"Eenvoudig meisje, waarom nog gestreden tegen eene onverwinbare macht? Wist gij, hoe mijne ongeduldige ziel zucht en snakt naar het oogenblik, dat zij tot de wereld der geesten, haar waar vaderland, zal mogen opklimmen!"
Na eenige oogenblikken stilte voegde Theresia de handen te zamen en zeide met tranen in de oogen:
"Oom lief, heb toch medelijden met mij! De gedachte, dat gij morgen zoudt kunnen sterven, verbrijzelt mij het hart. Gij, uit wiens milde hand wij met het stoffelijk welzijn een gansch leven van geluk en zielsgenoegen ontvangen, gij zoudt morgen voor altijd aan onze dankbaarheid worden ontrukt? O, gij moet leven, opdat wij onze schuld jegens u zouden kunnen betalen!"
"Nutteloos, alles is nutteloos," morde Reimond.
"Maar, Willem," kreet het meisje, "blijf niet zoo werkeloos; laat mij niet alleen tegen die wreede begoocheling worstelen. Onze weldoener zou morgen sterven? Neen, neen, dit kan niet dit mag niet zijn: wij moeten hem danken, hem beminnen, hem gelukkig maken tot het natuurlijk einde van een lang en vroolijk leven."
De jongeling hoopte niet, dat de dwaalgedachte zijns ooms nog te overwinnen was, hij zeide evenwel:
"Heer oom, luister naar de liefderijke bede van Theresia. Blijf op aarde om uw werk te zien en ons geluk te deelen!"
"Welke dwaze gedachten verduisteren uw verstand?" viel Reimond ontevreden uit. "Meent gij dan, dat mijne toestemming voldoende kan zijn om den geest tot eenen leugenaar te maken? Ho, gij lastert en hoont den geest, die uw geluk heeft voorbereid."
Theresia, wier dankbaar hart geweldig in opstand kwam bij de overtuiging, dat de beschermer harer ouders, dat haar edelmoedige weldoener het slachtoffer van een beklaaglijk dwaalbegrip ging worden, verhief het hoofd en zeide met zekere stoutheid:
"Maar oom, verontschuldig mij en laat mij toe, u te zeggen wat ik de waarheid meen te zijn. Er woont geen geest in het doodshoofd; uw lichaam is niet krank en niets verplicht u te sterven. Uwe verbeelding alleen is ziek."
"Aldus, gij waant mij zinneloos?" morde Reimond met droeven spot. "Het is zóó, dat gij mij wilt beloonen, evenals uw vader deed?"
"Mijn vader vervulde zijnen plicht en ik wil den mijnen vervullen tot het einde. Gij zult niet sterven, gij hebt noch voor God nog voor de menschen het recht om u zelven te dooden. Indien gij morgen ophoudt te leven, zal hier niet de uitspraak van ingebeelde geesten volvoerd zijn; neen, maar de vertoornde hemel zal eenen akeligen zelfmoord aanschouwen. Ach, heb medelijden met uwe arme ziel; lever ze niet schuldig aan het oordeel van den oppersten Rechter!"
Reimond zag haar, het hoofd schuddende, aan.
"Nicht, nicht!" zeide hij, pijnlijk aangedaan, "waarom martelt gij mij door dien laster tegen de geesten? Uwe woorden doorvlijmen mijn hart als messen. Ik zou mij moeten vergrammen, u verwijderen misschien om zulke plechtige taal niet meer te hooren; maar ik begrijp, dat een gevoel van dankbaarheid en en van liefde u doet verdwalen. Ongelukkig kind, gij vreest dus niet, dat de wraak der geesten al het geluk vernietige, dat anders u op de wereld stond te wachten?"
"Gij bedriegt u, mijn oom; uwe verbeelding doolt," zeide de maagd.
"Heb medelijden met haar, oom lief!" smeekte de jongeling.
"Gij ook, Willem, gij blijft in uw hart loochenen, dat de geest van het doodshoofd vooruitziet in de toekomst?" kreet Reimond verbaasd en gram.
"Neen, ik gevoel mij de macht niet meer om het langer te miskennen," antwoordde Willem aarzelende; "maar wat uwen dood betreft, is zijn vonnis zoo wreed, dat Theresia's dankbaar hart het weigert te aanvaarden."
"Willem, ik bezweer u, wees oprecht in dit opperst oogenblik!"riep de maagd. "Waarom veinst gij aan het bestaan van dien kwaden geest te gelooven? Dit is het middel niet om onzen oom van zijne noodlottige dwaling te genezen."
"Zwijg, nichte, zwijg!" gromde Reimond, de handen in de hoogte heffende. "Onvoorzichtig en vermetel kind, wilt gij dan eenen hopeloozen strijd tegen de geesten voeren? In deze onmogelijke worsteling moet gij bezwijken."
"Welnu, heer oom, laat mij den strijd ten minste beproeven. Ik zal u bewijzen, dat ik machtiger ben dan uwe geesten. Wildet gij doen wat ik u zou aanraden, binnen eene week wandeldet gij reeds lachend en juichend met ons in den hof!"
"En wat zou ik moeten doen?" spotte Reimond.
"Ten eerste, gij zoudt goed voedsel moeten nemen, dat ik zelve en onmiddellijk u zou bereiden. Vleesch, ossenvleesch."
"Ho! vleesch? Gij zijt zinneloos!" kreet Reimond met afgrijzen.
"Brood dan, eieren, melk."
"Mijn lichaam is reeds half gestorven; het weigert alle voedsel."
"Laat dan ten minste geneesheeren op Wildenborg komen. Willem zal ze in de naastgelegene dorpen gaan opzoeken."
"Geneesheeren? Ik zou opstaan tegen de geesten en hen laten gelooven, dat ik twijfel aan de onveranderlijkheid hunner besluiten? Vreemdelingen op Wildenborg? Valsche geleerden, die de menschelijke wetenschap aanbidden en de wetenschap der geesten bespotten en loochenen?"
"Ik smeek u, oom lief, verwerp mijne bede niet, ik zal u beminnen en dankbaar zijn, mijn leven lang!" zuchtte het meisje, hem teederlijk omhelzende.
Maar mijnheer Reimond, die over haar aandringen diep was verstoord, wierp hare armen van zijne schouders en zeide op strengen toon:
"Verwijder u, nichte. Te lang heb ik uwe zinnelooze taal aangehoord, ik hoopte zulke smart niet meer te moeten onderstaan vóór mijne opvaart naar de wereld der zielen. Ik vergeef u, in aanzien uwer onwetendheid. Ga, Theresia, verlaat deze zaal; uwe tegenwoordigheid is mij pijnlijk."
Het meisje, in stede van te gehoorzamen, liet zich op eenen stoel vallen, legde de handen voor de ogen en begon overvloedig te weenen.
"Ach, heer oom," smeekte Willem, "heb deernis met mijne arme nicht! Het denkbeeld uws doods verscheurt haar het hart. Al wat zij zeide, werd haar ingesproken door de dankbaarheid, door de zucht om iets tot uw geluk op aarde te mogen bijdragen. Nu verstoot gij haar en jaagt haar weg! Zij kan dwalen, maar zulke wreede straf toch heeft zij niet verdiend."
"Kom, nichte, ween niet meer," zeide Reimond. "Blijf nog met mij, ik heb u van ernstige dingen te spreken; maar geef wel acht op de voorwaarde, die ik stel, zoowel voor Willem als voor u. Zoohaast één uwer nog een woord rept over hetgeen gij mijnen dood noemt, of over voedsel of over geneesheeren, verwijder ik u onverbiddelijk uit mijne tegenwoordigheid. Die voorwaarde wil ik geëerbiedigd zien, niet alleen heden, maar insgelijks morgen, tot het uur mijner opvaart naar de wereld der zielen. Aanvaardt gij Theresia? Antwoord mij, of vertrek oogenblikkelijk van hier!"
"Eilaas, kan het niet anders zijn, ik zal mij aan het wreede noodlot onderwerpen!" klaagde de maagd.
"Welnu, luistert dan; want ik ben zeer moede en ik snak om alleen te zijn. In de lade dezer tafel zult gij na mijn vertrek van de aarde een eigenhandig testament vinden, dat u beiden instelt tot erfgenamen mijner goederen. Ik zal aan Jakob Mispels en aan zijne vrouw een legaat maken, om hunne lange en trouwe diensten te beloonen; gij zult hen in bezit dezer gift stellen zonder moeielijkheden en zonder kosten voor hen, en, willen zij in hun huis op Wildenborg blijven wonen, verdrijft ze nimmer. Mijnen hond Nox beveel ik aan uwe zorg. Hij was mijn eenige vriend in de lange eenzaamheid. Dat hem niets ontbreke zoolang hij leeft; herinnert u, dat, indien het arme beest wierd mishandeld of gebrek leed, mijne ziel in de andere wereld er om zou treuren. Gij belooft dezen mijnen wensch getrouw te vervullen?"
"Ja, heer oom," antwoordde Willem, "wij zullen voor Nox zorgen met liefde, niet alleen omdat hij een trouw en verkleefd gezel van onzen weldoener was, maar tevens in de overtuiging, dat onze bezorgdheid voor hem u in de wereld der zielen zal verblijden."
"Dank, dank, mijn goede neef," zeide Reimond met innige tevredenheid. "Gij zult eens in de verborgene wetenschap dringen; uwe natuur is niet verre van de noodige zuiverheid. Ho, welk geluk, indien ik, ofschoon niet stoffelijk levend, door u kon gehoord worden en met u kon spreken! Ik laat u alleen en persoonlijk het doodshoofd tot erfdeel. Houd het in waarde, het is een kostelijker voorwerp dan de kroon eens konings. Wanneer gij na uw huwelijk de rust des gemoeds zult teruggevonden hebben, trek u dan somtijds in eenzaamheid terug, zet u neder voor het doodshoofd en doe met aanhoudendheid en vasten wil wat ik u heb geleerd. Bekomt gij de macht om den geest van het doodshoofd te zien en te hooren, dan zult gij tevens machtig genoeg geworden zijn, om mijne ziel op te roepen. Ik zal komen, en wij zullen te zamen spreken van wonderbare, verborgene dingen, en mijn raad zal u en uwe echtgenoote wapenen tegenalle verdriet en tegen alle wederwaardigheid. Reikt mij nu de hand, kinderen, en verdrijft alle smart, zijt vroolijk als ik. De dag van morgen is een feestdag. Het afscheid van eenen goeden vriend, die vertrekt om een eindeloos geluk te gemoet te gaan, mag u niet pijnlijk vallen.... Kom, Theresia; gij aarzelt om mij de hand te geven? Het is geen beslissend vaarwel: morgen zullen wij elkander nog zien."
De maagd naderde langzaam; de hand, die zij haren oom toereikte, scheen te beven.
"Heb moed, mijne dochter," zeide Reimond. "Uwe meening aangaande den dood is eene menschelijke dwaling. Sterven is het einde eener lastige taak bereiken, het is de vrede na den oorlog; de verlossing eener ziel uit de stof, die hare verhevene natuur verduisterd hield. Maar genoeg daarover, vermits het u bedroeft.... Nichte, gij kunt op het kasteel niet slapen en zult in het dorp moeten vernachten. Er is daar, in het Gulden Paard, goede herberg bij brave, godvreezende lieden. Jakob Mispels zal u vergezellen. Ik zal hem een briefje medegeven voor den pastoor; deze goede priester zal over u waken en u zeggen wat gij te doen hebt. Gaat nu, mijne vrienden, en blijft helder van gemoed en gerust van hart tot morgen."
De beide jongelieden verlieten zwijgend de zaal. Willem zuchtte, Theresia weende.
In den hof voor de deur van den gang bleef het meisje staan en zeide tot haren kozijn:
"Ach, ik kan mij aan de schrikkelijke gedachte zijns doods niet gewennen, Er moeten middelen bestaan om dit ongeluk te voorkomen; maar hoe deze middelen ontdekt, zoo alleen en verre van de menschen? Gij, Willem, gij zijt man; hebt gij niets gevonden, niets beproefd om onzen armen oom het leven te behouden?"
"Ik kom van Hasselt en van Leuven," antwoordde hij. "Twee of drie goede geneesheeren heb ik bezocht; geen enkele wist mij raad te geven. De tijd is te kort, zeiden zij, en die ziekten overwint men niet in eenen dag."
Op dit oogenblik schoot de hond met geweld tusschen de beenen des jongelings door en deed hem schier vallen. Het beest liep recht naar het huis van den hovenier.
"Het is Nox, die den ouden Jakob gaat roepen," mompelde Willem.
"En meenen de geneesheeren, die gij hebt geraadpleegd, dat mijnheer Reimond morgen zal sterven?" vroeg het meisje.
"Zij achten het mogelijk, nicht, maar zijn er niet zeker van. Evenwel, volgens de inlichtingen, welke ik hun gaf, waren zij eenparig van gevoelen, dat hij niet lang meer kan leven."
"Welke ziekte meenen zij, dat hem naar het graf leidt?"
"De ziekte der verbeelding, nichte. Deze ziekte moet volgens hen reeds sedert lang de hersens van onzen oom ontstoken en er iets vernietigd hebben. Zij beschouwen zijne kwaal als biedende zeer weinig kans tot genezing."
"En gij, Willem, gij schijnt zoo moedeloos?"
"Ik acht alle verdere pogingen overbodig en onderwerp mij aan het lot met smartelijke verduldigheid."
Daar naderde de hovenier, die achter den hond naar het kasteel kwam. De oude man opende zijne oogen wijd en zag den jongeling met treurnis en verbaasdheid aan. Hij scheen hem zijne onvoorzichtigheid te verwijten en gromde onverstaanbare woorden, terwijl hij hem voorbijging.
"Eilaas, er is dus geene hoop meer!" zuchtte Theresia. "Wij zullen machteloos hem moeten zien sterven?"
"De geneesheer van Leuven hoeft mij wel een fleschje gegeven, dat volgens hem ten minste den dood van onzen oom kan vertragen," zeide Willem, "maar sedert mijnen terugkeer op het kasteel is mijn vertrouwen gansch weg, en ik weet zelfs niet, of ik het geneesmiddel wel zou gebruiken."
"Waarom niet, kozijn? Men moet worstelen tot het einde."
"Het is, ziet gij, nichte, dat er heden iets onverklaarbaars met ons is geschied. Dat ik u hier vind, u, de Rosa mystica mijner kinderlijke begoochelingen, dat gij, die ik leerde kennen onder den naam van Flora, nu eensklaps mijne nichte Theresia De Wit geworden zijt, dat het huwelijk, waartoe mijn oom mij wilde dwingen, integendeel al mijne wenschen moest vervullen,—zulke samenloop van wonderbare omstandigheden, uitwerksels van geheimzinnige oorzaken, dit alles komt mij onbegrijpelijk voor. Het zij nu de wil van God, de veropenbaring van eenen geest of de schikking van het nootlot, althans wij zijn beheerscht door eene bovennatuurlijke macht. En indien het orakel van het doodshoofd zich voor ons heeft bewaarheid, waarom zou het dan niet even onfeilbaar zijn voor onzen oom?"
Het meisje bezag hem verwonderd.
"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet!" murmelde zij.
"Ik wil zeggen, dat het wreed zou zijn, eene harde worsteling tegen den wil van onzen oom te beginnen, om hem een machteloos geneesmiddel te doen nemen. Overweeg, dat wij hem den inhoud van het fleschje niet mogen ingeven dan een uur vóór middernacht. Waarom zouden wij zijnen doodsstrijd bitter maken door hem een ijdel en vruchteloos geweld aan te doen?"
"IJdel en vruchteloos?" herhaalde het verraste meisje. "Gelooft gij dan insgelijks aan de wetenschap en macht der geesten, Willem?"
"Gisteren nog lachte ik met deze dingen als met grillen eener zieke verbeelding. Nu weet ik niet meer wat ik geloof. Deinnige blijdschap, het geluk, de droefheid, de wanhoop, dit alles ondereen maakt mijne zinnen duizelig. Er zijn dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan. Wij weten zoo weinig van de stoffelijke wereld!"
"Kom, geef mij het fleschje en spreek er niemand van, bovenal Jakob niet. Hij zou zijnen meester kunnen verwittigen. Vertrouw op mij: onze oom zal het geneesmiddel nemen, al moest ik hem met geweld den mond openen. Faalt uw moed, ik zal worstelen tegen den nijdigen dood, zoolang er eene vonk der hoop voor mijne oogen glinstert. Wat is er in dit fleschje?"
"Ik weet het niet. De dokter had er zelf niet veel betrouwen in, en hij gaf het mij slechts als iets, waarvan hij niet veel verwachtte."
Jakob Mispels trad uit het kasteel, ontdekte zich het hoofd en zeide tot Theresia, terwijl hij op zekeren afstand van haar bleef staan:
"Mejuffer, mijnheer Reimond heeft mij bevolen u naar het dorp te leiden. Het is erg genoeg voor mij, ik ben gewond aan den voet en kan schier niet meer gaan. Indien het Willem geliefde ons te vergezellen, anders zal ik mijne vrouw Peternelle medenemen. In het eenzaam bosch, men weet niet wat men kan ontmoeten. Gij moogt hier niet langer blijven, mejuffer; mijnheer zegt, dat ik u onmiddellijk naar het dorp moet brengen."
Zij volgden beiden den hovenier en verdwenen met hem in zijne woning.
Het was nacht. In eene groote bovenzaal van het kasteel Wildenborg lag mijnheer Reimond met gesloten oogen op een bed. Bleek als een linnen en mager als een geraamte, had hij geheel het voorkomen van een lijk. Op een paar stappen van het bed stond eene tafel met een crusifix, een wijwatervat en twee kaarsen van geel was, wier waggelende vlammen slechts in hunne nabijheid een twijfelachtig licht verspreidden. Aan het voeteneinde zat de pastoor, lezend in een boek. Theresia hield zich bij het hoofdeinde en weende in stilte, met de handen voor de oogen, Willem stond nevens haar en staarde ten gronde, de oude Peternelle zat geknield met den rozenkrans aan de hand, en prevelde een gebed.
Een paar stappen verder en schier in de duisternis zat Jakob,de hovenier. Zijne wijdgeopende oogen dwaalden angstig en vragend rond; doch telkens na zulk een vluchtig onderzoek, keerde hij het hoofd af en staarde met mistrouwen in het donkere einde der zaal, waar hij wijlen een zonderling gerucht, als de ratel in de keel van een stervend mensch, zich liet hooren. Dit vreemd gegrol, wanneer het door toevallige toonverandering eene bijzondere aandoening scheen te verraden, deed den armen Jakob sidderen en verbleeken.
Nox was in de zaal. Van tijd tot tijd naderde hij het bed, zette zijne voorste pooten er op en lekte zijns meesters hand, die boven het deksel lag. Dan verroerde de zieke nog de vingeren, als om het beest te toonen, dat hij nog leefde; en Nox keerde terug naar het donkere gedeelte der zaal, waar hij, dof knorrende, zich in eenen hoek nederlegde.
Dit gaan en komen van den hond en zijne verrassende doenwijze vervulden den bijgeloovigen Jakob met eenen onzeglijken angst. Ondanks de tegenwoordigheid van den pastoor, twijfelde hij niet, of het ijselijke beest zou op slag van middernacht in duivelsgedaante verschijnen, om de ziel zijns meesters in bezit te nemen en ze mede te voeren naar de hel.
De doodsche stilte, welke er onverbroken heerschte, sedert mijnheer Reimond iedereen het zwijgen had bevolen of afgesmeekt, bracht niet weinig bij, om de verschriktheid van den armen Jakob te vermeerderen.
En inderdaad, de doffe zuchten dezer lieden, die stom als steenen beelden rondom het bed van eenen stervende zaten; de versmachte snikken van Theresia, het sissend geprevel der oude Peternelle; maar bovenal de krijschende metaalklank, door den slinger van het uurwerk voortgebracht, dit alles stoorde de stilte om ze gevoelbaarder, eendiger en geheimzinniger te maken.
Mijnheer Reimond lag roerloos op het bed en scheen reeds dood te zijn; maar met veel aandacht kon men bemerken, dat hij nu en dan op eene verborgene wijze zijne oogen half opende, om naar het uurwerk te zien en dus den gang des tijds gade te slaan, als vreesde hij het juiste oogenblik zijner opvaart naar de andere wereld te missen. Dit uurwerk was het beeld des doods, dat hij den hovenier had doen naar boven brengen en op de schouwplaat had doen zetten.
Sedert langen tijd hield Theresia insgelijks den blik op den Dood gevestigd: want de noodlottige vinger naderde allengs tot het elfde uur.
Het meisje ging met onhoorbaren stap naar een nachttafeltje, dat achter het hoofdeinde van het bed stond, goot daar iets in een glas water en kwam dan weder bij den zieke.
Zij stak hare linkerhand onder zijn hoofd en lichtte het op, wat geweld hij ook deed om deze poging te wederstaan.
"Nicht, nicht, gij zijt onmeedoogend," zuchtte hij. "Laat mij in vrede deze opperste worsteling doorstaan. Mijne gebeden blijven dus onmachtig tegen uwe zinnelooze hoop? Wat wilt gij?"
"Oom lief," zeide zij, "uw adem ratelt zoo dor; het snijdt mij door het hart; gij vergaat van dorst. Ach, doe uw arm lichaam niet nutteloos lijden! Hier is water; drink eene teug."
"Drinken?" morde de zieke, "mijn lichaam is dood. Drinken de zielen? Verwijder dit glas van mijne lippen, en maak mijne laatste oogenblikken niet pijnlijk."
"Uit medelijden met mij, ik bid, ik smeek u, goede oom!"
"Neen, neen, ik heb geenen dorst. Achteruit, nicht, gij martelt mij."
"Onbegrijpelijke verdwaaldheid!" zuchtte het meisje. "Gij weigert te drinken, omdat gij vreest, dat een glas water uw leven zou kunnen verlengen? En gij gelooft in de macht der geesten!"
"Laster, laster!" gromde Reimond. "Ha, ik vrees te drinken!"
En verstoord en met bevende lippen ledigde hij het glas water.
Hij aanschouwde de maagd met eenen grijnslach en zeide verwijtend:
"Hoe bitter! Een geneesmiddel? Aan mij? Gij blijft dus hardnekkig hopen, arme dwaze? Mijn dood alleen kan u overtuigen? Welaan, heb nog een beetje geduld: op den slag van middernacht zult gij gelooven."
Het uurwerk hergalmde elfmaal.
De zieke richtte zich half op en zeide:
"Vrienden, treedt nader; het laatste uur van mijn tegenwoordig aardsch leven is begonnen. Ik verlang, dat de klank uwer stem mij niet meer store. Mijne ziel moet pijnlijk arbeiden om los te raken uit hare stoffelijke banden, en telkenmaal dat gij hare aandacht van deze drukke worsteling afkeert, doet gij haar onuitsprekelijke smarten doorstaan. Vooronderstelt, dat ik nu, op dit oogenblik, ga sterven, en neemt afscheid van mij, een voorloopig, een tijdelijk afscheid; want onze zielen zullen elkander daarboven in de ruimte wederzien."
Hij reikte de hand tot den pastoor en sprak met eene heldere, onverzwakte stem:
"Vader, ik dank u uit den grond des harten voor uwe vriendschap en voor uwen goeden, oprechten raad. Kon ik hem niet geheel volgen, vergeef het mij. Vaarwel, en herinner u mijner in uwe gebeden."
De priester wilde zijne vermaningen herhalen en den zieke tot een klaarder besef van zijnen toestand en van zijne Christelijke plichten roepen; maar mijnheer Reimond onderbrak zijne woorden en zeide:
"Ja, eerwaarde, ik weet het wel, gij hebt gelijk: de mensch moet altijd God voor oogen houden en mag niet vergeten, datbelooning of straf hem wacht na elk leven. Maar wees gerust: ik sterf met betrouwen in Gods goedheid en met het vaste geloof in Zijne almacht en in Zijne rechtvaardigheid. Zeker, ik heb niet geleefd zonder zonde en zwakheid; mij berouwt het te laat. Ik zal er voor boeten daarboven. Nog meer dan eens zal ik moeten leven, strijden en lijden, vooraleer de plaats van eenen der gevallene engelen te bekomen; maar wat doet het, indien ik toch eindelijk, al ware het zelfs na duizend levens, den grooten God in der eeuwigheid mag loven en dienen?"
Hij nam opvolgend de hand der andere tegenwoordige personen.
"Gij, mijn neef," zeide hij, "zult waarschijnlijk eens door het verkeer der geesten den kortsten weg naar de volmaaktheid vinden. Ik zie met vreugde, dat gij ten minste eene ijdele hoop hebt verzaakt en mij toelaat te denken, dat gij mijnen dood als onfeilbaar aanvaardt. Wanneer gij de echtgenoot uwer nicht zult geworden zijn, blijf haar beminnen en liefhebben. Weigert haar gemoed aan de macht der geesten te gelooven, verschoon de zwakheid harer natuur. Zij heeft een goed hart; en dewijl zij u voorbestemd was door God, moet gij overtuigd blijven, dat de geest van het doodshoofd de waarheid zeide, toen hij openbaarde, dat zij alleen op aarde u kan gelukkig maken.... Nicht, het gevoel der liefde en der dankbaarheid is machtig in u; keer die krachten uwer ziel op uwen man en op uwe kinderen; en dus de heilige plichten der vrouw en der moeder vervullende, zult gij eens met hem, met hen en met mij vereenigd worden in den schoot van God, bron der volledige zaligheid."
De hovenier en zijne vrouw stonden beiden te weenen voor het bed; de smart van Jakob Mispels was zoo luidruchtig, dat zijne snikken door de zaal galmden.
"Mijn arme Jakob, mijne goede Peternelle," zeide de zieke, "waarom dus tranen storten? Zijt getroost. Wist gij hoe het in de andere wereld met de zielen staat, gij zoudt juichen en mij gelukwenschen.... Vaartwel, mijne vrienden. Het is geen afscheid, dat ik van u neem; morgen ben ik hier terug, wel is waar zonder lichaam, maar veel machtiger en zuiverder. Mijne ziel zal tusschen u allen wonen, ik zal u zien en hooren en mij verblijden in uw minste geluk.... Nox, Nox! Ha, daar zijt gij.... mijn trouwe gezel. Kom, dat ik u nog eens.... nog eens. Wat gebeurt mij?... Er schiet eene wolk voor mijne oogen. Nox, ik heb voor u.... mijne krachten falen.... de ziel worstelt.... zij worstelt woedend.... woedend tegen het zelfzuchtig lichaam.... vaartwel.... vaartwel!"
En deze laatste woorden stamelende, liet mijnheer Reimond zich als ontzenuwd en machteloos op het kussen nedervallen; hij wreef zich over de oogen en wilde nog spreken, doch de verwarde woorden, die zijnen lippen ontvielen, verstierven allengstot een onduidelijk gesuis, en eindelijk scheen alle beweging in hem opgehouden.
Het was een oogenblik van uitersten angst; allen staarden stom en bleek op den zieke, in de smartelijke meening, dat hij inderdaad ging sterven. Jakob Mispels alleen glimlachte en hief de handen dankend ten hemel, terwijl hij in zich zelven mompelde:
"Ha, ha, hij is dood! God zij geloofd, de vijand komt te laat!"
Eene lange wijl bleef de pastoor, met het hoofd over den stervende gebogen, zijne ademing afluisteren; hij voelde hem insgelijks de borst, en keerde zich eindelijk tot het meisje en tot Peternelle, die met de handen voor de oogen stonden te snikken.
"Neen, mijne kinderen," zeide hij, "levert u nog niet geheel over aan de smart. Het lange spreken moet den zieke vermoeid hebben. Ik begrijp het niet, zijn hart klopt regelmatig en zijne ademing is vrij en rustig. Verliest den moed niet: de doodsstrijd is nog niet begonnen. Laat ons bidden!"
Bij het hooren dezer woorden slaakte Jakob Mispels eenen pijnlijken kreet. Hij had reeds gejuicht over den natuurlijken dood zijns meesters als over eene zegepraal op de hel. Wreed was hem de onverwachte teleurstelling; het geloof aan het schrikkelijk einde van mijnheer Reimond ontstond met nieuwe kracht in zijnen geest. Hij keerde langzaam terug naar zijnen stoel, en liet er zich zuchtend op nedervallen.
De andere aanwezige personen hadden de aanbeveling des priesters gehoorzaamd en baden met vurigheid.
Er heerschte dus weder eene volledige stilte;—maar de vinger des Doods ging intusschen vooruit op de uurplaat, en welhaast zou hij het gevreesde getal XII bereiken.
Allen bemerkten het wel; want, ofschoon biddend, keerden zij met immer aangroeienden angst nu en dan het oog naar het uurwerk. Geen hunner die niet geloofde, dat Reimond op den slag van middernacht zou sterven; zij beschouwden den ongelukkigen man als krankzinnig, en twijfelden niet, of zijne zieke verbeelding zou macht genoeg hebben om zijnen levensdraad op het aangekondigde oogenblik te breken. In den geest van Willem was de onfeilbaarheid van den dood zijns ooms eene zoo sterke overtuiging, dat hij niet de minste vonk der hoop had behouden.
Jakob Mispels scheen vernietigd; hij had zich het aangezicht met de handen bedekt, uit vreeze van ijselijke dingen te zien, en zat diep voorovergebogen als iemand, die zich zoo klein mogelijk maakt en den rug biedt aan de slagen des vijands.
Evenwel blikte hij somwijlen door zijne vingeren naar de uurplaat, en telkens sidderde hij van top tot teen; want de vingerdes Doods raakte schier het noodlottig getal. Ook zijne ooren stonden gespannen om het minste gerucht op te vangen, hoe onduidelijk en geheimzinnig het mochte zijn. Wat hem onmatig verschrikte, was, dat hij sedert eenigen tijd het geknor van Nox niet meer had gehoord. Waar was de hond? Was hij bezig met zijne gedaante te veranderen?
Eensklaps deed het uurwerk de lucht onder eenen scherpen metaalklank sidderen; terzelfder tijd ontstond er een pijnlijk gehuil in het donkere gedeelte der zaal. De hovenier slaakte eenen snijdenden schreeuw, sprong recht en vluchtte kermend de deur uit; maar de duisternis van een gang dreef hem terug in het vertrek. Hij liet zich geknield ten gronde vallen en hief de bevende armen in de hoogte, terwijl hij, halfdood van schrik, in onverstaanbare woorden 's hemels bijstand afsmeekte. Elke slag van het uurwerk vermeerderde zijnen angst en ontrukte hem eenen nieuwen noodkreet; maar toen hij ook den twaalfden klank had hooren versterven, zonder dat eenig bovennatuurlijk wezen zich had vertoond, stiet hij eene lange ademing uit, als viel er een zware steen van zijn hart, en een zucht van blijdschap welde op uit zijnen verengden boezem.
Hij stond op, blikte rond met wijdgeopende oogen en naderde tot het bed, waar de andere personen hijgend, stil en roerloos op den zieke staarden, in afwachting van zijnen laatsten snik.
Reeds was de vinger des Doods op de uurplaat zichtbaar vijftien minuten voorbij het getal XII gevorderd, en nog niemand had een woord gesproken. Wel was er een klank als een kreet van blijdschap uit den mond der maagd ontsnapt, maar de pastoor had door een gebiedend teeken haar de stilte bevolen, terwijl hij, met de hand op het hart van den zieke, den doodsstrijd volgde.
Eindelijk zeide de priester:
"Het is onbegrijpelijk: zijn polsslag, ofschoon een beetje verzwakt, is nog regelmatig. Hij zal sterven waarschijnlijk; doch het zal nog niet in het eerste uur zijn. Misschien zal zijn doodsstrijd zich verlengen tot den morgen. Hij schijnt nu rustig ingesluimerd."
Theresia lachte en dankte God met opgehevene handen, als waande zij haren oom van den dood gered.
Willem stond verbaasd te kijken; hij kon schier niet gelooven, dat de voorzegging, die mijnheer Reimond van den geest beweerde ontvangen te hebben, onvolvoerd kon blijven.
Jakob Mispels, nu van zijnen schrik verlost, had grooten lust om te dansen en te zingen; hij liep met zwaaiende armen door de zaal en stapte zelfs geruchtmakend tot verre in de duisternis, als wilde hij Nox uitdagen en bespotten; maar het beest sliep ongetwijfeld, want het roerde zich niet.
"Blijft stil, kinderen," zeide de pastoor. "Heeft mijnheer Reimond zich misgrepen over het juiste uur zijns doods, dit is geenszins verwonderlijk; maar dit mag ons niet doen denken, dat hij heden de wereld niet zal verlaten. Matigt uwe aandoeningen, vrienden; gij bereidt u nieuwe smarten."
Nog eens den toestand van den zieke onderzocht hebbende, keerde de priester zich tot het meisje en zeide:
"Uw oom schijnt te slapen. Gij hebt hem een geneesmiddel doen drinken. Wat was dat geneesmiddel?"
"Ik weet het niet, eerwaarde," was het antwoord. "Willem heeft het te Leuven van eenen dokter gekregen."
Zij stapte tot den nachttafel, greep daar een klein fleschje en reikte het den geestelijke, die het nauwkeurig bekeek en eindelijk eenen druppel er van aan zijne tong bracht.
"Opium!" mompelde hij. "Nu begrijp ik ten volle: gij hebt uwen oom eenen slaapdrank ingegeven.... Juich niet zoo onvoorzichtig, mijne dochter. Indien hij nimmer uit dien slaap moest opstaan?"
"Maar, eerwaarde," kreet het meisje met eene blijdschap, die zij moeielijk kon bedwingen, "het is eene eerste zegepraal op de ziekte der verbeelding en op den dood. Indien mijn oom ontwaakt, zal hij zelf erkennen, dat zijn geloof in de geesten hem heeft bedrogen; en, blijft hem nog de kracht over om eenige dagen te leven, dan zal ik hem wel genezen, twijfel daar niet aan."
"Mocht uwe hoop zich verwezenlijken, mijne dochter," zeide de priester, het hoofd schuddende; "maar het is niet waarschijnlijk, dat uw liefderijke wensch verhoord worde. Zulke ziekte der verbeelding laat zich niet door eene enkele teleurstelling overwinnen. In alle geval, God is almachtig; Hij kan wonderen laten geschieden. Smeeken wij Zijne genade af; onze eenige toevlucht is Zijne barmhartigheid voor eenen armen zinnelooze. Bidden wij!"
En de pastoor maakte het teeken des kruises, trok eenen stoel bij, knielde en liet het hoofd diep op de borst vallen.
De anderen volgden zijn voorbeeld, en het werd zoo stil in de zaal, alsof er geen levend wezen ware tegenwoordig geweest.
De zon was glansrijk aan den zuiveren hemel opgerezen en een stralend licht overstroomde het kasteel van Wildenborg.Mijnheer Reimond was nog niet dood. Wel had hij de voortduring van zijn leven door geene enkele beweging verraden; maar hij ademde nog immer als iemand, die in eenen diepen slaap ligt gedompeld.
Op het aandringen van Peternelle, was de pastoor met Willem naar haar huisje gegaan, om er eenen tas koffie en eene boterham te nemen; want de goede vrouw begreep wel, dat dit lange waken hun het nuttigen van eenig voedsel noodig had gemaakt.
Willem zat aan de kleine tafel voor den priester, en zeide in gepeinzen:
"Hoe zwak is toch het menschelijk verstand en hoe kan zijne verbeelding tot wonderlijke dwaalbegrippen verdolen! Mijn oom heeft mij uitgelegd, welk zijn leerstelsel is aangaande zijn geloof in de geesten. Zijne woorden verbaasden mij; zijn stelsel scheen mij redekundig en samenhangend als de leering van eenen volledigen godsdienst. Ik gevoelde eene zonderlinge bekoring om de mogelijkheid zulker dingen te erkennen; en waarlijk, eerwaarde, ofschoon ik in mij zelven zeide, dat het hoofd mijns ooms moest ontschikt zijn, twijfelde ik of hij misschien niet klaarder dan anderen in de bovennatuurlijke wereld en in de toekomst zag. Dan, dit was slechts eene begoocheling mijner zinnen; nu is het mij genoegzaam bewezen, dat de gedachten mijns ooms niets dan ziekelijke hersenschimmen zijn."
"Ja, mijn zoon," sprak de pastoor, "de hersens des menschen vormen een zeer ingewikkeld en uitgebreid zintuig. Er is geene onzer aandoeningen, onzer hartstochten, onzer neigingen of onzer noodwendigheden, die niet met ziekelijke afdwaling of met geheele verdooldheid kan worden geslagen. Vroeger ben ik jaren lang aalmoezenier in een groot zinneloozenhuis geweest. Daar ziet men allerlei krankheden en gebreken, evenals in een hospitaal, met dit verschil dat niet het lichaam of de leden ziek zijn, maar wel de wortelen der zenuwen, die uit de hersens ontschieten. Ik heb honderden krankzinnigen gezien, die keizer en koning, ja, door ziekelijken hoogmoed zelfs heilig of paus of God meenden te zijn, velen roemen op het bezit van duizenden millioenen of van gansche landstreken; sommigen haten iedereen, anderen smelten van teederheid en vriendschap voor menschen en dieren, of schrikken van een blad, dat beweegt, of wanen zich oorlogsheld, geleerde of uitvinder van wonderlijke dingen. Maar de ziekte uws ooms is eene gansch bijzondere, eene uiterst gevaarlijke, die vroeger niet bestond en eigen is aan onze eeuw van twijfel en ongeloovigheid. Kon men door eene valsche wetenschap de noodzakelijkheid der hoop op een toekomstig leven geheel uit het hart der menschen rukken, het ware zeker een eindeloos ongeluk; maar de ziekte, waaraan uw oom nu lijdt, zou niet bestaan."
"Ik begrijp niet, eerwaarde," zeide de jongeling, die met gespannen aandacht luisterde en zelfs vergat te eten.
"Inderdaad," was het antwoord, "zonder ondervinding der zaak is het moeielijk om te begrijpen. De mensch is geboren met een innig gevoel der eeuwigheid van zijn eigen wezen; dit gevoel zegt hem, dat niet alles met den stoffelijken dood kan eindigen, en dat zijne ziel zal opvaren naar eene andere wereld, om daar belooning of straf voor zijne daden te vinden. Deze overtuiging maakt deel van de menschelijke natuur; zelfs de Wilden, die slechts een duister besef van het bestaan der Godheid hebben, eeren hunne dooden, offeren hun voedsel en betuigen, dat zij aan het voortbestaan des menschen na den dood des lichaams gelooven. Wat doet men nu, onder voorwendsel van wetenschap of van mode? Men spoort de lieden aan, om de geheimenissen van den Godsdienst te loochenen en te verwerpen, alleenlijk omdat het geheimenissen zijn, en ze niet door de menschelijke rede alleen of door stoffelijke middelen kunnen worden bewezen. Maar men versmacht niet zoo gemakkelijk de noodzakelijkheid onzer natuur om op de toekomst te hopen, en men belet onzen geest niet zoo lichtelijk onverpoosd in de hoogte te zien naar het raadselwoord onzer bestemming. Er komt dan een oogenblik, dat deze noodzakelijkheid weder de overhand verkrijgt, en dat men bezwijkt onder de onweerstaanbare strekking onzer ziel naar het bovennatuurlijke. In stede van alsdan terug te keren tot den godsdienst, die de oplossing dezer vraagpunten door eeuwenoude openbaring heeft ontvangen, blijft men slaaf der mode, welke in zeker gedeelte der samenleving heerscht; en, om aan eene valsche schaamte te ontsnappen, wil men hetzelfde doel langs eenen anderen weg bereiken. Dan dwaalt het menschelijk verstand zonder licht of leiddraad in de onzichtbare wereld der geesten; de verbeelding, dus vlottend op de donkere zee der bovennatuurlijke dingen, kan noch kust noch haven vinden om te rusten. Door eenen altijd klimmenden hoogmoed verleid, schept zij stelsels en leeringen, die anders niets zijn dan de misvormde openbaringen van het geloof, waarvan zij, eilaas, de zuiverheid heeft verduisterd. Wat anders is het stelsel van uwen oom en van anderen nog, dan eene belachelijke nabootsing der leerregels van den godsdienst? Men wil niet meer gelooven, en men is evenwel door zijne ingeborene natuur gedwongen te gelooven. Dan neemt men zijne toevlucht tot draaiende tafels, tot slapende profeten, tot sprekende geesten en andere hersenschimmige dingen; en, terwijl men alle geheimenissen en wonderheden verwerpt, gelooft men zich zelven eenen mirakeldoener en eenen geestendrijver! En wat is dikwijls het einde daarvan? Het krankzinnigenhuis."
"Wonderlijk toch," bemerkte Willem, "dat een geleerd enanders verstandig man, als mijn oom, tot het geloof aan zulke onbestaanbare dingen kan verdolen!"
"Het is geenszins wonderlijk, mijn zoon," antwoordde de pastoor. "Gij hebt gezien, hoe de arme Jakob Mispels onophoudend door hersenschimmige gevaren wordt gefolterd, hoe de vrees voor spoken en duivels zelfs het besef van Gods almacht en rechtvaardigheid in hem verduistert? Dit is het bijgeloof der eenvoudige en ongeleerde lieden, wanneer zij door afdwaling des gevoels de leering van den godsdienst overdrijven. Zoo is integendeel de dweperij met kloppende tafels, sprekende geesten en andere dingen van dien aard het bijgeloof van de hoogere en middelbare standen der maatschappij, inbeeldsels, even belachelijk als de droomen van Jakob Mispels, en zeker min verschoonbaar. Laat iemand beweren, dat hij het middel heeft gevonden om eenen hoed te doen spreken of eenen slapende door de muren te doen zien, even ras is de gansche wereld er mede bemoeid. Niet de arme eenvoudige lieden, neen, rijken en geleerden, dames uit de groote wereld, wijsgeeren, dokters, staatkundigen. Zeker, velen leenen zich uit scherts of uit mode tot zulke algemeene ingenomenheid; maar zij zijn niet min schuldig aan de gevolgen dezer afdwaling van het besef der waarheid en der wezenlijkheid. Het bijgeloof aan geesten en aan verborgene geheimzinnigheden is uiterst besmettelijk. Nauwelijks heeft zulke beklaaglijke hersenkoorts eenigen tijd geduurd, of de zinneloozenhuizen krielen van ijlhoofdige mirakeldoeners. En, eilaas, van alle ziekten des geestes is de verdwaling der verbeelding in het bovennatuurlijke de minst geneesbare!"
"Alzoo, eerwaarde, gij gelooft waarlijk, dat mijn arme oom zal bezwijken?" vroeg de jongeling met treurige stemme.
"Ik heb slechts eene zeer zwakke hoop, mijn zoon. Mij blijft altijd nog de vrees, dat hij uit den langen slaap niet zal opstaan, of slechts zal ontwaken om te sterven."
"Mijne nicht is zoo gelukkig nogtans; hare blijdschap verscheurt mij het hart."
"Mij boezemt het arme meisje insgelijks medelijden in," bevestigde de priester, het hoofd schuddende. "Zij schijnt haren oom met overdrevenheid te beminnen, en zij worstelt tegen den dood met eene heldhaftige standvastigheid. Wat smartelijke slag zal haar treffen, indien zij hare hoop teleurgesteld ziet!"
Willem meende nog zijne nicht te beklagen; maar daar kwam de hovenier met de armen in de hoogte de kamer ingesprongen, en riep:
"Mijnheer pastoor, mijnheer Willem, komt, komt, mijn meester leeft nog; hij heeft de handen verroerd en zich op de zijde gelegd in zijn bed!"
"Is hij ontwaakt? Heeft hij de oogen geopend?" vroeg de priester.
"Neen, neen; maar Theresia zendt mij om u te roepen."
"Misschien vreest zij, dat zijn uur is gekomen!" murmelde de pastoor.
"Kom, mijn zoon, wij zullen gaan zien. Houd u sterk; tranen noch klachten kunnen den dood verjagen, wanneer God hem toelaat tot een mensch te naderen."
Toen zij in de bovenzaal traden, zagen zij wel, dat Theresia hun teekens van blijdschap deed; maar iets anders dan dat de zieke op de zijde lag, bemerkten zij niet.
"Hij heeft zich verroerd, eerwaarde; hij gaat ontwaken!" murmelde Theresia met teruggehoudene stem.
"Is het niet eene krampachtige beweging, die hem heeft aangegrepen?" vroeg de priester even stil.
"Neen, neen, hij heeft zich langzaam en zeer zacht op de zijde gelegd. Ik meende hem te roepen; maar ik dorst niet, eerwaarde; gij hebt het mij verboden."
De pastoor naderde tot het hoofdeinde en sprak luid:
"Reimond, hoort gij mij?"
Eene siddering scheen de leden van den zieke te doorloopen. Hij opende de oogen zoo wijd en met zulken glasachtigen blik, dat Jakob Mispels, eenen angstkreet slakend, in de kamer terugsprong, als hadde een spook hem aangegrijnsd.
Mijnheer Reimond, alhoewel zijne oogen geopend waren, zag klaarblijkend nog niet, of ten minste de bewustheid en de herinnering waren nog afwezig; maar allengs kwam er leven in zijnen blik, en dan, den pastoor en het meisje verbaasd aanstarende, mompelde hij:
"In de wereld der zielen? Gij insgelijks? Er zijn jaren verloopen? Gij zijt allen gestorven?"
Theresia stak haren arm onder zijn hoofd en zoende hem, terwijl zij met tranen van geluk uitriep:
"Neen, neen, oom lief, wij leven en gij insgelijks! Gij zijt gered, de dood is overwonnen. God heeft u behouden voor onze dankbaarheid, voor onze liefde!"
"Gij leeft? Ik leef?" kreet Reimond met eene soort van afgrijzen. "Achteruit, weg, laat mij los!"
En, zittend in zijn bed zich oprichtende, staarde hij verstomd en bevend rond de kamer, als kon hij zijne oogen niet gelooven.
"De zon, de dag, het licht?" morde hij. "Zes uren? Ik ben niet dood? Eilaas, welk ongeluk! Ik wil niet leven, ik wil sterven!"
En hij sloeg zich de handen voor het aangezicht en stortte tranen van spijt en verdriet, omdat hij, in stede van naar zijne gewaande wereld der zielen verhuisd te zijn, zich nog in stoffelijken vorm op aarde bevond.
Theresia liet hem eene wijl aan zijne droefheid overgeleverd,totdat hij zijn aangezicht weder ontdekte. Dan voegde zij de handen te zamen en smeekte met eene zoo zoete stem, dat de klank er van alleen het hart ontroerde:
"O, mijn goede oom, heb toch eenig medelijden met mij! Zie mijne tranen. Ik heb God zoo vurig gebeden, dat Hij u liete leven. Mijn gebed is verhoord, en gij wilt sterven? Gij zoudt dus tegen den Hemel zelven opstaan, om ons, die u zoo innig beminnen, met smart en met wanhoop te overladen? Onmogelijk, zulke wreedheid is vreemd aan uwe milde natuur. Gij kunt de waarheid niet meer loochenen: vermits gij nog leeft, was het eene dwaling, te gelooven dat gij moest sterven."
"Ja, ja, het was eene dwaling," morde hij, "maar er zijn misleidende geesten."
En de hand van zijnen neef grijpende, zeide hij klagend:
"Willem, Willem, het was een spotgeest! Hij heeft mij jaren lang bedrogen. Indien ik nog niet onmiddellijk tot de wereld der zielen mag opvaren, zullen wij te zamen eenen rechtzinnigen geest zoeken, en wij zullen hem vinden, wees zeker.... Maar, indien hij mij insgelijks aangaande uw huwelijk had misleid? Gij zijt vrij, mijn neef; alhoewel uwe nicht een goed en liefderijk meisje is, zijt gij niet verplicht met haar te trouwen."
"Het is de wil van God: wij moeten vereenigd worden, om te zamen u gelukkig te maken, oom lief," mompelde Willem, die schier niet spreken kon van ontroering.
"Mij gelukkig maken?" herhaalde Reimond met eenen lichten spotlach. "Gij meent dus, dat ik nog lang op aarde zal blijven?"
"Ja, ja, weldoener mijner ouders, ja, goede oom, gij zult leven tot eenen hoogen, zaligen ouderdom!" riep Theresia, hem streelend de armen om den hals slaande. "Tot nu toe was de wereld voor u eene sombere, droeve eenzaamheid. Wij zullen ze rondom u verlichten, al die vijandige gepeinzen van u verjagen en u bewijzen, dat God de aarde schoon en vroolijk genoeg heeft gemaakt, om er geduldig te wachten totdat Hij ons roepe. Bezie mij. Die oogen stralend van genegenheid tot u, dat voorhoofd waarop de mismoed nog geene rimpelen heeft gegraven, die mond u toelachend van dankbaarheid, zullen zij u niet meer verheugen dan het grimmig doodshoofd, waarop gij jaren lang hebt gestaard? Ach, aanvaard het leven, dat u overblijft. De bloemen des moeds en der blijheid zullen voor uwe voeten ontschieten bij elken stap. Gij zult eten, sterk worden, de milde natuur beminnen; wij zullen wandelen, rijden, op reis gaan, zingen, juichen, God danken, weelde rondstrooien, de armen helpen, in de liefdadigheid de zon zoeken, die uw edelmoedig hart met het licht der zelfvoldoening moet vervullen! O, ik smeek u, geef mij een troostend woord! Droog mijne tranen; zeg, dat gij niet meer wilt sterven!"
Reimond scheen half overwonnen; doch hij worstelde nog en schudde twijfelende het hoofd.
Willem trad nader.
"Oom lief," sprak hij met eene stem, die van diepe ontsteltenis getuigde, "wat Theresia u voorspelt, zal waarheid worden. Ons gansche leven, elk oogenblik van ons bestaan zal aan uw geluk worden toegewijd. O, weersta haar gebed niet langer; verjaag het ziekelijk denkbeeld des doods! Waarom nog denken aan de openbaringen van eenen geest, die u zoo wredelijk heeft bedrogen?"
"En gij zult mij helpen om eenen goeden geest te vinden?"
"Ja, ja, ik zal al doen wat gij verlangt."
"Hij is gevonden, de goede geest!" juichte Theresia. "Ik ben de goede geest; ik zal u verdedigen tegen de bekoringen van de vijanden der ziel!"
"Welnu, kinderen," riep Reimond, de armen openende, "zijt tevreden, ik zal leven zoolang het God belieft!"
Een zegevierende schreeuw klonk door de zaal, en de beide jongelieden sprongen juichend de omhelzing van hunnen oom te gemoet.
De pastoor schouwde dankend ten hemel.
Jakob danste, Peternelle lachte, en Nox, de hond, liep kwispelstaartend en van vreugde knorrend rondom het bed.
Nu is Wildenborg een schoon buitengoed. Wegen en dreven zijn door het bosch getrokken; het kasteel is hersteld en glanst uit de verte door het blinkend wit zijns gevels en het helder-groen zijner vensters. Geen onkruid meer in den hof; slingerende paden, lustboschjes en bloemen overal. De lucht is er beladen met balsemgeuren; de eenzaamheid is er bezield door den zang der vogelen en door de galmen eener zoetluidende vrouwestem, welke des avonds begeleid wordt door de klanken der piano of der luit. Men houdt er dienstknechts, meiden en hoveniers. Er is dikwijls gezelschap; somwijlen rijden er op éénen dag vier of vijf koetsen door den hof; somwijlen ook is het als eene processie van arme menschen, die de dreef instapt om naar het kasteel te gaan, waar de pastoor, in naam der eigenaars van Wildenborg, milde en overvloedige aalmoezen uitdeelt.
Mijnheer Reimond leeft nog; hij wandelt gansche dagen in den hof; hij is zelfs liefhebber van bloemen geworden en lacht niet zelden de natuur aan als ware het leven op aarde hem zoet.
Wel heeft hij nu en dan neiging naar eenzaamheid; wel schijnt hij nog immer aangedreven om opnieuw in gemeenschap met de geesten te komen; maar zoohaast zijne afgetrokkenheid of de vastheid van zijnen blik die strekking verraadt, omringenhem geesten van eenen anderen aard, engelen, die hem geene rust laten en tegen zijne geheime gepeinzen worstelen, totdat ze weder geheel zijn overwonnen en verjaagd.
Deze goede geesten zijn Willem en zijne echtgenoote Theresia; deze beschermengelen zijn hunne vier lieve kinderen, die geleerd hebben, den ouden oom te beminnen, en die hem tergen en op zijnen rug klimmen, en hem streelen en hem zoenen, totdat de glimlach der voldoening zijn gelaat kome bestralen.
Jakob Mispels rust op het kerkhof onder een schoon kruis; Peternelle woont nog in haar huisje, en heeft eene meid, om haar te dienen.
Nox, de hond, is van ouderdom half lam; maar het arme beest doet nog geweld om zich dankbaar te toonen voor zijne meesters en hunne kinderen, die allen jegens hem goed zijn en voor hem zorgen.