Hoofdstuk VII

Hoofdstuk VIIGil Blas keert naar zijn kasteel te Lirias terug. Van de aangename mededeeling, welke Scipio hem deed en van de verandering in het dienstpersoneel.Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: “Ik heb gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen.” Ik vroeg hem, hoe hij aan die boeken was gekomen. “Ik heb ze gevonden in een mooie bibliotheek, die in het kasteel is,” antwoordde hij. “Meester Joachim heeft me die gewezen.”“Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst toch het geheele kasteel doorloopen!”“Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest, als aan dat voor het lichaam gedacht.”Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik gingdadelijk dat paviljoen zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren, dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol zijn op fantasieën.“Mijn vriend,” zei ik tot Scipio, “deze boeken kunnen ons veel aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken, hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in ons personeel.”“Om u die moeite te besparen,” antwoordde Scipio, “heb ik tijdens uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren, dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim; ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is, dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was, om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging geven hen ook te ontslaan.”Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen, werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu behoorlijk geregeld. Wat mij betreft,ik zou mij gaarne met eenvoudige maaltijden hebben tevredengesteld, maar mijn secretaris, die veel van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar, om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.Hoofdstuk VIIIVan de liefde van Gil Blas en van de schoone Antonia.Twee dagen na mijn terugkomst uit Valencia, kwam Basilo, de bewoner van de boerderij, die bij het landgoed behoorde, mij toestemming vragen om mij zijn dochter Antonia voor te stellen, die de eer wilde hebben haren nieuwen meester te begroeten. Ik antwoordde hem, dat mij dit genoegen zou doen. Hij vertrok en kwam een oogenblik later terug met de schoone Antonia, een meisje van zestien à achttien jaar, met regelmatige trekken, een zeer schoone teint en de prachtigste oogen van de wereld. Ze was maar eenvoudig gekleed en had het haar van achter opgebonden in een vlecht, met een klein bouquetje er in.Toen zij binnenkwam, was ik zoo getroffen door haar schoonheid, dat ik geen woorden kon vinden om haar te begroeten. Scipio nam dat van mij over, maar langzamerhand geraakte ik meer op mijn gemak en ik had met het meisje, dat aardig en volstrekt niet verlegen was, een levendig gesprek. Basilo, die dat niet zonder onrust zag en mij reeds als een man beschouwde, die alles in het werk zou stellen, om Antonia te verleiden, haastte zich, met haar weg te gaan, misschien wel met het voornemen om haar nooit meer onder mijn oogen te laten komen.Toen Scipio met mij alleen was, zei hij glimlachend: “Ziedaar mijnheer, een ander middel tegen de verveling! Ik wist niet, dat uw boer zoo’n aardige dochter had, ik had haar nog nooit gezien, hoewel ik al tweemaal bij hem ben geweest. Ik geloof, dat hij er goed voor zorgt om haar weg te houden en daarin kan ik hem geen ongelijk geven. Maar ik geloof niet, dat het noodig is om dit alles te zeggen,want ik heb zeer goed gemerkt, welken indruk ze op u heeft gemaakt.”“Ik kan dat niet ontkennen,” antwoordde ik hem; “zij heeft mij plotseling verliefd op haar gemaakt, de bliksem kan niet sneller gaan, dan zij mijn hart heeft getroffen.”“Het doet mij een verbazend groot genoegen!” riep mijn secretaris met geestdrift, “te vernemen, dat gij verliefd zijt. Er ontbrak u alleen een maitresse, om in uw eenzaamheid een volmaakt geluk te genieten. De gelegenheid biedt zich nu aan. Ik weet wel, dat we eerst wat last zullen hebben om de waakzaamheid van Basilo te verschalken, maar dat is mijn zaak en ik sta er voor in, dat u over drie dagen een geheim onderhoud met Antonia zult hebben.”“Scipio,” zei ik, “misschien zoudt ge toch uw woord wel niet kunnen houden, welk talent ge ook bezit in dergelijke zaken; maar ik wil er niet de proef mee nemen. Het is mij niet te doen om dat meisje te verleiden. Maar wel heb ik uw tusschenkomst noodig om haar te trouwen, want dat is mijn plan, indien tenminste haar hart nog vrij is.”“Ik dacht niet,” zei hij, “dat ge dadelijk zulke ernstige trouwplannen zoudt hebben; andere heeren zouden in uw plaats minder eerlijk handelen. Maar des te beter. De dochter van onzen boer verdient uw liefde. Ik zal trachten vandaag nog een onderhoud te hebben met den vader en misschien ook met haar.”Mijn vertrouweling was een man, gewoon om zijn belofte te houden. Hij ging Basilo opzoeken en ’s avonds wachtte ik met een mengeling van ongeduld en vrees.Hij zag er vroolijk uit, toen hij binnen kwam. “Als ik je lachend gezicht mag gelooven,” zei ik, “dan geloof ik, dat je goed nieuws voor mij hebt.”“Dat heb ik ook,” antwoordde hij, “ik heb Basilo en zijn dochter gesproken en hun uw gevoelens meegedeeld. De vader is er verrukt over, dat ge zijn schoonzoon wilt worden en ik kan u ook verzekeren, dat ge in den smaak valt van Antonia.”“Wat een geluk!” riep ik uit.“Twijfel er maar niet aan, zij bemint u reeds; wel heb ik die bekentenis niet uit haar mond gehoord, maar ik kon het opmaken uit haar vroolijkheid, toen ik haar uw plan meedeelde. Echter hebt ge een medeminnaar....”“Een medeminnaar....!” viel ik hem bleek van schrik in de rede.“Ja, maar dat behoeft u niet in het minst te verontrusten: ’t is meester Joachim, uw kok!”“Zoo’n galgenaas!” riep ik lachend. “Daarom toonde hij dus zoo weinig lust, om mijn dienst te verlaten.”“Juist,” antwoordde Scipio, “hij heeft Antonia ten huwelijk gevraagd, maar ze heeft beleefd geweigerd.”“Het schijnt mij toch het beste,” zei ik hem, “dat ik mij van dien man ontdoe, voor hij verneemt, dat ik de dochter van Basilo wil trouwen. Een kok is, zooals je weet, een gevaarlijk medeminnaar!”“Zoo denk ik er ook over,” stemde mijn vertrouweling toe. “Ik zal hem morgenochtend namens u zijn ontslag geven, dan hebben wij niets meer te vreezen, noch van zijn saus, noch van zijn liefde. Het is wel jammer, dat wij zoo’n goeden kok verliezen, maar ik offer mijn trek in lekker eten gaarne op aan uw veiligheid.”“Dat verlies is overigens niet onherstelbaar,” zei ik, “uit Valencia zal ik een anderen kok laten komen, die even goed is.”Werkelijk schreef ik dadelijk aan don Alphonse om hem een kok te vragen en hij zond er een, die Scipio troostte met het verlies van meester Joachim.Hoewel mijnvlijtigesecretaris beweerde, dat Antonia mijn liefde beantwoordde, was ik daar nog niet zeker van en ik besloot zelf een onderhoud met haar te hebben. Dus ging ik naar Basilo, om te bevestigen wat Scipio had gezegd. De boer, een goed en eenvoudig man, verklaarde mij, dat hij mij gaarne de hand van zijn dochter schonk. “Maar,” voegde hij er aan toe, “u moet niet denken, dat dit alleen komt omdat ge heer van ons dorp zijt. Al waartge alleen nog maar intendant van don César, dan zou ik u toch boven alle anderen verkiezen; ik heb altijd een zwak voor u gehad, en het spijt mij alleen maar, dat de bruidschat van Antonia niet grooter is.”“Ik wil er in ’t geheel geen hebben!” riep ik. ”’t Is mij alleen om haar persoon te doen.”“Maar ik ben er de man niet naar om mijn dochter zonder bruidschat uit te huwelijken. De toestand van Basilo Buenotrigo is gelukkig niet van dien aard, dat dit noodig is; geeft u haar te eten, dan wil ik, dat zij u te soupeeren geeft. Uw inkomsten van het kasteel bedragen ongeveer vijfhonderd ducaten, ik zal die bij uw huwelijk aanvullen tot duizend.”“Mijn waarde Basilo, ik vind alles goed, zooals gij het doet. Maar we zijn op ’t oogenblik niet bij elkaar om over zaken te spreken. Wij zijn het met elkaar eens; ’t is nu echter te doen om de toestemming van uw dochter.”“Ge hebt de mijne. Is dat niet voldoende?”“Niet geheel en al. Uw toestemming is noodig, maar de hare ook,” antwoordde ik.“De hare hangt van de mijne af. Ik zou wel eens willen zien, dat Antonia weigerde, wanneer ik het goedvind.”“Graag geloof ik,” hernam ik, “dat ze u zal gehoorzamen; maar ik hoop, dat ze uit eigen aandrang mij haar hand wil reiken.”“Dat is philosophie, waarvan ik weinig begrijp. Spreek zelf maar met Antonia.”Bij die laatste woorden riep hij zijn dochter en verliet het vertrek.“Schoone Antonia,” zei ik, “beschik over mijn lot. Hoewel ik de toestemming heb van uw vader, wil ik niet, dat ge uw gevoelens geweld zult aandoen.”Antonia bloosde een weinig en antwoordde mij: “Uw aanzoek is mij zeer aangenaam en de beslissing van mijn vader doet mij genoegen. Ik weet niet of ik goed doe met zoo tot u te spreken, maar indien u mij niet beviel zou ikhet ook vrijmoedig zeggen en waarom zou ik het nu dan niet doen?”Bij die woorden viel ik voor haar op de knieën en kuste haar handen. Een oogenblik later kwam Basilo binnen en vroeg of ik tevreden was over Antonia.“Ik ben zóó voldaan,” antwoordde ik, “dat ik mij dadelijk zal gaan bezighouden met de toebereidselen voor ons huwelijk.” Dit zeggende verliet ik den vader en de dochter, om te gaan spreken met mijn secretaris.Hoofdstuk IXBruiloft van Gil Blas en de schoone Antonia. Op welke wijze die gevierd werd; welke personen erbij tegenwoordig waren en welke genoegens er op volgden.Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia, waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden, doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd, waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje, dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. “Maar,” voegde ze er ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora’s liefde verweet, “ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen, zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken.”De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.“Ga nu naar Lirias terug,” zeiden ze, “en blijf er rustig, tot ge van ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg, waarmee wij ons zullen belasten.”Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen van mijn beschermers en wijwachttenacht dagen op hetgeen er zou gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine mij haar ingenomenheid met mijn keuze.Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen, die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval de vreugde kwam verstoren.Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen van Séraphine in zwijmwas gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot zichzelf was gekomen, zei hij zacht: “Moet nu de schoonste dag van uw leven de onaangenaamste vanhetmijne zijn? Maar men kan zijn noodlot niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!”“Wat!” riep ik, “ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?”“Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk overkomen dan haar te zien!”“Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet.”“U zult tevreden over mij zijn,” zei Scipio mij.Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij zei,“Mijn lieveBéatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer, na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik voor mij.”“Ik weet niet,” zei zijn vrouw, “of het je wel zooveel genoegen doet mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie, dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie verliet je mij, vertrok uitTolédo, ontvluchtte mij als een monster, zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden heeft het meeste recht om zich te beklagen?”“Dat heb jij, ontegenzeggelijk,” antwoordde Scipio.“Dat denk ik ook,” stemde zij toe. “Don Fernand trouwde korten tijd later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk is geweest.”Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: “Het doet mij veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan den heer de Santillano.”Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.Hoofdstuk XGevolg van het huwelijk van Gil Blas en de schoone Antonia. Begin van de geschiedenis van Scipio.Den volgenden dag keerden de heeren de Leyva naar Valencia terug en mijn secretaris en ik bleven met onze vrouwen en het gewone personeel op het kasteel achter. De zorg, die wij ervoor over hadden om onze dames te behagen, was niet vruchteloos; in korten tijd gevoelde mijn vrouw voor mij evenveel liefde als ik voor haar en Scipio deed de zijne al het verdriet vergeten, dat hij haar had aangedaan.Béatrix, die een zacht karakter had, was spoedig in de gunst en het vertrouwen van haar nieuwe meesteres. Wij leefden zeer genoeglijk met ons vieren. Antonia was ernstig en Béatrix en ik waren vroolijk, maar al waren wij het niet geweest, dan zou de aanwezigheid van Scipio wel voldoende zijn geweest om alle droefgeestigheid te verdrijven. Hij was een van die menschen, die zich maar behoeven te vertoonen, om een gezelschap te vermaken.Op zekeren dag vroeg ik hem ons zijn geschiedenis te vertellen, omdat hij daarvan nog nooit had gesproken.“Wanneer ik u mijn geschiedenis nog niet verteld heb,” zei hij, “komt dat omdat ge nooit van het minste verlangen getuigd hebt die te weten. Maar zijt ge er nieuwsgierig naar, dan zal ik uw verlangen bevredigen.Ik zou de zoon zijn van een grande of tenminste van een ridder, indien het van mij had afgehangen, maar, daar men zelf zijn vader niet kiest, was de mijne, genaamd Torribio Scipio, een eenvoudig dienaar van den heiligen Hermandad. Op zekeren dag ontmoette hij bij toeval opeen van de groote wegen, waar hij voor de uitoefening van zijn ambt bijna altijd moest zijn, tusschen Cuença en Tolédo een jonge zigeunerin, die hem zeer goed beviel. Ze was alleen, ging te voet en droeg al wat zij bezat in een zak op haar rug. “Waar gaat ge heen, lief kind?” vroeg hij en verzachtte daarbij zijn stem, die zeer hard van natuur was. “Mijnheer,” antwoordde zij, “ik ga naar Tolédo, waar ik op eerlijke wijze mijn brood hoop te verdienen.” “Dat is een zeer prijzenswaardig voornemen,” zei mijn vader,“en ik twijfel er niet aan of ge hebt meer dan één koord op uw boog.” Het meisje vertelde daarop, dat ze verschillende talenten had; ze kon pommade en reukwater maken en waarzeggen. Torribio, die haar een zeer voordeelige partij vond voor een man als hij, diemoeite had om van zijn bezoldiging te leven, stelde haar voor hem te huwen. Met genoegen nam zij dat voorstel aan. Toen dit tusschen hen vaststond trouwden ze zoo spoedig mogelijk te Tolédo en in mij ziet ge de waardige vrucht van dit edele huwelijk. Zij gingen in een van de buitenwijken wonen, waar mijn moeder begon met hare pommade en reukwater te verkoopen; maar omdat zij er geen voldoende afname van had, werd zij waarzegster. Toen begon het bij haar ducaten en pistolen te regenen want Cascolina, zoo heette zij, had spoedig naam verworven.Mijn moeder had de gewoonte, om de menschen, die bij haar kwamen, steeds een antwoord te geven, dat naar hun zin was. Kwam dan de voorspelling goed uit, zoo had zij er de eer van en indien men haar het tegendeel kwam verwijten, dan schreef zij dit toe aan een demon, die sterker was dan zij.Toen ze het later gewenscht oordeelde, om nu en dan den duivel persoonlijk te laten optreden, werd die rol toebedeeld aan mijn vader, die zich met zijn harde stem en leelijk gezicht uitstekend daartoe leende. Vele lichtgeloovigen schrokken van hem, maar op een goeden dag kwam er een brutale kapitein, die den duivel doorstak. Het gerecht, dat van dezen dood vernam zond zijn mannen op mijn moeder af en ze werd gearresteerd. Mij bracht men naar het weeshuis; ik was toen zeven jaar oud. Er waren in dat weeshuis geestelijken, die goed werden betaald voor hun zorgen, besteed aan de opvoeding van de kinderen en hun lezen en schrijven leerden. Ze schenen op te merken, dat ik veel beloofde en onderscheidden mij boven de anderen, door mij hunne boodschappen te laten doen. Ter belooning leerden ze mij een beetje Latijn. Maar ik had het er zoo slecht, dat ik op een goeden dag besloot, weg te loopen. Ik ging Tolédo uit en begaf mij op weg naar Vevilla.Hoewel ik nauwelijks negen jaar was, voelde ik reeds het genoegen, van vrij te zijn en meester over mijn daden.Toen ik een paar uren geloopen had en ik moede was, ging ik onder een boom zitten rusten. Ik haalde mijn leerboek uit mijn zak en vond er een genoegen in de bladen ervan te verscheuren. Terwijl ik daarmee bezig was, kwam er een kluizenaar voorbij, een man met een langen grijzen baard, een grooten bril op en een eerbiedwaardig uiterlijk. Hij sprak mij aan en nadat wij eenigen tijd samen hadden gepraat, stelde hij mij voor hem te vergezellen naar zijn woning. “U moet mij niet kwalijk nemen,” zei ik, “maar ik heb geen lust om kluizenaar te worden.” De grijsaard lachte en zei: “Mijn kleed jaagt je zeker schrik aan, mijn zoon, ’t is dan ook niet mooi maar nuttig, het bezorgt mij een aangename verblijfplaats en de inwoners van de naburige dorpen zijn goed voor mij. Kom mee en blijf, als het je bevalt. Mocht het je niet bevallen, dan scheiden wij en zal ik je toch helpen.”Ik liet mij overreden en volgde den kluizenaar, die mij tal van vragen deed, die ik, naar het scheen, tot zijn genoegen beantwoordde. Toen wij in zijn woning aankwamen, gaf de oude man mij eerst eenige vruchten, die ik verslond, want ik had dien dag nog niets gegeten dan een stuk droog brood, dat ik in het weeshuis voor ontbijt had gekregen. “Eet maar goed, mijn zoon, ik heb je niet meegenomen, om je van honger te laten sterven.” Dat was waar, want hij begon dadelijk een schapenbout te braden, waarvan wij een paar flinke stukken voor ons souper kregen, met een beker wijn.“Zoo leef ik hier gewoonlijk,” zei hij, “blijf je bij me, dan is het niet noodig om altijd binnen te zijn, je kan doen, wat je wil. Het eenige, wat ik van je vraag is om met mij mee te gaan als ik de naburige dorpen bezoek. Dan moet je een juk met twee manden voor me dragen, die door de liefdadige boeren worden gevuld met eieren, brood, vleesch en visch.”“Ik wil dat graag doen,” antwoordde ik, “als ik maar geen Latijn meer hoef te leeren.” Lachend stelde broeder Chrysostome, zoo heette de hermiet, mij gerust.Den volgenden dag gingen wij erop uit en brachten welvoor acht dagen levensmiddelen thuis, een bewijs dat de oude man zeer gezien was bij de inwoners van het dorp. Op zijn beurt was hij hen van groot nut. Hij gaf goeden raad, als men dien kwam vragen, herstelde den vrede in het huishouden, wanneer die was verstoord, huwelijkte de meisjes uit, wanneer ze meenden, dat het tijd was, wist allerlei middelen voor ziekten en leerde orakelspreuken aan vrouwen, die graag kinderen wilden hebben.Ik had een goed leven; broeder Chrysostome had van een oud kleed van hem voor mij ook een soort van pij gemaakt en ik werd de kleine broeder Scipio genoemd. Dat prettige leven had nog lang kunnen voortduren, maar het lot wilde het anders.Dikwijls zag ik den grijsaard bezig met het kussen, waarop hij sliep; hij maakte het open, naaide het weer dicht en op zekeren dag meende ik op te merken, dat hij er geld in deed. Dat maakte mij nieuwsgierig en ik besloot dat eens te onderzoeken den eersten keer dat hij weg was naar Tolédo, waar hij altijd eenmaal per week alleen heen ging. Met ongeduld wachtte ik dien dag af, zonder echter andere plannen te hebben, dan alleen mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.Eindelijk vertrok de goede man; ik maakte het kussen open en vond aan allerlei muntstukken een waarde van ongeveer vijftig kronen.Dat geld had hij zeker van de boeren gekregen voor de genezing van hunne kwalen, of van de boerinnen, die door zijn orakelspreuken kinderen hadden gekregen. Hoe het zij, ik zag geld, dat ik mij kon toeëigenen en mijn Zigeunernatuur ontwaakte. Er kwam een zucht naar stelen bij mij op, alleen verklaarbaar door het bloed, dat mij door de aderen vloeide. Ik deed het geld in een zak, trok het kluizenaarskleed uit en het weeshuispakje weer aan en verwijderde mij, meenende al de schatten van Indië mee te voeren.Hoewel ik nog een kind was, was ik toch niet zoo dom, om den weg naar Tolédo in te slaan, waarop ik broederChrysostome had kunnen ontmoeten. Ik ging een anderen kant uit en kwam na lang loopen in het dorp Galvas. Daar ging ik een logement binnen en de eigenares, een vrouw van veertig jaar, die bij het gezicht van mijn kleeren meende, dat ik weggeloopen was uit het weeshuis, vroeg mij mijn naam en waar ik heenging. Ik antwoordde haar, dat ik mijn vader en moeder had verloren en ergens een dienst zocht. Ze vroeg mij of ik lezen en schrijven kon en op mijn bevestigend antwoord zei ze, dat ik bij haar kon blijven. “Ik zal je geen loon geven,” voegde zij eraan toe, “aangezien in dit logement fatsoenlijke menschen komen, die de bedienden niet vergeten.”Ik nam haar aanbod aan. Maar al dadelijk kwam ik in groote onrust; want ik wilde niet laten weten, dat ik geld had en wist niet goed, waar ik het verbergen moest. Wat geeft rijkdom toch een last! Eindelijk besloot ik mijn zak in een hoek van den zolder onder het stroo te stoppen.Er waren drie dienstboden in het huis; een groote staljongen, een jonge meid uit Gallicië en ik. Alle drie kregen wij fooien van de bezoekers, maar de meid was altijd het beste af. Niet zoodra ontving ik een stuiver, of die werd boven gebracht in mijn zak en hoe grooter mijn schat werd, des te meer hechtte ik mij daaraan. Wel dertigmaal op een dag ging ik naar boven, om naar mijn geld te kijken. De waardin, die dat begon te merken en wantrouwend van karakter was, besloot den zolder eens na te kijken. Ze wierp het stroo ter zijde en vond mijn zak. Toen ze zag, dat daarin kronen en pistolen waren, geloofde zij, dat die bij haar gestolen waren, of liever zij deed of ze dit geloofde. Zij schold mij uit voor een kleinen dief, liet mij door den staljongen afranselen en zette mij buiten de deur. Of ik al riep, dat ik haar niet bestolen had, zij hield vol en men geloofde haar meer dan mij. Op die wijze gingen de geldstukken van broeder Chrysostome uit de handen van een dief over in die van een dievegge.Ik betreurde het verlies van mijn geld, zooals men eeneenigen zoon beweent, en indien mijn tranen mij al niet teruggaven, wat men mij ontnomen had, ze waren tenminste oorzaak, dat ik het medelijden opwekte van personen, die ze zagen vloeien en onder anderen van den pastoor van Galves, die toevallig voorbijkwam. Hij scheen getroffen door mijn verdriet en nam mij mee. Door mij te beklagen en vriendelijk met mij te spreken, wist hij mij zoover te krijgen, dat ik hem alles vertelde. “Mijn zoon,” zei hij, “hoewel een kluizenaar geen geld mag verzamelen, vermindert dat uw schuld niet; door broeder Crysostome te bestelen, hebt gij gezondigd tegen de tien geboden; maar troost u er mede, dat ik de waardin zal verplichten, om afstand te doen van dat geld en het weer den kluizenaar zal doen toekomen. Uw geweten kan in dat opzicht dus gerust zijn.”Nu moet ik eerlijk bekennen, dat mij dat maar heel weinig belang inboezemde. Maar de pastoor ging verder; hij beloofde voor mij te zullen zorgen. “Ik zal u morgen door een ezeldrijver laten brengen naar mijn neef, den kanunnik van den kathedraal vanTolédo. Hij zal, op mijn verzoek, niet weigeren om u in zijn dienst te nemen en u op te leiden tot lakei, dan hebt ge bij hem een aangenaam leven.”Die verzekering troostte mij en den volgende dag kwamen er twee muilezels voor. Men hielp mij op den eene, de drijver besteeg den andere en wij sloegen den weg in naarTolédo. Mijn reismakker was een man met een goed humeur die niets liever deed, dan zich vermaken ten koste van zijn naasten. Hij begon al dadelijk een gesprek met mij. “Mijn jongen vriend, ge hebt een goeden beschermer in mijnheer den pastoor van Galves. Dat toont hij u wel. Hij kan u geen beteren dienst bewijzen, dan door u te plaatsen bij zijn heer, den kanunnik, dien ik de eer heb te kennen. ’t Is allerminst één van die bleeke en magere vromen, maar een man, die van het leven houdt en zich de genoegens, die het biedt, niet ontzegt. Ge zult het daar best hebben.”De man hield niet op met van het geluk te spreken, dat mij wachtte, tot wij in het dorp Obisa kwamen, waar onze muilezels moesten rusten. Daar bemerkte ik, goddank, dat men mij bedroog. Ziehier op welke wijze. De drijver, die op en neer ging in het logement, liet bij toeval een papier vallen, dat ik zoo slim was op te rapen en te lezen, terwijl hij in den stal was. Het was een brief aan de priesters van het weeshuis, die aldus luidde: “Mijne heeren! Ik heb gemeend, dat de barmhartigheid mij verplicht om weer in uw handen te stellen een jongen schelm, die uit uw inrichting is ontsnapt; hij schijnt niet dom en waard, dat gij de goedheid hebt, hem bij u opgesloten te houden. Ik twijfel er niet aan, of met strenge tucht zult gij een flinken jongen van hem maken. God zegene uw vroom en barmhartig werk. De pastoor van Galves.”Toen ik dien brief had gelezen, was het voor mij niet lang de vraag, wat ik had te doen. Het hotel uit te snellen en naar den oever van den Taag te loopen, die op een mijl afstand lag, was het werk van een oogenblik. De angst gaf mij vleugelen om de priesters van het weeshuis te ontvluchten, waar ik in geen geval wilde terugkeeren; zulk een tegenzin had ik in de manier, waarop zij Latijn onderwezen. Ik bereikte Tolédo, en de fortuin was mij gunstig in die groote stad. Een heer, die zeer goed gekleed was, hield mij aan en zei: “Vriendje, wil je in mijn dienst komen? Ik heb een jongen zooals jij noodig.” “En ik een meester zooals u,” antwoordde ik.Die heer, die ongeveer dertig jaar oud kon zijn, heette don Abel. Hij logeerde in een hotel, waar hij een mooie kamer had, was speler van beroep, en ziehier op welke wijze wij leefden; ’s morgens stopte ik zijn pijp vijf- of zes maal en maakte zijn kleeren schoon, dan ging ik den barbier voor hem halen en daarna ging hij uit, om niet terug te keeren voor elf of twaalf uur ’s avonds. Maar iederen morgen voor hij uitging, gaf hij mij wat klein geld en ik kon den dag besteden, zooals ik wilde, mits ik maar ’s avonds om tien uur thuis was. Daar hij zeer tevredenover mij was, liet hij mij een livrei maken, waarop ik niet weinig trotsch was. Mijn nieuwe betrekking beviel mij zeer goed.Ongeveer een maand was ik bij hem geweest, toen hij mij vroeg, of ik tevreden bij hem was. Ik antwoordde, dat ik het niet beter kon wenschen en daarop zei hij: “dan zullen wij morgen naarSévillavertrekken, waar mijn zaken mij roepen. Het zal je niet spijten, de hoofdstad vanAndaloesiëte zien. Het spreekwoord zegt, dat wieSévillaniet heeft gezien, niets gezien heeft.” Ik betuigde hem, dat ik bereid was hem overal te volgen.Den volgenden dag kwam er een man in het hotel om zijn koffer te halen en daarna vertrokken wij.Don Abel was zóó gelukkig in het spel, dat hij alleen verloor, wanneer hij het wilde, wat hem noodzaakte, dikwijls van woonplaats te veranderen, om zich te onttrekken aan ontmoetingen met zijn slachtoffers. Daarom moesten wij ook nu vertrekken.In Sévilla gingen wij in een hotel en begonnen hetzelfde leven als in Tolédo. Maar, mijn patroon vond verschil tusschen die twee steden, want hij ontmoette hier spelers, die even gelukkig waren als hij en daarover was hij kwaad. Op een morgen, dat hij weer eens uit zijn humeur was, omdat hij den vorigen avond honderd pistolen had verloren, vroeg hij mij, waarom zijn waschgoed niet was weggebracht. Ik antwoordde hem, dat ik daar niet aan had gedacht, waarop hij in woede mij een half dozijn klappen in mijn gezicht gaf, die zoo hard waren, dat ik meer lichten zag, dan er in Salomo’s tempel waren. “Daar, kleine stommeling! Dat zal je wel leeren, om aan je plicht te denken!” Met die woorden ging hij weg en ik was zoo kwaad op hem, dat ik besloot mij te wreken bij de eerste gelegenheid, die zich zou voordoen.Ik weet niet, welk nieuw avontuur hij had gehad, maar op een avond kwam hij in zeer opgewonden toestand thuis en zei: “Scipio, ik ben van plan naar Italië te gaan. Ik heb daar mijn redenen voor en denk, dat je wel lustzult hebben mij te vergezellen en van zulk een schoone gelegenheid te profiteeren, om het prachtigste land van de wereld te zien.”Ik antwoordde hem, dat ik niets liever wilde, maar tegelijkertijd nam ik mij voor, om te verdwijnen op het oogenblik, dat hij wilde vertrekken. Daardoor dacht ik mij op mijn meester te wreken en ik vond het plan zeer vernuftig. Zoo tevreden was ik er over, dat ik niet kon nalaten het mee te deelen aan een kameraad, dien ik op straat ontmoette. Sedert ik inSévillawas, had ik eenige slechte kennissen gekregen en daaronder behoorde deze.Ik vertelde hem, waarom en op welke wijze ik mij op mijn meester wilde wreken en vroeg hem, wat hij ervan dacht.Hij antwoordde mij: “Mijn vriend, uw eer gedoogt niet, dat ge ongewroken blijft; maar ’t is niet voldoende don Abel alleen te laten vertrekken; daarmee straft ge hem niet genoeg. Laten wij hem zijn koffer en zijn geld ontnemen en de buit broederlijk deelen na zijn vertrek.”Hoewel ik een natuurlijke neiging had tot stelen, verschrikte ik toch van het voorstel tot zulk een ernstigen diefstal. Maar mijn kameraad wist mij zoo te bepraten, dat ik toestemde en ziehier den uitslag.Mijn kameraad, die groot en sterk was, kwam den volgenden morgen in ons hotel. Ik wees hem den koffer, waar don Abel reeds alles had ingepakt en vroeg hem, of die hem niet te zwaar was om alleen te dragen. “Te zwaar!” zei hij. “Als ’t is om het goed van anderen weg te nemen, dan zou ik den heelen ark van Noach wel kunnen dragen.” Hij nam daarop den koffer op zijn schouders en ging met lichten tred naar beneden. Ik volgde hem en wij waren aan het einde van de straat, toen don Abel door zijn gelukkig gesternte daarheen geleid, plotseling voor ons stond.“Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg hij. Ik was zoo verschrikt, dat ik geen antwoord kon geven en mijn kameraad, die zag dat het spel mislukt was, wierp denkoffer weg en maakte beenen. “Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg mijn meester voor de tweede maal.Meer dood dan levend antwoordde ik: “Mijnheer, ik ga dien naar het schip brengen, waarmee u morgen naar Italië wilt gaan.”“En kan je mij ook zeggen met welk schip ik ga?”“Neen, mijnheer, maar elke weg leidt naar Rome en ik zou aan de haven hebbengeïnformeerd.” “Wie heeft je bevolen mijn koffer uit het huis te doen dragen?” “Uzelf,” zei ik. “Wat? Ik?” antwoordde hij verbaasd. “Natuurlijk,” hernam ik, “herinner u maar, dat u mij een paar dagen geleden onder slagen bevolen hebt uw orders te voorkomen en op mijn eigen houtje te doen wat er gebeuren moest!”Don Abel, die merkte, dat ik niet zoo onschuldig was als hij altijd had gedacht, zei op koelen toon: “Ik ontsla je, je hebt te veel verstand voor je leeftijd!Bovendien houd ik er niet van om te spelen met menschen, die nu eens een kaart te veel of dan er een te weinig hebben.”Zoo liep ik nu door de straten vanSévilla, met niet meer dan een paar stuivers op zak. Bij de keukens van het paleis van den aartsbisschop trof een aangename geur mijn neus. Zou er geen middel voor mij zijn, om iets te eten te krijgen? Ik verzon een list en dadelijk was die uitgevoerd. Hard loopend kwam ik de plaats op bij de keuken en riep: “Help! Help!” alsof iemand mij achterna kwam, om mij te vermoorden. Op mijn geschreeuw kwam meester Diego, de kok, aangesneld met drie of vier koksjongens om te weten, wat er gaande was. Daar hij niemand anders zag dan mij, vroeg hij waarom ik zoo hard schreeuwde. Ik deed of ik hevig ontsteld was en vertelde hem van een grooten, sterken man, een vechtersbaas, die mij op straat was tegengekomen en me had willen doodslaan. De goede man stelde mij gerust en zei: “Kom, kom, die man heeft misschien een grap met je willen hebben en bovendien, hier zal hij niet komen.”“Neen, neen! ’t Was geen gekheid en hij zal mij op straat wel opwachten!”“Welnu, laat hem dan maar wachten en blijf hier, je kunt vanavond met de koksjongens eten en gaan slapen.”Mijn doel was bereikt en ik amuseerde mij zoo goed met de jongens, dat toen ik den volgenden morgen meester Diego wilde gaan bedanken, hij me zei: “de jongens hebben zooveel genoegen met je gehad, dat ze mij gezegd hebben, je graag voor kameraad te willen hebben. Heb je daar lust in?”Natuurlijk antwoordde ik, dat ik niets liever wenschte en zoo werd ik koksjongen. In de keuken zag ik 15 personen bezig met het souper van Monseigneur, maar de gerechten kon ik niet tellen; zoo goed zorgde de Voorzienigheid voor hem.Al spoedig stond ik zoo in de gunst bij meester Diego, dat hij mij gebruikte om schotels en wijn te brengen bij een dame in de buurt, die mooi en levendig was en die er uitzag of ze haren kok niet zeer trouw was. Ondertusschen voorzag hij haar niet slechts van vleesch, brood, suiker en olie, maar zorgde ook voor haar wijnvoorraad; en dat alles op kosten van den aartsbisschop.Mijn verblijf in het bisschoppelijk paleis eindigde met een poets, waarvan men nog heden spreekt. De pages en eenige andere bedienden hadden het plan gevormd, om op den verjaardag van monseigneur een comedie op te voeren. Ze kozen er een, waarin een jongen man van mijn leeftijd een jongen koning moest voorstellen. De hofmeester, die het stuk hielp instudeeren, koos mij daarvoor en na eenige repetities verklaarde hij, dat ik niet onder de minste spelers zou behooren. Niets werd gespaard om de opvoering zoo luisterrijk mogelijk te maken. Een van de grootste zalen werd voor schouwburg ingericht en ook aan de costuums werd alle zorg besteed. Een kleermaker was mijn maat komen nemen en ik kreeg een rijk kleed aan van blauw fluweel, met galon, knoopen en goud.Eindelijk kwam de lang verwachte avond. De jongekoning moest het eerst op het tooneel zijn. Ik opende dus de voorstelling met het declameeren van een reeks verzen, waarvan het slot luidde, dat de koning zich niet tegen den slaap kon verzetten. Bij die woorden moest ik terugtrekken tusschen de coulissen en op een rustbed gaan liggen, dat daarvoor was klaargezet. Maar toen ik daar zoo lag, begon ik er aan te denken, of er geen middel was, om met mijn koninklijke kleeren te ontkomen. Ik zag een klein trapje onder het tooneel, waarmee ik in een andere zaal kon komen. Toen ik mijn kans schoon zag en niemand op mij lette, sloop ik daar af en liep de zaal door bij de deur, roepende: “Plaats! ik moet mij gaan verkleeden!”Zoo kwam ik in minder dan één minuut ongehinderd buiten het paleis en, door de duisternis begunstigd, begaf ik mij naar de woning van mijn vriend, met wien ik dat mislukte avontuur van den koffer had beleefd.Hij was ten hoogste verwonderd mij te zien in mijn koninklijk costuum. Spoedig had ik hem op de hoogte gebracht. Hij wenschte mij hartelijk geluk met deze goed gelukte grap en voorspelde mij, dat ik, wanneer ik zoo zou voortgaan, de wereld nog eens versteld zou doen staan door mijn verstand.“Maar hoe zullen we die rijke kleeren nu goed kwijtraken?” vroeg ik.“O, dat is het minste, ik ken iemand, die zonder nieuwsgierig te zijn, alles koopt, wat van zijn gading is. Morgen ga ik hem opzoeken.”Den volgenden morgen sliep ik nog, toen hij terugkwam met den koopman Ybagnez deSégoviër, die mij een half versleten pak bracht met zilveren knoopen en voor mijn prachtig gewaad en kroon, na eindelooze onderhandelingen, dertig pistolen gaf.Mijn kameraad nam de helft van dat geld, liet mij de rest en zei: “Vriend Scipio, met de vijftien pistolen, die je overblijven, raad ik je zoo spoedig mogelijk de stad te verlaten, want je begrijpt wel, dat men je, op last van denaartsbisschop, overal zal zoeken. Ik zou wanhopig zijn, wanneer je na een daad, waardoor je je zoo onderscheiden hebt, gevangen werd genomen.”Ik antwoordde, dat ik zoo spoedig mogelijk uitSévillaweg wilde. Na een hoed en eenig ondergoed te hebben gekocht, ging ik op weg en kwam na drie dagen in Cordova. Ik ging logeeren in een hotel bij den ingang van de stad, gaf mij uit voor den zoon van een familie in Tolédo en zeide, dat ik voor mijn genoegen reisde. Ik zag er zindelijk genoeg uit om dat te doen gelooven en liet den waard toevalligerwijze een paar van mijn pistolen zien. Hij vroeg verder niet, misschien uit vrees, dat zijn nieuwsgierigheid mij zou kunnen doen besluiten om te verhuizen.Voor niet te veel geld had ik het daar goed. Er waren ’s avonds ongeveer twaalf personen aan tafel, die zwijgendzaten te eten. Maar een was er, die bijna geen oogenblik zijn mond hield. Hij wist allerlei nieuwtjes, grappen en verhalen. Wat mij betreft, ik luisterde er weinig naar, maar ten slotte trok hij ook mijn aandacht. Ik hoorde hem zeggen: “Alles wat ik tot nu toe verteld heb, heeren, is niets in vergelijking met het vermakelijke avontuur, dat voor eenige dagen is afgespeeld in het paleis van den aartsbisschop.” De man vertelde daarna met groote nauwkeurigheid mijn geschiedenis; ik vernam er nu ook het slot van, dat ik nog niet wist.Een oogenblik nadat ik verdwenen was, kwamen zooals de volgorde in het stuk dat bepaalde, de Mooren op, die den koning moesten oplichten. Ze naderden daarvoor het rustbed, dat, zooals ik zei, tusschen de coulissen stond, slechts voor een deel zichtbaar voor het publiek. De Mooren moesten koning Leon slapende verrassen, maar op het rustbed was niemand te vinden.Dat gaf dadelijk groote verwarring. Alle acteurs liepen op het tooneel en achter de schermen rond, de een riep me, de ander zocht mij en een derde wenschte mij naar den duivel.De aartsbisschop liet vragen, wat dat alles te beteekenen had en men moest hem eindelijk wel zeggen, dat de koning niet door de Mooren kon worden gevangen genomen, omdat hij er met zijn koninklijk gewaad vandoor was gegaan. De prelaat zei: “Gelukkig dat hij ontkomen is aan de vijanden van onzen godsdienst. Zeker is hij gevlucht naar de hoofdstad van zijn koninkrijk en ik wil niet hebben, dat men hem volgt!” Nadat de aartsbisschop dit bevel had gegeven, zei hij, dat men moest doorspelen en dat mijn rol gelezen moest worden.

Hoofdstuk VIIGil Blas keert naar zijn kasteel te Lirias terug. Van de aangename mededeeling, welke Scipio hem deed en van de verandering in het dienstpersoneel.Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: “Ik heb gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen.” Ik vroeg hem, hoe hij aan die boeken was gekomen. “Ik heb ze gevonden in een mooie bibliotheek, die in het kasteel is,” antwoordde hij. “Meester Joachim heeft me die gewezen.”“Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst toch het geheele kasteel doorloopen!”“Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest, als aan dat voor het lichaam gedacht.”Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik gingdadelijk dat paviljoen zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren, dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol zijn op fantasieën.“Mijn vriend,” zei ik tot Scipio, “deze boeken kunnen ons veel aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken, hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in ons personeel.”“Om u die moeite te besparen,” antwoordde Scipio, “heb ik tijdens uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren, dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim; ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is, dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was, om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging geven hen ook te ontslaan.”Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen, werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu behoorlijk geregeld. Wat mij betreft,ik zou mij gaarne met eenvoudige maaltijden hebben tevredengesteld, maar mijn secretaris, die veel van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar, om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.Hoofdstuk VIIIVan de liefde van Gil Blas en van de schoone Antonia.Twee dagen na mijn terugkomst uit Valencia, kwam Basilo, de bewoner van de boerderij, die bij het landgoed behoorde, mij toestemming vragen om mij zijn dochter Antonia voor te stellen, die de eer wilde hebben haren nieuwen meester te begroeten. Ik antwoordde hem, dat mij dit genoegen zou doen. Hij vertrok en kwam een oogenblik later terug met de schoone Antonia, een meisje van zestien à achttien jaar, met regelmatige trekken, een zeer schoone teint en de prachtigste oogen van de wereld. Ze was maar eenvoudig gekleed en had het haar van achter opgebonden in een vlecht, met een klein bouquetje er in.Toen zij binnenkwam, was ik zoo getroffen door haar schoonheid, dat ik geen woorden kon vinden om haar te begroeten. Scipio nam dat van mij over, maar langzamerhand geraakte ik meer op mijn gemak en ik had met het meisje, dat aardig en volstrekt niet verlegen was, een levendig gesprek. Basilo, die dat niet zonder onrust zag en mij reeds als een man beschouwde, die alles in het werk zou stellen, om Antonia te verleiden, haastte zich, met haar weg te gaan, misschien wel met het voornemen om haar nooit meer onder mijn oogen te laten komen.Toen Scipio met mij alleen was, zei hij glimlachend: “Ziedaar mijnheer, een ander middel tegen de verveling! Ik wist niet, dat uw boer zoo’n aardige dochter had, ik had haar nog nooit gezien, hoewel ik al tweemaal bij hem ben geweest. Ik geloof, dat hij er goed voor zorgt om haar weg te houden en daarin kan ik hem geen ongelijk geven. Maar ik geloof niet, dat het noodig is om dit alles te zeggen,want ik heb zeer goed gemerkt, welken indruk ze op u heeft gemaakt.”“Ik kan dat niet ontkennen,” antwoordde ik hem; “zij heeft mij plotseling verliefd op haar gemaakt, de bliksem kan niet sneller gaan, dan zij mijn hart heeft getroffen.”“Het doet mij een verbazend groot genoegen!” riep mijn secretaris met geestdrift, “te vernemen, dat gij verliefd zijt. Er ontbrak u alleen een maitresse, om in uw eenzaamheid een volmaakt geluk te genieten. De gelegenheid biedt zich nu aan. Ik weet wel, dat we eerst wat last zullen hebben om de waakzaamheid van Basilo te verschalken, maar dat is mijn zaak en ik sta er voor in, dat u over drie dagen een geheim onderhoud met Antonia zult hebben.”“Scipio,” zei ik, “misschien zoudt ge toch uw woord wel niet kunnen houden, welk talent ge ook bezit in dergelijke zaken; maar ik wil er niet de proef mee nemen. Het is mij niet te doen om dat meisje te verleiden. Maar wel heb ik uw tusschenkomst noodig om haar te trouwen, want dat is mijn plan, indien tenminste haar hart nog vrij is.”“Ik dacht niet,” zei hij, “dat ge dadelijk zulke ernstige trouwplannen zoudt hebben; andere heeren zouden in uw plaats minder eerlijk handelen. Maar des te beter. De dochter van onzen boer verdient uw liefde. Ik zal trachten vandaag nog een onderhoud te hebben met den vader en misschien ook met haar.”Mijn vertrouweling was een man, gewoon om zijn belofte te houden. Hij ging Basilo opzoeken en ’s avonds wachtte ik met een mengeling van ongeduld en vrees.Hij zag er vroolijk uit, toen hij binnen kwam. “Als ik je lachend gezicht mag gelooven,” zei ik, “dan geloof ik, dat je goed nieuws voor mij hebt.”“Dat heb ik ook,” antwoordde hij, “ik heb Basilo en zijn dochter gesproken en hun uw gevoelens meegedeeld. De vader is er verrukt over, dat ge zijn schoonzoon wilt worden en ik kan u ook verzekeren, dat ge in den smaak valt van Antonia.”“Wat een geluk!” riep ik uit.“Twijfel er maar niet aan, zij bemint u reeds; wel heb ik die bekentenis niet uit haar mond gehoord, maar ik kon het opmaken uit haar vroolijkheid, toen ik haar uw plan meedeelde. Echter hebt ge een medeminnaar....”“Een medeminnaar....!” viel ik hem bleek van schrik in de rede.“Ja, maar dat behoeft u niet in het minst te verontrusten: ’t is meester Joachim, uw kok!”“Zoo’n galgenaas!” riep ik lachend. “Daarom toonde hij dus zoo weinig lust, om mijn dienst te verlaten.”“Juist,” antwoordde Scipio, “hij heeft Antonia ten huwelijk gevraagd, maar ze heeft beleefd geweigerd.”“Het schijnt mij toch het beste,” zei ik hem, “dat ik mij van dien man ontdoe, voor hij verneemt, dat ik de dochter van Basilo wil trouwen. Een kok is, zooals je weet, een gevaarlijk medeminnaar!”“Zoo denk ik er ook over,” stemde mijn vertrouweling toe. “Ik zal hem morgenochtend namens u zijn ontslag geven, dan hebben wij niets meer te vreezen, noch van zijn saus, noch van zijn liefde. Het is wel jammer, dat wij zoo’n goeden kok verliezen, maar ik offer mijn trek in lekker eten gaarne op aan uw veiligheid.”“Dat verlies is overigens niet onherstelbaar,” zei ik, “uit Valencia zal ik een anderen kok laten komen, die even goed is.”Werkelijk schreef ik dadelijk aan don Alphonse om hem een kok te vragen en hij zond er een, die Scipio troostte met het verlies van meester Joachim.Hoewel mijnvlijtigesecretaris beweerde, dat Antonia mijn liefde beantwoordde, was ik daar nog niet zeker van en ik besloot zelf een onderhoud met haar te hebben. Dus ging ik naar Basilo, om te bevestigen wat Scipio had gezegd. De boer, een goed en eenvoudig man, verklaarde mij, dat hij mij gaarne de hand van zijn dochter schonk. “Maar,” voegde hij er aan toe, “u moet niet denken, dat dit alleen komt omdat ge heer van ons dorp zijt. Al waartge alleen nog maar intendant van don César, dan zou ik u toch boven alle anderen verkiezen; ik heb altijd een zwak voor u gehad, en het spijt mij alleen maar, dat de bruidschat van Antonia niet grooter is.”“Ik wil er in ’t geheel geen hebben!” riep ik. ”’t Is mij alleen om haar persoon te doen.”“Maar ik ben er de man niet naar om mijn dochter zonder bruidschat uit te huwelijken. De toestand van Basilo Buenotrigo is gelukkig niet van dien aard, dat dit noodig is; geeft u haar te eten, dan wil ik, dat zij u te soupeeren geeft. Uw inkomsten van het kasteel bedragen ongeveer vijfhonderd ducaten, ik zal die bij uw huwelijk aanvullen tot duizend.”“Mijn waarde Basilo, ik vind alles goed, zooals gij het doet. Maar we zijn op ’t oogenblik niet bij elkaar om over zaken te spreken. Wij zijn het met elkaar eens; ’t is nu echter te doen om de toestemming van uw dochter.”“Ge hebt de mijne. Is dat niet voldoende?”“Niet geheel en al. Uw toestemming is noodig, maar de hare ook,” antwoordde ik.“De hare hangt van de mijne af. Ik zou wel eens willen zien, dat Antonia weigerde, wanneer ik het goedvind.”“Graag geloof ik,” hernam ik, “dat ze u zal gehoorzamen; maar ik hoop, dat ze uit eigen aandrang mij haar hand wil reiken.”“Dat is philosophie, waarvan ik weinig begrijp. Spreek zelf maar met Antonia.”Bij die laatste woorden riep hij zijn dochter en verliet het vertrek.“Schoone Antonia,” zei ik, “beschik over mijn lot. Hoewel ik de toestemming heb van uw vader, wil ik niet, dat ge uw gevoelens geweld zult aandoen.”Antonia bloosde een weinig en antwoordde mij: “Uw aanzoek is mij zeer aangenaam en de beslissing van mijn vader doet mij genoegen. Ik weet niet of ik goed doe met zoo tot u te spreken, maar indien u mij niet beviel zou ikhet ook vrijmoedig zeggen en waarom zou ik het nu dan niet doen?”Bij die woorden viel ik voor haar op de knieën en kuste haar handen. Een oogenblik later kwam Basilo binnen en vroeg of ik tevreden was over Antonia.“Ik ben zóó voldaan,” antwoordde ik, “dat ik mij dadelijk zal gaan bezighouden met de toebereidselen voor ons huwelijk.” Dit zeggende verliet ik den vader en de dochter, om te gaan spreken met mijn secretaris.Hoofdstuk IXBruiloft van Gil Blas en de schoone Antonia. Op welke wijze die gevierd werd; welke personen erbij tegenwoordig waren en welke genoegens er op volgden.Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia, waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden, doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd, waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje, dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. “Maar,” voegde ze er ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora’s liefde verweet, “ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen, zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken.”De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.“Ga nu naar Lirias terug,” zeiden ze, “en blijf er rustig, tot ge van ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg, waarmee wij ons zullen belasten.”Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen van mijn beschermers en wijwachttenacht dagen op hetgeen er zou gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine mij haar ingenomenheid met mijn keuze.Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen, die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval de vreugde kwam verstoren.Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen van Séraphine in zwijmwas gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot zichzelf was gekomen, zei hij zacht: “Moet nu de schoonste dag van uw leven de onaangenaamste vanhetmijne zijn? Maar men kan zijn noodlot niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!”“Wat!” riep ik, “ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?”“Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk overkomen dan haar te zien!”“Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet.”“U zult tevreden over mij zijn,” zei Scipio mij.Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij zei,“Mijn lieveBéatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer, na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik voor mij.”“Ik weet niet,” zei zijn vrouw, “of het je wel zooveel genoegen doet mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie, dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie verliet je mij, vertrok uitTolédo, ontvluchtte mij als een monster, zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden heeft het meeste recht om zich te beklagen?”“Dat heb jij, ontegenzeggelijk,” antwoordde Scipio.“Dat denk ik ook,” stemde zij toe. “Don Fernand trouwde korten tijd later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk is geweest.”Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: “Het doet mij veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan den heer de Santillano.”Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.Hoofdstuk XGevolg van het huwelijk van Gil Blas en de schoone Antonia. Begin van de geschiedenis van Scipio.Den volgenden dag keerden de heeren de Leyva naar Valencia terug en mijn secretaris en ik bleven met onze vrouwen en het gewone personeel op het kasteel achter. De zorg, die wij ervoor over hadden om onze dames te behagen, was niet vruchteloos; in korten tijd gevoelde mijn vrouw voor mij evenveel liefde als ik voor haar en Scipio deed de zijne al het verdriet vergeten, dat hij haar had aangedaan.Béatrix, die een zacht karakter had, was spoedig in de gunst en het vertrouwen van haar nieuwe meesteres. Wij leefden zeer genoeglijk met ons vieren. Antonia was ernstig en Béatrix en ik waren vroolijk, maar al waren wij het niet geweest, dan zou de aanwezigheid van Scipio wel voldoende zijn geweest om alle droefgeestigheid te verdrijven. Hij was een van die menschen, die zich maar behoeven te vertoonen, om een gezelschap te vermaken.Op zekeren dag vroeg ik hem ons zijn geschiedenis te vertellen, omdat hij daarvan nog nooit had gesproken.“Wanneer ik u mijn geschiedenis nog niet verteld heb,” zei hij, “komt dat omdat ge nooit van het minste verlangen getuigd hebt die te weten. Maar zijt ge er nieuwsgierig naar, dan zal ik uw verlangen bevredigen.Ik zou de zoon zijn van een grande of tenminste van een ridder, indien het van mij had afgehangen, maar, daar men zelf zijn vader niet kiest, was de mijne, genaamd Torribio Scipio, een eenvoudig dienaar van den heiligen Hermandad. Op zekeren dag ontmoette hij bij toeval opeen van de groote wegen, waar hij voor de uitoefening van zijn ambt bijna altijd moest zijn, tusschen Cuença en Tolédo een jonge zigeunerin, die hem zeer goed beviel. Ze was alleen, ging te voet en droeg al wat zij bezat in een zak op haar rug. “Waar gaat ge heen, lief kind?” vroeg hij en verzachtte daarbij zijn stem, die zeer hard van natuur was. “Mijnheer,” antwoordde zij, “ik ga naar Tolédo, waar ik op eerlijke wijze mijn brood hoop te verdienen.” “Dat is een zeer prijzenswaardig voornemen,” zei mijn vader,“en ik twijfel er niet aan of ge hebt meer dan één koord op uw boog.” Het meisje vertelde daarop, dat ze verschillende talenten had; ze kon pommade en reukwater maken en waarzeggen. Torribio, die haar een zeer voordeelige partij vond voor een man als hij, diemoeite had om van zijn bezoldiging te leven, stelde haar voor hem te huwen. Met genoegen nam zij dat voorstel aan. Toen dit tusschen hen vaststond trouwden ze zoo spoedig mogelijk te Tolédo en in mij ziet ge de waardige vrucht van dit edele huwelijk. Zij gingen in een van de buitenwijken wonen, waar mijn moeder begon met hare pommade en reukwater te verkoopen; maar omdat zij er geen voldoende afname van had, werd zij waarzegster. Toen begon het bij haar ducaten en pistolen te regenen want Cascolina, zoo heette zij, had spoedig naam verworven.Mijn moeder had de gewoonte, om de menschen, die bij haar kwamen, steeds een antwoord te geven, dat naar hun zin was. Kwam dan de voorspelling goed uit, zoo had zij er de eer van en indien men haar het tegendeel kwam verwijten, dan schreef zij dit toe aan een demon, die sterker was dan zij.Toen ze het later gewenscht oordeelde, om nu en dan den duivel persoonlijk te laten optreden, werd die rol toebedeeld aan mijn vader, die zich met zijn harde stem en leelijk gezicht uitstekend daartoe leende. Vele lichtgeloovigen schrokken van hem, maar op een goeden dag kwam er een brutale kapitein, die den duivel doorstak. Het gerecht, dat van dezen dood vernam zond zijn mannen op mijn moeder af en ze werd gearresteerd. Mij bracht men naar het weeshuis; ik was toen zeven jaar oud. Er waren in dat weeshuis geestelijken, die goed werden betaald voor hun zorgen, besteed aan de opvoeding van de kinderen en hun lezen en schrijven leerden. Ze schenen op te merken, dat ik veel beloofde en onderscheidden mij boven de anderen, door mij hunne boodschappen te laten doen. Ter belooning leerden ze mij een beetje Latijn. Maar ik had het er zoo slecht, dat ik op een goeden dag besloot, weg te loopen. Ik ging Tolédo uit en begaf mij op weg naar Vevilla.Hoewel ik nauwelijks negen jaar was, voelde ik reeds het genoegen, van vrij te zijn en meester over mijn daden.Toen ik een paar uren geloopen had en ik moede was, ging ik onder een boom zitten rusten. Ik haalde mijn leerboek uit mijn zak en vond er een genoegen in de bladen ervan te verscheuren. Terwijl ik daarmee bezig was, kwam er een kluizenaar voorbij, een man met een langen grijzen baard, een grooten bril op en een eerbiedwaardig uiterlijk. Hij sprak mij aan en nadat wij eenigen tijd samen hadden gepraat, stelde hij mij voor hem te vergezellen naar zijn woning. “U moet mij niet kwalijk nemen,” zei ik, “maar ik heb geen lust om kluizenaar te worden.” De grijsaard lachte en zei: “Mijn kleed jaagt je zeker schrik aan, mijn zoon, ’t is dan ook niet mooi maar nuttig, het bezorgt mij een aangename verblijfplaats en de inwoners van de naburige dorpen zijn goed voor mij. Kom mee en blijf, als het je bevalt. Mocht het je niet bevallen, dan scheiden wij en zal ik je toch helpen.”Ik liet mij overreden en volgde den kluizenaar, die mij tal van vragen deed, die ik, naar het scheen, tot zijn genoegen beantwoordde. Toen wij in zijn woning aankwamen, gaf de oude man mij eerst eenige vruchten, die ik verslond, want ik had dien dag nog niets gegeten dan een stuk droog brood, dat ik in het weeshuis voor ontbijt had gekregen. “Eet maar goed, mijn zoon, ik heb je niet meegenomen, om je van honger te laten sterven.” Dat was waar, want hij begon dadelijk een schapenbout te braden, waarvan wij een paar flinke stukken voor ons souper kregen, met een beker wijn.“Zoo leef ik hier gewoonlijk,” zei hij, “blijf je bij me, dan is het niet noodig om altijd binnen te zijn, je kan doen, wat je wil. Het eenige, wat ik van je vraag is om met mij mee te gaan als ik de naburige dorpen bezoek. Dan moet je een juk met twee manden voor me dragen, die door de liefdadige boeren worden gevuld met eieren, brood, vleesch en visch.”“Ik wil dat graag doen,” antwoordde ik, “als ik maar geen Latijn meer hoef te leeren.” Lachend stelde broeder Chrysostome, zoo heette de hermiet, mij gerust.Den volgenden dag gingen wij erop uit en brachten welvoor acht dagen levensmiddelen thuis, een bewijs dat de oude man zeer gezien was bij de inwoners van het dorp. Op zijn beurt was hij hen van groot nut. Hij gaf goeden raad, als men dien kwam vragen, herstelde den vrede in het huishouden, wanneer die was verstoord, huwelijkte de meisjes uit, wanneer ze meenden, dat het tijd was, wist allerlei middelen voor ziekten en leerde orakelspreuken aan vrouwen, die graag kinderen wilden hebben.Ik had een goed leven; broeder Chrysostome had van een oud kleed van hem voor mij ook een soort van pij gemaakt en ik werd de kleine broeder Scipio genoemd. Dat prettige leven had nog lang kunnen voortduren, maar het lot wilde het anders.Dikwijls zag ik den grijsaard bezig met het kussen, waarop hij sliep; hij maakte het open, naaide het weer dicht en op zekeren dag meende ik op te merken, dat hij er geld in deed. Dat maakte mij nieuwsgierig en ik besloot dat eens te onderzoeken den eersten keer dat hij weg was naar Tolédo, waar hij altijd eenmaal per week alleen heen ging. Met ongeduld wachtte ik dien dag af, zonder echter andere plannen te hebben, dan alleen mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.Eindelijk vertrok de goede man; ik maakte het kussen open en vond aan allerlei muntstukken een waarde van ongeveer vijftig kronen.Dat geld had hij zeker van de boeren gekregen voor de genezing van hunne kwalen, of van de boerinnen, die door zijn orakelspreuken kinderen hadden gekregen. Hoe het zij, ik zag geld, dat ik mij kon toeëigenen en mijn Zigeunernatuur ontwaakte. Er kwam een zucht naar stelen bij mij op, alleen verklaarbaar door het bloed, dat mij door de aderen vloeide. Ik deed het geld in een zak, trok het kluizenaarskleed uit en het weeshuispakje weer aan en verwijderde mij, meenende al de schatten van Indië mee te voeren.Hoewel ik nog een kind was, was ik toch niet zoo dom, om den weg naar Tolédo in te slaan, waarop ik broederChrysostome had kunnen ontmoeten. Ik ging een anderen kant uit en kwam na lang loopen in het dorp Galvas. Daar ging ik een logement binnen en de eigenares, een vrouw van veertig jaar, die bij het gezicht van mijn kleeren meende, dat ik weggeloopen was uit het weeshuis, vroeg mij mijn naam en waar ik heenging. Ik antwoordde haar, dat ik mijn vader en moeder had verloren en ergens een dienst zocht. Ze vroeg mij of ik lezen en schrijven kon en op mijn bevestigend antwoord zei ze, dat ik bij haar kon blijven. “Ik zal je geen loon geven,” voegde zij eraan toe, “aangezien in dit logement fatsoenlijke menschen komen, die de bedienden niet vergeten.”Ik nam haar aanbod aan. Maar al dadelijk kwam ik in groote onrust; want ik wilde niet laten weten, dat ik geld had en wist niet goed, waar ik het verbergen moest. Wat geeft rijkdom toch een last! Eindelijk besloot ik mijn zak in een hoek van den zolder onder het stroo te stoppen.Er waren drie dienstboden in het huis; een groote staljongen, een jonge meid uit Gallicië en ik. Alle drie kregen wij fooien van de bezoekers, maar de meid was altijd het beste af. Niet zoodra ontving ik een stuiver, of die werd boven gebracht in mijn zak en hoe grooter mijn schat werd, des te meer hechtte ik mij daaraan. Wel dertigmaal op een dag ging ik naar boven, om naar mijn geld te kijken. De waardin, die dat begon te merken en wantrouwend van karakter was, besloot den zolder eens na te kijken. Ze wierp het stroo ter zijde en vond mijn zak. Toen ze zag, dat daarin kronen en pistolen waren, geloofde zij, dat die bij haar gestolen waren, of liever zij deed of ze dit geloofde. Zij schold mij uit voor een kleinen dief, liet mij door den staljongen afranselen en zette mij buiten de deur. Of ik al riep, dat ik haar niet bestolen had, zij hield vol en men geloofde haar meer dan mij. Op die wijze gingen de geldstukken van broeder Chrysostome uit de handen van een dief over in die van een dievegge.Ik betreurde het verlies van mijn geld, zooals men eeneenigen zoon beweent, en indien mijn tranen mij al niet teruggaven, wat men mij ontnomen had, ze waren tenminste oorzaak, dat ik het medelijden opwekte van personen, die ze zagen vloeien en onder anderen van den pastoor van Galves, die toevallig voorbijkwam. Hij scheen getroffen door mijn verdriet en nam mij mee. Door mij te beklagen en vriendelijk met mij te spreken, wist hij mij zoover te krijgen, dat ik hem alles vertelde. “Mijn zoon,” zei hij, “hoewel een kluizenaar geen geld mag verzamelen, vermindert dat uw schuld niet; door broeder Crysostome te bestelen, hebt gij gezondigd tegen de tien geboden; maar troost u er mede, dat ik de waardin zal verplichten, om afstand te doen van dat geld en het weer den kluizenaar zal doen toekomen. Uw geweten kan in dat opzicht dus gerust zijn.”Nu moet ik eerlijk bekennen, dat mij dat maar heel weinig belang inboezemde. Maar de pastoor ging verder; hij beloofde voor mij te zullen zorgen. “Ik zal u morgen door een ezeldrijver laten brengen naar mijn neef, den kanunnik van den kathedraal vanTolédo. Hij zal, op mijn verzoek, niet weigeren om u in zijn dienst te nemen en u op te leiden tot lakei, dan hebt ge bij hem een aangenaam leven.”Die verzekering troostte mij en den volgende dag kwamen er twee muilezels voor. Men hielp mij op den eene, de drijver besteeg den andere en wij sloegen den weg in naarTolédo. Mijn reismakker was een man met een goed humeur die niets liever deed, dan zich vermaken ten koste van zijn naasten. Hij begon al dadelijk een gesprek met mij. “Mijn jongen vriend, ge hebt een goeden beschermer in mijnheer den pastoor van Galves. Dat toont hij u wel. Hij kan u geen beteren dienst bewijzen, dan door u te plaatsen bij zijn heer, den kanunnik, dien ik de eer heb te kennen. ’t Is allerminst één van die bleeke en magere vromen, maar een man, die van het leven houdt en zich de genoegens, die het biedt, niet ontzegt. Ge zult het daar best hebben.”De man hield niet op met van het geluk te spreken, dat mij wachtte, tot wij in het dorp Obisa kwamen, waar onze muilezels moesten rusten. Daar bemerkte ik, goddank, dat men mij bedroog. Ziehier op welke wijze. De drijver, die op en neer ging in het logement, liet bij toeval een papier vallen, dat ik zoo slim was op te rapen en te lezen, terwijl hij in den stal was. Het was een brief aan de priesters van het weeshuis, die aldus luidde: “Mijne heeren! Ik heb gemeend, dat de barmhartigheid mij verplicht om weer in uw handen te stellen een jongen schelm, die uit uw inrichting is ontsnapt; hij schijnt niet dom en waard, dat gij de goedheid hebt, hem bij u opgesloten te houden. Ik twijfel er niet aan, of met strenge tucht zult gij een flinken jongen van hem maken. God zegene uw vroom en barmhartig werk. De pastoor van Galves.”Toen ik dien brief had gelezen, was het voor mij niet lang de vraag, wat ik had te doen. Het hotel uit te snellen en naar den oever van den Taag te loopen, die op een mijl afstand lag, was het werk van een oogenblik. De angst gaf mij vleugelen om de priesters van het weeshuis te ontvluchten, waar ik in geen geval wilde terugkeeren; zulk een tegenzin had ik in de manier, waarop zij Latijn onderwezen. Ik bereikte Tolédo, en de fortuin was mij gunstig in die groote stad. Een heer, die zeer goed gekleed was, hield mij aan en zei: “Vriendje, wil je in mijn dienst komen? Ik heb een jongen zooals jij noodig.” “En ik een meester zooals u,” antwoordde ik.Die heer, die ongeveer dertig jaar oud kon zijn, heette don Abel. Hij logeerde in een hotel, waar hij een mooie kamer had, was speler van beroep, en ziehier op welke wijze wij leefden; ’s morgens stopte ik zijn pijp vijf- of zes maal en maakte zijn kleeren schoon, dan ging ik den barbier voor hem halen en daarna ging hij uit, om niet terug te keeren voor elf of twaalf uur ’s avonds. Maar iederen morgen voor hij uitging, gaf hij mij wat klein geld en ik kon den dag besteden, zooals ik wilde, mits ik maar ’s avonds om tien uur thuis was. Daar hij zeer tevredenover mij was, liet hij mij een livrei maken, waarop ik niet weinig trotsch was. Mijn nieuwe betrekking beviel mij zeer goed.Ongeveer een maand was ik bij hem geweest, toen hij mij vroeg, of ik tevreden bij hem was. Ik antwoordde, dat ik het niet beter kon wenschen en daarop zei hij: “dan zullen wij morgen naarSévillavertrekken, waar mijn zaken mij roepen. Het zal je niet spijten, de hoofdstad vanAndaloesiëte zien. Het spreekwoord zegt, dat wieSévillaniet heeft gezien, niets gezien heeft.” Ik betuigde hem, dat ik bereid was hem overal te volgen.Den volgenden dag kwam er een man in het hotel om zijn koffer te halen en daarna vertrokken wij.Don Abel was zóó gelukkig in het spel, dat hij alleen verloor, wanneer hij het wilde, wat hem noodzaakte, dikwijls van woonplaats te veranderen, om zich te onttrekken aan ontmoetingen met zijn slachtoffers. Daarom moesten wij ook nu vertrekken.In Sévilla gingen wij in een hotel en begonnen hetzelfde leven als in Tolédo. Maar, mijn patroon vond verschil tusschen die twee steden, want hij ontmoette hier spelers, die even gelukkig waren als hij en daarover was hij kwaad. Op een morgen, dat hij weer eens uit zijn humeur was, omdat hij den vorigen avond honderd pistolen had verloren, vroeg hij mij, waarom zijn waschgoed niet was weggebracht. Ik antwoordde hem, dat ik daar niet aan had gedacht, waarop hij in woede mij een half dozijn klappen in mijn gezicht gaf, die zoo hard waren, dat ik meer lichten zag, dan er in Salomo’s tempel waren. “Daar, kleine stommeling! Dat zal je wel leeren, om aan je plicht te denken!” Met die woorden ging hij weg en ik was zoo kwaad op hem, dat ik besloot mij te wreken bij de eerste gelegenheid, die zich zou voordoen.Ik weet niet, welk nieuw avontuur hij had gehad, maar op een avond kwam hij in zeer opgewonden toestand thuis en zei: “Scipio, ik ben van plan naar Italië te gaan. Ik heb daar mijn redenen voor en denk, dat je wel lustzult hebben mij te vergezellen en van zulk een schoone gelegenheid te profiteeren, om het prachtigste land van de wereld te zien.”Ik antwoordde hem, dat ik niets liever wilde, maar tegelijkertijd nam ik mij voor, om te verdwijnen op het oogenblik, dat hij wilde vertrekken. Daardoor dacht ik mij op mijn meester te wreken en ik vond het plan zeer vernuftig. Zoo tevreden was ik er over, dat ik niet kon nalaten het mee te deelen aan een kameraad, dien ik op straat ontmoette. Sedert ik inSévillawas, had ik eenige slechte kennissen gekregen en daaronder behoorde deze.Ik vertelde hem, waarom en op welke wijze ik mij op mijn meester wilde wreken en vroeg hem, wat hij ervan dacht.Hij antwoordde mij: “Mijn vriend, uw eer gedoogt niet, dat ge ongewroken blijft; maar ’t is niet voldoende don Abel alleen te laten vertrekken; daarmee straft ge hem niet genoeg. Laten wij hem zijn koffer en zijn geld ontnemen en de buit broederlijk deelen na zijn vertrek.”Hoewel ik een natuurlijke neiging had tot stelen, verschrikte ik toch van het voorstel tot zulk een ernstigen diefstal. Maar mijn kameraad wist mij zoo te bepraten, dat ik toestemde en ziehier den uitslag.Mijn kameraad, die groot en sterk was, kwam den volgenden morgen in ons hotel. Ik wees hem den koffer, waar don Abel reeds alles had ingepakt en vroeg hem, of die hem niet te zwaar was om alleen te dragen. “Te zwaar!” zei hij. “Als ’t is om het goed van anderen weg te nemen, dan zou ik den heelen ark van Noach wel kunnen dragen.” Hij nam daarop den koffer op zijn schouders en ging met lichten tred naar beneden. Ik volgde hem en wij waren aan het einde van de straat, toen don Abel door zijn gelukkig gesternte daarheen geleid, plotseling voor ons stond.“Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg hij. Ik was zoo verschrikt, dat ik geen antwoord kon geven en mijn kameraad, die zag dat het spel mislukt was, wierp denkoffer weg en maakte beenen. “Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg mijn meester voor de tweede maal.Meer dood dan levend antwoordde ik: “Mijnheer, ik ga dien naar het schip brengen, waarmee u morgen naar Italië wilt gaan.”“En kan je mij ook zeggen met welk schip ik ga?”“Neen, mijnheer, maar elke weg leidt naar Rome en ik zou aan de haven hebbengeïnformeerd.” “Wie heeft je bevolen mijn koffer uit het huis te doen dragen?” “Uzelf,” zei ik. “Wat? Ik?” antwoordde hij verbaasd. “Natuurlijk,” hernam ik, “herinner u maar, dat u mij een paar dagen geleden onder slagen bevolen hebt uw orders te voorkomen en op mijn eigen houtje te doen wat er gebeuren moest!”Don Abel, die merkte, dat ik niet zoo onschuldig was als hij altijd had gedacht, zei op koelen toon: “Ik ontsla je, je hebt te veel verstand voor je leeftijd!Bovendien houd ik er niet van om te spelen met menschen, die nu eens een kaart te veel of dan er een te weinig hebben.”Zoo liep ik nu door de straten vanSévilla, met niet meer dan een paar stuivers op zak. Bij de keukens van het paleis van den aartsbisschop trof een aangename geur mijn neus. Zou er geen middel voor mij zijn, om iets te eten te krijgen? Ik verzon een list en dadelijk was die uitgevoerd. Hard loopend kwam ik de plaats op bij de keuken en riep: “Help! Help!” alsof iemand mij achterna kwam, om mij te vermoorden. Op mijn geschreeuw kwam meester Diego, de kok, aangesneld met drie of vier koksjongens om te weten, wat er gaande was. Daar hij niemand anders zag dan mij, vroeg hij waarom ik zoo hard schreeuwde. Ik deed of ik hevig ontsteld was en vertelde hem van een grooten, sterken man, een vechtersbaas, die mij op straat was tegengekomen en me had willen doodslaan. De goede man stelde mij gerust en zei: “Kom, kom, die man heeft misschien een grap met je willen hebben en bovendien, hier zal hij niet komen.”“Neen, neen! ’t Was geen gekheid en hij zal mij op straat wel opwachten!”“Welnu, laat hem dan maar wachten en blijf hier, je kunt vanavond met de koksjongens eten en gaan slapen.”Mijn doel was bereikt en ik amuseerde mij zoo goed met de jongens, dat toen ik den volgenden morgen meester Diego wilde gaan bedanken, hij me zei: “de jongens hebben zooveel genoegen met je gehad, dat ze mij gezegd hebben, je graag voor kameraad te willen hebben. Heb je daar lust in?”Natuurlijk antwoordde ik, dat ik niets liever wenschte en zoo werd ik koksjongen. In de keuken zag ik 15 personen bezig met het souper van Monseigneur, maar de gerechten kon ik niet tellen; zoo goed zorgde de Voorzienigheid voor hem.Al spoedig stond ik zoo in de gunst bij meester Diego, dat hij mij gebruikte om schotels en wijn te brengen bij een dame in de buurt, die mooi en levendig was en die er uitzag of ze haren kok niet zeer trouw was. Ondertusschen voorzag hij haar niet slechts van vleesch, brood, suiker en olie, maar zorgde ook voor haar wijnvoorraad; en dat alles op kosten van den aartsbisschop.Mijn verblijf in het bisschoppelijk paleis eindigde met een poets, waarvan men nog heden spreekt. De pages en eenige andere bedienden hadden het plan gevormd, om op den verjaardag van monseigneur een comedie op te voeren. Ze kozen er een, waarin een jongen man van mijn leeftijd een jongen koning moest voorstellen. De hofmeester, die het stuk hielp instudeeren, koos mij daarvoor en na eenige repetities verklaarde hij, dat ik niet onder de minste spelers zou behooren. Niets werd gespaard om de opvoering zoo luisterrijk mogelijk te maken. Een van de grootste zalen werd voor schouwburg ingericht en ook aan de costuums werd alle zorg besteed. Een kleermaker was mijn maat komen nemen en ik kreeg een rijk kleed aan van blauw fluweel, met galon, knoopen en goud.Eindelijk kwam de lang verwachte avond. De jongekoning moest het eerst op het tooneel zijn. Ik opende dus de voorstelling met het declameeren van een reeks verzen, waarvan het slot luidde, dat de koning zich niet tegen den slaap kon verzetten. Bij die woorden moest ik terugtrekken tusschen de coulissen en op een rustbed gaan liggen, dat daarvoor was klaargezet. Maar toen ik daar zoo lag, begon ik er aan te denken, of er geen middel was, om met mijn koninklijke kleeren te ontkomen. Ik zag een klein trapje onder het tooneel, waarmee ik in een andere zaal kon komen. Toen ik mijn kans schoon zag en niemand op mij lette, sloop ik daar af en liep de zaal door bij de deur, roepende: “Plaats! ik moet mij gaan verkleeden!”Zoo kwam ik in minder dan één minuut ongehinderd buiten het paleis en, door de duisternis begunstigd, begaf ik mij naar de woning van mijn vriend, met wien ik dat mislukte avontuur van den koffer had beleefd.Hij was ten hoogste verwonderd mij te zien in mijn koninklijk costuum. Spoedig had ik hem op de hoogte gebracht. Hij wenschte mij hartelijk geluk met deze goed gelukte grap en voorspelde mij, dat ik, wanneer ik zoo zou voortgaan, de wereld nog eens versteld zou doen staan door mijn verstand.“Maar hoe zullen we die rijke kleeren nu goed kwijtraken?” vroeg ik.“O, dat is het minste, ik ken iemand, die zonder nieuwsgierig te zijn, alles koopt, wat van zijn gading is. Morgen ga ik hem opzoeken.”Den volgenden morgen sliep ik nog, toen hij terugkwam met den koopman Ybagnez deSégoviër, die mij een half versleten pak bracht met zilveren knoopen en voor mijn prachtig gewaad en kroon, na eindelooze onderhandelingen, dertig pistolen gaf.Mijn kameraad nam de helft van dat geld, liet mij de rest en zei: “Vriend Scipio, met de vijftien pistolen, die je overblijven, raad ik je zoo spoedig mogelijk de stad te verlaten, want je begrijpt wel, dat men je, op last van denaartsbisschop, overal zal zoeken. Ik zou wanhopig zijn, wanneer je na een daad, waardoor je je zoo onderscheiden hebt, gevangen werd genomen.”Ik antwoordde, dat ik zoo spoedig mogelijk uitSévillaweg wilde. Na een hoed en eenig ondergoed te hebben gekocht, ging ik op weg en kwam na drie dagen in Cordova. Ik ging logeeren in een hotel bij den ingang van de stad, gaf mij uit voor den zoon van een familie in Tolédo en zeide, dat ik voor mijn genoegen reisde. Ik zag er zindelijk genoeg uit om dat te doen gelooven en liet den waard toevalligerwijze een paar van mijn pistolen zien. Hij vroeg verder niet, misschien uit vrees, dat zijn nieuwsgierigheid mij zou kunnen doen besluiten om te verhuizen.Voor niet te veel geld had ik het daar goed. Er waren ’s avonds ongeveer twaalf personen aan tafel, die zwijgendzaten te eten. Maar een was er, die bijna geen oogenblik zijn mond hield. Hij wist allerlei nieuwtjes, grappen en verhalen. Wat mij betreft, ik luisterde er weinig naar, maar ten slotte trok hij ook mijn aandacht. Ik hoorde hem zeggen: “Alles wat ik tot nu toe verteld heb, heeren, is niets in vergelijking met het vermakelijke avontuur, dat voor eenige dagen is afgespeeld in het paleis van den aartsbisschop.” De man vertelde daarna met groote nauwkeurigheid mijn geschiedenis; ik vernam er nu ook het slot van, dat ik nog niet wist.Een oogenblik nadat ik verdwenen was, kwamen zooals de volgorde in het stuk dat bepaalde, de Mooren op, die den koning moesten oplichten. Ze naderden daarvoor het rustbed, dat, zooals ik zei, tusschen de coulissen stond, slechts voor een deel zichtbaar voor het publiek. De Mooren moesten koning Leon slapende verrassen, maar op het rustbed was niemand te vinden.Dat gaf dadelijk groote verwarring. Alle acteurs liepen op het tooneel en achter de schermen rond, de een riep me, de ander zocht mij en een derde wenschte mij naar den duivel.De aartsbisschop liet vragen, wat dat alles te beteekenen had en men moest hem eindelijk wel zeggen, dat de koning niet door de Mooren kon worden gevangen genomen, omdat hij er met zijn koninklijk gewaad vandoor was gegaan. De prelaat zei: “Gelukkig dat hij ontkomen is aan de vijanden van onzen godsdienst. Zeker is hij gevlucht naar de hoofdstad van zijn koninkrijk en ik wil niet hebben, dat men hem volgt!” Nadat de aartsbisschop dit bevel had gegeven, zei hij, dat men moest doorspelen en dat mijn rol gelezen moest worden.

Hoofdstuk VIIGil Blas keert naar zijn kasteel te Lirias terug. Van de aangename mededeeling, welke Scipio hem deed en van de verandering in het dienstpersoneel.Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: “Ik heb gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen.” Ik vroeg hem, hoe hij aan die boeken was gekomen. “Ik heb ze gevonden in een mooie bibliotheek, die in het kasteel is,” antwoordde hij. “Meester Joachim heeft me die gewezen.”“Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst toch het geheele kasteel doorloopen!”“Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest, als aan dat voor het lichaam gedacht.”Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik gingdadelijk dat paviljoen zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren, dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol zijn op fantasieën.“Mijn vriend,” zei ik tot Scipio, “deze boeken kunnen ons veel aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken, hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in ons personeel.”“Om u die moeite te besparen,” antwoordde Scipio, “heb ik tijdens uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren, dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim; ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is, dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was, om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging geven hen ook te ontslaan.”Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen, werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu behoorlijk geregeld. Wat mij betreft,ik zou mij gaarne met eenvoudige maaltijden hebben tevredengesteld, maar mijn secretaris, die veel van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar, om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.

Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.

Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: “Ik heb gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen.” Ik vroeg hem, hoe hij aan die boeken was gekomen. “Ik heb ze gevonden in een mooie bibliotheek, die in het kasteel is,” antwoordde hij. “Meester Joachim heeft me die gewezen.”

“Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst toch het geheele kasteel doorloopen!”

“Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest, als aan dat voor het lichaam gedacht.”

Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik gingdadelijk dat paviljoen zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren, dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol zijn op fantasieën.

“Mijn vriend,” zei ik tot Scipio, “deze boeken kunnen ons veel aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken, hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in ons personeel.”

“Om u die moeite te besparen,” antwoordde Scipio, “heb ik tijdens uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren, dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim; ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is, dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was, om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging geven hen ook te ontslaan.”

Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen, werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu behoorlijk geregeld. Wat mij betreft,ik zou mij gaarne met eenvoudige maaltijden hebben tevredengesteld, maar mijn secretaris, die veel van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar, om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.

Hoofdstuk VIIIVan de liefde van Gil Blas en van de schoone Antonia.Twee dagen na mijn terugkomst uit Valencia, kwam Basilo, de bewoner van de boerderij, die bij het landgoed behoorde, mij toestemming vragen om mij zijn dochter Antonia voor te stellen, die de eer wilde hebben haren nieuwen meester te begroeten. Ik antwoordde hem, dat mij dit genoegen zou doen. Hij vertrok en kwam een oogenblik later terug met de schoone Antonia, een meisje van zestien à achttien jaar, met regelmatige trekken, een zeer schoone teint en de prachtigste oogen van de wereld. Ze was maar eenvoudig gekleed en had het haar van achter opgebonden in een vlecht, met een klein bouquetje er in.Toen zij binnenkwam, was ik zoo getroffen door haar schoonheid, dat ik geen woorden kon vinden om haar te begroeten. Scipio nam dat van mij over, maar langzamerhand geraakte ik meer op mijn gemak en ik had met het meisje, dat aardig en volstrekt niet verlegen was, een levendig gesprek. Basilo, die dat niet zonder onrust zag en mij reeds als een man beschouwde, die alles in het werk zou stellen, om Antonia te verleiden, haastte zich, met haar weg te gaan, misschien wel met het voornemen om haar nooit meer onder mijn oogen te laten komen.Toen Scipio met mij alleen was, zei hij glimlachend: “Ziedaar mijnheer, een ander middel tegen de verveling! Ik wist niet, dat uw boer zoo’n aardige dochter had, ik had haar nog nooit gezien, hoewel ik al tweemaal bij hem ben geweest. Ik geloof, dat hij er goed voor zorgt om haar weg te houden en daarin kan ik hem geen ongelijk geven. Maar ik geloof niet, dat het noodig is om dit alles te zeggen,want ik heb zeer goed gemerkt, welken indruk ze op u heeft gemaakt.”“Ik kan dat niet ontkennen,” antwoordde ik hem; “zij heeft mij plotseling verliefd op haar gemaakt, de bliksem kan niet sneller gaan, dan zij mijn hart heeft getroffen.”“Het doet mij een verbazend groot genoegen!” riep mijn secretaris met geestdrift, “te vernemen, dat gij verliefd zijt. Er ontbrak u alleen een maitresse, om in uw eenzaamheid een volmaakt geluk te genieten. De gelegenheid biedt zich nu aan. Ik weet wel, dat we eerst wat last zullen hebben om de waakzaamheid van Basilo te verschalken, maar dat is mijn zaak en ik sta er voor in, dat u over drie dagen een geheim onderhoud met Antonia zult hebben.”“Scipio,” zei ik, “misschien zoudt ge toch uw woord wel niet kunnen houden, welk talent ge ook bezit in dergelijke zaken; maar ik wil er niet de proef mee nemen. Het is mij niet te doen om dat meisje te verleiden. Maar wel heb ik uw tusschenkomst noodig om haar te trouwen, want dat is mijn plan, indien tenminste haar hart nog vrij is.”“Ik dacht niet,” zei hij, “dat ge dadelijk zulke ernstige trouwplannen zoudt hebben; andere heeren zouden in uw plaats minder eerlijk handelen. Maar des te beter. De dochter van onzen boer verdient uw liefde. Ik zal trachten vandaag nog een onderhoud te hebben met den vader en misschien ook met haar.”Mijn vertrouweling was een man, gewoon om zijn belofte te houden. Hij ging Basilo opzoeken en ’s avonds wachtte ik met een mengeling van ongeduld en vrees.Hij zag er vroolijk uit, toen hij binnen kwam. “Als ik je lachend gezicht mag gelooven,” zei ik, “dan geloof ik, dat je goed nieuws voor mij hebt.”“Dat heb ik ook,” antwoordde hij, “ik heb Basilo en zijn dochter gesproken en hun uw gevoelens meegedeeld. De vader is er verrukt over, dat ge zijn schoonzoon wilt worden en ik kan u ook verzekeren, dat ge in den smaak valt van Antonia.”“Wat een geluk!” riep ik uit.“Twijfel er maar niet aan, zij bemint u reeds; wel heb ik die bekentenis niet uit haar mond gehoord, maar ik kon het opmaken uit haar vroolijkheid, toen ik haar uw plan meedeelde. Echter hebt ge een medeminnaar....”“Een medeminnaar....!” viel ik hem bleek van schrik in de rede.“Ja, maar dat behoeft u niet in het minst te verontrusten: ’t is meester Joachim, uw kok!”“Zoo’n galgenaas!” riep ik lachend. “Daarom toonde hij dus zoo weinig lust, om mijn dienst te verlaten.”“Juist,” antwoordde Scipio, “hij heeft Antonia ten huwelijk gevraagd, maar ze heeft beleefd geweigerd.”“Het schijnt mij toch het beste,” zei ik hem, “dat ik mij van dien man ontdoe, voor hij verneemt, dat ik de dochter van Basilo wil trouwen. Een kok is, zooals je weet, een gevaarlijk medeminnaar!”“Zoo denk ik er ook over,” stemde mijn vertrouweling toe. “Ik zal hem morgenochtend namens u zijn ontslag geven, dan hebben wij niets meer te vreezen, noch van zijn saus, noch van zijn liefde. Het is wel jammer, dat wij zoo’n goeden kok verliezen, maar ik offer mijn trek in lekker eten gaarne op aan uw veiligheid.”“Dat verlies is overigens niet onherstelbaar,” zei ik, “uit Valencia zal ik een anderen kok laten komen, die even goed is.”Werkelijk schreef ik dadelijk aan don Alphonse om hem een kok te vragen en hij zond er een, die Scipio troostte met het verlies van meester Joachim.Hoewel mijnvlijtigesecretaris beweerde, dat Antonia mijn liefde beantwoordde, was ik daar nog niet zeker van en ik besloot zelf een onderhoud met haar te hebben. Dus ging ik naar Basilo, om te bevestigen wat Scipio had gezegd. De boer, een goed en eenvoudig man, verklaarde mij, dat hij mij gaarne de hand van zijn dochter schonk. “Maar,” voegde hij er aan toe, “u moet niet denken, dat dit alleen komt omdat ge heer van ons dorp zijt. Al waartge alleen nog maar intendant van don César, dan zou ik u toch boven alle anderen verkiezen; ik heb altijd een zwak voor u gehad, en het spijt mij alleen maar, dat de bruidschat van Antonia niet grooter is.”“Ik wil er in ’t geheel geen hebben!” riep ik. ”’t Is mij alleen om haar persoon te doen.”“Maar ik ben er de man niet naar om mijn dochter zonder bruidschat uit te huwelijken. De toestand van Basilo Buenotrigo is gelukkig niet van dien aard, dat dit noodig is; geeft u haar te eten, dan wil ik, dat zij u te soupeeren geeft. Uw inkomsten van het kasteel bedragen ongeveer vijfhonderd ducaten, ik zal die bij uw huwelijk aanvullen tot duizend.”“Mijn waarde Basilo, ik vind alles goed, zooals gij het doet. Maar we zijn op ’t oogenblik niet bij elkaar om over zaken te spreken. Wij zijn het met elkaar eens; ’t is nu echter te doen om de toestemming van uw dochter.”“Ge hebt de mijne. Is dat niet voldoende?”“Niet geheel en al. Uw toestemming is noodig, maar de hare ook,” antwoordde ik.“De hare hangt van de mijne af. Ik zou wel eens willen zien, dat Antonia weigerde, wanneer ik het goedvind.”“Graag geloof ik,” hernam ik, “dat ze u zal gehoorzamen; maar ik hoop, dat ze uit eigen aandrang mij haar hand wil reiken.”“Dat is philosophie, waarvan ik weinig begrijp. Spreek zelf maar met Antonia.”Bij die laatste woorden riep hij zijn dochter en verliet het vertrek.“Schoone Antonia,” zei ik, “beschik over mijn lot. Hoewel ik de toestemming heb van uw vader, wil ik niet, dat ge uw gevoelens geweld zult aandoen.”Antonia bloosde een weinig en antwoordde mij: “Uw aanzoek is mij zeer aangenaam en de beslissing van mijn vader doet mij genoegen. Ik weet niet of ik goed doe met zoo tot u te spreken, maar indien u mij niet beviel zou ikhet ook vrijmoedig zeggen en waarom zou ik het nu dan niet doen?”Bij die woorden viel ik voor haar op de knieën en kuste haar handen. Een oogenblik later kwam Basilo binnen en vroeg of ik tevreden was over Antonia.“Ik ben zóó voldaan,” antwoordde ik, “dat ik mij dadelijk zal gaan bezighouden met de toebereidselen voor ons huwelijk.” Dit zeggende verliet ik den vader en de dochter, om te gaan spreken met mijn secretaris.

Twee dagen na mijn terugkomst uit Valencia, kwam Basilo, de bewoner van de boerderij, die bij het landgoed behoorde, mij toestemming vragen om mij zijn dochter Antonia voor te stellen, die de eer wilde hebben haren nieuwen meester te begroeten. Ik antwoordde hem, dat mij dit genoegen zou doen. Hij vertrok en kwam een oogenblik later terug met de schoone Antonia, een meisje van zestien à achttien jaar, met regelmatige trekken, een zeer schoone teint en de prachtigste oogen van de wereld. Ze was maar eenvoudig gekleed en had het haar van achter opgebonden in een vlecht, met een klein bouquetje er in.

Toen zij binnenkwam, was ik zoo getroffen door haar schoonheid, dat ik geen woorden kon vinden om haar te begroeten. Scipio nam dat van mij over, maar langzamerhand geraakte ik meer op mijn gemak en ik had met het meisje, dat aardig en volstrekt niet verlegen was, een levendig gesprek. Basilo, die dat niet zonder onrust zag en mij reeds als een man beschouwde, die alles in het werk zou stellen, om Antonia te verleiden, haastte zich, met haar weg te gaan, misschien wel met het voornemen om haar nooit meer onder mijn oogen te laten komen.

Toen Scipio met mij alleen was, zei hij glimlachend: “Ziedaar mijnheer, een ander middel tegen de verveling! Ik wist niet, dat uw boer zoo’n aardige dochter had, ik had haar nog nooit gezien, hoewel ik al tweemaal bij hem ben geweest. Ik geloof, dat hij er goed voor zorgt om haar weg te houden en daarin kan ik hem geen ongelijk geven. Maar ik geloof niet, dat het noodig is om dit alles te zeggen,want ik heb zeer goed gemerkt, welken indruk ze op u heeft gemaakt.”

“Ik kan dat niet ontkennen,” antwoordde ik hem; “zij heeft mij plotseling verliefd op haar gemaakt, de bliksem kan niet sneller gaan, dan zij mijn hart heeft getroffen.”

“Het doet mij een verbazend groot genoegen!” riep mijn secretaris met geestdrift, “te vernemen, dat gij verliefd zijt. Er ontbrak u alleen een maitresse, om in uw eenzaamheid een volmaakt geluk te genieten. De gelegenheid biedt zich nu aan. Ik weet wel, dat we eerst wat last zullen hebben om de waakzaamheid van Basilo te verschalken, maar dat is mijn zaak en ik sta er voor in, dat u over drie dagen een geheim onderhoud met Antonia zult hebben.”

“Scipio,” zei ik, “misschien zoudt ge toch uw woord wel niet kunnen houden, welk talent ge ook bezit in dergelijke zaken; maar ik wil er niet de proef mee nemen. Het is mij niet te doen om dat meisje te verleiden. Maar wel heb ik uw tusschenkomst noodig om haar te trouwen, want dat is mijn plan, indien tenminste haar hart nog vrij is.”

“Ik dacht niet,” zei hij, “dat ge dadelijk zulke ernstige trouwplannen zoudt hebben; andere heeren zouden in uw plaats minder eerlijk handelen. Maar des te beter. De dochter van onzen boer verdient uw liefde. Ik zal trachten vandaag nog een onderhoud te hebben met den vader en misschien ook met haar.”

Mijn vertrouweling was een man, gewoon om zijn belofte te houden. Hij ging Basilo opzoeken en ’s avonds wachtte ik met een mengeling van ongeduld en vrees.

Hij zag er vroolijk uit, toen hij binnen kwam. “Als ik je lachend gezicht mag gelooven,” zei ik, “dan geloof ik, dat je goed nieuws voor mij hebt.”

“Dat heb ik ook,” antwoordde hij, “ik heb Basilo en zijn dochter gesproken en hun uw gevoelens meegedeeld. De vader is er verrukt over, dat ge zijn schoonzoon wilt worden en ik kan u ook verzekeren, dat ge in den smaak valt van Antonia.”

“Wat een geluk!” riep ik uit.

“Twijfel er maar niet aan, zij bemint u reeds; wel heb ik die bekentenis niet uit haar mond gehoord, maar ik kon het opmaken uit haar vroolijkheid, toen ik haar uw plan meedeelde. Echter hebt ge een medeminnaar....”

“Een medeminnaar....!” viel ik hem bleek van schrik in de rede.

“Ja, maar dat behoeft u niet in het minst te verontrusten: ’t is meester Joachim, uw kok!”

“Zoo’n galgenaas!” riep ik lachend. “Daarom toonde hij dus zoo weinig lust, om mijn dienst te verlaten.”

“Juist,” antwoordde Scipio, “hij heeft Antonia ten huwelijk gevraagd, maar ze heeft beleefd geweigerd.”

“Het schijnt mij toch het beste,” zei ik hem, “dat ik mij van dien man ontdoe, voor hij verneemt, dat ik de dochter van Basilo wil trouwen. Een kok is, zooals je weet, een gevaarlijk medeminnaar!”

“Zoo denk ik er ook over,” stemde mijn vertrouweling toe. “Ik zal hem morgenochtend namens u zijn ontslag geven, dan hebben wij niets meer te vreezen, noch van zijn saus, noch van zijn liefde. Het is wel jammer, dat wij zoo’n goeden kok verliezen, maar ik offer mijn trek in lekker eten gaarne op aan uw veiligheid.”

“Dat verlies is overigens niet onherstelbaar,” zei ik, “uit Valencia zal ik een anderen kok laten komen, die even goed is.”

Werkelijk schreef ik dadelijk aan don Alphonse om hem een kok te vragen en hij zond er een, die Scipio troostte met het verlies van meester Joachim.

Hoewel mijnvlijtigesecretaris beweerde, dat Antonia mijn liefde beantwoordde, was ik daar nog niet zeker van en ik besloot zelf een onderhoud met haar te hebben. Dus ging ik naar Basilo, om te bevestigen wat Scipio had gezegd. De boer, een goed en eenvoudig man, verklaarde mij, dat hij mij gaarne de hand van zijn dochter schonk. “Maar,” voegde hij er aan toe, “u moet niet denken, dat dit alleen komt omdat ge heer van ons dorp zijt. Al waartge alleen nog maar intendant van don César, dan zou ik u toch boven alle anderen verkiezen; ik heb altijd een zwak voor u gehad, en het spijt mij alleen maar, dat de bruidschat van Antonia niet grooter is.”

“Ik wil er in ’t geheel geen hebben!” riep ik. ”’t Is mij alleen om haar persoon te doen.”

“Maar ik ben er de man niet naar om mijn dochter zonder bruidschat uit te huwelijken. De toestand van Basilo Buenotrigo is gelukkig niet van dien aard, dat dit noodig is; geeft u haar te eten, dan wil ik, dat zij u te soupeeren geeft. Uw inkomsten van het kasteel bedragen ongeveer vijfhonderd ducaten, ik zal die bij uw huwelijk aanvullen tot duizend.”

“Mijn waarde Basilo, ik vind alles goed, zooals gij het doet. Maar we zijn op ’t oogenblik niet bij elkaar om over zaken te spreken. Wij zijn het met elkaar eens; ’t is nu echter te doen om de toestemming van uw dochter.”

“Ge hebt de mijne. Is dat niet voldoende?”

“Niet geheel en al. Uw toestemming is noodig, maar de hare ook,” antwoordde ik.

“De hare hangt van de mijne af. Ik zou wel eens willen zien, dat Antonia weigerde, wanneer ik het goedvind.”

“Graag geloof ik,” hernam ik, “dat ze u zal gehoorzamen; maar ik hoop, dat ze uit eigen aandrang mij haar hand wil reiken.”

“Dat is philosophie, waarvan ik weinig begrijp. Spreek zelf maar met Antonia.”

Bij die laatste woorden riep hij zijn dochter en verliet het vertrek.

“Schoone Antonia,” zei ik, “beschik over mijn lot. Hoewel ik de toestemming heb van uw vader, wil ik niet, dat ge uw gevoelens geweld zult aandoen.”

Antonia bloosde een weinig en antwoordde mij: “Uw aanzoek is mij zeer aangenaam en de beslissing van mijn vader doet mij genoegen. Ik weet niet of ik goed doe met zoo tot u te spreken, maar indien u mij niet beviel zou ikhet ook vrijmoedig zeggen en waarom zou ik het nu dan niet doen?”

Bij die woorden viel ik voor haar op de knieën en kuste haar handen. Een oogenblik later kwam Basilo binnen en vroeg of ik tevreden was over Antonia.

“Ik ben zóó voldaan,” antwoordde ik, “dat ik mij dadelijk zal gaan bezighouden met de toebereidselen voor ons huwelijk.” Dit zeggende verliet ik den vader en de dochter, om te gaan spreken met mijn secretaris.

Hoofdstuk IXBruiloft van Gil Blas en de schoone Antonia. Op welke wijze die gevierd werd; welke personen erbij tegenwoordig waren en welke genoegens er op volgden.Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia, waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden, doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd, waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje, dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. “Maar,” voegde ze er ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora’s liefde verweet, “ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen, zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken.”De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.“Ga nu naar Lirias terug,” zeiden ze, “en blijf er rustig, tot ge van ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg, waarmee wij ons zullen belasten.”Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen van mijn beschermers en wijwachttenacht dagen op hetgeen er zou gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine mij haar ingenomenheid met mijn keuze.Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen, die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval de vreugde kwam verstoren.Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen van Séraphine in zwijmwas gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot zichzelf was gekomen, zei hij zacht: “Moet nu de schoonste dag van uw leven de onaangenaamste vanhetmijne zijn? Maar men kan zijn noodlot niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!”“Wat!” riep ik, “ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?”“Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk overkomen dan haar te zien!”“Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet.”“U zult tevreden over mij zijn,” zei Scipio mij.Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij zei,“Mijn lieveBéatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer, na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik voor mij.”“Ik weet niet,” zei zijn vrouw, “of het je wel zooveel genoegen doet mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie, dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie verliet je mij, vertrok uitTolédo, ontvluchtte mij als een monster, zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden heeft het meeste recht om zich te beklagen?”“Dat heb jij, ontegenzeggelijk,” antwoordde Scipio.“Dat denk ik ook,” stemde zij toe. “Don Fernand trouwde korten tijd later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk is geweest.”Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: “Het doet mij veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan den heer de Santillano.”Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.

Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia, waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden, doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd, waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje, dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. “Maar,” voegde ze er ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora’s liefde verweet, “ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen, zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken.”

De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.

“Ga nu naar Lirias terug,” zeiden ze, “en blijf er rustig, tot ge van ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg, waarmee wij ons zullen belasten.”

Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen van mijn beschermers en wijwachttenacht dagen op hetgeen er zou gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.

Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine mij haar ingenomenheid met mijn keuze.

Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen, die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.

Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.

Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval de vreugde kwam verstoren.

Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen van Séraphine in zwijmwas gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot zichzelf was gekomen, zei hij zacht: “Moet nu de schoonste dag van uw leven de onaangenaamste vanhetmijne zijn? Maar men kan zijn noodlot niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!”

“Wat!” riep ik, “ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?”

“Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk overkomen dan haar te zien!”

“Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet.”

“U zult tevreden over mij zijn,” zei Scipio mij.

Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij zei,“Mijn lieveBéatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer, na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik voor mij.”

“Ik weet niet,” zei zijn vrouw, “of het je wel zooveel genoegen doet mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie, dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie verliet je mij, vertrok uitTolédo, ontvluchtte mij als een monster, zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden heeft het meeste recht om zich te beklagen?”

“Dat heb jij, ontegenzeggelijk,” antwoordde Scipio.

“Dat denk ik ook,” stemde zij toe. “Don Fernand trouwde korten tijd later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk is geweest.”

Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.

Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: “Het doet mij veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan den heer de Santillano.”

Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.

Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.

Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.

Hoofdstuk XGevolg van het huwelijk van Gil Blas en de schoone Antonia. Begin van de geschiedenis van Scipio.Den volgenden dag keerden de heeren de Leyva naar Valencia terug en mijn secretaris en ik bleven met onze vrouwen en het gewone personeel op het kasteel achter. De zorg, die wij ervoor over hadden om onze dames te behagen, was niet vruchteloos; in korten tijd gevoelde mijn vrouw voor mij evenveel liefde als ik voor haar en Scipio deed de zijne al het verdriet vergeten, dat hij haar had aangedaan.Béatrix, die een zacht karakter had, was spoedig in de gunst en het vertrouwen van haar nieuwe meesteres. Wij leefden zeer genoeglijk met ons vieren. Antonia was ernstig en Béatrix en ik waren vroolijk, maar al waren wij het niet geweest, dan zou de aanwezigheid van Scipio wel voldoende zijn geweest om alle droefgeestigheid te verdrijven. Hij was een van die menschen, die zich maar behoeven te vertoonen, om een gezelschap te vermaken.Op zekeren dag vroeg ik hem ons zijn geschiedenis te vertellen, omdat hij daarvan nog nooit had gesproken.“Wanneer ik u mijn geschiedenis nog niet verteld heb,” zei hij, “komt dat omdat ge nooit van het minste verlangen getuigd hebt die te weten. Maar zijt ge er nieuwsgierig naar, dan zal ik uw verlangen bevredigen.Ik zou de zoon zijn van een grande of tenminste van een ridder, indien het van mij had afgehangen, maar, daar men zelf zijn vader niet kiest, was de mijne, genaamd Torribio Scipio, een eenvoudig dienaar van den heiligen Hermandad. Op zekeren dag ontmoette hij bij toeval opeen van de groote wegen, waar hij voor de uitoefening van zijn ambt bijna altijd moest zijn, tusschen Cuença en Tolédo een jonge zigeunerin, die hem zeer goed beviel. Ze was alleen, ging te voet en droeg al wat zij bezat in een zak op haar rug. “Waar gaat ge heen, lief kind?” vroeg hij en verzachtte daarbij zijn stem, die zeer hard van natuur was. “Mijnheer,” antwoordde zij, “ik ga naar Tolédo, waar ik op eerlijke wijze mijn brood hoop te verdienen.” “Dat is een zeer prijzenswaardig voornemen,” zei mijn vader,“en ik twijfel er niet aan of ge hebt meer dan één koord op uw boog.” Het meisje vertelde daarop, dat ze verschillende talenten had; ze kon pommade en reukwater maken en waarzeggen. Torribio, die haar een zeer voordeelige partij vond voor een man als hij, diemoeite had om van zijn bezoldiging te leven, stelde haar voor hem te huwen. Met genoegen nam zij dat voorstel aan. Toen dit tusschen hen vaststond trouwden ze zoo spoedig mogelijk te Tolédo en in mij ziet ge de waardige vrucht van dit edele huwelijk. Zij gingen in een van de buitenwijken wonen, waar mijn moeder begon met hare pommade en reukwater te verkoopen; maar omdat zij er geen voldoende afname van had, werd zij waarzegster. Toen begon het bij haar ducaten en pistolen te regenen want Cascolina, zoo heette zij, had spoedig naam verworven.Mijn moeder had de gewoonte, om de menschen, die bij haar kwamen, steeds een antwoord te geven, dat naar hun zin was. Kwam dan de voorspelling goed uit, zoo had zij er de eer van en indien men haar het tegendeel kwam verwijten, dan schreef zij dit toe aan een demon, die sterker was dan zij.Toen ze het later gewenscht oordeelde, om nu en dan den duivel persoonlijk te laten optreden, werd die rol toebedeeld aan mijn vader, die zich met zijn harde stem en leelijk gezicht uitstekend daartoe leende. Vele lichtgeloovigen schrokken van hem, maar op een goeden dag kwam er een brutale kapitein, die den duivel doorstak. Het gerecht, dat van dezen dood vernam zond zijn mannen op mijn moeder af en ze werd gearresteerd. Mij bracht men naar het weeshuis; ik was toen zeven jaar oud. Er waren in dat weeshuis geestelijken, die goed werden betaald voor hun zorgen, besteed aan de opvoeding van de kinderen en hun lezen en schrijven leerden. Ze schenen op te merken, dat ik veel beloofde en onderscheidden mij boven de anderen, door mij hunne boodschappen te laten doen. Ter belooning leerden ze mij een beetje Latijn. Maar ik had het er zoo slecht, dat ik op een goeden dag besloot, weg te loopen. Ik ging Tolédo uit en begaf mij op weg naar Vevilla.Hoewel ik nauwelijks negen jaar was, voelde ik reeds het genoegen, van vrij te zijn en meester over mijn daden.Toen ik een paar uren geloopen had en ik moede was, ging ik onder een boom zitten rusten. Ik haalde mijn leerboek uit mijn zak en vond er een genoegen in de bladen ervan te verscheuren. Terwijl ik daarmee bezig was, kwam er een kluizenaar voorbij, een man met een langen grijzen baard, een grooten bril op en een eerbiedwaardig uiterlijk. Hij sprak mij aan en nadat wij eenigen tijd samen hadden gepraat, stelde hij mij voor hem te vergezellen naar zijn woning. “U moet mij niet kwalijk nemen,” zei ik, “maar ik heb geen lust om kluizenaar te worden.” De grijsaard lachte en zei: “Mijn kleed jaagt je zeker schrik aan, mijn zoon, ’t is dan ook niet mooi maar nuttig, het bezorgt mij een aangename verblijfplaats en de inwoners van de naburige dorpen zijn goed voor mij. Kom mee en blijf, als het je bevalt. Mocht het je niet bevallen, dan scheiden wij en zal ik je toch helpen.”Ik liet mij overreden en volgde den kluizenaar, die mij tal van vragen deed, die ik, naar het scheen, tot zijn genoegen beantwoordde. Toen wij in zijn woning aankwamen, gaf de oude man mij eerst eenige vruchten, die ik verslond, want ik had dien dag nog niets gegeten dan een stuk droog brood, dat ik in het weeshuis voor ontbijt had gekregen. “Eet maar goed, mijn zoon, ik heb je niet meegenomen, om je van honger te laten sterven.” Dat was waar, want hij begon dadelijk een schapenbout te braden, waarvan wij een paar flinke stukken voor ons souper kregen, met een beker wijn.“Zoo leef ik hier gewoonlijk,” zei hij, “blijf je bij me, dan is het niet noodig om altijd binnen te zijn, je kan doen, wat je wil. Het eenige, wat ik van je vraag is om met mij mee te gaan als ik de naburige dorpen bezoek. Dan moet je een juk met twee manden voor me dragen, die door de liefdadige boeren worden gevuld met eieren, brood, vleesch en visch.”“Ik wil dat graag doen,” antwoordde ik, “als ik maar geen Latijn meer hoef te leeren.” Lachend stelde broeder Chrysostome, zoo heette de hermiet, mij gerust.Den volgenden dag gingen wij erop uit en brachten welvoor acht dagen levensmiddelen thuis, een bewijs dat de oude man zeer gezien was bij de inwoners van het dorp. Op zijn beurt was hij hen van groot nut. Hij gaf goeden raad, als men dien kwam vragen, herstelde den vrede in het huishouden, wanneer die was verstoord, huwelijkte de meisjes uit, wanneer ze meenden, dat het tijd was, wist allerlei middelen voor ziekten en leerde orakelspreuken aan vrouwen, die graag kinderen wilden hebben.Ik had een goed leven; broeder Chrysostome had van een oud kleed van hem voor mij ook een soort van pij gemaakt en ik werd de kleine broeder Scipio genoemd. Dat prettige leven had nog lang kunnen voortduren, maar het lot wilde het anders.Dikwijls zag ik den grijsaard bezig met het kussen, waarop hij sliep; hij maakte het open, naaide het weer dicht en op zekeren dag meende ik op te merken, dat hij er geld in deed. Dat maakte mij nieuwsgierig en ik besloot dat eens te onderzoeken den eersten keer dat hij weg was naar Tolédo, waar hij altijd eenmaal per week alleen heen ging. Met ongeduld wachtte ik dien dag af, zonder echter andere plannen te hebben, dan alleen mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.Eindelijk vertrok de goede man; ik maakte het kussen open en vond aan allerlei muntstukken een waarde van ongeveer vijftig kronen.Dat geld had hij zeker van de boeren gekregen voor de genezing van hunne kwalen, of van de boerinnen, die door zijn orakelspreuken kinderen hadden gekregen. Hoe het zij, ik zag geld, dat ik mij kon toeëigenen en mijn Zigeunernatuur ontwaakte. Er kwam een zucht naar stelen bij mij op, alleen verklaarbaar door het bloed, dat mij door de aderen vloeide. Ik deed het geld in een zak, trok het kluizenaarskleed uit en het weeshuispakje weer aan en verwijderde mij, meenende al de schatten van Indië mee te voeren.Hoewel ik nog een kind was, was ik toch niet zoo dom, om den weg naar Tolédo in te slaan, waarop ik broederChrysostome had kunnen ontmoeten. Ik ging een anderen kant uit en kwam na lang loopen in het dorp Galvas. Daar ging ik een logement binnen en de eigenares, een vrouw van veertig jaar, die bij het gezicht van mijn kleeren meende, dat ik weggeloopen was uit het weeshuis, vroeg mij mijn naam en waar ik heenging. Ik antwoordde haar, dat ik mijn vader en moeder had verloren en ergens een dienst zocht. Ze vroeg mij of ik lezen en schrijven kon en op mijn bevestigend antwoord zei ze, dat ik bij haar kon blijven. “Ik zal je geen loon geven,” voegde zij eraan toe, “aangezien in dit logement fatsoenlijke menschen komen, die de bedienden niet vergeten.”Ik nam haar aanbod aan. Maar al dadelijk kwam ik in groote onrust; want ik wilde niet laten weten, dat ik geld had en wist niet goed, waar ik het verbergen moest. Wat geeft rijkdom toch een last! Eindelijk besloot ik mijn zak in een hoek van den zolder onder het stroo te stoppen.Er waren drie dienstboden in het huis; een groote staljongen, een jonge meid uit Gallicië en ik. Alle drie kregen wij fooien van de bezoekers, maar de meid was altijd het beste af. Niet zoodra ontving ik een stuiver, of die werd boven gebracht in mijn zak en hoe grooter mijn schat werd, des te meer hechtte ik mij daaraan. Wel dertigmaal op een dag ging ik naar boven, om naar mijn geld te kijken. De waardin, die dat begon te merken en wantrouwend van karakter was, besloot den zolder eens na te kijken. Ze wierp het stroo ter zijde en vond mijn zak. Toen ze zag, dat daarin kronen en pistolen waren, geloofde zij, dat die bij haar gestolen waren, of liever zij deed of ze dit geloofde. Zij schold mij uit voor een kleinen dief, liet mij door den staljongen afranselen en zette mij buiten de deur. Of ik al riep, dat ik haar niet bestolen had, zij hield vol en men geloofde haar meer dan mij. Op die wijze gingen de geldstukken van broeder Chrysostome uit de handen van een dief over in die van een dievegge.Ik betreurde het verlies van mijn geld, zooals men eeneenigen zoon beweent, en indien mijn tranen mij al niet teruggaven, wat men mij ontnomen had, ze waren tenminste oorzaak, dat ik het medelijden opwekte van personen, die ze zagen vloeien en onder anderen van den pastoor van Galves, die toevallig voorbijkwam. Hij scheen getroffen door mijn verdriet en nam mij mee. Door mij te beklagen en vriendelijk met mij te spreken, wist hij mij zoover te krijgen, dat ik hem alles vertelde. “Mijn zoon,” zei hij, “hoewel een kluizenaar geen geld mag verzamelen, vermindert dat uw schuld niet; door broeder Crysostome te bestelen, hebt gij gezondigd tegen de tien geboden; maar troost u er mede, dat ik de waardin zal verplichten, om afstand te doen van dat geld en het weer den kluizenaar zal doen toekomen. Uw geweten kan in dat opzicht dus gerust zijn.”Nu moet ik eerlijk bekennen, dat mij dat maar heel weinig belang inboezemde. Maar de pastoor ging verder; hij beloofde voor mij te zullen zorgen. “Ik zal u morgen door een ezeldrijver laten brengen naar mijn neef, den kanunnik van den kathedraal vanTolédo. Hij zal, op mijn verzoek, niet weigeren om u in zijn dienst te nemen en u op te leiden tot lakei, dan hebt ge bij hem een aangenaam leven.”Die verzekering troostte mij en den volgende dag kwamen er twee muilezels voor. Men hielp mij op den eene, de drijver besteeg den andere en wij sloegen den weg in naarTolédo. Mijn reismakker was een man met een goed humeur die niets liever deed, dan zich vermaken ten koste van zijn naasten. Hij begon al dadelijk een gesprek met mij. “Mijn jongen vriend, ge hebt een goeden beschermer in mijnheer den pastoor van Galves. Dat toont hij u wel. Hij kan u geen beteren dienst bewijzen, dan door u te plaatsen bij zijn heer, den kanunnik, dien ik de eer heb te kennen. ’t Is allerminst één van die bleeke en magere vromen, maar een man, die van het leven houdt en zich de genoegens, die het biedt, niet ontzegt. Ge zult het daar best hebben.”De man hield niet op met van het geluk te spreken, dat mij wachtte, tot wij in het dorp Obisa kwamen, waar onze muilezels moesten rusten. Daar bemerkte ik, goddank, dat men mij bedroog. Ziehier op welke wijze. De drijver, die op en neer ging in het logement, liet bij toeval een papier vallen, dat ik zoo slim was op te rapen en te lezen, terwijl hij in den stal was. Het was een brief aan de priesters van het weeshuis, die aldus luidde: “Mijne heeren! Ik heb gemeend, dat de barmhartigheid mij verplicht om weer in uw handen te stellen een jongen schelm, die uit uw inrichting is ontsnapt; hij schijnt niet dom en waard, dat gij de goedheid hebt, hem bij u opgesloten te houden. Ik twijfel er niet aan, of met strenge tucht zult gij een flinken jongen van hem maken. God zegene uw vroom en barmhartig werk. De pastoor van Galves.”Toen ik dien brief had gelezen, was het voor mij niet lang de vraag, wat ik had te doen. Het hotel uit te snellen en naar den oever van den Taag te loopen, die op een mijl afstand lag, was het werk van een oogenblik. De angst gaf mij vleugelen om de priesters van het weeshuis te ontvluchten, waar ik in geen geval wilde terugkeeren; zulk een tegenzin had ik in de manier, waarop zij Latijn onderwezen. Ik bereikte Tolédo, en de fortuin was mij gunstig in die groote stad. Een heer, die zeer goed gekleed was, hield mij aan en zei: “Vriendje, wil je in mijn dienst komen? Ik heb een jongen zooals jij noodig.” “En ik een meester zooals u,” antwoordde ik.Die heer, die ongeveer dertig jaar oud kon zijn, heette don Abel. Hij logeerde in een hotel, waar hij een mooie kamer had, was speler van beroep, en ziehier op welke wijze wij leefden; ’s morgens stopte ik zijn pijp vijf- of zes maal en maakte zijn kleeren schoon, dan ging ik den barbier voor hem halen en daarna ging hij uit, om niet terug te keeren voor elf of twaalf uur ’s avonds. Maar iederen morgen voor hij uitging, gaf hij mij wat klein geld en ik kon den dag besteden, zooals ik wilde, mits ik maar ’s avonds om tien uur thuis was. Daar hij zeer tevredenover mij was, liet hij mij een livrei maken, waarop ik niet weinig trotsch was. Mijn nieuwe betrekking beviel mij zeer goed.Ongeveer een maand was ik bij hem geweest, toen hij mij vroeg, of ik tevreden bij hem was. Ik antwoordde, dat ik het niet beter kon wenschen en daarop zei hij: “dan zullen wij morgen naarSévillavertrekken, waar mijn zaken mij roepen. Het zal je niet spijten, de hoofdstad vanAndaloesiëte zien. Het spreekwoord zegt, dat wieSévillaniet heeft gezien, niets gezien heeft.” Ik betuigde hem, dat ik bereid was hem overal te volgen.Den volgenden dag kwam er een man in het hotel om zijn koffer te halen en daarna vertrokken wij.Don Abel was zóó gelukkig in het spel, dat hij alleen verloor, wanneer hij het wilde, wat hem noodzaakte, dikwijls van woonplaats te veranderen, om zich te onttrekken aan ontmoetingen met zijn slachtoffers. Daarom moesten wij ook nu vertrekken.In Sévilla gingen wij in een hotel en begonnen hetzelfde leven als in Tolédo. Maar, mijn patroon vond verschil tusschen die twee steden, want hij ontmoette hier spelers, die even gelukkig waren als hij en daarover was hij kwaad. Op een morgen, dat hij weer eens uit zijn humeur was, omdat hij den vorigen avond honderd pistolen had verloren, vroeg hij mij, waarom zijn waschgoed niet was weggebracht. Ik antwoordde hem, dat ik daar niet aan had gedacht, waarop hij in woede mij een half dozijn klappen in mijn gezicht gaf, die zoo hard waren, dat ik meer lichten zag, dan er in Salomo’s tempel waren. “Daar, kleine stommeling! Dat zal je wel leeren, om aan je plicht te denken!” Met die woorden ging hij weg en ik was zoo kwaad op hem, dat ik besloot mij te wreken bij de eerste gelegenheid, die zich zou voordoen.Ik weet niet, welk nieuw avontuur hij had gehad, maar op een avond kwam hij in zeer opgewonden toestand thuis en zei: “Scipio, ik ben van plan naar Italië te gaan. Ik heb daar mijn redenen voor en denk, dat je wel lustzult hebben mij te vergezellen en van zulk een schoone gelegenheid te profiteeren, om het prachtigste land van de wereld te zien.”Ik antwoordde hem, dat ik niets liever wilde, maar tegelijkertijd nam ik mij voor, om te verdwijnen op het oogenblik, dat hij wilde vertrekken. Daardoor dacht ik mij op mijn meester te wreken en ik vond het plan zeer vernuftig. Zoo tevreden was ik er over, dat ik niet kon nalaten het mee te deelen aan een kameraad, dien ik op straat ontmoette. Sedert ik inSévillawas, had ik eenige slechte kennissen gekregen en daaronder behoorde deze.Ik vertelde hem, waarom en op welke wijze ik mij op mijn meester wilde wreken en vroeg hem, wat hij ervan dacht.Hij antwoordde mij: “Mijn vriend, uw eer gedoogt niet, dat ge ongewroken blijft; maar ’t is niet voldoende don Abel alleen te laten vertrekken; daarmee straft ge hem niet genoeg. Laten wij hem zijn koffer en zijn geld ontnemen en de buit broederlijk deelen na zijn vertrek.”Hoewel ik een natuurlijke neiging had tot stelen, verschrikte ik toch van het voorstel tot zulk een ernstigen diefstal. Maar mijn kameraad wist mij zoo te bepraten, dat ik toestemde en ziehier den uitslag.Mijn kameraad, die groot en sterk was, kwam den volgenden morgen in ons hotel. Ik wees hem den koffer, waar don Abel reeds alles had ingepakt en vroeg hem, of die hem niet te zwaar was om alleen te dragen. “Te zwaar!” zei hij. “Als ’t is om het goed van anderen weg te nemen, dan zou ik den heelen ark van Noach wel kunnen dragen.” Hij nam daarop den koffer op zijn schouders en ging met lichten tred naar beneden. Ik volgde hem en wij waren aan het einde van de straat, toen don Abel door zijn gelukkig gesternte daarheen geleid, plotseling voor ons stond.“Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg hij. Ik was zoo verschrikt, dat ik geen antwoord kon geven en mijn kameraad, die zag dat het spel mislukt was, wierp denkoffer weg en maakte beenen. “Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg mijn meester voor de tweede maal.Meer dood dan levend antwoordde ik: “Mijnheer, ik ga dien naar het schip brengen, waarmee u morgen naar Italië wilt gaan.”“En kan je mij ook zeggen met welk schip ik ga?”“Neen, mijnheer, maar elke weg leidt naar Rome en ik zou aan de haven hebbengeïnformeerd.” “Wie heeft je bevolen mijn koffer uit het huis te doen dragen?” “Uzelf,” zei ik. “Wat? Ik?” antwoordde hij verbaasd. “Natuurlijk,” hernam ik, “herinner u maar, dat u mij een paar dagen geleden onder slagen bevolen hebt uw orders te voorkomen en op mijn eigen houtje te doen wat er gebeuren moest!”Don Abel, die merkte, dat ik niet zoo onschuldig was als hij altijd had gedacht, zei op koelen toon: “Ik ontsla je, je hebt te veel verstand voor je leeftijd!Bovendien houd ik er niet van om te spelen met menschen, die nu eens een kaart te veel of dan er een te weinig hebben.”Zoo liep ik nu door de straten vanSévilla, met niet meer dan een paar stuivers op zak. Bij de keukens van het paleis van den aartsbisschop trof een aangename geur mijn neus. Zou er geen middel voor mij zijn, om iets te eten te krijgen? Ik verzon een list en dadelijk was die uitgevoerd. Hard loopend kwam ik de plaats op bij de keuken en riep: “Help! Help!” alsof iemand mij achterna kwam, om mij te vermoorden. Op mijn geschreeuw kwam meester Diego, de kok, aangesneld met drie of vier koksjongens om te weten, wat er gaande was. Daar hij niemand anders zag dan mij, vroeg hij waarom ik zoo hard schreeuwde. Ik deed of ik hevig ontsteld was en vertelde hem van een grooten, sterken man, een vechtersbaas, die mij op straat was tegengekomen en me had willen doodslaan. De goede man stelde mij gerust en zei: “Kom, kom, die man heeft misschien een grap met je willen hebben en bovendien, hier zal hij niet komen.”“Neen, neen! ’t Was geen gekheid en hij zal mij op straat wel opwachten!”“Welnu, laat hem dan maar wachten en blijf hier, je kunt vanavond met de koksjongens eten en gaan slapen.”Mijn doel was bereikt en ik amuseerde mij zoo goed met de jongens, dat toen ik den volgenden morgen meester Diego wilde gaan bedanken, hij me zei: “de jongens hebben zooveel genoegen met je gehad, dat ze mij gezegd hebben, je graag voor kameraad te willen hebben. Heb je daar lust in?”Natuurlijk antwoordde ik, dat ik niets liever wenschte en zoo werd ik koksjongen. In de keuken zag ik 15 personen bezig met het souper van Monseigneur, maar de gerechten kon ik niet tellen; zoo goed zorgde de Voorzienigheid voor hem.Al spoedig stond ik zoo in de gunst bij meester Diego, dat hij mij gebruikte om schotels en wijn te brengen bij een dame in de buurt, die mooi en levendig was en die er uitzag of ze haren kok niet zeer trouw was. Ondertusschen voorzag hij haar niet slechts van vleesch, brood, suiker en olie, maar zorgde ook voor haar wijnvoorraad; en dat alles op kosten van den aartsbisschop.Mijn verblijf in het bisschoppelijk paleis eindigde met een poets, waarvan men nog heden spreekt. De pages en eenige andere bedienden hadden het plan gevormd, om op den verjaardag van monseigneur een comedie op te voeren. Ze kozen er een, waarin een jongen man van mijn leeftijd een jongen koning moest voorstellen. De hofmeester, die het stuk hielp instudeeren, koos mij daarvoor en na eenige repetities verklaarde hij, dat ik niet onder de minste spelers zou behooren. Niets werd gespaard om de opvoering zoo luisterrijk mogelijk te maken. Een van de grootste zalen werd voor schouwburg ingericht en ook aan de costuums werd alle zorg besteed. Een kleermaker was mijn maat komen nemen en ik kreeg een rijk kleed aan van blauw fluweel, met galon, knoopen en goud.Eindelijk kwam de lang verwachte avond. De jongekoning moest het eerst op het tooneel zijn. Ik opende dus de voorstelling met het declameeren van een reeks verzen, waarvan het slot luidde, dat de koning zich niet tegen den slaap kon verzetten. Bij die woorden moest ik terugtrekken tusschen de coulissen en op een rustbed gaan liggen, dat daarvoor was klaargezet. Maar toen ik daar zoo lag, begon ik er aan te denken, of er geen middel was, om met mijn koninklijke kleeren te ontkomen. Ik zag een klein trapje onder het tooneel, waarmee ik in een andere zaal kon komen. Toen ik mijn kans schoon zag en niemand op mij lette, sloop ik daar af en liep de zaal door bij de deur, roepende: “Plaats! ik moet mij gaan verkleeden!”Zoo kwam ik in minder dan één minuut ongehinderd buiten het paleis en, door de duisternis begunstigd, begaf ik mij naar de woning van mijn vriend, met wien ik dat mislukte avontuur van den koffer had beleefd.Hij was ten hoogste verwonderd mij te zien in mijn koninklijk costuum. Spoedig had ik hem op de hoogte gebracht. Hij wenschte mij hartelijk geluk met deze goed gelukte grap en voorspelde mij, dat ik, wanneer ik zoo zou voortgaan, de wereld nog eens versteld zou doen staan door mijn verstand.“Maar hoe zullen we die rijke kleeren nu goed kwijtraken?” vroeg ik.“O, dat is het minste, ik ken iemand, die zonder nieuwsgierig te zijn, alles koopt, wat van zijn gading is. Morgen ga ik hem opzoeken.”Den volgenden morgen sliep ik nog, toen hij terugkwam met den koopman Ybagnez deSégoviër, die mij een half versleten pak bracht met zilveren knoopen en voor mijn prachtig gewaad en kroon, na eindelooze onderhandelingen, dertig pistolen gaf.Mijn kameraad nam de helft van dat geld, liet mij de rest en zei: “Vriend Scipio, met de vijftien pistolen, die je overblijven, raad ik je zoo spoedig mogelijk de stad te verlaten, want je begrijpt wel, dat men je, op last van denaartsbisschop, overal zal zoeken. Ik zou wanhopig zijn, wanneer je na een daad, waardoor je je zoo onderscheiden hebt, gevangen werd genomen.”Ik antwoordde, dat ik zoo spoedig mogelijk uitSévillaweg wilde. Na een hoed en eenig ondergoed te hebben gekocht, ging ik op weg en kwam na drie dagen in Cordova. Ik ging logeeren in een hotel bij den ingang van de stad, gaf mij uit voor den zoon van een familie in Tolédo en zeide, dat ik voor mijn genoegen reisde. Ik zag er zindelijk genoeg uit om dat te doen gelooven en liet den waard toevalligerwijze een paar van mijn pistolen zien. Hij vroeg verder niet, misschien uit vrees, dat zijn nieuwsgierigheid mij zou kunnen doen besluiten om te verhuizen.Voor niet te veel geld had ik het daar goed. Er waren ’s avonds ongeveer twaalf personen aan tafel, die zwijgendzaten te eten. Maar een was er, die bijna geen oogenblik zijn mond hield. Hij wist allerlei nieuwtjes, grappen en verhalen. Wat mij betreft, ik luisterde er weinig naar, maar ten slotte trok hij ook mijn aandacht. Ik hoorde hem zeggen: “Alles wat ik tot nu toe verteld heb, heeren, is niets in vergelijking met het vermakelijke avontuur, dat voor eenige dagen is afgespeeld in het paleis van den aartsbisschop.” De man vertelde daarna met groote nauwkeurigheid mijn geschiedenis; ik vernam er nu ook het slot van, dat ik nog niet wist.Een oogenblik nadat ik verdwenen was, kwamen zooals de volgorde in het stuk dat bepaalde, de Mooren op, die den koning moesten oplichten. Ze naderden daarvoor het rustbed, dat, zooals ik zei, tusschen de coulissen stond, slechts voor een deel zichtbaar voor het publiek. De Mooren moesten koning Leon slapende verrassen, maar op het rustbed was niemand te vinden.Dat gaf dadelijk groote verwarring. Alle acteurs liepen op het tooneel en achter de schermen rond, de een riep me, de ander zocht mij en een derde wenschte mij naar den duivel.De aartsbisschop liet vragen, wat dat alles te beteekenen had en men moest hem eindelijk wel zeggen, dat de koning niet door de Mooren kon worden gevangen genomen, omdat hij er met zijn koninklijk gewaad vandoor was gegaan. De prelaat zei: “Gelukkig dat hij ontkomen is aan de vijanden van onzen godsdienst. Zeker is hij gevlucht naar de hoofdstad van zijn koninkrijk en ik wil niet hebben, dat men hem volgt!” Nadat de aartsbisschop dit bevel had gegeven, zei hij, dat men moest doorspelen en dat mijn rol gelezen moest worden.

Den volgenden dag keerden de heeren de Leyva naar Valencia terug en mijn secretaris en ik bleven met onze vrouwen en het gewone personeel op het kasteel achter. De zorg, die wij ervoor over hadden om onze dames te behagen, was niet vruchteloos; in korten tijd gevoelde mijn vrouw voor mij evenveel liefde als ik voor haar en Scipio deed de zijne al het verdriet vergeten, dat hij haar had aangedaan.

Béatrix, die een zacht karakter had, was spoedig in de gunst en het vertrouwen van haar nieuwe meesteres. Wij leefden zeer genoeglijk met ons vieren. Antonia was ernstig en Béatrix en ik waren vroolijk, maar al waren wij het niet geweest, dan zou de aanwezigheid van Scipio wel voldoende zijn geweest om alle droefgeestigheid te verdrijven. Hij was een van die menschen, die zich maar behoeven te vertoonen, om een gezelschap te vermaken.

Op zekeren dag vroeg ik hem ons zijn geschiedenis te vertellen, omdat hij daarvan nog nooit had gesproken.

“Wanneer ik u mijn geschiedenis nog niet verteld heb,” zei hij, “komt dat omdat ge nooit van het minste verlangen getuigd hebt die te weten. Maar zijt ge er nieuwsgierig naar, dan zal ik uw verlangen bevredigen.

Ik zou de zoon zijn van een grande of tenminste van een ridder, indien het van mij had afgehangen, maar, daar men zelf zijn vader niet kiest, was de mijne, genaamd Torribio Scipio, een eenvoudig dienaar van den heiligen Hermandad. Op zekeren dag ontmoette hij bij toeval opeen van de groote wegen, waar hij voor de uitoefening van zijn ambt bijna altijd moest zijn, tusschen Cuença en Tolédo een jonge zigeunerin, die hem zeer goed beviel. Ze was alleen, ging te voet en droeg al wat zij bezat in een zak op haar rug. “Waar gaat ge heen, lief kind?” vroeg hij en verzachtte daarbij zijn stem, die zeer hard van natuur was. “Mijnheer,” antwoordde zij, “ik ga naar Tolédo, waar ik op eerlijke wijze mijn brood hoop te verdienen.” “Dat is een zeer prijzenswaardig voornemen,” zei mijn vader,“en ik twijfel er niet aan of ge hebt meer dan één koord op uw boog.” Het meisje vertelde daarop, dat ze verschillende talenten had; ze kon pommade en reukwater maken en waarzeggen. Torribio, die haar een zeer voordeelige partij vond voor een man als hij, diemoeite had om van zijn bezoldiging te leven, stelde haar voor hem te huwen. Met genoegen nam zij dat voorstel aan. Toen dit tusschen hen vaststond trouwden ze zoo spoedig mogelijk te Tolédo en in mij ziet ge de waardige vrucht van dit edele huwelijk. Zij gingen in een van de buitenwijken wonen, waar mijn moeder begon met hare pommade en reukwater te verkoopen; maar omdat zij er geen voldoende afname van had, werd zij waarzegster. Toen begon het bij haar ducaten en pistolen te regenen want Cascolina, zoo heette zij, had spoedig naam verworven.

Mijn moeder had de gewoonte, om de menschen, die bij haar kwamen, steeds een antwoord te geven, dat naar hun zin was. Kwam dan de voorspelling goed uit, zoo had zij er de eer van en indien men haar het tegendeel kwam verwijten, dan schreef zij dit toe aan een demon, die sterker was dan zij.

Toen ze het later gewenscht oordeelde, om nu en dan den duivel persoonlijk te laten optreden, werd die rol toebedeeld aan mijn vader, die zich met zijn harde stem en leelijk gezicht uitstekend daartoe leende. Vele lichtgeloovigen schrokken van hem, maar op een goeden dag kwam er een brutale kapitein, die den duivel doorstak. Het gerecht, dat van dezen dood vernam zond zijn mannen op mijn moeder af en ze werd gearresteerd. Mij bracht men naar het weeshuis; ik was toen zeven jaar oud. Er waren in dat weeshuis geestelijken, die goed werden betaald voor hun zorgen, besteed aan de opvoeding van de kinderen en hun lezen en schrijven leerden. Ze schenen op te merken, dat ik veel beloofde en onderscheidden mij boven de anderen, door mij hunne boodschappen te laten doen. Ter belooning leerden ze mij een beetje Latijn. Maar ik had het er zoo slecht, dat ik op een goeden dag besloot, weg te loopen. Ik ging Tolédo uit en begaf mij op weg naar Vevilla.

Hoewel ik nauwelijks negen jaar was, voelde ik reeds het genoegen, van vrij te zijn en meester over mijn daden.Toen ik een paar uren geloopen had en ik moede was, ging ik onder een boom zitten rusten. Ik haalde mijn leerboek uit mijn zak en vond er een genoegen in de bladen ervan te verscheuren. Terwijl ik daarmee bezig was, kwam er een kluizenaar voorbij, een man met een langen grijzen baard, een grooten bril op en een eerbiedwaardig uiterlijk. Hij sprak mij aan en nadat wij eenigen tijd samen hadden gepraat, stelde hij mij voor hem te vergezellen naar zijn woning. “U moet mij niet kwalijk nemen,” zei ik, “maar ik heb geen lust om kluizenaar te worden.” De grijsaard lachte en zei: “Mijn kleed jaagt je zeker schrik aan, mijn zoon, ’t is dan ook niet mooi maar nuttig, het bezorgt mij een aangename verblijfplaats en de inwoners van de naburige dorpen zijn goed voor mij. Kom mee en blijf, als het je bevalt. Mocht het je niet bevallen, dan scheiden wij en zal ik je toch helpen.”

Ik liet mij overreden en volgde den kluizenaar, die mij tal van vragen deed, die ik, naar het scheen, tot zijn genoegen beantwoordde. Toen wij in zijn woning aankwamen, gaf de oude man mij eerst eenige vruchten, die ik verslond, want ik had dien dag nog niets gegeten dan een stuk droog brood, dat ik in het weeshuis voor ontbijt had gekregen. “Eet maar goed, mijn zoon, ik heb je niet meegenomen, om je van honger te laten sterven.” Dat was waar, want hij begon dadelijk een schapenbout te braden, waarvan wij een paar flinke stukken voor ons souper kregen, met een beker wijn.“Zoo leef ik hier gewoonlijk,” zei hij, “blijf je bij me, dan is het niet noodig om altijd binnen te zijn, je kan doen, wat je wil. Het eenige, wat ik van je vraag is om met mij mee te gaan als ik de naburige dorpen bezoek. Dan moet je een juk met twee manden voor me dragen, die door de liefdadige boeren worden gevuld met eieren, brood, vleesch en visch.”

“Ik wil dat graag doen,” antwoordde ik, “als ik maar geen Latijn meer hoef te leeren.” Lachend stelde broeder Chrysostome, zoo heette de hermiet, mij gerust.

Den volgenden dag gingen wij erop uit en brachten welvoor acht dagen levensmiddelen thuis, een bewijs dat de oude man zeer gezien was bij de inwoners van het dorp. Op zijn beurt was hij hen van groot nut. Hij gaf goeden raad, als men dien kwam vragen, herstelde den vrede in het huishouden, wanneer die was verstoord, huwelijkte de meisjes uit, wanneer ze meenden, dat het tijd was, wist allerlei middelen voor ziekten en leerde orakelspreuken aan vrouwen, die graag kinderen wilden hebben.

Ik had een goed leven; broeder Chrysostome had van een oud kleed van hem voor mij ook een soort van pij gemaakt en ik werd de kleine broeder Scipio genoemd. Dat prettige leven had nog lang kunnen voortduren, maar het lot wilde het anders.

Dikwijls zag ik den grijsaard bezig met het kussen, waarop hij sliep; hij maakte het open, naaide het weer dicht en op zekeren dag meende ik op te merken, dat hij er geld in deed. Dat maakte mij nieuwsgierig en ik besloot dat eens te onderzoeken den eersten keer dat hij weg was naar Tolédo, waar hij altijd eenmaal per week alleen heen ging. Met ongeduld wachtte ik dien dag af, zonder echter andere plannen te hebben, dan alleen mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.

Eindelijk vertrok de goede man; ik maakte het kussen open en vond aan allerlei muntstukken een waarde van ongeveer vijftig kronen.

Dat geld had hij zeker van de boeren gekregen voor de genezing van hunne kwalen, of van de boerinnen, die door zijn orakelspreuken kinderen hadden gekregen. Hoe het zij, ik zag geld, dat ik mij kon toeëigenen en mijn Zigeunernatuur ontwaakte. Er kwam een zucht naar stelen bij mij op, alleen verklaarbaar door het bloed, dat mij door de aderen vloeide. Ik deed het geld in een zak, trok het kluizenaarskleed uit en het weeshuispakje weer aan en verwijderde mij, meenende al de schatten van Indië mee te voeren.

Hoewel ik nog een kind was, was ik toch niet zoo dom, om den weg naar Tolédo in te slaan, waarop ik broederChrysostome had kunnen ontmoeten. Ik ging een anderen kant uit en kwam na lang loopen in het dorp Galvas. Daar ging ik een logement binnen en de eigenares, een vrouw van veertig jaar, die bij het gezicht van mijn kleeren meende, dat ik weggeloopen was uit het weeshuis, vroeg mij mijn naam en waar ik heenging. Ik antwoordde haar, dat ik mijn vader en moeder had verloren en ergens een dienst zocht. Ze vroeg mij of ik lezen en schrijven kon en op mijn bevestigend antwoord zei ze, dat ik bij haar kon blijven. “Ik zal je geen loon geven,” voegde zij eraan toe, “aangezien in dit logement fatsoenlijke menschen komen, die de bedienden niet vergeten.”

Ik nam haar aanbod aan. Maar al dadelijk kwam ik in groote onrust; want ik wilde niet laten weten, dat ik geld had en wist niet goed, waar ik het verbergen moest. Wat geeft rijkdom toch een last! Eindelijk besloot ik mijn zak in een hoek van den zolder onder het stroo te stoppen.

Er waren drie dienstboden in het huis; een groote staljongen, een jonge meid uit Gallicië en ik. Alle drie kregen wij fooien van de bezoekers, maar de meid was altijd het beste af. Niet zoodra ontving ik een stuiver, of die werd boven gebracht in mijn zak en hoe grooter mijn schat werd, des te meer hechtte ik mij daaraan. Wel dertigmaal op een dag ging ik naar boven, om naar mijn geld te kijken. De waardin, die dat begon te merken en wantrouwend van karakter was, besloot den zolder eens na te kijken. Ze wierp het stroo ter zijde en vond mijn zak. Toen ze zag, dat daarin kronen en pistolen waren, geloofde zij, dat die bij haar gestolen waren, of liever zij deed of ze dit geloofde. Zij schold mij uit voor een kleinen dief, liet mij door den staljongen afranselen en zette mij buiten de deur. Of ik al riep, dat ik haar niet bestolen had, zij hield vol en men geloofde haar meer dan mij. Op die wijze gingen de geldstukken van broeder Chrysostome uit de handen van een dief over in die van een dievegge.

Ik betreurde het verlies van mijn geld, zooals men eeneenigen zoon beweent, en indien mijn tranen mij al niet teruggaven, wat men mij ontnomen had, ze waren tenminste oorzaak, dat ik het medelijden opwekte van personen, die ze zagen vloeien en onder anderen van den pastoor van Galves, die toevallig voorbijkwam. Hij scheen getroffen door mijn verdriet en nam mij mee. Door mij te beklagen en vriendelijk met mij te spreken, wist hij mij zoover te krijgen, dat ik hem alles vertelde. “Mijn zoon,” zei hij, “hoewel een kluizenaar geen geld mag verzamelen, vermindert dat uw schuld niet; door broeder Crysostome te bestelen, hebt gij gezondigd tegen de tien geboden; maar troost u er mede, dat ik de waardin zal verplichten, om afstand te doen van dat geld en het weer den kluizenaar zal doen toekomen. Uw geweten kan in dat opzicht dus gerust zijn.”

Nu moet ik eerlijk bekennen, dat mij dat maar heel weinig belang inboezemde. Maar de pastoor ging verder; hij beloofde voor mij te zullen zorgen. “Ik zal u morgen door een ezeldrijver laten brengen naar mijn neef, den kanunnik van den kathedraal vanTolédo. Hij zal, op mijn verzoek, niet weigeren om u in zijn dienst te nemen en u op te leiden tot lakei, dan hebt ge bij hem een aangenaam leven.”

Die verzekering troostte mij en den volgende dag kwamen er twee muilezels voor. Men hielp mij op den eene, de drijver besteeg den andere en wij sloegen den weg in naarTolédo. Mijn reismakker was een man met een goed humeur die niets liever deed, dan zich vermaken ten koste van zijn naasten. Hij begon al dadelijk een gesprek met mij. “Mijn jongen vriend, ge hebt een goeden beschermer in mijnheer den pastoor van Galves. Dat toont hij u wel. Hij kan u geen beteren dienst bewijzen, dan door u te plaatsen bij zijn heer, den kanunnik, dien ik de eer heb te kennen. ’t Is allerminst één van die bleeke en magere vromen, maar een man, die van het leven houdt en zich de genoegens, die het biedt, niet ontzegt. Ge zult het daar best hebben.”

De man hield niet op met van het geluk te spreken, dat mij wachtte, tot wij in het dorp Obisa kwamen, waar onze muilezels moesten rusten. Daar bemerkte ik, goddank, dat men mij bedroog. Ziehier op welke wijze. De drijver, die op en neer ging in het logement, liet bij toeval een papier vallen, dat ik zoo slim was op te rapen en te lezen, terwijl hij in den stal was. Het was een brief aan de priesters van het weeshuis, die aldus luidde: “Mijne heeren! Ik heb gemeend, dat de barmhartigheid mij verplicht om weer in uw handen te stellen een jongen schelm, die uit uw inrichting is ontsnapt; hij schijnt niet dom en waard, dat gij de goedheid hebt, hem bij u opgesloten te houden. Ik twijfel er niet aan, of met strenge tucht zult gij een flinken jongen van hem maken. God zegene uw vroom en barmhartig werk. De pastoor van Galves.”

Toen ik dien brief had gelezen, was het voor mij niet lang de vraag, wat ik had te doen. Het hotel uit te snellen en naar den oever van den Taag te loopen, die op een mijl afstand lag, was het werk van een oogenblik. De angst gaf mij vleugelen om de priesters van het weeshuis te ontvluchten, waar ik in geen geval wilde terugkeeren; zulk een tegenzin had ik in de manier, waarop zij Latijn onderwezen. Ik bereikte Tolédo, en de fortuin was mij gunstig in die groote stad. Een heer, die zeer goed gekleed was, hield mij aan en zei: “Vriendje, wil je in mijn dienst komen? Ik heb een jongen zooals jij noodig.” “En ik een meester zooals u,” antwoordde ik.

Die heer, die ongeveer dertig jaar oud kon zijn, heette don Abel. Hij logeerde in een hotel, waar hij een mooie kamer had, was speler van beroep, en ziehier op welke wijze wij leefden; ’s morgens stopte ik zijn pijp vijf- of zes maal en maakte zijn kleeren schoon, dan ging ik den barbier voor hem halen en daarna ging hij uit, om niet terug te keeren voor elf of twaalf uur ’s avonds. Maar iederen morgen voor hij uitging, gaf hij mij wat klein geld en ik kon den dag besteden, zooals ik wilde, mits ik maar ’s avonds om tien uur thuis was. Daar hij zeer tevredenover mij was, liet hij mij een livrei maken, waarop ik niet weinig trotsch was. Mijn nieuwe betrekking beviel mij zeer goed.

Ongeveer een maand was ik bij hem geweest, toen hij mij vroeg, of ik tevreden bij hem was. Ik antwoordde, dat ik het niet beter kon wenschen en daarop zei hij: “dan zullen wij morgen naarSévillavertrekken, waar mijn zaken mij roepen. Het zal je niet spijten, de hoofdstad vanAndaloesiëte zien. Het spreekwoord zegt, dat wieSévillaniet heeft gezien, niets gezien heeft.” Ik betuigde hem, dat ik bereid was hem overal te volgen.

Den volgenden dag kwam er een man in het hotel om zijn koffer te halen en daarna vertrokken wij.

Don Abel was zóó gelukkig in het spel, dat hij alleen verloor, wanneer hij het wilde, wat hem noodzaakte, dikwijls van woonplaats te veranderen, om zich te onttrekken aan ontmoetingen met zijn slachtoffers. Daarom moesten wij ook nu vertrekken.

In Sévilla gingen wij in een hotel en begonnen hetzelfde leven als in Tolédo. Maar, mijn patroon vond verschil tusschen die twee steden, want hij ontmoette hier spelers, die even gelukkig waren als hij en daarover was hij kwaad. Op een morgen, dat hij weer eens uit zijn humeur was, omdat hij den vorigen avond honderd pistolen had verloren, vroeg hij mij, waarom zijn waschgoed niet was weggebracht. Ik antwoordde hem, dat ik daar niet aan had gedacht, waarop hij in woede mij een half dozijn klappen in mijn gezicht gaf, die zoo hard waren, dat ik meer lichten zag, dan er in Salomo’s tempel waren. “Daar, kleine stommeling! Dat zal je wel leeren, om aan je plicht te denken!” Met die woorden ging hij weg en ik was zoo kwaad op hem, dat ik besloot mij te wreken bij de eerste gelegenheid, die zich zou voordoen.

Ik weet niet, welk nieuw avontuur hij had gehad, maar op een avond kwam hij in zeer opgewonden toestand thuis en zei: “Scipio, ik ben van plan naar Italië te gaan. Ik heb daar mijn redenen voor en denk, dat je wel lustzult hebben mij te vergezellen en van zulk een schoone gelegenheid te profiteeren, om het prachtigste land van de wereld te zien.”

Ik antwoordde hem, dat ik niets liever wilde, maar tegelijkertijd nam ik mij voor, om te verdwijnen op het oogenblik, dat hij wilde vertrekken. Daardoor dacht ik mij op mijn meester te wreken en ik vond het plan zeer vernuftig. Zoo tevreden was ik er over, dat ik niet kon nalaten het mee te deelen aan een kameraad, dien ik op straat ontmoette. Sedert ik inSévillawas, had ik eenige slechte kennissen gekregen en daaronder behoorde deze.

Ik vertelde hem, waarom en op welke wijze ik mij op mijn meester wilde wreken en vroeg hem, wat hij ervan dacht.

Hij antwoordde mij: “Mijn vriend, uw eer gedoogt niet, dat ge ongewroken blijft; maar ’t is niet voldoende don Abel alleen te laten vertrekken; daarmee straft ge hem niet genoeg. Laten wij hem zijn koffer en zijn geld ontnemen en de buit broederlijk deelen na zijn vertrek.”

Hoewel ik een natuurlijke neiging had tot stelen, verschrikte ik toch van het voorstel tot zulk een ernstigen diefstal. Maar mijn kameraad wist mij zoo te bepraten, dat ik toestemde en ziehier den uitslag.

Mijn kameraad, die groot en sterk was, kwam den volgenden morgen in ons hotel. Ik wees hem den koffer, waar don Abel reeds alles had ingepakt en vroeg hem, of die hem niet te zwaar was om alleen te dragen. “Te zwaar!” zei hij. “Als ’t is om het goed van anderen weg te nemen, dan zou ik den heelen ark van Noach wel kunnen dragen.” Hij nam daarop den koffer op zijn schouders en ging met lichten tred naar beneden. Ik volgde hem en wij waren aan het einde van de straat, toen don Abel door zijn gelukkig gesternte daarheen geleid, plotseling voor ons stond.

“Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg hij. Ik was zoo verschrikt, dat ik geen antwoord kon geven en mijn kameraad, die zag dat het spel mislukt was, wierp denkoffer weg en maakte beenen. “Waar ga je met dien koffer heen?” vroeg mijn meester voor de tweede maal.

Meer dood dan levend antwoordde ik: “Mijnheer, ik ga dien naar het schip brengen, waarmee u morgen naar Italië wilt gaan.”

“En kan je mij ook zeggen met welk schip ik ga?”

“Neen, mijnheer, maar elke weg leidt naar Rome en ik zou aan de haven hebbengeïnformeerd.” “Wie heeft je bevolen mijn koffer uit het huis te doen dragen?” “Uzelf,” zei ik. “Wat? Ik?” antwoordde hij verbaasd. “Natuurlijk,” hernam ik, “herinner u maar, dat u mij een paar dagen geleden onder slagen bevolen hebt uw orders te voorkomen en op mijn eigen houtje te doen wat er gebeuren moest!”

Don Abel, die merkte, dat ik niet zoo onschuldig was als hij altijd had gedacht, zei op koelen toon: “Ik ontsla je, je hebt te veel verstand voor je leeftijd!

Bovendien houd ik er niet van om te spelen met menschen, die nu eens een kaart te veel of dan er een te weinig hebben.”

Zoo liep ik nu door de straten vanSévilla, met niet meer dan een paar stuivers op zak. Bij de keukens van het paleis van den aartsbisschop trof een aangename geur mijn neus. Zou er geen middel voor mij zijn, om iets te eten te krijgen? Ik verzon een list en dadelijk was die uitgevoerd. Hard loopend kwam ik de plaats op bij de keuken en riep: “Help! Help!” alsof iemand mij achterna kwam, om mij te vermoorden. Op mijn geschreeuw kwam meester Diego, de kok, aangesneld met drie of vier koksjongens om te weten, wat er gaande was. Daar hij niemand anders zag dan mij, vroeg hij waarom ik zoo hard schreeuwde. Ik deed of ik hevig ontsteld was en vertelde hem van een grooten, sterken man, een vechtersbaas, die mij op straat was tegengekomen en me had willen doodslaan. De goede man stelde mij gerust en zei: “Kom, kom, die man heeft misschien een grap met je willen hebben en bovendien, hier zal hij niet komen.”

“Neen, neen! ’t Was geen gekheid en hij zal mij op straat wel opwachten!”

“Welnu, laat hem dan maar wachten en blijf hier, je kunt vanavond met de koksjongens eten en gaan slapen.”

Mijn doel was bereikt en ik amuseerde mij zoo goed met de jongens, dat toen ik den volgenden morgen meester Diego wilde gaan bedanken, hij me zei: “de jongens hebben zooveel genoegen met je gehad, dat ze mij gezegd hebben, je graag voor kameraad te willen hebben. Heb je daar lust in?”

Natuurlijk antwoordde ik, dat ik niets liever wenschte en zoo werd ik koksjongen. In de keuken zag ik 15 personen bezig met het souper van Monseigneur, maar de gerechten kon ik niet tellen; zoo goed zorgde de Voorzienigheid voor hem.

Al spoedig stond ik zoo in de gunst bij meester Diego, dat hij mij gebruikte om schotels en wijn te brengen bij een dame in de buurt, die mooi en levendig was en die er uitzag of ze haren kok niet zeer trouw was. Ondertusschen voorzag hij haar niet slechts van vleesch, brood, suiker en olie, maar zorgde ook voor haar wijnvoorraad; en dat alles op kosten van den aartsbisschop.

Mijn verblijf in het bisschoppelijk paleis eindigde met een poets, waarvan men nog heden spreekt. De pages en eenige andere bedienden hadden het plan gevormd, om op den verjaardag van monseigneur een comedie op te voeren. Ze kozen er een, waarin een jongen man van mijn leeftijd een jongen koning moest voorstellen. De hofmeester, die het stuk hielp instudeeren, koos mij daarvoor en na eenige repetities verklaarde hij, dat ik niet onder de minste spelers zou behooren. Niets werd gespaard om de opvoering zoo luisterrijk mogelijk te maken. Een van de grootste zalen werd voor schouwburg ingericht en ook aan de costuums werd alle zorg besteed. Een kleermaker was mijn maat komen nemen en ik kreeg een rijk kleed aan van blauw fluweel, met galon, knoopen en goud.

Eindelijk kwam de lang verwachte avond. De jongekoning moest het eerst op het tooneel zijn. Ik opende dus de voorstelling met het declameeren van een reeks verzen, waarvan het slot luidde, dat de koning zich niet tegen den slaap kon verzetten. Bij die woorden moest ik terugtrekken tusschen de coulissen en op een rustbed gaan liggen, dat daarvoor was klaargezet. Maar toen ik daar zoo lag, begon ik er aan te denken, of er geen middel was, om met mijn koninklijke kleeren te ontkomen. Ik zag een klein trapje onder het tooneel, waarmee ik in een andere zaal kon komen. Toen ik mijn kans schoon zag en niemand op mij lette, sloop ik daar af en liep de zaal door bij de deur, roepende: “Plaats! ik moet mij gaan verkleeden!”

Zoo kwam ik in minder dan één minuut ongehinderd buiten het paleis en, door de duisternis begunstigd, begaf ik mij naar de woning van mijn vriend, met wien ik dat mislukte avontuur van den koffer had beleefd.

Hij was ten hoogste verwonderd mij te zien in mijn koninklijk costuum. Spoedig had ik hem op de hoogte gebracht. Hij wenschte mij hartelijk geluk met deze goed gelukte grap en voorspelde mij, dat ik, wanneer ik zoo zou voortgaan, de wereld nog eens versteld zou doen staan door mijn verstand.

“Maar hoe zullen we die rijke kleeren nu goed kwijtraken?” vroeg ik.

“O, dat is het minste, ik ken iemand, die zonder nieuwsgierig te zijn, alles koopt, wat van zijn gading is. Morgen ga ik hem opzoeken.”

Den volgenden morgen sliep ik nog, toen hij terugkwam met den koopman Ybagnez deSégoviër, die mij een half versleten pak bracht met zilveren knoopen en voor mijn prachtig gewaad en kroon, na eindelooze onderhandelingen, dertig pistolen gaf.

Mijn kameraad nam de helft van dat geld, liet mij de rest en zei: “Vriend Scipio, met de vijftien pistolen, die je overblijven, raad ik je zoo spoedig mogelijk de stad te verlaten, want je begrijpt wel, dat men je, op last van denaartsbisschop, overal zal zoeken. Ik zou wanhopig zijn, wanneer je na een daad, waardoor je je zoo onderscheiden hebt, gevangen werd genomen.”

Ik antwoordde, dat ik zoo spoedig mogelijk uitSévillaweg wilde. Na een hoed en eenig ondergoed te hebben gekocht, ging ik op weg en kwam na drie dagen in Cordova. Ik ging logeeren in een hotel bij den ingang van de stad, gaf mij uit voor den zoon van een familie in Tolédo en zeide, dat ik voor mijn genoegen reisde. Ik zag er zindelijk genoeg uit om dat te doen gelooven en liet den waard toevalligerwijze een paar van mijn pistolen zien. Hij vroeg verder niet, misschien uit vrees, dat zijn nieuwsgierigheid mij zou kunnen doen besluiten om te verhuizen.

Voor niet te veel geld had ik het daar goed. Er waren ’s avonds ongeveer twaalf personen aan tafel, die zwijgendzaten te eten. Maar een was er, die bijna geen oogenblik zijn mond hield. Hij wist allerlei nieuwtjes, grappen en verhalen. Wat mij betreft, ik luisterde er weinig naar, maar ten slotte trok hij ook mijn aandacht. Ik hoorde hem zeggen: “Alles wat ik tot nu toe verteld heb, heeren, is niets in vergelijking met het vermakelijke avontuur, dat voor eenige dagen is afgespeeld in het paleis van den aartsbisschop.” De man vertelde daarna met groote nauwkeurigheid mijn geschiedenis; ik vernam er nu ook het slot van, dat ik nog niet wist.

Een oogenblik nadat ik verdwenen was, kwamen zooals de volgorde in het stuk dat bepaalde, de Mooren op, die den koning moesten oplichten. Ze naderden daarvoor het rustbed, dat, zooals ik zei, tusschen de coulissen stond, slechts voor een deel zichtbaar voor het publiek. De Mooren moesten koning Leon slapende verrassen, maar op het rustbed was niemand te vinden.

Dat gaf dadelijk groote verwarring. Alle acteurs liepen op het tooneel en achter de schermen rond, de een riep me, de ander zocht mij en een derde wenschte mij naar den duivel.

De aartsbisschop liet vragen, wat dat alles te beteekenen had en men moest hem eindelijk wel zeggen, dat de koning niet door de Mooren kon worden gevangen genomen, omdat hij er met zijn koninklijk gewaad vandoor was gegaan. De prelaat zei: “Gelukkig dat hij ontkomen is aan de vijanden van onzen godsdienst. Zeker is hij gevlucht naar de hoofdstad van zijn koninkrijk en ik wil niet hebben, dat men hem volgt!” Nadat de aartsbisschop dit bevel had gegeven, zei hij, dat men moest doorspelen en dat mijn rol gelezen moest worden.


Back to IndexNext