Veertiende Hoofdstuk.

Toen de Keizer vertrokken was trachtte Prins Eugenius in Smolensk zijn verspreide troepen weder te vereenigen; met moeite onttrok hij hen aan de plundering der magazijnen en eerst den 15dengelukte het hem, acht duizend man bij elkaar te brengen, waarmee hij zich weer op weg begaf. Ook Jakob Stargardt en zijn moeder, benevens hun beide vrienden, sloten zich daar bij aan.

Het was omstreeks drie uur in den namiddag toen dit viertal het waagde, den grooten weg te verlaten, in de hoop eenig voedsel te vinden. Weldra stonden zij voor de ruïne van een huis. Het was een steenen gebouw geweest, waarvan het dak en het gansche binnenwerk bleek verdwenen. De sporen van groote bivakvuren in de omgeving bewezen duidelijk genoeg, waartoe dat binnenwerk had moeten dienen; slechts de muren waren blijven staan.

Schoon die bouwval dus weinig hopen deed, ving niettemin terstond een scherp onderzoek aan; een ieder deed zijn best om nog iets uit de ruïne op te schommelen, dat in een of ander opzicht bruikbaar wezen mocht.

Aanvankelijk bleef alle onderzoek vruchteloos.

„Ik geef het op!” zei Ros al tegen Reinier. „Maar kijk eens!—wat heeft moeder Jane daar gevonden? Daar is vast iets bijzonders, want haar zoon staat er bij met een gezicht als rook bij ossengebraad.”

Reinier keek in de aangeduide richting en zag de marketentster zich bukken tot een poging, om een zwaar stuk puin weg te wentelen.

Jakob, zonder recht te begrijpen wat zijn moedereigenlijk voor had, sloeg nu dadelijk zijn handen aan den steenbrok en rolde dien, schoon niet zonder krachtsinspanning, op zij.

„Neem nu dàt stuk óók nog weg,” zei de marketentster, nog hijgend van haar vergeefsche poging.

Jakob deed het, zonder te vragen waarom en nam daarop een afwachtende houding aan.

„Als we nu die kleine brokken ook nog wegruimen—dan zal het misschien gaan,” zei de marketentster.

„Wàt zal gaan?” vroeg Reinier, die inmiddels met Ros naderbij gekomen was.

„Wel, kijk eens in dit gat hier,” verzocht moeder Jane.

Reinier bukte en zag, tusschen de kleinere steenbrokken door, een losse trap, slechts eenige treden diep, en onder die trap, een deur.

„Dat is een kelder!” riep hij, met een uitdrukking in zijn oogen, die dadelijk aan een menigte „goede zaken” deed denken, welke een flink voorziene kelder zoo al bevatten kan.

Volijverig zetten hij en Ros zich nu mede aan den arbeid, en in een oogenblik was de trap geheel vrij. Maar de deur, of juister het luik, dat zoo zeer de algemeene verwachting gespannen hield, was goed gesloten en bood weerstand aan de krachtigste pogingen om het open te breken.

De arme zwervers waren echter sedert hun vertrek uit Moscou te zeer gewoon geraakt aan de aanwending van allerlei middelen van geweld, om lang verlegen te staan. Er werden eenige halfverkoolde stukken hout bij elkaar gezocht en tegen het luik gelegd, vervolgens werd vuur gemaakt en daarna het houtstapeltje aangestoken. Toen gingen zij blazen en de lucht in beweging brengen om het vuur goed te doen vlammen, en binnen een kwartier was het luik zoo ver verbrand, dat het verder met gemak kon worden verbrijzeld.

Jakob kroop vervolgens door de opening heen... Toen hij een oogenblik beneden geweest was stak hij het hoofd weer buiten het verbrijzelde luik en zei verheugd:„Roep nou maar, zoo luid je kunt, hoezee!—Maar, drommels, neen! laten wij ons liever dood stil houden, er mochten kapers op de kust komen!”

Toen hij dit gezegd had, wierp hij achtereenvolgens twee Westfaalsche hammen op den besneeuwden grond, en verdween weer in de diepte.

Een oogenblik later kwamen er gerookte worsten te voorschijn en Jakob verklaarde, dat er nog meer lekkernijen in den kelder waren; ja, hij geloofde, dat er ook nog wat anders in was, want er stond een groote ijzeren kist, die hij met geen mogelijkheid alleen kon optillen.

Reinier reikte Jakob nu een brandend stuk hout aan, om hem tot fakkel te dienen; maar het bleek dat de kelder, op de ijzeren kist na, niets meer bevatte dan een paar flesschen wijn. Maar de totale voorraad was toch meer dan voldoende om het viertal gedurende eenige dagen tot onderhoud te kunnen strekken.

„Wij zullen verstandig doen,” zeiJakob, zich weer bij de overigen voegend, „met die ijzeren kist maar ongemoeid te laten; het ding is zoo zwaar, dat het wel geen twijfel lijdt of het houdt geld en voorwerpen van waarde in. Wij zijn geen roovers,—laat de eigenaar zijn schat dus ongedeerd terugvinden.”

„En dan,” zei Reinier, „waarvoor zou de ballast ons dienen? Morgen zouden wij dien misschien toch moeten wegwerpen. Neen, laten wij liever eens een proefje van onze kostelijke provisie nemen; want ik moet eerlijk bekennen, dat het gezicht van al die heerlijkheden mij doet watertanden.”

Nadat alle vier zich met een teug wijn verkwikt en een paar flinke sneden ham benevens een stuk worst genuttigd hadden, besloten zij, binnen den bouwval hun bivak gereed te maken. Zij togen dus naar het nabij gelegen bosch, om een voldoende hoeveelheid hout te verzamelen.

Nauwelijks echter waren zij daar mee bezig, of zij werden door een sterke bende Russische boeren overvallen. Tegenover die groote overmacht zou alle weerstand nutteloos zijn geweest, te meer, wijl zij hun wapenenin den bouwval hadden achter gelaten. De boeren namen het viertal in hun midden en voerden hun gevangenen met zich mee het bosch in. Na een kwartier ongeveer hielden zij stil op een plaats, waar reeds verscheidene der hunnen op hen wachtten; van tijd tot tijd kwamen andere troepen den weg van Smolensk af en sommige hadden eenige Franschen als gevangenen bij zich. De Russen schenen eindelijk voltallig te zijn. Zij dreven de gevangenen te hoop, namen ze daarop in hun midden en trokken verder het woud in.

Na een half uur bereikten ze een open plaats, die echter rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge wachtvuren, waar talrijke groepen gewapende landlieden omheen lagen.

Met verwondering zagen de gevangenen ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand van haar vreedzame werkzaamheden afgerukt en midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenige maakten het eten klaar, andere poetsten wapenen, enkele zagen zij een gewonde verbinden.

Door de nabijheid van het Fransche leger hadden de Russen, die de vier Hollanders waren overvallen, zich geen tijd gegund, hun gevangenen te berooven. Thans schenen zij daartoe echter te willen overgaan. Een baardige Rus trad op moeder Jane toe en wilde haar de pelsmuts van het hoofd rukken. Onwillekeurig trad zij een stap achteruit, terwijl Jakob toesprong en den boer met de hand afweerde. Woedend hief deze nu zijn knuppel tot een geweldigen slag omhoog. Doch opeens klonk de kreet van een vrouwenstem; in 't zelfde oogenblik drong een Russin door de rijen en hield den opgeheven arm van den boer tegen. Driftig keerde deze zich om, doch toen hij zag wie hem tegenhield, veranderde zijn toorn opeens in onderdanigheid en trad hij zwijgend terug.

Jakob drukte dankbaar de hand van zijn redster in wie hij thans de vrouw herkende, die hij in Moscou tegen de roofzucht van den Duitschen soldaat verdedigd had. Met gebaren beval hij nu ook zijn drie lotgenooten in haar bescherming aan.

Zij knikte, als bewijs dat zij hem begrepen had.

Op dit oogenblik naderde de aanvoerder, die blijkbaar haar echtgenoot was. Hij scheen inlichtingen te vragen, maar aan de vier Hollanders ontging het niet, dat hij onder het uitvoerig relaas der vrouw af en toe de wenkbrauwen samen trok en herhaaldelijk het hoofd schudde.

Even later liet hij allen verzamelen en men zette zich in beweging, terwijl de vier Hollandsche gevangenen door eenige landlieden met pieken bewaakt werden.

Eindelijk bereikte men een dorp, waar de bende zich in verscheidene groepjes splitste om een onderkomen te zoeken.

De aanvoerder trok met een kleine afdeeling nog wat verder, tot zij aan een halfverwoest landhuis kwamen. Hier werden de Hollanders in een klein vertrek opgesloten, waar zij al spoedig van vermoeidheid in slaap vielen.

Nauwelijks drong het eerste licht van den wintermorgen tot hen door, of een jonge Rus trad binnen die hun eenig voedsel bracht. Moeder Jane, bij het zien van den Russischen lijfeigene, werd plotseling doodsbleek; zij uitte een kreet van ontroering... In 't volgende oogenblik lag zij, snikkend van blijdschap, in de armen van haar oudsten zoon.

„En vader?...” was Willems eerste vraag.

„Leeft niet meer!” zei moeder Jane somber.

Uit de aanwezigheid zijner moeder bij het Groote Leger had hij dit wel begrepen; toch werd hij door het antwoord hevig geschokt.

„Maar hoe ben je nuhiertoch te recht gekomen?” vroeg Jakob.

„Ja,” zei moeder Jane, „vertel ons dat toch eens: we meenden stellig, dat je ergens in Engeland zat.”

„Toen ik aan boord van dat Engelsche vaartuig gekomen was, ondernamen we al heel gauw een reis naar de Oostzee. We leden evenwel schipbreuk en, zonder een penning op zak, werd ik aan de kust geworpen. Een Russische herbergier borgde mij voor zes roebels. Betalen kon ik die niet en zoo werd ik, volgens de gebruiken van dit land, zijn lijfeigene.”

„Om zes roebels?” vroeg moeder Jane ontroerd. „Verschrikkelijk!”

„De herbergier verkocht me aan een baron en inzijndienst was het, dat ik zijn prachtige woning te Moscou moest helpen in brand steken. Gelukkig had ik, ongezien, u beiden herkend en kwam ik in de gelegenheid, u nog juist bij tijds door middel van dat briefje voor het gevaar te waarschuwen.

Toen wij ons vernielingswerk in Moscou verricht hadden, voegden wij ons bij het Russische leger, maar al heel spoedig sneuvelde de baron in een van die vele schermutselingen nabij de stad, en door zijn weduwe werd ik daarop aan een aanzienlijk koopman verkocht, mijn tegenwoordigen meester. Te Moscou bezat hij eenige groote magazijnen en winkels, maar zij werden door de Franschen geplunderd en toen trok ook hij uit omNapoleon'sleger zooveel mogelijk afbreuk te doen.

Het huis waar we nú zijn is van zijn broer, een aanzienlijk grondbezitter, die zich met al zijn volk bij de Russische landweer heeft aangesloten...

Maar nu kan ik hier heusch niet langer blijven!” brak hij eensklaps haastig af, „want dat mocht argwaan wekken. En als onze betrekking eens bekend werd, zou stellig een ander met de verzorging van u vieren belast worden.”

„Wat hebben ze eigenlijk met ons vóór?” vroeg Ros.

Willem haalde de schouders op: „Ik hoop het uit te vorschen,” zei hij onder het heengaan.

In den loop van den dag kwam hij terug. Hij wist te vertellen, dat zijn meesteres de vier gevangenen had willen vrij laten, doch haar echtgenoot was daarvoor niet te vinden. Hij vreesde, dan in moeilijkheden te komen. Sommigen mopperden al, dat Marasof, zoo heette de koopman, een gedeelte van den buit voor zich alleen behield, anderen daarentegen pruttelden, dat hij heulde met de vijanden van het vaderland. Mocht dat gemopper toenemen, dan was hij niet van plan het viertal nog langer te beschermen, maar zou hun het lot der andere gevangenen doen deelen.

Dat zag er dus vrij bedenkelijk uit en daarom werd besloten, hoe eer hoe liever te vluchten. Daar er bij de ontzettende wanorde die in het terugtrekkende Fransche leger heerschte, voor Willem Stargardt niet het minste gevaar bestond er zich insgelijks bij aan te sluiten, zou ook hij mee gaan.

Te middernacht kwam Willem, volgens afspraak, de deur ontgrendelen, waarop het viertal hem zoo stil mogelijk volgde. Na eenigen tijd met de grootste behoedzaamheid te zijn voort gegaan, bracht hij hen op een plaats waar een tweetal paarden, voor een Russische slede gespannen, aan een boom stond vastgebonden.

Onder voorwendsel dat zijn meester plotseling naar het leger van Kutusof moest afreizen was het Willem gelukt om, zonder achterdocht te wekken, aan dat zoo hoognoodige voertuig te komen.

Zij wisten, dat Ney met de achterhoede pas den 17denSmolensk mocht verlaten en hoopten dus, in den loop van den volgenden dag, diens leger te bereiken.

Zoo snelden zij dus voort, in de richting van Krasnoé. Zij reden door een groot bosch. De tamelijk heldere nacht en de sneeuw op den grond maakten dat zij den weg zeer goed zien konden. Uren aanéén snelden zij voort en met het aanbreken van den dag hadden zij den zoom van het woud bereikt. Maar nu konden de paarden onmogelijk verder; de dieren waren òp van vermoeidheid.

„Zouden wij de rest van den tocht maar niet te voet afleggen?” stelde Jakob voor. „Me dunkt, in den loop van den dag zullen wij het corps van Ney toch wel ingehaald hebben.”

„Mij best,” zei moeder Jane. „Ik ben verstijfd van de koû en een flinke lichaamsbeweging zal goed doen!”

„En de paarden?” vroeg Reinier.

„Wel,” zei Willem, „die zullen, zoodra zij uitgerust zijn, den weg naar huis wel weer terug vinden. En als de slee met de paarden weer behouden in 't dorp terug gekomen is, zullen de Russen een reden te minder hebben, om ons te vervolgen.”

Zij namen nu de weinige levensmiddelen die Willemdes avonds had kunnen inladen en na zich overtuigd te hebben, dat er geen vijand te zien was, verlieten zij daarop het woud.

Weldra behoefden zij geen oogenblik te twijfelen, of zij zich wel op den weg bevonden, dien het terugtrekkende Fransche leger genomen had, want de bodem vaniederravijn bleek bezaaid met wapens, helmen, schako's, stukgeslagen kisten, kleedingstukken van allerlei aard, voertuigen en kanonnen; sommige omgevallen; andere bespannen met neergestorte paarden, waarvan er nog leefden en waarvan er half opgegeten waren.

Ros, Jakob en Reinier zochten zich een geschikt wapen uit; Willem, vreezend dat zijn Russisch voorkomen hem bij het Fransche leger allicht in moeilijkheid kon brengen, hulde zich in een gescheurden mantel; daarop trokken zij weer voort.

Op het midden van den dag maakten zij halt om wat uit te rusten en iets van hun levensmiddelen te nuttigen.

Nauwelijks echter waren zij weer op marsch, of zij hoorden eensklaps een ontzettende ontploffing, gevolgd door het fluiten van tallooze kogels boven hun hoofd. Verschrikt bleven zij staan... Die ontploffing had plaats gehad vóór hen en in hun onmiddellijke nabijheid, op den weg zelf en—wonderlijk!—toch zagen zij nergens een vijand.

Toen ze weer verder trokken vonden zij in een bocht van den weg twee Fransche batterijen die, met munitie en al, waren achtergelaten; tevens zagen zij over het naburige veld een bende kozakken vluchten, verschrikt over hun eigen vermetelheid, die batterijen in brand te hebben gestoken en over de geweldige ontploffing, die er het gevolg van was geweest.

Zorgelijk vroegen zij elkander, wat er wel moest plaats gehad hebben, waardoor die algemeene ontmoediging ontstaan was en waarom men den vijand geheel bruikbare wapens had achtergelaten. Zou er dan zelfs geen tijd geweest zijn om de stukken te vernagelen en de munitie onbruikbaar te maken?

Onder zulke kommervolle overdenkingen vervolgde het vijftal zijn weg.

Tot nog toe hadden zij slechts de sporen gevonden van een rampzalige marsch. Thans echter was het anders geworden; wat zij nù zagen deed hun het ergste vermoeden, want zij kwamen aan een plek, waar de sneeuw rood zag van bloed, waar wapens, vuurmonden en verminkte lijken overal verspreid lagen. De gesneuvelden gaven nog de stelling der gelederen aan, hoe het gevecht had plaats gehad; zij toonden het elkander aan. 't Was niet de achterhoede van Ney maar het corps van prins Eugenius geweest, waarmee zij zelf, in den vroegen morgen van den 15den, uit Smolensk waren vertrokken.Hiertoch had de 14dedivisie gestaan; aan de nummers der schako's konden zij zien, welke regimenten het waren geweest. Dáár had de Italiaansche garde gevochten; de uniformen der gesneuvelden wezen het aan.

Maar wat zou wel het lot der overgeblevenen zijn geworden? Dit bloedige veld, die vele ziellooze lichamen, de volkomen stilte in die woestijn van ijs en dood; te vergeefs trachtten zij er uit te weten te komen, wat er van hun kameraden geworden was en wat hunzelf zou te wachten staan.

Met spoed trokken zij die akeligheden voorbij; onverhinderd bereikten zij de achterhoede, juist toen ze bivakkeeren ging. Zij vernamen, hoe deze uit Smolensk vertrokken was met twaalf kanonnen, zesduizend bajonetten en driehonderd paarden, terwijl zij er vijfduizend zieken aan de edelmoedigheid van den vijand had moeten achterlaten. Ook hoorden zij, dat Ney, zonder de kanonnen van Platof's kozakken en het laten springen der vestingmuren, er nooit in zou geslaagd zijn, de zevenduizend achterblijvers te ontrukken aan die stad, waar zij tusschen de puinhopen een toevlucht hadden gevonden.

De soldaten, vertelden, hoe zij met den maarschalk naar Krasnoé trokken; hoe zij alle overblijfselen van het leger op den weg voorbijkwamen; welk een treurigen aanblik dit opleverde; hoe een wanhopige massa menschen hen volgde en een andere troep die voor hen uitliep,door den honger gedreven, zijn schreden verhaastte.

Een bleek maanlicht viel door de grijze wolken, toen de krijgslieden opnieuw opbraken. Geen tromgeroffel of trompetgeschal verried den afmarsch. In diepe stilte maakte men zich tot den moeilijken tocht gereed. Ieder oogenblik toch verwachtte men een vijandelijken aanval.

Intusschen legde men verscheidene uren door de sneeuw af zonder op eenige wijze verontrust te worden. De koude bleek eenigszins minder, zoodat men er niet zooveel meer van te lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweer kon verwachten.

Het corps was eindelijk een diep ravijn genaderd, waarin de weg afdaalde, om vervolgens weer tegen een uitgestrekte hoogvlakte op te loopen. Het was de hoogvlakte van Katova.

„Herken je dit terrein?” vroeg Jakob aan Ros.

De oude krijgsman keek opmerkzaam rond. De sneeuw toch had alles zoo'n geheel ander aanzicht gegeven. Niettemin zag hij spoedig, waar zij waren.

„'t Is de plaats,” zei hij, „waar wij, drie maanden geleden, Neverowskoi hebben overwonnen en aan den Keizer de veroverde kanonnen hebben getoond.”

„Wat dunkt je, zouden we vandaag wéér overwinnen?”

Juist wilde Ros antwoorden, dat hij daar een zwaar hoofd in had, toen eenigen van den ongewapenden bijsleep, die vooruit waren geloopen, in groote haast terugkeerden. Zij riepen, dat de sneeuwvlakten zwart zagen van vijanden. In 't zelfde oogenblik kwam een Russisch officier, een witten doek wuivend, de hoogvlakte afrennen. Hij was alleen, richtte zich tot maarschalk Ney en ried hem, zich over te geven, doch kleedde zijn sommatie in de vleiendste termen.

Hij kwam, verklaarde hij, namens Kutusof. Zijn veldmaarschalk zou zulk een wreed voorstel niet durven doen aan een krijgsman als hij, zoo hem nog een enkele kans tot redding was gebleven. Maar tachtigduizend Russen bevonden zich vóór hem en om hem heen; mocht hij er aan twijfelen, dan stond Kutusof hem toe, iemand tezenden, die de gelederen langs kon gaan en tellen.

Nog eer de Rus uitgesproken had, donderde eensklaps een salvo uit veertig vuurmonden, die op de rechterflank van het vijandelijk leger waren opgesteld, waardoor een hagel van kartetskogels door de lucht vloog en de Fransche gelederen verscheurde.

Onmiddellijk werpt een Fransch officier zich op den Rus, om hem als een verrader te dooden. Ney echter verhindert dat en roept den afgezant toe: „Een maarschalk van Frankrijk gééft zich niet over; men onderhandelt niet onder het vuur; u is mijn gevangene!”

De ongelukkige officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze wijze werd opgeofferd, gaf zijn degen gewillig over. Tegelijkertijd opende de vijand van alle zijden het vuur; alle hoogten, die er een oogenblik te voren nog doodsch en verlaten uitzagen, geleken eensklaps op werkende vulkanen. Doch Ney werd er door in geestvervoering gebracht; te midden van dat hevige vuur scheen die man van ijzer als in zijn element te zijn.

Kutusof had hem niet bedrogen. Aan de Russische zijde stonden tachtigduizend man aaneengesloten, in diepe, dreigende colonnes, talrijke escadrons en een geduchte artillerie, die een sterke stelling had ingenomen; kortom een gansche legermacht. Aan de zijde der Franschen:vijfduizendsoldaten, een uitgeputte, verbrokkelde colonne; een onzekere, slepende marsch; onvoldoende, vuile wapens, waarvan de meeste in die bevende, verzwakte handen niet veel kwaad meer konden doen.

En evenwel dacht Ney er geen oogenblik aan zich over te geven, evenmin om te sterven; wel om dóór te dringen, zich er doorheen te slaan, zonder er bij in aanmerking te nemen dat hij een bovenmenschelijke poging waagde.

Alléén, zonder eenigen steun, terwijl alles op hèm steunde, volgde hij slechts de ingeving van zijn krachtige natuur en handelde met het zelfvertrouwen van den overwinnaar, dien de gewoonte van zelfs in de meest onwaarschijnlijke gevallen de zege te behalen, het geloof geschonken had, dat hem àlles mogelijk was.

Ricardo bevond zich aan het hoofd met vijftienhonderd man. Ney laat hem tegen den vijand aanrukken en de rest nakomen. Den weg volgende, daalt de divisie in het ravijn af, maar nauwelijks aan de andere zijde er weer uit te voorschijn komend, wordt zij door het vuur van de voorste vijandelijke linie bijna geheel vernietigd. Zonder zich hierover te verbazen of te veroorloven dat men er van ontstelt, verzamelt de maarschalk het overschot, vormt er een reserve van en rukt er zelf mee voorwaarts. Aan vierhonderd Illyriërs geeft hij last, den vijand op zijn linkerflank aan te vallen; hijzelf tast hem met drieduizend man in het front aan. Allen volgen hem. Zij vallen de voorste Russische linie aan, dringen er doorheen, jagen haar uit elkaar en zonder zich op te houden, willen zij zich op de tweede werpen, doch eer zij haar bereikt hebben, komt een regen van ijzer en lood hen te gemoet. In een oogenblik ziet Ney al zijn generaals gewond en de meesten zijner soldaten gedood; zijn verzwakte colonne wankelt, begint te aarzelen, gaat terug en sleept hem mee.

Ney begrijpt, dat hij het onmogelijke heeft beproefd; hij wacht af, dat de vlucht der zijnen het ravijn tusschen hem en den vijand heeft geplaatst; het eenige wat hem redden kan. Zonder hoop en zonder vrees weet hij hen daar tot staan te brengen en deelt hen opnieuw in.Tegenovertachtigduizend man kan hij er slechts tweeduizend stellen; beantwoordt hij met zes kanonnen het vuur van tweehonderd!

En toch scheen Kutusof als met traagheid geslagen.

Er was slechts een uitbarsting van verontwaardiging van een enkel Russisch corps noodig geweest om er een einde aan te maken; allen vreesden echter, een beslissende handeling te doen; allen bleven op hun plek, met een slaafsche onbeweeglijkheid, alsof zij slechts stoutmoedig waren in het nakomen van bevelen en gehoorzamen hun eenige kracht was.

Ook de Illyriërs waren in volkomen wanorde teruggekeerd. Kutusof, die meer op zijn kanonnen dan op zijn soldaten vertrouwde, trachtte thans van uit de verte deoverwinning te behalen. Zijn vuur bestreek zoodanig het geheele terrein waar de Franschen zich bevonden, dat dezelfde kogel die een man in het eerste gelid trof, nog slachtoffers maakte bij de achterste voertuigen, waar zich de ongewapende mannen, vrouwen en kinderen bevonden.

Onder dit moorddadige vuur sloegen de soldaten van Ney, die onbeweeglijk staan bleven, met verwondering hun aanvoerder gade; ieder oogenblik verwachtten zij van hem de uitspraak te hooren dat zij verloren waren, dat er niets meer aan te doen was. Zonder te weten waarom, bleven zij nochtans hopen, omdat zij te midden van dit uiterste gevaar hem daar zagen staan met een kalmte van gemoed, alsof er niets bijzonders gebeurde. Zijn gelaat stond zwijgend en beslist; hij hield het vijandelijk leger in 't oog dat zijn flanken hoe langer hoe verder uitbreidde om hem iederen uitweg af te sluiten.

Door de invallende duisternis begon men de voorwerpen moeilijker te onderscheiden; de winter,—alleen in dit opzicht gunstig voor hun terugtocht,—deed den nacht reeds vroeg aanvangen. Ney had er op gewacht. Thans geeft hij aan zijn troepen bevel—op Smolensk terug te trekken!

„Is de man krankzinnig geworden?” gromde de oude Ros.

„Het begint er op te lijken,” antwoordde Reinier. „Teruggaan en weer dieper de Russische wildernissen binnen dringen! Waarachtig, men moet wel aan den maarschalk zijn verstand beginnen te twijfelen!”

„Nu,” zei Jakob, die zich in dit oogenblik bij hen voegde, „je bent heusch de eenige niet, die er zoo over denkt. Zelfs zijn adjudant kon, naar ik hoor, zijn ooren niet gelooven; hij begreep er niets van; met een ontsteld gezicht bleef hij zijn chef sprakeloos aanstaren. Maar de maarschalk herhaalde dezelfde order nog eens; zijn stem klonk beslist en gebiedend; zijn omgeving werd er door gerust gesteld. Ik geloof dan ook vast en stellig, dat hij een doordacht plan heeft gevormd, dat hij een uitweg heeft gevonden.”

Na de eerste verbazing begon langzamerhand dieovertuiging ook tot de andere soldaten door te dringen. Hoe kritiek de toestand ook was, zij kregen de zekerheid dat hij dien zou weten te beheerschen, en—zij gehoorzaamden. Zonder aarzelen keerden zij den rug naar hun leger, naar Napoleon, naar Frankrijk en trokken het noodlottige Rusland weer binnen. Hun achterwaartsche marsch duurde een uur; zij zagen het slagveld, aangeduid door de overblijfselen van het Italiaansche leger weer terug. Hier bleven zij staan en voegde de maarschalk, die alleen in de achterhoede was gebleven, zich weer bij hen.

Zij volgden al zijn bewegingen. Wat zal hij gaan beginnen? En welk ook zijn voornemen mag zijn, hoe zal hij zijn schreden kunnen richten zonder gids, in een onbekend land?

Doch hij, met zijn krijgsmansinstinct, begeeft zich naar een ravijn van zulk een diepte, dat er waarschijnlijk op den bodem een beek vloeit. Hij laat er de sneeuw opruimen en het ijs stuk slaan. Toen, den loop van het water nagaande, roept hij uit: „Het is een zijstroom van den Dnieper, hij zal ons tot gids dienen; hem moeten wij volgen totdat hij ons aan de rivier brengt; wij zullen haar overtrekken; onze redding is op den anderen oever.”

Hij laat nu onmiddellijk, in de aangewezen richting, den nachtelijken marsch vervolgen. Op eenigen afstand van den grooten weg, dien hij nu verlaten heeft, doet hij halt houden in een dorp, verzamelt er zijn troep en laat vuren aanleggen, alsof hij er bivakkeeren wil. De kozakken die hem volgden, doet hij dit ten minste gelooven en zonder twijfel gaan zij Kutusof reeds inlichten omtrent de plaats waar den volgenden dag een Fransch veldmaarschalk zijn wapen zal overgeven.

Ney echter laat den marsch voortzetten. Intusschen waren zijn Polen op onderzoek uitgegaan. Een kreupele boer bleek de eenige bewoner dien zij konden ontdekken. Toch was dit een onverhoopt geluk. Hij deelde mee, dat de Dnieper slechts een mijl daarvandaan stroomde, doch dat hij niet te doorwaden was, wijl het ijs niet vast zat.

„Dat zal het wel,” antwoordt Ney en toen men hemer opmerkzaam op maakte dat het was gaan dooien, liet hij er op volgen: „Het doet er niet toe; we zullen er toch wel over komen; een anderen uitweg hebben we niet!”

Tegen acht uur kwam men aan een dorp; het ravijn hield hier op en de kreupele moejik die aan het hoofd marcheerde, bleef staan en wees op de rivier. Ney en de eersten die hem volgden, begaven zich er heen. De ijsschotsen bleken hier door een scherpe bocht tusschen de oevers bekneld geraakt, de winter had ze aan elkaar doen vriezen; doch alleen opditpunt:—beneden- en bovenwaarts er van was de rivier in beweging. Deze vreugdevolle ontdekking werd echter weldra gevolgd door een gevoel van ongerustheid: Dit ijsvlak kon van een bedriegelijke sterkte zijn.

Jakob Stargardt bood aan, zich er op te wagen ten einde dat te onderzoeken. Men zag hem met moeite den anderen oever bereiken. Hij kwam terug en meldde, dat de menschen en misschien eenige paarden er over konden, doch het overige zou men moeten achterlaten; bovendien moest men zich haasten, wijl door den dooi het ijs al tamelijk dun was geworden.

Doch daar men bij dezen nachtelijken tocht zoo stil mogelijk te werk had moeten gaan en buiten de wegen had moeten marcheeren, was die colonne van uitgeputte mannen, van gewonden en vrouwen met hun kinderen, uit elkaar geraakt, waren er groote tusschenruimten ontstaan en had men in de duisternis niet altijd elkanders spoor kunnen volgen. Zoo bemerkt Ney dan ook, dat hij slechts een gedeelte van zijn troep bij elkaar heeft. Hij stond daarom drie uren toe, om zich te verzamelen en zonder zich te laten beheerschen door ongeduld of door gevaar dat dit wachten kon opleveren, wikkelde hij zich in zijn mantel en bracht die drie gevaarlijke uren door aan den oever der rivier in een diepen slaap; hij toonde dat hij het gestel bezat van een buitengewoon man; een sterke ziel in een krachtig en volkomen gezond lichaam.

Eindelijk, tegen middernacht, begon de overtocht, doch de eersten die zich van den wal hadden verwijderdwaarschuwden, dat het ijs onder hen boog en wegzakte; dat zij tot aan de knieën in het water liepen en het duurde dan ook niet lang, of men hoorde dien zwakken bodem aan alle zijden op een onrustbarende wijze kraken, welk geluid zich tot in de verte voortplantte, alsof de rivier kruien ging.

Verschrikt bleven allen staan.

Ney gelastte, dat men er slechts één voor één over mocht; behoedzaam schreed men nu voorwaarts, in de duisternis dikwijls niet wetend of men den voet zette op een ijsschots of in een tusschenruimte. Op sommige plaatsen moest men over breede scheuren heen en van de eene schots op de andere springen, op gevaar af van tusschen die beide in te vallen en voor goed te verdwijnen. De voorsten aarzelden, doch van achteren riep men hun toe zich te haasten.

Als men dan na veel inspanning en gevaar den anderen oever had bereikt en zich gered dacht, had men nog tegen een steile helling op te klauteren, die geheel bedekt was met ijs, wat het beklimmen bijna onmogelijk maakte. Verscheidenen gleden weer naar beneden en kwamen terecht op het ijs, dat door dien val brak of waardoor zij zelf iets braken.

Jakob Stargardt had zich naar den ongewapenden bijsleep van het corps begeven, waar hij zijn moeder en zijn broer Willem wist. Afgrijselijk was hier de ontsteltenis en de wanhoop der vrouwen en zieken nu zij, met hun bagage, het overschot moesten achterlaten van al hun bezittingen, van hun levensmiddelen, kortom van hun hulpbronnen, zoowel voor nu als voor de toekomst. Jakob zag ze hun eigen bezittingen plunderen, voorwerpen uitzoeken, wegwerpen en weer opnemen en eindelijk van uitputting en wanhoop op den bevroren oever neerzijgen.

Toen Jakob er eindelijk in geslaagd was, Willem en zijn moeder te vinden, geleidde hij beiden door de steeds toenemende verwarring naar de plaats, waar men de rivier over moest. En nu ving ook voor hen de angstwekkende, gevaarvolle tocht aan.

Na ontzettende inspanning bereikten zij echter, één voor één, behouden den anderen oever. Maar nog rilden zij bij de herinnering aan hun omzichtige schreden en noodwendige sprongen op die verraderlijke ijsvlakte, aan het gekraak als er van hun tochtgenooten uitgleden en vielen, aan de angstkreten dergenen die er doorzakten en—wat het ergste was—de wanhoopskreten der gewonden, die van hun voertuigen, welke men over dezen zwakken overgang niet durfde te wagen, de handen uitstrekten naar hun metgezellen en hun smeekten om hen toch niet achter te laten.

Eindelijk besloot Ney het te beproeven en eenige voertuigen met deze ongelukkigen over te brengen. Doch in het midden der rivier gekomen, kon het ijs den last niet meer dragen en brak... Aan den oever hoorde men hun hartverscheurende en gillende angstkreten... daarna eenig steunen dat weldra uitstierf...; eindelijk een huiveringwekkende stilte... Allen waren in de diepte verdwenen!

Sedert den vorigen dag waren vierduizend achterblijvers en drieduizend soldaten dood of vermist; alle kanonnen en debagagewas verloren; nauwelijks bleven er van Ney nog een drieduizend strijders over en evenveel achterblijvers.

Nadat al die verliezen waren geleden en alles wat den anderen oever had kunnen bereiken weer verzameld was, werd de marsch voortgezet; de verraderlijke stroom was nu hun bondgenoot en gids geworden.

Op goed geluk af en tastende ging men verder. Plotseling gleed Jakob uit en kwam op den grond terecht. Hij ontdekte nu, dat de weg reeds begaan was en deelde zijn bevinding met bezorgdheid aan Reinier en Ros mee. Zij bukten zich, voelden met hun handen over den grond en riepen verschrikt dat zij versche sporen vonden van een groote menigte kanonnen en paarden.

„We hebben dus het eene vijandelijke leger slechts ontloopen,” zuchtte Reinier, „om het andere te gemoet te gaan!”

„Nauwelijks zijn we in staat ons nog voort te sleepen,en nu moeten we zoowaar al weer vechten!” klaagde Ros.

„Moet het dan overal oorlog wezen!” riep Jakob moedeloos.

In ieder geval, men diende den maarschalk te waarschuwen en Jakob bracht hem rapport van zijn bevinding. Ney echter werd er in 't minst niet door getroffen en zijn aarzelende manschappen voorwaarts drijvende, volgde hij koelbloedig het dreigende spoor.

Het voerde hem naar een dorp, Gusina genaamd, waar men onverhoeds binnenviel, zich van alles wat er zich bevond meester maakte en waar men alles aantrof wat men noodig had, hetgeen sedert Moscou niet voorgekomen was: bewoners, levensmiddelen, warme huizen en een honderdtal kozakken die als gevangenen ontwaakten. Hun mededeelingen en de noodzakelijkheid om wat rust te genieten alvorens verder te kunnen gaan, deden Ney besluiten er eenigen tijd te vertoeven.

Omstreeks tien uur in den morgen had men twee andere dorpen bereikt en was er gaan uitrusten, toen men eensklaps in de omliggende bosschen overal beweging bemerkte. Terwijl men elkaar waarschuwt en zich verzamelt in het gehucht dat hetdichtstbij den Dnieper gelegen was, komen duizenden kozakken tusschen de boomen te voorschijn en omsingelen dezen ongelukkigen troep met hun lansen en kanonnen.

Het was Platof met zijn geheele bende, die den oever van den Dnieper volgden. Zij hadden het dorp in brand kunnen steken, den zwakken troep van Ney er uitjagen en afmaken, doch in plaats daarvan bleven zij drie uren lang onbewegelijk staan; men wist niet waarom. Later vernam men, dat zij geen orders ontvangen hadden; dat hun aanvoerder op dat oogenblik niet in staat was ze te geven en dat men in Rusland niets op eigen verantwoording ondernemen durfde.

De houding van Ney hield hen in toom; hij met enkele soldaten waren daartoe voldoende; zelfs gaf hij de overigen gelegenheid, om met hun maaltijd voort te gaan. Tegen den nacht gaf hij bevel, om zoo stil mogelijkop te breken, elkaar voorzichtig te waarschuwen en gesloten te blijven. Daarop zetten zij zich in beweging, doch de eerste schrede die zij deden was als een signaal voor den vijand; zijn stukken gaven vuur en al zijn escadrons kwamen te gelijk te voorschijn.

Ney wist echter den oever van den Dnieper te bereiken, waardoor althans zijn linkerflank aangeland was; aldus marcheert hij voorwaarts, van het eene bosch naar het volgende en van de eene terreinplooi naar de andere en van alle verhevenheden in het terrein gebruik makende. Dikwijls is hij genoodzaakt zich van den stroom te verwijderen, wat Platof dan gelegenheid geeft hem van alle zijden in te sluiten.

Zoo bleven gedurende twee dagen en onder het afleggen van twintig mijlen, voortdurend zesduizend kozakken heenzwermen om de flanken der colonne, die tot vijftienhonderd gewapenden inkromp.

De nacht bracht eenige ontspanning aan; met een zeker gevoel van vreugde zag men dan ook de duisternis te gemoet, als iemand ook maar een oogenblik achterbleef om van een kameraad die gewond of uitgeput neerviel, een laatste afscheid te nemen, liep men veel kans het spoor der anderen kwijt te raken. Er waren dan ook wreede oogenblikken, en wanhopige tooneelen vielen er voor; evenwel, schoon hongerig en doodelijk afgemat, bereikte men ten laatste toch Orcha, waar, na bloedige gevechten, de deerlijk gehavende Corpsen van Napoleon, Prins Eugenius enDavoustreeds vroeger waren aangekomen. De Keizer was er binnengetreden met zesduizend man gardetroepen, het overschot van vijf en dertig duizend; Eugenius met achttienhonderd man, het overschot van twee en veertig duizend;Davoustmet vierduizend, het overschot van zeventig duizend!

Zelf had deze maarschalk alles verloren; hij bezat geen linnengoed meer en was uitgehongerd. Gretig nam hij een brood aan, dat een zijner wapenbroeders hem aanbood en verslond het als 't ware. Men gaf hem een zakdoek om zijn gezicht, dat bedekt was met rijm, te kunnen afvegen. Hij riep uit, dat alleen menschen vanijzer tegen dergelijke lotgevallen bestand waren, dat het uithoudingsvermogen zijn grenzen had en de grenzen der menschelijke kracht overschreden waren.

Te Orcha echter trof men vrij goed gevulde magazijnen met levensmiddelen aan, verder een pontontrein van zestig pontons met toebehooren, die echter alle op Napoleons bevel verbrand moesten worden, en zes en dertig bespannen vuurmonden, welke verdeeld werden tusschenDavoust, Eugenius en Maubourg.

Het rampzalige overschot van Ney's troepen werd met vreugde verwelkomd, want men had den maarschalk reeds verloren geacht. Zoo spoedig mogelijk werden de uitgeputte manschappen onder dak gebracht en van levensmiddelen voorzien. Om den bijsleep van het corps werd echter niet gedacht en zonderJakobStargardt en zijn beide vrienden zouden moeder Jane en Willem er dan ook slecht aan toe geweest zijn. Thans werd natuurlijk voor beiden behoorlijk gezorgd.

Toen Napoleon, die zich alweer op twee mijlen van Orcha bevond, de tijding vernam dat Ney terecht was, sprong hij op van blijdschap en riep: „Ik heb dus mijn vleugels gered! Drie millioen uit mijn eigen kas had ik willen geven, om het verlies van zulk een man te voorkomen!”

De doodssnik van het Groote Leger.

Den 22stenNovember begon voor het Fransche leger de vermoeiende marsch van Orcha naar Borizof. De weg was bedekt met smeltende sneeuw, waarondereen dikke modderlaag. De zwakkeren waren niet in staat er doorheen te komen; velen bleven liggen. Allen, die te Smolensk in de verwachting dat de vorst niet zou ophouden, hun wagens tegen sleden hadden verwisseld en nu niet verder konden, vielen in handen der kozakken.

Het leger vanOudinot, dat niet naar Moscou was geweest, maar toch eveneens terug had moeten trekken, zou thans de voorhoede vormen. Den volgenden morgen, op drie mijlen voor Borizof, stootte deze maarschalk op de Russische voorhoede, die hij krachtig terugwierp, waarbij hem een heele bagage-trein van den vijand in handen viel. Meer dan duizend bespannen wagens met levensmiddelen en uitrustingstukken van allerlei aard werden zijn buit. Reusachtig was de hoeveelheid ham, worst, gerookt vleesch, scheepsbeschuit, die werd gevonden. En dan die duizenden paren schoenen! Verscheidene soldaten hebben zich toen voor vijf en twintig dagen van voedsel voorzien. Dit, en de buitgemaakte schoenen hebben menig armen krijgsman het leven gered.

Ongelukkig genoeg werd echter door het overschot van dit corps, bij het doortrekken van Borizof, de brug over de Berezina vernield. Napoleon zelf bevond zich nog op drie dagmarschen van de stad, toen hem de ramp bericht werd. Hij stampte met zijn stok op den grond van woede. Daarop liet hij zich de positie van Borizof beschrijven. Men verzekerde hem, dat op dit punt de Berezina niet alleen een rivier, doch een meer was van drijvende ijsschotsen; dat de brug een lengte had van driehonderd vademen en deze zoodanig vernield was, dat herstelling ondoenlijk bleek en een overgang daardoor onmogelijk.

De Keizer zag zich thans van alle kanten ingesloten en opdat geen zijner standaards als zegeteeken in handen van den vijand mocht vallen, liet hij de adelaars van alle corpsen verzamelen en verbranden.

Den 24stenvernam Napoleon, dat de overtocht alleen mogelijk zou zijn bij Studianka, waar de stroom slechts 54 voet breed en zes voet diep is, doch dat men op den anderen oever in een moeras terecht kwam, onderhet vuur van den vijand, die daar een zeer overheerschende stelling had ingenomen.

De Keizer begaf zich nu onverwijld met zijn leger in de donkere en uitgestrekte bosschen van de provincie Minsk, waar slechts enkele gehuchten en ellendige woningen hier en daar nauwelijks een open ruimte hadden gelaten. Het kanon van Witgenstein deed zich daar hooren. Deze Rus, van het Noorden komend, trok op de rechterflank van het stervende leger aan; tevens begon het weer te vriezen. Het dreigend kanongebulder verhaastte den tocht. Veertigduizend mannen, vrouwen en kinderen volgden het leger door deze bosschen, zoo snel als hun zwakte en het ijs dat zich weer vormde, hun veroorloofde.

Deze geforceerde marschen, die bij het aanbreken van den dag begonnen en bij het vallen van den avond nog niet ophielden, deed den weinigen samenhang, die er nog bestond, geheel verdwijnen. In de duisternis dier onmetelijke bosschen en der lange nachten, raakte men elkander kwijt. Des avonds werd er halt gehouden; tegen het aanbreken van den dag begaf men zich weer op marsch, in de duisternis, op den gis en zonder het signaal af te wachten; wat er nog van de corpsen overgebleven was, bleek niet meer bijeen te krijgen; in de grootste verwarring liep alles door elkaar.

In dit laatste stadium van verzwakking en wanorde in de nabijheid van Borizof gekomen, hoorde men in de verte luide kreten. Het was het leger van Victor, dat door Witgenstein langzamerhand naar de rechterzijde van de Fransche hoofdarmee toegedrongen was. Het wachtte het voorbijtrekken van Napoleon af. Dit leger bestond nog in zijn geheel en verkeerde in een goeden toestand. Het zag zijn Keizer terug en begroette hem met den gebruikelijken uitroep, die bij Napoleons krijgers zelf reeds lang vergeten was.

Men was daar van hun tegenspoeden onkundig gebleven; zij waren zorgvuldig verborgen gehouden; zelfs voor de officieren.

Toen zij dan ook in plaats van het zegevierendeleger van Moscou, achter Napoleon dien sleep van uitgeputte gedaanten ontwaarden, gekleed in lompen, vrouwenpelzen, stukken tapijt of smerige mantels, verschroeid door het bivakvuur en vol gaten, terwijl de meesten hun voeten hadden omwikkeld met vodden van allerlei aard, werden zij er ten hoogste door ontsteld. Met schrik zagen zij die ongelukkige, uitgemergelde soldaten voorbijtrekken, met vuile gezichten, afschuwelijke baarden, zonder wapens, zonder schaamte, zich met moeite voortslepende, met hangende hoofden, de oogen op den grond gevestigd, zwijgend als een troep gevangenen.

Wat het meest verwondering wekte, was het zien van de talrijke verspreide, alleenloopende kolonels en generaals, die zich enkel met zichzelf bemoeiden en wier eenig doel nog was, hun persoon te redden; zij marcheerden te midden van soldaten, die hen niet eens bemerkten, die zij niets meer te bevelen hadden; alle banden waren verbroken, alle rangen uitgewischt door de ellende.

De soldaten van Victor konden hun oogen niet gelooven. Hun officieren, door medelijden bewogen, hielden met tranen in de oogen hun kameraden, die zij herkenden, staande. Zij ondersteunden dezen met levensmiddelen en kleeren; vroegen hun waar hun corps was gebleven. En wanneer het hun dan gewezen werd, zagen zij in plaats van zooveel duizend man, slechts een zwak peloton officieren en onderofficieren om een chef; zij moesten er nog naar zoeken.

En evenwel twijfelden zelfs de ongewapenden, de stervenden niet aan de overwinning, hoewel zij er niet onkundig van waren, dat zij een rivier over moesten en zich door een nieuwen vijand hadden heen te slaan.

Het was niet meer dan de schaduw van een leger, doch het was de schaduw van het Groote Leger. Men voelde zich slechts overwonnen door de natuur. Het gezicht van hun Keizer gaf hun nog vertrouwen. Sedert lang was men al niet meer gewend op hem te rekenen om te kunnen leven, doch wel om te overwinnen. Het was de eerste noodlottige veldtocht, en er waren zoovele gelukkigegevoerd. Als men nog maar de kracht had om hem te volgen, kon hij alleen hen nog redden.

In de achterhoede marcheerde thans de generaal Victor met vijftien duizend man; de voorhoede van vijfduizend man, onderOudinot, was reeds tot aan de Berezina genaderd; de Keizer bevond zich tusschen beiden in met zevenduizend man, veertigduizend achterblijvers en een langen sleep van voertuigen en artillerie. Zoo bereikte het leger de Berezina.

Onder bevel van den generaal der genie Eblé rukt nu het overschot der pontonniers, ongeveer vierhonderd man, benevens enkele sappeurs, naar de aangewezen plaats voor den overtocht, om hier het werk, doorOudinot's mannen reeds begonnen, te voltooien. Van het pontonmateriaal, dat men bij Orcha op Napoleon's bevel moest vernielen, had Eblé zes voorraadwagens met gereedschap, spijkers, klampen, in één woord al de benoodigdheden voor den bouw van twee schraagbruggen, benevens twee veldsmidsen, alle voertuigen goed bespannen, alsmede twee karren met steenkolen weten te redden. De huizen van Studianka zouden het noodige hout leveren.

In den namiddag van den 25stenkwam dit detachement ter plaatse aan. Een compagnie was bij Oukoholda achtergelaten, die al het mogelijke moest doen om den vijand van Studianka weg te lokken en in den waan te brengen, dat men bij eerstgenoemde plaats den overgang beproeven wilde. Deze schijnbeweging, meesterlijk uitgevoerd, had het gewenschte resultaat; de vijand liet zich er door verschalken.

Napoleon, in zijn ongeduld, had verlangd dat de bruggen nog dien avond gereed zouden zijn. Met geen mogelijkheid echter kon hieraan worden voldaan, want ondenkbaar waren de moeilijkheden, waarmee de pontonniers bij hun arbeid hadden te kampen. Vermits er hoegenaamd geen vaartuig voor handen was, moesten zij vier aan vier telkens met een schraag te water gaan en deze in de modderige en ongelijke rivierbedding zóódanig bevestigen, dat de kopstukken van al de schragen zich in hetzelfde vlak bevonden om het daarover tebrengen dek de vereischte horizontale richting te geven. Het kostte een ongehoorde inspanning. Want tot overmaat van ongeluk was, door het wassen van de rivier, de doorwaadbare plaats zoo goed als geheel verdwenen. De beklagenswaardige kerels moesten soms tot aan den hals in het water de ijsschotsen van zich afhouden, die met den stroom kwamen afdrijven. Verscheidenen hunner stierven reeds onder den arbeid van koude of werden door het ijs, dat door den hevigen wind werd voortgestuwd, reddeloos meegesleept.

Eblé is later te Koningsbergen van uitputting gestorven. Van zijn dapperen, meerendeels Hollanders, hebben geen twaalf het vaderland teruggezien. Opgeofferd hebben zij zich, die mannen! Zij hadden dan ook met alles te kampen, behalve met den vijand. Het weer was juist streng genoeg om den overtocht zoo bezwaarlijk mogelijk te doen zijn, zonder dat het ijs er door ging vastzitten of dat het moerassige terrein waarin men terecht kwam, er meer vastheid door verkreeg.

Twee bruggen zouden worden geslagen, ongeveer tweehonderd meter van elkander, de rechter voor de ruiters en de voetgangers, de andere voor de voertuigen en het geschut. Hoewel zij geen ander voedsel kregen dan een stuk gekookt paardevleesch zonder zout, hoewel het water zich op hun armen, beenen en borst als ijskorsten vastzette en hun hevige pijn veroorzaakte, bleven de pontonniers onafgebroken aan het werk. Drieentwintig schragen werden voor elke brug te water gebracht, waarover vervolgens een dekvloer werd gelegd van balken en planken, die echter de vereischte afmetingen niet hadden en dus nieuwe moeilijkheden gaven. Met boomschors, hennep en hooi werd eindelijk de dekvloer belegd, om sterkte en samenhang te geven aan het geheel.

Den volgenden dag, om één uur, was de eerste brug voltooid; de overtocht kon beginnen. Een divisie kurassiers opende den trein, dan kwamen drie Zwitschersche regimenten. De enkele kozakkenposten, die zij aantroffen, werden over de kling gejaagd of verstrooid. Op ernstigen weerstand werd aanvankelijk nergens gestooten.

Onafgebroken werd de overtocht nu voortgezet. Op den rechteroever kwamOudinotal spoedig in gevecht met een Russische divisie, welke zich in allerijl tegenover hem begon te ontwikkelen doch teruggedreven werd. Zembin met de lange bruggen door het moeras aldaar werd vervolgens bezet. De veilige terugtocht van het Fransche leger was hiermee voorloopig verzekerd.

Om vier uur was ook de andere brug gereed. De zwakke constructie, het gebrekkige materiaal, de slappe bodem en de geweldige vrachten die zij te torschen kreeg waren echter oorzaak, dat zij in de volgende dagen bij herhaling onbruikbaar werd; dat stukken er van met schragen, voertuigen en al, door het water werden verzwolgen en dat de pontonniers telkens uit hun welverdienden slaap moesten opgewekt worden, om weer in het ijskoude water af te dalen en de schade te herstellen. De eerste brug behield haar samenhang onder den last der overtrekkende troepen; maar herhaaldelijk moest de dekvloer hersteld worden, wijl de paarden er doorheen trapten.

Intusschen had Maarschalk Victor in last, om met zijn corps den overtocht tegen de aanvallen der Russen te beschermen. Zijn generaalPartouneauxwas met een divisie in Borizof door hem achtergelaten om er den aandringenden vijand te keeren, de talrijke achterblijvers die zich in de stad bleven ophouden, voor zich uit te drijven en zich tegen den avond weer met het corps van Victor te vereenigen. Tot deze divisie behoorden ook twee Hollandsche regimenten en Ros, alsmede Jakob Stargardt en Reinier Vermaat, de beide ritmeesters zonder ruiterij, waren met nog andere Hollanders, daarbij ingedeeld. Willem en moeder Jane, in de verwachting daar veiliger te zijn dan onder de tallooze ongewapende achterblijvers, hadden zich bij deze Hollandsche krijgsmacht aangesloten. Zij vermoedden niet, evenmin als de soldaten zelf het deden, dat deze troepen bestemd waren om opgeofferd te worden.

In den namiddag bemerktePartouneaux, dat de voorhoede van Witgenstein reeds tot op den weg tusschenBorizof en Studianka was doorgedrongen, en dat hij dus was afgesneden. Ofschoon hij slechts over drie kanonnen en 3500 man beschikken kon, besloot hij onmiddellijk, zich er doorheen te slaan; hij nam zijn maatregelen en begaf zich op marsch.

Aanvankelijk had hij te kampen met een glibberigen weg, die geheel ingenomen was door voertuigen en vluchtelingen, met een hevigen, ijskouden wind waar men recht tegen in moest, bovendien met de duisternis. Weldra kwamen nog duizenden schoten van den vijand, die de hoogten aan zijn rechterhand bezet had, zijn tegenspoed vermeerderen. Zoolang hij van terzijde werd beschoten, bleef hij zijn marsch vervolgen, doch het duurde niet lang of hij ontving ook vuur in front van een talrijken vijand, die zich daar opgesteld had en wiens kogels niet alleen het hoofd maar ook den staart zijner colonne troffen.

De ongelukkige divisie bevond zich in de laagte; een lange trein van vijf- tot zeshonderd voertuigen belemmerden zijn bewegingen; zevenduizend achterblijvers, huilende van ontzetting en wanhoop, drongen zich tusschen zijn zwakke gelederen. Zij verbraken ze, veroorzaakten wanorde in de pelotons en sleepten in hun verwarring nieuwe soldaten mee, die den moed begonnen te verliezen. Om zich te verzamelen en een betere opstelling te zoeken, moest men weer omkeeren, doch hierdoor stootte men op de kozakken van Platof.

Reeds was de helft der soldaten bezweken, terwijl de vijftienhonderd overblijvenden zich ingesloten zagen door drie legers en een rivier. Toch wilPartouneauxnog een laatste poging wagen en zich een bloedigen weg naar de bruggen banen.

Dáár ontvangt hij uit zijn voorhoede de tijding, dat de bruggen bij Studianka in brand staan.Partouneauxgelooft dit onjuiste bericht, hij acht zich verlaten, overgeleverd en laat nu zeggen dat men, onder begunstiging van de duisternis, bij kleine groepjes langs 's vijands flank moet trachten te ontkomen.

Jakob Stargardt en de zijnen behoorden dien tengevolge tot een groep van een man of vijftien, die een steile, boschrijke hoogte hadden beklommen, hopende in het donker door het leger van Witgenstein heen te kunnen sluipen en zich met Victor te vereenigen.

Doch waar zij zich ook wenden, van alle kanten bespeuren zij den vijand. Lange colonnen van voertuigen en benden ordelooze soldaten vluchtten langs verschillende richtingen naar Studianka. De kleine schare, door een dezer meegesleept, vergiste zich in den weg en daar zij zoodoende den weg dien het leger gevolgd had rechts lieten liggen, kwamen zij geheel bij toeval aan den oever der Berezina. Zij hóórden het aan het op elkander schuren der ijsschotsen. Zij volgden nu de rivier langs al haar bochten en begunstigd door het gevecht van hun minder gelukkige kameraden, door de duisternis en zelfs door de moeilijkheden in het terrein, wisten zij in stilte den vijand te ontkomen. Veilig bereikten zij de plaats van overgang, maar op dat oogenblik heerschte daar de afschuwelijkste verwarring.

Het Groote Leger had twee dagen en twee nachten beschikbaar gehad voor den overtocht. In den eersten nacht was de brug voor de voertuigen tweemaal stuk geraakt; bij gebrek aan bouwstoffen had dit den overtocht zeven uur vertraagd. Omstreeks vier uur in den namiddag van den 27stenbrak zij voor de derde maal. Opnieuw werd zij hersteld. Maar in plaats van den overtocht nu voort te zetten, bleven de bruggen geheel verlaten. De achterblijvers hadden zich naar het dorp Studianka teruggetrokken; al de houten huizen waaruit het bestond gesloopt en alzoo het geheele dorp in een onmetelijk bivak veranderd. Honger en koude hadden er die ongelukkigen heen getrokken. Het was onmogelijk hen er vandaan te krijgen en zoo ging opnieuw weer een gansche nacht voor den overtocht verloren.

Toen, in den morgen van den 28sten, deden plotseling de vereenigde Russische legers op de armzalige krijgsmacht der Franschen een hevigen aanval. De achterblijvers, bevangen door een wilden schrik, vluchtten thans in dolzinnige haast naar de bruggen. Van allezijden drongen zij op elkaar in en weldra vormde die ontzettende menigte daar aan den rivieroever, met de talrijke paarden en voertuigen, een geweldige versperring. Tegen den middag sloegen de eerste vijandelijke kogels in dien chaos neer; zij waren het signaal tot een algemeene wanhoop.

Het was in dit oogenblik, dat de kleine troep van Jakob Stargardt en de zijnen het terrein van den overgang was genaderd. Dicht aaneengedrongen bleven zij aanvankelijk stilstaan op den oever, met angstige bezorgdheid het gunstige oogenblik bespiedend, om zich te midden van den golvenden stroom van menschen, paarden en voertuigen te wagen, die aanhoudend naar de bruggen vloeide.

Zij zagen hoe sommigen, woedend en niets ontziende, zich met de sabel in de hand een afschuwelijken doortocht openden. Anderen zagen zij een nog wreeder weg zich banen; met hun voertuigen reden zij onbarmhartig door die menigte van rampzaligen heen, die zij verpletterden. Door walgelijke hebzucht gedreven, offerden zij hun metgezellen in het ongeluk op, ter wille van hun bagage. Anderen, door een weerzinwekkende vrees bevangen, schreiden, jammerden en bezweken; de schrik had hun laatste krachten uitgeput.

Huiverend van koude bracht ons troepje verscheidene uren door met op en neer van de eene brug naar de andere te gaan en twintig en meermalen, dicht aaneengedrongen, opnieuw den overtocht te beproeven. Maar iederen keer weken zij terug, wanneer een nieuwe onweerstaanbare menschenmassa vooruit stroomde en het ontzettend gedrang nog vermeerderde.

Velen van die zich vooraan bevonden in die massa vertwijfelden en van de brug afgedrongen werden, beproefden haar langs de kanten te beklimmen, doch de meesten kwamen in het water terecht. Zij zagen vrouwen met hun kinderen in de armen te midden van ijsschotsen, hen omhoog heffende naarmate zij zonken; reeds ondergedompeld, trachtten zij ze nog met hun verstijfde armen boven water te houden.

Te midden van die ontzettende verwarring zakte de brug voor de artillerie in elkaar. Zij, die er zich op bevonden, wilden terugkeeren, de ontzaggelijke menschenstroom die achter hen was en het ongeluk niet bemerkte, luisterde niet naar de angstkreten der voorsten, drong hen vooruit en in de opening, waar zij op hun beurt in geduwd werden. Toen snelde alles naar de andere brug. Een groot aantal kruitwagens, zware voertuigen en vuurmonden kwamen van alle zijden aanrijden. Door hun geleiders voortgedreven, reden zij van een steile, oneffen helling in sterken gang plotseling door die menschenmassa heen, vermorzelden de ongelukkigen die zich in hun weg bevonden, terwijl anderen door den schrik van de been geraakten en in hun val sloegen en grepen naar degenen die in hun nabijheid waren. Geheele rijen radelooze menschen vielen zoodoende op elkaar, raakten in elkaar verward en werden vertrapt door anderen, die evenzoo werden opgedrongen; men vernam slechts kreten van smart en woede. In het ontzettend gedrang stelden zij, die onder den voet waren geraakt en bijna stikten, zich wanhopig te weer met nagels en tanden. Zonder medelijden sloegen en stompten de aangevallenen van zich af, alsof zij met vijanden te doen hadden. Het afgrijzelijk rumoer dat uit die wriemelende menigte opsteeg, vermeerderd met het loeien van den storm, het gedonder van het geschut, het springen van granaten, het uitbraken van verwenschingen en vloeken, maakte die ordelooze bende doof voor de klachten der slachtoffers die zij vertrapte.

Eindelijk toch scheen voor Jakob Stargardt en de zijnen hetgunstigoogenblik daar, om te trachten, den overkant te bereiken. De kloeksten van den hoop vormden de spits: als een wig moesten zij door de woelende menigte klieven. Zij bereiken de brug. Met den stormpas rukken zij nu vooruit. In een oogenblik zijn zij een tiental schreden voortgedrongen. Onweerstaanbaar wringt zich de kleine schaar in den dichten, verwarden hoop, maar weldra stuit zij in die wriemelende menschenmassa; zij golft met haar heen en weer, machteloos worstelend tegen den drang, die haar gelederen dreigt te breken, inden stroom te werpen, of onder den voet te treden.

Over hoopen gewonden, halfgestikte vrouwen en kinderen, duwden de volgenden hen vooruit. Vergeefs dat moeder Jane met gillende angstkreten haar beide zoons toeriep, waarvan zij zich plotseling zag losgerukt en die zij onmogelijk weer bereiken kon. Zij strekte de armen naar Jakob en Willem uit, smeekte om haar dóór te laten en zich weer bij haar kinderen te mogen voegen; doch links en rechts door de menigte opgedrongen, aan alle kanten geduwd en gestompt, viel zij neer als zoovele anderen.

Maar de oude Ros, die ook van het troepje was afgescheurd, wist haar te grijpen en met haar voort te dringen. Jakob strekte zijn handen nu naar zijn moeder uit en werkelijk gelukte het hem, haar weer met hun troepje te vereenigen. Maar in 't zelfde oogenblik werd Ros door een kanonskogel allervreeselijkst verminkt. Jakob poogde hem op te vangen; de oude krijgsman kon echter geen woord meer uitbrengen; enkel bewoog hij met moeite de lippen en zijn machtelooze hand sloot zich om die van zijn meester en vriend met een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijn bleek gezicht, toen zonk hij zielloos neer.

Op dit oogenblik bevond de kleine troep zich midden op de brug. Dáár klinkt eensklaps, boven het rumoer van zoo vele duizenden jammerstemmen, boven den aanhoudenden donder van het geschut en het geknetter der geweren van Victor's korps, strijdende met Witgensteins macht,—een doordringende kreet: „De cavalerie!”

Ongeveer dertig ruiters van alle wapens, en daaronder vele officieren, stuiven de brug op, met opgeheven sabel; zij drijven hun vermagerde paarden met spoorslagen in de op elkaar gedrongen menigte; houwen links en rechts om ruimte te maken; werpen alles voor zich neer en zijn in een oogwenk midden op de brug. Maar daar worden zij in hun woeste vaart gestuit. Als een niet te ontwarren kluwen staan de veertien vereenigden rug aan rug tegen elkaar gedrongen, vast besloten tot een wanhopige verdediging. De moedige houding van hethoopje bleek ontzag in te boezemen; maar in zijn gevaarlijken toestand, daar zoo midden op de brug, kon de weifeling bij den ruitertroep niet lang duren.

„Vooruit!” klonk een gebiedende stem: „Er op in!”

Nu volgde een gevecht, waarbij de gevechten met den vijand in verwoedheid niet waren te vergelijken.

Jakob streed als nog nooit te voren; hij had zich voor zijn moeder geplaatst, om haar met zijn lijf te beschutten. Een oogenblik verloor de marketentster het evenwicht, struikelend door een verschoven plank of een opening in den dekvloer. Zij dreigde te midden der woelende ijsschotsen in het donkere water te storten, dat al zoo menig slachtoffer verslonden had. Maar Willem sloeg zijn arm om haar heen en redde haar nog tijdig uit dit gevaar.

De worsteling duurde slechts een oogenblik; de ruiters, ophunbeurt gedrongen door de massa die achter hen opzette, hieuwen als razenden er op in, en—braken een bres in den kleinen phalanx. Sommigen van het veertiental werden overhoop gereden; anderen stortten in de rivier; Jakob bleef als een schaduw zijn moeder nabij; opgestuwd raakten beiden steeds verder voort door het gedrang. Nog waren zij slechts een tiental schreden van den overliggenden oever verwijderd—daar voelde Jakob een schok in zijn rug, die hem bijna voorover wierp en hem zijn moeder deed loslaten. Door een schier bovenmenschelijke inspanning gelukte het hem, zich overeind te worstelen. Maar op hetzelfde oogenblik drong een kurassier zijn reusachtig ros op hem in en scheen hem onder den voet te willen rijden.

Jakob greep de teugels van het paard en deed het eenige schreden achteruit wijken. Maar de ruiter gaf het dier de sporen en deed met zijn lange sabel een woedenden houw naar zijn tegenstander. Deze echter ontweek den slag en rukte zoo geweldig aan den teugel, dat het paard een oogenblik op zijn achterbeenen werd neergedrukt.

Terwijl de zóón op die manier worstelde met denruiter, geraakte de móeder opnieuw in het gedrang. Zij hield echter met de kracht der wanhoop een punt van zijn kleeren in de hand, en zoolang Jakob die hand voelde, bleef hij omzichtig verkennen hoe hij zijn moeder zoo goed mogelijk door alle gevaren zou heenvoeren.

Maar opeens, terwijl hij den teugel van het ros nog vasthield, klonk, vlak bij hem, een doordringende vrouwengil, die hem door merg en been ging. Hij wendde het hoofd en zag iemand van de brug in het water storten—het was Willem! Een gevoel als zonk eensklaps het waggelend bruggedek met hem in diepte, overviel Jakob op dat vreeselijk gezicht; het bloed vloog hem naar het hoofd, bruiste en kookte in zijn hersenen en benevelde zijn blik... Hij liet den teugel glippen.

De kurassier dreef zijn paard aan; het dier sprong onder de felle spoorslagen stijgerend op, gereed om over Jakob Stargardt en zijn moeder en al wie zich maar in den weg bevinden mocht, naar den oever te rennen.

„Ellendige hond!—dat zal je ontgelden!” riep Reinier nu woedend. Met de kracht der razernij omklemden zijn armen het been van den ruiter en hij wierp den man letterlijk uit het zadel. Het paard werd door zijn berijder, die de teugels krampachtig in zijn vuist besloten hield, mee getrokken, en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom.

Juist in dit oogenblik sloegen er opnieuw eenige kanonskogels in de verwarde, weerlooze menschenmenigte neer. Een wilde opstuwing was er het gevolg van; en geperst en mee gesleurd kwamen Reinier, de marketentster en Jakob daardoor, over lijken en stervenden, aan den anderen oever. Daar vonden zij Willem die, door den korten afstand, er in geslaagd was den kant te bereiken. Hij klappertandde vankoûen zijn natte kleeren begonnen reeds te bevriezen, waarom het viertal besloot, zoo spoedig mogelijk naar Zembin te gaan, waar het overschot van het Groote Leger heen trok of zich reeds gedeeltelijk bevond.

Eerst laat in den avond kwam een einde aan hetgevecht, dat herhaalde malen in een gruwelijk handgemeen ontaard was. De Russen gingen terug; zij waren op alle punten geslagen, ja, half vernietigd. Om negen uur begon Victor den afmarsch over de bruggen, nadat zijn soldaten zich met geweld een weg hadden moeten breken door de gillende, jammerende menschenmassa die zich, met voertuigen en losse paarden bont dooreen, aan de toegangen verdrong en die den kostbaren tijd om de rivier over te komen den vorigen dag had laten verloren gaan.

Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victors mannen den overkant bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden zich toen nog ongewapend op den linkeroever; en den volgenden morgen om half negen liet Eblé, die uit medelijden met al die rampzaligen met de uitvoering van 's Keizers bevel zoo lang maar eenigszins mogelijk was gewacht had, de bruggen in brand steken. Een uur later bestonden zij niet meer.—Toen kwamen de kozakken met hun ijzingwekkendhoera!...

Op dezelfde wijze liet de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin door de moerassen aldaar; doch de vorst viel weer in en maakte al zijn pogingen om zich de Russen hierdoor van het lijf te houden doelloos. Deze naderden thans over het ijs.

Na den tocht over de Berezina kwam het Fransche leger zoo goed als volslagen tot oplossing. Binnen drie dagen slonk het effectief der strijdbare manschappen weg tot beneden de negenduizend. Ney voerde weer de achterhoede aan.

Niet ver van Molodecno, den 3denDecember, zagen de vier Amsterdammers Keizer Napoleon voor het laatst van hun leven. Hij droeg een pels van marterbont en had een bonten muts op het hoofd. Zijn koets volgde op korten afstand. Zij herkenden hem door eenige officieren, die in zijn omgeving waren. Geen enkel „leve de Keizer” waaraan de groote veldheer zoo gewend was, werd gehoord.

In Molodecno wisten zij eenige levensmiddelen tebekomen. Het was toen een heldere winterdag en de koude was dragelijk. Tot hiertoe was de weg, hoewel moeilijk, niet door een zoo talrijk aantal lijken afgeteekend als vóór de Berezina. Deze vermindering was te danken aan Ney, die den vijand op een afstand wist te houden, aan de meer dragelijke natuur, aan eenige hulpbronnen die een minder verwoeste landstreek opleverde en ten slotte aan de omstandigheid, dat het de krachtigsten waren, die de overzijde van de Berezina hadden weten te bereiken.

De groote massa vluchtelingen had zich reeds lang verdeeld in kleine troepen van hoogstens acht tot tien man. Verscheidene dezer beschikten nog over een paard, dat bepakt was met hun levensmiddelen of, bij gebrek hiervan, zelf daartoe moest dienen. Lompen, eenig keukengereedschap, een zak en een stok, dit was de uitrusting, de bewapening van de meesten dier ongelukkigen. In niets geleken zij meer op soldaten, zij bezaten geen uniform, geen wapens meer; noch den wil, andere vijanden te bestrijden dan honger en koude; het eenige wat hun nog restte was de standvastigheid, de gewoonte om gevaren en lijden te verdragen, zoo ook een steeds vaardigen geest om in hun toestand van alles zoo veel mogelijk partij te trekken.

Te Smorgoni schreef de Keizer eigenhandig zijn laatste bulletin, het 29ste, en verliet daarna in den vroegen morgen zijn stervend leger.

Bezorgd, om bij een gevreesden afval der Pruisen tegengehouden te worden, snelde hij, in een eenvoudige slede en vergezeld van slechts weinigen, door Polen, Silezië en Saksen, naar den Rijn en verder naar Parijs, waar hij in den nacht van den 18denDecember onverwachts aankwam, twee dagen na de verschijning van zijn 29stebulletin.

Eén reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het Groote Leger over Wilna naar den Niemen, nadat Napoleon was heengegaan. Aan honderden, die door zijn tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren geschraagd, ontzonk thans eensklaps de moed.Velen vervloekten hem. Anderen keurden zijn handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond niet meer in zijn macht; dit leger was gedoemd om onder te gaan en bij een veldheer en een vorst als hij behoorde, meenden zij, het belang van den staat te gaan boven het gevoel.

Van krijgstucht was echter thans geen schijn of schaduw meer. Reeds in den nacht van Napoleons vertrek had een generaal geweigerd, om aan Murat te gehoorzamen, en weldra nam niemand meer bevelen aan—ieder meende verplicht te zijn, voor zichzelf te zorgen. Geen menschelijkheid, geen verbroedering meer; de honger had alle gevoel verstompt. Zooals onder de wilden de sterksten de zwakkeren berooven, zoo wierp men zich op zijn stervende metgezellen, meermalen niet wachtend zelfs op hun laatsten snik. Als een paard neerstortte, zou men gemeend hebben een troep hyena's te zien; tal van ongelukkigen verdrongen er zich omheen, rukten het in stukken en betwistten ze elkaar als verscheurende dieren.


Back to IndexNext