Achtste Boek

Achtste BoekHoofdstuk IGil Blas heeft een goede ontmoeting en vindt een post, die hem troost voor de ondankbaarheid, die hij van graaf Galiano heeft ondervonden. Geschiedenis van don Valerio de Luna.Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was, met den hertog de Médina Sidonia.Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: “Mijnheer Gil Blas de Santillano, neem mij als ’t u blieft niet kwalijk, dat ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior, dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doenen zegt mij zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw vriendschap wilt schenken!”We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks had ik uitgesproken, of hij zei: “Ik zal er voor zorgen, dat ge weer een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt het dan beter, dan in een van die restauraties.”Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en zag ik er gezond uit.Het scheen, dat de zaken van Melchior’s neef daar in huis uitstekend gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog; hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei: “Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten, dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door donDiégode Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen, heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar, na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na het diner gaan opzoeken.”Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën, die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze, niettegenstaandeal het goede, dat hij van mij had gehoord, toch sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid, toch besloot ik daarbij te volharden.Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg, wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien nooit aan het hof geplaatst geworden.Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker, anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door de volgende generatie.Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te maken. Op zekeren dag echter meende zij het middeldaartoe te hebben gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op een pendule en zei: “Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?” Maar don Valerio was niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde, toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te veel en de dame riep hem ontsteld toe: “Houd op, ongelukkige, weet, dat ik je moeder ben.”Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. “Neen, neen,” zei ze, “ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruimzes en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien.”Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos hij mij om dien jongeman te vervangen.Hoofdstuk IIGil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden over hem.Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: “Mijn vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in korten tijd verder komen.”Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad, vroeg ik hem: “Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt.”Mijn meester antwoordde: “Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maarten halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover hem moet aannemen.”“Laat mij maar begaan,” zei ik. “Wanneer men de gebreken kent van een man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn, om daarin niet te slagen.”We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: “Excellentie, ik breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de plaats van Valerio is gekozen.” De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: “Ik zie, dat ge wel een weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen, waaruit uw werk bestaat.” Wij gingen in een kamer naast de zijne, waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. “Dit is de plaats, waar ge zult werken. Al die registers vormen eendictionnaire van de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden, zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben.”Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed, om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen; ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister, dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.Hoofdstuk IIIHij verneemt, dat er aan zijn betrekking ook onaangenaamheden zijn verbonden. Van de onrust, die hem deze tijding gaf en de houding, die hij verplicht was aan te nemen.Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van de secretarissen was van den eersten minister.Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde een maand vooruit.Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer, waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen, noodigde ik hen ’s avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig, want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega’s hunne plaatsen niet te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden dan mooie ronde letters schrijven.Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij beklaagden zich over hun positie. De een zei: ”’t Is nu al vijf maanden dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is, onze salarissen zijn niet geregeld.” De ander voegde er aan toe: “Wat mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willenzoeken, maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens naar een of andere gevangenis kunnen sturen.”“Maar hoe kunt ge dan leven?” vroeg ik.Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere wijze zou behandelen dan mijn collega’s en was dus weinig ingenomen met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al, dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon ’s nachts maar weinig slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had, was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die, wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio, wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd metmij. Zijne zachtheid en welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen hem en Calderone!Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf, besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.Hoofdstuk IVGil Blas wint de gunst van den hertog de Lerme, die hem een gewichtig geheim toevertrouwt.Het scheen, dat ik erin geslaagd was, mij aangenaam te maken bij den hertog, want op zekeren middag zei hij tot me: “Gil Blas, ik ben zeer tevreden over u, ge zijt ijverig, trouw en bescheiden. Ik geloof, dat ik u mijn vertrouwen kan schenken”. Zeer eerbiedig antwoordde ik: “Is het mogelijk, dat Uwe Excellentie mij met zulk een gunst zou willen vereeren? Maar die goedheid is groot genoeg, om mij geheime vijanden te bezorgen. Ik vrees voornamelijk de afgunst van één man, van don Rodrigo de Calderone”.“Van dien kant behoeft ge niets te vreezen. Ik ken Calderone, hij is van zijn jeugd af aan mij gehecht. Ik kan wel zeggen, dat zijn gevoelens zóózeer overeenstemmen met de mijne, dat hij goed is voor personen die in mijn gunst staan en degenen haat, die mij niet bevallen. Inplaats van voor hem te vreezen, kunt ge op hem rekenen. Maar, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk, moet ik u eerst een plan meedeelen. Het is noodig, dat ge daarvan onderricht zijt, om u behoorlijk te kwijten van de opdracht, die ik u in het vervolg zal geven. Het is al sinds lang, dat ik mijn macht overal geëerbiedigd zie. Ik heb te beschikken over alle ambten en voorrechten, ik mag zeggen, dat ik Spanje regeer. De fortuin kan mij niets verder schenken, maar ik wil die beveiligen voor de stormen, die het zouden kunnen bedreigen en het is daarom, dat ik als mijn opvolger aan het ministerie zou willen hebben mijn neef, den graaf de Lemos. Ik merk wel, Santillano, dat ge u verwondert.Het schijnt u vreemd, dat ik aan mijn neef de voorkeur geef boven mijn eigen zoon, den hertog d’Uzède. Maar het verstand van den laatste acht ik te bekrompen, om mijn betrekking te vervullen en bovendien zijn we elkaar vijandig gezind. Hij heeft namelijk het geheim gevonden, om den koning te behagen, die van hem zijn gunsteling wil maken en dat kan ik niet dulden. De gunst van een vorst gelijkt op het bezit van een vrouw, die men aanbidt. Het is een geluk, waardoor men jaloersch wordt, wijl men niet besluiten kan met een ander te deelen, al is men ook nog zoo nauw door banden van het bloed of door vriendschap verbonden.Ik deel u hier mijn geheimste gedachten mee. Reeds heb ik getracht Uzède bij den koning in een minder gunstig daglicht te stellen, maar het is mij niet gelukt en nu wil ik probeeren het over een anderen boeg te gooien. Ik wil, dat de graaf de Lemos van zijn kant tracht het vertrouwen te winnen van den kroonprins. Hij is diens kamerheer en heeft gelegenheid hem ieder oogenblik te spreken. Door die tactiek zal ik mijn neef tegenover mijn zoon stellen. Ik zal tusschen de twee neven een verdeeldheid in het leven roepen, die hen zal verplichten hun steun bij mij te zoeken en de behoefte die ze aan mij zullen hebben, zal hen aan mij onderworpen maken.Ziedaar mijn plan en daarbij heb ik uw tusschenkomst noodig. In het geheim zal ik u zenden naar den graaf de Lemos, die mij alles zal mededeelen, wat ik noodig heb te weten.”Na die mededeeling, die ik beschouwde als contant geld, had ik geen onrust meer. Ik dacht, dat er een regen van goud op mij zou neerdalen. Het is onmogelijk, dat de vertrouweling van een man, die het koninkrijk Spanje regeert, niet in korten tijd wordt overladen met rijkdommen. Vol van die zoete hoop, keek ik met een onverschillig gezicht naar mijn arme beurs, die bijna leeg was.Hoofdstuk VWaarin men Gil Blas ziet overladen met vreugde, eer en ellende.Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe, niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij gewoonlijk driemaal per dag bezocht. ’s Morgens ging hij er heen, als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging hij weg. ’s Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En eindelijk zag hij den koning ’s avonds voor de derde maal, om hem rekenschap te geven van hetgeenhij dien dag had gedaan. Terwijl hij bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte den minister op het hart mij verder voort te helpen.Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij tot me zei: “Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme, dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg, die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen, in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld thans aan mijn oom vertellen.”Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister, die mij naar Calderone stuurde, omduizend pistolen te vragen, die ik ’s avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: “nu is het mij duidelijk, welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid hem zal ruïneeren. ’t Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort, dat een vader zijn zoon onderhoudt?”Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan: “Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb.”Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er ’s morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er ’s nachts te slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik ’s avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed, om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in ons bureauvoor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den dag. ’s Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige dagen later heengingen.Hoofdstuk VIHoe Gil Blas zijn armoede kenbaar maakte aan den hertog de Lerme; op welke wijze deze daarna met hem handelde.Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden, zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon ’s morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. “Ik zou wel eens willen weten, waarover de strijd loopt,” zei de hertog. “Excellentie,” zei ik, “uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter.” De minister vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:“Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden indien vizier, die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir, die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag, dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: “ik zou wel eens willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen.” Zéangir antwoordde: “Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen, wat ik hen heb hooren zeggen.”De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: “Wilt u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?” De minister riep: “Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?” “Een van hen,” hernam de secretaris, “heeft gezegd: daar ziet ge nu den grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat, zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien jongen man niet te veel! ’t Is waar, Atalmuc is familiair met hem, vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan armoede ten prooi.”Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan, die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den secretaris. “Neen, Excellentie,” antwoordde ik, een weinig van mijn stuk gebracht door die vraag, “de fabel zegt integendeel, dat hij hem met weldaden overlaadde.” “Dat is gelukkig,” hernam de hertog op ernstigen toon; “er zijn ministers, die het niet goed zouden vinden, wanneer men hun de les las. Maar,” voegde hij er aan toe, het onderhoud afbrekende en opstaande, “ik geloof, dat de koning mij al wacht.” Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn Indische fabel.Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. “Wat is er, mijnheer de Santillano?” vroegen zij, toen ze mij zagen, “u ziet er zoo bedrukt uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?”Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal, om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was gebeurd. Een van hen zei: “Ge hebt wel reden om u te beklagen, de minister neemt soms zulke dingen verkeerd op.” De ander voegde eraan toe: “Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. “Het is billijk,” zei de kardinaal, “dat ge betaald wordt. Hier hebt ge een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten niet meer noodig.” De secretaris zou zich er over getroost hebben, dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem naarden toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield.”Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was, verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar liever van honger had moeten sterven.Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen en zuchten.Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die zijn vonnis afwacht.“Santillano,” zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had, “neem dit mandaat....” Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o, Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig vanSégoviastaat klaar. De schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel, mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: “Excellentie, ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede te deelen.”De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag en zei: “Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt, dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen hun diensten te bewijzen,verbied ik je niet ten hunnen gunste met mij te spreken”.Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat ik zeer aan hem was gehecht.Hoofdstuk VIIVan het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte; van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor hem opleverde.Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat, dadelijk werd uitbetaald.Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder noodig had.Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen, die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende Ambrosius de Lamela te zien. “Ik houd niet,” zei ik tegen Florero, “van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht geworden door zoo een.”De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet, hij bleekal spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij: “Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken, dat hij morgen vroeg bij u komt.”“Wel Scipio,” zei ik, “hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit, dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar, dat ge er niet rijker door zijt.”“Dat moet u niet verbazen”, antwoordde hij. “Ik houd ervan om het geld te laten rollen. Sparen kan ik niet.”Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met beleefdheid, gemengd met zekeren trots. “Mijnheer, voor ik mij verbind om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar het hof voert, want zezou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden.”“Gaarne,” antwoordde hij, “zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal doen van mijn lotgevallen.”Hoofdstuk VIIIVerhaal van Don Roger de Rada.Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de stad Antequerre, met donaEstéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als neef vanEstéfaniavrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was, dien hij had moeten wantrouwen.Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde, bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden, dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist,dat don Anastasio jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin wandelde, zei hij op treurigen toon: “Waarde vriend, ik kan niet langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat, gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats.”“Ik begrijp u al,” viel don Anastasio hem in de rede, “uw nicht is mij ontrouw geworden.”“Ik erken haar niet meer als mijn nicht,” hernam Huberto met een schijnheilig gezicht. “Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw vrouw te zijn.” “Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania gedaan?” riep de ongelukkige man.“Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan ik zeker ben. ’t Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij niet kunt offeren aan uw eer.”De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan, dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande, die hij over zijn eerlijke familie bracht,zonder zelfs medelijden te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon: “Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je je eer hebt verloren.”Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: “Wat is er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geenredenvoor!”“Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen, die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto....”“O!” viel zij hem in de rede. “Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft.”“Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!”“Maar wordt toch kalm,” smeekte zij, “geef mij ten minste tijd om te spreken!”Hij wilde toesteken.“Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind zal rechtvaardiging eischen!”Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween uit Antequerre.De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde de wond nietvoor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge hier voor u.Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich half gewroken en zag haar niet meer.Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding, maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen van Granada enSévillaheb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee, wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd aan den hemel, aan don Anastasio,Estéfaniaen mij. Ik achtte het niet geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije.De wind was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk, die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij antwoordde: “Helaas, ’t is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te voldoen. ’t Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten, waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio de Rada”.“Gerechte hemel,” riep ik uit. “Dan zijt gij mijn vader”. Geheel ontdaan riep hij: “Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar aan mijn woede opofferde?” Ik antwoordde: “Ja, vader, ik ben het kind, dat de deugdzameEstéfaniater wereld bracht, drie maanden na dien rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet.”Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld, dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn avonturen en ik luisterde daarnaar met levendigebelangstelling. Na verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister, welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen.”De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens hulp ik wel durfde verzekeren.Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: “Don Roger, ik ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend, die zich met het overige zal belasten.”Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.

Achtste BoekHoofdstuk IGil Blas heeft een goede ontmoeting en vindt een post, die hem troost voor de ondankbaarheid, die hij van graaf Galiano heeft ondervonden. Geschiedenis van don Valerio de Luna.Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was, met den hertog de Médina Sidonia.Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: “Mijnheer Gil Blas de Santillano, neem mij als ’t u blieft niet kwalijk, dat ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior, dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doenen zegt mij zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw vriendschap wilt schenken!”We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks had ik uitgesproken, of hij zei: “Ik zal er voor zorgen, dat ge weer een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt het dan beter, dan in een van die restauraties.”Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en zag ik er gezond uit.Het scheen, dat de zaken van Melchior’s neef daar in huis uitstekend gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog; hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei: “Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten, dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door donDiégode Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen, heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar, na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na het diner gaan opzoeken.”Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën, die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze, niettegenstaandeal het goede, dat hij van mij had gehoord, toch sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid, toch besloot ik daarbij te volharden.Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg, wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien nooit aan het hof geplaatst geworden.Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker, anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door de volgende generatie.Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te maken. Op zekeren dag echter meende zij het middeldaartoe te hebben gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op een pendule en zei: “Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?” Maar don Valerio was niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde, toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te veel en de dame riep hem ontsteld toe: “Houd op, ongelukkige, weet, dat ik je moeder ben.”Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. “Neen, neen,” zei ze, “ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruimzes en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien.”Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos hij mij om dien jongeman te vervangen.Hoofdstuk IIGil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden over hem.Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: “Mijn vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in korten tijd verder komen.”Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad, vroeg ik hem: “Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt.”Mijn meester antwoordde: “Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maarten halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover hem moet aannemen.”“Laat mij maar begaan,” zei ik. “Wanneer men de gebreken kent van een man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn, om daarin niet te slagen.”We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: “Excellentie, ik breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de plaats van Valerio is gekozen.” De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: “Ik zie, dat ge wel een weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen, waaruit uw werk bestaat.” Wij gingen in een kamer naast de zijne, waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. “Dit is de plaats, waar ge zult werken. Al die registers vormen eendictionnaire van de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden, zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben.”Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed, om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen; ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister, dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.Hoofdstuk IIIHij verneemt, dat er aan zijn betrekking ook onaangenaamheden zijn verbonden. Van de onrust, die hem deze tijding gaf en de houding, die hij verplicht was aan te nemen.Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van de secretarissen was van den eersten minister.Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde een maand vooruit.Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer, waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen, noodigde ik hen ’s avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig, want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega’s hunne plaatsen niet te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden dan mooie ronde letters schrijven.Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij beklaagden zich over hun positie. De een zei: ”’t Is nu al vijf maanden dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is, onze salarissen zijn niet geregeld.” De ander voegde er aan toe: “Wat mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willenzoeken, maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens naar een of andere gevangenis kunnen sturen.”“Maar hoe kunt ge dan leven?” vroeg ik.Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere wijze zou behandelen dan mijn collega’s en was dus weinig ingenomen met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al, dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon ’s nachts maar weinig slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had, was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die, wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio, wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd metmij. Zijne zachtheid en welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen hem en Calderone!Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf, besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.Hoofdstuk IVGil Blas wint de gunst van den hertog de Lerme, die hem een gewichtig geheim toevertrouwt.Het scheen, dat ik erin geslaagd was, mij aangenaam te maken bij den hertog, want op zekeren middag zei hij tot me: “Gil Blas, ik ben zeer tevreden over u, ge zijt ijverig, trouw en bescheiden. Ik geloof, dat ik u mijn vertrouwen kan schenken”. Zeer eerbiedig antwoordde ik: “Is het mogelijk, dat Uwe Excellentie mij met zulk een gunst zou willen vereeren? Maar die goedheid is groot genoeg, om mij geheime vijanden te bezorgen. Ik vrees voornamelijk de afgunst van één man, van don Rodrigo de Calderone”.“Van dien kant behoeft ge niets te vreezen. Ik ken Calderone, hij is van zijn jeugd af aan mij gehecht. Ik kan wel zeggen, dat zijn gevoelens zóózeer overeenstemmen met de mijne, dat hij goed is voor personen die in mijn gunst staan en degenen haat, die mij niet bevallen. Inplaats van voor hem te vreezen, kunt ge op hem rekenen. Maar, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk, moet ik u eerst een plan meedeelen. Het is noodig, dat ge daarvan onderricht zijt, om u behoorlijk te kwijten van de opdracht, die ik u in het vervolg zal geven. Het is al sinds lang, dat ik mijn macht overal geëerbiedigd zie. Ik heb te beschikken over alle ambten en voorrechten, ik mag zeggen, dat ik Spanje regeer. De fortuin kan mij niets verder schenken, maar ik wil die beveiligen voor de stormen, die het zouden kunnen bedreigen en het is daarom, dat ik als mijn opvolger aan het ministerie zou willen hebben mijn neef, den graaf de Lemos. Ik merk wel, Santillano, dat ge u verwondert.Het schijnt u vreemd, dat ik aan mijn neef de voorkeur geef boven mijn eigen zoon, den hertog d’Uzède. Maar het verstand van den laatste acht ik te bekrompen, om mijn betrekking te vervullen en bovendien zijn we elkaar vijandig gezind. Hij heeft namelijk het geheim gevonden, om den koning te behagen, die van hem zijn gunsteling wil maken en dat kan ik niet dulden. De gunst van een vorst gelijkt op het bezit van een vrouw, die men aanbidt. Het is een geluk, waardoor men jaloersch wordt, wijl men niet besluiten kan met een ander te deelen, al is men ook nog zoo nauw door banden van het bloed of door vriendschap verbonden.Ik deel u hier mijn geheimste gedachten mee. Reeds heb ik getracht Uzède bij den koning in een minder gunstig daglicht te stellen, maar het is mij niet gelukt en nu wil ik probeeren het over een anderen boeg te gooien. Ik wil, dat de graaf de Lemos van zijn kant tracht het vertrouwen te winnen van den kroonprins. Hij is diens kamerheer en heeft gelegenheid hem ieder oogenblik te spreken. Door die tactiek zal ik mijn neef tegenover mijn zoon stellen. Ik zal tusschen de twee neven een verdeeldheid in het leven roepen, die hen zal verplichten hun steun bij mij te zoeken en de behoefte die ze aan mij zullen hebben, zal hen aan mij onderworpen maken.Ziedaar mijn plan en daarbij heb ik uw tusschenkomst noodig. In het geheim zal ik u zenden naar den graaf de Lemos, die mij alles zal mededeelen, wat ik noodig heb te weten.”Na die mededeeling, die ik beschouwde als contant geld, had ik geen onrust meer. Ik dacht, dat er een regen van goud op mij zou neerdalen. Het is onmogelijk, dat de vertrouweling van een man, die het koninkrijk Spanje regeert, niet in korten tijd wordt overladen met rijkdommen. Vol van die zoete hoop, keek ik met een onverschillig gezicht naar mijn arme beurs, die bijna leeg was.Hoofdstuk VWaarin men Gil Blas ziet overladen met vreugde, eer en ellende.Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe, niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij gewoonlijk driemaal per dag bezocht. ’s Morgens ging hij er heen, als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging hij weg. ’s Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En eindelijk zag hij den koning ’s avonds voor de derde maal, om hem rekenschap te geven van hetgeenhij dien dag had gedaan. Terwijl hij bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte den minister op het hart mij verder voort te helpen.Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij tot me zei: “Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme, dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg, die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen, in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld thans aan mijn oom vertellen.”Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister, die mij naar Calderone stuurde, omduizend pistolen te vragen, die ik ’s avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: “nu is het mij duidelijk, welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid hem zal ruïneeren. ’t Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort, dat een vader zijn zoon onderhoudt?”Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan: “Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb.”Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er ’s morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er ’s nachts te slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik ’s avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed, om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in ons bureauvoor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den dag. ’s Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige dagen later heengingen.Hoofdstuk VIHoe Gil Blas zijn armoede kenbaar maakte aan den hertog de Lerme; op welke wijze deze daarna met hem handelde.Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden, zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon ’s morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. “Ik zou wel eens willen weten, waarover de strijd loopt,” zei de hertog. “Excellentie,” zei ik, “uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter.” De minister vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:“Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden indien vizier, die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir, die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag, dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: “ik zou wel eens willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen.” Zéangir antwoordde: “Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen, wat ik hen heb hooren zeggen.”De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: “Wilt u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?” De minister riep: “Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?” “Een van hen,” hernam de secretaris, “heeft gezegd: daar ziet ge nu den grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat, zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien jongen man niet te veel! ’t Is waar, Atalmuc is familiair met hem, vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan armoede ten prooi.”Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan, die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den secretaris. “Neen, Excellentie,” antwoordde ik, een weinig van mijn stuk gebracht door die vraag, “de fabel zegt integendeel, dat hij hem met weldaden overlaadde.” “Dat is gelukkig,” hernam de hertog op ernstigen toon; “er zijn ministers, die het niet goed zouden vinden, wanneer men hun de les las. Maar,” voegde hij er aan toe, het onderhoud afbrekende en opstaande, “ik geloof, dat de koning mij al wacht.” Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn Indische fabel.Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. “Wat is er, mijnheer de Santillano?” vroegen zij, toen ze mij zagen, “u ziet er zoo bedrukt uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?”Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal, om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was gebeurd. Een van hen zei: “Ge hebt wel reden om u te beklagen, de minister neemt soms zulke dingen verkeerd op.” De ander voegde eraan toe: “Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. “Het is billijk,” zei de kardinaal, “dat ge betaald wordt. Hier hebt ge een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten niet meer noodig.” De secretaris zou zich er over getroost hebben, dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem naarden toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield.”Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was, verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar liever van honger had moeten sterven.Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen en zuchten.Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die zijn vonnis afwacht.“Santillano,” zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had, “neem dit mandaat....” Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o, Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig vanSégoviastaat klaar. De schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel, mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: “Excellentie, ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede te deelen.”De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag en zei: “Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt, dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen hun diensten te bewijzen,verbied ik je niet ten hunnen gunste met mij te spreken”.Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat ik zeer aan hem was gehecht.Hoofdstuk VIIVan het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte; van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor hem opleverde.Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat, dadelijk werd uitbetaald.Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder noodig had.Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen, die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende Ambrosius de Lamela te zien. “Ik houd niet,” zei ik tegen Florero, “van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht geworden door zoo een.”De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet, hij bleekal spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij: “Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken, dat hij morgen vroeg bij u komt.”“Wel Scipio,” zei ik, “hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit, dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar, dat ge er niet rijker door zijt.”“Dat moet u niet verbazen”, antwoordde hij. “Ik houd ervan om het geld te laten rollen. Sparen kan ik niet.”Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met beleefdheid, gemengd met zekeren trots. “Mijnheer, voor ik mij verbind om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar het hof voert, want zezou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden.”“Gaarne,” antwoordde hij, “zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal doen van mijn lotgevallen.”Hoofdstuk VIIIVerhaal van Don Roger de Rada.Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de stad Antequerre, met donaEstéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als neef vanEstéfaniavrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was, dien hij had moeten wantrouwen.Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde, bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden, dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist,dat don Anastasio jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin wandelde, zei hij op treurigen toon: “Waarde vriend, ik kan niet langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat, gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats.”“Ik begrijp u al,” viel don Anastasio hem in de rede, “uw nicht is mij ontrouw geworden.”“Ik erken haar niet meer als mijn nicht,” hernam Huberto met een schijnheilig gezicht. “Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw vrouw te zijn.” “Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania gedaan?” riep de ongelukkige man.“Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan ik zeker ben. ’t Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij niet kunt offeren aan uw eer.”De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan, dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande, die hij over zijn eerlijke familie bracht,zonder zelfs medelijden te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon: “Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je je eer hebt verloren.”Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: “Wat is er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geenredenvoor!”“Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen, die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto....”“O!” viel zij hem in de rede. “Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft.”“Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!”“Maar wordt toch kalm,” smeekte zij, “geef mij ten minste tijd om te spreken!”Hij wilde toesteken.“Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind zal rechtvaardiging eischen!”Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween uit Antequerre.De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde de wond nietvoor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge hier voor u.Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich half gewroken en zag haar niet meer.Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding, maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen van Granada enSévillaheb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee, wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd aan den hemel, aan don Anastasio,Estéfaniaen mij. Ik achtte het niet geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije.De wind was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk, die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij antwoordde: “Helaas, ’t is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te voldoen. ’t Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten, waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio de Rada”.“Gerechte hemel,” riep ik uit. “Dan zijt gij mijn vader”. Geheel ontdaan riep hij: “Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar aan mijn woede opofferde?” Ik antwoordde: “Ja, vader, ik ben het kind, dat de deugdzameEstéfaniater wereld bracht, drie maanden na dien rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet.”Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld, dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn avonturen en ik luisterde daarnaar met levendigebelangstelling. Na verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister, welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen.”De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens hulp ik wel durfde verzekeren.Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: “Don Roger, ik ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend, die zich met het overige zal belasten.”Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.

Hoofdstuk IGil Blas heeft een goede ontmoeting en vindt een post, die hem troost voor de ondankbaarheid, die hij van graaf Galiano heeft ondervonden. Geschiedenis van don Valerio de Luna.Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was, met den hertog de Médina Sidonia.Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: “Mijnheer Gil Blas de Santillano, neem mij als ’t u blieft niet kwalijk, dat ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior, dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doenen zegt mij zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw vriendschap wilt schenken!”We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks had ik uitgesproken, of hij zei: “Ik zal er voor zorgen, dat ge weer een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt het dan beter, dan in een van die restauraties.”Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en zag ik er gezond uit.Het scheen, dat de zaken van Melchior’s neef daar in huis uitstekend gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog; hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei: “Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten, dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door donDiégode Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen, heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar, na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na het diner gaan opzoeken.”Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën, die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze, niettegenstaandeal het goede, dat hij van mij had gehoord, toch sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid, toch besloot ik daarbij te volharden.Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg, wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien nooit aan het hof geplaatst geworden.Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker, anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door de volgende generatie.Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te maken. Op zekeren dag echter meende zij het middeldaartoe te hebben gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op een pendule en zei: “Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?” Maar don Valerio was niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde, toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te veel en de dame riep hem ontsteld toe: “Houd op, ongelukkige, weet, dat ik je moeder ben.”Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. “Neen, neen,” zei ze, “ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruimzes en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien.”Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos hij mij om dien jongeman te vervangen.

Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was, met den hertog de Médina Sidonia.

Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: “Mijnheer Gil Blas de Santillano, neem mij als ’t u blieft niet kwalijk, dat ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior, dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doenen zegt mij zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw vriendschap wilt schenken!”

We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks had ik uitgesproken, of hij zei: “Ik zal er voor zorgen, dat ge weer een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt het dan beter, dan in een van die restauraties.”

Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en zag ik er gezond uit.

Het scheen, dat de zaken van Melchior’s neef daar in huis uitstekend gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog; hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.

Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei: “Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten, dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door donDiégode Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen, heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar, na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na het diner gaan opzoeken.”

Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën, die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze, niettegenstaandeal het goede, dat hij van mij had gehoord, toch sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid, toch besloot ik daarbij te volharden.

Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg, wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien nooit aan het hof geplaatst geworden.

Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker, anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door de volgende generatie.

Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te maken. Op zekeren dag echter meende zij het middeldaartoe te hebben gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op een pendule en zei: “Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?” Maar don Valerio was niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde, toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te veel en de dame riep hem ontsteld toe: “Houd op, ongelukkige, weet, dat ik je moeder ben.”

Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. “Neen, neen,” zei ze, “ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruimzes en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien.”

Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.

Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos hij mij om dien jongeman te vervangen.

Hoofdstuk IIGil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden over hem.Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: “Mijn vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in korten tijd verder komen.”Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad, vroeg ik hem: “Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt.”Mijn meester antwoordde: “Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maarten halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover hem moet aannemen.”“Laat mij maar begaan,” zei ik. “Wanneer men de gebreken kent van een man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn, om daarin niet te slagen.”We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: “Excellentie, ik breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de plaats van Valerio is gekozen.” De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: “Ik zie, dat ge wel een weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen, waaruit uw werk bestaat.” Wij gingen in een kamer naast de zijne, waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. “Dit is de plaats, waar ge zult werken. Al die registers vormen eendictionnaire van de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden, zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben.”Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed, om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen; ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister, dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.

Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: “Mijn vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in korten tijd verder komen.”

Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad, vroeg ik hem: “Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt.”

Mijn meester antwoordde: “Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maarten halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover hem moet aannemen.”

“Laat mij maar begaan,” zei ik. “Wanneer men de gebreken kent van een man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn, om daarin niet te slagen.”

We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: “Excellentie, ik breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de plaats van Valerio is gekozen.” De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: “Ik zie, dat ge wel een weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen, waaruit uw werk bestaat.” Wij gingen in een kamer naast de zijne, waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. “Dit is de plaats, waar ge zult werken. Al die registers vormen eendictionnaire van de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden, zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben.”

Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed, om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.

Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen; ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister, dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.

Hoofdstuk IIIHij verneemt, dat er aan zijn betrekking ook onaangenaamheden zijn verbonden. Van de onrust, die hem deze tijding gaf en de houding, die hij verplicht was aan te nemen.Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van de secretarissen was van den eersten minister.Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde een maand vooruit.Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer, waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen, noodigde ik hen ’s avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig, want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega’s hunne plaatsen niet te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden dan mooie ronde letters schrijven.Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij beklaagden zich over hun positie. De een zei: ”’t Is nu al vijf maanden dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is, onze salarissen zijn niet geregeld.” De ander voegde er aan toe: “Wat mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willenzoeken, maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens naar een of andere gevangenis kunnen sturen.”“Maar hoe kunt ge dan leven?” vroeg ik.Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere wijze zou behandelen dan mijn collega’s en was dus weinig ingenomen met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al, dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon ’s nachts maar weinig slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had, was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die, wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio, wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd metmij. Zijne zachtheid en welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen hem en Calderone!Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf, besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.

Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van de secretarissen was van den eersten minister.

Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde een maand vooruit.

Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer, waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen, noodigde ik hen ’s avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.

Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig, want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega’s hunne plaatsen niet te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden dan mooie ronde letters schrijven.

Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij beklaagden zich over hun positie. De een zei: ”’t Is nu al vijf maanden dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is, onze salarissen zijn niet geregeld.” De ander voegde er aan toe: “Wat mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willenzoeken, maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens naar een of andere gevangenis kunnen sturen.”

“Maar hoe kunt ge dan leven?” vroeg ik.

Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.

Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere wijze zou behandelen dan mijn collega’s en was dus weinig ingenomen met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al, dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.

Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon ’s nachts maar weinig slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had, was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.

Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die, wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio, wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.

Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd metmij. Zijne zachtheid en welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen hem en Calderone!

Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf, besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.

Hoofdstuk IVGil Blas wint de gunst van den hertog de Lerme, die hem een gewichtig geheim toevertrouwt.Het scheen, dat ik erin geslaagd was, mij aangenaam te maken bij den hertog, want op zekeren middag zei hij tot me: “Gil Blas, ik ben zeer tevreden over u, ge zijt ijverig, trouw en bescheiden. Ik geloof, dat ik u mijn vertrouwen kan schenken”. Zeer eerbiedig antwoordde ik: “Is het mogelijk, dat Uwe Excellentie mij met zulk een gunst zou willen vereeren? Maar die goedheid is groot genoeg, om mij geheime vijanden te bezorgen. Ik vrees voornamelijk de afgunst van één man, van don Rodrigo de Calderone”.“Van dien kant behoeft ge niets te vreezen. Ik ken Calderone, hij is van zijn jeugd af aan mij gehecht. Ik kan wel zeggen, dat zijn gevoelens zóózeer overeenstemmen met de mijne, dat hij goed is voor personen die in mijn gunst staan en degenen haat, die mij niet bevallen. Inplaats van voor hem te vreezen, kunt ge op hem rekenen. Maar, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk, moet ik u eerst een plan meedeelen. Het is noodig, dat ge daarvan onderricht zijt, om u behoorlijk te kwijten van de opdracht, die ik u in het vervolg zal geven. Het is al sinds lang, dat ik mijn macht overal geëerbiedigd zie. Ik heb te beschikken over alle ambten en voorrechten, ik mag zeggen, dat ik Spanje regeer. De fortuin kan mij niets verder schenken, maar ik wil die beveiligen voor de stormen, die het zouden kunnen bedreigen en het is daarom, dat ik als mijn opvolger aan het ministerie zou willen hebben mijn neef, den graaf de Lemos. Ik merk wel, Santillano, dat ge u verwondert.Het schijnt u vreemd, dat ik aan mijn neef de voorkeur geef boven mijn eigen zoon, den hertog d’Uzède. Maar het verstand van den laatste acht ik te bekrompen, om mijn betrekking te vervullen en bovendien zijn we elkaar vijandig gezind. Hij heeft namelijk het geheim gevonden, om den koning te behagen, die van hem zijn gunsteling wil maken en dat kan ik niet dulden. De gunst van een vorst gelijkt op het bezit van een vrouw, die men aanbidt. Het is een geluk, waardoor men jaloersch wordt, wijl men niet besluiten kan met een ander te deelen, al is men ook nog zoo nauw door banden van het bloed of door vriendschap verbonden.Ik deel u hier mijn geheimste gedachten mee. Reeds heb ik getracht Uzède bij den koning in een minder gunstig daglicht te stellen, maar het is mij niet gelukt en nu wil ik probeeren het over een anderen boeg te gooien. Ik wil, dat de graaf de Lemos van zijn kant tracht het vertrouwen te winnen van den kroonprins. Hij is diens kamerheer en heeft gelegenheid hem ieder oogenblik te spreken. Door die tactiek zal ik mijn neef tegenover mijn zoon stellen. Ik zal tusschen de twee neven een verdeeldheid in het leven roepen, die hen zal verplichten hun steun bij mij te zoeken en de behoefte die ze aan mij zullen hebben, zal hen aan mij onderworpen maken.Ziedaar mijn plan en daarbij heb ik uw tusschenkomst noodig. In het geheim zal ik u zenden naar den graaf de Lemos, die mij alles zal mededeelen, wat ik noodig heb te weten.”Na die mededeeling, die ik beschouwde als contant geld, had ik geen onrust meer. Ik dacht, dat er een regen van goud op mij zou neerdalen. Het is onmogelijk, dat de vertrouweling van een man, die het koninkrijk Spanje regeert, niet in korten tijd wordt overladen met rijkdommen. Vol van die zoete hoop, keek ik met een onverschillig gezicht naar mijn arme beurs, die bijna leeg was.

Het scheen, dat ik erin geslaagd was, mij aangenaam te maken bij den hertog, want op zekeren middag zei hij tot me: “Gil Blas, ik ben zeer tevreden over u, ge zijt ijverig, trouw en bescheiden. Ik geloof, dat ik u mijn vertrouwen kan schenken”. Zeer eerbiedig antwoordde ik: “Is het mogelijk, dat Uwe Excellentie mij met zulk een gunst zou willen vereeren? Maar die goedheid is groot genoeg, om mij geheime vijanden te bezorgen. Ik vrees voornamelijk de afgunst van één man, van don Rodrigo de Calderone”.

“Van dien kant behoeft ge niets te vreezen. Ik ken Calderone, hij is van zijn jeugd af aan mij gehecht. Ik kan wel zeggen, dat zijn gevoelens zóózeer overeenstemmen met de mijne, dat hij goed is voor personen die in mijn gunst staan en degenen haat, die mij niet bevallen. Inplaats van voor hem te vreezen, kunt ge op hem rekenen. Maar, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk, moet ik u eerst een plan meedeelen. Het is noodig, dat ge daarvan onderricht zijt, om u behoorlijk te kwijten van de opdracht, die ik u in het vervolg zal geven. Het is al sinds lang, dat ik mijn macht overal geëerbiedigd zie. Ik heb te beschikken over alle ambten en voorrechten, ik mag zeggen, dat ik Spanje regeer. De fortuin kan mij niets verder schenken, maar ik wil die beveiligen voor de stormen, die het zouden kunnen bedreigen en het is daarom, dat ik als mijn opvolger aan het ministerie zou willen hebben mijn neef, den graaf de Lemos. Ik merk wel, Santillano, dat ge u verwondert.Het schijnt u vreemd, dat ik aan mijn neef de voorkeur geef boven mijn eigen zoon, den hertog d’Uzède. Maar het verstand van den laatste acht ik te bekrompen, om mijn betrekking te vervullen en bovendien zijn we elkaar vijandig gezind. Hij heeft namelijk het geheim gevonden, om den koning te behagen, die van hem zijn gunsteling wil maken en dat kan ik niet dulden. De gunst van een vorst gelijkt op het bezit van een vrouw, die men aanbidt. Het is een geluk, waardoor men jaloersch wordt, wijl men niet besluiten kan met een ander te deelen, al is men ook nog zoo nauw door banden van het bloed of door vriendschap verbonden.

Ik deel u hier mijn geheimste gedachten mee. Reeds heb ik getracht Uzède bij den koning in een minder gunstig daglicht te stellen, maar het is mij niet gelukt en nu wil ik probeeren het over een anderen boeg te gooien. Ik wil, dat de graaf de Lemos van zijn kant tracht het vertrouwen te winnen van den kroonprins. Hij is diens kamerheer en heeft gelegenheid hem ieder oogenblik te spreken. Door die tactiek zal ik mijn neef tegenover mijn zoon stellen. Ik zal tusschen de twee neven een verdeeldheid in het leven roepen, die hen zal verplichten hun steun bij mij te zoeken en de behoefte die ze aan mij zullen hebben, zal hen aan mij onderworpen maken.

Ziedaar mijn plan en daarbij heb ik uw tusschenkomst noodig. In het geheim zal ik u zenden naar den graaf de Lemos, die mij alles zal mededeelen, wat ik noodig heb te weten.”

Na die mededeeling, die ik beschouwde als contant geld, had ik geen onrust meer. Ik dacht, dat er een regen van goud op mij zou neerdalen. Het is onmogelijk, dat de vertrouweling van een man, die het koninkrijk Spanje regeert, niet in korten tijd wordt overladen met rijkdommen. Vol van die zoete hoop, keek ik met een onverschillig gezicht naar mijn arme beurs, die bijna leeg was.

Hoofdstuk VWaarin men Gil Blas ziet overladen met vreugde, eer en ellende.Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe, niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij gewoonlijk driemaal per dag bezocht. ’s Morgens ging hij er heen, als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging hij weg. ’s Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En eindelijk zag hij den koning ’s avonds voor de derde maal, om hem rekenschap te geven van hetgeenhij dien dag had gedaan. Terwijl hij bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte den minister op het hart mij verder voort te helpen.Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij tot me zei: “Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme, dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg, die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen, in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld thans aan mijn oom vertellen.”Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister, die mij naar Calderone stuurde, omduizend pistolen te vragen, die ik ’s avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: “nu is het mij duidelijk, welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid hem zal ruïneeren. ’t Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort, dat een vader zijn zoon onderhoudt?”Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan: “Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb.”Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er ’s morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er ’s nachts te slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik ’s avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed, om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in ons bureauvoor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den dag. ’s Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige dagen later heengingen.

Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe, niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.

Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij gewoonlijk driemaal per dag bezocht. ’s Morgens ging hij er heen, als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging hij weg. ’s Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En eindelijk zag hij den koning ’s avonds voor de derde maal, om hem rekenschap te geven van hetgeenhij dien dag had gedaan. Terwijl hij bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.

Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte den minister op het hart mij verder voort te helpen.

Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij tot me zei: “Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme, dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg, die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen, in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld thans aan mijn oom vertellen.”

Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister, die mij naar Calderone stuurde, omduizend pistolen te vragen, die ik ’s avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: “nu is het mij duidelijk, welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid hem zal ruïneeren. ’t Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort, dat een vader zijn zoon onderhoudt?”

Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan: “Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb.”

Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er ’s morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er ’s nachts te slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik ’s avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed, om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in ons bureauvoor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den dag. ’s Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.

Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige dagen later heengingen.

Hoofdstuk VIHoe Gil Blas zijn armoede kenbaar maakte aan den hertog de Lerme; op welke wijze deze daarna met hem handelde.Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden, zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon ’s morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. “Ik zou wel eens willen weten, waarover de strijd loopt,” zei de hertog. “Excellentie,” zei ik, “uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter.” De minister vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:“Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden indien vizier, die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir, die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag, dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: “ik zou wel eens willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen.” Zéangir antwoordde: “Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen, wat ik hen heb hooren zeggen.”De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: “Wilt u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?” De minister riep: “Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?” “Een van hen,” hernam de secretaris, “heeft gezegd: daar ziet ge nu den grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat, zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien jongen man niet te veel! ’t Is waar, Atalmuc is familiair met hem, vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan armoede ten prooi.”Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan, die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den secretaris. “Neen, Excellentie,” antwoordde ik, een weinig van mijn stuk gebracht door die vraag, “de fabel zegt integendeel, dat hij hem met weldaden overlaadde.” “Dat is gelukkig,” hernam de hertog op ernstigen toon; “er zijn ministers, die het niet goed zouden vinden, wanneer men hun de les las. Maar,” voegde hij er aan toe, het onderhoud afbrekende en opstaande, “ik geloof, dat de koning mij al wacht.” Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn Indische fabel.Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. “Wat is er, mijnheer de Santillano?” vroegen zij, toen ze mij zagen, “u ziet er zoo bedrukt uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?”Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal, om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was gebeurd. Een van hen zei: “Ge hebt wel reden om u te beklagen, de minister neemt soms zulke dingen verkeerd op.” De ander voegde eraan toe: “Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. “Het is billijk,” zei de kardinaal, “dat ge betaald wordt. Hier hebt ge een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten niet meer noodig.” De secretaris zou zich er over getroost hebben, dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem naarden toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield.”Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was, verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar liever van honger had moeten sterven.Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen en zuchten.Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die zijn vonnis afwacht.“Santillano,” zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had, “neem dit mandaat....” Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o, Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig vanSégoviastaat klaar. De schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel, mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: “Excellentie, ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede te deelen.”De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag en zei: “Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt, dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen hun diensten te bewijzen,verbied ik je niet ten hunnen gunste met mij te spreken”.Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat ik zeer aan hem was gehecht.

Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden, zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon ’s morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. “Ik zou wel eens willen weten, waarover de strijd loopt,” zei de hertog. “Excellentie,” zei ik, “uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter.” De minister vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:

“Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden indien vizier, die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir, die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag, dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: “ik zou wel eens willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen.” Zéangir antwoordde: “Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen, wat ik hen heb hooren zeggen.”

De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: “Wilt u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?” De minister riep: “Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?” “Een van hen,” hernam de secretaris, “heeft gezegd: daar ziet ge nu den grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat, zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien jongen man niet te veel! ’t Is waar, Atalmuc is familiair met hem, vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan armoede ten prooi.”

Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan, die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den secretaris. “Neen, Excellentie,” antwoordde ik, een weinig van mijn stuk gebracht door die vraag, “de fabel zegt integendeel, dat hij hem met weldaden overlaadde.” “Dat is gelukkig,” hernam de hertog op ernstigen toon; “er zijn ministers, die het niet goed zouden vinden, wanneer men hun de les las. Maar,” voegde hij er aan toe, het onderhoud afbrekende en opstaande, “ik geloof, dat de koning mij al wacht.” Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn Indische fabel.

Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. “Wat is er, mijnheer de Santillano?” vroegen zij, toen ze mij zagen, “u ziet er zoo bedrukt uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?”

Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal, om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was gebeurd. Een van hen zei: “Ge hebt wel reden om u te beklagen, de minister neemt soms zulke dingen verkeerd op.” De ander voegde eraan toe: “Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. “Het is billijk,” zei de kardinaal, “dat ge betaald wordt. Hier hebt ge een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten niet meer noodig.” De secretaris zou zich er over getroost hebben, dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem naarden toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield.”

Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was, verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar liever van honger had moeten sterven.

Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen en zuchten.

Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die zijn vonnis afwacht.

“Santillano,” zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had, “neem dit mandaat....” Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o, Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig vanSégoviastaat klaar. De schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel, mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: “Excellentie, ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede te deelen.”

De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag en zei: “Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt, dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen hun diensten te bewijzen,verbied ik je niet ten hunnen gunste met mij te spreken”.

Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat ik zeer aan hem was gehecht.

Hoofdstuk VIIVan het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte; van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor hem opleverde.Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat, dadelijk werd uitbetaald.Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder noodig had.Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen, die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende Ambrosius de Lamela te zien. “Ik houd niet,” zei ik tegen Florero, “van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht geworden door zoo een.”De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet, hij bleekal spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij: “Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken, dat hij morgen vroeg bij u komt.”“Wel Scipio,” zei ik, “hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit, dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar, dat ge er niet rijker door zijt.”“Dat moet u niet verbazen”, antwoordde hij. “Ik houd ervan om het geld te laten rollen. Sparen kan ik niet.”Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met beleefdheid, gemengd met zekeren trots. “Mijnheer, voor ik mij verbind om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar het hof voert, want zezou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden.”“Gaarne,” antwoordde hij, “zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal doen van mijn lotgevallen.”

Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat, dadelijk werd uitbetaald.

Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder noodig had.

Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen, die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende Ambrosius de Lamela te zien. “Ik houd niet,” zei ik tegen Florero, “van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht geworden door zoo een.”

De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet, hij bleekal spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.

Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij: “Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken, dat hij morgen vroeg bij u komt.”

“Wel Scipio,” zei ik, “hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit, dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar, dat ge er niet rijker door zijt.”

“Dat moet u niet verbazen”, antwoordde hij. “Ik houd ervan om het geld te laten rollen. Sparen kan ik niet.”

Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met beleefdheid, gemengd met zekeren trots. “Mijnheer, voor ik mij verbind om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar het hof voert, want zezou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden.”

“Gaarne,” antwoordde hij, “zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal doen van mijn lotgevallen.”

Hoofdstuk VIIIVerhaal van Don Roger de Rada.Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de stad Antequerre, met donaEstéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als neef vanEstéfaniavrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was, dien hij had moeten wantrouwen.Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde, bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden, dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist,dat don Anastasio jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin wandelde, zei hij op treurigen toon: “Waarde vriend, ik kan niet langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat, gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats.”“Ik begrijp u al,” viel don Anastasio hem in de rede, “uw nicht is mij ontrouw geworden.”“Ik erken haar niet meer als mijn nicht,” hernam Huberto met een schijnheilig gezicht. “Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw vrouw te zijn.” “Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania gedaan?” riep de ongelukkige man.“Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan ik zeker ben. ’t Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij niet kunt offeren aan uw eer.”De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan, dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande, die hij over zijn eerlijke familie bracht,zonder zelfs medelijden te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon: “Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je je eer hebt verloren.”Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: “Wat is er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geenredenvoor!”“Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen, die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto....”“O!” viel zij hem in de rede. “Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft.”“Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!”“Maar wordt toch kalm,” smeekte zij, “geef mij ten minste tijd om te spreken!”Hij wilde toesteken.“Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind zal rechtvaardiging eischen!”Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween uit Antequerre.De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde de wond nietvoor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge hier voor u.Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich half gewroken en zag haar niet meer.Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding, maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen van Granada enSévillaheb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee, wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd aan den hemel, aan don Anastasio,Estéfaniaen mij. Ik achtte het niet geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije.De wind was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk, die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij antwoordde: “Helaas, ’t is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te voldoen. ’t Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten, waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio de Rada”.“Gerechte hemel,” riep ik uit. “Dan zijt gij mijn vader”. Geheel ontdaan riep hij: “Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar aan mijn woede opofferde?” Ik antwoordde: “Ja, vader, ik ben het kind, dat de deugdzameEstéfaniater wereld bracht, drie maanden na dien rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet.”Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld, dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn avonturen en ik luisterde daarnaar met levendigebelangstelling. Na verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister, welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen.”De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens hulp ik wel durfde verzekeren.Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: “Don Roger, ik ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend, die zich met het overige zal belasten.”Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.

Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de stad Antequerre, met donaEstéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als neef vanEstéfaniavrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was, dien hij had moeten wantrouwen.

Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde, bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden, dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.

Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist,dat don Anastasio jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin wandelde, zei hij op treurigen toon: “Waarde vriend, ik kan niet langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat, gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats.”

“Ik begrijp u al,” viel don Anastasio hem in de rede, “uw nicht is mij ontrouw geworden.”

“Ik erken haar niet meer als mijn nicht,” hernam Huberto met een schijnheilig gezicht. “Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw vrouw te zijn.” “Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania gedaan?” riep de ongelukkige man.

“Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan ik zeker ben. ’t Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij niet kunt offeren aan uw eer.”

De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan, dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande, die hij over zijn eerlijke familie bracht,zonder zelfs medelijden te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon: “Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je je eer hebt verloren.”

Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: “Wat is er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geenredenvoor!”

“Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen, die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto....”

“O!” viel zij hem in de rede. “Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft.”

“Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!”

“Maar wordt toch kalm,” smeekte zij, “geef mij ten minste tijd om te spreken!”

Hij wilde toesteken.

“Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind zal rechtvaardiging eischen!”

Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween uit Antequerre.

De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde de wond nietvoor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge hier voor u.

Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich half gewroken en zag haar niet meer.

Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding, maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen van Granada enSévillaheb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee, wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.

Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd aan den hemel, aan don Anastasio,Estéfaniaen mij. Ik achtte het niet geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.

Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije.De wind was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.

Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk, die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.

Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij antwoordde: “Helaas, ’t is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te voldoen. ’t Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten, waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio de Rada”.

“Gerechte hemel,” riep ik uit. “Dan zijt gij mijn vader”. Geheel ontdaan riep hij: “Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar aan mijn woede opofferde?” Ik antwoordde: “Ja, vader, ik ben het kind, dat de deugdzameEstéfaniater wereld bracht, drie maanden na dien rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet.”

Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld, dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn avonturen en ik luisterde daarnaar met levendigebelangstelling. Na verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.

Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.

De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister, welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen.”

De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens hulp ik wel durfde verzekeren.

Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: “Don Roger, ik ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend, die zich met het overige zal belasten.”

Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.


Back to IndexNext