Tiende hoofdstuk.

Toen Cyprianus met gebroken hart heengegaan was, vastbesloten om zooals hij dat noemde, zijnen ambtsplicht te vervullen, begaf hij zich andermaal naar Jacobus Vandergaart. Hij vond hem thans alleen. De makelaar Nathan had zich gehaast de eerste te zijn, om in het kamp het nieuws te verbreiden, waarin alle mijnwerkers zoozeer belang stellen moesten.

En dat nieuws baarde veel opzien, hoewel men nog niet wist, dat de overgroote diamant van den “monsieur”, zooals men Cyprianus noemde een kunstmatige was. Maar de “monsieur” stoorde zich hoegenaamd niets aan de oudewijvenpraatjes van de Kopjes-mijn! Hij had haast om met den ouden Vandergaart de kwaliteit en de kleur van den steen te onderzoeken, ten einde zijn rapport nauwkeurig te kunnen opmaken. Daarom maakte hij zooveel haast.

“Mijn waarde Jacobus,” zei hij, terwijl hij naast den juwelier plaats nam, “wees zoo vriendelijk daar op dien bult een facet te slijpen, om te kunnen oordeelen, wat onder die steenlegering verborgen zit.”

“Niets is gemakkelijker dan dat,” antwoordde de oude diamantslijper, terwijl hij den steen uit de hand van zijn jongen vriend aannam. “Gij hebt waarachtig een goede plek gekozen,” ging hij voort, terwijl hij op eene kleine dikte aan een der zijden van den steen wees, die bijna overigens volmaakt eirond was. “Wij wagen er niets bij, om aan dien kant te slijpen.”

Jacobus Vandergaart ging zonder dralen aan het werk, en na uit zijne verzameling een ruwen steen van vier of vijf karaten gezocht te hebben,bevestigde hij dien aan het uiteinde eener spil en begon hij de beide uitwendige schillen der twee steenen af te slijpen.

“Ik zou eerder klaar zijn, wanneer ik den steen kon kloven,” zei hij. “Maar wie zou een hamerslag op een steen van dien prijs durven toebrengen?”

De arbeid was zeer lang en zeer eentonig en vorderde niet minder dan twee uren. Toen de facet ruim genoeg was om over den aard van den steen te kunnen oordeelen, moest hij op de draaischijf gepolijst worden, hetgeen ook veel tijd vorderde.

Het was evenwel nog volle dag, toen die werkzaamheden afgeloopen waren. Cyprianus en Jacobus Vandergaart gaven toen aan hunne nieuwsgierigheid toe en bekeken den steen om den uitslag van die slijping en polijsting waar te nemen.

Een fraaie facet, gitzwart van kleur, evenwel van eenen onvergelijkelijk schitterenden glans, vertoonde zich aan hunne oogen.

De diamant was zwart. Eene schier eenige of ten minste hoogst zeldzame bijzonderheid, die de waarde van den steen zoo mogelijk nog verhoogde.

De handen van Jacobus Vandergaart beefden van aandoening, terwijl hij het prachtstuk in het zonlicht liet flikkeren.

“Dat is de meest merkwaardige en schoonste diamant, die ooit te zien is geweest,” zei hij met een zweem van godsdienstigen eerbied. “Wat zal het wel zijn, wanneer hij de lichtstralen zal kunnen weerkaatsen, wanneer hij aan alle kanten geslepen zal zijn!”

“Wilt gij dien arbeid ondernemen?” vroeg Cyprianus levendig.

“Gaarne, mijn waarde vriend! Dat zou de eer en de bekroning van mijn lange loopbaan zijn!.... Maar wellicht doet gij beter een jeugdiger en vaster hand dan de mijne voor dat werk te kiezen.”

“Neen,” antwoordde Cyprianus liefderijk; “niemand, daar ben ik verzekerd van, zal dat werk met meer zorg en niet meer handigheid verrichten dan gij. Houd dien diamant, mijn waarde Jacobus, en slijp hem op uw gemak en naar uwen smaak. Gij zult er een kunststuk van maken! Dat is eene afgedane zaak!”

De grijsaard rolde en draaide den steen tusschen zijne vingers en aarzelde om zijne gedachten mede te deelen.

“Eéne zaak verontrust mij,” zeide hij ten slotte. “Ik kan mij zoo moeilijk over de gedachte heenzetten, dat ik onder mijn dak een kleinood van zooveel waarde zal bergen! Dit is op zijn minst vijf-en-twintig millioen, en misschien wel meer, die ik daar in de palm mijner hand berg! Het is niet zeer voorzichtig, zulk eene verantwoordelijkheid te aanvaarden!”

“Niemand zal er iets van weten, mijnheer Vandergaart, als gij het niet vertelt; en wat mij aangaat, ik verzeker u dat ik zwijgen zal!”

“Hm! men zal gissen! Men kan u gevolgd hebben, toen gij hier heen gingt.... Men zal veronderstellingen maken omtrent hetgeen men niet met zekerheid weet! Het is zoo’n raar volk in dit mijndistrict!.... Neen, ik zou niet gerust slapen!”

“Misschien hebt ge gelijk,” antwoordde Cyprianus, die de aarzeling van den grijsaard wel begreep. “Maar wat dan te doen?”

“Daar peins ik juist over,” hernam Jacobus Vandergaart, die gedurende eenige minuten stilzwijgend bleef zitten.

“Luister,” zei hij eindelijk. “Wat ik u voor te stellen heb, is kiesch en gaat van de veronderstelling uit, dat gij in mij een volkomen vertrouwen stelt. Maar gij kent mij genoegzaam, om niet vreemd te vinden, dat de gedachte van mij uitgaat, om zooveel voorzorgsmaatregelen te nemen!.... Ik moet dadelijk met dezen steen en mijne gereedschappen vertrekken, om ergens eene toevlucht te zoeken in het een of andere hoekje, waar niemand mij kent—te Bloemfontein of te Hope-town bij voorbeeld. Ik zal een bescheiden vertrek huren, ik zal mij daar opsluiten om in het grootste geheim te arbeiden, en ik zal eerst terugkomen, wanneer ik mijne taak zal volbracht hebben. Misschien gelukt het mij zoo, de boosdoeners van het spoor te brengen!.... Maar ik herhaal het: ik ben bijna verlegen om een zoodanig plan te berde te brengen!”

“En toch vind ik het goed ontworpen,” antwoordde Cyprianus; “en ik kan u slechts aansporen om het te verwezenlijken!”

“Reken er op dat het lang zal duren.Ik zal minstens een maand noodig hebben, en onderweg kan mij eenig ongeval overkomen.”

“Om het even, als gij meent dat dit het beste is, wat wij doen kunnen, mijnheer Vandergaart. En alles wel beschouwd, het ongeluk zou zoo groot niet zijn, wanneer de diamant verloren ging.”

Vandergaart keek zijn jeugdigen vriend met schrik aan.

“Zou hem dat onmetelijk vermogen naar het hoofd geslagen zijn?” vroeg hij zich af.

Cyprianus begreep zijn gedachtengang en glimlachte. Hij legde hem de herkomst van dien diamant uit en hoedanig hij er later meerdere kon vervaardigen zooveel als hij slechts verkoos. Maar hetzij dat de oude diamantslijper slechts weinig geloof aan dat verhaal schonk, hetzij hij eene persoonlijke reden had om niet alleen met een steen van wellicht vijftig millioen in zijn hut te blijven, hij drong er op aan om dadelijk te vertrekken.

Daarom verzamelde dan ook Jacobus Vandergaart al zijne gereedschappen en zijne schamele plunje in een ouden lederen zak, hing aan de deur een lei: waarop geschreven stond:afwezig voor zaken, stak den sleutel in zijn zak, den diamant in zijn vestzakje en vertrok.

Cyprianus begeleidde hem gedurende twee of drie mijlen langs den weg naar Bloemfontein en verliet den oude eerst toen deze daarom herhaaldelijk verzocht had.

De nacht was reeds gevallen, en het was pikdonker toen de jeugdige ingenieur te huis kwam. Hij dacht toen meer aan miss Watkins dan aan zijne grootsche ontdekking.

Zonder zich den tijd te gunnen zijn maaltijd, door Makatit bereid, te gebruiken, nam hij plaats aan zijn werktafel en begon met de memorie-opstelling, die hij met de eerste postgelegenheid aan den secretaris van de Academie van Wetenschappen hoopte te verzenden. Dit was eene nauwkeurige en volledige beschrijving van zijne handeling met betrekking tot den vervaardigden diamant, waarop hij een zeer schrander uitgedrukt theoretisch stelsel liet volgen omtrent de reactie, die tot de vorming van dat prachtige stuk gekristalliseerde koolstof had aanleiding gegeven.

“Het meest opmerkenswaardige karakter onder anderen van dat product is,” schreef hij, “zijne volledige overeenkomst met den natuurlijken diamant, vooral door de aanwezigheid van de uitwendige steenlegering, waarin diamant besloten is.”

Inderdaad, Cyprianus aarzelde geen oogenblik, om die zoo zonderlinge uitwerking toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij zijne buis van binnen met eene brei van aarde bestreken had, die hij met alle zorg in de Vandergaart-Kopjesmijn uitgezocht had. De wijze, waarop een gedeelte van die aarde van de omwanding losgelaten had, om rondom het kristal een werkelijken notenbast te vormen, was niet gemakkelijk uit te leggen, en dat was een punt, waaromtrent latere proeven ongetwijfeld meer licht zouden verschaffen. Men kon wellicht veronderstellen, dat men hier met eene soort van scheikundige aantrekkingskracht of overeenkomst te doen had, waarvan onze jonge man vast besloot eene gezette studie te maken. Hij was niet zoo verwaand om al dadelijk bij een eerste optreden, de volledige en onherroepelijk vastgestelde theorie van zijne ontdekking aan te geven. Wat hij thans wilde, dat was haar zonder verwijl mededeelen aan de wereld der geleerden, dat was haar Frankrijk aanbieden, dat was de hulp zijner collega’s inroepen om nog meer licht over menig onverklaarbaar feit te erlangen.

Toen de memorie begonnen was en hij zoo aan zijn geweten als geleerde voldoening had verschaft, dacht hij er aan om wat te eten en te gaan slapen. Hij zou dat wetenschappelijk stuk later met menige nieuwe opmerking verrijken en het daarna beëindigen om het te verzenden daar waar het behoorde.

Cyprianus verliet den volgenden morgen al heel vroeg zijne woning en maakte geheel in gedachten verzonken eene wandeling op de verschillende mijn-terreinen. Zekere blikken, die niets sympathieks hadden, werden hem in het voorbijgaan toegeworpen. Hij merkte er niets van, want hij had al de gevolgen van zijn groote ontdekking vergeten. Toch waren die gevolgen hem door John Watkins genoegzaam aan het verstand gebracht, en die bestonden inden ondergang, na korteren of langeren tijd, van de mijnwerkers van geheel Grikwaland.

Zoo iets was wel geschikt om de gemoederen te verontrusten in een land van half-wilden, waar men geenszins aarzelt om zijn eigen rechter te zijn en het beulsbaantje met eigen handen uit te oefenen; waar de veiligheid van den arbeid, en bij gevolg ook van den handel, die er uit voortspruit, de eenige, de hoogste wet is. Werd de vervaardiging van den kunstmatigen diamant werkelijk als practische nijverheid mogelijk, dan waren alle millioenen in de mijnen van Brazilië, zoowel als die in Zuid-Afrika, ongerekend de vele menschenlevens daaraan verbonden, onherroepelijk verloren. De jeugdige ingenieur zou ongetwijfeld zijne ontdekking geheim kunnen houden, maar dienaangaande was zijne verklaring zoo duidelijk mogelijk geweest. Dat zou hij niet doen!

Van de andere zijde had de vader van Alice gedurende den langen nacht, waarin hij nu eens droomde van onmogelijk groote diamanten, vertegenwoordigende een waarde van verscheidene milliarden, dan weer zich slapeloos op zijne legerstede heen en weer wentelende, ernstig nagedacht en het volgende overwogen. Dat Hannibal Pantalucci en de andere mijnwerkers met ongerustheid en ook met woede de omwenteling beschouwden, die door de ontdekking van Cyprianus zou worden te weeg gebracht met betrekking tot de diamanthoudende gronden, was zeer natuurlijk, daar zij die gronden ontgonnen voor eigen rekening. Maar de toestand van hem, eenvoudig eigenaar van de hoeve Watkins, was niet dezelfde. Ongetwijfeld, wanneer de claims ten gevolge van de waardevermindering der diamanten verlaten werden, wanneer die mijnwerkersbevolking Grikwaland den rug toekeerde en heentoog, dan zou de waarde van zijn hoeve aanmerkelijk verminderen, zijne voortbrengselen zouden geen zoo gereeden aftrek meer hebben, zijne huizen en zijne hutten zouden wegens gebrek aan huurders leeg blijven staan, en wellicht zou hij zelf het land moeten verlaten, omdat er geen zaken meer te doen waren.

“Maar jawel,” mompelde John Watkins bij zich zelven, “maar zoover zijn wij nog niet. Om daartoe te geraken zullen nog wel ettelijke jaren voorbijgaan. De vervaardiging van kunstmatige diamanten is nog niet practisch mogelijk, zelfs niet met de wijze van werken van mijnheer Méré! Misschien bestaat er heel veel toeval in zijn zaak. Maar toeval of niet, hij heeft toch een steen van onmetelijke waarde vervaardigd, die als natuurlijke diamant ongetwijfeld vijftig millioen waard zou zijn, en nu hij kunstmatig verkregen is, toch nog verscheidene millioenen waard is. Ja, ik moet dien jongen man in het oog houden. Hij moet in mijne nabijheid blijven, het koste wat het wil. Althans gedurende eenigen tijd. Ik moet hem beletten zijne ontdekking uit te bazuinen. Die fraaie steen moet het bezit der familie Watkins worden en mag die familie niet verlaten dan tegen een eerbiedwaardig aantal millioenen. Wat betreft het hier houden van den maker van dien steen, dat is gemakkelijk genoeg—zelfs zonder zich onherroepelijk te verbinden. Ik heb Alice bij de hand, en door middel van Alice zal ik hem wel beletten naar Europa te vertrekken!.... Ja, al moest ik hem hare hand beloven!.... al moest ik hem mijn dochter ten huwelijk schenken!....”

Waarachtig, John Watkins, door zijne onverzadelijke hebzucht gedreven, zou zelfs daartoe in staat zijn. In die geheele zaak zag hij slechts zijn eigen ik, dacht hij slechts aan zijn eigen persoon. En dacht de oude zelfzuchtige ook al een enkele maal aan zijne dochter, dan was het slechts om in zichzelven te mompelen:

“Welnu, al gebeurde dat ook, dan zou Alice zich niet te beklagen hebben! Die jeugdige dwaze geleerde ziet er vrij goed uit! Hij bemint haar, en heb ik het wel, dan is zij tegenover die liefde niet gevoelloos gebleven.”

“Nu, wat valt er inderdaad beter te doen dan twee harten, die voor elkander geschapen schijnen, te verbinden.... of ten minste hun die vereeniging te laten hopen, tot het oogenblik gekomen zal zijn, dat ik helder in die zaak zien kan.... Welnu, bij Sint John, mijn schutspatroon, de duivel hale Hannibal Pantalucci en zijne makkers. Hier in Grikwaland vooral geldt het: ieder voor zich!”

Zoo redeneerde John Watkins, terwijlhij die denkbeeldige weegschaal hanteerde, waarin hij tusschen de toekomst zijner dochter en een eenvoudig stuk gekristalliseerde koolstof evenwicht trachtte te verkrijgen, en hij zich uiterst gelukkig gevoelde, toen hij vermeende, dat de beide schalen in hetzelfde vlak, of beter, op dezelfde horizontale lijn bengelden.

Zijn besluit was dan ook reeds den volgenden ochtend genomen: hij zou niet overijld handelen, hij zou op zien komen spelen, de zaken zachtjes hun gang laten gaan, zeker als hij was van den loop dien zij zouden nemen.

Maar vooreerst stelde hij er belang in om zijn huurder weer te zien,—wat vrij gemakkelijk was, daar de jeugdige ingenieur dagelijks op de hoeve kwam—; maar hij wilde ook den fraaien diamant weer zien, die in zijne droomen kolossale afmetingen aangenomen had.

John Watkins begaf zich dan ook naar de hut van Cyprianus, die, daar het vroeg in den morgen was, nog thuis was.

“Welnu, mijn jonge vriend,” zei hij op een zekeren toon van opgeruimdheid. “Hoe hebt gij dezen nacht doorgebracht.... dien eersten nacht na uwe grootsche ontdekking?”

“Wel, zeer goed, mijnheer Watkins, zeer goed!” antwoordde de jonkman koeltjes.

“Wat? Hebt gij kunnen slapen?”

“Zoo als gewoonlijk! Waarom niet?”

“Al die millioenen, die uit dat fornuis daar te voorschijn getreden zijn,” hernam Mr. Watkins, “hebben dus uwen slaap niet gestoord?”

“Waarachtig niet,” antwoordde Cyprianus, “in geenen deele. Begrijp dan toch goed, mijnheer Watkins, die diamant zou slechts millioenen waard zijn, wanneer hij door de natuur en niet door een scheikundige voortgebracht ware.”

“Jawel.... jawel.... mijnheer Méré! Maar zijt gij overtuigd een anderen of meer anderen te kunnen vervaardigen? Zoudt gij dat durven verzekeren?”

Cyprianus aarzelde. Hij begreep beter dan iemand hoeveel teleurstellingen bij een arbeid als deze kunnen ondervonden worden.

“Gij ziet het!” hernam John Watkins! “Gij durft het niet bevestigen. Dus zal die diamant, totdat gij bij eene volgende proef geslaagd zult zijn, zijne overgroote waarde behouden!”.... En dat aangenomen, waarom zoudt gij dan gaan vertellen, althans voorshands, dat het een kunstmatige steen is?”

“Ik herhaal, wat ik u vroeger reeds gezegd heb,” antwoordde Cyprianus; “dat ik de oplossing van zoo’n belangrijk vraagstuk wetenschappelijk niet geheim kan houden.”

“Jawel!.... jawel!.... ik begrijp dat,” hernam John Watkins terwijl hij den jonkman met een gebaar tot zwijgen uitnoodigde, alsof hij bevreesd ware, dat hun gesprek buiten gehoord kon worden. “Jawel!.... jawel!.... wij zullen daarover later wel praten!.... Maak u evenwel niet ongerust over Pantalucci en de overigen!.... Zij zullen omtrent uwe ontdekking niets vertellen, dewijl hun belang medebrengt dat zij daarover zwijgen!.... Geloof, mij.... wacht!.... en denk er wel om dat mijne dochter en ik zeer gelukkig zijn over uwe ontdekking!.... Ja, zeker, zeer gelukkig!.... Maar, zou ik dien prachtigen diamant nog eens mogen zien?.... Ik heb gisteren ternauwernood tijd gehad om hem aandachtig te bekijken!.... Wilt gij mij dus andermaal veroorloven....”

“Ik heb hem niet meer!” antwoordde Cyprianus.

“Gij hebt hem naar Frankrijk gezonden?” riep John Watkins uit, die alleen door de gedachte daaraan zich vernietigd gevoelde.

“Neen.... nog niet!.... In zijn ruwen toestand kon niet over zijne schoonheid geoordeeld worden. Dus gij kunt gerust zijn.”

“Aan wien hebt gij hem dan ter hand gesteld? Bij alle heiligen van Engeland, aan wien?”

“Aan Jacobus Vandergaart, om hem te slijpen. Ik weet niet of hij hem heeft medegenomen.”

“Gij hebt zoo’n diamant aan dien ouden gek toevertrouwd?” riep John Watkins woedend uit. “Maar dat is waanzin, mijnheer! Inderdaad waanzin!”

“Bah!” antwoordde Cyprianus. “Wat wilt gij dat Jacobus of wie ook ter wereld met zoo’n diamant, wiens waarde voor hen, die met zijne afkomst onbekend zijn, op minstens vijftig millioenen geschat moet worden, zal uitvoeren?Zoudt ge denken dat het gemakkelijk zou zijn hem heimelijk aan den man te brengen?”

John Watkins scheen getroffen door dat argument. Neen! een diamant van die waarde zou niet gemakkelijk van de hand te doen zijn. Toch was de pachter niet gerust, en had veel willen geven, ja zeer veel, indien Cyprianus hem niet aan den ouden diamantslijper had toevertrouwd.... of tenminste dat de oude diamantslijper reeds in Grikwaland teruggekeerd ware met dien kostbaren steen!

Maar Jacobus Vandergaart had een maand tijd bedongen, en hoe ongeduldig John Watkins ook was, hij was wel verplicht te wachten.

Het was buiten kijf dat zijne gewone huisbezoekers, als Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, de jood Nathan niet nalieten den doodeerlijken diamantslijper te belasteren. Bij afwezigheid van Cyprianus spraken zij veel over hem en merkten dan steeds op, dat de tijd voorbijvlood en dat Jacobus Vandergaart niet terugkwam.

“En waarom zou hij in Grikwaland terugkeeren?” vroeg Friedel, “daar het hem zoo gemakkelijk is dien diamant, die zoo’n overgroote waarde heeft en welker fabriekmatige afkomst nog nergens bekend is, voor zich te behouden?”

“Omdat hij geen kooper er voor zal vinden!” antwoordde John Watkins, die hetzelfde argument van den jeugdigen ingenieur te berde bracht, dat hem evenwel volstrekt niet gerust stelde.

“Een mooie reden!” grinnikte Nathan.

“Ja, waarachtig! een mooie reden,” vulde HannibalPantalucciaan. “Geloof mij, die oude kaaiman is reeds ver op dit oogenblik! Wat is er gemakkelijker, vooral voor hem, dan dien steen geheel onherkenbaar te maken? Gij kent zijne kleur zelfs niet! Wie zal hem beletten dien zwaren diamant in vier of zes deelen te verdeelen, waardoor er door kloving verscheidene steenen bekomen worden, die toch nog een eerbiedwaardige afmeting zullen hebben?”

Die gesprekken verontrustten het gemoed van John Watkins zeer. Hij begon ook te gelooven, dat Jacobus Vandergaart zich niet meer zou laten zien.

Cyprianus alleen was stellig overtuigd omtrent de eerlijkheid van den oudere diamantslijper. Hij verkondigde openlijk, dat de oude op den gestelden dag tegenwoordig zou zijn, en hij had gelijk.

Jacobus Vandergaart kwam zelfs tweemaal vier en twintig uren vroeger terug. Hij had zich zoodanig gehaast en zoo veel ijver bij den arbeid betoond, dat hij den diamant in zeven en twintig dagen geslepen had. Hij keerde tegen den avond terug om hem op de schijf tepolijsten, zoodat de grijsaard zich in den morgen van den negen en twintigsten dag bij Cyprianus vervoegen kon:

“Hier is de steen,” zei hij op eenvoudigen toon, terwijl hij een kleine houten doos op de tafel plaatste.

Cyprianus opende de doos en werd verblind.

Op een kussentje van witte katoenvlokken vertoonde zich een overgroote zwarte kristal met ruitvormige twaalfvlakken, die zulke prismatische lichtbundels uitstraalde, dat het geheele laboratorium verlicht scheen.

Die combinatie van eene gitzwarte kleur met eene uiterst volmaakte diamantachtige doorzichtigheid en met een weergaloos straalbrekingsvermogen, bracht het meest wonderlijke en meest verrassende effect te weeg. Men gevoelde zich tegenover dien diamant als tegenover een waarlijk eenig verschijnsel, dat als een speling der natuur kon beschouwd worden, dat zijne wederga niet had. Zelfs als men ieder denkbeeld aan waarde ter zijde stelde, dan nog blonk de heerlijkheid van dat kleinood ten volle uit.

“Het is niet alleen de zwaarste diamant, die er op de wereld bestaat,” zei Jacobus Vandergaart hoogst ernstig en met een soort van vaderlijken trots; “maar het is ook de fraaiste. Hij weegt vier honderd twee en dertig karaten! Gij kunt u vleien, mijne jonge vriend een kunststuk uitgevoerd te hebben. Uw proefstuk is een meesterstuk.”

Cyprianus had op die complimenten van den ouden diamantslijper niets geantwoord. Wat hem betreft, hij beschouwde zich als de uitvinder van eene zeldzame aardigheid, niets meer, niets minder. Vele anderen hadden zich beijverd de oplossing van het vraagstuk te vinden, zonder te slagen. Het was hem gelukt op dat terrein der anorganische scheikunde de bestaande moeielijkhedente overwinnen. Maar welke nuttige gevolgen zou de menschheid uit de vervaardiging van kunstmatigen diamant trekken? Zij zou ontwijfelbaar al diegenen ten gronde richten, die van den handel in edelgesteenten leefden, zonder iemand te verrijken of ook maar te bevoordeelen.

Die beschouwing verdreef wel ietwat de droombeelden, waaraan de jonge ingenieur zich in de eerste dagen na zijn ontdekking had overgegeven. Ja, nu verscheen hem die diamant, hoe bewonderenswaardig hij ook genoemd moest worden, nadat hij uit de handen van Jacobus Vandergaart gekomen was, slechts als een waardelooze keisteen, die niet eens de zinsbegoocheling der zeldzaamheid bezat.

Cyprianus greep het doosje, waarin de onvergelijkelijke steen bevat was, drukte den grijzen diamantslijper de hand en begaf zich naar de woning van John Watkins.

De pachter bevond zich in zijn benedenvertrek. Hij was steeds ongerust over de terugkomst van Jacobus Vandergaart. die hem als zeer onwaarschijnlijk voorkwam. Zijne dochter was bij hem en trachtte hem zooveel mogelijk gerust te stellen.

Cyprianus opende de deur en bleef een oogenblik op den drempel staan.

“Welnu?”.... vroeg John Watkins met levendige stem, terwijl hij vlug van zijn stoel opsprong.

“Welnu, de trouwhartige Jacobus Vandergaart is heden ochtend aangekomen,” antwoordde Cyprianus.

“Met den diamant?”

“Ja, met den diamant, dien hij bewonderenswaardig geslepen heeft. Deze weegt nog vier honderd twee en dertig karaten.”

“Vier honderd twee en dertig karaten!” riep John Watkins uit, “En gij hebt hem bij u?”

“Hier is hij.”

De pachter greep het doosje, deed het open en bekeek den diamant met oogen, die bijna evenzeer fonkelden als het edelgesteente zelf. Hij was als met stomheid geslagen en had het uiterlijk van een verrukte!

Vervolgens, toen het hem vergund was, om de kolossale waarde, die de diamant vertegenwoordigde, onder dien tegelijkertijd lichten, draagbaren, kostbaren en schitterenden vorm tusschen de vingers te mogen houden, toen verkreeg zijn verrukking een graad van overdrijving, die hem uiterst bespottelijk maakte.

John Watkins had tranen in de oogen en sprak den diamant aan alsof het een bezield wezen ware geweest.

“O! die schoone, die prachtige, die schitterende steen!....” riep hij uit. “Gij zijt dus teruggekomen, mijn liefste!.... Wat zijt ge schitterend!.... Wat zijt ge zwaar!.... Hoevele klinkende schijven zult ge wel waard zijn?.... En wat zal men met u aanvangen, mijn overschoone?.... O, eerst wordt ge naar de Kaapstad, later naar Londen gezonden, om daar gezien en bewonderd te worden!.... Maar wie zal rijk genoeg zijn om u te koopen? De Koningin zelve kan zich zulk eene weelde niet veroorloven!.... Haar geheele inkomen van twee of drie jaren zou daarmee heengaan!.... Er zal een votum van het Parlement noodig zijn, of beter nog een nationale inschrijving!.... O! men zal die in het leven roepen, wees daaromtrent gerust.... En gij zult rusten in Londen’s Toren naast denKoh-i-noor, die zich slechts als een klein kind naast u zal vertoonen!.... Wat zoudt gij wel waard zijn, mijn hartedief?”

En na een oogenblik in stilte berekend te hebben, vervolgde hij:

“De diamant van den Czaar is door Katharina II met een millioen roebels comptant betaald geworden, terwijl daarenboven nog eene jaarlijksche lijfrente van acht en veertig duizend gulden aan den verkooper verleend werd. Er zal niets overdrevens in gevonden worden, wanneer voor dezen steen een millioen pond sterling gevraagd wordt en eene eeuwigdurende rente van twee honderd vijftig duizend gulden!”

En plotseling door een invallende gedachte getroffen:

“Mijnheer Méré,” vroeg hij, “zoudt gij niet denken dat men den eigenaar van een zoodanigen steen tot het pairschap zoude verheffen? Alle soorten van verdiensten hebben recht om in de pairskamer zitting te nemen, niet waar? En zoo’n diamant van zulken omvang te bezitten, zou geen geringe verdienste zijn!.... Kijk dan toch, mijn dochter, kijk!.... Men heeft aanzijne twee oogen niet genoeg, om zoo’n steen te bewonderen!....”

Miss Watkins bekeek voor de eerste maal van haar leven een diamant met eenige belangstelling.

“Hij is waarlijk zeer schoon! Hij glinstert als een stuk kool, wat hij ook is, maar als een gloeiende kool!” zeide zij, terwijl zij den diamant voorzichtig van zijn leger van watten nam.

Vervolgens naderde zij met instinctmatige beweging, die ieder jong meisje in hare plaats ondervonden zou hebben, den spiegel, die boven den schoorsteen prijkte, en plaatste het bewonderenswaardige kleinood op haar voorhoofd te midden van haren rijken blonden haardos.

“Eene ster in goud gevat!” zei Cyprianus galant en liet zich daarbij tegen zijne gewoonte tot het zeggen van eene geestigheid verleiden.

“Dat ’s waar!.... Waarlijk, men zou zeggen eene ster!” riep Alice uit, terwijl zij vroolijk in de handen klapte. “Welnu, die diamant moet dien naam behouden. Laten wij hem deZuidsterdoopen!.... Wilt ge, mijnheer Cyprianus? Is onze ster niet zwart als de inlandsche schoonen van dit land en is zij niet schitterend als het prachtig gesternte van onzen Zuidelijken hemel?”

“Goed! deZuidster!” zei John Watkins, die aan den naam slechts luttel hechtte. “Maar pas op, laat hem niet vallen!” hernam hij met schrik, toen het jonge meisje een plotseling beweging maakte. “Hij zou als glas breken!”

“Waarlijk?.... Is zoo’n steen zoo bros?” antwoordde Alice, terwijl zij den diamant met vrij wat geringschatting in zijn doosje legde. “Arme ster, gij zijt dus eene valsche ster, niets anders dan de stop eener karaf.”

“De stop eener karaf!” riep John Watkins woedend uit. “De kinderen eerbiedigen niets meer!”....

“Juffrouw Alice,” hernam toen de jeugdige ingenieur, “gij zijt het, die mij aangemoedigd hebt om de kunstmatige vervaardiging van het diamant te zoeken! Aan u is deze steen zijn bestaan verschuldigd!”

”.... In mijn oogen evenwel is dat een kleinood, dat zoodra men zijne herkomst zal kennen, geene handelswaarde hoegenaamd meer zal bezitten!.... Uw vader zal mij dan ook ongetwijfeld veroorloven, u dien steen aan te bieden als eene herinnering aan uwen gezegenden invloed op mijne werkzaamheden!”

“Hé! wat!” riep John Watkins uit, die onmogelijk in dit oogenblik kon bemantelen, wat in zijn binnenste omging bij die.... onverwachte aanbieding.

“Juffrouw Alice,” hernam Cyprianus, “die diamant behoort u!.... Ik bied u hem aan, ik geef hem u!”

Miss Watkins antwoordde niet, maar zij reikte den jonkman hare hand, die deze teederlijk in de zijne drukte.

Het nieuwtje van den terugkeer van Jacobus Vandergaart had zich bliksemsnel verspreid. Een menigte bezoekers stroomde dan ook naar de hoeve, om het wonder van de Kopjes-mijn te bewonderen. Men vernam weldra dat de diamant aan miss Watkins toebehoorde, maar dat haar vader meer dan zij zelve daar de bezitter van was. Daardoor ontstond eene algemeene nieuwsgierigheid ten opzichte van dien diamant, die niet door de natuur, maar door een menschenhand gemaakt was.

Wij moeten hier evenwel doen opmerken, dat nog niets uitgelekt was omtrent den kunstmatigen oorsprong van den diamant in kwestie. Van den eenen kant waren de mijnwerkers van Grikwaland, die met dien oorsprong bekend waren, niet dwaas genoeg geweest, om een geheim rond te kraaien, dat hun onmiddellijken ondergang kon bewerken. Van zijn kant had Cyprianus, die van het toeval niet afhankelijk wilde zijn, ook gezwegen en besloten zijne memorie betreffende deZuidsterniet te verzenden, alvorens zijn welslagen bevestigd te hebben gezien door een tweede proef. Hij wilde zeker zijn datgene, wat hij eens vervaardigd had, ook een tweede maal te kunnen voortbrengen.

Aller nieuwsgierigheid was dan ook ten hoogste gespannen en John Watkinshad onmogelijk een gevoeglijke reden kunnen uitdenken, om aan die nieuwsgierigheid niet te voldoen, te meer niet daar zij zijne ijdelheid zeer streelde. Hij plaatste dus deZuidsterop een kussen van watten op eene kleine wit marmeren kolom, die midden op den schoorsteen zijner spreekkamer prijkte en den geheelen dag bleef hij daar op wacht, gezeten in zijn grooten armstoel, om het onvergelijkelijk kleinood zorgvuldig in het oog te houden en het aan het publiek te vertoonen.

James Hilton was de eerste persoon, die hem op het gevaarlijke van zulk eene handelwijze opmerkzaam maakte. Hield hij wel rekening met de gevaren, die hij als het ware over zijn hoofd uitlokte, door de overgroote waarde, welke hij in zijne woning huisvestte, zoo voor aller blikken ten toon te stellen? Het was volgens Hilton volstrekt noodzakelijk, om van Kimberley eene speciale wacht van politieagenten te ontbieden; deed hij dat niet, dan zou de eerstvolgende nacht niet zonder noodlottige gebeurtenissen voorbijgaan.

John Watkins, uiterst verschrikt over dat vooruitzicht, haastte zich dien welgemeenden raad van zijn gast op te volgen en was niet eerder gerust dan toen hij tegen den avond een troep bereden politiedienaren zag aankomen. Die vijf en twintig man werden in de bijgebouwen van de hoeve gehuisvest.

De toevloed van nieuwsgierigen bleef de volgende dagen steeds aangroeien en de faam van deZuidsterhad weldra de grenzen van het mijndistrict overschreden om zich tot de meest verwijderde streken uit te strekken. De dagbladen in de kolonie wijdden artikel op artikel aan de beschrijving van den omvang, van den vorm, van de kleur en van den glans van den bewonderenswaardigen diamant. Langs den telegraafkabel werden al die bijzonderheden over Zanzibar en Aden eerst naar Azië en Europa, vervolgens naar Noord- en Zuid Amerika en Australië overgeseind. Photografen smeekten om de eer, van den prachtigen steen eene afbeelding te mogen nemen. Speciale teekenaars kwamen uit naam der geïllustreerde tijdschriften er eene schets van maken. In één woord, die diamant stelde een wereldgebeurtenis daar.

De legende werd er zelfs mede gemoeid. Er werden in de vereenigingen der mijnwerkers fantastische verhalen gefluisterd over de geheimzinnige eigenschappen welke men dien steen toeschreef. Men zei met gedempte stem, dat een zwarte diamant niet anders dan ongeluk kon aanbrengen! Ervaringsvolle lieden schudden het hoofd en verklaarden volmondig, dat zij dien duivelssteen liever bij Watkins aan huis dan bij zich zagen. In het kort, het kwaadspreken en zelfs de laster, die aan iedere beroemdheid als het ware kleven, ontbraken ook aan deZuidsterniet, die er zich natuurlijk niets van aantrok; maar:

Geheele bundels prachtvolle lichtstralen

Op die lasteraars liet nederdalen!

Anders was het evenwel met John Watkins gesteld, die over die oude-wijven-praatjes verwoed was. Het was hem te moede, alsof al dat geklets iets van de waarde van dien steen ontnam en hij werd er door aangedaan als door persoonlijke beleedigingen. Sedert dat de gouverneur der kolonie, de officieren der naburige garnizoensplaatsen, al de magistraten, de beambten, de geconstitueerde lichamen en firma’s hunne hulde hadden komen bewijzen aan zijn kleinood, zag hij eene heiligschennis schier in iedere vrije gedachtenwisseling die er over gevoerd werd.

Om dan ook een tegenwicht tegenover al dat gezwets te stellen, en ook om aan zijne zucht tot lekkerbekken te voldoen, besloot hij een groot diner ter eere van dien lieven diamant te geven, dien hij hoopte, in weerwil van wat Cyprianus er van denken mocht, en wat ook de wensen zijner dochter, om hem in den diamantvorm te behouden, mocht zijn, weldra tegen klinkende munt verwisseld te zien.

Helaas! zoodanig is in den regel de invloed van de maag op de meeningen van het meerendeel der menschen, dat de aankondiging van het diner voldoende was om de uitgesproken openbare meening in het kamp van de Vandergaart-Kopjesmijn van den eenen dag tot den anderen geheel te wijzigen. Men hoorde toen lieden, die de meest boosaardige taal ten opzichte van deZuidsteruitgeslagen hadden, plotseling een geheel anderen toon aanslaan en beweren, dat die steen geheel onschuldigwas aan den boozen invloed, die hem toegeschreven werd, waardoor zij eene uitnoodiging van John Watkins hoopten te verwerven.

O, men zal nog lang van dat feestmaal in het bekken van de Vaalrivier gewagen! Dien dag zaten tachtig gasten aan de tafel, die gedekt was onder eene tent, welke opgeslagen was langs de lange zijde van de spreekkamer, welker buitenmuur men voor die gelegenheid omver gehaald had. Een “koninklijkebaron”, zoo werd een kolossaal braadstuk genoemd, dat uit de geheele ruggestreng van een os bestond, besloeg het midden der tafel. Dat braadstuk werd door heele gebraden schapen en door allerhande soorten wild van die streek geflankeerd. Bergen van groenten en vruchten, alsmede geheele tonnen bier en geheele vaten wijn, die opengeslagen en op gelijke onderlinge afstanden geplaatst waren, completeerden het samenstel van dit diner, hetwelk op kolossale verhoudingen kon bogen.

DeZuidster, op haar voetstuk geplaatst en door brandende waskaarsen omgeven, prijkte achter John Watkins en presideerde eigenlijk dat diner, hetwelk ter harer eere gegeven werd.

De bediening aan tafel geschiedde door een twintigtal kaffers, die voor deze gelegenheid ingehuurd waren. Zij stonden onder opzicht van Makatit, die zich, na daartoe verlof van zijn baas bekomen te hebben, aangeboden had om hen te leiden en aan te voeren.

Er waren daar genoodigd, behalve de brigade politiedienaren, waaraan John Watkins dank voor hunne waakzaamheid verschuldigd was, al de voornaamste personen van het kamp en zijne omstreken. Zoo waren daar Matthijs Pretorius, Nathan, James Hilton, Hannibal Pantalucci, Friedel, Thomas Staal en vijftig anderen.

Zelfs de dieren van de hoeve: de ossen, de honden, maar vooral de struisvogels van miss Watkins trachtten hun deel van het feest te krijgen en kwamen om de kliekjes en den afval bedelen.

Alice had aan het uiteinde der tafel vlak tegenover haren vader plaats genomen en hield de eer des huizes met hare gewone bevalligheid op. Zij was evenwel heimelijk bedroefd, omdat noch Cyprianus Méré, noch Jacobus Vandergaart dat diner bijwoonden; ook omdat zij de redenen van die terughouding begreep.

De jeugdige ingenieur had steeds, zooveel hem maar mogelijk was, het gezelschap der Friedels, der Pantalucci’s en soortgelijke vermeden. Hij droeg bovendien kennis van hunne weinig welwillende stemming jegens hem, sedert hij zijn grootste ontdekking gedaan had en had meermalen hunne bedreigingen gehoord jegens den uitvinder van die kunstmatige vervaardiging, die hen geheel en al ten gronde kon richten. Hij had dus geen aanleiding gevonden, om dien maaltijd bij te wonen. Wat Jakobus Vandergaart betreft, bij wien John Watkins ijverige pogingen had laten aanwenden, om eene verzoening te bewerken, deze had iedere toenadering met trots van de hand gewezen.

Het maal liep op zijn einde. De grootste orde had daarbij geheerscht, maar dat was te danken aan de tegenwoordigheid van miss Watkins, die een voldoend dekorum aan de meest woeste mijnwerkers had opgelegd, hoewel zij niet had kunnen verhoeden dat Matthijs Pretorius zooals altijd, ten doelwit had gestaan aan de zoutelooze snakerijen van Hannibal Pantalucci. Deze liet den ongelukkigen Boer de dolste uien slikken. Zoo zou er een vuurwerk onder tafel afgestoken worden!.... Zoo werd er slechts gewacht, dat miss Watkins zich zou verwijderd hebben, om den diksten man van het gezelschap te noodzaken achter elkander twaalf flesschen jenever uit te drinken!.... Zoo zou ook uitgemaakt zijn, dat na het diner het feest zou bekroond worden met een algemeen vuistgevecht, terwijl men eindelijk elkander met revolverpistolen zou beschieten!

Gelukkig werd aan al die akelige grappen een einde gemaakt door John Watkins, die in zijne hoedanigheid van president van het feest, met het hecht van zijn mes op de tafel sloeg, om de traditioneele heildronken aan te kondigen.

Toen er genoegzame stilte ingetreden was, verhief de gastheer zijn lange gestalte, leunde met zijne beide duimen op het tafellaken en begon zijne toespraak met eenigszins dubbelslaande tong, ten gevolge van te veel in zijn glas gekeken te hebben.

Hij verzekerde, dat die dag de grootste herinneringsdag van zijn leven als mijnwerker en als landbouwer zou zijn. Na al de beproevingen, die hij sedert zijne jeugd doorstaan had, zag hij zich thans in het rijke Grikwaland gevestigd en was hij thans omringd door tachtig vrienden, om met hem feest te vieren over het bezit van den grootsten diamant der wereld. Zoo iets verschaft eene onvergetelijke vreugde!.... Het is waar, dat een der eerzame mijnwerkers, die thans om hem gezeten waren, morgen een nog grooteren steen kon vinden!.... Maar dat was juist het pikante en de dichterlijke zijde van het mijnwerkersleven!.... (Levendige toejuiching). Dat geluk wenschte hij zijne gasten van harte toe!.... (Gelach en handgeklap). Hij meende evenwel te kunnen verzekeren, dat hij slechts moeielijk te voldoen was, die met zoo’n diamant niet tevreden was!.... Om kort te gaan, hij noodigde zijne gasten om te drinken op Grikwalands welvaren, op de bestendigheid der marktprijzen van de diamanten, welke mededinging zij ook te duchten mogen hebben,—eindelijk op de goede reis, welke deZuidsterging ondernemen, om eerst in de Kaapstad en vervolgens in Engeland in alle hare heerlijkheid te gaan schitteren!

“Maar,” zei Thomas Staal, “is het niet gevaarlijk een steen van die waarde naar de Kaapstad te verzenden?”

“O! hij zal goed geëskorteerd worden!....” antwoordde John Watkins. “Veel, zeer veel diamanten hebben onder die omstandigheden de reis gemaakt en de veilige haven bereikt.”

“Zelfs de diamant van den heer Durieux de Sancey,” zei Alice, “en toch zonder de toewijding en opoffering van zijn knecht....”

“Hé! wat is er dan toch buitengewoons gebeurd met dien diamant?” vroeg James Wilton.

“Ziehier het verhaal van het gebeurde” antwoordde Alice zonder zich te laten bidden:

“Mijnheer de Sancey was een Fransch-edelman, tot de hofhouding van Hendrik III behoorende. Hij bezat een beroemden diamant, die thans nog zijn naam draagt. Die diamant—het zij hier tusschen twee haakjes gezegd,—had reeds talrijke avonturen beleefd. Zoo had hij bij voorbeeld aan Karel den Stouten toebehoord, die hem bij zich droeg, toen hij onder de wallen van Nancy gedood werd. Een Zwitsersch soldaat vond den steen op het lijk van den hertog van Bourgondië en verkocht hem voor een gulden aan een armen priester, die hem voor vijf of zes gulden aan een jood overdeed. Ten tijde dat hij in het bezit was van den heer de Sancey, verkeerde de Koninklijke Schatkist in groote ongelegenheden. Toen stemde de heer de Sancey er in toe, om zijn diamant in onderpand te geven om de waarde daarvan aan den Koning voor te schieten. De geldschieter bevond zich te Metz. Men moest dus het kleinood aan een dienaar toevertrouwen om het over te brengen.

“Vreest gij niet dat die man met zijn schat naar Duitschland zal ontvluchten?”” vroeg men den heer de Sancey.

“Neen, ik stel ten volle vertrouwen in hem.”

“Toch kwam in weerwil van dat vertrouwen, noch de man, noch de diamant ter gewenschte plaats aan. Het geheele hof lachte den heer de Sancey hardop uit.

““Toch blijft mijn vertrouwen in mijn bediende ongeschokt,”” antwoordde deze. ““Hij moet ergens vermoord zijn.””

“En inderdaad, toen men zocht en goed zocht, vond men het lijk in een sloot langs den weg.

““Snijd hem open,”” zei de heer de Sancey, ““de diamant moet zich in zijn maag bevinden.””

“Men voldeed aan zijn verlangen en zijn vermoeden werd volkomen bevestigd. De nederige held, wiens naam hem zelfs niet overleefd had, was zijnen plicht en der eer tot in den dood getrouw gebleven. “Hij overvleugelde door zijne schitterende daad het kleinood, dat hij droeg,” verzekerde een oude kroniekschrijver uit die dagen.

“Het zou mij zeer bevreemden,” voegde Alice tot slot van haar verhaal er bij, “wanneerde Zuidsterbij voorkomende gelegenheid gedurende hare reis niet eene dergelijke toewijding zou opwekken.”

Een algemene kreet van instemming begroette die woorden van miss Watkins. Tachtig handen hieven tachtig glazen omhoog en aller oogen wenddenzich instinctmatig naar den schoorsteen, om daadwerkelijk hulde te brengen aan den onvergelijkelijken diamant.

Maar....de Zuidsterwas niet meer op haar voetstuk, waarop zij zoo even nog achter John Watkins prijkte.

De verbazing, op tachtig aangezichten uitgedrukt, was zoo duidelijk, dat de gastheer zich plotseling omkeerde, om er de oorzaak van te ontdekken.

Nauwelijks had hij die ontwaard, of hij viel verlamd op zijn leuningstoel neer, als ware hij door den bliksem getroffen.

Men vloog naar hem toe, men maakte zijn das los, men wierp hem water op het hoofd.... Eindelijk ontwaakte hij uit zijne bezwijming.

“De diamant!....” bulderde hij met donderende stem. “De diamant!.... Wie heeft den diamant genomen?”

“Heeren, dat niemand het vertrek verlate!” zei de chef der politie-brigade, terwijl hij al de uitgangen deed bezetten.

Al de gasten keken elkander met verlegenheid aan en wisselden hunne meeningen al fluisterend. Het was nog geen vijf minuten geleden, dat allen den diamant nog gezien of gemeend hadden hem te zien. Maar men moest zijne oogen wel gelooven: de diamant was weg.

“Ik verlang dat alle hier tegenwoordige personen aan den lijve worden onderzocht, alvorens zij het vertrek verlaten!” stelde Thomas Staal met zijne gewone rondborstigheid voor.

“Ja!.... ja!”.... antwoordde de vergadering, met eene zoo het scheen eenparige stem.

Dat voorstel liet een glimp van hoop voor John Watkins schemeren.

De politie-beambte deed diensvolgens al de gasten langs een der zijden van de zaal op eene rij plaats nemen en begon zich het eerst aan de geëischte behandeling te onderwerpen. Hij keerde zijne zakken het binnenste buiten, hij deed zijne schoenen uit en liet zijne kleederen bevoelen en betasten door wien maar wilde. Vervolgens onderwierp hij ieder zijner ondergeschikten aan hetzelfde onderzoek. Eindelijk kwamen de gasten een voor een voor en ondergingen opvolgend het meest nauwkeurige onderzoek.

Helaas! dat alles gaf niets!

Al de hoekjes en gaatjes van de feestzaal werden met de meeste zorg doorgesnuffeld.... men vond zelfs geen spoor van den diamant!

“Nu de Kaffers, die met het bedienen der tafel belast waren!” zei de politiebeambte, die de zaak nog niet wilde opgeven.

“Dat’s juist!.... De Kaffers zijn de schuldigen!” kreeg hij tot antwoord. “Zij zijn diefachtig van aard genoeg, om dat schelmstuk uitgevoerd te hebben!

De arme drommels hadden evenwel het vertrek reeds verlaten, vóór dat John Watkins zijn toast uitbracht, daar hunne diensten niet meer benoodigd waren. Zij zaten buiten neergehurkt rondom een groot vuur, dat in de open lucht ontstoken was. Zij hadden lekkertjes gesmuld van de kliekjes vleeschspijzen, die van het feestmaal waren overgeschoten en waren juist op het punt een echt Kaffersch concert te beginnen. Zij hadden reeds hunne guitaren gegrepen, die van een kalabas vervaardigd waren, hunne fluiten, waarin zij met de neusgaten bliezen, hunne schelklinkende tamtams, van verschillende grootte, en waren reeds begonnen dat helsch rumoer te laten hooren, hetwelk iedere muziekuitvoering der inboorlingen van Zuid-Afrika voorafgaat.

Die Kaffers begrepen waarachtig niet volkomen, wat men van hen verlangde, toen men hen naar binnen riep om hen te betasten en hunne spaarzame kleedingstukken te onderzoeken. Zij kwamen eindelijk op de hoogte, dat het den diefstal van een diamant van groote waarde gold.

Evenals de voorgaande onderzoekingen waren deze ook nutteloos en vruchteloos.

“Wanneer de dief onder de Kaffers schuilt—wat voor mij aan geen twijfel onderhevig is”—zei een der gasten “dan heeft hij tienmaal meer tijd gehad dan noodig is, om het gestolene op eene veilige plaats te bergen!”

“Dat’s buiten eenige twijfel,” zei de politiebeambte, “en er is maar één middel om hen te noodzaken zich zelven te verraden, en dat is om zich tot een toovenaar of waarzegger van hun ras te wenden. Die lokt soms verrassende uitkomsten uit.”

“Als gij het toestaat,” zei Makatit, die zich nog bij zijne reisgenooten bevond, “dan kan ik de proef leiden!”

Dit aanbod werd terstond aangenomen. De gasten rangschikten zich aaneengesloten rondom de Kaffers, waarop Makatit, die in de rol van toovenaar geheel en al te huis was, zijne voorbereidselen trof, om zijn onderzoek te beginnen.

Vooraf nam hij twee of drie snuifjes fijne tabak uit een hoornen snuifdoos, die hij steeds bij zich droeg, en snoof die krachtig op.

“Ik zal thans de proef met de stokjes nemen!” zei hij toen dat snuiven afgeloopen was.

Hij ging bij een naburigen struik een twintigtal stokken afhakken, die hij nauwkeurig afmat en op gelijke grootte, namelijk van twaalf Engelsche duimen sneed. Toen deelde hij die aan de Kaffers uit, die op een gelid gerangschikt stonden en behield er een voor zich.

“Gij kunt u gedurende een kwartier uurs verwijderen, waarheen gij wilt,” zeide hij op plechtigen toon tegen zijne makkers, “maar gij moet terugkomen, wanneer gij den tam-tam hoort weêrklinken! Wanneer de dief onder u schuilt, dan zal zijn stokje drie vingers langer geworden zijn.”

De Kaffers, zeer onthutst door die toespraak, verspreidden zich, maar gevoelden zich niet op hun gemak, daar zij zeer goed wisten, dat met de korte en afdoende rechtspleging in Grikwaland iemand al heel spoedig als verdacht opgepakt, maar nog sneller gehangen werd.

De gasten van John Watkins, die de bijzonderheden van dat comediespel met alle aandacht gadegeslagen hadden, deelden elkander natuurlijk hunne gevoelens mede.

“De dief, wanneer hij zich onder die menschen bevindt, zal zich wel wachten terug te keeren,” zei de een.

“Welnu, dat zou hem juist verraden!” antwoordde de ander.

“Bah! Hij zal slimmer zijn dan Makatit en zal zich vergenoegen met drie vingerlengten van zijn stokje af te snijden, om de gevreesde verlenging te bezweren!”

“Dat is het waarschijnlijk juist wat de toovenaar hoopt. Want die onhandige verkorting zou genoegzaam den schuldige aanwijzen.”

Toen de vijftien minuten verloopen waren, sloeg Makatit plotseling op den tam-tam om zijne rechtsonderhoorigen terug te roepen.

Zij kwamen allen tot den laatste toe terug, rangschikten zich voor hem en reikten hem hunne stokjes over.

Makatit nam ze, vormde er een bundel van en bevond dat ze allen even lang waren. Hij wilde ze reeds weggooien en verklaren dat de proef afdoende de eerlijkheid zijner landgenooten had aangetoond, toen hij van gedachte veranderende, de stokjes, die men hem aangereikt had met dat hetwelk hij behield, vergeleek.

Allen waren drie vingeren korter.

De arme drommels hadden het voorzichtig geoordeeld, dien voorzorgsmaatregel te nemen tegen eene verlenging, die volgens hun bijgeloovig verstand, zeer goed plaats kon grijpen. Dat duidde nu wel op geen volmaakt zuiver geweten, en waarschijnlijk had ieder hunner in den loop van den dag den een of anderen diamant gestolen.

Een schaterlach begroette die onverwachte uitkomst. Makatit sloeg de oogen neer en scheen geheel ter neergeslagen en vernederd, dat een middel, hetwelk hem in zijne kraal zoo dikwerf bijzonder goed gediend had, nu in het beschaafde leven geheel waardeloos gebleken was.

“Mijnheer, er blijft ons niets over dan onze onmacht te bekennen!” zei toen de politiebeambte met een beleefden groet tot John Watkins, die op zijn leuningstoel in zijn wanhoop verdiept, was blijven zitten. Misschien zullen wij morgen gelukkiger zijn, wanneer wij eene groote belooning zullen uitloven aan hem die ons op het spoor van den dief zal brengen!”

“De dief,” riep Hannibal Pantalucci eensklaps uit. “Maar waarom zal hij dat niet zijn, wien gij opgedragen hadt zijne gelijken te beoordeelen?”

“Wat wilt gij daarmee zeggen?” vroeg de officier van politie.

“Welnu.... die Makatit, die daar de rol van toovenaar op zich nam, heeft kunnen hopen alle verdenking van zich af te wenden!”

Wie in dat oogenblik aandachtig op Makatit gelet had, zou hem een leelijk gezicht hebben zien trekken, en hem de zaal hebben zien verlaten om op een drafje naar zijne hut te snellen.

“Ja,” hernam de Napolitaan, “hijwas steeds bij diegenen zijner makkers die den dienst binnenskamers verrichten!.... Hij liep heen en weer!.... Dat is een schurk, een schoft, wien mijnheer Méré zeer genegen is, men weet waarachtig niet waarom.”

“Makatit is eerlijk! Daar durf ik voor instaan!” riep miss Watkins uit, die gereed was voor den bediende van Cyprianus in de bres te springen.

“Wat weet jij er van?” grauwde John Watkins zijne dochter ruw toe. “Ja....! hij is in staat om den diamant gestolen te hebben!”

“Hij kan niet heel ver zijn,” hernam de politiebeambte. “Binnen weinige oogenblikken zullen wij hem doorzocht hebben. Als deZuidsterin zijn bezit gevonden wordt, dan zal hij net zooveel zweepslagen ontvangen, als zij karaten zwaar is en als hij vóór dien tijd nog niet bezweken is, zal hij na den vierhonderd twee en dertigsten slag opgeknoopt worden!”

Miss Watkins ijsde bij het vernemen van die wreede taal. Al die half wilde mannen klapten in de handen bij het hooren van die afschuwelijke uitspraak van den politiebeambte. Maar wat te doen tegenover die woeste naturen, die geen wroeging noch medelijden kenden?

John Watkins bevond zich met zijne gasten een oogenblik later voor de hut van Makatit en zij braken de deur open.

Makatit was er niet en te vergeefs wachtte men hem gedurende den geheelen nacht op.

Den volgenden morgen was hij nog niet terug. Men moest toen wel erkennen dat hij de Vandergaart-Kopjesmijn verlaten had.


Back to IndexNext