Hoofdstuk VIIGeschiedenis van Laura.Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn tegenwoordig vak heb gekozen.Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde, om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een klooster brachten.Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen, mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans hing. Daarnabracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit mijnondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen met minder vleiende namen.Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo’n huichelachtig gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei: “Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet.” Hij zei niets meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt, dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: “Mijn beste Laura, ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort, maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand, waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn.”Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden vanZendono, die mij den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter, om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig, dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht, die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden, om ons op te sporen.Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen, waar wij zouden overnachten, zei hij: “Schoone Laura, wees er niet kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers, aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof, kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten.”Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwenen mij liet zien, dat hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer, dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel, dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger had gedragen.Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht, beschouwde ik eenvoudig als verloren.Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde naarSévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen, wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar levensweg had ontmoet: “Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is daarentegen ook slecht genoeg om u toete staan een beter aan te gaan, indien ge daartoe gelegenheid zult vinden.”Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken, wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: “De beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo”, door Lope de Vega Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid was, maar ’t was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij te zien en daar we ’s avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af, dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster klopte aan de deur, diePhénice, wier tong evenzeer jeukte als de mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten bij ons gekakel.Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam aan al het vragen en antwoorden.Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar, dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een of andere voorname dame. “Wel foei!” riep mijn vriendin, “hoe kan je aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde—ik schaam mij nog als ik eraan denk—lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden, waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt.”Hier viel ik Phénice in de rede; “waarom zegt ge me dit alles? ’t Is geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd, maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin in gekregen.”“Och kom!” zei Phénice. “Je weet toch wel, dat die groote actrices altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid, bevalligheid, een mooiestem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol jagen, als je actrice was!”Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega’s, die haar kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn, maakte ik goed door mijn fijnen smaak.Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt was. Grooten opgang maakte ik inSévilla. Gedurende drie weken was ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen, maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet mooi, maar rijk en edelmoedig. ’t Is waar, hij heeft er duur voor moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten, waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d’Alcacer, met wien zich, wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo’n jongen minnaar nam, maar don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was, meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven, dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid hadden weerkregen.Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield zich in dien tijd druk bezig met den eigenaarvan een goudsmidswinkel, die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.Mijn debuut te Granada was even schitterend als teSévilla. Weldra zag ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om, maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit opzicht niet sparen.”Hoofdstuk VIIIVan de ontvangst, die de comedianten van Granada Gil Blas bereidden en van de kennismaking, die hij hernieuwde in de foyers van den schouwburg.Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden vele complimenten.Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man, die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en twee stoelen. Mijn geleider zei: “U hebt het hier niet te ruim, maar in Lissabon zult ge prachtig logeeren.” Ik sloot mijn valies weg en vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vondik het geheele gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices, aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als ’t ware op mij. De vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler, die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis1heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.Ik wendde mij tot hem en zei: “Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten aan den rand van een bron, tusschen Valladolid enSégovia. Ik was een barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie.”Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: “Ge spreekt me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden toen zeer slecht.”“Ik herinner mij ook nog,” zei ik, “dat ge u toen zeer beklaagde over een al te verstandige vrouw, die ge hadt.”“O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd,” antwoordde hij.Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen, vroeg ik een anderen acteur, die me zei,“O, ge kunt haar zien, het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames.”Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren, maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn meester er geen tafel op nahield.1Zie boek II, hoofdstuk VII.Hoofdstuk IXMet welken buitengewonen man hij dien avond soupeerde en wat er tusschen hen voorviel.In de zaal bemerkte ik een soort van ouden monnik, die alleen in een hoek soupeerde. Uit nieuwsgierigheid ging ik tegenover hem zitten, ik groette hem zeer beleefd en hij beantwoordde mijn groet op dezelfde wijze. Men bracht mij mijn eten, waaraan ik met veel eetlust begon. Intusschen bemerkte ik, dat de oogen van den ouden man voortdurend op mij gericht waren. Daar mij dat begon te vervelen, zei ik: “Vader, kunnen wij elkaar misschien elders reeds hebben ontmoet? U ziet mij aan, als een man, dien u niet geheel onbekend is.”Hij antwoordde mij ernstig: “Indien ik mijn blikken op u laat rusten, dan is het om de groote verscheidenheid van avonturen te bewonderen, die aangegeven zijn in de trekken van uw gezicht.” “Daaruit maak ik op, dat ge aan gelaatkunde doet,” zei ik lachend.“Ik kan zeggen, dat ik die kennis bezit,” zei de monnik, “en daaruit voorspellingen te hebben gedaan, die in de toekomst bewaarheid zijn geworden. Ook kan ik voorspellen uit de hand en ik durf zeggen, dat mijn uitspraken onfeilbaar zijn, wanneer ik de inspectie van de hand vergeleken heb met die van het gezicht.”Hoewel de grijsaard er allen schijn van had, een verstandig man te zijn, vond ik hem zóó gek, dat ik niet kon nalaten hem in zijn gezicht uit te lachen. Inplaats van zich beleedigd te gevoelen door mijn onbeleefdheid, glimlachte hij en zei, na de zaal te hebben rondgekeken om zich te overtuigen dat niemand ons beluisterde: “Ik verwondermij er niet over u zoo vooringenomen te zien tegen twee wetenschappen, die heden ten dage voor dwaasheid doorgaan; de lange en moeilijke studie, welke ze eischen, ontmoedigen alle geleerden, die er dan van afzien en ze veroordeelen, omdat zij ze niet onder de knie hebben kunnen krijgen. Wat mij betreft, ik heb mij niet laten afschrikken door al die moeilijkheden. Ook heb ik lang de scheikunde bestudeerd en de kunst om van andere metalen goud te maken. Maar ik onderstel, dat ik spreek tot een jongeman, wien dat alles slechts droombeelden toeschijnen. Een bewijs van mijn kennis zal uw oordeel gunstiger daarover stemmen.” Bij die woorden haalde hij een flesch uit zijn zak, gevuld met een roode vloeistof. “Hier is een elixer, dat ik bereid heb uit verschillende planten. Ge zult er de kracht van bespeuren. De wijn, dien wij bij ons eten drinken, is zeer slecht, ik zal dien uitstekend maken.” Hij goot een paar druppels in mijn flesch en die maakte werkelijk mijn wijn beter dan de heerlijkste, dien men in Spanje drinkt. Een wonder werktaltijd op de verbeelding en als die eenmaal gewonnen is, gebruikt men zijn gezond verstand niet meer.Vol bewondering riep ik uit: “O vader, vergeef mij, dat ik u in het begin voor een ouden gek heb gehouden. Ik laat u nu alle recht wedervaren en behoef het niet eerst te zien om ervan overtuigd te zijn, dat ge, zoo ge wilt, een stuk ijzer in een stuk baar goud kunt veranderen! Wat zou ik gelukkig zijn, indien ik die zoo bewonderenswaardige wetenschap bezat!”De grijsaard slaakte een zucht en zei: “Dat de hemel u ervoor beware, mijn zoon. Ge weet niet, wat ge wenscht. Inplaats van mij te benijden, moet ge mij beklagen, dat ik mij zooveel moeite heb gegeven, om mijzelf ongelukkig te maken. Altijd ben ik in onrust, ik vrees ontdekt te worden en dat een eeuwigdurende gevangenschap het loon zal zijn voor al mijn werken. Daarom leid ik een zwervend leven, nu eens verkleed als priester of monnik, dan weer als edelman of boer. Is het een voordeel tot dien prijs goud te kunnen maken en zijn rijkdommen niet een ware marteling voor personen, die er niet rustig van kunnen genieten?”Ik antwoordde den ouden wijsgeer, dat ik zeer verstandig vond wat hij zei, maar dat ik toch gaarne mijn toekomstig lot van hem zou vernemen.“Met genoegen, mijn zoon, uw gelaatstrekken heb ik reeds bestudeerd, laat mij nu ook uw hand zien!” Ik bood hem die aan met een vertrouwen, dat mij zeker zal doen dalen in de achting van sommige lezers, hoewel ze in mijn plaats het misschien eveneens zouden hebben gedaan. Met zorgvuldigheid bekeek hij mijn hand en zei vervolgens: “Welk een overgangen van smart in vreugd en van vreugde in smart! Wat een grillige opeenvolging van tegenspoed en geluk! Maar ge hebt reeds een groot gedeelte van die veranderingen der fortuin ondervonden. Er blijft u nog maar weinig tegenspoed om te bestrijden en door een groot heer zult ge een aangenaam lot krijgen, dat niet meer aan verandering onderhevig is!”Na me verzekerd te hebben, dat ik op die voorspelling kon rekenen, verliet hij de zaal, mij achterlatende in gepeins over hetgeen ik had gehoord. Ik twijfelde er niet aan, of markies de Marialva was die bedoelde heer en bijgevolg scheen mij niets meer mogelijk dan de vervulling van zijn uitspraak. Maar zelfs al had ik niet de minste waarschijnlijkheid kunnen ontdekken, zou ik toch den monnik volkomen geloofd hebben, zóó’n grooten indruk had hij met zijn elixer op mij gemaakt. Om van mijn kant dat geluk te bevorderen, besloot ik mij aan den markies meer te hechten dan aan een van mijn vorige meesters. Na dit besluit te hebben genomen, ging ik vroolijk naar huis terug. Nooit heeft een vrouw zoo tevreden een waarzegster verlaten.Hoofdstuk XVan de opdracht, die de markies de Marialva aan Gil Blas gaf en hoe deze trouwe secretaris zich daarvan kweet.De markies was nog niet van zijn actrice terug en ik vond in zijn vertrek zijn bedienden, die kaartspeelden in afwachting van zijn thuiskomst. Ik maakte kennis met hen en wij amuseerden ons, tot hij omstreeks twee uur na middernacht verscheen. Hij was een weinig verrast en zei met een uitdrukking van welwillendheid, waaruit ik afleidde, dat hij tevreden was over den avond, dien hij had gehad: “Hoe, Gil Blas, zijt ge nog niet naar bed?” Ik antwoordde, dat ik gewacht had, om te vernemen of hij mij misschien nog iets te bevelen had. Hij antwoordde mij, dat hij den volgenden morgen iets voor mij te doen had, maar dat ik in het vervolg ’s avonds niet op hem behoefde te wachten, hetgeen mij genoegen deed.Daarna ging ik naar bed. Maar ik kon niet slapen en herinnerde mij daarom den raad, welken Pythagoras geeft, om ’s avonds alles te herinneren wat wij gedurende dien dag hebben gedaan, onszelf te prijzen om de goede en te laken om de slechte daden.Ik voelde mijn geweten niet zuiver genoeg, om over mijzelf tevreden te zijn, want ik verweet mij, wat er bij Laura was gebeurd. Wel kon ik zeggen, dat ik toch moeilijk een meisje kon logenstraffen, dat alleen zoo gehandeld had, om mij genoegen te doen en dat ik dus in de noodzakelijkheid verkeerde om haar medeplichtige te worden, maar die verontschuldiging stelde mij niet gerust. Het vertrouwen van mijn nieuwen meester vergold ik op die wijze al heel slecht en ik was het met mijzelfeens, dat, zoo ik al geen schelm was, het toch heel weinig scheelde. De gevolgen daarvan overwegende, meende ik een gevaarlijk spel te spelen. Dat joeg mij schrik aan. Maar andere gedachten kwamen dien schrik weer verdrijven. Bovendien kon de voorspelling van den man met het elixer voldoende zijn om mij gerust te stellen. Allerlei aangename beelden vertoonden zich aan mij. Ik rekende uit hoeveel ik na zes jaren dienst aan salaris zou hebben overgehouden, voegde daarbij de gratificaties, waarmee mijn meester wel mild zou zijn en kwam zoo tot een heel fortuin. Onder het bouwen van die luchtkasteelen viel ik in slaap.Ik stond den volgenden morgen om acht uur op en wilde de orders van mijn meester gaan ontvangen; maar toen ik mijn deur opende zag ik hem tot mijn verwondering voor mij staan. Hij zei: “Gil Blas, toen ik gisteravond uw zuster verliet, beloofde ik haar vanmorgen bij haar te komen, maar er is iets tusschenbeide gekomen, waardoor ik mijn woord niet kan houden. Ga haar dus zeggen, dat ik tot mijn spijt verhinderd ben, maar dat ik vanavond bij haar kom soupeeren. Dat is niet alles,” bij die laatste woorden gaf hij mij een leeren doosje, bezet met diamanten en een beurs, “breng haar mijn portret; en die beurs, waarin vijftig pistolen zijn, is voor u als een bewijs van vriendschap.”Zeer verheugd ging ik naar Laura en zei tot mijzelf: “De goede voorspelling komt uit. Wat een geluk, de broer te zijn van zulk een schoon en bekoorlijk meisje! ’t Is jammer, dat er niet evenveel eer aan verbonden is als voordeel.”Laura had, in tegenstelling met andere personen van haar beroep, de gewoonte om ’s morgens vroeg op te staan. Ikverrastehaar bij haar toilet, waarbij ze in afwachting van haren Portugees, bij hare natuurlijke bekoorlijkheden, ook nog die van de kunst voegde. “Beminnelijke Estelle, mijn meester zal niet het genoegen hebben u dezen morgen te zien, zooals hij met u had afgesproken.Hij is verhinderd, maar komt vanavond bij u soupeeren. Hij zendt u zijn portret, met iets dat u nog wel meer zal troosten.”Ik gaf haar het doosje, en de diamanten, waarmee het versierd was, bevielen haar buitengewoon. Glimlachend zei ze: “Dat zijn nu contrefeitsels waarvan de dames van het tooneel meer houden, dan van het origineel.”Vervolgens zei ik haar, dat ik een beurs had gekregen met vijftig pistolen. “Ik maak je er mijn compliment over,” zei ze, “die man begint met iets, waarmee de anderen nog maar zelden eindigen!””’t Is aan mijn aanbiddelijke zuster, dat ik dit cadeau te danken heb; de markies heeft het mij alleen om de familierelatie gegeven.”“Ik zou wel willen,” hernam ze, “dat hij iederen dag zoo iets deed. Ik kan je niet zeggen, hoe dierbaar je me bent. Van het eerste oogenblik af, dat ik je gezien heb, hechtte ik mij zoo sterk aan je. Toen je mij te Madrid verliet, wanhoopte ik er niet aan, je terug te zien en toen ik je gisteren terugzag, heb ik je ontvangen als een man, dien de Hemel naar mij toezond. In één woord, mijn vriend, wij zijn voor elkaar bestemd. Ge zult mijn man zijn, maar eerst moeten wij rijk wezen. De voorzichtigheid gebiedt, dat wij daarmee beginnen. Ik wil nog drie of vier galante avonturen hebben, om je een gemakkelijk leven te bezorgen.”Vriendelijk dankte ik haar voor de moeite, die zij zich voor mij wilde geven en wij bleven tot den middag bij elkaar. Toen ging ik heen, om mijn meester mee te deelen op welke wijze zij het cadeau had ontvangen. Hoewel Laura mij niets daaromtrent had gezegd, stelde ik onderweg een schoon compliment op, dat ik mij voornam namens haar te zeggen. Maar het was verloren moeite, want toen ik thuis kwam, zei men mij, dat de markies was uitgegaan. Het was besloten, dat ik hem niet weer zou zien, zooals men uit het volgende hoofdstuk zal vernemen.Hoofdstuk XIVan het nieuws, dat Gil Blas vernam, en dat voor hem was als een bliksemslag.Ik ging eten in mijn restauratie, waar ik twee heeren ontmoette, met wie ik mij aangenaam onderhield tot het tijd was, om naar den schouwburg te gaan. Hoewel ik alle redenen had voor een opgewekte stemming, voelde ik mij toch gedrukt en ik kon mij daartegen niet verzetten.Laat men toch nooit zeggen, dat wij geen voorgevoel kunnen hebben van de ongelukken, die ons dreigen!Toen ik den foyer binnenkwam, riep Melchior Zapata mij. Hij bracht mij in een afzonderlijk kamertje en zei: “Mijnheer, ik acht het mijn plicht u een zeer gewichtigen raad te geven. Ge weet, dat de markies de Marialva eerst verliefd was op Narcissa, mijn echtgenoote, maar dat Estelle hem tot zich wist te trekken. Ge kunt wel begrijpen, dat een actrice zulk een prooi niet zonder spijt verliest. Mijn vrouw zocht dan ook naar middelen, om zich te wreken en ongelukkig voor u heeft ze nu een goede gelegenheid. Ge herinnert u, dat we gisteren allen kwamen toeloopen om u te zien. Welnu, de onder-kaarsensnuiter kent u en zegt, dat het niet waar is, dat ge de broeder van Estelle zijt. Dat gerucht is gisteren Narcissa ter oore gekomen, die dadelijk den man nader heeft ondervraagd. Hij zegt, dat hij u gekend heeft toen ge de bediende bijArséniawaart en dat Estelle onder den naam van Laura daar ook in dienst was. Indien ge werkelijk de broer van Estelle niet zijt, dan raad ik u als vriend aan, om voor uw veiligheid te zorgen. Mijn vrouw, die zeer verheugd is over die ontdekking, heeft het plan haarmee te deelen aan den markies, die vanavond in den schouwburg komt. Ze vraagt echter slechts één slachtoffer en heeft mij toegestaan u te waarschuwen, zoodat ge door te vluchten een ongeluk kunt voorkomen.”De man zag wel aan mijn verschrikt gezicht, dat er geen reden bestond om de waarheid van de woorden van den kaarsensnuiter in twijfel te trekken. Ik bedankte hem voor zijn waarschuwing en besloot zijn raad op te volgen. Ik ging niet naar Laura, omdat ik begreep, dat zij actrice genoeg was om zich uit die moeilijkheid te redden, maar dat het voor mij in ieder geval verkeerd zou afloopen. In een oogenblik had ik mijn koffer uit huis gehaald en naar een koetsier gebracht, die den volgenden morgen om drie uur naarTolédozou vertrekken. Ik wenschte, dat ik reeds bij den graaf de Polan was, wiens huis de eenig veilige schuilplaats voor mij scheen. Maar ik was zoo ver nog niet en kon er niet anders dan met schrik aan denken, dat ik nog zoolang in een stad moest blijven, waar ik vreesde, dat men mij dadelijk was gaan zoeken. Ik durfde nauwelijks te gaan soupeeren en onderzocht met verschrikte blikken alle personen, die de zaal binnenkwamen. Daarna ging ik naar den koetsier en wierp mij tot het uur van vertrek op het stroo.Mijn geduld werd op een zware proef gesteld; duizend onaangename gedachten kwamen in mij op. Wanneer ik een oogenblik insliep, zag ik den markies de schoone Laura vermoorden en hem alles vernielen, of wel ik hoorde, dat hij zijn knechts last gaf mij met stokken dood te slaan. Ik werd met een schok wakker en hoewel dat anders heerlijk is na een benauwden droom, was het nu nog afschuwelijker dan de droom zelf. Gelukkig kwam de koetsier mij eindelijk waarschuwen, dat hij klaar was.Naarmate wij ons van Granada verwijderden, werd mijn geest rustiger. Ik begon gesprekken met den koetsier en lachte om de verhalen, die hij mij deed.Na een reis van drie dagen kwamen wij inTolédoaan. Mijn eerste zorg was, om te informeeren naar het huisvan den graaf de Polan, bij wien ik ongetwijfeld welkom zou zijn. Maar ongelukkigerwijs vertelde de concierge mij, dat zijn meester den vorigen avond op reis was gegaan naar het kasteel de Leyva, nadat men hem had bericht, dat Séraphine gevaarlijk ziek was.Wat moest ik toen verder inTolédodoen? Daar ik zoo dicht bij Madrid was, besloot ik daarheen te gaan. Misschien kon ik wel een betrekking krijgen aan het hof; ik had wel eens hooren zeggen, dat men geen buitengewoon begaafd mensch behoefde te zijn, om daar vooruit te komen.De fortuin geleidde mij en deed mij een grooter rol spelen, dan ik tot nu toe had gedaan.Hoofdstuk XIIGil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem naar Madrid had gebracht.Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar, onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen, dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel, hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft, die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveelgeld had stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te laten schrijven. “Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er niet de minste notitie van neemt.” Ik troostte hem door te zeggen, dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister gesproken had en deze had hem gezegd: “Mijnheer, ge behoeft niet zoo op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan, door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt, niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning, die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben bewezen aan den staat.” “Gij ziet dus wel,” zoo ging de kapitein voort, “dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel terug zal gaan, zooals ik ben gekomen.”Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij wilde dineeren en het avondeten gebruiken.Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite voor hem zijn smeekschriften teschrijven en die met hem samen te stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden, om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen, men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den duivel zouden loopen.Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. “Er steekt niets in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus van dezen Keizer heeft gekregen.”Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man, die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: “Mijn waarde oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen, beschik dan over mij.”“Hoe, Pédrille?” vroeg de oude heer, “als men u hoort,moet ge in dit huis een post van gewicht bekleeden.”“Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo, als gij zijt, te helpen,” was het antwoord.Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man, die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat hij van plan was te doen.Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: “Het is een jongen, die eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp.”Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. “Heeren,” zei hij, “gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. ’t Is een jong, mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman zal houden.”Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken, dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later zagen wijde uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met een triomfantelijk gezicht en zei: “Goed nieuws. De koning zal een uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom.”Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman merkte echter op: “We hebben te doen met een nog al wantrouwig persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen.”“Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!”“Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla.”Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.
Hoofdstuk VIIGeschiedenis van Laura.Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn tegenwoordig vak heb gekozen.Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde, om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een klooster brachten.Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen, mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans hing. Daarnabracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit mijnondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen met minder vleiende namen.Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo’n huichelachtig gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei: “Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet.” Hij zei niets meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt, dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: “Mijn beste Laura, ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort, maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand, waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn.”Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden vanZendono, die mij den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter, om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig, dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht, die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden, om ons op te sporen.Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen, waar wij zouden overnachten, zei hij: “Schoone Laura, wees er niet kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers, aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof, kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten.”Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwenen mij liet zien, dat hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer, dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel, dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger had gedragen.Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht, beschouwde ik eenvoudig als verloren.Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde naarSévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen, wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar levensweg had ontmoet: “Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is daarentegen ook slecht genoeg om u toete staan een beter aan te gaan, indien ge daartoe gelegenheid zult vinden.”Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken, wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: “De beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo”, door Lope de Vega Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid was, maar ’t was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij te zien en daar we ’s avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af, dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster klopte aan de deur, diePhénice, wier tong evenzeer jeukte als de mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten bij ons gekakel.Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam aan al het vragen en antwoorden.Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar, dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een of andere voorname dame. “Wel foei!” riep mijn vriendin, “hoe kan je aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde—ik schaam mij nog als ik eraan denk—lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden, waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt.”Hier viel ik Phénice in de rede; “waarom zegt ge me dit alles? ’t Is geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd, maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin in gekregen.”“Och kom!” zei Phénice. “Je weet toch wel, dat die groote actrices altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid, bevalligheid, een mooiestem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol jagen, als je actrice was!”Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega’s, die haar kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn, maakte ik goed door mijn fijnen smaak.Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt was. Grooten opgang maakte ik inSévilla. Gedurende drie weken was ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen, maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet mooi, maar rijk en edelmoedig. ’t Is waar, hij heeft er duur voor moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten, waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d’Alcacer, met wien zich, wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo’n jongen minnaar nam, maar don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was, meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven, dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid hadden weerkregen.Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield zich in dien tijd druk bezig met den eigenaarvan een goudsmidswinkel, die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.Mijn debuut te Granada was even schitterend als teSévilla. Weldra zag ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om, maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit opzicht niet sparen.”Hoofdstuk VIIIVan de ontvangst, die de comedianten van Granada Gil Blas bereidden en van de kennismaking, die hij hernieuwde in de foyers van den schouwburg.Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden vele complimenten.Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man, die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en twee stoelen. Mijn geleider zei: “U hebt het hier niet te ruim, maar in Lissabon zult ge prachtig logeeren.” Ik sloot mijn valies weg en vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vondik het geheele gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices, aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als ’t ware op mij. De vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler, die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis1heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.Ik wendde mij tot hem en zei: “Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten aan den rand van een bron, tusschen Valladolid enSégovia. Ik was een barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie.”Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: “Ge spreekt me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden toen zeer slecht.”“Ik herinner mij ook nog,” zei ik, “dat ge u toen zeer beklaagde over een al te verstandige vrouw, die ge hadt.”“O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd,” antwoordde hij.Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen, vroeg ik een anderen acteur, die me zei,“O, ge kunt haar zien, het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames.”Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren, maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn meester er geen tafel op nahield.1Zie boek II, hoofdstuk VII.Hoofdstuk IXMet welken buitengewonen man hij dien avond soupeerde en wat er tusschen hen voorviel.In de zaal bemerkte ik een soort van ouden monnik, die alleen in een hoek soupeerde. Uit nieuwsgierigheid ging ik tegenover hem zitten, ik groette hem zeer beleefd en hij beantwoordde mijn groet op dezelfde wijze. Men bracht mij mijn eten, waaraan ik met veel eetlust begon. Intusschen bemerkte ik, dat de oogen van den ouden man voortdurend op mij gericht waren. Daar mij dat begon te vervelen, zei ik: “Vader, kunnen wij elkaar misschien elders reeds hebben ontmoet? U ziet mij aan, als een man, dien u niet geheel onbekend is.”Hij antwoordde mij ernstig: “Indien ik mijn blikken op u laat rusten, dan is het om de groote verscheidenheid van avonturen te bewonderen, die aangegeven zijn in de trekken van uw gezicht.” “Daaruit maak ik op, dat ge aan gelaatkunde doet,” zei ik lachend.“Ik kan zeggen, dat ik die kennis bezit,” zei de monnik, “en daaruit voorspellingen te hebben gedaan, die in de toekomst bewaarheid zijn geworden. Ook kan ik voorspellen uit de hand en ik durf zeggen, dat mijn uitspraken onfeilbaar zijn, wanneer ik de inspectie van de hand vergeleken heb met die van het gezicht.”Hoewel de grijsaard er allen schijn van had, een verstandig man te zijn, vond ik hem zóó gek, dat ik niet kon nalaten hem in zijn gezicht uit te lachen. Inplaats van zich beleedigd te gevoelen door mijn onbeleefdheid, glimlachte hij en zei, na de zaal te hebben rondgekeken om zich te overtuigen dat niemand ons beluisterde: “Ik verwondermij er niet over u zoo vooringenomen te zien tegen twee wetenschappen, die heden ten dage voor dwaasheid doorgaan; de lange en moeilijke studie, welke ze eischen, ontmoedigen alle geleerden, die er dan van afzien en ze veroordeelen, omdat zij ze niet onder de knie hebben kunnen krijgen. Wat mij betreft, ik heb mij niet laten afschrikken door al die moeilijkheden. Ook heb ik lang de scheikunde bestudeerd en de kunst om van andere metalen goud te maken. Maar ik onderstel, dat ik spreek tot een jongeman, wien dat alles slechts droombeelden toeschijnen. Een bewijs van mijn kennis zal uw oordeel gunstiger daarover stemmen.” Bij die woorden haalde hij een flesch uit zijn zak, gevuld met een roode vloeistof. “Hier is een elixer, dat ik bereid heb uit verschillende planten. Ge zult er de kracht van bespeuren. De wijn, dien wij bij ons eten drinken, is zeer slecht, ik zal dien uitstekend maken.” Hij goot een paar druppels in mijn flesch en die maakte werkelijk mijn wijn beter dan de heerlijkste, dien men in Spanje drinkt. Een wonder werktaltijd op de verbeelding en als die eenmaal gewonnen is, gebruikt men zijn gezond verstand niet meer.Vol bewondering riep ik uit: “O vader, vergeef mij, dat ik u in het begin voor een ouden gek heb gehouden. Ik laat u nu alle recht wedervaren en behoef het niet eerst te zien om ervan overtuigd te zijn, dat ge, zoo ge wilt, een stuk ijzer in een stuk baar goud kunt veranderen! Wat zou ik gelukkig zijn, indien ik die zoo bewonderenswaardige wetenschap bezat!”De grijsaard slaakte een zucht en zei: “Dat de hemel u ervoor beware, mijn zoon. Ge weet niet, wat ge wenscht. Inplaats van mij te benijden, moet ge mij beklagen, dat ik mij zooveel moeite heb gegeven, om mijzelf ongelukkig te maken. Altijd ben ik in onrust, ik vrees ontdekt te worden en dat een eeuwigdurende gevangenschap het loon zal zijn voor al mijn werken. Daarom leid ik een zwervend leven, nu eens verkleed als priester of monnik, dan weer als edelman of boer. Is het een voordeel tot dien prijs goud te kunnen maken en zijn rijkdommen niet een ware marteling voor personen, die er niet rustig van kunnen genieten?”Ik antwoordde den ouden wijsgeer, dat ik zeer verstandig vond wat hij zei, maar dat ik toch gaarne mijn toekomstig lot van hem zou vernemen.“Met genoegen, mijn zoon, uw gelaatstrekken heb ik reeds bestudeerd, laat mij nu ook uw hand zien!” Ik bood hem die aan met een vertrouwen, dat mij zeker zal doen dalen in de achting van sommige lezers, hoewel ze in mijn plaats het misschien eveneens zouden hebben gedaan. Met zorgvuldigheid bekeek hij mijn hand en zei vervolgens: “Welk een overgangen van smart in vreugd en van vreugde in smart! Wat een grillige opeenvolging van tegenspoed en geluk! Maar ge hebt reeds een groot gedeelte van die veranderingen der fortuin ondervonden. Er blijft u nog maar weinig tegenspoed om te bestrijden en door een groot heer zult ge een aangenaam lot krijgen, dat niet meer aan verandering onderhevig is!”Na me verzekerd te hebben, dat ik op die voorspelling kon rekenen, verliet hij de zaal, mij achterlatende in gepeins over hetgeen ik had gehoord. Ik twijfelde er niet aan, of markies de Marialva was die bedoelde heer en bijgevolg scheen mij niets meer mogelijk dan de vervulling van zijn uitspraak. Maar zelfs al had ik niet de minste waarschijnlijkheid kunnen ontdekken, zou ik toch den monnik volkomen geloofd hebben, zóó’n grooten indruk had hij met zijn elixer op mij gemaakt. Om van mijn kant dat geluk te bevorderen, besloot ik mij aan den markies meer te hechten dan aan een van mijn vorige meesters. Na dit besluit te hebben genomen, ging ik vroolijk naar huis terug. Nooit heeft een vrouw zoo tevreden een waarzegster verlaten.Hoofdstuk XVan de opdracht, die de markies de Marialva aan Gil Blas gaf en hoe deze trouwe secretaris zich daarvan kweet.De markies was nog niet van zijn actrice terug en ik vond in zijn vertrek zijn bedienden, die kaartspeelden in afwachting van zijn thuiskomst. Ik maakte kennis met hen en wij amuseerden ons, tot hij omstreeks twee uur na middernacht verscheen. Hij was een weinig verrast en zei met een uitdrukking van welwillendheid, waaruit ik afleidde, dat hij tevreden was over den avond, dien hij had gehad: “Hoe, Gil Blas, zijt ge nog niet naar bed?” Ik antwoordde, dat ik gewacht had, om te vernemen of hij mij misschien nog iets te bevelen had. Hij antwoordde mij, dat hij den volgenden morgen iets voor mij te doen had, maar dat ik in het vervolg ’s avonds niet op hem behoefde te wachten, hetgeen mij genoegen deed.Daarna ging ik naar bed. Maar ik kon niet slapen en herinnerde mij daarom den raad, welken Pythagoras geeft, om ’s avonds alles te herinneren wat wij gedurende dien dag hebben gedaan, onszelf te prijzen om de goede en te laken om de slechte daden.Ik voelde mijn geweten niet zuiver genoeg, om over mijzelf tevreden te zijn, want ik verweet mij, wat er bij Laura was gebeurd. Wel kon ik zeggen, dat ik toch moeilijk een meisje kon logenstraffen, dat alleen zoo gehandeld had, om mij genoegen te doen en dat ik dus in de noodzakelijkheid verkeerde om haar medeplichtige te worden, maar die verontschuldiging stelde mij niet gerust. Het vertrouwen van mijn nieuwen meester vergold ik op die wijze al heel slecht en ik was het met mijzelfeens, dat, zoo ik al geen schelm was, het toch heel weinig scheelde. De gevolgen daarvan overwegende, meende ik een gevaarlijk spel te spelen. Dat joeg mij schrik aan. Maar andere gedachten kwamen dien schrik weer verdrijven. Bovendien kon de voorspelling van den man met het elixer voldoende zijn om mij gerust te stellen. Allerlei aangename beelden vertoonden zich aan mij. Ik rekende uit hoeveel ik na zes jaren dienst aan salaris zou hebben overgehouden, voegde daarbij de gratificaties, waarmee mijn meester wel mild zou zijn en kwam zoo tot een heel fortuin. Onder het bouwen van die luchtkasteelen viel ik in slaap.Ik stond den volgenden morgen om acht uur op en wilde de orders van mijn meester gaan ontvangen; maar toen ik mijn deur opende zag ik hem tot mijn verwondering voor mij staan. Hij zei: “Gil Blas, toen ik gisteravond uw zuster verliet, beloofde ik haar vanmorgen bij haar te komen, maar er is iets tusschenbeide gekomen, waardoor ik mijn woord niet kan houden. Ga haar dus zeggen, dat ik tot mijn spijt verhinderd ben, maar dat ik vanavond bij haar kom soupeeren. Dat is niet alles,” bij die laatste woorden gaf hij mij een leeren doosje, bezet met diamanten en een beurs, “breng haar mijn portret; en die beurs, waarin vijftig pistolen zijn, is voor u als een bewijs van vriendschap.”Zeer verheugd ging ik naar Laura en zei tot mijzelf: “De goede voorspelling komt uit. Wat een geluk, de broer te zijn van zulk een schoon en bekoorlijk meisje! ’t Is jammer, dat er niet evenveel eer aan verbonden is als voordeel.”Laura had, in tegenstelling met andere personen van haar beroep, de gewoonte om ’s morgens vroeg op te staan. Ikverrastehaar bij haar toilet, waarbij ze in afwachting van haren Portugees, bij hare natuurlijke bekoorlijkheden, ook nog die van de kunst voegde. “Beminnelijke Estelle, mijn meester zal niet het genoegen hebben u dezen morgen te zien, zooals hij met u had afgesproken.Hij is verhinderd, maar komt vanavond bij u soupeeren. Hij zendt u zijn portret, met iets dat u nog wel meer zal troosten.”Ik gaf haar het doosje, en de diamanten, waarmee het versierd was, bevielen haar buitengewoon. Glimlachend zei ze: “Dat zijn nu contrefeitsels waarvan de dames van het tooneel meer houden, dan van het origineel.”Vervolgens zei ik haar, dat ik een beurs had gekregen met vijftig pistolen. “Ik maak je er mijn compliment over,” zei ze, “die man begint met iets, waarmee de anderen nog maar zelden eindigen!””’t Is aan mijn aanbiddelijke zuster, dat ik dit cadeau te danken heb; de markies heeft het mij alleen om de familierelatie gegeven.”“Ik zou wel willen,” hernam ze, “dat hij iederen dag zoo iets deed. Ik kan je niet zeggen, hoe dierbaar je me bent. Van het eerste oogenblik af, dat ik je gezien heb, hechtte ik mij zoo sterk aan je. Toen je mij te Madrid verliet, wanhoopte ik er niet aan, je terug te zien en toen ik je gisteren terugzag, heb ik je ontvangen als een man, dien de Hemel naar mij toezond. In één woord, mijn vriend, wij zijn voor elkaar bestemd. Ge zult mijn man zijn, maar eerst moeten wij rijk wezen. De voorzichtigheid gebiedt, dat wij daarmee beginnen. Ik wil nog drie of vier galante avonturen hebben, om je een gemakkelijk leven te bezorgen.”Vriendelijk dankte ik haar voor de moeite, die zij zich voor mij wilde geven en wij bleven tot den middag bij elkaar. Toen ging ik heen, om mijn meester mee te deelen op welke wijze zij het cadeau had ontvangen. Hoewel Laura mij niets daaromtrent had gezegd, stelde ik onderweg een schoon compliment op, dat ik mij voornam namens haar te zeggen. Maar het was verloren moeite, want toen ik thuis kwam, zei men mij, dat de markies was uitgegaan. Het was besloten, dat ik hem niet weer zou zien, zooals men uit het volgende hoofdstuk zal vernemen.Hoofdstuk XIVan het nieuws, dat Gil Blas vernam, en dat voor hem was als een bliksemslag.Ik ging eten in mijn restauratie, waar ik twee heeren ontmoette, met wie ik mij aangenaam onderhield tot het tijd was, om naar den schouwburg te gaan. Hoewel ik alle redenen had voor een opgewekte stemming, voelde ik mij toch gedrukt en ik kon mij daartegen niet verzetten.Laat men toch nooit zeggen, dat wij geen voorgevoel kunnen hebben van de ongelukken, die ons dreigen!Toen ik den foyer binnenkwam, riep Melchior Zapata mij. Hij bracht mij in een afzonderlijk kamertje en zei: “Mijnheer, ik acht het mijn plicht u een zeer gewichtigen raad te geven. Ge weet, dat de markies de Marialva eerst verliefd was op Narcissa, mijn echtgenoote, maar dat Estelle hem tot zich wist te trekken. Ge kunt wel begrijpen, dat een actrice zulk een prooi niet zonder spijt verliest. Mijn vrouw zocht dan ook naar middelen, om zich te wreken en ongelukkig voor u heeft ze nu een goede gelegenheid. Ge herinnert u, dat we gisteren allen kwamen toeloopen om u te zien. Welnu, de onder-kaarsensnuiter kent u en zegt, dat het niet waar is, dat ge de broeder van Estelle zijt. Dat gerucht is gisteren Narcissa ter oore gekomen, die dadelijk den man nader heeft ondervraagd. Hij zegt, dat hij u gekend heeft toen ge de bediende bijArséniawaart en dat Estelle onder den naam van Laura daar ook in dienst was. Indien ge werkelijk de broer van Estelle niet zijt, dan raad ik u als vriend aan, om voor uw veiligheid te zorgen. Mijn vrouw, die zeer verheugd is over die ontdekking, heeft het plan haarmee te deelen aan den markies, die vanavond in den schouwburg komt. Ze vraagt echter slechts één slachtoffer en heeft mij toegestaan u te waarschuwen, zoodat ge door te vluchten een ongeluk kunt voorkomen.”De man zag wel aan mijn verschrikt gezicht, dat er geen reden bestond om de waarheid van de woorden van den kaarsensnuiter in twijfel te trekken. Ik bedankte hem voor zijn waarschuwing en besloot zijn raad op te volgen. Ik ging niet naar Laura, omdat ik begreep, dat zij actrice genoeg was om zich uit die moeilijkheid te redden, maar dat het voor mij in ieder geval verkeerd zou afloopen. In een oogenblik had ik mijn koffer uit huis gehaald en naar een koetsier gebracht, die den volgenden morgen om drie uur naarTolédozou vertrekken. Ik wenschte, dat ik reeds bij den graaf de Polan was, wiens huis de eenig veilige schuilplaats voor mij scheen. Maar ik was zoo ver nog niet en kon er niet anders dan met schrik aan denken, dat ik nog zoolang in een stad moest blijven, waar ik vreesde, dat men mij dadelijk was gaan zoeken. Ik durfde nauwelijks te gaan soupeeren en onderzocht met verschrikte blikken alle personen, die de zaal binnenkwamen. Daarna ging ik naar den koetsier en wierp mij tot het uur van vertrek op het stroo.Mijn geduld werd op een zware proef gesteld; duizend onaangename gedachten kwamen in mij op. Wanneer ik een oogenblik insliep, zag ik den markies de schoone Laura vermoorden en hem alles vernielen, of wel ik hoorde, dat hij zijn knechts last gaf mij met stokken dood te slaan. Ik werd met een schok wakker en hoewel dat anders heerlijk is na een benauwden droom, was het nu nog afschuwelijker dan de droom zelf. Gelukkig kwam de koetsier mij eindelijk waarschuwen, dat hij klaar was.Naarmate wij ons van Granada verwijderden, werd mijn geest rustiger. Ik begon gesprekken met den koetsier en lachte om de verhalen, die hij mij deed.Na een reis van drie dagen kwamen wij inTolédoaan. Mijn eerste zorg was, om te informeeren naar het huisvan den graaf de Polan, bij wien ik ongetwijfeld welkom zou zijn. Maar ongelukkigerwijs vertelde de concierge mij, dat zijn meester den vorigen avond op reis was gegaan naar het kasteel de Leyva, nadat men hem had bericht, dat Séraphine gevaarlijk ziek was.Wat moest ik toen verder inTolédodoen? Daar ik zoo dicht bij Madrid was, besloot ik daarheen te gaan. Misschien kon ik wel een betrekking krijgen aan het hof; ik had wel eens hooren zeggen, dat men geen buitengewoon begaafd mensch behoefde te zijn, om daar vooruit te komen.De fortuin geleidde mij en deed mij een grooter rol spelen, dan ik tot nu toe had gedaan.Hoofdstuk XIIGil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem naar Madrid had gebracht.Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar, onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen, dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel, hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft, die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveelgeld had stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te laten schrijven. “Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er niet de minste notitie van neemt.” Ik troostte hem door te zeggen, dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister gesproken had en deze had hem gezegd: “Mijnheer, ge behoeft niet zoo op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan, door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt, niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning, die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben bewezen aan den staat.” “Gij ziet dus wel,” zoo ging de kapitein voort, “dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel terug zal gaan, zooals ik ben gekomen.”Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij wilde dineeren en het avondeten gebruiken.Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite voor hem zijn smeekschriften teschrijven en die met hem samen te stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden, om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen, men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den duivel zouden loopen.Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. “Er steekt niets in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus van dezen Keizer heeft gekregen.”Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man, die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: “Mijn waarde oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen, beschik dan over mij.”“Hoe, Pédrille?” vroeg de oude heer, “als men u hoort,moet ge in dit huis een post van gewicht bekleeden.”“Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo, als gij zijt, te helpen,” was het antwoord.Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man, die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat hij van plan was te doen.Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: “Het is een jongen, die eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp.”Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. “Heeren,” zei hij, “gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. ’t Is een jong, mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman zal houden.”Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken, dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later zagen wijde uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met een triomfantelijk gezicht en zei: “Goed nieuws. De koning zal een uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom.”Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman merkte echter op: “We hebben te doen met een nog al wantrouwig persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen.”“Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!”“Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla.”Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.
Hoofdstuk VIIGeschiedenis van Laura.Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn tegenwoordig vak heb gekozen.Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde, om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een klooster brachten.Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen, mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans hing. Daarnabracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit mijnondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen met minder vleiende namen.Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo’n huichelachtig gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei: “Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet.” Hij zei niets meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt, dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: “Mijn beste Laura, ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort, maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand, waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn.”Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden vanZendono, die mij den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter, om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig, dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht, die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden, om ons op te sporen.Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen, waar wij zouden overnachten, zei hij: “Schoone Laura, wees er niet kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers, aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof, kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten.”Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwenen mij liet zien, dat hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer, dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel, dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger had gedragen.Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht, beschouwde ik eenvoudig als verloren.Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde naarSévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen, wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar levensweg had ontmoet: “Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is daarentegen ook slecht genoeg om u toete staan een beter aan te gaan, indien ge daartoe gelegenheid zult vinden.”Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken, wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: “De beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo”, door Lope de Vega Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid was, maar ’t was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij te zien en daar we ’s avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af, dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster klopte aan de deur, diePhénice, wier tong evenzeer jeukte als de mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten bij ons gekakel.Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam aan al het vragen en antwoorden.Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar, dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een of andere voorname dame. “Wel foei!” riep mijn vriendin, “hoe kan je aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde—ik schaam mij nog als ik eraan denk—lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden, waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt.”Hier viel ik Phénice in de rede; “waarom zegt ge me dit alles? ’t Is geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd, maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin in gekregen.”“Och kom!” zei Phénice. “Je weet toch wel, dat die groote actrices altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid, bevalligheid, een mooiestem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol jagen, als je actrice was!”Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega’s, die haar kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn, maakte ik goed door mijn fijnen smaak.Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt was. Grooten opgang maakte ik inSévilla. Gedurende drie weken was ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen, maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet mooi, maar rijk en edelmoedig. ’t Is waar, hij heeft er duur voor moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten, waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d’Alcacer, met wien zich, wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo’n jongen minnaar nam, maar don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was, meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven, dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid hadden weerkregen.Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield zich in dien tijd druk bezig met den eigenaarvan een goudsmidswinkel, die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.Mijn debuut te Granada was even schitterend als teSévilla. Weldra zag ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om, maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit opzicht niet sparen.”
Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn tegenwoordig vak heb gekozen.
Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.
Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde, om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een klooster brachten.
Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen, mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans hing. Daarnabracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit mijnondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen met minder vleiende namen.
Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo’n huichelachtig gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.
Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei: “Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet.” Hij zei niets meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt, dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: “Mijn beste Laura, ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort, maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand, waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn.”
Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden vanZendono, die mij den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter, om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig, dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht, die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden, om ons op te sporen.
Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen, waar wij zouden overnachten, zei hij: “Schoone Laura, wees er niet kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers, aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof, kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten.”
Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwenen mij liet zien, dat hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer, dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel, dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.
Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!
Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger had gedragen.Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht, beschouwde ik eenvoudig als verloren.
Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.
Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde naarSévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen, wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.
Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar levensweg had ontmoet: “Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is daarentegen ook slecht genoeg om u toete staan een beter aan te gaan, indien ge daartoe gelegenheid zult vinden.”
Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken, wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.
Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: “De beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo”, door Lope de Vega Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid was, maar ’t was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,
Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij te zien en daar we ’s avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af, dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.
Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster klopte aan de deur, diePhénice, wier tong evenzeer jeukte als de mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten bij ons gekakel.
Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam aan al het vragen en antwoorden.
Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar, dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een of andere voorname dame. “Wel foei!” riep mijn vriendin, “hoe kan je aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde—ik schaam mij nog als ik eraan denk—lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden, waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt.”
Hier viel ik Phénice in de rede; “waarom zegt ge me dit alles? ’t Is geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd, maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin in gekregen.”
“Och kom!” zei Phénice. “Je weet toch wel, dat die groote actrices altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid, bevalligheid, een mooiestem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol jagen, als je actrice was!”
Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega’s, die haar kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.
Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn, maakte ik goed door mijn fijnen smaak.
Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt was. Grooten opgang maakte ik inSévilla. Gedurende drie weken was ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen, maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet mooi, maar rijk en edelmoedig. ’t Is waar, hij heeft er duur voor moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten, waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.
Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d’Alcacer, met wien zich, wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.
Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo’n jongen minnaar nam, maar don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was, meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven, dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid hadden weerkregen.
Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.
In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield zich in dien tijd druk bezig met den eigenaarvan een goudsmidswinkel, die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.
Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.
Mijn debuut te Granada was even schitterend als teSévilla. Weldra zag ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om, maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit opzicht niet sparen.”
Hoofdstuk VIIIVan de ontvangst, die de comedianten van Granada Gil Blas bereidden en van de kennismaking, die hij hernieuwde in de foyers van den schouwburg.Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden vele complimenten.Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man, die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en twee stoelen. Mijn geleider zei: “U hebt het hier niet te ruim, maar in Lissabon zult ge prachtig logeeren.” Ik sloot mijn valies weg en vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vondik het geheele gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices, aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als ’t ware op mij. De vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler, die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis1heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.Ik wendde mij tot hem en zei: “Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten aan den rand van een bron, tusschen Valladolid enSégovia. Ik was een barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie.”Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: “Ge spreekt me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden toen zeer slecht.”“Ik herinner mij ook nog,” zei ik, “dat ge u toen zeer beklaagde over een al te verstandige vrouw, die ge hadt.”“O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd,” antwoordde hij.Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen, vroeg ik een anderen acteur, die me zei,“O, ge kunt haar zien, het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames.”Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren, maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn meester er geen tafel op nahield.1Zie boek II, hoofdstuk VII.
Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden vele complimenten.
Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man, die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en twee stoelen. Mijn geleider zei: “U hebt het hier niet te ruim, maar in Lissabon zult ge prachtig logeeren.” Ik sloot mijn valies weg en vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.
Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vondik het geheele gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices, aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als ’t ware op mij. De vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.
Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.
Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler, die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis1heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.
Ik wendde mij tot hem en zei: “Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten aan den rand van een bron, tusschen Valladolid enSégovia. Ik was een barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie.”
Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: “Ge spreekt me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden toen zeer slecht.”
“Ik herinner mij ook nog,” zei ik, “dat ge u toen zeer beklaagde over een al te verstandige vrouw, die ge hadt.”
“O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd,” antwoordde hij.
Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen, vroeg ik een anderen acteur, die me zei,“O, ge kunt haar zien, het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames.”
Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.
Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren, maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn meester er geen tafel op nahield.
1Zie boek II, hoofdstuk VII.
1Zie boek II, hoofdstuk VII.
Hoofdstuk IXMet welken buitengewonen man hij dien avond soupeerde en wat er tusschen hen voorviel.In de zaal bemerkte ik een soort van ouden monnik, die alleen in een hoek soupeerde. Uit nieuwsgierigheid ging ik tegenover hem zitten, ik groette hem zeer beleefd en hij beantwoordde mijn groet op dezelfde wijze. Men bracht mij mijn eten, waaraan ik met veel eetlust begon. Intusschen bemerkte ik, dat de oogen van den ouden man voortdurend op mij gericht waren. Daar mij dat begon te vervelen, zei ik: “Vader, kunnen wij elkaar misschien elders reeds hebben ontmoet? U ziet mij aan, als een man, dien u niet geheel onbekend is.”Hij antwoordde mij ernstig: “Indien ik mijn blikken op u laat rusten, dan is het om de groote verscheidenheid van avonturen te bewonderen, die aangegeven zijn in de trekken van uw gezicht.” “Daaruit maak ik op, dat ge aan gelaatkunde doet,” zei ik lachend.“Ik kan zeggen, dat ik die kennis bezit,” zei de monnik, “en daaruit voorspellingen te hebben gedaan, die in de toekomst bewaarheid zijn geworden. Ook kan ik voorspellen uit de hand en ik durf zeggen, dat mijn uitspraken onfeilbaar zijn, wanneer ik de inspectie van de hand vergeleken heb met die van het gezicht.”Hoewel de grijsaard er allen schijn van had, een verstandig man te zijn, vond ik hem zóó gek, dat ik niet kon nalaten hem in zijn gezicht uit te lachen. Inplaats van zich beleedigd te gevoelen door mijn onbeleefdheid, glimlachte hij en zei, na de zaal te hebben rondgekeken om zich te overtuigen dat niemand ons beluisterde: “Ik verwondermij er niet over u zoo vooringenomen te zien tegen twee wetenschappen, die heden ten dage voor dwaasheid doorgaan; de lange en moeilijke studie, welke ze eischen, ontmoedigen alle geleerden, die er dan van afzien en ze veroordeelen, omdat zij ze niet onder de knie hebben kunnen krijgen. Wat mij betreft, ik heb mij niet laten afschrikken door al die moeilijkheden. Ook heb ik lang de scheikunde bestudeerd en de kunst om van andere metalen goud te maken. Maar ik onderstel, dat ik spreek tot een jongeman, wien dat alles slechts droombeelden toeschijnen. Een bewijs van mijn kennis zal uw oordeel gunstiger daarover stemmen.” Bij die woorden haalde hij een flesch uit zijn zak, gevuld met een roode vloeistof. “Hier is een elixer, dat ik bereid heb uit verschillende planten. Ge zult er de kracht van bespeuren. De wijn, dien wij bij ons eten drinken, is zeer slecht, ik zal dien uitstekend maken.” Hij goot een paar druppels in mijn flesch en die maakte werkelijk mijn wijn beter dan de heerlijkste, dien men in Spanje drinkt. Een wonder werktaltijd op de verbeelding en als die eenmaal gewonnen is, gebruikt men zijn gezond verstand niet meer.Vol bewondering riep ik uit: “O vader, vergeef mij, dat ik u in het begin voor een ouden gek heb gehouden. Ik laat u nu alle recht wedervaren en behoef het niet eerst te zien om ervan overtuigd te zijn, dat ge, zoo ge wilt, een stuk ijzer in een stuk baar goud kunt veranderen! Wat zou ik gelukkig zijn, indien ik die zoo bewonderenswaardige wetenschap bezat!”De grijsaard slaakte een zucht en zei: “Dat de hemel u ervoor beware, mijn zoon. Ge weet niet, wat ge wenscht. Inplaats van mij te benijden, moet ge mij beklagen, dat ik mij zooveel moeite heb gegeven, om mijzelf ongelukkig te maken. Altijd ben ik in onrust, ik vrees ontdekt te worden en dat een eeuwigdurende gevangenschap het loon zal zijn voor al mijn werken. Daarom leid ik een zwervend leven, nu eens verkleed als priester of monnik, dan weer als edelman of boer. Is het een voordeel tot dien prijs goud te kunnen maken en zijn rijkdommen niet een ware marteling voor personen, die er niet rustig van kunnen genieten?”Ik antwoordde den ouden wijsgeer, dat ik zeer verstandig vond wat hij zei, maar dat ik toch gaarne mijn toekomstig lot van hem zou vernemen.“Met genoegen, mijn zoon, uw gelaatstrekken heb ik reeds bestudeerd, laat mij nu ook uw hand zien!” Ik bood hem die aan met een vertrouwen, dat mij zeker zal doen dalen in de achting van sommige lezers, hoewel ze in mijn plaats het misschien eveneens zouden hebben gedaan. Met zorgvuldigheid bekeek hij mijn hand en zei vervolgens: “Welk een overgangen van smart in vreugd en van vreugde in smart! Wat een grillige opeenvolging van tegenspoed en geluk! Maar ge hebt reeds een groot gedeelte van die veranderingen der fortuin ondervonden. Er blijft u nog maar weinig tegenspoed om te bestrijden en door een groot heer zult ge een aangenaam lot krijgen, dat niet meer aan verandering onderhevig is!”Na me verzekerd te hebben, dat ik op die voorspelling kon rekenen, verliet hij de zaal, mij achterlatende in gepeins over hetgeen ik had gehoord. Ik twijfelde er niet aan, of markies de Marialva was die bedoelde heer en bijgevolg scheen mij niets meer mogelijk dan de vervulling van zijn uitspraak. Maar zelfs al had ik niet de minste waarschijnlijkheid kunnen ontdekken, zou ik toch den monnik volkomen geloofd hebben, zóó’n grooten indruk had hij met zijn elixer op mij gemaakt. Om van mijn kant dat geluk te bevorderen, besloot ik mij aan den markies meer te hechten dan aan een van mijn vorige meesters. Na dit besluit te hebben genomen, ging ik vroolijk naar huis terug. Nooit heeft een vrouw zoo tevreden een waarzegster verlaten.
In de zaal bemerkte ik een soort van ouden monnik, die alleen in een hoek soupeerde. Uit nieuwsgierigheid ging ik tegenover hem zitten, ik groette hem zeer beleefd en hij beantwoordde mijn groet op dezelfde wijze. Men bracht mij mijn eten, waaraan ik met veel eetlust begon. Intusschen bemerkte ik, dat de oogen van den ouden man voortdurend op mij gericht waren. Daar mij dat begon te vervelen, zei ik: “Vader, kunnen wij elkaar misschien elders reeds hebben ontmoet? U ziet mij aan, als een man, dien u niet geheel onbekend is.”
Hij antwoordde mij ernstig: “Indien ik mijn blikken op u laat rusten, dan is het om de groote verscheidenheid van avonturen te bewonderen, die aangegeven zijn in de trekken van uw gezicht.” “Daaruit maak ik op, dat ge aan gelaatkunde doet,” zei ik lachend.
“Ik kan zeggen, dat ik die kennis bezit,” zei de monnik, “en daaruit voorspellingen te hebben gedaan, die in de toekomst bewaarheid zijn geworden. Ook kan ik voorspellen uit de hand en ik durf zeggen, dat mijn uitspraken onfeilbaar zijn, wanneer ik de inspectie van de hand vergeleken heb met die van het gezicht.”
Hoewel de grijsaard er allen schijn van had, een verstandig man te zijn, vond ik hem zóó gek, dat ik niet kon nalaten hem in zijn gezicht uit te lachen. Inplaats van zich beleedigd te gevoelen door mijn onbeleefdheid, glimlachte hij en zei, na de zaal te hebben rondgekeken om zich te overtuigen dat niemand ons beluisterde: “Ik verwondermij er niet over u zoo vooringenomen te zien tegen twee wetenschappen, die heden ten dage voor dwaasheid doorgaan; de lange en moeilijke studie, welke ze eischen, ontmoedigen alle geleerden, die er dan van afzien en ze veroordeelen, omdat zij ze niet onder de knie hebben kunnen krijgen. Wat mij betreft, ik heb mij niet laten afschrikken door al die moeilijkheden. Ook heb ik lang de scheikunde bestudeerd en de kunst om van andere metalen goud te maken. Maar ik onderstel, dat ik spreek tot een jongeman, wien dat alles slechts droombeelden toeschijnen. Een bewijs van mijn kennis zal uw oordeel gunstiger daarover stemmen.” Bij die woorden haalde hij een flesch uit zijn zak, gevuld met een roode vloeistof. “Hier is een elixer, dat ik bereid heb uit verschillende planten. Ge zult er de kracht van bespeuren. De wijn, dien wij bij ons eten drinken, is zeer slecht, ik zal dien uitstekend maken.” Hij goot een paar druppels in mijn flesch en die maakte werkelijk mijn wijn beter dan de heerlijkste, dien men in Spanje drinkt. Een wonder werktaltijd op de verbeelding en als die eenmaal gewonnen is, gebruikt men zijn gezond verstand niet meer.
Vol bewondering riep ik uit: “O vader, vergeef mij, dat ik u in het begin voor een ouden gek heb gehouden. Ik laat u nu alle recht wedervaren en behoef het niet eerst te zien om ervan overtuigd te zijn, dat ge, zoo ge wilt, een stuk ijzer in een stuk baar goud kunt veranderen! Wat zou ik gelukkig zijn, indien ik die zoo bewonderenswaardige wetenschap bezat!”
De grijsaard slaakte een zucht en zei: “Dat de hemel u ervoor beware, mijn zoon. Ge weet niet, wat ge wenscht. Inplaats van mij te benijden, moet ge mij beklagen, dat ik mij zooveel moeite heb gegeven, om mijzelf ongelukkig te maken. Altijd ben ik in onrust, ik vrees ontdekt te worden en dat een eeuwigdurende gevangenschap het loon zal zijn voor al mijn werken. Daarom leid ik een zwervend leven, nu eens verkleed als priester of monnik, dan weer als edelman of boer. Is het een voordeel tot dien prijs goud te kunnen maken en zijn rijkdommen niet een ware marteling voor personen, die er niet rustig van kunnen genieten?”
Ik antwoordde den ouden wijsgeer, dat ik zeer verstandig vond wat hij zei, maar dat ik toch gaarne mijn toekomstig lot van hem zou vernemen.
“Met genoegen, mijn zoon, uw gelaatstrekken heb ik reeds bestudeerd, laat mij nu ook uw hand zien!” Ik bood hem die aan met een vertrouwen, dat mij zeker zal doen dalen in de achting van sommige lezers, hoewel ze in mijn plaats het misschien eveneens zouden hebben gedaan. Met zorgvuldigheid bekeek hij mijn hand en zei vervolgens: “Welk een overgangen van smart in vreugd en van vreugde in smart! Wat een grillige opeenvolging van tegenspoed en geluk! Maar ge hebt reeds een groot gedeelte van die veranderingen der fortuin ondervonden. Er blijft u nog maar weinig tegenspoed om te bestrijden en door een groot heer zult ge een aangenaam lot krijgen, dat niet meer aan verandering onderhevig is!”
Na me verzekerd te hebben, dat ik op die voorspelling kon rekenen, verliet hij de zaal, mij achterlatende in gepeins over hetgeen ik had gehoord. Ik twijfelde er niet aan, of markies de Marialva was die bedoelde heer en bijgevolg scheen mij niets meer mogelijk dan de vervulling van zijn uitspraak. Maar zelfs al had ik niet de minste waarschijnlijkheid kunnen ontdekken, zou ik toch den monnik volkomen geloofd hebben, zóó’n grooten indruk had hij met zijn elixer op mij gemaakt. Om van mijn kant dat geluk te bevorderen, besloot ik mij aan den markies meer te hechten dan aan een van mijn vorige meesters. Na dit besluit te hebben genomen, ging ik vroolijk naar huis terug. Nooit heeft een vrouw zoo tevreden een waarzegster verlaten.
Hoofdstuk XVan de opdracht, die de markies de Marialva aan Gil Blas gaf en hoe deze trouwe secretaris zich daarvan kweet.De markies was nog niet van zijn actrice terug en ik vond in zijn vertrek zijn bedienden, die kaartspeelden in afwachting van zijn thuiskomst. Ik maakte kennis met hen en wij amuseerden ons, tot hij omstreeks twee uur na middernacht verscheen. Hij was een weinig verrast en zei met een uitdrukking van welwillendheid, waaruit ik afleidde, dat hij tevreden was over den avond, dien hij had gehad: “Hoe, Gil Blas, zijt ge nog niet naar bed?” Ik antwoordde, dat ik gewacht had, om te vernemen of hij mij misschien nog iets te bevelen had. Hij antwoordde mij, dat hij den volgenden morgen iets voor mij te doen had, maar dat ik in het vervolg ’s avonds niet op hem behoefde te wachten, hetgeen mij genoegen deed.Daarna ging ik naar bed. Maar ik kon niet slapen en herinnerde mij daarom den raad, welken Pythagoras geeft, om ’s avonds alles te herinneren wat wij gedurende dien dag hebben gedaan, onszelf te prijzen om de goede en te laken om de slechte daden.Ik voelde mijn geweten niet zuiver genoeg, om over mijzelf tevreden te zijn, want ik verweet mij, wat er bij Laura was gebeurd. Wel kon ik zeggen, dat ik toch moeilijk een meisje kon logenstraffen, dat alleen zoo gehandeld had, om mij genoegen te doen en dat ik dus in de noodzakelijkheid verkeerde om haar medeplichtige te worden, maar die verontschuldiging stelde mij niet gerust. Het vertrouwen van mijn nieuwen meester vergold ik op die wijze al heel slecht en ik was het met mijzelfeens, dat, zoo ik al geen schelm was, het toch heel weinig scheelde. De gevolgen daarvan overwegende, meende ik een gevaarlijk spel te spelen. Dat joeg mij schrik aan. Maar andere gedachten kwamen dien schrik weer verdrijven. Bovendien kon de voorspelling van den man met het elixer voldoende zijn om mij gerust te stellen. Allerlei aangename beelden vertoonden zich aan mij. Ik rekende uit hoeveel ik na zes jaren dienst aan salaris zou hebben overgehouden, voegde daarbij de gratificaties, waarmee mijn meester wel mild zou zijn en kwam zoo tot een heel fortuin. Onder het bouwen van die luchtkasteelen viel ik in slaap.Ik stond den volgenden morgen om acht uur op en wilde de orders van mijn meester gaan ontvangen; maar toen ik mijn deur opende zag ik hem tot mijn verwondering voor mij staan. Hij zei: “Gil Blas, toen ik gisteravond uw zuster verliet, beloofde ik haar vanmorgen bij haar te komen, maar er is iets tusschenbeide gekomen, waardoor ik mijn woord niet kan houden. Ga haar dus zeggen, dat ik tot mijn spijt verhinderd ben, maar dat ik vanavond bij haar kom soupeeren. Dat is niet alles,” bij die laatste woorden gaf hij mij een leeren doosje, bezet met diamanten en een beurs, “breng haar mijn portret; en die beurs, waarin vijftig pistolen zijn, is voor u als een bewijs van vriendschap.”Zeer verheugd ging ik naar Laura en zei tot mijzelf: “De goede voorspelling komt uit. Wat een geluk, de broer te zijn van zulk een schoon en bekoorlijk meisje! ’t Is jammer, dat er niet evenveel eer aan verbonden is als voordeel.”Laura had, in tegenstelling met andere personen van haar beroep, de gewoonte om ’s morgens vroeg op te staan. Ikverrastehaar bij haar toilet, waarbij ze in afwachting van haren Portugees, bij hare natuurlijke bekoorlijkheden, ook nog die van de kunst voegde. “Beminnelijke Estelle, mijn meester zal niet het genoegen hebben u dezen morgen te zien, zooals hij met u had afgesproken.Hij is verhinderd, maar komt vanavond bij u soupeeren. Hij zendt u zijn portret, met iets dat u nog wel meer zal troosten.”Ik gaf haar het doosje, en de diamanten, waarmee het versierd was, bevielen haar buitengewoon. Glimlachend zei ze: “Dat zijn nu contrefeitsels waarvan de dames van het tooneel meer houden, dan van het origineel.”Vervolgens zei ik haar, dat ik een beurs had gekregen met vijftig pistolen. “Ik maak je er mijn compliment over,” zei ze, “die man begint met iets, waarmee de anderen nog maar zelden eindigen!””’t Is aan mijn aanbiddelijke zuster, dat ik dit cadeau te danken heb; de markies heeft het mij alleen om de familierelatie gegeven.”“Ik zou wel willen,” hernam ze, “dat hij iederen dag zoo iets deed. Ik kan je niet zeggen, hoe dierbaar je me bent. Van het eerste oogenblik af, dat ik je gezien heb, hechtte ik mij zoo sterk aan je. Toen je mij te Madrid verliet, wanhoopte ik er niet aan, je terug te zien en toen ik je gisteren terugzag, heb ik je ontvangen als een man, dien de Hemel naar mij toezond. In één woord, mijn vriend, wij zijn voor elkaar bestemd. Ge zult mijn man zijn, maar eerst moeten wij rijk wezen. De voorzichtigheid gebiedt, dat wij daarmee beginnen. Ik wil nog drie of vier galante avonturen hebben, om je een gemakkelijk leven te bezorgen.”Vriendelijk dankte ik haar voor de moeite, die zij zich voor mij wilde geven en wij bleven tot den middag bij elkaar. Toen ging ik heen, om mijn meester mee te deelen op welke wijze zij het cadeau had ontvangen. Hoewel Laura mij niets daaromtrent had gezegd, stelde ik onderweg een schoon compliment op, dat ik mij voornam namens haar te zeggen. Maar het was verloren moeite, want toen ik thuis kwam, zei men mij, dat de markies was uitgegaan. Het was besloten, dat ik hem niet weer zou zien, zooals men uit het volgende hoofdstuk zal vernemen.
De markies was nog niet van zijn actrice terug en ik vond in zijn vertrek zijn bedienden, die kaartspeelden in afwachting van zijn thuiskomst. Ik maakte kennis met hen en wij amuseerden ons, tot hij omstreeks twee uur na middernacht verscheen. Hij was een weinig verrast en zei met een uitdrukking van welwillendheid, waaruit ik afleidde, dat hij tevreden was over den avond, dien hij had gehad: “Hoe, Gil Blas, zijt ge nog niet naar bed?” Ik antwoordde, dat ik gewacht had, om te vernemen of hij mij misschien nog iets te bevelen had. Hij antwoordde mij, dat hij den volgenden morgen iets voor mij te doen had, maar dat ik in het vervolg ’s avonds niet op hem behoefde te wachten, hetgeen mij genoegen deed.
Daarna ging ik naar bed. Maar ik kon niet slapen en herinnerde mij daarom den raad, welken Pythagoras geeft, om ’s avonds alles te herinneren wat wij gedurende dien dag hebben gedaan, onszelf te prijzen om de goede en te laken om de slechte daden.
Ik voelde mijn geweten niet zuiver genoeg, om over mijzelf tevreden te zijn, want ik verweet mij, wat er bij Laura was gebeurd. Wel kon ik zeggen, dat ik toch moeilijk een meisje kon logenstraffen, dat alleen zoo gehandeld had, om mij genoegen te doen en dat ik dus in de noodzakelijkheid verkeerde om haar medeplichtige te worden, maar die verontschuldiging stelde mij niet gerust. Het vertrouwen van mijn nieuwen meester vergold ik op die wijze al heel slecht en ik was het met mijzelfeens, dat, zoo ik al geen schelm was, het toch heel weinig scheelde. De gevolgen daarvan overwegende, meende ik een gevaarlijk spel te spelen. Dat joeg mij schrik aan. Maar andere gedachten kwamen dien schrik weer verdrijven. Bovendien kon de voorspelling van den man met het elixer voldoende zijn om mij gerust te stellen. Allerlei aangename beelden vertoonden zich aan mij. Ik rekende uit hoeveel ik na zes jaren dienst aan salaris zou hebben overgehouden, voegde daarbij de gratificaties, waarmee mijn meester wel mild zou zijn en kwam zoo tot een heel fortuin. Onder het bouwen van die luchtkasteelen viel ik in slaap.
Ik stond den volgenden morgen om acht uur op en wilde de orders van mijn meester gaan ontvangen; maar toen ik mijn deur opende zag ik hem tot mijn verwondering voor mij staan. Hij zei: “Gil Blas, toen ik gisteravond uw zuster verliet, beloofde ik haar vanmorgen bij haar te komen, maar er is iets tusschenbeide gekomen, waardoor ik mijn woord niet kan houden. Ga haar dus zeggen, dat ik tot mijn spijt verhinderd ben, maar dat ik vanavond bij haar kom soupeeren. Dat is niet alles,” bij die laatste woorden gaf hij mij een leeren doosje, bezet met diamanten en een beurs, “breng haar mijn portret; en die beurs, waarin vijftig pistolen zijn, is voor u als een bewijs van vriendschap.”
Zeer verheugd ging ik naar Laura en zei tot mijzelf: “De goede voorspelling komt uit. Wat een geluk, de broer te zijn van zulk een schoon en bekoorlijk meisje! ’t Is jammer, dat er niet evenveel eer aan verbonden is als voordeel.”
Laura had, in tegenstelling met andere personen van haar beroep, de gewoonte om ’s morgens vroeg op te staan. Ikverrastehaar bij haar toilet, waarbij ze in afwachting van haren Portugees, bij hare natuurlijke bekoorlijkheden, ook nog die van de kunst voegde. “Beminnelijke Estelle, mijn meester zal niet het genoegen hebben u dezen morgen te zien, zooals hij met u had afgesproken.Hij is verhinderd, maar komt vanavond bij u soupeeren. Hij zendt u zijn portret, met iets dat u nog wel meer zal troosten.”
Ik gaf haar het doosje, en de diamanten, waarmee het versierd was, bevielen haar buitengewoon. Glimlachend zei ze: “Dat zijn nu contrefeitsels waarvan de dames van het tooneel meer houden, dan van het origineel.”
Vervolgens zei ik haar, dat ik een beurs had gekregen met vijftig pistolen. “Ik maak je er mijn compliment over,” zei ze, “die man begint met iets, waarmee de anderen nog maar zelden eindigen!”
”’t Is aan mijn aanbiddelijke zuster, dat ik dit cadeau te danken heb; de markies heeft het mij alleen om de familierelatie gegeven.”
“Ik zou wel willen,” hernam ze, “dat hij iederen dag zoo iets deed. Ik kan je niet zeggen, hoe dierbaar je me bent. Van het eerste oogenblik af, dat ik je gezien heb, hechtte ik mij zoo sterk aan je. Toen je mij te Madrid verliet, wanhoopte ik er niet aan, je terug te zien en toen ik je gisteren terugzag, heb ik je ontvangen als een man, dien de Hemel naar mij toezond. In één woord, mijn vriend, wij zijn voor elkaar bestemd. Ge zult mijn man zijn, maar eerst moeten wij rijk wezen. De voorzichtigheid gebiedt, dat wij daarmee beginnen. Ik wil nog drie of vier galante avonturen hebben, om je een gemakkelijk leven te bezorgen.”
Vriendelijk dankte ik haar voor de moeite, die zij zich voor mij wilde geven en wij bleven tot den middag bij elkaar. Toen ging ik heen, om mijn meester mee te deelen op welke wijze zij het cadeau had ontvangen. Hoewel Laura mij niets daaromtrent had gezegd, stelde ik onderweg een schoon compliment op, dat ik mij voornam namens haar te zeggen. Maar het was verloren moeite, want toen ik thuis kwam, zei men mij, dat de markies was uitgegaan. Het was besloten, dat ik hem niet weer zou zien, zooals men uit het volgende hoofdstuk zal vernemen.
Hoofdstuk XIVan het nieuws, dat Gil Blas vernam, en dat voor hem was als een bliksemslag.Ik ging eten in mijn restauratie, waar ik twee heeren ontmoette, met wie ik mij aangenaam onderhield tot het tijd was, om naar den schouwburg te gaan. Hoewel ik alle redenen had voor een opgewekte stemming, voelde ik mij toch gedrukt en ik kon mij daartegen niet verzetten.Laat men toch nooit zeggen, dat wij geen voorgevoel kunnen hebben van de ongelukken, die ons dreigen!Toen ik den foyer binnenkwam, riep Melchior Zapata mij. Hij bracht mij in een afzonderlijk kamertje en zei: “Mijnheer, ik acht het mijn plicht u een zeer gewichtigen raad te geven. Ge weet, dat de markies de Marialva eerst verliefd was op Narcissa, mijn echtgenoote, maar dat Estelle hem tot zich wist te trekken. Ge kunt wel begrijpen, dat een actrice zulk een prooi niet zonder spijt verliest. Mijn vrouw zocht dan ook naar middelen, om zich te wreken en ongelukkig voor u heeft ze nu een goede gelegenheid. Ge herinnert u, dat we gisteren allen kwamen toeloopen om u te zien. Welnu, de onder-kaarsensnuiter kent u en zegt, dat het niet waar is, dat ge de broeder van Estelle zijt. Dat gerucht is gisteren Narcissa ter oore gekomen, die dadelijk den man nader heeft ondervraagd. Hij zegt, dat hij u gekend heeft toen ge de bediende bijArséniawaart en dat Estelle onder den naam van Laura daar ook in dienst was. Indien ge werkelijk de broer van Estelle niet zijt, dan raad ik u als vriend aan, om voor uw veiligheid te zorgen. Mijn vrouw, die zeer verheugd is over die ontdekking, heeft het plan haarmee te deelen aan den markies, die vanavond in den schouwburg komt. Ze vraagt echter slechts één slachtoffer en heeft mij toegestaan u te waarschuwen, zoodat ge door te vluchten een ongeluk kunt voorkomen.”De man zag wel aan mijn verschrikt gezicht, dat er geen reden bestond om de waarheid van de woorden van den kaarsensnuiter in twijfel te trekken. Ik bedankte hem voor zijn waarschuwing en besloot zijn raad op te volgen. Ik ging niet naar Laura, omdat ik begreep, dat zij actrice genoeg was om zich uit die moeilijkheid te redden, maar dat het voor mij in ieder geval verkeerd zou afloopen. In een oogenblik had ik mijn koffer uit huis gehaald en naar een koetsier gebracht, die den volgenden morgen om drie uur naarTolédozou vertrekken. Ik wenschte, dat ik reeds bij den graaf de Polan was, wiens huis de eenig veilige schuilplaats voor mij scheen. Maar ik was zoo ver nog niet en kon er niet anders dan met schrik aan denken, dat ik nog zoolang in een stad moest blijven, waar ik vreesde, dat men mij dadelijk was gaan zoeken. Ik durfde nauwelijks te gaan soupeeren en onderzocht met verschrikte blikken alle personen, die de zaal binnenkwamen. Daarna ging ik naar den koetsier en wierp mij tot het uur van vertrek op het stroo.Mijn geduld werd op een zware proef gesteld; duizend onaangename gedachten kwamen in mij op. Wanneer ik een oogenblik insliep, zag ik den markies de schoone Laura vermoorden en hem alles vernielen, of wel ik hoorde, dat hij zijn knechts last gaf mij met stokken dood te slaan. Ik werd met een schok wakker en hoewel dat anders heerlijk is na een benauwden droom, was het nu nog afschuwelijker dan de droom zelf. Gelukkig kwam de koetsier mij eindelijk waarschuwen, dat hij klaar was.Naarmate wij ons van Granada verwijderden, werd mijn geest rustiger. Ik begon gesprekken met den koetsier en lachte om de verhalen, die hij mij deed.Na een reis van drie dagen kwamen wij inTolédoaan. Mijn eerste zorg was, om te informeeren naar het huisvan den graaf de Polan, bij wien ik ongetwijfeld welkom zou zijn. Maar ongelukkigerwijs vertelde de concierge mij, dat zijn meester den vorigen avond op reis was gegaan naar het kasteel de Leyva, nadat men hem had bericht, dat Séraphine gevaarlijk ziek was.Wat moest ik toen verder inTolédodoen? Daar ik zoo dicht bij Madrid was, besloot ik daarheen te gaan. Misschien kon ik wel een betrekking krijgen aan het hof; ik had wel eens hooren zeggen, dat men geen buitengewoon begaafd mensch behoefde te zijn, om daar vooruit te komen.De fortuin geleidde mij en deed mij een grooter rol spelen, dan ik tot nu toe had gedaan.
Ik ging eten in mijn restauratie, waar ik twee heeren ontmoette, met wie ik mij aangenaam onderhield tot het tijd was, om naar den schouwburg te gaan. Hoewel ik alle redenen had voor een opgewekte stemming, voelde ik mij toch gedrukt en ik kon mij daartegen niet verzetten.
Laat men toch nooit zeggen, dat wij geen voorgevoel kunnen hebben van de ongelukken, die ons dreigen!
Toen ik den foyer binnenkwam, riep Melchior Zapata mij. Hij bracht mij in een afzonderlijk kamertje en zei: “Mijnheer, ik acht het mijn plicht u een zeer gewichtigen raad te geven. Ge weet, dat de markies de Marialva eerst verliefd was op Narcissa, mijn echtgenoote, maar dat Estelle hem tot zich wist te trekken. Ge kunt wel begrijpen, dat een actrice zulk een prooi niet zonder spijt verliest. Mijn vrouw zocht dan ook naar middelen, om zich te wreken en ongelukkig voor u heeft ze nu een goede gelegenheid. Ge herinnert u, dat we gisteren allen kwamen toeloopen om u te zien. Welnu, de onder-kaarsensnuiter kent u en zegt, dat het niet waar is, dat ge de broeder van Estelle zijt. Dat gerucht is gisteren Narcissa ter oore gekomen, die dadelijk den man nader heeft ondervraagd. Hij zegt, dat hij u gekend heeft toen ge de bediende bijArséniawaart en dat Estelle onder den naam van Laura daar ook in dienst was. Indien ge werkelijk de broer van Estelle niet zijt, dan raad ik u als vriend aan, om voor uw veiligheid te zorgen. Mijn vrouw, die zeer verheugd is over die ontdekking, heeft het plan haarmee te deelen aan den markies, die vanavond in den schouwburg komt. Ze vraagt echter slechts één slachtoffer en heeft mij toegestaan u te waarschuwen, zoodat ge door te vluchten een ongeluk kunt voorkomen.”
De man zag wel aan mijn verschrikt gezicht, dat er geen reden bestond om de waarheid van de woorden van den kaarsensnuiter in twijfel te trekken. Ik bedankte hem voor zijn waarschuwing en besloot zijn raad op te volgen. Ik ging niet naar Laura, omdat ik begreep, dat zij actrice genoeg was om zich uit die moeilijkheid te redden, maar dat het voor mij in ieder geval verkeerd zou afloopen. In een oogenblik had ik mijn koffer uit huis gehaald en naar een koetsier gebracht, die den volgenden morgen om drie uur naarTolédozou vertrekken. Ik wenschte, dat ik reeds bij den graaf de Polan was, wiens huis de eenig veilige schuilplaats voor mij scheen. Maar ik was zoo ver nog niet en kon er niet anders dan met schrik aan denken, dat ik nog zoolang in een stad moest blijven, waar ik vreesde, dat men mij dadelijk was gaan zoeken. Ik durfde nauwelijks te gaan soupeeren en onderzocht met verschrikte blikken alle personen, die de zaal binnenkwamen. Daarna ging ik naar den koetsier en wierp mij tot het uur van vertrek op het stroo.
Mijn geduld werd op een zware proef gesteld; duizend onaangename gedachten kwamen in mij op. Wanneer ik een oogenblik insliep, zag ik den markies de schoone Laura vermoorden en hem alles vernielen, of wel ik hoorde, dat hij zijn knechts last gaf mij met stokken dood te slaan. Ik werd met een schok wakker en hoewel dat anders heerlijk is na een benauwden droom, was het nu nog afschuwelijker dan de droom zelf. Gelukkig kwam de koetsier mij eindelijk waarschuwen, dat hij klaar was.
Naarmate wij ons van Granada verwijderden, werd mijn geest rustiger. Ik begon gesprekken met den koetsier en lachte om de verhalen, die hij mij deed.
Na een reis van drie dagen kwamen wij inTolédoaan. Mijn eerste zorg was, om te informeeren naar het huisvan den graaf de Polan, bij wien ik ongetwijfeld welkom zou zijn. Maar ongelukkigerwijs vertelde de concierge mij, dat zijn meester den vorigen avond op reis was gegaan naar het kasteel de Leyva, nadat men hem had bericht, dat Séraphine gevaarlijk ziek was.
Wat moest ik toen verder inTolédodoen? Daar ik zoo dicht bij Madrid was, besloot ik daarheen te gaan. Misschien kon ik wel een betrekking krijgen aan het hof; ik had wel eens hooren zeggen, dat men geen buitengewoon begaafd mensch behoefde te zijn, om daar vooruit te komen.
De fortuin geleidde mij en deed mij een grooter rol spelen, dan ik tot nu toe had gedaan.
Hoofdstuk XIIGil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem naar Madrid had gebracht.Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar, onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen, dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel, hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft, die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveelgeld had stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te laten schrijven. “Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er niet de minste notitie van neemt.” Ik troostte hem door te zeggen, dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister gesproken had en deze had hem gezegd: “Mijnheer, ge behoeft niet zoo op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan, door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt, niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning, die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben bewezen aan den staat.” “Gij ziet dus wel,” zoo ging de kapitein voort, “dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel terug zal gaan, zooals ik ben gekomen.”Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij wilde dineeren en het avondeten gebruiken.Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite voor hem zijn smeekschriften teschrijven en die met hem samen te stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden, om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen, men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den duivel zouden loopen.Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. “Er steekt niets in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus van dezen Keizer heeft gekregen.”Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man, die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: “Mijn waarde oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen, beschik dan over mij.”“Hoe, Pédrille?” vroeg de oude heer, “als men u hoort,moet ge in dit huis een post van gewicht bekleeden.”“Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo, als gij zijt, te helpen,” was het antwoord.Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man, die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat hij van plan was te doen.Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: “Het is een jongen, die eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp.”Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. “Heeren,” zei hij, “gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. ’t Is een jong, mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman zal houden.”Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken, dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later zagen wijde uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met een triomfantelijk gezicht en zei: “Goed nieuws. De koning zal een uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom.”Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman merkte echter op: “We hebben te doen met een nog al wantrouwig persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen.”“Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!”“Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla.”Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.
Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar, onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen, dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel, hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft, die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.
Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveelgeld had stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te laten schrijven. “Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er niet de minste notitie van neemt.” Ik troostte hem door te zeggen, dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister gesproken had en deze had hem gezegd: “Mijnheer, ge behoeft niet zoo op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan, door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt, niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning, die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben bewezen aan den staat.” “Gij ziet dus wel,” zoo ging de kapitein voort, “dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel terug zal gaan, zooals ik ben gekomen.”
Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij wilde dineeren en het avondeten gebruiken.
Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite voor hem zijn smeekschriften teschrijven en die met hem samen te stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden, om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen, men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den duivel zouden loopen.
Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. “Er steekt niets in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus van dezen Keizer heeft gekregen.”
Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man, die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: “Mijn waarde oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen, beschik dan over mij.”
“Hoe, Pédrille?” vroeg de oude heer, “als men u hoort,moet ge in dit huis een post van gewicht bekleeden.”
“Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo, als gij zijt, te helpen,” was het antwoord.
Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man, die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat hij van plan was te doen.
Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: “Het is een jongen, die eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp.”
Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. “Heeren,” zei hij, “gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. ’t Is een jong, mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman zal houden.”
Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken, dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later zagen wijde uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met een triomfantelijk gezicht en zei: “Goed nieuws. De koning zal een uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom.”
Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman merkte echter op: “We hebben te doen met een nog al wantrouwig persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen.”
“Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!”
“Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla.”
Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.