De brief was inderdaad van een wanhopende banaliteit, en, op vele plaatsen, bijna onbegrijpelijk. Behalve wat hij schreef over zichzelf en zijn gezondheid, die eerst wel wat te wensen overliet tengevolge van zeeziekte, vergenoegde Massijn zich met zijn reisindrukken weer te geven, door het nagenoeg louter abstracte citeren der eigennamen van ontmoete personen of geziene dingen. Hij schreef: 'den zesden juni is het schip ongeveer vijf uren stil gebleven vóór Madeira om kool in te laden, en den volgenden morgen hebben wij deCoomassieontmoet die naar Europa terugtoog', maar zonder door een enkele omschrijving aan te duiden, wat voor een uitzicht Madeira wel had, noch wat deCoomassieook zijn mocht. Ofwel hij vertelde: 'Terwijl ik zit te schrijven komt mijn goede vriend dokter Dancla mij voorstellen samen in den bar een cocktail te gaan nemen'; of nog: 'Ik moet het schrijven staken want wij zijn reeds volop in 't gezicht van Las Palmas, waar ik mijn brief zal posten...', doch zonder evenmin uiteen te zetten wie of die nieuwe goede vriend dokter Dancla, waarvan hij vroeger nooit gesproken had, wel wezen kon, noch wat de cocktail of de bar betekende, noch vooral wat zijn mocht dat tantaliserend iets, dat meester De Vreught, in zijn nuchtere-verbeelding, zich als de betoverende verschijning van een Eden voorstelde: volop in het gezicht te komen van Las Palmas.
Hij voelde zich in hoge mate teleurgesteld, hij zette haastig zijn hoed op en liep bij zijn buurvrouw aan, in de hoop dat Fortuné tenminste aan zijn moeder en zijn zuster meer bijzonderheden zou geschreven hebben.
Maar de brief, die zij van hem gekregen hadden bevatte volstrekt niets interessanter. Ook dáárin geen de minste beschrijving van al de wonderen die hij toch moest gezien hebben. Trouwens, daarom bekreunden moeder Massijn en Fietje zich het minst. Het enige wat hun van belang kon wezen was hem in goede gezondheid te weten, en zij weenden van zalige ontroering omdat zijn brief, goddank, hen dienaangaande had gerustgesteld.
Meester De Vreught, meer en meer teleurgesteld, verliet hun woninkje en begaf zich beurtelings bij de heren Spittael en Potvlieghe, alsook naarHet huis van Commercie. Hij vond zijn twee vrienden niet minder ontgoocheld dan hijzelf was, vooral de handelaar in kolen, die dolgaarne iets meer zou vernomen hebben aangaande dat interessante kolen inladen vóór Madeira; en, wat Eulalie betreft, die stond vuurrood in de herberg achter de schenktafel en weigerde bepaald iets van de brief, die ook zij ontvangen had, te laten lezen: alleen verzekerde zij meester De Vreught dat er volstrekt niets in stond van de dingen die hem zozeer interesseerden.
Die avond, inHet huis van Commercie, omringd van een groep dorpelingen die het nieuws van de aangekomen brieven daar aangelokt had, praatten die heren langdurig over de gewichtige gebeurtenis. Een wereldkaart, ergens uit de diepten van een lade door meester De Vreught opgegraven, werd in de gelagzaal op een tafel uitgespreid, en, bij gebrek aan iets beters, inventeerde meester De Vreught zelf, voor de hem gapend omringende toehoorders, de uitleggingen die hij zo graag van Massijn zou vernomen hebben. Madeira, waar deLoualabagedurende vijf uren het anker geworpen had om kolen in te laden, was het klein eiland daar in volle oceaan, waar de, onder die naam alom vermaarde, zo lekkere morgenwijn vandaan kwam. Meester De Vreught had er nog enkele flessen van in zijn kelder, doch was het nu toch niet jammer dat Fortuné zijn kort verblijf aldaar niet had te baat genomen, om, al was 't ook slechts een klein vaatje van die fijne drank naar Akspoele te sturen, zodat men eens over 't verschil kon oordelen? Maar wat mocht wel die cocktail zijn, welke die dokter Dancla aan Massijn voorgesteld had in de bar te gaan nemen? Waarschijnlijk een grote vis en de 'bar' ongetwijfeld het barkje, het schuitje waarmee zij hem zouden vangen. Blijkbaar waren de passagiers, die ganse dagen niets te verrichten hadden, aangelokt tot zulk een tijdverdrijf. Wat betreft Las Palmas, de plaats waar Massijn zijn brieven naar de post gebracht had, dat was de hoofdstad van dit eiland hier 'la grande Canarie'. Natuurlijk was het daar, zoals de naam het genoeg aanduidde, vol prachtige palmbomen, net als in het eiland zelf de kanarievogels zo overvloedig moesten zijn als te Akspoele de mussen. Hier, tenminste, schilderden de namen zelf het tafereel; maar nog eens, hoe jammer toch dat Fortuné niet van zijn bezoek geprofiteerd had om een twintigtal of zo van die kanarievogels te vangen en ze naar Akspoele te zenden. Men zou ze hebben laten kweken met die men hier in kooien hield, en zonder enige twijfel zou het ras er merkwaardig door verbeterd zijn. Neen, waarlijk er ontbrak aan Fortuné een gave om fortuin te maken in den vreemde. Indien hem, meester De Vreught, zulk een heerlijke kans te beurt gevallen was, zou hij alles, alles wat maar enigszins in zijn bereik kwam, waargenomen hebben. In weinige jaren tijd zou hij schatrijk geworden zijn; dát voelde hij. Hoe jammer, hoe ontzettend jammer, dat Fortuné zich zo maar alles liet ontsnappen!
Opnieuw verliepen veertien dagen. Dan, op een morgen, deelde de Bavelse brievenbesteller een tweede zending vreemde brieven in Akspoele uit. Deze droegen op de omslag postzegels met het beeld van koning Leopold en waren gestempeld uit Boma. En, van toen af aan, kwamen zij regelmatig om de veertien dagen of drie weken, en werden zij ook wel van lieverlede wat interessanter.
Terwijl Fortuné nog te Boma was, wachtend tot de karavaan waarmee hij naar 't binnenland vertrekken zou haar laatste toebereidselen voltooide, had hij het antwoord van meester De Vreught op zijn eerste brief ontvangen; en nu de tocht begonnen was, maakte hij soms van de avondrust gebruik om in zijn tent aan zijn vrienden van het vaderland te schrijven, en het al te droge van zijn eerste brieven door meer schilderachtige en anekdotische verhalen te vergoeden.
In de aanvang waren die mededelingen vol gloed en geestdrift: o, de natuur was prachtig, wonderschoon in Afrika; het was er een voortdurend Eden, waarin de mensen leefden als goden; doch van lieverlede begon die hartstocht te verzwakken, verradend een gedwongenheid, een opgeschroefdheid om het optimisme vol te houden, waarbij aldra een meer en meer ontmoedigde teleurstelling tussen de regels heen duidelijk leesbaar werd. Op zekere morgen, een drietal maanden na Massijns vertrek, ontving meester De Vreught van hem een brief van niet meer te bedwingen pessimisme en ontgoocheling.
'Lieve meester', schreef hij tot de gepensioneerde onderwijzer, 'ik moet volstrekt eens mijn hart bij u uitstorten. Naar huis en aan Eulalie schrijf ik voortdurend opgeruimde brieven om ze daar niet te bedroeven; maar u durf ik toch wel vertrouwelijk zeggen dat alles in dit land lang niet zoo rozekleurig is als zij in België wel denken, en dat er hier wel heel veel leelijke en triestige dingen gebeuren, die niet zouden mogen zijn. En, het is zoo: de Europeanen, die hier zoo gezegd komen om de wilde volken te beschaven, hebben doorgaans de grootste schuld daaraan.
Enkele dagen geleden had onze karavaan, die bestaat uit twee honderd vrachtdragers, een twaalftal inlandsche soldaten en vijf blanke reizigers, met valavond stilgehouden in de nabijheid van een dorp. Daar de plaats geschikt bleek te zijn besloot de kommandant er te kampeeren. Het avondmaal werd ons, als naar gewoonte voorgedischt in de groote tent, en, nadat men veel gegeten en gedronken had, (want, meester, gij hebt geen idee van wat hier door de Europeanen gedronken wordt) begaf zich een ieder van ons naar zijn afzonderlijke tent om er den nacht door te brengen.
Alles was stil geworden in het kamp, en in een diepen slaap lag ik van mijn vermoeidheid uit te rusten, toen ik plotseling door een razend gedruisch van geschreeuw en geweerschoten wakker werd geschrikt. Met een angstkreet sprong ik op, greep mijn geweer, snelde half aangekleed buiten, gevolgd van mijn boy die gilde of hij vermoord werd.
Lichten dwarrelden verwilderd door het kamp, halfnaakte mannen renden tusschen de tenten heen, op vijftig passen afstands kraakte een onderbroken musketsalvo, vergezeld van kreten en vloeken, om u het bloed in de aderen te stollen. Het waren de inboorlingen van het nabijgelegen dorp die het kamp bestormden. Dat duurde zoo ruim een half uur in een gebriesch en een verwarring zonder weerga. Dan werd alles weer stil. Men hoorde niets meer in den donkeren nacht dan het akelig geklaag der gekwetsten en stervenden.
Nog ganse ontsteld, vreezend dat er dooden waren onder onze blanken, vloog ik naar de groote tent, waar wij den vorigen avond gedineerd hadden. Maar ik zag dadelijk dat mijn vrees ongegrond was. Mijne vier blanke medereizigers stonden ongedeerd rondom een tafel waarop twee kaarsen brandden. Zij lachten zelfs uitbundig toen ik binnenkwam, en, terwijl een boy twee flesschen champagne en glazen op de tafel schikte, ontwaarde ik, tot mijn stomme verbazing, bij het weifelend schijnsel der kaarsen, in eenen hoek der tent vier halfnaakte vrouwen: vier jonge negerinnen die zich bevend en huilend van schrik tegen elkaar aandrongen. Verbaasd bleef ik een oogenblik aan den ingang der tent het tafereel aanstaren. Dan vroeg ik wat er gebeurd was, waarom de inboorlingen het kamp hadden aangevallen.
'O, ziedáár waarom,... omdat wij een beetje pret wilden maken', antwoordde de chef der karavaan, met den vinger naar de negerinnen wijzend. En met iets spottends in zijn op mij gevestigden blik.
'Zeg eens, zijt gij alleen dan vrijgezel gebleven, dezen nacht' schertste hij.
Ik laat u denken, waarde meester, hoe verontwaardigd ik was. Ik boog zonder een woord te spreken en ging de tent uit. Maar eerst den volgenden morgen vernam ik de gansche waarheid: die mooie heeren hadden met geweld de vier vrouwen in het dorp doen schaken, en 't was om zich te wreken dat de inboorlingen 't kampement bestormd hadden. En dát noemt men in België de wilde volken beschaven! Weet ge wat ze bijzonder goed van onze beschaving onthouden hebben, meester: vloeken en jenever drinken. Voortdurend, bij elke inspanning, als ze een vracht moeten sleuren, als ze eens flink moeten roeien, komen de godverrr...s en de sakerrr...s uit hun mond gerold. Ze vloeken gelijk duivels, waarde meester; en, wat de jenever betreft, zoodra ze daar maar kunnen aan geraken drinken ze er op los tot ze vallen. Mijn meening is, meester, dat die menschen veel gelukkiger waren vóór zij onze beschaving kenden. Maar de goddelijke rechtvaardigheid straft zulke gruwelen als de Europeanen hier bedrijven. Zij allen die zich zóó aan den drank en aan deZwarte Kostovergeven, worden al spoedig de slachtoffers hunner eigen misdaden. Het vreeselijk klimaat van Afrika straft hun overdaden met een doodvonnis, en het is wel besteed.
Ziehier nu, waarde meester, nog een andere gebeurtenis. Het is gebeurd eergisteren, tijdens een stilstand onzer karavaan in eene factorij aan den oever der rivier. Ik zal maar liever geen namen van plaats noch personen noemen; een brief geraakt zoo gemakkelijk verloren in deze wilde streken, en hier, evenals in België, en misschien nog meer dan in België, bestaat er zooveel jaloerschheid, geheime aanklacht, bespieding. Enfin, waarde meester, ziehier, in korte woorden, wat het is.
Toen wij op de bewuste plaats aankwamen zagen wij naast de kade der factorij een kleine stoomboot van den Staat liggen, die op het punt was om naar Boma te vertrekken. Er waren verscheidene blanke passagiers aan boord, waaronder namelijk de chef der factorij, die, na zijn volbracht termijn van drie jaren, naar Europa terugtoog. Het is, tusschen haakjes gezegd, een in België gehuwd man, vader van vier kinderen.
Wij waren even aan boord van de stoomboot gegaan om de vertrekkende landgenooten te groeten, en wij keerden bij de aan den oever rustende karavaan terug, toen eensklaps, terwijl het stoombootje de kade verlaat, op den top der rots welke op die plaats over den stroom helt, een gillend angstgeschreeuw weergalmt. Schrikkend slaan wij de oogen op, en ontwaren op de spits der rots, aan den boord zelven van den afgrond, een vrouw, een jonge negerin, die, smeekend en huilend, met gebaren van wanhoop haar beide armen, waarin zij een klein kind houdt, naar het vertrekkende schip uitstrekt. En plotseling, op het oogenblik zelf dat achter haar twee negers komen aansnellen die haar grijpen willen, werpt zij een laatsten schreeuw uit en springt van meer dan honderd meters hoog met haar kind in den stroom...
Op die plaats, meester, buitelt het water van den Congo in wild-schuimende draaikolken over een bed van scherpe rotsblokken. Zelfs de sterkste zwemmer zou er bezwaarlijk zijn leven kunnen redden. Ook durft niet een enkel onzer redders, ondanks al hunne moed, in 't water springen. Vier mannen snellen in een schuitje en pagaaien uit al hunne macht een vijftigtal meters stroomafwaarts, waar de rampzalige vrouw, medegesleept door den wilden stroom, een enkel oogenblik is opgedoken, haar kind steeds in de armen houdend. Doch alle pogingen zijn vruchteloos. Na ruim een half uur zoeken en peilen moest men het opgeven.
Welnu, meester, wilt gij weten wie die vrouw was en waarom zij in den stroom sprong!... Zij was de bijzit van den chef der factorij, van dien in België gehuwden man en huisvader; en zij bracht zich met haar kind, met zijn kind om 't leven, omdat hij weigerde haar op zijn terugreis met zich mee te nemen.
P.S. Veel groeten van uw beste vrienden, de jonge prinsen Albert Badoe en Boudewijn Soera. Gij kunt u maar niet verbeelden hoe gelukkig zij waren toen zij hun vaderland terugzagen. Doch het is jammer dat ze haast dadelijk weer zoo vreeselijk wild geworden zijn. Het is of al het vernis van beschaving, dat zij uit België medebrachten, hun plotseling ontnomen werd. Zij hebben reeds driemaal tegen andere knapen van hun leeftijd gevochten, en men is er ook toe genoodzaakt geweest hun de vóór het vertrek uit Antwerpen als geschenk gegevene revolvers te ontnemen, omdat zij er mee op de dragers schoten. Zij willen ook geen woord van het Vlaamsch of Fransch meer spreken, dat men hun met zooveel moeite heeft geleerd. In hunne wilde taal, integendeel, praten en schreeuwen zij voortdurend. Ik vrees sterk, waarde meester, dat onze beschaving op hen al niet meer indruk heeft gemaakt dan regen op een eend.
Op weg naar Leopoldville; in mijne tent, den 3den juli, zes uur 's avonds.
Waarde Meester,
Ik kan niet laten u nog een anecdote te verhalen, die mij verontwaardigd heeft en tevens doen lachen. Het is betrekkelijk een zonderling geschenk, dat ik gisteren de gelegenheid had te ontvangen, maar hetwelk ik 'met entrain' van de hand gewezen heb.
Ik was, door den bevelhebber der expeditie, met drie soldaten en enkele dragers naar een dorp uitgezonden geweest, om er, tegen ruiling van kralen, katoenlinnen en... whisky, levensmiddelen te bemachtigen.
Zoodra ik in het dorpje aankwam beval ik dus, zooals de gewoonte is, musketsalvo en tromgeroffel, en liet ik mij aan het inlandsch opperhoofd voorstellen.
Deze, een oude grijze dronkaard met een afzichtelijke tronie, walgwekkend van smerigheid, zat, of liever lag half uitgestrekt op eene vuile mat, vóór het rampzalig strooien krot, dat hem tot Koninklijk paleis diende. Rechts en links stonden, fiks en onbeweeglijk, twee schildwachten. Op zijn bevel komt een slaaf te voorschijn met een beker vol palmwijn, en nadat de oude vuilik er met zijn kwabbige lippen een slok van gedronken heeft, reikt hij mij den beker toe met het verzoek zijn voorbeeld na te volgen, ten teeken van vrede. Ik ben wel genoodzaakt zulks uit beleefdheid te doen, doch gij kunt denken, meester, met welken afkeer. Ik dacht dat ik er waarlijk van zou braken. Enfin, ik doe het toch en nadat ik hem de geschenken overhandigd heb, die wij in name van onzen kommandant voor hem medebrachten, begin ik, door tusschenkomst van onzen tolk, het doel van mijn bezoek uit te leggen.
De kerel aanvaardt met welgevallen onze giften, en, na een woordenwisseling van enkele minuten, komen wij overeen aangaande den prijs der te leveren eetwaren. En ik sta op tot afscheidnemen, toen de man mij door onzen vertolker laat begrijpen, dat hij mij ook een geschenk wenscht te geven. Daarover betuig ik hem natuurlijk mijn dank; en, op een nieuw bevel van hem, verschijnt, ik laat u raden wat meester, ik geef u duizendmaal om het te raden,... welnu, op zijn bevel verschijnt een negerin,... een nog al aardig negermeisje van misschien een vijftiental jaren! Mij minzaam toelachend bleef zij op een drietal passen afstands staan, terwijl de tolk, in name van den Koning sprak:
—Boeboe Ramaga (zoo luidde de naam van dien kerel) verzoekt den blanken reiziger de jonge Khabinda als geschenk van hem te aanvaarden.
Ik hoef u niet te zeggen, waarde meester, of ik pal stond van verbazing. Het rood der schaamte en der gramschap steeg mij naar de wangen; en brutaal, op een toon en met een air die geen twijfel lieten over mijn gevoelens, gaf ik in 't Vlaamsch, ja meester, in echt ruw Axpoelsch Vlaamsch aan den ouden vuilik dit antwoord:
—Merci, mijnen boas, ge zij bedankt; 'k en moe van ouweZwarte Kostnie weten!...
Er ontstond een moment onheilspellende stilte en ik dacht wel, waarde meester, een onaangenaam oogenblik te passeeren. Doch 't zij het opperhoofd en zijne hovelingen mijn beleediging niet voelden, of het beneden hun waardigheid achtten er notitie van te nemen, geen van hen liet eenigen toorn noch verontwaardiging blijken. Alleen toen de jonge negerin, die dadelijk besefte wat er omging, mij met een minachtend lachje en een ophaling der schouders den rug toekeerde, werd het den koning min of meer duidelijk wat ik gezegd had, en gaf hij mij dit ontzettend wederantwoord, dat ik hier zoo decent mogelijk vertaal.
—Welnu, als ge niet verlangt op de gewone manier haar de uwe te maken, eet ze dan op.
Dat klonk nu toch zoo gek, waarde meester, dat ik mij, ondanks mijn ergernis, niet kon weerhouden er luid om te lachen. Doch ik kwam terstond tot het bewustzijn mijner deftigheid terug, en, om een einde aan dat tevens pijnlijk en walgelijk tafereel te brengen, maakte ik twee stappen vooruit in de richting van den koning, en liet hem zeggen door den tolk:
—Boeboe Ramaga, de blanke chef bedankt u voor 't geschenk dat gij hem geven wilt, doch liever verkreeg hij iets anders, bij voorbeeld een keus van inlandsche sieraden en wapens.
Boeboe Ramaga schoot in gullen lach, en, nadat hij mij een oogenblik met een air als van meewarige spotternij had aangekeken, stemde hij toe in mijn verzoek. Het negerinnetje verdween, en twee slaven brachten gansche armvollen van de verlangde voorwerpen aan.
Ik heb in dat vreemd arsenaal een mooie, rijke keus gemaakt, waarde meester, en geloof wel dat ik niet vergeten heb ook voor u iets op zij te leggen. Als wij te Leopoldville zullen aangekomen zijn zal ik u met de eerste gelegenheid een aantal aardige dingen opsturen. Vindt ge niet dat zoo iets heel wat beter is, dan gelijk zooveel anderen aan den Zwarte Kost te doen?
P.S. Veel komplimenten aan mijn goede vrienden de heeren Potvlieghe en Spittael. Zeg hun dat ik hun ook met de volgende mail zal schrijven, doch verder aan niemand een woord, niet waar? over alles wat ik u in mijn laatste brieven vertrouwelijk heb meegedeeld. Thuis bij moeder, en inHet huis van Commerciemoogt ge daar vooral niet van gewagen. Ik schrijf met dezen zelfden post naar moeder en naar Eulalie, doch zonder van die leelijke quaestie van den Zwarte Kost te spreken.
P.S. Badoe en Soera hebben ons gisteren verlaten en ik mag u verzekeren, meester, dat ik het geenszins betreur. Ze moesten de rivier over varen om naar hun land—of beter gezegd, naar het land van Soera's vader, bij wien Badoe een tijd gaat logeeren,—terug te keeren, en wilt gij eens weten, wat ze gedaan hebben toen zij in het schuitje zaten? Naar ons gegooid met groote steenen, waarvan zij heimelijk een ganschen voorraad hadden opgedaan. Wat 'n schurken! Ik ben beschaamd dat ik er ooit mee op Axpoele geweest ben.
Het begint hier heet te worden! Eerst ging het nogal, maar nu wordt het bepaald onuitstaanbaar. Gelukkig voor mij dat ik niet mee doe aan die quaestie van den Zwarte Kost.
Mijn beste groeten aan uw zuster en gansch vriendschappelijk de uwe
FORTUNÉ MASSIJN.
Die kwestie van de Zwarte Kost...! Het scheen wel of Massijn er tot kwellens toe mee bekommerd was; en zij allen, die van hem brieven uit Congoland ontvingen, deelden weldra aan elkaar deze opmerking mee. Naar zijn schrijven te oordelen, zou men hebben kunnen denken, dat er niets anders interessants in het verre land bestond noch gebeurde. Beurtelings ontvingen de heren Potvlieghe en Spittael, en weldra ook moeder Massijn en Eulalie brieven van Fortuné, waarin, ofschoon met minder vrije ontboezemingen dan in zijn schrijven aan meester De Vreught, diezelfde zonderlinge benaming voortdurend terugkwam. En andere kennissen die hij had in de omringende dorpen en aan wie hij ook nu en dan schreef, vertelden eveneens dat Massijns brieven sinds enige tijd vol waren met zinspelingen op de Congolese vrouwen. Men begon er, in sommige herbergen, glimlachend over te fluisteren, moeder Massijn en Fietje voelden er een soort van schaamte over, en inHet huis van Commercieverliet Eulalie met rode wangen en mokkend gezicht de gelagzaal, zodra dat kiese onderwerp ter tafel werd gebracht. Blink, de onbescheiden blikslager, geneerde zich niet om luid te zeggen dat Massijn, in plaats van altijd tegen de zwarte kost uit te varen, beter zou gedaan hebben er ook eens van te proeven gelijk de anderen, want dat allen het deden, en dat hij, Blink, het ook gedaan had, toen hij diende onder het vreemd legioen, in Algiers.
Toen verliepen er enkele weken zonder dat men nog enige tijding van Fortuné in Akspoele vernam. En ofschoon moeder Massijn en Fietje opnieuw zeer ongerust begonnen te worden, toch vonden zij dat stilzwijgen nog beter dan die ellendige brieven vol toespelingen, waarover enkele dorpelingen zich vrolijk maakten en velen zich ergerden. Men had namelijk opgemerkt dat de drie juffrouwen Balcaen, diezelfde zedige juffrouwen, die destijds, midden in Kinels voordracht, zo vreselijk geërgerdHet huis van Commercieverlieten, reeds tweemaal Fietje Massijn op straat ontmoet hadden zonder haar te groeten, en men beweerde insgelijks dat meneer de onderpastoor op een morgen bij de weduwe Massijn gekomen was, om over die storende brieven van Fortuné een soort onderzoek in te stellen. Stellig toch had Fietje uitdrukkelijk haar broeder verzocht voortaan in zijn schrijven van al die lelijke dingen niet meer te gewagen. En, net of Fortuné onmiddellijk aan dit dringend verzoek had kunnen voldoen, kwam er drie dagen daarna een brief van hem, die zich met Fietjes schrijven gekruist had, waarin geen enkel woord over het kiese onderwerp meer voorkwam. Fortuné vertelde slechts, na enkele onbeduidende dingen, dat hij door een hevige aanval van malaria was aangetast geweest, en dat hij, ofschoon hersteld, zich nog zeer zwak gevoelde en grote voorzorgen moest nemen.
Daarop verliep nogmaals een maand zonder enige tijding van hem. Dan weer, op een morgen, drie brieven: een voor zijn moeder en Fietje; een voor Eulalie en een voor meester De Vreught. En nog eens geen enkel woord, geen de minste zinspeling meer over het onderwerp waarmee hij maanden lang zo uitsluitend bezig was geweest. Hij sprak breedvoerig over zijn betrekking en werkzaamheden als onderintendant; over de steeds brandend-heter wordende dagen en de bijna koude nachten, over een nieuwe koortsaanval, die hem drie dagen lang bedlegerig gehouden had. Hij vertelde ook dat hij in de bossen rondom zijn factorij heerlijke reuzenbloemen ontdekt had, waarvan hij 't zaad zou trachten op te doen; en dat hij vlinders had gevangen die zo groot waren als vogels, met gouden en azuren wieken, die hij aan meester De Vreught zou opzenden om er zijn collectie mee te verrijken. En slechts op het einde van zijn brieven kwam nog iets als een duistere herinnering aan wat hem vroeger zo halsstarrig obsedeerde, namelijk dat men in Congoland steeds zo bijzonder op zijn gezondheid letten moest, en dat de kleinste buitensporigheid, van welke aard ook, er de Europeaan zo verschrikkelijk duur werd betaald gezet. Een van de blanken, die hem op de tocht vergezelden, was, na een ontdekkingsreis in 't binnenland, zó ziek in Leopoldsville teruggekomen, dat hij drie dagen daarna overleden was. Maar was het ook niet krankzinnig: hij hield er niet minder dan drie inlandse vrouwen op na. Had hij zich dan nog met één enkele tevreden gesteld!
En het was op een zachte, heerlijke meimorgen, juist elf maanden na zijn vertrek, dat plotseling in Akspoele deze ontzettende tijding als een loopvuur werd verspreid:
—Massijn is in Congoland gestorven!
Meester De Vreught lag nog te bed, toen hij de Bavelse brievenbesteller; die de courant bracht, tot zijn zuster, die een kreet van smart en medelijden slaakte, deze schrikkelijke woorden hoorde zeggen.
Hij sprong uit zijn ledikant, verscheen half aangekleed, met verwilderd—uitgezette ogen in de gang, ondervroeg dringend de postbeambte, die zijn ontzettende woorden herhaalde, erbij voegend dat de akelige tijding de vorige avond per telegram uit Brussel verzonden was.
Toen kleedde de meester zich ijlings aan, zette zijn hoed op, en snelde naar het huisje van de weduwe Massijn.
Alvorens zelfs een woord te spreken kon hij zich overtuigen, dat de smartelijke mededeling maar al te waar was. Moeder Massijn en Fietje, van droefheid op stoelen ineengezakt, stortten, evenals op de dag van Fortunés vertrek, wanhopig hete tranen; en op 's meesters ontroerde vraag, liet Fietje hem het telegram zien dat men de vorige avond uit Boma te Brussel ontvangen, en dadelijk naar Akspoele overgeseind had:
Fortuné‚ Massijn, sous-intendant Leopoldville, décédé 13 Mars fièvre hématurique.
Het was, in Akspoele, een opschudding bijna zo groot als op de dag toen Fortuné voor altijd wegging. Doch, hoe vreemd, zeer weinig medelijden mengde zich in de ontzetting van de dorpelingen. Met Fortunés noodlottig einde scheen ook eensklaps al de grootheid van zijn onderneming in puin gestort te zijn, en er niets meer over van te blijven dan het dwaze en het onbezonnene. Alle de dorpelingen, tot zelfs zijn vurige bewonderaars de heren Potvlieghe, Spittael en De Vreught waren het eens om te zeggen dat hij de grootste der domheden begaan had, en het vrijwillig slachtoffer was van zijn overmatige hoogmoedswaanzin. Zelfs voegde de lelijke Blink, in zijn verwaande kennis van de Afrika-toestanden er een bijna boosaardige zinspeling aan toe: aan een gapend vóór zijn deur geschaarde groep dorpelingen, die hem naar de oorzaak van Massijns dood ondervroegen, en de veronderstelling opperden of hij wellicht niet door de wilden opgegeten was, durfde Blink met een ondeugend geknipoog deze sterk gewaagde uitlegging geven:
—Door wilden opgegeten?... Neen, hoor... neen neen neen,... ik weet immers wel hoe het er in Afrika toegaat, nietwaar? En stiller, terwijl hij geheimzinnig glimlachend tot zijn verbaasde toehoorders neeg:
—Die jongen praatte te veel over de Zwarte Kost. Hij zal er op zijn beurt ook eens van geproefd en er te veel van gegeten hebben.
Drie dagen later werd er, in het kerkje van Akspoele, een plechtige zielmis gezongen ter nagedachtenis van Fortuné Massijn, overleden in Congoland voor de beschaving van zijn heidense broeders.
Omheen en achter de met brandende waskaarsen omringde catafalk, waarvan het houten geraamte onder het zwart lijkkleed met zilveren franjes de akelige vormen van de afwezige doodkist voorstelde, had een drukke schaar dorpelingen van beide geslachten plaatsgenomen. Dáár, geheel in 't zwart gekleed, zaten wenend neergeknield op de eerste rij stoelen, moeder Massijn en Fietje, met aan hun zijde, als een lid van de familie, de ook bitter huilende Eulalie uitHet huis van Commercie. Dan waren het, langs de kant van de mannen, naast de heren De Vreught, Spittael en Potvlieghe, die hun zwarte jas van de plechtige omstandigheden aangetrokken hadden, nagenoeg al de voornaamste ingezetenen van 't dorp, benevens een aantal boeren uit 't omliggende; en, aan de overzijde van de middengang, langs de kant van de vrouwen, mevrouw en mejuffrouw Spittael, mevrouw Potvlieghe en mejuffrouw De Vreught, de twee juffrouwen Speleers en de vier juffrouwen Van Vreckem, en zoveel anderen. Slechts de drie juffrouwen Balcaen waren er niet te zien en hun afwezigheid verwekte grote opspraak. Naderhand werd verteld, dat zij de plechtigheid niet hadden willen bijwonen, om reden van de lelijke gesprekken, die de blikslager Blink over de oorzaak van Massijns dood in het dorp gehouden had.
Drie maanden later, toen Massijn reeds lang, ver van verwanten en vrienden in den vreemde begraven lag, en zelfs in zijn geboortedorpje begon vergeten te worden, kwam op een morgen, met de postwagen van Bavel, een lijvige koffer bij de weduwe Massijn aan. Die koffer bevatte de kleren en andere voorwerpen die aan haar overleden zoon toebehoord hadden. En bij die sprekende herinnering aan de dode barstten moeder Massijn en Fietje weer in hete tranen los. Eerst na de middag, toen hun grootste droefheid wat gestild was, ging Fietje bij de timmerman een hamer en een beitel halen, en braken zij de koffer open.
Benevens de kleren van de overledene zat hij vol met een rommel van allerlei ongelijksoortige voorwerpen. Er was een dikke bundel met bruine touwen saamgebonden wapens, een aantal grote en kleine koperen ringen; houten en leren, fijn gedreven schotels en bekers; een armvol grof gevlochten, rijkgekleurde matten; een gesloten pak met, als adres, op een van Fortunés visitekaartjes: 'voor mijn goede vriend meester De Vreught', een tweede voor de 'goede vriend mijnheer Potvlieghe'; een derde voor de 'goede vriend mijnheer Spittael'.
Moeder en Fietje legden die geschenken opzij en pakten voort de kleren uit. Gescheurde en gevlekte hemden, kamizolen en kousen vol gaten, zware, doorgesleten en scheefgelopen, rossig geworden schoenen. En de mooie, blauwe uniformjas en de mooie pet waarmee hij zo fier in Akspoele gepronkt had, waren insgelijks verknoeid, bezoedeld en verkleurd; en de schone vergulde galons hingen half ontnaaid van de mouwen, hun vroegere glans verdoft in kopergroene tinten, en omgebogen en gewrongen, als rafels platgeslagen zinkdraad. En uit dat alles walmde, met een licht wolkje stof, een lafzoete, akelige lucht, die de twee vrouwen de adem benauwde, en voortdurend nieuwe tranen in hun ogen deed opwellen.
Zij zochten in de zakken en keerden die om, hopend er nog een woord, een brief, het een of ander iets van hem te vinden, dat hun nog enige opheldering over zijn zo schielijke, tragische dood zou geven. Doch neen, zij vonden niets meer. Al wat zij nog ontdekten was, gans op de bodem van de koffer, een kleine bruinlederen portefeuille.
Fietje raapte die op en deed ze open. Zij bevatte enkele brieven uit Akspoele, een tiental visitekaartjes en Congolese postzegels; en, gans in het achterste tasje, een fotografie, met een klein, door een draadje eraan vast gebonden lokje zwart kroeshaar.
Verbaasd, de open portefeuille in de hand, bleef Fietje een ogenblik roerloos, als begreep zij niet wat het was, die zonderlinge voorwerpen aanstaren. De fotografie stelde voor een jonge negerin, naakt tot aan de lendenen, de kort-krullende haren dichtgeplant, het brons aangezicht blinkend, lachend met een strelende glimlach van ogen en tanden. De haren leken sprekend op die van het lokje; onderaan het portret, door Fortunés hand geschreven, stonden deze woorden:
MIJN LIEVE KHAMISSI
—Moeder,... zeg, moeder, zie eens hier...
Fietje, eensklaps kersrood geworden, stak, met iets als een zweem van toorn en afkeer op 't gelaat, de portefeuille met de zonderlinge voorwerpen naar haar moeder uit. De oude vrouw, met haar door tranen verduisterde ogen, kon eerst niets onderscheiden, begreep niet wat het zijn mocht. Doch plotseling was het of haar betraande aangezicht versteende in een uitdrukking van schrik: zij slaakte een schorre zucht, gaf Fietje, met een trillend:—in 't vuur! in 't vuur! die lelijke dingen! de portefeuille terug, en zakte als vernield op een stoel, het snikkend hoofd onder haar beide handen verborgen.
Blink had dus niet gelasterd!... Fortuné had zich op zijn beurt slecht gedragen in het vreemde land, en als slachter van zijn losbandigheid was hij er gestorven! O! wie zou dat toch ooit van hem hebben gedacht!
En nu zijn die Congolese wapens en andere voorwerpen, die in de kamers van meester De Vreught, Spittael of Potvlieghe aan de wanden hangen, het enige dat nog in Akspoele aan de rampzalige Fortuné Massijn herinnert. Op feest- en kermisdagen, wanneer die heren vreemde gasten in hun woning ontvangen, leiden zij die telkens in hun salon of werkkabinet; en, wijzend met trotse glimlach op de aldaar pronkende trofeeën, zeggen zij tot hun bezoekers:
—Dat alles komt uit de wilde gewesten van het mysterieuze Afrika; dat alles werd ons van ginder opgezonden door een vriend die er gestorven is.
Dan spreken zij in onverschillige woorden een weinig over hem, en, terugkomend in de eetzaal waar de lekkere maaltijd wacht, wrijven zij zich genoeglijk de handen en wisselen zij glimlachend de opmerking hoe veel beter het toch is in het oud gemoedelijk Vlaanderen gezellig rond een welbediende dis te zitten, dan ginds zo ver en zo heel alleen de Zwarte Kost te gaan eten.
De Zwarte Kost!... Deze benaming heeft fortuin gemaakt in Akspoele! Massijn en zijn dwaasheid zijn vergeten, maar dat door hem nagelaten woord is gebleven, en brengt er, telkens als het uitgesproken wordt, een ondeugend glimlachje op de lippen.
Slechts moeder Massijn en Fietje, die steeds eenzaam in hun huisje wonen, lachen niet, als zij het horen. En Eulalie, die er maanden lang een echte marteling mee uitstond, heeft het niet meer willen horen: zij is ervoor gevlucht, zij heeft het dorp verlaten; zij huwde anderhalf jaar na Fortunés dood, een slachter van Lovergem, een dorp dat op meer dan drie uren afstand van Akspoele ligt.
En vreemd mag het heten: sinds Massijn dood is gelooft niemand in het dorp, behalve misschien de heren De Vreught, Spittael en Potvlieghe, nog een enkel woord van al de wondere dingen die de jongeling zo vaak over Congoland placht te vertellen; evenmin als wat die handelsreizigersachtige explorateur Kinel er op een zondagnamiddag inHet huis van Commerciekwam over uitkramen.
Men hecht alleen nog geloof aan de onbeschaamde verzinsels van blikslager Blink, die dadelijk klaar gezien heeft in Massijns geval, en die nog wel eens, op zondagmiddagen, een gapende groep dorpelingen rond zijn deur geschaard houdt, genietend van 't vermaak ze te verbluffen door zijn snoeven, tot de graad somtijds zijn eigen leugens te geloven.