheid van handelen aankwam, de macht in handen van één persoon verre de voorkeur verdiende. Het springt in het oog, dat veel van hetgeen voor het bestaan van ministers pleitte, ook kon worden aangevoerd voor de samentrekking der uitvoerende macht in de handen van één persoon, en dat omgekeerd zoo aan het hoofd een collegie de vereischte taak kon verrichten, er ook argumenten waren aan te voeren voor het collegiaalkarakter der meer ondergeschikte macht. Immers de voorstelling was eenzijdig, dat alleen op de hoogste sport deliberatie te pas kwam; ook de handeling van den minister was in de meeste gevallen niet machinaal. „Wilde men,” zoo vroeg men in de Nationale Vergadering, „eene vloot doen uitzeilen, eene armee doen marcheeren, zonder te overwegen, of de eerste de noodige victualie en de laatste de vereischte sterkte had525)?” Het kon dan ook niet bevreemden, dat, toen in 1801 de revolutiekoorts had uitgewoed en er weder heimwee ontstond naar veel van het oude, ook het nieuwe hoofd der uitvoerende macht: hetStaatsbewind, de vrijheid kreeg, om, met uitzondering van Buitenlandsche Zaken, zich door collegiën te laten bijstaan (art. 32). Dit was echter iets voorbijgaands. Op 't voorbeeld van Frankrijk zette men in 1805 de vrees voor het eenhoofdig gezag ter zijde. Wanneer nu aan het hoofd der uitvoerende macht eerst een Raadpensionaris, daarna in 1806 een erfelijk Koning geplaatst werd, lag het voor de hand, dat ook de bediening van elk der onderscheidene deelen der uitvoerende macht aan één persoon werd opgedragen. Had voorts de staatsregeling van 1805—evenals die van 1798 en 1801—nog zelve de wijze van verdeeling van het staatsbestuur geformuleerd (art. 48), koning Lodewijk besliste zelf over die verdeeling. Hij benoemde niet alleen zijne ministers, hij bepaalde ook hun getal en hunne werkzaamheden (art. 27).
Ik keer nu tot 1814 terug. Wat zij in art. 35 opdroeg aan den Souvereinen Vorst, had zich alzoo uit het staatswezen der Revolutie ontwikkeld en had onder koning Lodewijk den vorm gekregen, dien het onderwerp ook nu behield. Toen echter de Souvereine Vorst tot de uitvoering van art. 35 wilde overgaan, vond hij geenetabula rasameer. Hij had te rekenen met hetgeen ersedert de Novemberdagen van 1813, sedert de optreding van het Algemeen Bestuur en zijne daarop gevolgde aanvaarding der Souvereiniteit, geschied was.
Toen Hogendorp en van der Duyn den 21sten November 1813het Algemeen Bestuur op zich hadden genomen, waren door hen den 29sten November 1813, dus even vóór de terugkomst van den Prins van Oranje, Commissarissen-Generaal aangesteld voor financien, binnenlandsche zaken, oorlog en politie526). Hunne aandacht was gevallen op Elias Canneman, Mr. Hendrik van Stralen, B. H. Bentinck tot Buckhorst en Mr. A. Hoynck van Papendrecht.
Canneman werd Commissaris-Generaal van financien. In 1777 in nederigen stand te Amsterdam geboren, had hij na 1795 de aandacht getrokken van den financier der Revolutie, Gogel, en was hij in 1798 door dezen, toen Agent of Minister van financien, tot chef de bureau benoemd. Sedert was hij door zijne verdiensten tot hoogere betrekkingen geroepen en diende hij na de inlijving het Keizerrijk als directeur der belastingen in het departement van de Monden van de Maas527). Dit laatste had hem echter niet belet met Hogendorp bij de omwenteling gemeene zaak te maken. Hij was immers ook de steller der proclamatie van 21 November 1813,waarbij het Algemeen Bestuur de Nederlanders van den eed van trouw en gehoorzaamheid aan den Keizer ontsloeg. Evenmin verhinderde hem de nauwe betrekking waarin hij stond tot Gogel528), toen Intendant-Generaal van financien hier te lande, om voor Hogendorp een brief te ontwerpen, waarin deze van Gogel onder inroeping zijner verantwoordelijkheid aan de Hollandsche Natie eischte, in dienst van het Algemeen Bestuur over te gaan529). Onder deze omstandigheden en bij de weigering van Gogel om den eed aan den Keizer gedaan te verbreken, was het niet vreemd, dat Canneman tot Commissaris-Generaal van financien benoemd werd: Canneman, die, na Gogel, wegens zijne kunde wellicht het meest in aanmerking kwam, en die zich noch door gemoedsbezwaren, noch door vrees had laten terughouden tot het vestigen der onafhankelijkheid mede te werken.
Gewichtig was—vooral bij eene ledige schatkist—het Commissariaat-Generaal van financien. Niet minder dat voor binnenlandsche zaken. De man, die hiermede werd belast, Mr. Hendrik van Stralen, was geen medewerker tot de omwenteling geweest. En dit niettegenstaande door haar zijne vurigste wenschen zouden worden vervuld. In 1751 te Hoorn uit eene patricische familie geboren, behoorde hij met Hogendorp vóór 1795 tot de meest verkleefde aanhangers van het huis van Oranje; evenals Hogendorp was ook hij aan de zege der Oranjepartij in 1787 veel verschuldigd. Door de Revolutie van 1795 ambteloos burger geworden, was hij in 1799 bij den inval der Russen en Engelschen in Noord-Holland en bij de aankomst van den toenmaligen Erfprins, de raadsman van dezen geweest, en was het alleen aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken, dat een tegen hem te dier zake aangevangen strafproces gesmoordwerd. Maar hij was sedert—wat met Hogendorp wel het geval was—niet ambteloos gebleven; integendeel, met autorisatie van den voormaligen Stadhouder was hij, evenals zoovele anderen zijner partijgenooten, in 1802 in den dienst der Bataafsche Republiek overgegaan. Onder Schimmelpenninck is hij zelfs Secretaris van Staat voor binnenlandsche zaken. Lodewijk benoemt hem tot lid van het wetgevend lichaam; onder het keizerrijk trekt hij een pensioen van fr. 6000. Hij was voorzeker niet minder dan Hogendorp gestemd voor de afschudding van het fransche juk en den terugkeer van het huis van Oranje. Toch behoorde hij onder dat groote getal van oud-regenten, die voor eene kloeke daad terugdeinsden. Zeker niet om gemoedsbezwaren; maar de herinnering aan de bange dagen van 1799, de vrees voor de gevolgen weerhielden den 62-jarigen man, een werkzaam aandeel aan de omwenteling te nemen. Dit belette Hogendorp niet, van Stralen, die in het binnenlandsch bestuur doorkneed was, de betrekking van Commissaris-Generaal op te dragen530).
Wat te zeggen van de Commissarissen voor Oorlog en de Politie? Minder gewichtig was het ambt van den laatste. Immers het kon de bedoeling niet zijn, de geheime politie, onder welke men gedurende de fransche heerschappij zoo gezucht had, te laten voortduren; men meende echter, terwijl de vijand nog in het land was en men wellicht niet overal van den geest der bevolking zeker was, vooreerst een algemeenen Commissaris van politie noodig te hebben. Waarom daartoe Mr. Antony Hoynck van Papendrecht werd uitgekozen, is mij onbekend. Gewichtiger dan deze betrekking was voorzeker het Commissariaat van Oorlog. Deze taak werd aanvaard door een Overijselsch edelman, B. H. Bentinck van Buckhorst. Geboren in 1751, page van Willem V,later officier, in 1795 uitgeweken, in 1801 teruggekeerd, was hij zijne oude liefde voor het huis van Oranje getrouw gebleven en ontsnapte hij tijdens de fransche heerschappij alleen door den invloed van Schimmelpenninck aan eene vervolging wegens eene geheime briefwisseling met den Prins. Hij behoorde dan ook tot deeedgenooten, die na den oorlog met Rusland zich hadden verbonden om voor de afschudding van het vreemde juk werkzaam te zijn. Ik vermoed, datmeer de naam en de gezindheid van Bentinck, dan de kundevan den man de aandacht op hem hebben doen vestigen.
Zoo vond de Prins den toestand, toen hij den 2den December 1813 de Souvereiniteit aanvaardde en den 6den December 1813 het bestuur overnam. Hij liet de titularissen in functie, doch benoemde Hogendorp tot zijnenSecretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken, en den 71-jarigen oud-regent Mr. J. C. van der Hoop tot Commissaris-Generaal voor de Marine. Vroeger Raad en Advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te Amsterdam, had hij sedert de revolutie van 1795 zich geheel van het werkzame leven teruggetrokken. In de Novemberdagen van 1813 ontmoet men hem weder en nu als voorzitter van het provisioneel bestuur te Amsterdam. Onttrok hij zich alzoo niet, zooals van Stralen, aan de beweging, het was niet om de vaan des opstands omhoog te heffen, integendeel om in een stillen geest werkzaam te zijn tot behoud van orde en rust531). Had men, bij de weigerachtigheid van Gogel, tot Canneman zijne toevlucht moeten nemen, de halsstarrigheid van den Vice-Admiraal Verhuell in het getrouw blijven aan den Keizer mag de reden zijn geweest dat de keuze werd gevestigd op een man, aanbevelenswaardig, door zijne Oranjegezindheid zoowel als door zijne vroegere betrekkingen bij de Marine, maar die in de laatste 18 jaar buiten alle rechtstreeksche aanraking met dit vak gebleven was.
Alzoo waren de hoofdtakken van Staatsbestuur: Binnenlandsche Zaken, Financien, Oorlog, Marine, benevens Politie, elk onder een eigen hoofd gesteld. Waar bleef de Justitie? De hoogste rechterlijke ambtenaar hier te lande was Mr. C. F. van Maanen, de eerste president van het Hoog Gerechtshof, de man, die hoewel een kind der revolutie, evenals Gogel, den Keizer met groote toewijding gediend had.—Van Maanen had tot aan de komst van den Prins hier te lande van deelneming aan de omwenteling niets willen weten. Is er in die dagen recht gesproken, 't moet geweest zijn in naam des Keizers. Toen de Prins echter den 30sten November 1813 was teruggekomen, volgde het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 December 1813, waarbij al de rechterlijke autoriteiten werden ontbonden, doch te gelijkertijd weder bij provisie in werking gebracht, om nu in naam der Hooge Overheid in plaats van in naam des Keizers recht te spreken. Ook van Maanen ging nu over in dienst van het nieuwe bestuur. Doch niet alleen dit. Hij kreeg ook van den Souvereinen Vorst zonder den titel de functie van Minister van Justitie, zoodat al de voordrachten, het justitiewezen betreffende, voortaan door hem zouden gedaan worden532). Daarentegen werd het afzonderlijke Departement van Politie na de bevestiging van den staat van zaken bij besluit van 2 Februari 1814 hier te lande opgeheven, en de Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof533)met de zorg voor de Politie belast534).
Alzoo was in het tijdvak van December 1813 tot 30 Maart 1814, het gewichtige tusschentijdvak, waarin de Prins als Souvereine Vorst de onbeperkte macht uitoefende, het bestuur onder den Vorst geplaatst in handen van van Hogendorp, van Stralen, van Maanen, Canneman,Bentinck en van der Hoop. Naast, zoo niet boven die allen, stond nog A. R. Falck, die, in 1777 geboren, en dus in 1813 nog slechts 36 jaren oud, door zijn kloekmoedig gedrag in de dagen der omwenteling op den voorgrond was gekomen, en alzoo was geroepen om eerst het Algemeen Bestuur, later den Souvereinen Vorst als Secretaris ter zijde te staan,totdat hij 31 December 1813 benoemd werd tot Algemeen Secretaris van Staat535), eene betrekking, waarop iklaterterugkom.
Welke verandering zoude in dit alles komen door de uitvoering, die de Souvereine Vorst moest geven aan art. 35 der Grondwet? Vóór hare aanneming was die vraag reeds beslist. Immers reeds den 20sten Maart 1814 wist Mr. H. van Stralen, dat hij het veld moest ruimen voor een ander, en reeds den 23sten Maart 1814 was het zeker, wie zijn opvolger zoude zijn536). De besluiten van de benoeming der Ministers dragen echter de dagteekening van 6 April 1814537). Behalve van Stralen, werden ook Hogendorp, Canneman en Bentinck door anderen vervangen. In de inrichting van het Staatsbestuur kwam overigens geene verandering dan dat de Waterstaat van het departement van Binnenlandsche Zaken afgescheiden en een afzonderlijke tak van bestuur werd, terwijl met het oog op de te verwachten teruggaaf der Koloniën een nieuw departement voor Koophandel en Koloniën werd opgericht.
Het Staatsbestuur was alsnu op de volgende wijze verdeeld: Oorlog: Mr. J. H. Mollerus, onder de opperdirectie van den Erfprins, Generaal en Chef der Nederlandsche Armee; Buitenlandsche Zaken: A. W. C. van Nagell tot Ampsen; Marine: Mr. J. C. van der Hoop; Binnenlandsche Zaken: Mr. W. F. Röell; Financiën: Mr.C. C. Six tot Oterleek; Koophandel en Koloniën: G. A. G. P. van der Capellen; Waterstaat: Mr. O. Repelaer van Driel. De zorg voor de Justitie bleef opgedragen aan 's Hofs Eersten president, evenals die voor de Politie aan den procureur-generaal538). Falck bleef eveneens Algemeen Secretaris van Staat.
Er waren er dus, die 't zij door het Algemeen Bestuur, hetzij door den Souvereinen Vorst benoemd, niet overgingen in het nieuwe Ministerie. Dat Hogendorp als Minister van Buitenlandsche Zaken vervangen werd, laat zich gereedelijk hieruit verklaren, dat de hem opgedragene betrekking van vice-president van den Raad van State moeilijk met het beheer der Buitenlandsche Zaken vereenigbaar was. Aan Bentinck viel de taak van Minister van Oorlog te zwaar; hij was dankbaar naar Overijsel, naar zijn geboorteland te kunnen verhuizen, om aldaar als Gouverneur aan het hoofd te worden geplaatst. Dat van Stralen en Canneman het veld moesten ruimen, was zeker niet een gevolg hunner politieke antecedenten, want de eerste was een der slachtoffers van 1795, de tweede had wel alles aan de omwenteling te danken, maar hij was in 1795 te jong om onder de patriotten te kunnen worden gerekend. In verschil tusschen den Souvereinen Vorst en deze beide Staatsliedenover de beginselen van Staatsbestuurschijnt de oorzaak te moeten worden gezocht. Waarom nu juist Mollerus, van Nagell, Röell, Six, Repelaer en van der Capellen werden benoemd, lag, behalve in de bekwaamheid en ondervinding van de meesten hunner, wellicht hierin, dat met uitzondering van van der Capellen, een loot uit een aanzienlijk patriottisch geslacht, allen behoorden tot de oude Oranjepartij, al waren dan ook slechts twee hunner,van der Hoop en van Nagell,inde bange jaren 1795–1813 ambteloos gebleven. Dat de overigen zich hadden verzoend met de revolutionaire besturen, was echter geen bezwaar, daar dit geschied was onder uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van 's Vorsten vader. Bij allen echter trekt het de aandacht, dat zij zich kenschetsen door adellijke of patricische geboorte, van Maanen alleen uitgezonderd, die, evenals Canneman, door de revolutie zijn fortuin had gemaakt.
Bij eene oppervlakkige beschouwing zoude men meenen, dat ten opzichte van de uitvoering van art. 35 der Grondwet nu alles gezegd was. Immers het Staatsbestuur was in onderscheidene takken verdeeld en aan het hoofd van elk dier takken was één persoon geplaatst. Het gewichtige van een ambt, denkt men wellicht, is gelegen in de taak er aan verbonden. De naam, dien het ambt draagt, zal toch wel onverschillig zijn. Is dit echter wel juist? Ook volwassen mannen blijven groote kinderen. Men hecht aan een naam, aan een titel. Zoowel hij die het ambt bekleedt, als de menigte, die u met dien naam aanspreekt. En naarmate de macht minder is, is de behoefte grooter aan pronk en praal. De Ministers waren volgens de Grondwet van 1814 geen zelfstandige Staatsdienaren: zij voerden den wil van den Vorst uit. Het denkbeeld van ministerieele verantwoordelijkheid in Engelschen zin was vreemd aan ons land. Zoowel onder de Staatsregelingen der Bataafsche Republiek, als onder koning Lodewijk waren de Ministers niets anders geweest dan de dienaren der uitvoerende macht en jegens die macht alleen verantwoordelijk. Aan den aard van dit ambt paste zeer goed de naam vanAgent, een naam, voorkomende in de Staatsregeling van 1798. Ook nog de naam, gebruikt in de constitutie van 1806, de naam van Minister; dit beteekent immers dienaar. Of men zoude ze ook Commissarissen-Generaal hebben kunnen noemen. De Souvereine Vorst koosechter een anderen, een meer weidschen titel: den titel vanSecretaris van Staat. Een titel, die niet voor het eerst hier te lande werd toegekend. Men had reeds in het ontwerp der Staatsregeling van 1797 deze dienaren der uitvoerende macht aldus genoemd, doch in de Staatsregeling van 1798 aan den meer eenvoudigen naam vanagentde voorkeur gegeven. In de Staatsregelingen van 1801 en 1805 komen die dienaren echter voor alsSecretarissen van Staat. En zoo had de Souvereine Vorst, zooals wijvroegerhebben opgemerkt, Hogendorp onder dezen titel aan het hoofd der Buitenlandsche Zaken geplaatst. Volgens art. 32 van de Grondwet van 1814 zoude ook de Vice-President van den Raad van State een Secretaris van Staat zijn. Een titel, die hooger geacht werd—zooals ook hieruit blijkt, dat aan Mollerus, die, omdat hij stond onder den Erfprins, den naam kreeg van Commissaris-Generaal voor Oorlog, desniettegenstaande de rang van Secretaris van Staat werd toegekend539). Wanneer nu echter, zooals ik geloof, die titel zijnen oorsprong vindt in de Engelsche Monarchie, waar de Secretarissen van Staat geroepen zijn door hunne mede-onderteekening aan de handelingen van de Kroon authenticiteit en kracht te verzekeren, dan betwijfel ik, of wel een van die Ministers tusschen wie het Staatsbestuur verdeeld was, recht op dien titel had. Ja ik zoude meenen, dat dit alleen het geval was met Falck, die, zooalswij gezien hebben, de betrekking van Algemeen Secretaris van Staat bekleedde.
Bij deze betrekking wensch ik nu een oogenblik te blijven stilstaan. Wij vinden haar onder den naam van Algemeen Secretaris in de Staatsregelingen van 1798 (art. 91) en 1801 (art. 32), en onder dien van Algemeen Secretaris van Staat in de Staatsregeling van 1805 (art. 47). Een ambtenaar, die het Uitvoerend Gezag in zijngeheel ter zijde stond en wiens mede-onderteekening voor de geldigheid van de akten van het gouvernement vereischt werd. Wanneer men de instructie van 1 Mei 1805 naleest, zal men zien, dat het na den Raadpensionaris het gewichtigste ambt der Republiek mocht genoemd worden. Mr. C. G. Hultman bekleedde die betrekking onder de Staatsregelingen van 1801 en 1805. Toen koning Lodewijk optrad, benoemde hij in zijne plaats onder den titel van Minister, Secretaris van Staat, Mr. W. F. Röell, dien wij nu hebben zien optreden als Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken. Het is opmerkelijk, dat koning Lodewijk langzamerhand begon te vreezen, door Röell te zullen worden overschaduwd. Hij vreesde, dat Röell als eerste minister zoude worden beschouwd, en eerste minister wenschte hij zelf te zijn. Zoo werd in 1808 na het aftreden van Röell de heer Appelius, die hem opvolgde, geen Minister Algemeene Secretaris, maar Staatsraad-Secretaris des Konings, terwijl na diens ontslag in 1809 de geheele betrekking verviel en met een deel der werkzaamheden de Minister van Justitie en Politie belast werd, terwijl een ander deel werd opgedragen aan den heer Verheyen, als Eersten Secretaris van 's Konings Kabinet540). Toen dit geschiedde, was Falck, volgens Lodewijk: „un jeune homme très instruit et d'une grande espérance”, reeds in betrekking, 't laatst Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Marine en Koloniën. Was het de herinnering aan hetgeen met Röell was voorgevallen, die hem in 1813, toen hem dit ambt zou worden opgedragen, eerst deed terugdeinzen voor den titel van Algemeen Secretaris van Staat, en hem de voorkeur deed geven aan dien van Raad-Secretaris? Falck, wien het meer om de zaak, dan om den titel te doen was, dacht hierdoor minder naijver op te wekken; hij meende ook, dat deze naam beter overeenkwam met deideeën van eenvoudigheid en economie, die hij ook elders voortplanten wilde541). Onbekend zijn de redenen, die ten slotte toch den titel van Algemeenen Secretaris van Staat hebben doen herleven. Hij stond dusin rang met de overige Ministers gelijk. Het maakt een vreemden indruk, wanneer wij zien, dat Falck's grootste vereerder dit ambt beschouwt als eene ondergeschikte betrekking542). Het tijdvak 1813–1818, waarin Falck als zoodanig optreedt, is integendeel het gewichtigste deel van zijn ambtelijk leven. Want hoewel bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid, bij het geheel persoonlijk gouvernement van Willem I de Algemeene Secretaris in gewichtige zaken niets te bevelen had, zoo werd hij toch wegens den aard zijner betrekking in alles gekend, en moesten zijne inzichten in alle zaken van aanbelang ter kennis van den Vorst komen. Zoowel in de buitenlandsche als in de binnenlandsche politiek moest hij meer dan iemand anders invloed uitoefenen. Hij was toch voor een groot deel de trechter tusschen den Vorst en zijne Ministers; hij is het, die, bij 't overbrengen van 's Vorsten wil, de pen voert. Ik heb er vroeger op gewezen543), hoe, toen in 1814 de onderhandelingen met Engeland over de teruggaaf der koloniën gevaar liepen te mislukken, Falck de man was, die den wagen weder in het rechte spoor bracht. Het was, althans wat de eerste jaren na 1813 betreft, geene ijdele lofuiting, dat Willem I, Falck voorstellende aan Keizer Alexander,tot dezen zeide: „ziehier mijne rechterhand”544). Zoo erdus onder de dienaren van den Vorst iemand was, die aanspraak had op den weidschen titel van Secretaris van Staat, dan was het Falck;—Falck, wiens taak het was door mede-onderteekening aan de handelingen van het Souverein Gezag authenticiteit te verzekeren; Falck, die in 't middenpunt van alles stond en dus den gang van zaken in zijn geheel 't best kon overzien. Of was dit wellicht ook het geval met de andere Secretarissen van Staat, had er ook tusschen hen onderlinge raadpleging plaats? De Staatsregeling van 1798 had in art. 96 het vormen van een afzonderlijken Raad door de Agenten uitdrukkelijk verboden; dit nu had de Grondwet van 1814 niet gedaan. Toch lag een dergelijke Raad niet in den geest dezer Grondwet. De Ministers hadden ieder alleen voor zijn eigen departement te zorgen; zij hadden, elk voor zijn eigen departement, uitvoering te geven aan de besluiten van den Vorst. En wanneer Falck spreekt van een Ministers-Conseil, dan is het een raad, waarin de Souvereine Vorst presideert545).Het was, zooals men het later noemde, eenKabinetsraad. Daarin hadden, behalve de Ministers, ook andere hooge Staatsdienaren zitting, althans de Vice-President van denRaad van State546). Is er in de eerste jaren reeds bovendien een Ministerraad geweest? Ik heb daarvan vóór 1823 geene sporen gevonden547). Maar dit is zeker: de taak van dien, 't zijKabinets-, 't zij Ministerraad, is in elk geval niet van dien aard geweest, dat de Ministers daardoor bekend werden met den gang van het geheele Staatsbestuur. Hoe weinig de Ministers onder de regeering van Willem I met de algemeene staatsbelangen bekend waren, blijkt uit menige omstandigheid. Van Maanen, die meer dan iemand anders in lateren tijd voor het regeeringsstelsel van Willem I aansprakelijk werd gesteld, komt er in 1817 rond voor uit, in de Financiën onwetender te zijn dan de minste leek, en schijnt dit zeer natuurlijk te vinden548). Nog sterker is hetgeen voorviel met den Minister van Buitenlandsche Zaken, van Nagell, die, toen in 1818 op aandrang der vreemde mogendheden een wetsontwerp zoude voorgesteld worden tot beteugeling der drukpers, een paar dagen vóór de indiening er van aan den Engelschen gezant moest bekennen, dat hij van dat ontwerp nog niets gezien had, en dat de geheele zaak, met uitsluiting van ieder ander, tusschen den Koning en van Maanen was afgesproken en in orde gebracht549). Soms wordt een dergelijke wijze van handelen zelfs van Maanen te kras, en zoo klaagt hij, als de Belgische Revolutie in aantocht is, dat de Vorst zijne Ministers niet bijeenroept tot onderling overleg, zoodat ieder geheel op zich zelven werkt, en zij niets weten van elkander550).
Welk een verschil tusschen den staatsrechtelijken toestand van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, zonder voldoende kracht in het centrum en met de verdeeling van macht tusschen allerlei collegiën, en den toestand, zooals hij door deze nieuwe orde van zaken werd gevestigd. De Vorst mocht der Revolutie van 1795 dankbaar zijn, die al deze hindernissen had opgeruimd en het terrein voor hem had effen gemaakt. Maar welk een afstand lag er ook tusschen het tijdvak der BataafscheRepubliek, toen men uit vrees voor de overmacht van één persoon, vangeen president, alleen van een collegie van bestuur wilde weten, en tusschen dit oogenblik, toen de geheele macht van bestuur geconcentreerd werd in één ennog wel in een door het toeval der geboorte aangewezenpersoon? Het waren de gulden dagen van hetmonarchaal bijgeloof. Meende men dan bij de uitoefening van het Staatsbestuur inderdaad alles aan dien eenen persoon te kunnen overlaten? Dit te beweren, zoude niet vrij van overdrijving zijn. Men greep naar een middel, dat, evenals het ministerieel bestuur, door de Bataafsche Republiek was in praktijk gebracht. Ik bedoel den Raad van State. Zoolang de uitvoerende macht aan één collegie, eerst het Uitvoerend, later het Staatsbewind (1798, 1801) was toevertrouwd en onderlinge raadpleging en besluit in een en 't zelfde lichaam waren vereenigd, zoolang kon geen afzonderlijke Raad van State te pas komen. Toen echter in 1805 en 1806 het gouvernement onder Franschen invloed eenhoofdig werd, werd ook hier op het voorbeeld van Frankrijk een Staatsraad ingesteld, ter bevordering van het overleg, dat de gewichtigste daden van Staatsbestuur behoorde vooraf te gaan. Een collegie, dat echter niet het gewicht had, 't welk het in Frankrijk bezat, waar het niet alleen optrad als adviseur in zaken van bestuur, maar ook tevens de hoeksteen was der administratieve rechtspraak, en bovendien een beslissenden invloed op de samenstelling der wetten en reglementen uitoefende, ja welks adviezen, mits door den Keizer goedgekeurd, in rechtskracht de wet evenaarden. Niet alzoo bij ons. In de constitutie van 1805 en 1806 was het hoofd van het uitvoerend gezag alleen verplicht het collegie te hooren over ontwerpen van wet, en was het hooren er van verder aan zijn goedvinden overgelaten (1805 art. 45; 1806 art. 31). Werd nu het eene of het andere voorbeeld door de Grondwet van 1814 gevolgd? Ik meen geen van beide. De Raadvan State kreeg een zuiver adviseerend karakter, en in zoover onderscheidde hij zich van den Franschen Staatsraad, maar hij moest gehoord worden over alle daden der Souvereine waardigheid, en alzoo was zijne taak ruimer dan die van den Staatsraad onder Schimmelpenninck of onder koning Lodewijk. Bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid en in de vooronderstelling dat een Vorst het goede wil en dat hij tevens wat goed is, weet te onderscheiden, kon in een dergelijk collegie voorzeker een waarborg liggen voor een goed Staatsbestuur, een collegie, dat zijn advies moest geven, voordat de Souvereine Vorst eenig besluit nam. Was de benoeming der Secretarissen van Staat eene zaak geweest, die met nauwgezetheid behoorde te worden behandeld, het was zeker geen minder gewichtige taak de instructie voor den Raad van State te ontwerpen en tevens aan te wijzen, wie in dit collegie zitting zouden nemen.De instructie werd den 6den April 1814, denzelfden dag, waarop de ministers benoemd werden, vastgesteld551). Zij regelde de wijze van werken van het collegie en maakte geen inbreuk op het zuiver adviseerend karakter door de Grondwet daaraan toegekend. Het zoude den Vorst dienen van consideratiën en advies over alle stukken en zaken, door hem aan hetzelve toegezonden (art. 5). Opmerkelijk alleen is de bepaling van art. 18, waarbij de Souvereine Vorst zich de bevoegdheid voorbehield, een of meer leden dienstbaar te maken aan het Staatsbestuur, door hun de uitvoering van eene commissie op te dragen; eene taak, die eerder viel binnen den werkkring der ministers.
Doch, zooals ik reeds heb opgemerkt, het kwam bij de samenstelling van dezen grondwettigen regeeringsraad niet minder dan bij de benoeming der ministers, op de keuze der leden aan. De Souvereine Vorst washierin niet geheel vrij. Zooveel mogelijk moesten zij uit al de provinciën of landschappen gekozen worden, en hun getal mocht dat van 12 niet te boven gaan. De Souvereine Vorst bepaalde zich voorshands tot de keuze van elf.Het waren A. F. van der Duyn van Maasdam, F. S. van Bylandt-Halt, Mr. C. T. Elout, E. Canneman, J. H. van Lynden van Lunenburg, W. H. van Hambroick van Weleveld, Jacob Fagel, Mr. W. Queysen, G. W. J. van Lamsweerde, E. J. Alberda en S. J. G. J. van Burmania Rengers.—Althans de meesten hunner waren slachtoffers geweest van de omwenteling van 1795; onder hen waren echter slechts enkelen, zooals Jacob Fagel en van der Duyn, die de opvolgende besturen niet hadden gediend. Dat het behoord hebben tot de oude Oranjepartij niet een volstrekt vereischte voor de benoeming was geweest, bewijst de keuze van den patriot Queysen en van Canneman. En de keuze van dezen laatste bewijst tevens, datoppositie tegen de zienswijze van den Vorst, mits daarvan slechts niets bleek in 't openbaar, geene reden was voor volslagen ongenade. Doch behalve die elf leden, behoorde tot dit collegie ook de vice-president; 't is waar, de Souvereine Vorst kon zijn Raad presideeren, maar het zou hem wel niet mogelijk zijn in de dikwijls te houden vergaderingen tegenwoordig te zijn. Vandaar dat de Grondwet de bevoegdheid gaf een vice-president met den titel van Secretaris van Staat aan te stellen. Ik heb reedsvroegerer op gewezen, dat aan die bepaling uitvoering gegeven werd en dat de keuze viel op Hogendorp. Het was een geniaal en energiek, eer- en heerschzuchtig man als Gijsbert Karel, de man bovendien, wiens verdiensten ten opzichte van de herleving van ons volksbestaan die van alle anderen in de schaduw stelden; het was dezen niet kwalijk te nemen, zoo hij er meende aanspraak op te hebben eene gewichtige plaats in het Nederlandsche Staatsbestuur in te nemen. Het ambt van Raadpensionaris,in zijne Schets eener Grondwet opgenomen, was door het niet overnemen daarvan in de Grondwet, hem reeds ontgaan. Hij kwam nu aan het hoofd te staan van den grondwettigen Regeeringsraad: den Raad van State. Hij werd bovendien de president van de eerste gewone vergadering der Staten-Generaal. Hij heeft zich voorzeker gevleid eene plaats te zullen innemen, die, zoo zij al niet gelijk stond met die van den Souvereinen Vorst, toch van eene zelfstandige en invloedrijke natuur was. Evenals de Vorst gaf ook Hogendorp elke week audientie552). Hij zal echter spoedig hebben ontwaard, dat er naast Willem I, den regent door geboorte, voor hem den geboren regent geene ruimte was. Hij heeft het spoedig moeten ondervinden, dat aan de bepaling den Raad van State over alle daden der Souvereine waardigheid te hooren, de hand niet gehouden werd; dat integendeel de Souvereine Vorst ten opzichte hiervan naar zijn welgevallen te werk ging. Over diplomatieke aangelegenheden werd de Raad van State niet gehoord; over zaken van specialen aard evenmin. Wat er overbleef waren zaken van algemeene strekking, betreffende het binnenlandsch en koloniaal bestuur553), en dan waarschijnlijk nog alleen voor zoover de Souvereine Vorst het oirbaar achtte. Doch ook al ware aan dit onbeperkte, in de praktijk moeilijk op te volgen voorschrift de hand gehouden, zou het de vraag zijn geweest, of Hogendorp zich op den duur had kunnen schikken in een toestand, waarin hij toch volgens de Grondwet niets anders kon zijn dan het invloedrijkste lid van een zuiver adviseerend collegie, waarin hij alzoo geene actieve rol konde spelen. Die positie veranderde niet van aard door zijne deelneming aan den Kabinetsraad, waarvan hijtevens, zooalswij gezien hebben, lid was. Het zij hoe het zij, spoedig kon het worden voorzien, dat er eene botsing moest ontstaan tusschen de beide overheerschende persoonlijkheden, den Vorst en het hoofd der omwenteling—en dat Hogendorp voor een meer kneedbaar individu zoude moeten plaats maken. Zijn presidium der Staten-Generaal duurt slechts voor ééne zitting; het vice-presidentschap van den Raad van State overleeft slechts korten tijd de vereeniging met België; het houdt op met den herfst van 1816554). In eene monarchie als die van Willem I was voor een man als Hogendorp geene plaats dan in de rijen der oppositie.