Zesde Hoofdstuk.

Zesde Hoofdstuk.Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield niet op met zeuren.Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.“Morgenochtend zul-je het wel zien,” zei Dik.“Is het mooi?” vroeg Jantje.“Erg mooi,” was het antwoord.“Erg prachtig mooi?” hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid.“Ja,” lachte zijn Vader, “erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.”“Waar lijkt het op?” vroeg Jan polsend.“Op onzen hit,” zei zijn vader.“O, zeker een paardje op wieletjes?” zei Jantje met een opgetrokken neus. “Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.—Toe.”“Neen Janneman, dat zeg ik niet,” zei zijne moe. “Morgenochtend zul je ʼt wel zien.”Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was.Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond.“Zie zoo, kereltje,” zei Dik, “daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.”Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:“Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!”“ʼt Is nog maar half zes!” zei zijn vader.“ʼt Doet er niet toe, ʼk wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!” schreeuwde Jantje.“Ook al goed!” zei Dik.Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos.Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.“Vader!” riep hij zoo hard hij kon,—“Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!”“Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,” zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hijwakker gemaakt werd. “De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.”Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar ʼt duurde slechts kort. ʼt Was nog vóór twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij.Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.“Hei, ho, wat is dat?” riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden.“Vader, ik ben jarig!” riep Jantje hem toe. “Welk cadeau krijg ik nou van u?”Maar zijn vader werd terdege boos.“Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?”Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig:“Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?”Neen, dat kon Jantje in ʼt geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam.Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde.“Er komt nooit een einde aan,” mompelde hij zacht. “Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk vaneen bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos geleden was ik al bij honderd,—dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...”Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, ʼt werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, en dat het nog al geen dag werd.Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.“Neen,” zei hij zacht, “ʼt is bepaald al lang dag, en ʼt is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.”Zoo gezegd, zoo gedaan.Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.“Au!” riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om.Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar ʼt bleef donker in de kamer; het was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte.Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen in hun bed overeind.Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:“Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?” Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.“Neen Vader,” zei hij, “ik ben hier.”Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.“Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!”“Opeten, Vader?” vroeg Jantje verschrikt. “Kan het dan opgegeten worden?”“O ja,” zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, “ʼt Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.”“En ʼt lijkt op een hit?” zei Jan spijtig. “Dat heeft u zelf gezegd.”“Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!” riep Dik terug. “Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.”Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers.“Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?” dacht hij.De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog altijd nacht was.“Moe,—Moeder!” riep hij zacht.Maar er volgde geen antwoord.“Moeder!—Moeder!” klonk het wat harder.Moeder sliep door.“Moeder!—Moeder!—Is het nóg nacht,” riep Jantje met luider stem.Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.“Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!” riep hij uit. “Wat wil je toch?”“De nacht duurt zoo lang!” huilde Jantje. “Wil u de luiken vast openzetten? ʼt Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.”“En de zon zeker ook,” zei Dik. “Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor.”“Wel te rusten,” zei Jantje met een snik en een zucht.Nu kon hij echter den slaap in ʼt geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.“Nu is het een hooge berg,” dacht hij. “Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.”Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen.Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.“Nu is hij morsdood,” zei Jan. “Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.”Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten.“Huup hit,” zei hij. “Nu draven, zoo hard je kunt.”Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten.“Au,” zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.Toen zette de hit het op een loopen.Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.“Ha,” mompelde Jantje, “hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!”Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.O, o, wat steigerde dat beest woest!“Huupla,” schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij werd er half wakker van.Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai!“Heeremenschen!” gilde Anneke, die verschrikt opvloog. “Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor me dat kind eens gillen!”Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.“Wat voer je toch uit, jongen?” vroeg hij. “Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.”“O Vader,” schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, “ik was aan ʼt paardje-rijden op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,—o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.”Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.“Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.”“Wel te rusten,” zei Jantje. “Maar dit weet ik wel, dat een nacht véél en véél langer duurt, dan een dag.”Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.“Vader!—Vader!” hoorde hij roepen.“Jongen, wat verveel je me vannacht,” was zijn antwoord. “Wat is er nu weer?”“Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?” vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem.“Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.”“Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?”“Neen, nog nooit,” zei Dik met een zucht. “Kijk maar door het raam. ʼt Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.”“Ja Vader,” zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar ʼt hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging deklok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.“Vader,” riep hij luid, “nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?”“Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je wèl.”Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder hartelijk pakte.Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:“Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.”Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.“Kan ik het echt opeten?” vroeg hij.“Neen, dat was maar gekheid,” zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met zijn zoontje binnen.En wat zag Jan daar?Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop en een lange sik aan zijn kin.“Die bok!” riep Jantje verrukt uit. “Is die bok voor mij?”“Ja, die bok is voor jou,” zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.Jan sprong als een kleine dolleman in ʼt rond, en hij klapte in de handen.“O, dank u, dank u!” riep hij uit. “O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!”“Ja, hè?” zei Dik.“En een sik!” ging Jan voort.“Bè, bè, bè-è-è-è!” blaatte de bok.Jantjeʼs vreugde kende geen grenzen.“O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,” riep Jan opgetogen.In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.“O, dat mag hij wel doen,” zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten.“Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?” vroeg hij, want dáár kon de bok hem niet tegen een muur stooten.“Wel zeker,” zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen.Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek.Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg.“Wat is hij mak, Vader,” zei hij.“Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,” zei Dik. “ʼt Moet een mak beest zijn, en een flink looper.”“Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,” zei Jantje begeerig. “Wat zou ik rijden.”Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in ʼt geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.“Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?” vroeg Jantje.“Wel ja, ik denk het wel,” zei Dik. “Hij is sterk genoeg, en zal niet in tweeën breken.”Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.Vader Dik schaterde het uit van de pret.“Houd je goed, Jantje”, riep hij zijn zoontje toe. “Laat je niet van de vliegen steken!”“Be, bè, bè-è-è-è!” schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. ʼt Ging vliegensvlug, en Jantje vond ʼt razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren èn bok èn berijder onder ʼt water verdwenen.Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag hij niets.Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....Helaas, ʼt was de kop van den bok. ʼt Kroos zat hem aan de groote kromme horens.“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” blaatte hij angstig.“Jantje! Jantje!” schreeuwde Dik.Daar verscheen ook Jantjeʼs hoofd boven de oppervlakte.“Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!”Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” schreeuwde de bok.Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water.“O Vader, mʼn bok! Mʼn bok!” jammerde Jantje.Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. ʼt Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch.Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal.Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,—want dat alles gebeurde zeer vroeg in den morgen—en hielp Jantje aan droge kleeren.De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg blij met zijn bok.“B-b-b-b-b—wat een b-b-b-b—mooie b-b bok, Moeder,” zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.“Dat was me daar ʼn mooie geschiedenis!” zei Dik binnenstappende. “Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest pardoes in de sloot. ʼt Was een bespottelijk gezicht.”“Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?” vroeg Jantje.“Of hij!” zei Dik.“Zou hij b-b-b-b—niet dood—b-b-b-b gaan?” vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben gedaan. En hij vervolgde:“Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.”“Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dik, “Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.”Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan.Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:“Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?”Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.“He,” dacht hij, “als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.—Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zooʼn mooien bok heb gekregen.”Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn verjaardag. En ze zei:“Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.”“En o, Grootmoê,” zei Jan, “ik heb zooʼn prachtigenbok gekregen van Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!”Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.“Een bok?” riep zij opgetogen uit. “Een echte, levende bok?”“Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?”“Dat je in de sloot gelegen hebt?”“Neen, dat ik een bok heb,” lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader.Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.“Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag.”“Dank u, Grootvader!” schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. “Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?”“Wat moet jij met eene klok doen, kind?” vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had.“Neen, neen, geen klok, maar een bok!” schreeuwde Jantje.“Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?” ging Grootvader plagend voort. “Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!”Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.“Dat nooit!—Nooit, hoor Grootvader!” riep hij uit.Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn neus. Eindelijk zei hij:“Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee naar ʼt schuurtje.”“Dat zou mooi wezen, Grootvader,” zei Jantje blij.De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waareen prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend.“Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?”Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.“Of ik het mooi vind?” stamelde hij met bevende lippen, “ʼt Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!”En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna onder.Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk moesten zien.“Had ik nu nog maar een tuig,” zei Jantje, “dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!”“In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,” zei zʼn moeder. “Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, nog wel een goed tuigje van te maken.”“Oude riemen?” zei Jantje, “hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.”Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van zijne moeder.Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen.“Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!” klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.“Hoor eens! Hoor eens!” riep Jantje verrukt. “O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!”Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.“Waar is mijn zweep?” vroeg hij.“Hier,” zei Dik. “Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.”“Slaan, Vader?” vroeg Jantje. “O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor ʼt mooi. Huup bok! Allo!”Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.“Als hij maar niet in de sloot rijdt!” zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was.“Laat hem maar begaan,” zei Dik met vadertrots. “Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is ʼt een mooi stelletje, hè?”En grootvader zei:“Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,—en dat is-ie.”“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,” lachte Dik.Zevende Hoofdstuk.Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield deleidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren.Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar ʼt mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.“Dat is een prachtig stelletje, Jan!” zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. “De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.”“Alleen een beetje mager,” zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep.“Mag ik met je meerijden?” vroeg Karel. “Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.”Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een eindje mochten rijden.“Toe Jan, mag ik ook eens?” vroeg de een.“Neen zeg, laat mij dan liever,” zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.“Huup sik! Huup sik!” riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen metdiens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want ʼt waren twee vervelende jongens.Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte ook niet zooʼn beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.Zoodra zij den bok van Jan in ʼt oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand.“Wel heb ik van mʼn leven!” riep Frans uit. “Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!”Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.“ʼt Is het bokje wèl!” ging Frans voort. “Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal hij wel beter voortmaken.”“Hij loopt hard genoeg,” zei Jan. “Toe bok, vooruit!”“ʼt Is een oud, afgeleefd beest!” zei Klaas Zwart smalend. “Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.”“Als jij maar niet de rumathiek hebt,” gaf Jan beleedigd ten antwoord. “Hij kan harder loopen dan jij.”“Ha, ha!” lachte Klaas. “Zooʼn stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.”“Met stok-olie!” zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf.De bok ging op zijn achterpooten staan.Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:“Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.”Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan uit de handen.“Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,” zei hij sarrend. “Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, bok, ho!”De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen.Jan keerde zich driftig om.“Laat je de kar los!” riep hij hun toe. “Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!”De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar Jan hield hem tegen.“Hier,” zei hij, “houd jij de leidsels even vast.”Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in ʼt volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden striem te geven.“Laat de kar los, zeg ik je!” riep hij Frans toe.“Dat zal ik,” antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te kunnen verweren.“Geef hem zijn portie, Frans!” schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. “Als je ʼt alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.”“Daar moest je ʼt hart eens toe hebben,” riep Karel van Dril terug. “Dan krijg je ʼt met mij te doen.”De twee jongens waren geducht met elkaar aan ʼt worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Fransʼ armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden.“Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!” riepen ze juichend. “Waar blijf je nu met je praats?”Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en beenen maakte.Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven.Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:“Huup bok! Vooruit maar weer.—Dat viel Frans Thor niet meê, hè Karel? Wat heeft hij gehad!”“En wat buitelde hij lekker over den grond,” grinnikte Karel vroolijk. “Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.”Dat had hij echter mis.Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.“Magere sprinkhaan!” schreeuwde Frans.“Panlat!” smaalde Klaas.Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit.“Hij is zoo oud als je grootvader!” schreeuwde Klaas.“Verkoop hem aan den slager!” zei Frans. “Die kan misschien nog worst van hem hakken.”“Niets terugroepen, Jan,” raadde Karel aan. “Dan hebben zij er het minste pleizier van.”De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot méér, dan hij zeggen kon. ʼt Verveelde hem echter geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde.Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!”De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. ʼt Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. “O, wat heb ik ʼn rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!”De bok schudde den kop, en riep ook:“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!”“Zie je wel, hij is het met mij eens!” grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zooʼn geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.“Au, au, au, o, wat is dat!” schreeuwde Klaas.“Bom!” daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug.“Au, au, o, o, au!” jammerde Klaas.Op handen en voeten poogde hij zich te redden.“Bom!”De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand.Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, ʼt Was dan ook een bespottelijk gezicht.Klaas wist geen raad van angst en pijn.“Help!” riep hij. “Frans, help,—help! Hij maakt me dood!”Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting van Janʼs huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. ʼt Was al over achten, en om negen uur begon de school.Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten.“Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,” meende Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens.En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.“ʼt Is bepaald een verstandige bok,” zei hij tegen Jan. “Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.”“Dat denk ik ook,” zei Jan.Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. ʼt Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel ʼs morgens als ʼs middags school moeten blijven. Bij ʼt rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij ʼt lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.De meester werd eindelijk knorrig op hem.“Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.”Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen.“Heb je nog pijn in je rug?” vroeg hij fluisterend.Klaas keek hem aan als een nijdige spin.“Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?” plaagde Jantje.“Magere sprinkhaan! Panlat!” siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan zʼn rug, die geducht pijn deed.“Stilte daar!” gebood de meester. “Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.”Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als ʼs morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp door. ʼt Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren maarlosjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden.Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:“Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.”Daar had Jantje wel zin in.“Zou de bok blijven staan?”“Wel ja,—de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.”“Dat is zoo,” zei Jan.De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.“Daar staat hij heerlijk!” zei hij.Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.En dan lachten zij luidkeels van de pret.Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad.“Ik moet een beetje voorzichtig wezen,” zei hij wijs tegen Karel.“Waarom?” vroeg deze.“Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik vanmorgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in ʼt water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!”“Nou, dat snap ik,” zei Karel.En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook.Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.“O wee!” schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen.Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in ʼt volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. ʼt Water droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.Karel schaterde het intusschen uit van pret.Maar Jantje lachte in ʼt geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn natte broek.Karel kwam bij hem.“Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!” zei hij lachend. “Ik wou, dat je het gezien hadt.”“Ik vind het heelemaal niet koddig!” zei Jantje. “Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo niet naar huis toe, hoor.”“O, ik weet wel raad,” zei Karel. “Trek allebêi je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.”“Is het waar?” vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.“Stellig!” zei Karel. “Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.”Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin.Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij ʼs morgens hadden geleden, besloten zij wraak te nemen.Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond te grazen.Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:“Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!”De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard.“Koesssss! Koesssss!” schreeuwden Frans en Klaas hem na.“Dát is gemeen!” riep Jan verschrikt en verontwaardigduit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na.Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. ʼt Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde.Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was.“Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?” riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.“De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,” zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef.“Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?” ging Dik voort.Jantje zweeg.“Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?”“O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...”“Ik had en ik was en ik was en ik had!” viel zijnVader in. “Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, hè?”Jantje deed een paar stappen achteruit.“Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?”“Ik was in ʼt kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...”“En toen?”“Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...”“En toen ben jij den bok achterna gehold?” vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige geschiedenis.“Dat is tweemaal vandaag, Jantje!” zei hij. “Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.”“Ja Vader,” zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. “Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.”“Dat is het,” zei Dik.Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.

Zesde Hoofdstuk.Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield niet op met zeuren.Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.“Morgenochtend zul-je het wel zien,” zei Dik.“Is het mooi?” vroeg Jantje.“Erg mooi,” was het antwoord.“Erg prachtig mooi?” hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid.“Ja,” lachte zijn Vader, “erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.”“Waar lijkt het op?” vroeg Jan polsend.“Op onzen hit,” zei zijn vader.“O, zeker een paardje op wieletjes?” zei Jantje met een opgetrokken neus. “Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.—Toe.”“Neen Janneman, dat zeg ik niet,” zei zijne moe. “Morgenochtend zul je ʼt wel zien.”Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was.Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond.“Zie zoo, kereltje,” zei Dik, “daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.”Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:“Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!”“ʼt Is nog maar half zes!” zei zijn vader.“ʼt Doet er niet toe, ʼk wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!” schreeuwde Jantje.“Ook al goed!” zei Dik.Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos.Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.“Vader!” riep hij zoo hard hij kon,—“Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!”“Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,” zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hijwakker gemaakt werd. “De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.”Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar ʼt duurde slechts kort. ʼt Was nog vóór twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij.Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.“Hei, ho, wat is dat?” riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden.“Vader, ik ben jarig!” riep Jantje hem toe. “Welk cadeau krijg ik nou van u?”Maar zijn vader werd terdege boos.“Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?”Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig:“Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?”Neen, dat kon Jantje in ʼt geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam.Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde.“Er komt nooit een einde aan,” mompelde hij zacht. “Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk vaneen bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos geleden was ik al bij honderd,—dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...”Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, ʼt werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, en dat het nog al geen dag werd.Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.“Neen,” zei hij zacht, “ʼt is bepaald al lang dag, en ʼt is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.”Zoo gezegd, zoo gedaan.Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.“Au!” riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om.Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar ʼt bleef donker in de kamer; het was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte.Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen in hun bed overeind.Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:“Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?” Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.“Neen Vader,” zei hij, “ik ben hier.”Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.“Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!”“Opeten, Vader?” vroeg Jantje verschrikt. “Kan het dan opgegeten worden?”“O ja,” zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, “ʼt Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.”“En ʼt lijkt op een hit?” zei Jan spijtig. “Dat heeft u zelf gezegd.”“Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!” riep Dik terug. “Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.”Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers.“Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?” dacht hij.De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog altijd nacht was.“Moe,—Moeder!” riep hij zacht.Maar er volgde geen antwoord.“Moeder!—Moeder!” klonk het wat harder.Moeder sliep door.“Moeder!—Moeder!—Is het nóg nacht,” riep Jantje met luider stem.Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.“Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!” riep hij uit. “Wat wil je toch?”“De nacht duurt zoo lang!” huilde Jantje. “Wil u de luiken vast openzetten? ʼt Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.”“En de zon zeker ook,” zei Dik. “Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor.”“Wel te rusten,” zei Jantje met een snik en een zucht.Nu kon hij echter den slaap in ʼt geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.“Nu is het een hooge berg,” dacht hij. “Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.”Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen.Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.“Nu is hij morsdood,” zei Jan. “Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.”Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten.“Huup hit,” zei hij. “Nu draven, zoo hard je kunt.”Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten.“Au,” zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.Toen zette de hit het op een loopen.Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.“Ha,” mompelde Jantje, “hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!”Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.O, o, wat steigerde dat beest woest!“Huupla,” schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij werd er half wakker van.Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai!“Heeremenschen!” gilde Anneke, die verschrikt opvloog. “Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor me dat kind eens gillen!”Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.“Wat voer je toch uit, jongen?” vroeg hij. “Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.”“O Vader,” schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, “ik was aan ʼt paardje-rijden op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,—o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.”Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.“Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.”“Wel te rusten,” zei Jantje. “Maar dit weet ik wel, dat een nacht véél en véél langer duurt, dan een dag.”Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.“Vader!—Vader!” hoorde hij roepen.“Jongen, wat verveel je me vannacht,” was zijn antwoord. “Wat is er nu weer?”“Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?” vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem.“Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.”“Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?”“Neen, nog nooit,” zei Dik met een zucht. “Kijk maar door het raam. ʼt Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.”“Ja Vader,” zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar ʼt hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging deklok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.“Vader,” riep hij luid, “nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?”“Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je wèl.”Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder hartelijk pakte.Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:“Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.”Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.“Kan ik het echt opeten?” vroeg hij.“Neen, dat was maar gekheid,” zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met zijn zoontje binnen.En wat zag Jan daar?Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop en een lange sik aan zijn kin.“Die bok!” riep Jantje verrukt uit. “Is die bok voor mij?”“Ja, die bok is voor jou,” zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.Jan sprong als een kleine dolleman in ʼt rond, en hij klapte in de handen.“O, dank u, dank u!” riep hij uit. “O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!”“Ja, hè?” zei Dik.“En een sik!” ging Jan voort.“Bè, bè, bè-è-è-è!” blaatte de bok.Jantjeʼs vreugde kende geen grenzen.“O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,” riep Jan opgetogen.In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.“O, dat mag hij wel doen,” zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten.“Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?” vroeg hij, want dáár kon de bok hem niet tegen een muur stooten.“Wel zeker,” zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen.Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek.Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg.“Wat is hij mak, Vader,” zei hij.“Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,” zei Dik. “ʼt Moet een mak beest zijn, en een flink looper.”“Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,” zei Jantje begeerig. “Wat zou ik rijden.”Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in ʼt geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.“Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?” vroeg Jantje.“Wel ja, ik denk het wel,” zei Dik. “Hij is sterk genoeg, en zal niet in tweeën breken.”Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.Vader Dik schaterde het uit van de pret.“Houd je goed, Jantje”, riep hij zijn zoontje toe. “Laat je niet van de vliegen steken!”“Be, bè, bè-è-è-è!” schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. ʼt Ging vliegensvlug, en Jantje vond ʼt razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren èn bok èn berijder onder ʼt water verdwenen.Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag hij niets.Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....Helaas, ʼt was de kop van den bok. ʼt Kroos zat hem aan de groote kromme horens.“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” blaatte hij angstig.“Jantje! Jantje!” schreeuwde Dik.Daar verscheen ook Jantjeʼs hoofd boven de oppervlakte.“Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!”Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” schreeuwde de bok.Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water.“O Vader, mʼn bok! Mʼn bok!” jammerde Jantje.Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. ʼt Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch.Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal.Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,—want dat alles gebeurde zeer vroeg in den morgen—en hielp Jantje aan droge kleeren.De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg blij met zijn bok.“B-b-b-b-b—wat een b-b-b-b—mooie b-b bok, Moeder,” zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.“Dat was me daar ʼn mooie geschiedenis!” zei Dik binnenstappende. “Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest pardoes in de sloot. ʼt Was een bespottelijk gezicht.”“Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?” vroeg Jantje.“Of hij!” zei Dik.“Zou hij b-b-b-b—niet dood—b-b-b-b gaan?” vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben gedaan. En hij vervolgde:“Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.”“Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dik, “Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.”Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan.Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:“Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?”Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.“He,” dacht hij, “als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.—Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zooʼn mooien bok heb gekregen.”Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn verjaardag. En ze zei:“Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.”“En o, Grootmoê,” zei Jan, “ik heb zooʼn prachtigenbok gekregen van Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!”Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.“Een bok?” riep zij opgetogen uit. “Een echte, levende bok?”“Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?”“Dat je in de sloot gelegen hebt?”“Neen, dat ik een bok heb,” lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader.Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.“Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag.”“Dank u, Grootvader!” schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. “Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?”“Wat moet jij met eene klok doen, kind?” vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had.“Neen, neen, geen klok, maar een bok!” schreeuwde Jantje.“Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?” ging Grootvader plagend voort. “Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!”Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.“Dat nooit!—Nooit, hoor Grootvader!” riep hij uit.Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn neus. Eindelijk zei hij:“Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee naar ʼt schuurtje.”“Dat zou mooi wezen, Grootvader,” zei Jantje blij.De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waareen prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend.“Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?”Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.“Of ik het mooi vind?” stamelde hij met bevende lippen, “ʼt Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!”En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna onder.Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk moesten zien.“Had ik nu nog maar een tuig,” zei Jantje, “dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!”“In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,” zei zʼn moeder. “Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, nog wel een goed tuigje van te maken.”“Oude riemen?” zei Jantje, “hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.”Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van zijne moeder.Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen.“Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!” klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.“Hoor eens! Hoor eens!” riep Jantje verrukt. “O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!”Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.“Waar is mijn zweep?” vroeg hij.“Hier,” zei Dik. “Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.”“Slaan, Vader?” vroeg Jantje. “O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor ʼt mooi. Huup bok! Allo!”Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.“Als hij maar niet in de sloot rijdt!” zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was.“Laat hem maar begaan,” zei Dik met vadertrots. “Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is ʼt een mooi stelletje, hè?”En grootvader zei:“Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,—en dat is-ie.”“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,” lachte Dik.

Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.

Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.

Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield niet op met zeuren.

Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.

“Morgenochtend zul-je het wel zien,” zei Dik.

“Is het mooi?” vroeg Jantje.

“Erg mooi,” was het antwoord.

“Erg prachtig mooi?” hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid.

“Ja,” lachte zijn Vader, “erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is.”

“Waar lijkt het op?” vroeg Jan polsend.

“Op onzen hit,” zei zijn vader.

“O, zeker een paardje op wieletjes?” zei Jantje met een opgetrokken neus. “Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.—Toe.”

“Neen Janneman, dat zeg ik niet,” zei zijne moe. “Morgenochtend zul je ʼt wel zien.”

Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was.

Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond.

“Zie zoo, kereltje,” zei Dik, “daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar.”

Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:

“Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!”

“ʼt Is nog maar half zes!” zei zijn vader.

“ʼt Doet er niet toe, ʼk wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!” schreeuwde Jantje.

“Ook al goed!” zei Dik.

Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos.

Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.

“Vader!” riep hij zoo hard hij kon,—“Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!”

“Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt,” zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hijwakker gemaakt werd. “De nacht begint pas. Ga maar weer slapen.”

Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar ʼt duurde slechts kort. ʼt Was nog vóór twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij.

Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.

“Hei, ho, wat is dat?” riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden.

“Vader, ik ben jarig!” riep Jantje hem toe. “Welk cadeau krijg ik nou van u?”

Maar zijn vader werd terdege boos.

“Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?”

Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig:

“Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?”

Neen, dat kon Jantje in ʼt geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam.

Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde.

“Er komt nooit een einde aan,” mompelde hij zacht. “Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk vaneen bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos geleden was ik al bij honderd,—dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes...”

Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, ʼt werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....

Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, en dat het nog al geen dag werd.

Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.

“Neen,” zei hij zacht, “ʼt is bepaald al lang dag, en ʼt is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken.”

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.

“Au!” riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om.

Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.

Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar ʼt bleef donker in de kamer; het was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte.

Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen in hun bed overeind.

Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:

“Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?” Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.

“Neen Vader,” zei hij, “ik ben hier.”

Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.

“Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!”

“Opeten, Vader?” vroeg Jantje verschrikt. “Kan het dan opgegeten worden?”

“O ja,” zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, “ʼt Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van.”

“En ʼt lijkt op een hit?” zei Jan spijtig. “Dat heeft u zelf gezegd.”

“Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!” riep Dik terug. “Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren.”

Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers.

“Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?” dacht hij.

De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.

Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog altijd nacht was.

“Moe,—Moeder!” riep hij zacht.

Maar er volgde geen antwoord.

“Moeder!—Moeder!” klonk het wat harder.

Moeder sliep door.

“Moeder!—Moeder!—Is het nóg nacht,” riep Jantje met luider stem.

Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.

“Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!” riep hij uit. “Wat wil je toch?”

“De nacht duurt zoo lang!” huilde Jantje. “Wil u de luiken vast openzetten? ʼt Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter.”

“En de zon zeker ook,” zei Dik. “Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor.”

“Wel te rusten,” zei Jantje met een snik en een zucht.

Nu kon hij echter den slaap in ʼt geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.

“Nu is het een hooge berg,” dacht hij. “Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien.”

Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen.

Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.

“Nu is hij morsdood,” zei Jan. “Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker.”

Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten.

“Huup hit,” zei hij. “Nu draven, zoo hard je kunt.”

Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.

Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten.

“Au,” zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.

Toen zette de hit het op een loopen.

Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.

“Ha,” mompelde Jantje, “hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!”

Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.

O, o, wat steigerde dat beest woest!

“Huupla,” schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij werd er half wakker van.

Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai!

“Heeremenschen!” gilde Anneke, die verschrikt opvloog. “Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor me dat kind eens gillen!”

Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?

Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.

En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.

Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.

“Wat voer je toch uit, jongen?” vroeg hij. “Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker.”

“O Vader,” schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, “ik was aan ʼt paardje-rijden op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,—o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit.”

Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.

“Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten.”

“Wel te rusten,” zei Jantje. “Maar dit weet ik wel, dat een nacht véél en véél langer duurt, dan een dag.”

Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.

“Vader!—Vader!” hoorde hij roepen.

“Jongen, wat verveel je me vannacht,” was zijn antwoord. “Wat is er nu weer?”

“Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?” vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem.

“Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt.”

“Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?”

“Neen, nog nooit,” zei Dik met een zucht. “Kijk maar door het raam. ʼt Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen.”

“Ja Vader,” zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar ʼt hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging deklok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.

Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.

“Vader,” riep hij luid, “nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?”

“Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je wèl.”

Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder hartelijk pakte.

Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:

“Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal.”

Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.

“Kan ik het echt opeten?” vroeg hij.

“Neen, dat was maar gekheid,” zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met zijn zoontje binnen.

En wat zag Jan daar?

Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop en een lange sik aan zijn kin.

“Die bok!” riep Jantje verrukt uit. “Is die bok voor mij?”

“Ja, die bok is voor jou,” zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.

Jan sprong als een kleine dolleman in ʼt rond, en hij klapte in de handen.

“O, dank u, dank u!” riep hij uit. “O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!”

“Ja, hè?” zei Dik.

“En een sik!” ging Jan voort.

“Bè, bè, bè-è-è-è!” blaatte de bok.

Jantjeʼs vreugde kende geen grenzen.

“O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,” riep Jan opgetogen.

In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.

“O, dat mag hij wel doen,” zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten.

“Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?” vroeg hij, want dáár kon de bok hem niet tegen een muur stooten.

“Wel zeker,” zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.

Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen.

Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek.

Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg.

“Wat is hij mak, Vader,” zei hij.

“Ja, daar heb ik hem ook op gekocht,” zei Dik. “ʼt Moet een mak beest zijn, en een flink looper.”

“Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben,” zei Jantje begeerig. “Wat zou ik rijden.”

Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in ʼt geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.

“Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?” vroeg Jantje.

“Wel ja, ik denk het wel,” zei Dik. “Hij is sterk genoeg, en zal niet in tweeën breken.”

Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.

Vader Dik schaterde het uit van de pret.

“Houd je goed, Jantje”, riep hij zijn zoontje toe. “Laat je niet van de vliegen steken!”

“Be, bè, bè-è-è-è!” schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. ʼt Ging vliegensvlug, en Jantje vond ʼt razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.

De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren èn bok èn berijder onder ʼt water verdwenen.

Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag hij niets.

Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....

Helaas, ʼt was de kop van den bok. ʼt Kroos zat hem aan de groote kromme horens.

“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” blaatte hij angstig.

“Jantje! Jantje!” schreeuwde Dik.

Daar verscheen ook Jantjeʼs hoofd boven de oppervlakte.

“Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!”

Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.

“B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!” schreeuwde de bok.

Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water.

“O Vader, mʼn bok! Mʼn bok!” jammerde Jantje.

Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. ʼt Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch.

Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal.

Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,—want dat alles gebeurde zeer vroeg in den morgen—en hielp Jantje aan droge kleeren.

De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg blij met zijn bok.

“B-b-b-b-b—wat een b-b-b-b—mooie b-b bok, Moeder,” zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.

“Dat was me daar ʼn mooie geschiedenis!” zei Dik binnenstappende. “Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest pardoes in de sloot. ʼt Was een bespottelijk gezicht.”

“Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?” vroeg Jantje.

“Of hij!” zei Dik.

“Zou hij b-b-b-b—niet dood—b-b-b-b gaan?” vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben gedaan. En hij vervolgde:

“Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud.”

“Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dik, “Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm.”

Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan.

Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:

“Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?”

Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.

“He,” dacht hij, “als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.—Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zooʼn mooien bok heb gekregen.”

Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn verjaardag. En ze zei:

“Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin.”

“En o, Grootmoê,” zei Jan, “ik heb zooʼn prachtigenbok gekregen van Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!”

Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.

“Een bok?” riep zij opgetogen uit. “Een echte, levende bok?”

“Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?”

“Dat je in de sloot gelegen hebt?”

“Neen, dat ik een bok heb,” lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader.

Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.

“Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag.”

“Dank u, Grootvader!” schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. “Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?”

“Wat moet jij met eene klok doen, kind?” vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had.

“Neen, neen, geen klok, maar een bok!” schreeuwde Jantje.

“Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?” ging Grootvader plagend voort. “Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!”

Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.

“Dat nooit!—Nooit, hoor Grootvader!” riep hij uit.

Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn neus. Eindelijk zei hij:

“Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee naar ʼt schuurtje.”

“Dat zou mooi wezen, Grootvader,” zei Jantje blij.

De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waareen prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend.

“Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?”

Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.

“Of ik het mooi vind?” stamelde hij met bevende lippen, “ʼt Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!”

En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna onder.

Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk moesten zien.

“Had ik nu nog maar een tuig,” zei Jantje, “dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!”

“In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen,” zei zʼn moeder. “Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, nog wel een goed tuigje van te maken.”

“Oude riemen?” zei Jantje, “hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen.”

Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.

In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van zijne moeder.

Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen.

“Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!” klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.

“Hoor eens! Hoor eens!” riep Jantje verrukt. “O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!”

Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.

“Waar is mijn zweep?” vroeg hij.

“Hier,” zei Dik. “Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is.”

“Slaan, Vader?” vroeg Jantje. “O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor ʼt mooi. Huup bok! Allo!”

Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.

“Als hij maar niet in de sloot rijdt!” zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was.

“Laat hem maar begaan,” zei Dik met vadertrots. “Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is ʼt een mooi stelletje, hè?”

En grootvader zei:

“Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,—en dat is-ie.”

“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou,” lachte Dik.

Zevende Hoofdstuk.Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield deleidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren.Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar ʼt mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.“Dat is een prachtig stelletje, Jan!” zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. “De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.”“Alleen een beetje mager,” zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep.“Mag ik met je meerijden?” vroeg Karel. “Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.”Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een eindje mochten rijden.“Toe Jan, mag ik ook eens?” vroeg de een.“Neen zeg, laat mij dan liever,” zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.“Huup sik! Huup sik!” riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen metdiens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want ʼt waren twee vervelende jongens.Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte ook niet zooʼn beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.Zoodra zij den bok van Jan in ʼt oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand.“Wel heb ik van mʼn leven!” riep Frans uit. “Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!”Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.“ʼt Is het bokje wèl!” ging Frans voort. “Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal hij wel beter voortmaken.”“Hij loopt hard genoeg,” zei Jan. “Toe bok, vooruit!”“ʼt Is een oud, afgeleefd beest!” zei Klaas Zwart smalend. “Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.”“Als jij maar niet de rumathiek hebt,” gaf Jan beleedigd ten antwoord. “Hij kan harder loopen dan jij.”“Ha, ha!” lachte Klaas. “Zooʼn stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.”“Met stok-olie!” zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf.De bok ging op zijn achterpooten staan.Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:“Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.”Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan uit de handen.“Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,” zei hij sarrend. “Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, bok, ho!”De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen.Jan keerde zich driftig om.“Laat je de kar los!” riep hij hun toe. “Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!”De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar Jan hield hem tegen.“Hier,” zei hij, “houd jij de leidsels even vast.”Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in ʼt volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden striem te geven.“Laat de kar los, zeg ik je!” riep hij Frans toe.“Dat zal ik,” antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te kunnen verweren.“Geef hem zijn portie, Frans!” schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. “Als je ʼt alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.”“Daar moest je ʼt hart eens toe hebben,” riep Karel van Dril terug. “Dan krijg je ʼt met mij te doen.”De twee jongens waren geducht met elkaar aan ʼt worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Fransʼ armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden.“Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!” riepen ze juichend. “Waar blijf je nu met je praats?”Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en beenen maakte.Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven.Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:“Huup bok! Vooruit maar weer.—Dat viel Frans Thor niet meê, hè Karel? Wat heeft hij gehad!”“En wat buitelde hij lekker over den grond,” grinnikte Karel vroolijk. “Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.”Dat had hij echter mis.Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.“Magere sprinkhaan!” schreeuwde Frans.“Panlat!” smaalde Klaas.Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit.“Hij is zoo oud als je grootvader!” schreeuwde Klaas.“Verkoop hem aan den slager!” zei Frans. “Die kan misschien nog worst van hem hakken.”“Niets terugroepen, Jan,” raadde Karel aan. “Dan hebben zij er het minste pleizier van.”De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot méér, dan hij zeggen kon. ʼt Verveelde hem echter geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde.Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!”De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. ʼt Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. “O, wat heb ik ʼn rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!”De bok schudde den kop, en riep ook:“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!”“Zie je wel, hij is het met mij eens!” grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zooʼn geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.“Au, au, au, o, wat is dat!” schreeuwde Klaas.“Bom!” daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug.“Au, au, o, o, au!” jammerde Klaas.Op handen en voeten poogde hij zich te redden.“Bom!”De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand.Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, ʼt Was dan ook een bespottelijk gezicht.Klaas wist geen raad van angst en pijn.“Help!” riep hij. “Frans, help,—help! Hij maakt me dood!”Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting van Janʼs huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. ʼt Was al over achten, en om negen uur begon de school.Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten.“Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,” meende Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens.En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.“ʼt Is bepaald een verstandige bok,” zei hij tegen Jan. “Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.”“Dat denk ik ook,” zei Jan.Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. ʼt Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel ʼs morgens als ʼs middags school moeten blijven. Bij ʼt rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij ʼt lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.De meester werd eindelijk knorrig op hem.“Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.”Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen.“Heb je nog pijn in je rug?” vroeg hij fluisterend.Klaas keek hem aan als een nijdige spin.“Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?” plaagde Jantje.“Magere sprinkhaan! Panlat!” siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan zʼn rug, die geducht pijn deed.“Stilte daar!” gebood de meester. “Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.”Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als ʼs morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp door. ʼt Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren maarlosjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden.Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:“Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.”Daar had Jantje wel zin in.“Zou de bok blijven staan?”“Wel ja,—de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.”“Dat is zoo,” zei Jan.De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.“Daar staat hij heerlijk!” zei hij.Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.En dan lachten zij luidkeels van de pret.Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad.“Ik moet een beetje voorzichtig wezen,” zei hij wijs tegen Karel.“Waarom?” vroeg deze.“Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik vanmorgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in ʼt water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!”“Nou, dat snap ik,” zei Karel.En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook.Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.“O wee!” schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen.Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in ʼt volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. ʼt Water droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.Karel schaterde het intusschen uit van pret.Maar Jantje lachte in ʼt geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn natte broek.Karel kwam bij hem.“Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!” zei hij lachend. “Ik wou, dat je het gezien hadt.”“Ik vind het heelemaal niet koddig!” zei Jantje. “Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo niet naar huis toe, hoor.”“O, ik weet wel raad,” zei Karel. “Trek allebêi je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.”“Is het waar?” vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.“Stellig!” zei Karel. “Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.”Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin.Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij ʼs morgens hadden geleden, besloten zij wraak te nemen.Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond te grazen.Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:“Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!”De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard.“Koesssss! Koesssss!” schreeuwden Frans en Klaas hem na.“Dát is gemeen!” riep Jan verschrikt en verontwaardigduit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na.Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. ʼt Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde.Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was.“Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?” riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.“De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,” zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef.“Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?” ging Dik voort.Jantje zweeg.“Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?”“O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...”“Ik had en ik was en ik was en ik had!” viel zijnVader in. “Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, hè?”Jantje deed een paar stappen achteruit.“Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?”“Ik was in ʼt kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...”“En toen?”“Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...”“En toen ben jij den bok achterna gehold?” vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige geschiedenis.“Dat is tweemaal vandaag, Jantje!” zei hij. “Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.”“Ja Vader,” zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. “Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.”“Dat is het,” zei Dik.Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.

Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.

Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte.

Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield deleidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren.

Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar ʼt mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.

“Dat is een prachtig stelletje, Jan!” zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. “De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi.”

“Alleen een beetje mager,” zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep.

“Mag ik met je meerijden?” vroeg Karel. “Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten.”

Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.

Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een eindje mochten rijden.

“Toe Jan, mag ik ook eens?” vroeg de een.

“Neen zeg, laat mij dan liever,” zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.

Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.

“Huup sik! Huup sik!” riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.

Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen metdiens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want ʼt waren twee vervelende jongens.

Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte ook niet zooʼn beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.

Zoodra zij den bok van Jan in ʼt oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand.

“Wel heb ik van mʼn leven!” riep Frans uit. “Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!”

Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.

“ʼt Is het bokje wèl!” ging Frans voort. “Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal hij wel beter voortmaken.”

“Hij loopt hard genoeg,” zei Jan. “Toe bok, vooruit!”

“ʼt Is een oud, afgeleefd beest!” zei Klaas Zwart smalend. “Hij heeft de rumathiek in zijn pooten.”

“Als jij maar niet de rumathiek hebt,” gaf Jan beleedigd ten antwoord. “Hij kan harder loopen dan jij.”

“Ha, ha!” lachte Klaas. “Zooʼn stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf.”

“Met stok-olie!” zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf.

De bok ging op zijn achterpooten staan.

Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:

“Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven.”

Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.

Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan uit de handen.

“Wat denk jij wel, magere sprinkhaan,” zei hij sarrend. “Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, bok, ho!”

De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen.

Jan keerde zich driftig om.

“Laat je de kar los!” riep hij hun toe. “Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!”

De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar Jan hield hem tegen.

“Hier,” zei hij, “houd jij de leidsels even vast.”

Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in ʼt volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.

Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden striem te geven.

“Laat de kar los, zeg ik je!” riep hij Frans toe.

“Dat zal ik,” antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te kunnen verweren.

“Geef hem zijn portie, Frans!” schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. “Als je ʼt alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen.”

“Daar moest je ʼt hart eens toe hebben,” riep Karel van Dril terug. “Dan krijg je ʼt met mij te doen.”

De twee jongens waren geducht met elkaar aan ʼt worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Fransʼ armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden.

“Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!” riepen ze juichend. “Waar blijf je nu met je praats?”

Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en beenen maakte.

Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.

Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven.

Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:

“Huup bok! Vooruit maar weer.—Dat viel Frans Thor niet meê, hè Karel? Wat heeft hij gehad!”

“En wat buitelde hij lekker over den grond,” grinnikte Karel vroolijk. “Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren.”

Dat had hij echter mis.

Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.

“Magere sprinkhaan!” schreeuwde Frans.

“Panlat!” smaalde Klaas.

Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit.

“Hij is zoo oud als je grootvader!” schreeuwde Klaas.

“Verkoop hem aan den slager!” zei Frans. “Die kan misschien nog worst van hem hakken.”

“Niets terugroepen, Jan,” raadde Karel aan. “Dan hebben zij er het minste pleizier van.”

De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot méér, dan hij zeggen kon. ʼt Verveelde hem echter geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde.

Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:

“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!”

De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. ʼt Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.

“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. “O, wat heb ik ʼn rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!”

De bok schudde den kop, en riep ook:

“Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!”

“Zie je wel, hij is het met mij eens!” grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.

Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zooʼn geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.

“Au, au, au, o, wat is dat!” schreeuwde Klaas.

“Bom!” daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug.

“Au, au, o, o, au!” jammerde Klaas.

Op handen en voeten poogde hij zich te redden.

“Bom!”

De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.

Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand.

Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, ʼt Was dan ook een bespottelijk gezicht.

Klaas wist geen raad van angst en pijn.

“Help!” riep hij. “Frans, help,—help! Hij maakt me dood!”

Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting van Janʼs huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. ʼt Was al over achten, en om negen uur begon de school.

Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten.

“Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft,” meende Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens.

En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.

“ʼt Is bepaald een verstandige bok,” zei hij tegen Jan. “Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven.”

“Dat denk ik ook,” zei Jan.

Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. ʼt Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel ʼs morgens als ʼs middags school moeten blijven. Bij ʼt rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij ʼt lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.

De meester werd eindelijk knorrig op hem.

“Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden.”

Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen.

“Heb je nog pijn in je rug?” vroeg hij fluisterend.

Klaas keek hem aan als een nijdige spin.

“Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?” plaagde Jantje.

“Magere sprinkhaan! Panlat!” siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan zʼn rug, die geducht pijn deed.

“Stilte daar!” gebood de meester. “Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven.”

Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als ʼs morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp door. ʼt Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.

Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren maarlosjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden.

Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:

“Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker.”

Daar had Jantje wel zin in.

“Zou de bok blijven staan?”

“Wel ja,—de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen.”

“Dat is zoo,” zei Jan.

De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.

“Daar staat hij heerlijk!” zei hij.

Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.

En dan lachten zij luidkeels van de pret.

Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.

Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad.

“Ik moet een beetje voorzichtig wezen,” zei hij wijs tegen Karel.

“Waarom?” vroeg deze.

“Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik vanmorgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in ʼt water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!”

“Nou, dat snap ik,” zei Karel.

En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook.

Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.

“O wee!” schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen.

Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in ʼt volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. ʼt Water droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.

Karel schaterde het intusschen uit van pret.

Maar Jantje lachte in ʼt geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn natte broek.

Karel kwam bij hem.

“Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!” zei hij lachend. “Ik wou, dat je het gezien hadt.”

“Ik vind het heelemaal niet koddig!” zei Jantje. “Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo niet naar huis toe, hoor.”

“O, ik weet wel raad,” zei Karel. “Trek allebêi je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog.”

“Is het waar?” vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.

“Stellig!” zei Karel. “Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit.”

Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin.

Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij ʼs morgens hadden geleden, besloten zij wraak te nemen.

Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond te grazen.

Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:

“Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!”

De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard.

“Koesssss! Koesssss!” schreeuwden Frans en Klaas hem na.

“Dát is gemeen!” riep Jan verschrikt en verontwaardigduit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na.

Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.

De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. ʼt Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde.

Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.

Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was.

“Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?” riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.

“De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader,” zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef.

“Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?” ging Dik voort.

Jantje zweeg.

“Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?”

“O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ...”

“Ik had en ik was en ik was en ik had!” viel zijnVader in. “Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, hè?”

Jantje deed een paar stappen achteruit.

“Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?”

“Ik was in ʼt kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen...”

“En toen?”

“Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd...”

“En toen ben jij den bok achterna gehold?” vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige geschiedenis.

“Dat is tweemaal vandaag, Jantje!” zei hij. “Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor.”

“Ja Vader,” zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. “Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek.”

“Dat is het,” zei Dik.

Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.


Back to IndexNext