Drie en twintigste hoofdstuk.

De gelukkige John Watkins, die thans de rijkste inwoner van Grikwaland was, kon niet anders, na vroeger een maaltijd aangericht te hebben om de geboorte van deZuidsterte herdenken, dan een tweede te geven om hare wedergeboorte te vieren. Maar dezen keer zouden de voorzorgsmaatregelen voldoende getroffen worden, om te voorkomen, dat zij niet ten tweeden male verdween, terwijl thans Dada niet uitgenoodigd werd.

Het feestmaal was dan ook in den namiddag van den volgenden dag reeds in vollen gang.

John Watkins had reeds vroeg in den morgen zijne gewone genoodigdenom zich verzameld en had bij de slagers van het distrikt vleeschstukken besteld, die voldoende zouden geweest zijn om eene geheele kompagnie infanterie te voeden; hij had zijne keukens met levensmiddelen, zoowel versche als verduurzaamde, en met zooveel wijnen en vreemde likeuren gevuld als de leveranciers in den omtrek slechts hadden kunnen bijbrengen.

Tegen vier uur was de tafel in de groote zaal gedekt, stonden de flesschen behoorlijk gerangschikt op het buffet en staken de stukken ossen- en schapenvleesch aan het spit en waren flink aan het braden.

De genoodigden verschenen te zes uur, natuurlijk in hunne schoonste kleederen gedost. Tegen zeven uur had de toonladder van de spraakzaamheid der gasten reeds zulk een hoogte bereikt, dat een trompetter met moeite dat geschreeuw met zijn instrument zou hebben kunnen overstemmen. Matthijs Pretorius, die sedert hij de akelige grappen van Hannibal Pantalucci niet meer te verduren had, veel geruster van inborst was geworden, zat daar aan met Thomas Staal, die van gezondheid en kracht straalde, met den makelaar Nathan, met andere pachters, mijnwerkers en kommissarissen van politie.

Cyprianus, zich gedragende volgens een bevel van Alice, had niet kunnen weigeren dat feest bij te wonen, daar het jonge meisje ook genoodzaakt was tegenwoordig te zijn. Maar beiden waren wel droevig gestemd, want—het viel niet te ontkennen—de bezitter van ruim vijftig millioenen kon er niet aan denken de hand zijner dochter te geven aan een eenvoudigen ingenieur, “die niet eens diamanten kon vervaardigen”. Ja, de zelfzuchtige behandelde zoo reeds den jeugdigen geleerde, waaraan hij in werkelijkheid zijn nieuw vermogen te danken had.

Het diner had zijn voortgang te midden van de zeker niet gematigde geestdrift van de gasten.

Vóór den gelukkigen Engelschman—en volstrekt niet achter hem, zooals vroeger—lag deZuidsterop een klein kussen van blauw fluweel, beschut door een traliewerk van metaaldraden en door eene glazen stolp, en schitterde met vollen glans bij het licht der waskaarsen.

Er heerschte toen eene drukkende hitte.

Miss Watkins zat als in zich zelve gekeerd aan dien disch en scheen niets te hooren. Zij had den blik op Cyprianus gericht, die even mistroostig was als zij. De tranen stonden haar in de oogen.

Drie slagen, die luidruchtig op de deur klonken, braken plotseling de gesprekken en het gerinkinkel der glazen af.

“Binnen!” riep John Watkins met schorre stem. “Wie gij ook zijn moogt, gij komt ter rechter tijd, wanneer gij dorst hebt!”

De deur ging open. De lange en magere gestalte van Jakobus Vandergaart verscheen op de drempel.

De gasten keken elkander verwonderd aan over die onverwachte verschijning. Iedereen kende zoo goed de oorzaken van de vijandschap tusschen John Watkins en Jakobus Vandergaart, dat een dof gemompel vernomen werd. Iedereen verwachtte iets ernstigs.

Een diepe stilte was daarna ingetreden. Aller oogen waren op den ouden diamantslijper met zijne witte haren gevestigd. Deze stond recht overeind, met gekruiste armen en met den hoed op het hoofd, in zijn lange Zondagsjas gehuld. Hij scheen het spook der wraak te zijn. John Watkins voelde eene onbestemde vrees opkomen. Hij rilde en verbleekte onder het vermiljoenrood, dat het alcoholmisbruik onuitwischbaar op zijne hoekige jukbeenderen geverfd had. Toch poogde hij zich tegen dat onverklaarbare gevoel te verzetten.

“He, he!” zei hij, terwijl hij het eerst het woord tot Jakobus richtte, “het is langen tijd geleden, buurman Vandergaart, dat gij mij het genoegen geschonken hebt u hier ten mijnent te vertoonen! Welk goed gesternte voert u herwaarts?”

“Het gesternte der gerechtigheid, buurman Watkins!” antwoordde de grijsaard koel. “Ik kom u mededeelen dat het recht eindelijk gaat zegepralen en, na zeven jaren lang verscholen te zijn geweest, te voorschijn gaat treden. Ik kom u aankondigen, dat het uur der vergelding geslagen heeft, dat ik in het bezit van mijn eigendom zal geraken, en dat de Kopjes-mijn, die steeds mijn naam gedragen heeft, voortaan mij wettig toebehoort, zooals zij mij volgensde billijkheidswetten steeds toebehoord heeft! Heden zijt gij het, dien de wet het bezitrecht ontneemt en veroordeelt om mij terug te geven, wat mij ontnomen is!”

Al had John Watkins zich ook, bij de plotselinge verschijning van Jakobus Vandergaart en door het nevelachtige gevaar, dat zij scheen aan te kondigen, aanvankelijk verstijfd gevoeld, zoo bracht zijn bloedrijk gestel en ontembaar karakter hem er toe om een direct en afgebakend gevaar stout onder de oogen te zien. Hij wierp zich dan ook tegen de leuning van zijn stoel en lachte op de meest smadelijke wijze.

“De oude vent is gek!” zeide hij, zich tot zijne gasten wendende. “Ik heb altijd gedacht dat er een streep door liep; het schijnt in den laatsten tijd erger te worden!”

Iedereen lachte om die grofheid. Jakobus Vandergaart bleef kalm en knipoogde zelfs niet.

“Wie het laatst lacht, lacht het best!” zei hij ernstig, terwijl hij een papier uit den zak haalde. “John Watkins, gij weet dat een eindvonnis, dat in appèl bevestigd werd en dat zelfs de Koningin niet meer zou kunnen vernietigen, u in dit district de terreinen toegewezen heeft, die westwaarts van den vijf-en-twintigsten lengtegraad ten oosten van den meridiaan liggen?”

“Volmaakt juist, waardige wauwelaar!” riep John Watkins uit. “En daarom zoudt ge beter doen met naar bed te gaan, wanneer ge ziek zijt, dan eerlijke lieden te komen storen, die bezig zijn met dineeren en niemand iets verschuldigd zijn.”

Jakobus Vandergaart had zijn papier ontvouwd.

“Hier,” zeide hij, “is eene verklaring van het Kadastrale Comité, welke door den Gouverneur gewaarmerkt en eergisteren te Victoria geregistreerd is. Dat stuk constateert eene feitelijke vergissing, welke tot heden in al de terreinopnamen vanGrikwalandgeslopen is. Die vergissing, welke tien jaren geleden door de landmeters begaan is, die met de opmeting van het district belast waren, en die geen rekening gehouden hebben met de magnetische afwijking van de kompasnaald met het ware noorden, die vergissing vernietigt alle opnemingen, die deze dwaling tot grondslag hebben. Ten gevolge van de verbetering, die plaats gehad heeft, bevindt zich thans de vijf-en-twintigste graad oosterlengte van Greenwich drie mijlen meer westelijk. Die verbetering herstelt mij dus in het bezit van de Kopjes-mijn, die u toegewezen was, want volgens het advies van al de rechtsgeleerden en van den chief-justice in persoon, kan de letter en de geest van het geslagen vonnis niets van deszelfs kracht verliezen. Ziedaar, John Watkins, wat ik u kom vertellen.”

Het zij dat de Engelschman hem niet dan onvolkomen begrepen had, hetzij hij voorbedachtelijk weigerde te begrijpen, wie zal dat uitmaken? Hij beantwoordde den ouden diamantslijper nogmaals met een hoonend gelach. Maar die lach klonk valsch en vond geen steun bij de gasten. Deze hielden allen verwonderd den blik op Jakobus Vandergaart gevestigd en schenen getroffen door diens ernst, door de vrijmoedigheid zijner verklaring en door de onwrikbare zekerheid, die uit zijne woorden, uit zijne geheele houding straalde.

De makelaar Nathan maakte zich tot tolk van het algemeen gevoelen, toen hij sprak:

“Wat mijnheer Vandergaart daar zegt, bevat volgens mij niets, dat voor dwaas kan uitgekreten worden. Die vergissing met dien lengtegraad kan zeer goed geschied zijn. Mij dunkt dat nadere inlichtingen moeten afgewacht worden, alvorens ons gevoelen uit te spreken.”

“Inlichtingen afwachten?” riep John Watkins uit, terwijl hij met de vuist krachtig op de tafel sloeg. “Ik heb met uwe inlichtingen niets te maken!.... Ik lach om uwe inlichtingen!.... Ben ik hier op mijn eigendom, ja of neen?.... Is mij de Kopjes-mijn bij een eindvonnis, welks kracht die oude kaaiman zelf erkent, toegewezen, ja of neen?.... Welnu, wat kan mij de rest schelen?.... Wanneer men het mij nog omtrent het rustige bezit van mijn eigendom lastig maakt, dan zal ik doen wat ik reeds gedaan heb: ik zal mij tot de gerechtshoven wenden en wij zullen zien wie gelijk heeft!”

“De competentie van de gerechtshoven is ten einde,” antwoordde Jakobus Vandergaart met opzettelijke kalmte. “Alles bepaalt zich thans totde daadzaak, tot de vraag: ligt de Kopjes-mijn rechts of links van den vijf-en-twintigsten lengtegraad? En daar het nu officiëel uitgemaakt is, dat een vergissing heeft plaats gehad, zoo is de onvermijdelijke gevolgtrekking daarvan, dat die mijn tot mijn bezit wederkeert.”

Terwijl hij dat zeide, toonde Jacobus Vandergaart het officiëele dokument, dat van de vereischte handteekeningen en zegels voorzien was.

John Watkins was niet op zijn gemak. Hij bewoog en draaide op zijn stoel. Hij trachtte te spotten; maar dat ging hem slecht af. Zijn blik viel in dat oogenblik op deZuidster. Dat gezicht scheen hem het zelfvertrouwen, dat hem begon te verlaten, te hergeven.

“Als alles nu eens zoo was,” riep hij uit, “als ik waarlijk tegen alle recht en billijkheid in, dit eigendom, dat mij wettiglijk toegewezen is en dat ik sedert zeven jaren bezeten heb, moest afstaan, wat zou mij dat alles goed en wel beschouwd kunnen schelen? Bezit ik niet meer dan genoeg om mij te troosten, al was het maar alleen met dat juweel, dat ik in mijn vestzak kan meenemen en mij tegen alle ongeval kan behoeden?”

“Dat’s ook een dwaling, John Watkins,” hernam Jacobus Vandergaart op kort afgemeten toon. “DeZuidsteris mijn eigendom evenals alle voortbrengselen, die uit de Kopjes-mijn gewonnen zijn en bij u teruggevonden worden, evenals het meubilair van dit huis, evenals de wijn in die flesschen, evenals dat gebraden vleesch op dien schotel. Alles, alles behoort mij; omdat alles voortspruit uit het onrecht, dat mij aangedaan is!.... En vlei u niet,” vervolgde hij, “mijne maatregelen zijn goed genomen.”

Jacobus Vandergaart sloeg in zijn magere handen. Dadelijk verschenen eenige konstabels op den drempel van de deur. Zij werden gevolgd door een officier van den Sherif, die binnentrad en met de hand op een stoel klopte, terwijl hij uitriep:

“In naam der wet leg ik voorloopig beslag op al de voorwerpen, meubelen en waarden van welken aard ook, die zich hier in dit huis bevinden!”

Iedereen was opgestaan, behalve John Watkins. De Engelschman lag vernietigd in zijn leuningstoel uitgestrekt en scheen door den bliksem getroffen. Alice sloeg hare armen om zijn hals en zocht hem met lieftallige toesprekingen op te beuren.

Jakobus Vandergaart verloor hem evenwel niet uit het oog. Hij beschouwde hem meer met mededoogen dan wel met haat; maar waakte daarbij over deZuidster, die te midden van die ramp even luisterrijk glinsterde.

“Verloren!.... Geruïneerd!....”

Die woorden ontsnapten slechts aan de trillende lippen van John Watkins. In dat oogenblik stond Cyprianus evenwel op en sprak op ernstigen toon:

“Mijnheer Watkins, daar uwe welvaart met een onherstelbaren ondergang bedreigd wordt, zult gij mij vergunnen daarin slechts de mogelijkheid te zien, mejuffrouw uwe dochter in stand meer nabij te komen!.... Ik heb de eer u de hand van miss Alice Watkins te vragen.”

Dit aanzoek van den jeugdigen ingenieur veroorzaakte werkelijk eene buitengewone verrassing. Hoe gretig de gevoeligheid van hunne half wilde natuur ook was, zoo konden toch al de gasten van John Watkins niet nalaten het luidruchtig toe te juichen. Zoo veel belangeloosheid moest hen treffen.

Alice zat daar met neergeslagen oogen en met kloppend hart, misschien als de eenige, die niet verwonderd scheen over des jonkmans stap, in alle stilte naast haren vader.

De ongelukkige Engelschman was nog ter neergebogen onder den vreeselijken slag, die hem getroffen had. Op die woorden verhief hij het hoofd. En inderdaad, hij kende Cyprianus genoegzaam om te weten, wanneer hij hem de hand zijner dochter schonk, dat hij de toekomst en het geluk van Alice verzekerde; hij wilde evenwel nog niet, zelfs niet met een teeken aanduiden, dat hij tegen dat huwelijk geene tegenwerping meer te maken had.

Cyprianus, thans verlegen over den stap, waartoe zijne liefde hem verleid had, voelde er ook de vreemdheid van en begon zich reeds te verwijten, dathij zich zelven niet meester gebleven was.

Te midden van de algemeene en zoo licht te begrijpen verlegenheid, deed Jakobus Vandergaart een pas voorwaarts naar den Engelschman.

“John Watkins,” zei hij, “ik houd er niet van om van mijne overwinning misbruik te maken; ook behoor ik niet tot dezulken, die een gevelden vijand onder den voet halen! Wanneer ik op mijn recht sta, dan doe ik dat, omdat ieder mannenhart zulks betaamt en moet doen. Maar ik weet bij ondervinding, wat mijn advokaat steeds herhaalde, namelijk, dat het stiptste recht soms de onbillijkheid zeer nabij is. Ik zou niet willen dat onschuldigen den last van feilen moeten dragen, die zij niet begingen!.... Daarenboven, ik ben alleen op de wereld en het graf reeds nabij. Waartoe zou mij zooveel rijkdom dienen, wanneer ik niemand had om hem mede te deelen?.... John Watkins, wanneer gij uwe toestemming tot de vereeniging van die twee kinderen geeft, dan verzoek ik hen dieZuidster, die mij tot niets dienstig zoude zijn, als huwelijksgift aan te nemen.... Ik verbind mij daarenboven om hen tot mijne erfgenamen te benoemen en herstel dus binnen de grenzen der mogelijkheid de onwillekeurige nadeelen, die ik uwe bekoorlijke dochter berokken!”

Er ontstond bij die woorden onder de toeschouwers, wat men in de verslagen van Kamerzittingen zoude noemen: “eene levendige beweging van belangstelling en van sympathie.” Aller blikken vestigden zich op John Watkins. Zijne oogen waren plotseling vochtig geworden; hij bedekte ze daarom met zijne bevende handen.

“Jakobus Vandergaart!....”riep hij eindelijk uit, de stormachtige gevoelens, die hem bewogen, niet meer kunnende onderdrukken. “Ja!.... gij zijt een braaf man en gij neemt, door het geluk van die twee kinderen te bewerken, een edele wraak over al het kwaad en al het leed, dat ik u berokkend heb!”

Noch Alice, noch Cyprianus waren in staat te antwoorden. Daartoe weigerde hunne stem den dienst, maar hunne blikken spraken voor hen. De grijsaard reikte zijnen tegenstander de hand, die John Watkins met vuur greep. De oogen van alle omstanders waren vochtig, zelfs die van den ouden konstabel met grijze haren, die er toch zoo droog uitzag als eene scheepsbeschuit door de Engelsche admiraliteit geleverd. Wat John Watkins aangaat, die was geheel veranderd. Zijn gelaat vertoonde thans welwillendheid en zijne trekken zooveel zachtheid als zij vroeger hardheid en boosheid te kennen gaven. Het ernstige gelaat van Jakobus Vandergaart had zijne gewone plooi, die van eene onverstoorbare zachtzinnigheid, hernomen.

“Laat ons alles vergeten,” riep hij uit, “en laten wij met den wijn, waarop beslag gelegd is, op het welzijn en op het geluk van deze kinderen drinken—wanneer, wel te verstaan, mijnheer de officier van den Sherif zulks veroorloven zal.”

“Een officier van den Sherif heeft soms tot plicht om zich tegen den verkoop van dranken te moeten verzetten, waarop beslag gelegd is,” antwoordde de magistraat met een glimlach, “maar nimmer zal hij zich tegen hunne verorbering aankanten!”

Op die woorden, die van welwillendheid getuigden, gingen de flesschen rond en heerschte weldra weder de meest gulle hartelijkheid in de eetzaal.

Jakobus Vandergaart had plaats naast John Watkins genomen en beraamde thans plannen voor de toekomst met hem.

“Wij zullen hier alles verkoopen,” zei hij, “en wij zullen de kinderen naar Europa volgen! Wij zullen ons buiten in hunne nabijheid vestigen en dan zullen ons nog fraaie dagen beschoren zijn.”

Alice en Cyprianus, die naast elkaar gezeten waren, hadden een fluisterend gesprek in het Fransch begonnen, dat niet minder belangwekkend was, wanneer men ten minste mocht afgaan op de levendigheid van gebaren der beide partijen.

De warmte was al meer en meer toegenomen. Eene zwaarwichtige en drukkende hitte verdroogde de lippen bij den rand der glazen en vervormde al de gasten in electrische werktuigen, die gereed waren vonken van zich af te geven. Het was tevergeefs dat vensters en deuren opengezet werden. Niet de minste zucht van frissche lucht deed de vlam der waskaarsen heen of weer bewegen.

Een ieder gevoelde dat slechts eene oplossing bij zoo’n luchtdruk mogelijkwas, namelijk door een van die onweders, welke, vergezeld van donder, bliksem en stortregens, in Afrika op eene samenzwering van al de elementen der natuur gelijken. Men verwachtte dat onweder, men hoopte er op.

Plotseling verlichtte een bliksemstraal alle gezichten met een groenachtigen weerschijn, terwijl tegelijkertijd het geratel van den donder, die over de vlakte rolde, aankondigde dat het concert ging beginnen. Op dit oogenblik overviel eene plotselinge windvlaag de zaal en doofde alle lichten uit. Daarop openden zich zonder overgang alle sluizen des hemels en begon de zondvloed.

“Hebt gij dadelijk na dien donderslag een klein droog geluid niet gehoord, alsof er iets brak?” vroeg Thomas Staal, terwijl men zich beijverde de ramen en deuren te sluiten en de waskaarsen aan te steken. “Men zou gezegd hebben dat een glazen bol uit elkaar sprong.”

Alice’s blikken richtten zich onwillekeurig naar deZuidster....

De diamant was weg. Toch waren èn de kooi van ijzerdraad èn de glazen stolp, die hem overdekt hadden onbeschadigd en niet van hun plaats geweest. Het was klaarblijkelijk onmogelijk dat iemand er aan geraakt had. Het was alsof er tooverij gebeurd was. Cyprianus, die zich snel voorovergebogen had, bespeurde een soort grijs poeder, dat op het kussen van blauw fluweel lag, op de plaats straks door den diamant ingenomen. Hij kon een kreet van verrassing niet onderdrukken en beduidde met een korten volzin, wat er voorgevallen was.

“DeZuidsteris uit elkaar gesprongen!” zei hij.

Iedereen in Grikwaland weet, dat dit eene bijzondere ziekte of beter een gebrek is, aan de diamanten van het land eigen. Men spreekt er niet over, omdat het hunne waarde zeer vermindert, maar het feit bestaat, dat, tengevolge van eene tot nog toe onverklaarbare moleculaire werking, die meest kostbare steenen uit elkander springen als waren het eenvoudige voetzoekers. In dat geval blijft er niets anders van over dan een weinig stof, dat hoogstens bij industrieële bewerkingen gebezigd kan worden. De jeugdige ingenieur had veel meer het brein vervuld met het beschouwen van den wetenschappelijken kant van het ongeluk, dan wel dat hij acht gaf op het overgroot verlies dat hem dit berokkende.

“Wat zonderling is,” zei hij te midden van de algemeene verbazing, “dat is, niet dat de steen uit elkander gesprongen is, maar dat hij tot heden daarmede gewacht heeft; dat is merkwaardig. Gewoonlijk gebeurt dat met die diamanten veel vroeger, meestal binnen de tien dagen nadat zij geslepen zijn. Is dat niet zoo, mijnheer Vandergaart?”

“Volmaakt juist,” antwoordde de oude diamantslijper met een zucht, “en dit is de eerste maal in mijn leven, dat een diamant uit elkander springt, nadat hij drie maanden geslepen is. Kom.... het was door hooger macht besloten, dat deZuidsterniemand zou toebehooren. En als ik bedenk, dat een dun laagje vet dat ongeluk voorkomen zou hebben, dan....”

“Waarlijk,” riep Cyprianus uit met de voldoening van iemand, die eindelijk een moeilijk raadsel opgelost ziet. “In dat geval wordt alles verklaard. De breekbare ster heeft voorzeker aan den krop van Dada de beschermende laag vet ontleend en die heeft haar tot heden bewaard. Waarlijk, zij had beter gedaan met vier maanden vroeger uit elkander te springen, dat zou ons het reisje door de Transvaal uitgespaard hebben!”

Men lette thans op John Watkins, die zich ongeduldig in zijn leuningstoel heen en weer bewoog.

“Hoe kunt gij zoo’n ramp zoo licht opnemen?” zei hij eindelijk, terwijl hij rood van verontwaardiging was. “Gij zit daar allen over die vijftig millioenen, die in rook verdwenen zijn, te wauwelen, alsof het eene eenvoudige cigarette gold.”

“Dat bewijst u, dat wij wijsgeeren zijn,” antwoordde Cyprianus. “Waarachtig, het is nu wel tijd om de wijsbegeerte te beoefenen, nu wij niet anders kunnen.”

“Wijsgeer zooveel ge wilt!” pruttelde de Engelschman, “maar vijftig millioenen zijn vijftig millioenen en die vindt men niet onder den hoef van een paard!.... Kijk, Jacobus, gij hebt mij heden waarlijk een grooten dienst bewezen, zonder het evenwel te weten. Ik geloof, dat ook ik uit elkander zou gesprongen zijn als een kastanje in de heete asch, wanneer deZuidstermijn eigendom ware gebleven!”....

“Om het even,” viel Cyprianus hem in de rede, terwijl hij daarbij met een liefdevollen blik het frissche gelaat van miss Watkins, die naast hem zat, aankeek, “ik heb heden avond een zoo kostbaren diamant veroverd, dat het verlies van elken andere mij geheel onverschillig laat en mij niet kan deren!”

Zoo eindigde plotseling, als eene verwisseling van dekoratief op een tooneel, het veel bewogen maar korte bestaan van den grootsten geslepen diamant, die ooit op de wereld aanwezig was. Een zoodanig einde bracht, zooals men wel begrijpen kan, niet weinig het zijne er toe bij, om de bijgeloovige meeningen, die op zijne rekening in omloop waren, te bevestigen en te bestendigen. Meer dan ooit waren èn de Kaffers, èn de mijnwerkers van meening, dat zulke groote diamanten slechts ongeluk aanbrengen.

Jakobus Vandergaart, die hem geslepen had, en Cyprianus, die het plan gevormd had om hem aan het museum van de Mijnschool aan te bieden, ondervonden meer spijt over dat onverwachte verdwijnen van den steen, als zij wel wilden bekennen. Maar in weerwil daarvan bleef de wereld toch hare baan ongestoord vervolgen en niemand kan verklaren, dat zij bij het verdwijnen van deZuidsterveel verloren heeft.

Alle die gebeurtenissen, die opeenvolging van pijnlijke aandoeningen, het verlies van zijn vermogen, gevolgd door het verlies van deZuidster, misten hunne uitwerking op John Watkins niet. Zijne gezondheid was zeer ondermijnd. Hij werd bedlegerig, kwijnde gedurende eenige dagen en ging als eene kaars uit. Noch de zorgen vol toewijding zijner dochter, noch die van Cyprianus, noch de mannelijke vermaningen van Jakobus Vandergaart konden baten. De oude Engelschman voelde zich getroffen in zijn hoogmoed, in zijne eigenaars-voorliefde, in zijne zelfzucht, in alle zijne gewoonten. Neen, hij gevoelde dat hij verloren was. Op een avond trok hij Alice en Cyprianus tot zich, legde hunne handen in elkander en blies zonder een woord te spreken, den laatsten adem uit. Hij had zijne geliefdeZuidstergeen veertien dagen overleefd.

Weinige weken later werd het huwelijk van Cyprianus Méré met Alice Watkins op de meest eenvoudige wijze voltrokken. Alice was thans de echtgenoote van Cyprianus!.... Wat kon zij, wat kon hij meer verlangen?

Maar al was het vermogen van John Watkins verdwenen, toch was de ingenieur rijker dan zijne jonge vrouw kon vooronderstellen, rijker dan hij zelf wist. Tengevolge van de vondst van deZuidsterwas zijn claim toch buitengewoon in waarde gestegen. Gedurende zijne reis naar de Transvaal had Thomas Staal de ontginning voortgezet en daarbij veel geluk gehad. De aanbiedingen stroomden Cyprianus dan ook toe om zijn gedeelte te verkoopen. Hij verkocht dat dan ook vóór zijn vertrek naar Europa voor vijftigduizend gulden.

Nu draalden Alice en Cyprianus niet meer om Grikwaland te verlaten, teneinde naar Frankrijk terug te keeren. Zij volvoerden dat plan evenwel niet dan nadat zij de toekomst van Li, van Bardik en van Makatit verzekerd hadden. Jacobus Vandergaart bracht daartoe het zijne bij.

De oude diamantslijper had toch de Kopjes-mijn verkocht aan eene vennootschap, die door den ex-makelaar Nathan bestuurd werd. Toen die likwidatie afgeloopen was, vertrok hij naar Frankrijk, om bij zijne aangenomen kinderen te leven.

Deze vonden het geluk in hun wederzijdsch bezit. Cyprianus verwierf evenwel, dank zij zijne werkkracht, zijne algemeen erkende verdiensten en de waardeering, die hij van wege de geleerde wereld ondervond, een onafhankelijk vermogen.

Thomas Staal keerde naar Lancashire terug met een kapitaaltje van ongeveer twee en een halve ton. Hij is daar getrouwd, neemt als een gentleman trouw aan de vossenjacht deel en drinkt alle avonden zijn flesch Portwijn leeg.

Dit laatste mag niet als het fraaiste van zijn geschiedenis beschouwd worden.

De Vandergaart-Kopjes-mijn is nog niet uitgeput. Zij levert nog steeds ongeveer het vijfde gedeelte van de diamanten, die van de Kaapstad uitgevoerd worden; maar niemand heeft meer het goede of kwade gesternte gehad,—zooals men wil,—om andermaal eeneZuidsterte vinden.

Einde.

In deze editie vanJules Verne’s Wonderreizenzijn de volgende deelen verschenen:

Prijs per deel 75 Cent.

Een boek, op welks bezit elke Nederlandsche huisvrouw, die gaarne nu en dan eens een

Bizondere schotel

op haar tafel wil zien verschijnen, ongetwijfeldhoogenprijs zal stellen, is

Wereldrecepten

voor de Hollandsche Keuken

verzameld door

Martine Wittop Koning

N.B. Recepten voorallerleilekkere schotels en kostjes, dieevengoed hierbereid kunnen worden als in het land van herkomst, opgegeven door Nederlandsche vrouwenuit alle landen van de wereld.

Prijs ƒ 3.25 ingenaaid, ƒ 4.25 gebonden.

330 Bladzijden.

Uitgevers-Maatschappy “Elsevier”, Amsterdam.

Rookt,

de echte Egyptischesigaretten

van

Theodoro Vafiadis & Co.

Caïro

Let op den juisten voornaam en op het Egyptische zegel

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext