DurgerdamDurgerdam
Durgerdam
Durgerdam
Dat men te Edam zoo weinig prijs stelde op het behoud der Sirene was misschien ook daaraan toe te schrijven, dat dergelijke phenomenen hier minder zeldzaam waren dan elders. Het stadhuis te Edam bewaart de portretten van drie merkwaardige personages, die aldaar hebben geleefd. Het eerste is dat van Pieter Dirksz., wiens baard zoo lang was, dat hij dien met de hand moest ophouden, om hem niet langs den grond te laten slepen. Het tweede is dat van Jan Cornelissen, kastelein in hetHeerenlogement, die in het jaar 1633, toen hij zich op twee-en-veertigjarigen leeftijd liet conterfeiten, niet minder dan vierhonderd-twee-en-vijftig pond woog. Eindelijk heeft men nog, uit hetzelfde jaar, de afbeelding van Trijntje Cornelissen, eene teedere, schuchtere jonkvrouw, die op haar negentiende jaar eene lengte had van negen voet en wier geheele gestalte daaraan geëvenredigd was. Men bewaart ook nog de schoenen van deze Trijntje, welke ongeveer de afmeting hebben van eene vioolkist.
Dat was in den goeden ouden tijd, toen Edam eene bloeiende, welvarende stad was. Toen leefde ook de eerzame burger J. Oosterling, die zich in 1682 liet afbeelden tusschen zijn zoon en zijne dochter, en met den vinger wijzende naar de twee-en-negentig schepen, die aan hem behoorden en zoowel de Noord- als de Zuiderzee bevoeren. Ook dat portret is op het stadhuis te zien. Toen was Edam de negende in rang onder de steden van Holland; toen was het vertegenwoordigd zoowel in de vergadering der Staten als in het collegie der admiraliteit; toen telde het eene bevolking van ruim vijf-en-twintigduizend zielen, tegenwoordig tot minder dan een vijfde geslonken, dreef een uitgebreiden handel en was beroemd om zijne scheepstimmerwerven. Die voorspoed is voorbij gegaan en opgevolgd door langzaam en hopeloos verval, waaruit geen redding meer denkbaar is. Hoe zou zij tot nieuw leven ontwaken, de arme doode stad, die ge eigenlijk niet zien moet op een dag als deze, nu de kermispret haar een valschen schijn van leven schenkt, maar die in andere, gewone tijden zulk een onuitsprekelijk weemoedigen indruk maakt.
Van die dagen van welvaart en voorspoed is, zoo als ik zeide, ook de Groote-kerk, waarvande stichting tot de eerste jaren der vijftiende eeuw opklimt. Zij was aan Sint-Nikolaas gewijd en behoorde tot het aangrenzend klooster. In de troebelen der zestiende eeuw verdween het klooster en werd de kerk, met berooving van haar altaren en wat zij aan beeld- en schilderwerk mag hebben bezeten, voor de nieuwe eeredienst bestemd. Nog, ondanks het kale en doodsche, hetunheimlicheen onharmonische, dat allen dus aan hare oorspronkelijke bestemming onttrokken en in spreekzalen herschapen kathedralen eigen is, nog is deze kerk van Edam een van de grootste en schoonste in geheel Noord-Holland. Haar drie schepen van gelijke hoogte, haar achtkantig koor met smalle sierlijke vensters, geven haar, ook nog in haar berooving, een monumentaal karakter. Kunstwerken moet ge hier natuurlijk niet zoeken: het schilderwerk, dat ook hier vroeger de wanden en zuilen zal hebben versierd, is sedert eeuwen onder eene laag witkalk verdwenen. Het eenige sieraad, dat de aan alle kunst vijandige geest van het puriteinsche Calvinisme in de kerken duldde, was glasschilderwerk, waarbij de nieuwe burgerlijke regenten-aristokratie niet aarzelde, het voorbeeld van den ouden feodalen adel te volgen en hare soms vrij potsierlijke blazoenen en haar tot dusver onbekende namen aan de vergetelheid te ontrukken. Ook de kerk te Edam prijkt met zulke geschilderde vensters, uit de eerste jaren der zeventiende eeuw dagteekenende en te Gouda vervaardigd; zij zijn, naar men zegt, een geschenk van de voornaamste steden van Holland, wier wapenschilden daarop zijn afgebeeld. Maar zoowel deze glazen als de kerk hebben veel geleden en zouden eene afdoende restauratie behoeven: doch wie zal daar de hand aan slaan?—Vlak tegen de kerk aangebouwd, ziet men nog een brokstuk van eene oude woning in den sierlijken renaissancestijl van omstreeks de helft der zestiende eeuw, met banden en lijsten van bergsteen en smaakvol gebeeldhouwde nissen. Dit overblijfsel uit den vroegeren tijd is zeer zeker een der fraaiste dingen, die Edam heeft aan te wijzen.
Oranjesluizen te Schellingwoude.Oranjesluizen te Schellingwoude.
Oranjesluizen te Schellingwoude.
Oranjesluizen te Schellingwoude.
De andere kerk, waarvan de zonderlinge, min of meer scheeve toren met zijn van buiten zichtbaar klokkenspel aanstonds de aandacht trekt, was vroeger de kapel van een begijnhof en toen aan Onze-Lieve-Vrouwe gewijd. Ook haar trof hetzelfde lot als hare zuster aan het andere einde der stad. Toen de omwenteling, waarbij ook Edam zich aanstonds aansloot, in Noord-Holland had gezegevierd, werden de begijntjes verdreven, het eerwaardige gesticht opgeruimd en de gewezen kapel voor de hervormde eeredienst ingericht. Zij heet nu eenvoudig, ter onderscheiding van de Groote, de Kleine-kerk en verkeert mede in zeer vervallen toestand. De wonderlijke, toch wel schilderachtige campanile, die boven op den ouden bouwvalligen toren is geplaatst, dagteekent uit het jaar 1733. Het bovenste gedeelte van den toren werd toen door den bliksem vernield, en de stedelijke regeering liet, op het oude monument, deze nieuwe, ietwat fantastische kroon plaatsen, die weinig met het gebouw in harmonie is en evenwel geen slecht figuur maakt.
Wij hebben onze wandeling door de stad volbracht, die, dank zij de kermis, een gansch ongewoon aanzien heeft. Morgen of ten hoogste over een paar dagen is dit feest, dat nu een aantal bezoekers van buiten lokt, ten einde en keert alles weder tot de gewone dommelige rust terug. Dan droomt en dommelt zij weer voort, de uitgestorven stad met haar ledige haven, aan het strand der stille Zuiderzee, wier zilvergrijze wateren niet langer door de schepen harer kooplieden en reeders worden gekliefd. Slechts nuen dan dwaalt een vreemdeling door hare zwijgende straten, langs hare pittoreske grachten. Als hare zusteren, Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Stavoren, Hindeloopen, langs den rand der Zuiderzee geschaard, zit zij daar droomend en peinzend neder, de doode stad, mijmerende aan de dagen van weleer, toen zij rijk en bloeiend en machtig was en het frissche leven tintelde in hare aderen. Ze zijn voorbij, die schoone tijden, en niemand brengt ze ooit weder. De stroom der historie koos zich eene andere bedding: zij bleven achter, als wrakken op het strand.
Tot de gemeente Edam behoort ook het op korten afstand gelegen visschersdorpje Volendam: een van die, vooral voor vreemdelingen, zoo merkwaardige en aantrekkelijke dorpen, die in bouw en inrichting der huizen, in kleeding en levenswijze der inwoners, nog geheel den stempel van den ouden tijd hebben bewaard. Voor ons, die bovendien Marken reeds kennen, heeft Volendam minder merkwaardigs: slechts is het niet raadzaam, met de Volendammers te veel over die van Marken en met de Markenaars te druk over die van Volendam te spreken, want de bewoners van het visschersdorp en van het visscherseiland kunnen elkander niet best uitstaan. Draagt daartoe ook de omstandigheid bij, dat de Volendammers voor verreweg het meerendeel ijverig katholiek, en de Markenaars, ik geloof wel haast zonder uitzondering, orthodox-gereformeerd zijn? Hoe dit zij, en dit punt van verschil daargelaten, is er overigens tusschen Marken en Volendam veel overeenkomst. De bewoners van beide plaatsen leven schier uitsluitend van vischvangst; als op Marken, zijn ook te Volendam de huizen van hout, groen of donkerbruin geverfd, en bevatten in den regel slechts een vertrek, dat tot huis- en slaapkamer en tot keuken dient. Ook hier vindt ge die ouderwetsche meubelen, met schilder- en snijwerk versierd, en dien overvloed van tegeltjes en blauw porselein, dat in den laatsten tijd zoo zeer in de mode is gekomen. Als de Markenaars, hebben ook de Volendammers hunne eigene kleeding, voor de mannen bestaande uit een wambuis, een wijden korten broek, schoenen met gespen en eene bonte muts. De kleederdracht der vrouwen is minder eigenaardig en minder schilderachtig dan op Marken: zij komt meer overeen met het gewone noordhollandsche boerinnenkostuum. Als op Marken eindelijk, is het ook hier de gewoonte, bij het binnentreden van de woning, zijne klompen of schoenen aan de deur te laten staan, ten einde de zindelijke vloermat niet te verontreinigen. Volendam bezit eene, in den laatsten tijd gebouwde, zeer fraaie katholieke kerk.
Als type van een echt-hollandschen weg, in de minder gunstige beteekenis van het woord, mag wel de weg gelden, die van Edam naar Monnikendam voert. Een open weg zonder boomen, in rechte lijn voortloopende langs eene vaart aan de eene en eene sloot aan de andere zijde; rechts en links omzoomd door bijna onafzienbare, vlakke weilanden, wederom van ontelbare slooten en vaarten doorsneden. Voorts overal, op korter of wijder afstand, torenspitsen van dorpen, meestal oprijzende boven een groep geboomte; hier en daar eene boerderij; in de weilanden droomerige koeien, suffende aan den slootkant: een—het valt niet tegen te spreken—in hooge mate eentonig en vervelend landschap. Wij zijn hier midden in het oude Waterland: eene landstreek die ten volle aanspraak heeft op haren naam, want inderdaad heeft het soms den schijn, of de beide elementen, het water en het land, elkander den voorrang betwisten. En vroeger was dit in nog veel sterker mate het geval. Toen lag Waterland aan alle kanten door min of meer uitgestrekte plassen ingesloten: ten oosten door de Zuiderzee, ten zuiden door het IJ, ten westen en noorden door de Wormer, de Purmer en de Beemster, terwijl bovendien eene menigte grootere en kleinere wateringen het lage land in alle richtingen doorsneden. Het zal ook wel hier dezelfde geschiedenis zijn geweest als die zoo menige streek van ons land ons verhaalt: eeuwen lang heeft de mensch den taaien kamp moeten voeren tegen het vijandig element dat zijn leven op dezen bodem onmogelijk dreigde te maken, en in dien kamp is de bodem zelf gevormd en bevestigd. En nog is voortdurende waakzaamheid plicht: want zijn ook de groote binnenmeren sinds meer dan twee eeuwen drooggemaakt en is ook in den laatsten tijd het IJ beteugeld, nog altijd knaagt de Zuiderzee aan de oostelijke dijken en vernielt ze soms in haar woeden. Maar in eigen boezem werd de kracht des vijands gebroken en dienstbaar gemaakt aan de bevordering van welvaart en ontwikkeling.
In vroeger eeuwen was Waterland—een van de drie baljuwschappen waarin weleer het Noorderkwartier, de latere provincie Noord-Holland, werd verdeeld,—eene heerlijkheid, waarvan de bisschop van Utrecht zich als leenheer beschouwde en die aan het oud-adellijke geslacht van Persyn behoorde. Bij den toenemenden wasdom van het graafschap Holland, kon het niet anders of het bezit van Waterland moest een twistappel worden tusschen den graaf en den bisschop, die toch elkander in den regel geen goed hart toedroegen; en evenzeer lag het in den aard der zaak, dat de heer van Waterland het slachtoffer werd van dien naijver tusschen zijne twee machtige buren. Jan van Persyn moest reeds, tegen het einde der dertiende eeuw, zijne heerlijkheid Waterland verpanden aan den grooten tegenstander van de feodale adelsregeering, aan Floris V van Holland, zij het ook onder voorwaarde dat zijn zoon Nicolaas levenslang de inkomsten genieten zou. Na het kinderloos overlijden van dien zoon, in 1309, verviel Waterland, in spijt van de beweerde rechten des bisschops, aan de grafelijkheid en werd sedert, in ’s graven naam, door een baljuw bestuurd, die zijn zetel te Monnikendam had. De omwenteling van de zestiende eeuw bracht in dien toestand slechts in zooverre verandering, dat de baljuw nu niet langer door den graaf, maar doorde Staten van Holland werd benoemd. Waterland was toen gesplitst in zes rechtsbannen, bevattende de zes hoofddorpen: Ransdorp, Zuiderwoude, Landsmeer, Zunderdorp, Broek en Schellingwoude; aan deze hoofddorpen, die zich mochten beroemen op het bezit van verschillende rechten en privilegiën, waren de andere dorpen ondergeschikt. In de eerste jaren van den opstand tegen Spanje, toen de soldaten des Konings nog in het hart van Holland vaste punten hielden bezet, toen Amsterdam nog trouw de zijde des Konings hield en de andere steden beurtelings den aanval des vijands hadden te weerstaan; in die onrustige jaren waren ook de dijken en wegen, de vlakke velden en moerassen van Waterland meer dan eens het tooneel van den verwoeden strijd tusschen de spaansche soldeniers en de woeste vrijbuiters van Sonoy of de tot het uiterste gedreven dorpers en huislieden, die door beide partijen haast gelijkelijk werden mishandeld.
Meer dan drie eeuwen zijn verloopen sedert de geesel des oorlogs Waterland teisterde, en sinds lang is elke herinnering aan die bange dagen uitgewischt. Rust en vrede en storelooze kalmte ademt het landschap, dat van niets anders spreekt dan van stillen arbeid en menschelijke vlijt. Weiland schaart zich naast weiland, want de waterlandsche boeren zijn veefokkers en moeten ook de naburige groote hoofdstad van melk voorzien. De geheele streek is bezaaid met dorpen, waarvan de torenspitsen overal het oog trekken. Die dorpen, langs den zoom van het IJ en de Zuiderzee of meer landwaarts in verspreid, door wegen en vaarten onderling verbonden, gelijken meest allen op elkander, en het zou kwalijk van u te vergen zijn, ze allen te gaan bezoeken.—Ziet ge daar ginds dien zwaren stompen toren? Dat is de toren van Ransdorp, weleer het eerste en naar men zegt ook het oudste der hoofddorpen van Waterland, vroeger een zeer aanzienlijk en welvarend vlek, waar een aantal schippers woonden, en dat vele gewichtige voorrechten en vrijheden bezat, door de graven van Holland als heeren van Waterland geschonken. Sedert is Ransdorp zeer gedaald; het aantal inwoners is tot ettelijke honderden geslonken en menig ander dorp van Waterland wint het in bevolking en welvaart van het oude hoofddorp, waarvan alleen de kolossale toren aan de vervlogen grootheid herinnert. Die toren, vermoedelijk uit de zestiende eeuw dagteekenende, is onvoltooid gebleven: hetzij dan omdat de weeke bodem van Waterland onbekwaam bleek om zulk een steenen gevaarte te dragen; hetzij omdat de kentering der tijden den bouw staken deed. In dien toren werden—en worden misschien nog—de oude handvesten en privilegiën van Waterland bewaard, in eene kist, welke in eene nis in den zwaren muur was geplaatst en door drie deuren, eene van koper, eene van ijzer en eene van hout, afgesloten. Slechts in tegenwoordigheid van gecommitteerden uit de besturen van Ransdorp, Zuiderwoude en Landsmeer, die ieder een sleutel bewaarden, kon dit heiligdom ontsloten worden. De kerk, tegen den toren aangebouwd, is van veel later dagteekening; door den watervloed van 1825, die een belangrijk deel van Noord-Holland en ook Ransdorp zoo hevig teisterde, werd deze kerk zwaar beschadigd; voor hare herstelling kon de arme gemeente niet meer dan zevenhonderd gulden bijdragen.
Wij naderen Monnikendam. Schilderachtig genoeg ligt het daar, in zijn krans van statig geboomte, aan den oever der Zuiderzee, waarvan een inham vrij diep landwaarts indringt; en als het uitziet over de grijze wateren, mag het droomen van de oude dagen, toen het meer beteekende dan tegenwoordig. Daar is veel veranderd sinds de op het eiland Marken gevestigde friesche monniken hier, aan den vasten wal, eene nederzetting stichtten, die snel in bloei toenam. Dat was in de tweede helft van de dertiende eeuw, nadat Nicolaas van Persyn, heer van Waterland, in 1251, het eiland met zijn toebehooren aan de abdij van Mariëngaarde in Friesland had verkocht. Het vlek bij den door de monniken gelegden dam groeide al spoedig aan tot eene stad, de eenige in Waterland, die van de graven verschillende voorrechten verwierf en levendig aandeel nam aan de binnenlandsche twisten en partijschappen, welke in de vijftiende eeuw Holland teisterden en verscheurden. Als menige andere noordhollandsche stad, was ook Monnikendam ijverig kabeljauwsch gezind, wat haar den toorn van Vrouw Jakoba op den hals haalde, die in 1426 de stad innam. In 1492 nam de woelige poorterij mede deel aan die hollandsche Jacquerie, met den prozaïschen maar veelzeggenden naam van het Kaas- en Broodoproer aangeduid: deze liefhebberij kostte haar eene boete van vierhonderd gouden Andreasguldens. Ook bij de troebelen der zestiende eeuw liet zij zich niet onbetuigd: in den nacht van 12 op 13 Maart 1571 werd de stad door de Watergeuzen overvallen, die hier op hunne gewone manier huishielden, een aantal huizen plunderden en eenigen der voornaamste burgers gevangen namen. In Juli van het volgende jaar koos Monnikendam, op het voorbeeld van Enkhuizen en andere steden in het Noorderkwartier, de zijde van den Prins van Oranje; de bevelhebber der geuzenvloot, die in 1573 den slag op de Zuiderzee won, Cornelis Dirkszoon, was uit Monnikendam geboortig. De kloeke zeeman eerde zijne vaderstad, door aan een harer burgemeesters de helft van de breede zilveren keten van het Gulden-Vlies te schenken, die door den koninklijken vlootvoogd, den graaf van Bossu, was gedragen. Dit gedenkteeken wordt nog op het stadhuis bewaard.
Op deze min of meer onstuimige jeugd volgde een tijdperk van vredigen bloei en voorspoed, waarin ook Monnikendam met hare zustersteden, ja met geheel het vaderland, deelde. En dan kwam ook voor haar de treurige tijd van kwijning en achteruitgang en verval. Ge wandelt door hare nette, stille straten, waar de verschijning van een rijtuig de bewoners voor de deuren hunner woningen lokt of over de toegeschoven gordijntjes voor de vensters doet kijken: en u bevangt hetzelfde gevoel van beklemming, van weemoed, van drukkende eenzaamheid als te Edam en elders.Ja, ook Monnikendam is eeneville morte, van welke de stroom des levens geweken is. Maar toch, ondanks haar eenzaamheid, haar verlatenheid, toch maakt zij, met haar aardige huizen, haar geestige geveltjes, waarvan er enkelen uit de zestiende eeuw dagteekenen, geen somberen indruk. Draagt daar ook hare ligging aan de zee toe bij, en haar krans van dicht belommerd geboomte, en het wijde bloeiende landschap om haar heen?—Het schoonste monument van de stad is ongetwijfeld haar Groote-kerk, weleer den heiligen Nikolaas gewijd, eene statige gothische kerk met drie schepen, uit de eerste helft der vijftiende eeuw, en met een fraaien toren versierd. Helaas, de kerk is van al haar sieraden, haar beeld- en schilderwerk beroofd: de gruwelijke witkwast heeft de vroegere kleurenpracht van wanden, gewelven en zuilen weggewischt; hare altaren zijn verdwenen: zij is een geplunderd, verlaten huis, eene berooide, leeggeroofde feestzaal gelijk; een onbegrijpelijk gebouw, zonder kenbare bestemming, zonder beteekenis, zonder harmonie. Waarom toch geeft men deze kerken, die voor de protestantsche eeredienst ten eenemale ongeschikt zijn, in plaats van ze te bederven en te verknoeien, niet aan hare oorspronkelijke bestemming terug? Hoe zouden zij er bij winnen, en wat ergernis bleef ons gespaard.—Ook door hare afmetingen is de kerk van Monnikendam een getuige van de vroegere beteekenis der stad: binnen hare muren is er ruimte voor misschien het dubbel van de tegenwoordige bevolking. Hebt ge de kerk gezien en een blik geworpen op het gemoderniseerde stadhuis met zijn fraaien toren, dan kunt ge gerust uwe reis vervolgen, tenzij ge u naar de haven wenscht te begeven en een blik te werpen op de kalme wateren van de Zuiderzee, waaruit, aan den horizon, het vlakke eiland Marken opdoemt. Maar reeds vroeger maakten wij kennis met deze zee en dit eiland: thans voert onze weg ons elders heen.
Het is nog altoos hetzelfde landschap: eindelooze, smaragdgroene weiden, van talrijke vaarten en slooten doorsneden; hier en daar, te midden van eene groep geboomte, eene boerenhoeve; overal torenspitsen van dorpen, oprijzende uit het groen; overal ook masten en wimpels van schepen, schijnbaar raadselachtige verschijningen te midden van het vlakke land. Wat toon en kleur en leven aan dat landschap geeft, dat zijn de schakeeringen en spelingen van het licht bij dezen vochtigen, wazigen dampkring, die overal de scherpe lijnen en omtrekken verzacht, het verschiet in doorschijnenden nevel doet wegdoezelen, en bij elke vluchtige wolkschaduw tooverachtige tinten en tonen te voorschijn roept. Dat altijd wisselend spel van licht en schaduw, waarvan de oude meesters onzer schilderschool het geheim hadden doorgrond en de bekoring gevoeld,—zij, voor wie de natuur, ook de vaak zoo nevelachtige, sombere hollandsche natuur, toch niet altijd in een grauwen mist was gehuld,—dit wisselend spel van licht en schaduw in het wijde landschap houdt het oog en de belangstelling geboeid, die anders niet veel voedsel vindt. De tocht duurt niet lang van Monnikendam naar Broek, want derwaarts zijn wij op weg. Het dorp Broek-in-Waterland is zoo beroemd, geniet sedert geruimen tijd eene zoo groote en zoo wijd verspreide reputatie, dat een Hollander zich zelven niet dan met zekere wroeging kan bekennen, dat hij dit vlek, hetwelk in het buitenland haast voor een kort begrip van zijn vaderland geldt of gold, nog niet heeft aanschouwd. Ik verkeerde in dat geval; en het was dus niet zonder ontroering dat wij die klassieke plek gronds betraden. Al dadelijk verhoogt het uwe stemming en spant uwe verwachting, dat ge uw rijtuig aan den ingang van het dorp moet achterlaten: naar het schijnt, kan in Broek, evenmin als in Venetië, worden gereden. Wij wandelen dus het dorp in en doorkruisen het in alle richtingen. Dat vordert trouwens niet veel tijd: Broek is gebouwd rondom een vrij grooten vijver, die zeer schilderachtige gezichtspunten oplevert, en schuilt weg in een krans van zwaar geboomte, een bosschage, waardoor enkele wegen en paden loopen. Wilt ge u eene voorstelling van het dorp maken, verbeeld u dan een park, waarin een aantal op zich zelven staande huisjes, door tuintjes omringd, zijn gebouwd. Straten, in den eigenlijken zin des woords, zijn er bijna niet: slechts op enkele punten een begin van eene samenhangende buurt; verder staan alle huizen tusschen het geboomte, langs den vijver en enkele grootere en kleinere vaarten verspreid. Het geheel maakt eenigermate den indruk van een der dorpen langs de Zaan, maar is nog stiller, nog ouderwetscher, nog hofjesachtiger. Men zegt, dat Broek van ouds eene geliefkoosde verblijfplaats was voor rustende koopvaardij-kapiteins en gepensioneerde zeelieden; en als ik bedenk, welk eene groote macht juist de tegenstellingen op het menschelijk gemoed plegen uit te oefenen, dan kan ik dat best begrijpen. Voor zoo’n ouden zeerob, die zijn halve leven, onder duizend avonturen, op de groote wateren had gesleten, moest het, als hij bij het naderen van een vroegen ouderdom, des zwervens zat, naar rust begon te verlangen, eene schier onwederstaanbare verzoeking zijn, weg te schuilen in dit vredige nestje, in zulk eene stille kluis, om daar, omringd door allerlei herinneringen aan zijne vele reizen, in den kring zijner familie, zijne laatste levensdagen te slijten, onder den lommer dier groote boomen, wier melodisch suizen hem van het ruischen der zee deed droomen. Want rustig en stil is het hier, boven alle beschrijving: zoo rustig en zoo stil als het op de binnenplaatsen onzer ouderwetsche hofjes zijn kan. Tijdens ons bezoek werd die stilte slechts voor een oogenblik verbroken: de dorpsschool ging uit, en springende, dartelende, stoeiende, kwam eene kleine schaar van knapen en meisjes aangeloopen, om straks tusschen het geboomte, langs smalle paadjes en over kleine brugjes, te verdwijnen. En dan werd het weer stil; en ge zoudt geneigd zijn, u op het gras neder te zetten om te droomen en te mijmeren, als buiten in het bosch.
Broek is bovenal beroemd om zijne zindelijkheid,waarvan vooral vreemde, met name fransche toeristen de meest fantastische sprookjes hebben verteld. Nu ja, de woningen en tuintjes zien er zeer netjes en zindelijk uit, zoo als dat hier bijna overal het geval is; de wegen en straten, voor zoover ze er zijn, worden, naar het schijnt, niet bereden en zijn dus veel minder aan verontreiniging bloot gesteld; het geheele dorp lijkt eene groote buitenplaats, en eene ouderwetsche hollandsche buitenplaats behoort keurig in orde te zijn. Daarenboven was Broek ook beroemd om de welvaart en den rijkdom zijner bewoners; en, naar men zegt, wonen hier nog vele zeer gegoede familiën, wier uiterlijke levenswijze niet zou doen vermoeden hoe aanzienlijk de van geslacht op geslacht overgeërfde fortuin is. In vroeger eeuw dreven de bewoners van dit dorp, als hunne buren langs de Zaan, een zeer voordeeligen handel, vooral op de Oostzee; en ook hier werd, als het vermogen aangroeide, ongetwijfeld wel van het goede der aarde genoten, maar toch altijd in bescheiden mate, zonder dat de voorvaderlijke levenswijze eenige wezenlijke verandering onderging, vooral zonder dat schittering naar buiten of praalvertoon werd gezocht of gewenscht. Ook hier openbaarde zich de meerdere welstand vooral in de degelijkheid en fraaie bewerking van het huisraad, in de schatten van kostbaar porselein en zilverwerk. Niet minder dan de Zaankanters, waren ook de Broekenaars aan de oude gewoonten en gebruiken, aan de oude levenswijze en zeden gehecht, en zijn daaraan zoo lang mogelijk, tot in onze dagen, getrouw gebleven. Maar even als aan de Zaan, doet ook hier de nieuwe tijd zijn machtigen invloed, waaraan niemand zich onttrekken kan, gevoelen. Broek is niet meer wat het vroeger, wat het nog voor veertig-vijftig jaren was; en zeer vermoedelijk is de tijd niet meer verre, waarin dit zoo eigenaardige typische dorp, waarin zekere zijde van ons oud-hollandsch burgerlijk leven u in sprekende trekken voor oogen treedt, zal zijn afgedaald tot denrang van een gewoon plattelandsdorp, waaraan niets bijzonders is.
Broek in Waterland.Broek in Waterland.
Broek in Waterland.
Broek in Waterland.
Wij bezochten te Broek het huis van een handelaar in wat men lokale antiquiteiten of curiositeiten zou kunnen noemen, en zagen daar oude meubelen en huisraad, aardewerk van verschillende soorten en allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik. Toch geeft zulk een winkel vanbric-à-bracgeen denkbeeld van eene echte ouderwetsche woning, zoo als die er vroeger uitzag. Of men hier nog zulke woningen vindt, weet ik niet; maar mijne lezers, die de internationale Tentoonstelling te Amsterdam hebben bezocht en zich toen het genot niet hebben ontzegd van een ritje naar het zoogenoemde Broekerhuis, zullen daarvan ongetwijfeld de herinnering hebben overgehouden. Daar stond het in al zijne glorie, het echte oude, achttiende-eeuwsche huis der welgedane dorpelingen: ongetwijfeld was het een prachtexemplaar, zoo fraai en volledig als er misschien in werkelijkheid nooit een geweest is, maar zoo als het daar stond, was het toch naar origineele modellen gekopieerd, en wat het bevatte was echt. Dat schilderachtige huis met zijn tuin in den oud-franschen trant was inderdaad een museum; en het is wel zeer jammer, dat, naar de dagbladen onlangs meldden, het Broekerhuis—wegens gemis aan belangstelling?—is gesloten en de zeer rijke verzameling verkocht moeten worden. Maar dat Broekerhuis stond nabij Amsterdam; en het is altijd een bedenkelijk teeken, als de merkwaardigheden en karakteristieke eigenaardigheden eener plaats—stad of dorp of wat ook—niet meer op de plaats zelve, in de natuurlijke, historische omgeving, maar elders in kabinetten en musea, moeten worden gezocht. Dat is een veeg teeken, een teeken van wegstervend of reeds gestorven leven.
Van Broek gaat de rit naar de buurtschap Het Schouw, en verder langs het Noordhollandsch kanaal naar Buiksloot. Altijd hetzelfde lage, vlakke, groene land met vaarten en slooten, met dorpstorens in het verschiet, met enkele boomgaarden en boerderijen. In den onmiddellijken omtrek van Buiksloot wijkt eenigermate dat rustieke karakter: de uitgebreide kanaal- en sluiswerken en enkele fabrieken en werkplaatsen verkondigen de nabijheid der groote stad aan de overzijde van het IJ. Trouwens reeds lang genoeg, terwijl ge over den kanaaldijk reedt, hebt gij haar kunnen zien, al duidelijker en duidelijker opdoemende aan den horizon. Zooals in ons vochtig, nevelig vaderland wel meer gebeurt, was met het dalen der zon, de aanvankelijk heldere hemel meer en meer betrokken en was een koude, grijze nevel opgekomen, die als een wazige sluier over Amsterdam hing uitgebreid en het panorama ten deele verduisterde. Ik zal niet zeggen, dat het schouwspel er minder karakteristiek of zelfs minder schilderachtig om was. Reusachtig, onmetelijk, scheen zij, de machtige metropolis, met haar torens en koepels en haar donkere huizenmassa opdoemende uit den grauwachtigen mist, die haar half aan het oog onttrok, en toch genoeg van haar zichtbaar liet om den indruk te geven van grootheid en indrukwekkende majesteit. Terwijl zij daar, in den herfstnamiddagnevel, waardoor nu en dan de flauwe weerschijn van een zonnestraal speelde, voor mij lag, schoon nog op een afstand, toch het geheele landschap beheerschende, den geheelen achtergrond van de onmetelijke schilderij beslaande, rezen weer allerlei beelden en herinneringen uit haar rijk verleden voor mijnen geest op. Ik zou niet gaarne in Amsterdam wonen, maar ik kan die stad nooit bezoeken, nooit door hare straten en langs hare grachten dwalen, zondere zekere innerlijke ontroering, zonder dat eene sterke sympathie voor de roemrijke stad in mij ontwaakt. Was zij niet feitelijk de metropolis, de ziel van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Lodewijk XV vroeg eens aan demaréchalede Luxembourg: “Kent gij de geschiedenis van de Montmorencys?”—“Sire,” was het fiere, nobele antwoord, “ik ken de geschiedenis van Frankrijk.”—Welnu, van Amsterdam zou men hetzelfde kunnen zeggen, althans wat de geschiedenis van Nederland sinds den dageraad van de zeventiende eeuw betreft. Nogmaals, nu wij haar al duidelijker en duidelijker zich uit den nevel zien loswikkelen, nu wij uit den tuin van het logement te Buiksloot—eene geliefkoosde uitspanningsplaats van Amstels burgerij—haar vlak voor ons zien, nu wij straks den voet zetten op haar oude kaaien, nogmaals zij haar onze groet gebracht.
Nog eenmaal op het water! Met vluggen gang klieft de kleine boot de breede zilvergrijze watervlakte van het IJ, waarover de stralende herfstzon een stroom van flonkerende diamanten strooit. Lustig en vroolijk kabbelen de licht schuimende golfjes, waarover de frissche koelte uit het noord-oosten blaast, en zingen haar melodisch lied, waarnaar te luisteren niet spoedig vermoeit. Oostwaarts gaat de tocht. Is het niet, als gevoelde het IJ hier zijne volle kracht, hier waar het zich in onbeperkte breedte ontplooit; niet meer als voor Amsterdam, eene breede rivier, maar in waarheid een meer, een binnenzee, met oneindige perspektieven, met den schemerenden horizon tot grens. Langzamerhand deinst en wijkt de stad, al laat ze u niet geheel los, en al strekt zij hare armen verre, verre naar het oosten uit. Maar toch, niet zij is het, die in de eerste plaats onze aandacht vergt: het is de heerlijke watervlakte, die zich voor onze blikken eindeloos verlengt en wier zoomen steeds verder van elkander wijken. Na eene betrekkelijk korte vaart—te kort voor onzen wensch—komen wij aan het welvarende dorp Nieuwendam, waartoe een klein kanaal uit het IJ toegang geeft, en waar wij even toeven. Van de hoogte van den dijk werpen wij een blik op het bloeiende land, het onbegrensde fluweelige grastapeet, met zijn krans van dorpen, die wij deels bezochten, deels uit de verte aanschouwden, gelijk wij het nu weder doen.
En nu, verder oostwaarts. Wij volgen denzelfden weg, dien, toen Amsterdam nog de eerste koopstad der wereld was, de handelsvloten volgden, welke zij uitzond naar Oost en West, naar alle zeeën en kusten der aarde. Het is nu stil op deze wateren, want voor Amsterdam werd een andere weg naar den oceaan gebaand, en nog slechts de vaartuigen die uit de Zuiderzee komen, naderen van deze zijde de groote koopstad.—Wat teekent zich daar, in de verte, aan den schemerenden horizon, als een streep op de golvende watervlakte? Dat is de groote afsluitdijk, die scheiding maakt tusschen het IJ en de Zuiderzee, de twaalfhonderd-veertig meter lange dam, die de oude “wilde see” der kronieken tot een binnenmeer heeft gemaakt. Ik sprak u reeds van dien dijk, die deel uitmaakt van de werken van het kanaal tot verbinding van de Noord- met de Zuiderzee, en waarvan de aanleg in 1866 werd begonnen. Zes jaren later was de dijk met de daarin aangebrachte grootere en kleinere sluizen voltooid. Dat stoomwerktuig, in het gebouw boven de doorlaatbruggen, is bestemd om het kanaal op het bepaalde peil te houden. De sluizen, waarvan de grootste eene doorvaartwijdte van achttien meter en een schutkolk van zes-en-negentig meter heeft, zijn kunstwerken, die mede alleszins uwe belangstelling verdienen. Maar zeer waarschijnlijk zijt ge geen deskundige, en laten dergelijke opgaven en mededeelingen u koel. Nu, dan is er aan den dijk ook niet veel te zien. Met dat al is het een kolossaal, monumentaal werk.
Laat ons even toeven te Zeeburg, en daar genieten van het wijde vergezicht over de Zuiderzee. Zeegezichten zijn voor Hollanders, en vooral voor de bewoners onzer fraaie, liefelijke hofstad, geene zeldzaamheid; desniettemin behouden ze altijd hunne eigenaardige bekoring. Ook hier te Zeeburg is het uitzicht over de watervlakte, stralend in den zonneschijn, met hier en daar een blank of bruin zeil, hier en daar de witte rookkolom van eene stoomboot, in waarheid schoon. Daartoe draagt mede bij, dat ge, over de breede watervlakte heen, de lage kust volgen kunt. Nu, laat ons dan van hier een laatsten, een afscheidsblik werpen op Waterland, waarvan de laatste dorpen, Schellingwoude en Durgerdam, daar tegenover ons hunne torenspitsen boven het vlakke veld opbeuren. Durgerdam is een klein armoedig visschersdorp, maar de naam van dat dorp roept ons eene gebeurtenis in de herinnering terug, welke voor omstreeks veertig jaren de algemeene belangstelling wekte. Wij leven snel in onzen tijd; de eene gebeurtenis verdringt de andere, ook op het groote wereldtooneel; telkens nieuwe verschijningen vragen voortdurend onze aandacht: hoe zouden wij de heugenis kunnen bewaren van hetgeen, vele jaren geleden, een paar onbekende visscherlieden uit een dorp aan den oever der Zuiderzee overkwam? Toch is het feit merkwaardig genoeg om herdacht te worden. Gij wilt mij wel vergunnen, het u te verhalen; het zal ons een blik doen slaan in het leven van die eenvoudige lieden, dat ons, in onze eenzijdigheid, vaak zoo prozaïsch, zoo kleurloos, zoo eentonig en onbeduidend schijnt.
Het had hard gevroren in de maand Januari van het jaar 1849; de Zuiderzee was voor een groot deel met ijs bedekt, de vischvangst stond stil en in de huisgezinnen der durgerdamsche visschers begon de nood te nijpen en dreigde de honger. Het eenige wat den visscherlieden nog te doen stond om een schamel stuk brood te verdienen, was op het ijs te gaan om in de spleten en gaten bot te vangen, die dan aan wal werd verkocht. Zoo begaf zich ook, in den namiddag van zaterdag, 13 Januari, nadat hij met zijn gezin het sober maal had gebruikt, de visscher Klaas Bording met zijne beide zonen Klaas en Jakob naar het ijs, om zijn geluk te beproeven. Men had er op gerekend, een gedeelte van den nacht op het ijs door te brengen en den noodigen proviand medegenomen: een ketel koffie en twaalf sneden roggebrood. De vangst slaagde boven verwachting; toen dan ook de andere visschers, die zich minder ver van den wal verwijderd hadden, derwaarts terugkeerden, bleven Bording en zijne zonen nog ijverig voortvisschen, middelerwijl den medegebrachten voorraad opterende. Zoo ging, in dien kouden Januarinacht, voor onze kloeke visschers de tijd ongemerkt voorbij: een ruime vangst zou de moeite loonen en de vrees voor morgen bannen. Eenige uren na middernacht hadden zij over de zevenhonderd stuks bot bijeen: nu was het genoeg; de buit werd bijeen geraapt en men maakte zich gereed om naar huis te keeren. Maar nu bemerkten zij, tot hunne ontsteltenis, dat terwijl zij zoo ijverig aan den arbeid waren, het ijs was losgeraakt, zoodat zij op eene schots dreven. In hun angst snelden zij naar den kant van den vasten wal, of een kloeke sprong hen uit dezen nood redden mocht: maar daar gaapte, na weinige schreden, voor hunne voeten een wijde sleuf, een duistere onoverkomelijke afgrond. Het water omklotste aan alle kanten het stuk ijs, waarop zij stonden: zij waren gevangen.
En nu begon een zwerftocht, waarvan het verhaal ongeloofelijk zou schijnen, indien het niet boven allen twijfel verheven was. Veertien dagen lang hebben de drie ongelukkigen op hunne ijsschots, die steeds meer inkromp, door de Zuiderzee rondgezworven, langs de eilanden, langs de noordhollandsche, de utrechtsche, de geldersche, de overijselsche kust; slechts een enkele maal ontwaarden zij in de verte een botter, die weer spoedig uit hun oog verdween. Beproef u een oogenblik hun toestand voor te stellen. Saamgegroept op een ijsschots, die onophoudelijk afbrokkelde en steeds in omvang slonk; met geen anderen voorraad dan een vijftigtal rauwe visschen—de overigen hadden zij, om het brozer wordende ijs niet meer dan volstrekt noodig was te bezwaren, weggeworpen;—blootgesteld aan al de guurheid van het winterweder; vier dagen achtereen door zoo dikken mist omgeven, dat het hun zelfs niet mogelijk was te gissen, waar zij zich bevonden. Den tweeden zondag van hun zwerftocht dreven zij zoo dicht langs Enkhuizen, dat zijhet luiden der klokken konden hooren. Maar daar verhief zich de noordwestenwind, en met snelle vaart dreven zij oostwaarts, benoorden Urk om. Zoo gingen wederom vijf bange, eindelooze dagen voorbij..... Wat wonder, dat den vader eindelijk de moed ontzonk en hij zijn zonen voorstelde, aan de duldelooze marteling een einde te maken en zich in de grauwe diepte te laten zakken. De knapen weigerden en brachten ook hun vader van dit denkbeeld terug. Was het in Gods raad bepaald dat zij sterven zouden, het moest dan zijn op zijn tijd: het stond niet aan hen, eigenwillig dat oogenblik te kiezen. Sedert den tweeden dag na hun zwerftocht hadden zij hun honger gestild met rauwe bot; maar ook deze voorraad was, al had de vader in vier dagen niets meer gegeten, op twee of drie na opgeteerd. De ijsschots was tot een brok ter groote van eene tafel geslonken: de ontknooping naderde met rassche schreden....
Ransdorp.Ransdorp.
Ransdorp.
Ransdorp.
Als door een wonder werden zij gered. Weer was het zaterdag, de tweede na den aanvang van hun zwerftocht. Daar vonden een paar knapen, op het kerkhof van Vollenhove spelende, twee haringen, vermoedelijk aan zeemeeuwen ontvallen. Dit was voor de visschers een wenk, dat zij hun bedrijf konden hervatten, en aanstonds werd daartoe overgegaan. Tegen den middag kwamen twee visschers met hunne schuiten zoo dicht bij de ongelukkige zwervers, dat zij hun noodgeschrei konden hooren. Nu werd aanstonds besloten, al het mogelijke tot redding te beproeven. Dit gelukte, doch niet dan met groote krachtsinspanning en dreigend levensgevaar. Eindelijk kon men hen met eene roeiboot bereiken: nauwelijks was de laatste der drie zwervelingen in de roeiboot opgenomen, of de ijsschots viel voor hunne oogen uiteen. Des avonds ten half zeven kwamen zij behouden aan wal. Zij waren gered: maar de oudste zoon en kort daarna ook de vader bezweken ten gevolge van wat zij op dien vreeselijken tocht van veertien dagen en nachten, naar lichaam en ziel hadden geleden. Alleen de jongste zoon bracht er het leven af.
En nu, wij hebben onze reize volbracht. Wij bezochten te zamen een bijna vergeten uithoek van ons vaderland; ik hoop bij mijne lezers de overtuiging te hebben gewekt, dat het ook daar niet ontbreekt aan wat hunne belangstelling, hunne liefde verdient.