Twaalfde Hoofdstuk.Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.Wat was Jan Trom vroeg wakker. ʼt Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen Jan de luiken opende.“Wie is daar?” vroeg Dik.“Ik Vader,” zei Jan. “Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. ʼt Heeft bepaald erg hard gevroren.”“Zeker wel,” zei Dik.Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.“Wat is het koud, hè?” zei Karel huiverend.“Ja, erg koud,” zei Jan. “Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en moeten wij binnen zijn.”“Ja,” zei Karel. “Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?”“Goed.”De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsjewas spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.Daarna gingen zij aan het werk.Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte.ʼt Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.“Toe maar, hak maar raak,” zei hij. “Ik zal wel voor je zuchten.”Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog.“Zie zoo, dat is er één,” zei hij. “Nu den paal er in.”“Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,” zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan ʼt werk. Op dit oogenblik kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen.“Gaat het goed?” vroeg hij.“Best, Vader,” zei Jan. “O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.”“Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?”“Wij dachten van zeven,” zei Karel. “ʼt Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg.”“Je hebt gelijk,” zei Dik. “Wel, wel, wat is dat ijs gl....”“Glad,” wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zooʼn beetje, en er kwam een groote ster in.Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan.“Hoe is het met Klaas?” vroeg Jan.“Nog hetzelfde,” was het antwoord. “Hij ligt nu al vierweken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.”“Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,” zei Karel. “En hoe is het met Fik?”“O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.”“Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar ʼt wordt voor ons tijd om naar school te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.”“ʼt Is te hopen,” zei Karel. “Hè, wat heb ik een zin om te gaan rijden.”“En ik!—Dag Mietje, tot vanmiddag!”De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongensverzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.“Zorg nu,” zei Dik, “dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.”Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.“Daar zal ik voor zorgen,” zei Mietje.Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op ʼt ijs te komen.Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en ʼt zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was deeenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon wel aan het bedienen blijven.“Dikke Pieten! Dikke Pieten!” riep Karel lachend zijne kameraden toe. “Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!”De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,—toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:“Heete melk en koude Jan,Steekt er eens op en legt er eens an!”De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar ʼt gevolg was toch, dat de koeken als ʼt ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij elkaar had gezien.Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Tromstapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! ʼt Werd er hoe langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof.De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen.“Een centje voor den baanveger!” klonk het hier. “Een centje voor den baanveger,”klonkhet daar. ʼt Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.“Dag Dik!” werd er overal geroepen, waar hij voorbijreed. “Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?”ʼt Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zooʼn dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En ʼt was grappig om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En ʼt was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel van Dril er jaloersch op was.Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden ʼt liefst niet met hen te maken hebben.Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten, die vertrokken.“Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?” vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.“Neen, jongens, dank je vriendelijk,” was het antwoord. “De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.”“En heb-je goede zaken gemaakt?” vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.“Goede zaken?”—Of ik!” zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een rinkelend geluid.“Allemaal centen, Mietje!” plaagde Jan. “Dat beschiet niet veel.”“Allemaal centen?” herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel uitstortte. “Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,—neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.—En dat heb ik alles aan jelui te danken,—en aan je vader, Jan.”Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in elkaar en ging naar huis.“Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,” zei ze nog tegen Jan. “Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf verder redden kan. ʼt Is een pak van mʼn hart, jongens.”Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.ʼs Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: “Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.”Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.“ʼt Is eene schande,” zei er een. “Ik dacht zóó, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.”“Ja, ʼt is eene schande,” zei een ander. “De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeesterom mij te beklagen. ʼt Is verregaand, dat er niets meer veilig is op ʼt dorp.”“Ik ga meê,” riep een derde.“En ik! En ik,” zeiden de anderen.En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten ontvreemd waren.Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was.“Dat is verregaand!” riep hij uit. “ʼt Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem ʼs nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is.”Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij werd zelfs onbillijk.“Daar heb je ʼt al,” riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. “Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik je zeg! ʼt Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat je er mêe uitgevoerd hebt.”“Ik? Er mêe uitgevoerd?” zei Mietje schreiend. “Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomenheb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.”“Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet tevreden. ʼt Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!”“Vijf gulden?” stamelde Mietje verschrikt. “Vijf gulden, zegt u?”“Ja, vijf gulden minstens,” was het antwoord. “Koper is duur.”Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen.“Wie zal mij weer een ketel leenen?” vroeg zij droevig.“Dat zal ik doen,” zei Anneke. “Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht wordt.”“O, dat zal ik zeker,” zei Mietje. “Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.”ʼt Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar hij thans zoeken moest.“Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief gevonden hebt,” besloot de burgemeester.“Laat het maar aan mij over, burgemeester,” zei Flipsen met een hooge borst. “Ik zal het zaakje wel afwikkelen.”Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden.De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren.“Waarom heb je niet beter uitgekeken?” vroeg er een. “Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.”En een ander merkte op:“Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.”“ʼt Is jullie eigen schuld,” gaf Flipsen ten antwoord. “Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. ʼt Is het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, maar er zijn er twee.”De menschen keken hem ongeloovig aan.“Twee?” vroegen ze. “Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?”“Ik weet, wat ik weet,” gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. “En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.”Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht opweg naar—den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen.Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten.“Goeden dag,” zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond.“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Kom binnen. Wat is er van je dienst?”“Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.”“Is het waar?” vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: “Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen ʼs nachts te laten staan. ʼt Is meer dan dom.”“Dat is het,” zei Flipsen.“Maar ik begrijp niet, watikdaarmede te maken heb,” hernam de schipper. “Ikben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.”“Zoo—ja, dat kan wel,” zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was blijkbaar in ʼt geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had.“Zoo—ja, dat kan wel,” herhaalde hij. “En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetjeop weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.”“Juist, hoe gauwer, hoe beter,” zei de pottenschipper. “Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon, Flipsen; ʼt is meer dan tijd. Maar inlichtingen,—neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.”“En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?” vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.“Nu nog mooier!” riep deze uit. “Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,—niemendal van hebben. Dank je hartelijk!”De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus:“ʼt Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?”“Wel, nu nog mooier!” riep de schipper boos uit. “Wou je mijn schuit doorzoeken? ʼt Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als ik vragen mag?”“Louter uit nieuwsgierigheid,” zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen.“ʼt Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstalte verdenken,” zei hij. “Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?”Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn.Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsenʼs onderzoek af te wachten. Maar zij zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:“Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.”Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den elleboog aan.Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar ʼt huis van Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.Dertiende Hoofdstuk.Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.Er werd ʼs avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield.ʼt Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs delaagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. ʼt Was wel zoo erg, als het maar wezen kon.“En Flipsen was de plank heelemaal mis,” zei Dik. “Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.”“Dat is wel mogelijk,” zei Jan Vos, “maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.”“O, vroeger!”—meende Piet van Dril, “vroeger, dat is nù niet. Een mensch kan zich beteren.”“Dat is waar,” zei Dik. “Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar ʼt is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor de poes.”“Neen, dat geloof ik ook!” zei Piet van Dril lachend. “Daar weten wij van mêe te praten, hè?—Denk nog maar eens aan een zeker avondje in den tuin van den burgemeester...!”Allen schoten in den lach.“Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!” zei Dik.Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: “Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.”“Ja, doe dat maar,” zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. “Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.”“Paling vangen? Hoe doet u dat dan?” vroeg Jan nieuwsgierig.“Wel jongen, als ʼt ijs erg dik is, krijgt de paling heter benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.”“Zwemmen ze dan niet weg?” vroeg Karel.“Neen jongens,” zei Dik. “Of het van de koû komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.”“Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?” vroeg Karel aan Jan. “Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.”“Ik vind het best,” zei Jan. “Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.”“Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.”“Een gewone lat is wel goed,” zei Dik.Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren zij het over eens.En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat te hakken. ʼt Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toenkeken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem.“Kijk, kijk, daar ligt er een,” zei Jan, die hem het eerst zag.Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt.“Grijp hem, grijp hem!” riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zooʼn eng gevoel, dat hij het beest met een rilling over de leden losliet. Op ʼt volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.“Hè, wat is dat jammer!” riep Jan spijtig uit. “Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.”“Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,” zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug ging. “Precies een slang.”“Dat zal jij wel weten,” zei Jan. “Je hebt nog nooit een slang gezien.”“Genoeg,—meer dan jij,” meende Karel. “In Artis.”“O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.—Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd.”“Of hij dik was,” zei Karel. “Akelig dik.”“In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt.”“Mij goed,” zei Karel. “Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.”“Je bent een bangerd, hoor!” spotte Jan.“Jij bent een held!” zei Karel. “Dat weet ik wel.”“In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,” zei Jan.Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water.“Ik zie er een,” zei Karel.“Ik ook,—wel twee,” zei Jan.Zij brachten de sikkels in het water, en op ʼt volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen.“Help, help, hier is er een,” schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. ʼt Beest wilde met alle geweld weer in ʼt water.“Pak hem dan!” riep Jan hem lachend toe.“Ik dank je,—ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.”Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen.Lachend zei Karel tot Jan:“Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp afgevischt.”Jan lachte ook.“Dan vischt hij achter het net,” zei hij. “Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.”“Laat hen maar vooruitgaan,” zei Karel. “Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.”“Mij goed,—best zelfs,” zei Jan.De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En ʼt was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zooʼn dier tegen zijn arm op. ʼt Gebeurde zoo onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.“Jou ezel!” riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En ʼt ging lang niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld.“Geef mij den emmer maar,” zei hij. “Anders ligt hetheele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.”De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.“Dat zijn bijtjes van de visschers,” zei Jan. “Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.”“Dat denk ik ook,” zei Karel. “Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.”Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.“Heidaar, blijven waar je bent!” zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. “Bij je kameraden blijven!”Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.“Kijk eens, Jan,—dáár,” zei hij. “Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben wij er geen last meer van.”“Daar zeg je zoo wat,” zei Jan.De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.“De visschers hebben het zeker weggegooid,” zei Jan. “En ons komt het mooi te pas.”Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had.“Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,” zei Jan.“Ja,—lekker warm. Ze zullen nu geen last meer vande kou hebben.—Zeg, wat hebben we er al veel, hè?”“Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?”“Goed,” zei Karel. “Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?”“Ja,—dat is afgesproken.”Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden de mannen niet. ʼt Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.“Hola, jongens, wacht eens even,” riep een van hen hun toe.Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af.“Zie je wel?” zei de een tegen den ander. “Daar heb je de dieven al.”“Ja,” was het antwoord van den tweede.Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.“Hoe kom jij aan dat net?” vroeg hij op barschen toon.“Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!” zei de andere visscherman.“Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,” zei Jan. “Hoe zouden wij er anders aankomen?”“En die paling dan?” vroeg een der visschers smalend. “Die heb je zeker ook gevonden, hè kereltje?”“Neen,” zei Jan, “die hebben we gevangen.”“Juist, die hebben we gevangen,” zei ook Karel.“In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?”“Eerlijk gestolen,” zei de andere visscher. “Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester.”“Ik zeg, dat het niet waar is!” riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. “Wij zijn geen dieven, en dat net hebben we eerlijk gevonden. ʼt Is op verschillende plaatsen stuk, en ʼt lag in ʼt riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.”“Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,” zei een der visschers. “Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze fuiken gelicht, en dat is strafbaar...”“Niet zooʼn beetje ook!” viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. “En dat is maar goed ook. Is ʼt geen schande, onze netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!”“Dat doe ik niet!” zei Jan driftig. “Wij zijn geen dieven.”“Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.”“Ja,” zei de ander, “je bent er gloeiend bij!”“Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug, asjeblieft!”De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaardelangzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen.Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers lachten om die verklaring.“Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,” zei een van hen. “De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. ʼt Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen.”“ʼt Is niet waar!” riep Jan den spreker toe.“Houd je mond verder maar, jongen,” gebood de burgemeester kortaf. “De bewijzen zijn tegen jullie, en ʼt staat bij mij vast, dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. ʼt Is een schande!Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.”“Wij weten nergens van, burgemeester,” zei Jan,“Neen, nergens van,” zei Karel. “Wij hebben ze niet weggenomen.”“Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en tochliep je er mede in je handen,” sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. “Komaan, spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...”“Ik heb niets te bekennen,” zei Jan.“Ik ook niet,” zei Karel.“Zoo, zoo,” hernam de burgemeester. “Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.”Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen:“U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.”De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen.De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig:“Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...”“Maar we hebben het niet gedaan,” riep Jan uit.“Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.”“ʼt Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,” sprak Jan. “U gelooft ons toch niet.”“Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.”Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:Flipsen!Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.De Burgemeester.Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte.“Ziedaar,” sprak hij. “Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.”De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel.“Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje,” zei hij. “Daar zaten wij er geducht tusschen, maar ʼt is bij slot van rekening toch nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.”“En dit briefje dan?” vroeg Jan. “Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?”Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje:“Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomenzijn. ʼt Had veel leelijker kunnen uitpakken.—Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.”Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.“Zeg,” riep Frans hun toe, “komen jullie platzak thuis?ʼ“Ja!” zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.“Wij niet!” zei Frans. “Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.”De jongens stonden stil en keken in den emmer, ʼt Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen.“Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim hè?”Jan en Karel keken Frans met open mond aan.“Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?” vroeg Jan. “Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.”“Ja,” lachte Frans. “Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?”Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje.“En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,” zei Jan tot de twee jongens. “Wij hadden het net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben onsom zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!”“Ja,” zei Karel. “Ik zie er het leuke niet van in.”Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.“Nu wordt de grap nog leuker!” zei Frans.“Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,” zei Jan. “Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan hebt...”“Je zult wel wijzer wezen!” zei Frans, die nu in ʼt geheel niet meer lachen moest. “Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!”“Ja, voor verklikker!” beaamde Klaas Zwart.“Dat kan me niet schelen,” zei Jan, “ik zeg het tòch. ʼt Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.”Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.“Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,” zei Frans. “Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...”“Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,” zei Jan. “Maar ʼt is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde...”“Welke?” vroegen de twee jongens tegelijk.“Een, die gemakkelijk te vervullen is,” zei Jan. “Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, inhet raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.”“Och, is ʼt anders niet?” vroeg Frans. “Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.”“Wel zeker, met alle pleizier,” zei Klaas.Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.“Zoo jongens, dank-je!” zei Flipsen. “Wacht maar even.”“Wij behoeven niet te wachten,” zei Frans.“Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!” zei Flipsen.Hij brak den brief open en las hem vlug door.“Ha zoo,” zei hij, “zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, hier, de gang door.”Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn zak haalde en een sleutel uitzocht.“Mooi zoo. Nu dit trapje af.—Goed zoo.”Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.“Maar Flipsen,” zei Frans met schrik. “Wat gaat u doen? Dat is een cel!”“Ha ha!” lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. “Dàt ga ik doen.”Flap! De deur ging dicht en op slot.Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit.Hij hoorde Frans schreeuwen.“Flipsen! Maar Flipsen!” jammerde Klaas. “Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...”Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op ʼt volgende oogenblik was ook deze deur gesloten.“Ja, ja, net zooals ik dacht,” mompelde Flipsen. “Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.”Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. “Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden ondervinden,” zei hij. “Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten zien kijken!”Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. ʼt Was nog vroeg, nog geen elf uur. En voor twaalven aten zij niet.“Hè,” zei Jan, “wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zooʼn prachtigen voorraad te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. ʼt Is onuitstaanbaar!”“Ja,” zei Karel, “dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan ʼt hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in ʼt open water.”“Ja, anders vriest ze stuk,” zei Jan. “Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?”“Goed,” zei Karel.Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.“Daar zie ik er een,” zei Karel“Wip hem er dan uit!” riep Jan. “Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.”“Daar is hij!” riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water.Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:“Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!”ʼt Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep.“We kijken maar even, of er paling zit!” riep Jan terug.“Dat wil ik niet hebben!” hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op.Maar Jan zei tegen Karel:“Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.”Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.“Kijk, daar zit er weer een!” zei Jan.Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:“Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier geen boodschap.”Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.“Help me even!” riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij:“Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.”“Vooruit, zeg ik je!”—schreeuwde de schipper. “Allo, marsch!”De twee jongens trokken, wat zij konden.Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers op den weg bleven staan.Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in.Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.“Een ketel!” riep hij uit. “En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,—hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit de tenten...”ʼt Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.“Dat moet de burgemeester weten!” riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.ʼt Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpengericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.“Wat is daar te doen?” riep eene stem.Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van ʼt venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:“O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!”In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.Och, och, wat een drukte hadden de menschen.“Of de pottenschipper er dan toch van wist!” riep de een.“Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,” zei een tweede.“Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,” profeteerde een derde.Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden.Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.“Wie heeft die dingen opgehaald?” vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden:“Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.”“Ja, ja,” zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. “Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!”Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:“Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...”“Dat was ook zoo,” viel de burgemeester driftig in. “En waarom heeft hij dat niet gedaan?”“Wij waren onschuldig, burgemeester,” zei Jan.“Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,—en nu sta je alle twee hier? Hoe komt dat?”“Burgemeester,” zei Jan, “wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...”“Wat ... ziet u?” viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde.“Toen dacht ik,” vervolgde Jan, “dat het voor ons beter was, alszijdat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...”“En toen?” vervolgde de burgemeester.“Dat hebben zij gedaan,” zei Jan.“Maar dan zitten op ʼt oogenblikdietwee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!” riep de burgemeester uit.“Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,” zei Jan.De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit.“Ha-ha-ha!” riep hij lachend uit, “wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?”“Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.”“Ha-ha-ha,—en wie zijn dat dan?”“Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,” zei Jan.Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:“Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop hebben getikt.”“Maar het zijn de verkeerde!” riep de burgemeester hem lachend toe. “Deze twee had-je moeten hebben!”Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.“Burgemeester,” zei hij, “U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim geweest maar toch niet slim genoeg.”“ʼt Is een grove leugen!” zei de pottenschipper. “Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de verdenking op mij te schuiven.”“Zoo,” zei Flipsen, “dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk koperdraad zien liggen.”De pottenschipper werd doodsbleek.“Ga het halen, Flipsen,” gebood de burgemeester.Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra meteen rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde.“Burgemeester,” zei Flipsen, “de jongens, die op ʼt oogenblik onder ʼt raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart.”“Zoo zal het gebeuren,” zei de burgemeester. “Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,” vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, “zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!”Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:“Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.”
Twaalfde Hoofdstuk.Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.Wat was Jan Trom vroeg wakker. ʼt Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen Jan de luiken opende.“Wie is daar?” vroeg Dik.“Ik Vader,” zei Jan. “Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. ʼt Heeft bepaald erg hard gevroren.”“Zeker wel,” zei Dik.Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.“Wat is het koud, hè?” zei Karel huiverend.“Ja, erg koud,” zei Jan. “Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en moeten wij binnen zijn.”“Ja,” zei Karel. “Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?”“Goed.”De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsjewas spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.Daarna gingen zij aan het werk.Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte.ʼt Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.“Toe maar, hak maar raak,” zei hij. “Ik zal wel voor je zuchten.”Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog.“Zie zoo, dat is er één,” zei hij. “Nu den paal er in.”“Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,” zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan ʼt werk. Op dit oogenblik kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen.“Gaat het goed?” vroeg hij.“Best, Vader,” zei Jan. “O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.”“Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?”“Wij dachten van zeven,” zei Karel. “ʼt Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg.”“Je hebt gelijk,” zei Dik. “Wel, wel, wat is dat ijs gl....”“Glad,” wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zooʼn beetje, en er kwam een groote ster in.Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan.“Hoe is het met Klaas?” vroeg Jan.“Nog hetzelfde,” was het antwoord. “Hij ligt nu al vierweken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.”“Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,” zei Karel. “En hoe is het met Fik?”“O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.”“Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar ʼt wordt voor ons tijd om naar school te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.”“ʼt Is te hopen,” zei Karel. “Hè, wat heb ik een zin om te gaan rijden.”“En ik!—Dag Mietje, tot vanmiddag!”De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongensverzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.“Zorg nu,” zei Dik, “dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.”Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.“Daar zal ik voor zorgen,” zei Mietje.Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op ʼt ijs te komen.Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en ʼt zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was deeenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon wel aan het bedienen blijven.“Dikke Pieten! Dikke Pieten!” riep Karel lachend zijne kameraden toe. “Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!”De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,—toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:“Heete melk en koude Jan,Steekt er eens op en legt er eens an!”De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar ʼt gevolg was toch, dat de koeken als ʼt ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij elkaar had gezien.Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Tromstapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! ʼt Werd er hoe langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof.De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen.“Een centje voor den baanveger!” klonk het hier. “Een centje voor den baanveger,”klonkhet daar. ʼt Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.“Dag Dik!” werd er overal geroepen, waar hij voorbijreed. “Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?”ʼt Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zooʼn dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En ʼt was grappig om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En ʼt was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel van Dril er jaloersch op was.Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden ʼt liefst niet met hen te maken hebben.Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten, die vertrokken.“Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?” vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.“Neen, jongens, dank je vriendelijk,” was het antwoord. “De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.”“En heb-je goede zaken gemaakt?” vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.“Goede zaken?”—Of ik!” zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een rinkelend geluid.“Allemaal centen, Mietje!” plaagde Jan. “Dat beschiet niet veel.”“Allemaal centen?” herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel uitstortte. “Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,—neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.—En dat heb ik alles aan jelui te danken,—en aan je vader, Jan.”Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in elkaar en ging naar huis.“Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,” zei ze nog tegen Jan. “Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf verder redden kan. ʼt Is een pak van mʼn hart, jongens.”Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.ʼs Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: “Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.”Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.“ʼt Is eene schande,” zei er een. “Ik dacht zóó, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.”“Ja, ʼt is eene schande,” zei een ander. “De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeesterom mij te beklagen. ʼt Is verregaand, dat er niets meer veilig is op ʼt dorp.”“Ik ga meê,” riep een derde.“En ik! En ik,” zeiden de anderen.En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten ontvreemd waren.Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was.“Dat is verregaand!” riep hij uit. “ʼt Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem ʼs nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is.”Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij werd zelfs onbillijk.“Daar heb je ʼt al,” riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. “Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik je zeg! ʼt Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat je er mêe uitgevoerd hebt.”“Ik? Er mêe uitgevoerd?” zei Mietje schreiend. “Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomenheb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.”“Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet tevreden. ʼt Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!”“Vijf gulden?” stamelde Mietje verschrikt. “Vijf gulden, zegt u?”“Ja, vijf gulden minstens,” was het antwoord. “Koper is duur.”Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen.“Wie zal mij weer een ketel leenen?” vroeg zij droevig.“Dat zal ik doen,” zei Anneke. “Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht wordt.”“O, dat zal ik zeker,” zei Mietje. “Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.”ʼt Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar hij thans zoeken moest.“Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief gevonden hebt,” besloot de burgemeester.“Laat het maar aan mij over, burgemeester,” zei Flipsen met een hooge borst. “Ik zal het zaakje wel afwikkelen.”Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden.De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren.“Waarom heb je niet beter uitgekeken?” vroeg er een. “Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.”En een ander merkte op:“Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.”“ʼt Is jullie eigen schuld,” gaf Flipsen ten antwoord. “Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. ʼt Is het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, maar er zijn er twee.”De menschen keken hem ongeloovig aan.“Twee?” vroegen ze. “Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?”“Ik weet, wat ik weet,” gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. “En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.”Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht opweg naar—den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen.Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten.“Goeden dag,” zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond.“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Kom binnen. Wat is er van je dienst?”“Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.”“Is het waar?” vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: “Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen ʼs nachts te laten staan. ʼt Is meer dan dom.”“Dat is het,” zei Flipsen.“Maar ik begrijp niet, watikdaarmede te maken heb,” hernam de schipper. “Ikben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.”“Zoo—ja, dat kan wel,” zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was blijkbaar in ʼt geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had.“Zoo—ja, dat kan wel,” herhaalde hij. “En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetjeop weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.”“Juist, hoe gauwer, hoe beter,” zei de pottenschipper. “Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon, Flipsen; ʼt is meer dan tijd. Maar inlichtingen,—neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.”“En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?” vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.“Nu nog mooier!” riep deze uit. “Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,—niemendal van hebben. Dank je hartelijk!”De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus:“ʼt Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?”“Wel, nu nog mooier!” riep de schipper boos uit. “Wou je mijn schuit doorzoeken? ʼt Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als ik vragen mag?”“Louter uit nieuwsgierigheid,” zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen.“ʼt Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstalte verdenken,” zei hij. “Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?”Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn.Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsenʼs onderzoek af te wachten. Maar zij zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:“Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.”Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den elleboog aan.Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar ʼt huis van Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.
Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.
Wat was Jan Trom vroeg wakker. ʼt Was nog maar kwart over zessen, toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen Jan de luiken opende.
“Wie is daar?” vroeg Dik.
“Ik Vader,” zei Jan. “Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. ʼt Heeft bepaald erg hard gevroren.”
“Zeker wel,” zei Dik.
Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
“Wat is het koud, hè?” zei Karel huiverend.
“Ja, erg koud,” zei Jan. “Maar wij zullen ons wel warm werken. Om negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en moeten wij binnen zijn.”
“Ja,” zei Karel. “Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?”
“Goed.”
De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een goed plaatsjewas spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
Daarna gingen zij aan het werk.
Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over de gladde ijsvlakte.
ʼt Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû, en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
“Toe maar, hak maar raak,” zei hij. “Ik zal wel voor je zuchten.”
Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl wipte hij het stuk ijs omhoog.
“Zie zoo, dat is er één,” zei hij. “Nu den paal er in.”
“Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,” zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan ʼt werk. Op dit oogenblik kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het klaar zouden spelen.
“Gaat het goed?” vroeg hij.
“Best, Vader,” zei Jan. “O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna niet doorheen slaan met de bijl.”
“Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?”
“Wij dachten van zeven,” zei Karel. “ʼt Zou met minder kunnen, maar als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg.”
“Je hebt gelijk,” zei Dik. “Wel, wel, wat is dat ijs gl....”
“Glad,” wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zooʼn beetje, en er kwam een groote ster in.
Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe, want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden, om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken man hadden gedaan.
“Hoe is het met Klaas?” vroeg Jan.
“Nog hetzelfde,” was het antwoord. “Hij ligt nu al vierweken te bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen, die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door verzwakt, zegt de dokter.”
“Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient,” zei Karel. “En hoe is het met Fik?”
“O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben.”
“Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar flink geld verdient. Maar ʼt wordt voor ons tijd om naar school te gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk mooi ijs is.”
“ʼt Is te hopen,” zei Karel. “Hè, wat heb ik een zin om te gaan rijden.”
“En ik!—Dag Mietje, tot vanmiddag!”
De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee, en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij, waar de jongensverzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
“Zorg nu,” zei Dik, “dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels.”
Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
“Daar zal ik voor zorgen,” zei Mietje.
Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op ʼt ijs te komen.
Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn, die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en ʼt zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen, dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want zij was deeenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden, vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon wel aan het bedienen blijven.
“Dikke Pieten! Dikke Pieten!” riep Karel lachend zijne kameraden toe. “Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!”
De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,—toen wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
“Heete melk en koude Jan,Steekt er eens op en legt er eens an!”
“Heete melk en koude Jan,Steekt er eens op en legt er eens an!”
“Heete melk en koude Jan,
Steekt er eens op en legt er eens an!”
De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar ʼt gevolg was toch, dat de koeken als ʼt ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij elkaar had gezien.
Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote menschen op de baan. Ook Dik Tromstapte met zijn schaatsen onder den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest, namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat kwamen er een menschen op het ijs! ʼt Werd er hoe langer hoe voller, en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings uit elkander stoof.
De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
“Een centje voor den baanveger!” klonk het hier. “Een centje voor den baanveger,”klonkhet daar. ʼt Leek wel, of de baanvegers uit den bodem van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was, liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd, was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.
“Dag Dik!” werd er overal geroepen, waar hij voorbijreed. “Dag Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?”
ʼt Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zooʼn dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was, had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij wel de halve breedte van het kanaal. En ʼt was grappig om te zien, als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich, met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal, dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En ʼt was een grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha, wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over, dat Karel van Dril er jaloersch op was.
Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken, om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden ʼt liefst niet met hen te maken hebben.
Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten, die vertrokken.
“Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen, Mietje?” vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen, Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
“Neen, jongens, dank je vriendelijk,” was het antwoord. “De kopjes en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal.”
“En heb-je goede zaken gemaakt?” vroegen de jongens blij, want zij wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
“Goede zaken?”—Of ik!” zei Mietje, en zij klopte met hare hand op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een rinkelend geluid.
“Allemaal centen, Mietje!” plaagde Jan. “Dat beschiet niet veel.”
“Allemaal centen?” herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel uitstortte. “Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,—neen, neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter zonder zorg tegemoet.—En dat heb ik alles aan jelui te danken,—en aan je vader, Jan.”
Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in elkaar en ging naar huis.
“Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen,” zei ze nog tegen Jan. “Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf verder redden kan. ʼt Is een pak van mʼn hart, jongens.”
Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
ʼs Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde: “Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene goede daad gedaan.”
Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren, bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.
“ʼt Is eene schande,” zei er een. “Ik dacht zóó, dat de diefstallen ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen.”
“Ja, ʼt is eene schande,” zei een ander. “De politie doet hier ook niets. Maar ik ga naar den burgemeesterom mij te beklagen. ʼt Is verregaand, dat er niets meer veilig is op ʼt dorp.”
“Ik ga meê,” riep een derde.
“En ik! En ik,” zeiden de anderen.
En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten ontvreemd waren.
Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te zeggen, wat er gebeurd was.
“Dat is verregaand!” riep hij uit. “ʼt Wordt hoog tijd, dat de dieven gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel, behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem ʼs nachts niet meer op het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is.”
Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij werd zelfs onbillijk.
“Daar heb je ʼt al,” riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had verteld. “Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats, dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik je zeg! ʼt Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel, en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat je er mêe uitgevoerd hebt.”
“Ik? Er mêe uitgevoerd?” zei Mietje schreiend. “Ach, wat heb ik er een spijt van, dat ik hem niet meegenomenheb naar huis, gisterenavond, maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter, net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen.”
“Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet tevreden. ʼt Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!”
“Vijf gulden?” stamelde Mietje verschrikt. “Vijf gulden, zegt u?”
“Ja, vijf gulden minstens,” was het antwoord. “Koper is duur.”
Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om zich te helpen.
“Wie zal mij weer een ketel leenen?” vroeg zij droevig.
“Dat zal ik doen,” zei Anneke. “Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje, als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht wordt.”
“O, dat zal ik zeker,” zei Mietje. “Een ezel zelfs stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen.”
ʼt Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij meende te weten, waar hij thans zoeken moest.
“Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief gevonden hebt,” besloot de burgemeester.
“Laat het maar aan mij over, burgemeester,” zei Flipsen met een hooge borst. “Ik zal het zaakje wel afwikkelen.”
Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere, en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem, dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten, en dat die nu vermist werden.
De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest menig onaangenaam woord hooren.
“Waarom heb je niet beter uitgekeken?” vroeg er een. “Je doet ook niet veel voor den kost, Flipsen.”
En een ander merkte op:
“Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen.”
“ʼt Is jullie eigen schuld,” gaf Flipsen ten antwoord. “Wie laat zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de politie de schuld. Zoo is het altijd. ʼt Is het oude liedje en anders niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één, maar er zijn er twee.”
De menschen keken hem ongeloovig aan.
“Twee?” vroegen ze. “Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?”
“Ik weet, wat ik weet,” gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. “En ik zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt.”
Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht opweg naar—den pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers gemakkelijk op de schuit konden komen.
Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open, die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde door het geopende deurtje naar buiten.
“Goeden dag,” zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
“Dag Flipsen,” was het antwoord. “Kom binnen. Wat is er van je dienst?”
“Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels gestolen uit de tenten, die op het ijs staan.”
“Is het waar?” vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen: “Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen ʼs nachts te laten staan. ʼt Is meer dan dom.”
“Dat is het,” zei Flipsen.
“Maar ik begrijp niet, watikdaarmede te maken heb,” hernam de schipper. “Ikben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen.”
“Zoo—ja, dat kan wel,” zei Flipsen, die wel een beetje in de war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was blijkbaar in ʼt geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen toch stellig verwacht had.
“Zoo—ja, dat kan wel,” herhaalde hij. “En dat wil ik wel gelooven ook, maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen geven, die me een beetjeop weg helpen. Want die dieven moeten gevonden worden, dat spreekt van zelf.”
“Juist, hoe gauwer, hoe beter,” zei de pottenschipper. “Ik heb, zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan, en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon, Flipsen; ʼt is meer dan tijd. Maar inlichtingen,—neen, die kan ik niet geven. Ik heb van niets gemerkt.”
“En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?” vroeg Flipsen, terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.
“Nu nog mooier!” riep deze uit. “Ze moesten het eens wagen met gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde kantoor. Daar moet ik niets,—niemendal van hebben. Dank je hartelijk!”
De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
“ʼt Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de schuit nog even van binnen bekijken?”
“Wel, nu nog mooier!” riep de schipper boos uit. “Wou je mijn schuit doorzoeken? ʼt Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als ik vragen mag?”
“Louter uit nieuwsgierigheid,” zei Flipsen. Hij klom op het dek en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen over de onbeschaamdheid van Flipsen.
“ʼt Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstalte verdenken,” zei hij. “Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets op mij aan te merken?”
Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder iets wijzer geworden te zijn.
Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld, om den afloop van Flipsenʼs onderzoek af te wachten. Maar zij zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan, en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
“Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd mij met slechte practijken niet op.”
Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den elleboog aan.
Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar ʼt huis van Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk, maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
Dertiende Hoofdstuk.Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.Er werd ʼs avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield.ʼt Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs delaagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. ʼt Was wel zoo erg, als het maar wezen kon.“En Flipsen was de plank heelemaal mis,” zei Dik. “Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.”“Dat is wel mogelijk,” zei Jan Vos, “maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.”“O, vroeger!”—meende Piet van Dril, “vroeger, dat is nù niet. Een mensch kan zich beteren.”“Dat is waar,” zei Dik. “Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar ʼt is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor de poes.”“Neen, dat geloof ik ook!” zei Piet van Dril lachend. “Daar weten wij van mêe te praten, hè?—Denk nog maar eens aan een zeker avondje in den tuin van den burgemeester...!”Allen schoten in den lach.“Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!” zei Dik.Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: “Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.”“Ja, doe dat maar,” zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. “Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.”“Paling vangen? Hoe doet u dat dan?” vroeg Jan nieuwsgierig.“Wel jongen, als ʼt ijs erg dik is, krijgt de paling heter benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.”“Zwemmen ze dan niet weg?” vroeg Karel.“Neen jongens,” zei Dik. “Of het van de koû komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.”“Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?” vroeg Karel aan Jan. “Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.”“Ik vind het best,” zei Jan. “Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.”“Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.”“Een gewone lat is wel goed,” zei Dik.Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren zij het over eens.En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat te hakken. ʼt Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toenkeken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem.“Kijk, kijk, daar ligt er een,” zei Jan, die hem het eerst zag.Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt.“Grijp hem, grijp hem!” riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zooʼn eng gevoel, dat hij het beest met een rilling over de leden losliet. Op ʼt volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.“Hè, wat is dat jammer!” riep Jan spijtig uit. “Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.”“Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,” zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug ging. “Precies een slang.”“Dat zal jij wel weten,” zei Jan. “Je hebt nog nooit een slang gezien.”“Genoeg,—meer dan jij,” meende Karel. “In Artis.”“O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.—Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd.”“Of hij dik was,” zei Karel. “Akelig dik.”“In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt.”“Mij goed,” zei Karel. “Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.”“Je bent een bangerd, hoor!” spotte Jan.“Jij bent een held!” zei Karel. “Dat weet ik wel.”“In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,” zei Jan.Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water.“Ik zie er een,” zei Karel.“Ik ook,—wel twee,” zei Jan.Zij brachten de sikkels in het water, en op ʼt volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen.“Help, help, hier is er een,” schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. ʼt Beest wilde met alle geweld weer in ʼt water.“Pak hem dan!” riep Jan hem lachend toe.“Ik dank je,—ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.”Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen.Lachend zei Karel tot Jan:“Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp afgevischt.”Jan lachte ook.“Dan vischt hij achter het net,” zei hij. “Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.”“Laat hen maar vooruitgaan,” zei Karel. “Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.”“Mij goed,—best zelfs,” zei Jan.De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En ʼt was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zooʼn dier tegen zijn arm op. ʼt Gebeurde zoo onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.“Jou ezel!” riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En ʼt ging lang niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld.“Geef mij den emmer maar,” zei hij. “Anders ligt hetheele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.”De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.“Dat zijn bijtjes van de visschers,” zei Jan. “Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.”“Dat denk ik ook,” zei Karel. “Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.”Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.“Heidaar, blijven waar je bent!” zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. “Bij je kameraden blijven!”Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.“Kijk eens, Jan,—dáár,” zei hij. “Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben wij er geen last meer van.”“Daar zeg je zoo wat,” zei Jan.De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.“De visschers hebben het zeker weggegooid,” zei Jan. “En ons komt het mooi te pas.”Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had.“Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,” zei Jan.“Ja,—lekker warm. Ze zullen nu geen last meer vande kou hebben.—Zeg, wat hebben we er al veel, hè?”“Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?”“Goed,” zei Karel. “Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?”“Ja,—dat is afgesproken.”Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden de mannen niet. ʼt Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.“Hola, jongens, wacht eens even,” riep een van hen hun toe.Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af.“Zie je wel?” zei de een tegen den ander. “Daar heb je de dieven al.”“Ja,” was het antwoord van den tweede.Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.“Hoe kom jij aan dat net?” vroeg hij op barschen toon.“Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!” zei de andere visscherman.“Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,” zei Jan. “Hoe zouden wij er anders aankomen?”“En die paling dan?” vroeg een der visschers smalend. “Die heb je zeker ook gevonden, hè kereltje?”“Neen,” zei Jan, “die hebben we gevangen.”“Juist, die hebben we gevangen,” zei ook Karel.“In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?”“Eerlijk gestolen,” zei de andere visscher. “Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester.”“Ik zeg, dat het niet waar is!” riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. “Wij zijn geen dieven, en dat net hebben we eerlijk gevonden. ʼt Is op verschillende plaatsen stuk, en ʼt lag in ʼt riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.”“Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,” zei een der visschers. “Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze fuiken gelicht, en dat is strafbaar...”“Niet zooʼn beetje ook!” viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. “En dat is maar goed ook. Is ʼt geen schande, onze netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!”“Dat doe ik niet!” zei Jan driftig. “Wij zijn geen dieven.”“Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.”“Ja,” zei de ander, “je bent er gloeiend bij!”“Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug, asjeblieft!”De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaardelangzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen.Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers lachten om die verklaring.“Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,” zei een van hen. “De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. ʼt Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen.”“ʼt Is niet waar!” riep Jan den spreker toe.“Houd je mond verder maar, jongen,” gebood de burgemeester kortaf. “De bewijzen zijn tegen jullie, en ʼt staat bij mij vast, dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. ʼt Is een schande!Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.”“Wij weten nergens van, burgemeester,” zei Jan,“Neen, nergens van,” zei Karel. “Wij hebben ze niet weggenomen.”“Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en tochliep je er mede in je handen,” sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. “Komaan, spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...”“Ik heb niets te bekennen,” zei Jan.“Ik ook niet,” zei Karel.“Zoo, zoo,” hernam de burgemeester. “Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.”Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen:“U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.”De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen.De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig:“Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...”“Maar we hebben het niet gedaan,” riep Jan uit.“Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.”“ʼt Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,” sprak Jan. “U gelooft ons toch niet.”“Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.”Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:Flipsen!Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.De Burgemeester.Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte.“Ziedaar,” sprak hij. “Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.”De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel.“Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje,” zei hij. “Daar zaten wij er geducht tusschen, maar ʼt is bij slot van rekening toch nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.”“En dit briefje dan?” vroeg Jan. “Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?”Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje:“Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomenzijn. ʼt Had veel leelijker kunnen uitpakken.—Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.”Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.“Zeg,” riep Frans hun toe, “komen jullie platzak thuis?ʼ“Ja!” zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.“Wij niet!” zei Frans. “Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.”De jongens stonden stil en keken in den emmer, ʼt Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen.“Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim hè?”Jan en Karel keken Frans met open mond aan.“Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?” vroeg Jan. “Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.”“Ja,” lachte Frans. “Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?”Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje.“En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,” zei Jan tot de twee jongens. “Wij hadden het net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben onsom zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!”“Ja,” zei Karel. “Ik zie er het leuke niet van in.”Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.“Nu wordt de grap nog leuker!” zei Frans.“Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,” zei Jan. “Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan hebt...”“Je zult wel wijzer wezen!” zei Frans, die nu in ʼt geheel niet meer lachen moest. “Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!”“Ja, voor verklikker!” beaamde Klaas Zwart.“Dat kan me niet schelen,” zei Jan, “ik zeg het tòch. ʼt Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.”Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.“Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,” zei Frans. “Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...”“Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,” zei Jan. “Maar ʼt is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde...”“Welke?” vroegen de twee jongens tegelijk.“Een, die gemakkelijk te vervullen is,” zei Jan. “Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, inhet raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.”“Och, is ʼt anders niet?” vroeg Frans. “Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.”“Wel zeker, met alle pleizier,” zei Klaas.Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.“Zoo jongens, dank-je!” zei Flipsen. “Wacht maar even.”“Wij behoeven niet te wachten,” zei Frans.“Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!” zei Flipsen.Hij brak den brief open en las hem vlug door.“Ha zoo,” zei hij, “zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, hier, de gang door.”Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn zak haalde en een sleutel uitzocht.“Mooi zoo. Nu dit trapje af.—Goed zoo.”Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.“Maar Flipsen,” zei Frans met schrik. “Wat gaat u doen? Dat is een cel!”“Ha ha!” lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. “Dàt ga ik doen.”Flap! De deur ging dicht en op slot.Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit.Hij hoorde Frans schreeuwen.“Flipsen! Maar Flipsen!” jammerde Klaas. “Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...”Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op ʼt volgende oogenblik was ook deze deur gesloten.“Ja, ja, net zooals ik dacht,” mompelde Flipsen. “Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.”Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. “Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden ondervinden,” zei hij. “Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten zien kijken!”Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. ʼt Was nog vroeg, nog geen elf uur. En voor twaalven aten zij niet.“Hè,” zei Jan, “wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zooʼn prachtigen voorraad te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. ʼt Is onuitstaanbaar!”“Ja,” zei Karel, “dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan ʼt hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in ʼt open water.”“Ja, anders vriest ze stuk,” zei Jan. “Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?”“Goed,” zei Karel.Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.“Daar zie ik er een,” zei Karel“Wip hem er dan uit!” riep Jan. “Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.”“Daar is hij!” riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water.Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:“Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!”ʼt Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep.“We kijken maar even, of er paling zit!” riep Jan terug.“Dat wil ik niet hebben!” hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op.Maar Jan zei tegen Karel:“Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.”Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.“Kijk, daar zit er weer een!” zei Jan.Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:“Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier geen boodschap.”Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.“Help me even!” riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij:“Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.”“Vooruit, zeg ik je!”—schreeuwde de schipper. “Allo, marsch!”De twee jongens trokken, wat zij konden.Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers op den weg bleven staan.Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in.Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.“Een ketel!” riep hij uit. “En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,—hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit de tenten...”ʼt Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.“Dat moet de burgemeester weten!” riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.ʼt Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpengericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.“Wat is daar te doen?” riep eene stem.Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van ʼt venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:“O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!”In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.Och, och, wat een drukte hadden de menschen.“Of de pottenschipper er dan toch van wist!” riep de een.“Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,” zei een tweede.“Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,” profeteerde een derde.Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden.Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.“Wie heeft die dingen opgehaald?” vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden:“Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.”“Ja, ja,” zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. “Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!”Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:“Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...”“Dat was ook zoo,” viel de burgemeester driftig in. “En waarom heeft hij dat niet gedaan?”“Wij waren onschuldig, burgemeester,” zei Jan.“Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,—en nu sta je alle twee hier? Hoe komt dat?”“Burgemeester,” zei Jan, “wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...”“Wat ... ziet u?” viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde.“Toen dacht ik,” vervolgde Jan, “dat het voor ons beter was, alszijdat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...”“En toen?” vervolgde de burgemeester.“Dat hebben zij gedaan,” zei Jan.“Maar dan zitten op ʼt oogenblikdietwee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!” riep de burgemeester uit.“Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,” zei Jan.De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit.“Ha-ha-ha!” riep hij lachend uit, “wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?”“Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.”“Ha-ha-ha,—en wie zijn dat dan?”“Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,” zei Jan.Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:“Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop hebben getikt.”“Maar het zijn de verkeerde!” riep de burgemeester hem lachend toe. “Deze twee had-je moeten hebben!”Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.“Burgemeester,” zei hij, “U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim geweest maar toch niet slim genoeg.”“ʼt Is een grove leugen!” zei de pottenschipper. “Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de verdenking op mij te schuiven.”“Zoo,” zei Flipsen, “dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk koperdraad zien liggen.”De pottenschipper werd doodsbleek.“Ga het halen, Flipsen,” gebood de burgemeester.Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra meteen rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde.“Burgemeester,” zei Flipsen, “de jongens, die op ʼt oogenblik onder ʼt raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart.”“Zoo zal het gebeuren,” zei de burgemeester. “Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,” vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, “zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!”Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:“Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.”
Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.
Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.
Er werd ʼs avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben, en bizonder veel van anijsmelk hield.
ʼt Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens, dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen gestolen, maar nu had de dief zelfs delaagheid gehad de spulletjes weg te stelen van de armsten onder de armen. ʼt Was wel zoo erg, als het maar wezen kon.
“En Flipsen was de plank heelemaal mis,” zei Dik. “Hoe kwam hij er ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man komt zelden of nooit zijne schuit uit.”
“Dat is wel mogelijk,” zei Jan Vos, “maar vroeger moet hij een echte deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord.”
“O, vroeger!”—meende Piet van Dril, “vroeger, dat is nù niet. Een mensch kan zich beteren.”
“Dat is waar,” zei Dik. “Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij er aan schuldig is. Maar ʼt is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor de poes.”
“Neen, dat geloof ik ook!” zei Piet van Dril lachend. “Daar weten wij van mêe te praten, hè?—Denk nog maar eens aan een zeker avondje in den tuin van den burgemeester...!”
Allen schoten in den lach.
“Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!” zei Dik.
Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: “Als het zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker maaltje paling kan vangen.”
“Ja, doe dat maar,” zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere vrouwen had zitten praten. “Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik wel graag een lekker maaltje hebben.”
“Paling vangen? Hoe doet u dat dan?” vroeg Jan nieuwsgierig.
“Wel jongen, als ʼt ijs erg dik is, krijgt de paling heter benauwd onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen maar wat behendigheid.”
“Zwemmen ze dan niet weg?” vroeg Karel.
“Neen jongens,” zei Dik. “Of het van de koû komt, of van wat anders, dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen.”
“Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?” vroeg Karel aan Jan. “Wij hebben dan toch den heelen dag vrij.”
“Ik vind het best,” zei Jan. “Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst.”
“Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen, ongeveer zoo lang als je arm.”
“Een gewone lat is wel goed,” zei Dik.
Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren zij het over eens.
En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel, die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen, en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede, om hier en daar een gat te hakken. ʼt Eerst gingen zij naar de bijt, die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op het ijs. Toenkeken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar een dikke paling op den bodem.
“Kijk, kijk, daar ligt er een,” zei Jan, die hem het eerst zag.
Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha, wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want hij lag dicht bij den rand van de bijt.
“Grijp hem, grijp hem!” riep Jan zijn vriend toe, want deze was het dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen, en dat vond Kareltje zooʼn eng gevoel, dat hij het beest met een rilling over de leden losliet. Op ʼt volgende oogenblik verdween de paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.
“Hè, wat is dat jammer!” riep Jan spijtig uit. “Hoe dom ook van je, om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt.”
“Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn arm heen,” zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug ging. “Precies een slang.”
“Dat zal jij wel weten,” zei Jan. “Je hebt nog nooit een slang gezien.”
“Genoeg,—meer dan jij,” meende Karel. “In Artis.”
“O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.—Nu, deze is in elk geval weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd.”
“Of hij dik was,” zei Karel. “Akelig dik.”
“In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt.”
“Mij goed,” zei Karel. “Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen beet. Hu, wat een akelige beesten.”
“Je bent een bangerd, hoor!” spotte Jan.
“Jij bent een held!” zei Karel. “Dat weet ik wel.”
“In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken had,” zei Jan.
Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat gebeurd was, keken zij in het water.
“Ik zie er een,” zei Karel.
“Ik ook,—wel twee,” zei Jan.
Zij brachten de sikkels in het water, en op ʼt volgende oogenblik spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te grijpen. Jan moest er om lachen.
“Help, help, hier is er een,” schreeuwde Karel, die moeite had om het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. ʼt Beest wilde met alle geweld weer in ʼt water.
“Pak hem dan!” riep Jan hem lachend toe.
“Ik dank je,—ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem, of we zijn hem kwijt.”
Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een flink maal bij elkander krijgen.
Lachend zei Karel tot Jan:
“Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp afgevischt.”
Jan lachte ook.
“Dan vischt hij achter het net,” zei hij. “Kijk, ginds gaan Frans Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat zij ook op de vangst uitgaan.”
“Laat hen maar vooruitgaan,” zei Karel. “Wij zijn op hun gezelschap niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los.”
“Mij goed,—best zelfs,” zei Jan.
De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En ʼt was inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer, dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit, en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde plotseling alweer zooʼn dier tegen zijn arm op. ʼt Gebeurde zoo onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
“Jou ezel!” riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want hij moest dadelijk aan het vangen. En ʼt ging lang niet gemakkelijk, om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk had Jan ze alle weer verzameld.
“Geef mij den emmer maar,” zei hij. “Anders ligt hetheele zaakje aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen.”
De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.
“Dat zijn bijtjes van de visschers,” zei Jan. “Die brengen er hunne netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen.”
“Dat denk ik ook,” zei Karel. “Als je nagaat, wat wij al hebben, kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen.”
Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
“Heidaar, blijven waar je bent!” zei hij tegen een dikkerd, die nieuwsgierig over den rand keek. “Bij je kameraden blijven!”
Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen, dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
“Kijk eens, Jan,—dáár,” zei hij. “Daar ligt een groot stuk net. Laten wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben wij er geen last meer van.”
“Daar zeg je zoo wat,” zei Jan.
De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.
“De visschers hebben het zeker weggegooid,” zei Jan. “En ons komt het mooi te pas.”
Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje, dat Jan in den zak had.
“Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard,” zei Jan.
“Ja,—lekker warm. Ze zullen nu geen last meer vande kou hebben.—Zeg, wat hebben we er al veel, hè?”
“Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?”
“Goed,” zei Karel. “Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen we vanmiddag gaan schaatsenrijden?”
“Ja,—dat is afgesproken.”
Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.
Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij, dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden de mannen niet. ʼt Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
“Hola, jongens, wacht eens even,” riep een van hen hun toe.
Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op hen af.
“Zie je wel?” zei de een tegen den ander. “Daar heb je de dieven al.”
“Ja,” was het antwoord van den tweede.
Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
“Hoe kom jij aan dat net?” vroeg hij op barschen toon.
“Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!” zei de andere visscherman.
“Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet,” zei Jan. “Hoe zouden wij er anders aankomen?”
“En die paling dan?” vroeg een der visschers smalend. “Die heb je zeker ook gevonden, hè kereltje?”
“Neen,” zei Jan, “die hebben we gevangen.”
“Juist, die hebben we gevangen,” zei ook Karel.
“In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden, hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?”
“Eerlijk gestolen,” zei de andere visscher. “Houdt je maar niet van den domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit, kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester.”
“Ik zeg, dat het niet waar is!” riep Jan de visschers driftig toe, en hij werd rood van kwaadheid. “Wij zijn geen dieven, en dat net hebben we eerlijk gevonden. ʼt Is op verschillende plaatsen stuk, en ʼt lag in ʼt riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij hebben het niet gestolen.”
“Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is,” zei een der visschers. “Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze fuiken gelicht, en dat is strafbaar...”
“Niet zooʼn beetje ook!” viel de andere visscher zijn kameraad in de rede. “En dat is maar goed ook. Is ʼt geen schande, onze netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!”
“Dat doe ik niet!” zei Jan driftig. “Wij zijn geen dieven.”
“Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen.”
“Ja,” zei de ander, “je bent er gloeiend bij!”
“Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug, asjeblieft!”
De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaardelangzamerhand, en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.
Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd, omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig, dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens scherp te ondervragen.
Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers lachten om die verklaring.
“Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester,” zei een van hen. “De jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. ʼt Lijdt geen twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad, een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen.”
“ʼt Is niet waar!” riep Jan den spreker toe.
“Houd je mond verder maar, jongen,” gebood de burgemeester kortaf. “De bewijzen zijn tegen jullie, en ʼt staat bij mij vast, dat jullie en niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. ʼt Is een schande!
Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten.”
“Wij weten nergens van, burgemeester,” zei Jan,
“Neen, nergens van,” zei Karel. “Wij hebben ze niet weggenomen.”
“Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en tochliep je er mede in je handen,” sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens beurtelings doordringend aan. “Komaan, spreek de waarheid maar, dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar...”
“Ik heb niets te bekennen,” zei Jan.
“Ik ook niet,” zei Karel.
“Zoo, zoo,” hernam de burgemeester. “Dan zal ik je tijd geven, om er eens ernstig over na te denken.”
Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij tot de beide mannen:
“U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens zal ik wel afrekenen.”
De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan sprongen van spijt de tranen in de oogen.
De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten, en zei toen ernstig:
“Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig vergrijp schuldig gemaakt en...”
“Maar we hebben het niet gedaan,” riep Jan uit.
“Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden nog voor je doen kan.”
“ʼt Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn,” sprak Jan. “U gelooft ons toch niet.”
“Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt, moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken.”
Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
Flipsen!Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.De Burgemeester.
Flipsen!Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.De Burgemeester.
Flipsen!Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.De Burgemeester.
Flipsen!
Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen opnieuw verhooren.
De Burgemeester.
Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij zorgvuldig toelakte.
“Ziedaar,” sprak hij. “Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij is in het raadhuis. Je kunt gaan.”
De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een zucht van verlichting aan de borst van Karel.
“Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje,” zei hij. “Daar zaten wij er geducht tusschen, maar ʼt is bij slot van rekening toch nog al goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt.”
“En dit briefje dan?” vroeg Jan. “Ik vertrouw dit papiertje geen zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid zou geven, om eens goed na te denken?”
Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den schouder. Karel hernam na een poosje:
“Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomenzijn. ʼt Had veel leelijker kunnen uitpakken.—Kijk, daar komen Frans en Klaas ook van de vischvangst terug.”
Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
“Zeg,” riep Frans hun toe, “komen jullie platzak thuis?ʼ
“Ja!” zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
“Wij niet!” zei Frans. “Kijk maar eens hier, wat een paling we hebben. De emmer is bijna vol.”
De jongens stonden stil en keken in den emmer, ʼt Was inderdaad een kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar aanstooten en lachen.
“Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet oververtellen, hoor! Slim hè?”
Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
“Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?” vroeg Jan. “Wij hebben het ... tusschen het riet zien liggen.”
“Ja,” lachte Frans. “Wij konden het niet goed meer onder het ijs krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?”
Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest zeggen. Hij had een mooi plannetje.
“En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten verschijnen,” zei Jan tot de twee jongens. “Wij hadden het net opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de visschers, en die hebben onsom zoo te zeggen opgebracht. Noem jij het maar een leuke grap!”
“Ja,” zei Karel. “Ik zie er het leuke niet van in.”
Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
“Nu wordt de grap nog leuker!” zei Frans.
“Ja, maar ik laat het er niet bij zitten,” zei Jan. “Ik ga dadelijk naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan hebt...”
“Je zult wel wijzer wezen!” zei Frans, die nu in ʼt geheel niet meer lachen moest. “Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest, o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg voor verklikker!”
“Ja, voor verklikker!” beaamde Klaas Zwart.
“Dat kan me niet schelen,” zei Jan, “ik zeg het tòch. ʼt Is me ook wat moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat me dat maar niet welgevallen.”
Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
“Je kunt wel de helft van onze paling krijgen,” zei Frans. “Toe Jan, vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch niets beter van. En je krijgt de helft van...”
“Je gestolen paling wil ik niet eens hebben,” zei Jan. “Maar ʼt is goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde...”
“Welke?” vroegen de twee jongens tegelijk.
“Een, die gemakkelijk te vervullen is,” zei Jan. “Zie je dezen brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, inhet raadhuis. Jullie moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik er verder geen werk van maken.”
“Och, is ʼt anders niet?” vroeg Frans. “Geef hem maar hier, dan zullen wij hem wel even aanreiken.”
“Wel zeker, met alle pleizier,” zei Klaas.
Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
“Zoo jongens, dank-je!” zei Flipsen. “Wacht maar even.”
“Wij behoeven niet te wachten,” zei Frans.
“Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!” zei Flipsen.
Hij brak den brief open en las hem vlug door.
“Ha zoo,” zei hij, “zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens, hier, de gang door.”
Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn zak haalde en een sleutel uitzocht.
“Mooi zoo. Nu dit trapje af.—Goed zoo.”
Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
“Maar Flipsen,” zei Frans met schrik. “Wat gaat u doen? Dat is een cel!”
“Ha ha!” lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en hem naar binnen duwde. “Dàt ga ik doen.”
Flap! De deur ging dicht en op slot.
Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne leden, en het angstzweet brak hem uit.
Hij hoorde Frans schreeuwen.
“Flipsen! Maar Flipsen!” jammerde Klaas. “Dat is eene vergissing, geloof me. U moet ons niet opsluiten, want...”
Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op ʼt volgende oogenblik was ook deze deur gesloten.
“Ja, ja, net zooals ik dacht,” mompelde Flipsen. “Die twee jongens zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen ze wel makker geworden zijn.”
Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. “Grappig, dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden ondervinden,” zei hij. “Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee, en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten zien kijken!”
Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij staken schuin het ijs over. ʼt Was nog vroeg, nog geen elf uur. En voor twaalven aten zij niet.
“Hè,” zei Jan, “wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk, die de visschers hebben meegenomen. Zooʼn prachtigen voorraad te hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. ʼt Is onuitstaanbaar!”
“Ja,” zei Karel, “dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan ʼt hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in ʼt open water.”
“Ja, anders vriest ze stuk,” zei Jan. “Willen wij daar nog even kijken, of we wat vangen kunnen?”
“Goed,” zei Karel.
Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
“Daar zie ik er een,” zei Karel
“Wip hem er dan uit!” riep Jan. “Zeg, misschien komen we toch niet platzak thuis.”
“Daar is hij!” riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling lag dicht bij het open water.
Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:
“Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!”
ʼt Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit toeriep.
“We kijken maar even, of er paling zit!” riep Jan terug.
“Dat wil ik niet hebben!” hernam de pottenschipper. Hij klom op de schuit en stak dreigend de vuist op.
Maar Jan zei tegen Karel:
“Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten.”
Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
“Kijk, daar zit er weer een!” zei Jan.
Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.
De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
“Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier geen boodschap.”
Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
“Help me even!” riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij:
“Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken.”
“Vooruit, zeg ik je!”—schreeuwde de schipper. “Allo, marsch!”
De twee jongens trokken, wat zij konden.
Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers op den weg bleven staan.
Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in.
Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
“Een ketel!” riep hij uit. “En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,—hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit de tenten...”
ʼt Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.
“Dat moet de burgemeester weten!” riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.
ʼt Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpengericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
“Wat is daar te doen?” riep eene stem.
Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van ʼt venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
“O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!”
In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
“Of de pottenschipper er dan toch van wist!” riep de een.
“Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht,” zei een tweede.
“Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen,” profeteerde een derde.
Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden.
Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
“Wie heeft die dingen opgehaald?” vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden:
“Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd.”
“Ja, ja,” zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. “Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!”
Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
“Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten...”
“Dat was ook zoo,” viel de burgemeester driftig in. “En waarom heeft hij dat niet gedaan?”
“Wij waren onschuldig, burgemeester,” zei Jan.
“Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,—en nu sta je alle twee hier? Hoe komt dat?”
“Burgemeester,” zei Jan, “wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u...”
“Wat ... ziet u?” viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde.
“Toen dacht ik,” vervolgde Jan, “dat het voor ons beter was, alszijdat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken...”
“En toen?” vervolgde de burgemeester.
“Dat hebben zij gedaan,” zei Jan.
“Maar dan zitten op ʼt oogenblikdietwee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!” riep de burgemeester uit.
“Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester,” zei Jan.
De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit.
“Ha-ha-ha!” riep hij lachend uit, “wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?”
“Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan.”
“Ha-ha-ha,—en wie zijn dat dan?”
“Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester,” zei Jan.
Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
“Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop hebben getikt.”
“Maar het zijn de verkeerde!” riep de burgemeester hem lachend toe. “Deze twee had-je moeten hebben!”
Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
“Burgemeester,” zei hij, “U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim geweest maar toch niet slim genoeg.”
“ʼt Is een grove leugen!” zei de pottenschipper. “Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de verdenking op mij te schuiven.”
“Zoo,” zei Flipsen, “dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk koperdraad zien liggen.”
De pottenschipper werd doodsbleek.
“Ga het halen, Flipsen,” gebood de burgemeester.
Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra meteen rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde.
“Burgemeester,” zei Flipsen, “de jongens, die op ʼt oogenblik onder ʼt raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart.”
“Zoo zal het gebeuren,” zei de burgemeester. “Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens,” vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, “zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!”
Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:
“Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie.”