DERTIENDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma afscheid nemen van m’nheer en mevrouw Przlwitz en door ’n motordefect ergens terecht komen waar ze liever niet waren.Mevrouw Przlwitz had de jongens om zes uur gewekt door heel hard op de deur te bonzen. Ze had ’t eerst zachtjes gedaan maar daar hadden ze maling aan en m’nheer Przlwitz vond dan ook, dat voor zulke slapers automatische bedden nog maar ’t beste waren. Jan Drie vond van niet. Die had genoeg van automatische bedden en Dolf beweerde dat ’n automatisch bed hèm toch niet hielp, omdat ie wel zoo wijs was geen vinger naar ’t wekkertje uit te steken. M’nheer Przlwitz vertelde toen, dat inspecteur Punt hem die middag getelefoneerd had en zoo hoorde de jongens tot hun groote plezier, dat de twee politiemannen met hun beroemde hond al weer naar Den Haag waren en dat oom Dokie nergens te vinden was. Ze vonden dat allemaal zeer gunstige omstandigheden. Vooral ’t heengaan van den inspecteur. Oom Dokie zou naar alle waarschijnlijkheid óók wel naar huis zijn, maar die telde volgens Dolf toch niet mee. Voor m’nheer Vliegenthert hoefde je nog niet eens bang te zijn al kwamje ’m tegen onderweg. Tien tegen een, dat ie jenietin de gaten zou krijgen zelfs al zat je in z’n eigen aeroplaan. Ze hadden dus nu de mooiste kans om de aeroplaan van m’nheer Vliegenthert thuis te brengen en hun gastheer ried hen aan die avond om ’n uur of negen op te stijgen. Dan hingen er waarschijnlijk wel weer dikke wolken om de bergen en over ’t meer. Ze moesten daar maar boven uit en dan zonder licht naar huis. Ze moesten er ook maar ’n goed gangetje in houden, bijvoorbeeld honderd twintig kilometer per uur, dan waren ze tegen half drie in Den Haag, net tegen de schemering en dat was ’n zeer gunstige tijd. Dan zou er wel geen enkele luchtwachter op hen letten. In ieder geval hadden ze op die manier de meeste kans.Jan en Dolf vonden ’t ’n prachtig plan. Jan vond ’t vooral heerlijk om vijf uur lang met zoo’n snelheid door de lucht te schieten. Dat was nog eens vliegen. Maar Dolf zei, dat ’t toch veel leuker was als je achter ’n inspecteur aanvloog, die naar je zocht. ’t Allerleukste was volgens dezen avontuurlijken jongeheer nog als ze bijvoorbeeld oom Dokie ontmoetten. Doch m’nheer Przlwitz zei, dat ’t nu niet om avonturen te doen was, maar om zoo gauw mogelijk en zoo onbemerkt mogelijk de verdwenen aeroplaan terug te brengen. Dolf moest niet vergeten, dat Jan Drie altijd nog gevaar liep opgemerkt te worden, zoolang hij in ’t bezit was van die cacaokleurige monoplaan.„U bedoelt wij met z’n beiden m’nheer,”zei Dolf …„Ik sta m’n vrind Jan half.”„Prachtig Dolf …” zei m’nheer Przlwitz lachend,„maar dat helpt Jan geen zier en er gaan er eenvoudig twee achter de tralies. Doen jullie nu zooals ik je zeg. ’k Heb zoo’n idee, dat ’t heel goed in orde komen zal. En dan telefoneer je dadelijk hoe ’t afgeloopen is hé … dat wil zeggen, niet morgen vroeg al … slapen jullie eerst maar flink uit … Laten we dus zeggen: zoodra je opgestaan ben.”„Dan zal ’t wel morgenavond worden m’nheer,” zei Dolf.„Ook goed. Als jullie ’t maar niet vergeet.”„Ik zal er wel aan denken m’nheer,” verklaarde Jan Drie. „U kan er op rekenen.”„Afgesproken. Laten we dan nu maar gaan eten.”’t Was ’n feestmaal, dat mevrouw Przlwitz, zooals ze zeide, haar dappere redders aanbood. En die dappere redders waren dappere eters ook. Maar er kwam toch ’n eind aan de smulpartij en toen stelde m’nheer Przlwitz voor maar naar ’t dak te gaan. Daar bleven ze nog ’n uurtje zitten tot de duisternis kwam. Ze zagen de nevels weer om de bergen hangen en dat vonden ze nu maar wàt plezierig. Jan Drie liet z’n motor eens draaien en Dolf stond er bij. Die had er niet veel verstand van. Als Jan Drie ’n zéér ervaren motorman geweest was of meer tijd aan z’n onderzoek had kunnen besteden had hij ook misschien wel iets gehoord of misschien iets gezien, wat nog verholpen diende te worden. Hij was veel te ongeduldig om weg te komen en daardoor was z’n onderzoek maar oppervlakkig. Ook kwam mevrouwPrzlwitzal gauw met versnaperingen voor de nachtelijke reis aanloopen. Die moesten nog weggeborgen worden. Hiermee belastteDolf zich, erg in z’n schik dat ze onderweg wat anders zouden te eten hebben dan vliegtabletten. Ook zorgde mevrouw voor ’n paar flesschen drinken. ’tWarenthermosflesschen, waarin ’t drinken warm bleef wel ’n heele dag lang, en ze waren gevuld met heete melk. Dat had mevrouw Przlwitz gedaan, omdat ze meende dat de jongens erg hoog zouden moeten vliegen en daar is ’t koud.De jongens bedankten en namen afscheid. Mevrouw liet hen echter nog eerst beloven, dat ze in ’t volgende jaar in de vacantie minstens ’n heele maand zouden komen, als ze mochten natuurlijk. En de jongens beloofden ’t wat graag.„Afgemarcheerd,” commandeerde m’nheer Przlwitz en weg vlogen ze in ’n wijde spiraal omhoog. Mevrouw Przlwitz wuifde met haar zakdoek en m’nheer zag hen door de kijker na tot ze niet meer te zien waren.„Ziezoo,” zei m’nheer Przlwitz, „als ze nu maar zonder ontdekt te worden in Den Haag komen,” en mevrouw voegde er aan toe: „ik hoop ’t.”De aeroplaan van m’nheer Vliegenthert deed genoeg z’n best om die hoop te verwezenlijken. Als ’n zwaluw schoot de vlieger vooruit onder de sterren. Maar motoren zijn rare dingen en hoewel ze in 2010 bijna volmaakt waren bleven ’t toch altijd samengestelde machines, waaraan ’n kleinigheid kon gaan mankeeren, die ’t volmaaktste werktuig tot ’n onbruikbaar ding kon doen worden. Dat bemerkte Jan Drie nadat ze ’n paar uur gevlogen hadden. Z’n geoefende ooren letten voortdurend op de geluiden van de motor en ofschoon die lang zoo luidruchtigniet waren als bij de motoren in 1910, toen ’n motor in ’n vlieger ’n helsch lawaai maakte, was ’t toch geen geluidloos ding geworden. Alles behalve. Je had nog steeds eenige moeite in ’n vlieger om met elkaar te praten. Maar Dolf verstond toch heel goed toen Jan Drie op eens zei:„Er hapert wat aan de motor.”„Hè?… Is ’t erg?”„Ik weet ’t niet … Ik denk dat de ontsteking niet in orde is. Maar ik geloof nooit, dat ie ’t volhoudt … Hoor, daar heb je ’t weer.„’k Heb niks gehoord,” zei Dolf.„Nou ik wel … Daar is ’t weer.”„Dan moeten we ergens laten repareeren hè?”„Jij hebt goed praten … Overal weten ze ’t met die luchtadvertentie. Als we ergens dalen, lappen ze ons er zoo bij.”„Wat wil je dan doen?” vroeg Dolf.„Hier of daar in ’n land neerkomen, waar geen mensch is … en dan zien of ik ’t zelf verhelpen kan … Kijk eens in dat kastje daar vlak bij je of er ook gereedschap en reservestukken zijn …”Dolf keek in ’t aangewezen kastje. „D’r is niks in,” zei hij.„Dacht ik wel,” zei Jan … „M’nheer Vliegenthert denkt enkel maar om eten.”„Och” antwoordde Dolf. „Wat zou oom Dokie nou aan tangen en zulk soort van spullen hebben. Hij kan er immers toch geen steek mee uitvoeren. Die weet er nog minder van dan ik.”„’t Is lam,” zei Jan. „Nou moeten we wel ergens dalen, waar menschen zijn … Stom van me, datik daar ook niet eer aan gedacht heb … M’nheer Przlwitz had me best wat gereedschap en de noodigste reservestukken willen leenen.”„D’r is nou niks meer aan te doen Jan … Laten we maar gauw naar beneden gaan … Daar vooruit zijn lichten … Of houdt ie ’t uit?”„Geen kwestie van … Ik ga naar beneden …”Ze daalden. De lichten werden duidelijker. Ze konden gebouwen onderscheiden … Ze zagen luchtwachters … Er daalde ’n trein en ’n andere vertrok … Toen nog een … Er vlogen aeroplaans …„Mainz!” las Dolf. ’t Waren lichtletters boven ’n luchtstation.„Kijk eens uit naar ’n reparateur,” zei Jan. „Of naar ’n magazijn van vliegartiekelen.”„’k Ben al bezig … Links moet je … kijk daar voor ons … Hier vlak bij: Aeroplaanhersteller.”„Nou, we moeten ’t maar wagen. Daar gaat ie …”„Zoo’n late klant krijgt ie ook niet dikwijls …” zei Dolf. „Ik zie geen sterveling.”„Schel maar even,” zei Jan, toen de vlieger op ’t dak stond … „Dan komt er wel iemand.”Dolf schelde en ’n oogenblik later kwam de baas zelf op ’t dak. De man was heel vriendelijk, maar hij kon hen niet helpen. D’r was geen enkele knecht en zelf deed hij ’t ook liever niet. Hij had geen lust z’n werkpak te gaan aantrekken zoo laat op de avond …„Ja maar”, zei Jan … „we moeten onmiddelijk weer weg. We hebben geen tijd om tot morgen te wachten … En ’t is waarschijnlijk maar ’n kleine reparatie … ’n nieuw veertje of zooiets.”„U komt nog vroeg genoeg,” lachte de man … „De wedstrijd begint pas om elf uur … D’r zijn heel wat aeroplaans aangekomen vandaag, die allemaal meedoen … Maar ik heb er nog geen een gezien als deze … Sjonge, sjonge … ’t is ’n prachtvlieger … Jullie wint zeker.”„Goed weer gehad hier in de buurt?” vroeg Dolf opeens.„Goed weer?” zei de man verbaasd … „Wel jongeheer, we weten hier niet eens meer hoe slecht weer er uit ziet … Geen wolkje gezien in de laatstedrie weken … En ’t blijft zoo de eerste tijd … Zonder wolken … zonder wind … Je zult eens zien wat ’n prachtig vliegweer we morgen hebben … En de fijnste aeroplaantjes zijn ingeschreven voor de groote internationale hardvliegerij.”„We zijn nog niet ingeschreven,” zei Dolf.„Vroeg genoeg … vroeg genoeg …” antwoordde de man. „De inschrijving blijft open tot tien uur. Om elf uur begint ’t pas.”„Dus,” vroeg Jan … „U kan ons niet helpen op ’t oogenblik?”„Nee dat gaat niet … D’r is ’n tijd van werken en ’n tijd van rusten … Maar morgen vroeg ben u de eerste … ’t Zou zonde zijn als dit vliegertje niet mee kon doen … ’t Is ’n juweeltje … en ’t wint … bepaald wint ’t … Ik durf er op wedden … ’k Ga natuurlijk ook kijken …”„Nou m’nheer” zei Dolf … „dan komen we morgen vroeg terug … De monoplaan kan zeker wel hier blijven hè?”„Wel zeker, wel zeker … breng ’m maar in de werkplaats … Zoo…Hier op aan … Goed zoo … Om vijf uur kan u alweer terecht. Maar da’s veel te vroeg … ik zou eerst maar goed uitslapen.”Hij bracht de jongens naar beneden en toen ze alleen buiten in de leege straat liepen zei Jan Drie:„Maar Dolf … wat is dat nou … we kunnen toch morgen over dag niet weg?”„Wel … Jan, ik zal je eens wat vertellen … we doen morgen mee aan die hardvliegerij.”„Ben jij heelemaal …”„Nee … nog niet Jantje …. M’n bovenkamer is nog in orde ….”„Daar komt niemendal van!!”… stoofJanop.„Luister nou es Jan … en maak je niet kwaad …. Geen mensch weet hier van de gestolen aeroplaan af, dat verzeker ik je. Ze hebben in geen drie weken ’n wolkje gehad en dus ook geen advertentie …”„Zoo … maar ’t zal toch wel in de kranten gestaan hebben ….”„Wat zou dat dan nog … Weet jij iemand die tegenwoordig nog van dat soort berichten leest?… De meeste kranten nemen ze niet eens meer op …. Enfin daar kunnen we gauw genoeg achter komen …. We gaan in ’t eerste hotel ’t beste overnachten. Dan maken we een praatje met den bediende en dan weten we in ’n wip wat we weten willen.”„Nou ja, maar wat heeft dat nou met die hardvliegerij te maken?…„O ’n heele boel …. Heb je dat biljet niet gelezen, dat aangeplakt was op de hangar van denreparateur… Niet?… Nou ik wel. Vliegen van Mainz naar Koblentz en terug, driehonderdnegentig kilometers, keerpunt boven de Moezel. Drie ronden …. In hoeveel tijd denk je, dat je ’t met oom Dokie z’n aeroplaan zou klaar spelen?”„Drie-honderd-negentig kilometer?… Wel in ’n paar uur denk ik … zeker niet meer …. Als ’t er op aankomt zie ik kans met die aeroplaan de heele rommel voorbij te vliegen.”…„Ja maar d’r komen eerste klas aviateurs.”…„Pf … ’t zou wat.”„Dus je zou winnen?”„Natuurlijk.”„Prachtig … dus je wint die duizend gulden ….”„Ik???”„Wie anders …. Als jij ’t eerste aankomt, zijn ze toch voor jou?”„Maar ’k vlieg niet mee … Hoe kom je nou toch zoo mal …. We moeten zoo gauw mogelijk naar huis …. Je weet wat m’nheer Przlwitz gezegd heeft: geen avonturen.”„Ja maar je vergeet één ding … wie vergoedt oom Dokie z’n onkosten?”„Oom Dokie z’n onkosten?”„Ja z’n on-kos-ten. Hij moet toch die politie betalen, en de advertentie op de wolken … en z’n reis naar Nordhausen … en ….”„Daar … heb ik nog heel niet aan gedacht ….”„Dat weet ik wel … maar jij ben toch maar verplicht die te vergoeden … en ik natuurlijk ook … spreekt vanzelf … ’k heb ook meegedaan …. Maar jij ben toch de oorzaak van alles ….”„Ik vergoeden?” riep Jan Drie stilstaand midden in de straat …. „Hoeveel zou dat wel zijn?”…„Nou … dat zal wel aardig op de duizend gulden aanloopen … Al z’n onkosten zie je …. Da’s net vijfhonderd gulden de man …. Ik sta je in ieder geval half …. Dat heb ik nou eenmaal gezegd …en’n man ’n man, ’n woord ’n woord …. Ben jij goed bij kas?… Dan krijgt ie tenminste alvast de helft. Mijn vijfhonderd gulden krijgt ie in geen vijfhonderd jaar, asikze betalen moet …. Vader zou me aan zien komen ….”„En de mijne ….”„As wij nou die duizend gulden wonnen ….”„Och dat kan toch niet … Hoe kunnen wij nou deelnemen aan ’n hardvliegerij op klaar lichte dag met ’n gestolen aeroplaan”.„Wil jij vliegen … als ik voor de rest zorg?”Jan Drie zuchtte eens diep. ’t Was zoo verleidelijk. Hij diende toch die onkosten te vergoeden …. En dan die race …. Dat was ook om van te watertanden …. Al die vliegers achter je te laten, wie weet wat voor beroemde hardvliegers …. Eerste aankomen ….„D’r is toch geen enkele bekende hier”… begon Dolf weer. „Tenminste inspecteur Punt niet en brigadier Kwadraat niet en oom Dokie niet … En als er eens ’n andere bekende was … hindert’t niemendal … We trekken onze mutsen over de ooren … vliegbrillen op … kraag omhoog … Wie doet je wat?”„Ik doe ’t,” zei Jan Drie … „En ik win.”„Natuurlijk,” zei Dolf … „je wint. Als je niet wint kan je wel thuisblijven. Laten we nu maar ’t hotel binnengaan.”—Dat deden ze en ze gingen maar gauw naar bed. Dolf had echter eerst eens geinformeerd bij den portier over vliegers en zoo, en of hij ook iets wist van ’n aeroplaandiefstal. Nee, de man wist niemendal.„Zie je nou wel,” zei hij tegen Jan Drie, „ze weten er hier nog niets van. Hè wat snorkt er daar een.”„Dat is vlak hier naast,” zei Jan. „Ook lollig om dat de heele nacht in je buurt te hebben. Vervelend geluid hè?”„’k Hoor ook liever muziek. Maar ’t zal me niet lang wakker houden. ’k Heb zoo’n slaap.”„Ik ook. Maar ’k wou toch dat ie ophield met z’n plankenzagerij. Wel te rusten.”„Goeie nacht. Zes uur op hé? Wie zou dat toch zijn, die snorkbaas?”„’t Kan me geen steek schelen.”Als ze geweten hadden, wie daar lag te snorken, zou Jan Drie waarschijnlijk niet met zooveel onverschilligheid gezegd hebben dat ’t ’m niet schelen kon en niet gerust ingeslapen zijn. Want die plankenzager was m’nheer Vliegenthert.Hij had in de locaalluchttrein gehoord van de hardvliegerij … en toen was hij maar met de eerste gelegenheid de beste van Frankfort naar Mainz gevlogen.’t Was hem toch ’t zelfde waar hij de avond doorbracht en als hij er niet zoo tegen op gezien had om nog langer tusschen de menschen in ’n trein te zitten, zou hij zeker regelrecht naar Den Haag zijn gereisd. Hij had er genoeg van. ’n Uur of wat in ’n buurttreintje te zitten had hem alle lust benomen om die dag nog de lange reis naar Den Haag te ondernemen. ’t Toeval had hem nu te slapen gelegd vlak naast de dieven van z’n aeroplaan. En ’t was maar goed, dat m’nheer Vliegenthert al evenmin vermoeden kon, wie er vlak naast hem sliepen. Want z’n humeur was zoo verbazend slecht en z’n verdriet over ’t gemis van z’n monoplaan zoo hevig, dat hij zeker de twee jongens onmiddellijk aan de politie zou hebben overgeleverd, als hij hen in ’t bezit van zijn aeroplaan had aangetroffen. M’nheer Vliegenthert was in ’n toestand, waarin hij zelf z’n geliefde neefje Dolf met ’t grootste plezier achter de tralies zou geholpen hebben.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma afscheid nemen van m’nheer en mevrouw Przlwitz en door ’n motordefect ergens terecht komen waar ze liever niet waren.Mevrouw Przlwitz had de jongens om zes uur gewekt door heel hard op de deur te bonzen. Ze had ’t eerst zachtjes gedaan maar daar hadden ze maling aan en m’nheer Przlwitz vond dan ook, dat voor zulke slapers automatische bedden nog maar ’t beste waren. Jan Drie vond van niet. Die had genoeg van automatische bedden en Dolf beweerde dat ’n automatisch bed hèm toch niet hielp, omdat ie wel zoo wijs was geen vinger naar ’t wekkertje uit te steken. M’nheer Przlwitz vertelde toen, dat inspecteur Punt hem die middag getelefoneerd had en zoo hoorde de jongens tot hun groote plezier, dat de twee politiemannen met hun beroemde hond al weer naar Den Haag waren en dat oom Dokie nergens te vinden was. Ze vonden dat allemaal zeer gunstige omstandigheden. Vooral ’t heengaan van den inspecteur. Oom Dokie zou naar alle waarschijnlijkheid óók wel naar huis zijn, maar die telde volgens Dolf toch niet mee. Voor m’nheer Vliegenthert hoefde je nog niet eens bang te zijn al kwamje ’m tegen onderweg. Tien tegen een, dat ie jenietin de gaten zou krijgen zelfs al zat je in z’n eigen aeroplaan. Ze hadden dus nu de mooiste kans om de aeroplaan van m’nheer Vliegenthert thuis te brengen en hun gastheer ried hen aan die avond om ’n uur of negen op te stijgen. Dan hingen er waarschijnlijk wel weer dikke wolken om de bergen en over ’t meer. Ze moesten daar maar boven uit en dan zonder licht naar huis. Ze moesten er ook maar ’n goed gangetje in houden, bijvoorbeeld honderd twintig kilometer per uur, dan waren ze tegen half drie in Den Haag, net tegen de schemering en dat was ’n zeer gunstige tijd. Dan zou er wel geen enkele luchtwachter op hen letten. In ieder geval hadden ze op die manier de meeste kans.Jan en Dolf vonden ’t ’n prachtig plan. Jan vond ’t vooral heerlijk om vijf uur lang met zoo’n snelheid door de lucht te schieten. Dat was nog eens vliegen. Maar Dolf zei, dat ’t toch veel leuker was als je achter ’n inspecteur aanvloog, die naar je zocht. ’t Allerleukste was volgens dezen avontuurlijken jongeheer nog als ze bijvoorbeeld oom Dokie ontmoetten. Doch m’nheer Przlwitz zei, dat ’t nu niet om avonturen te doen was, maar om zoo gauw mogelijk en zoo onbemerkt mogelijk de verdwenen aeroplaan terug te brengen. Dolf moest niet vergeten, dat Jan Drie altijd nog gevaar liep opgemerkt te worden, zoolang hij in ’t bezit was van die cacaokleurige monoplaan.„U bedoelt wij met z’n beiden m’nheer,”zei Dolf …„Ik sta m’n vrind Jan half.”„Prachtig Dolf …” zei m’nheer Przlwitz lachend,„maar dat helpt Jan geen zier en er gaan er eenvoudig twee achter de tralies. Doen jullie nu zooals ik je zeg. ’k Heb zoo’n idee, dat ’t heel goed in orde komen zal. En dan telefoneer je dadelijk hoe ’t afgeloopen is hé … dat wil zeggen, niet morgen vroeg al … slapen jullie eerst maar flink uit … Laten we dus zeggen: zoodra je opgestaan ben.”„Dan zal ’t wel morgenavond worden m’nheer,” zei Dolf.„Ook goed. Als jullie ’t maar niet vergeet.”„Ik zal er wel aan denken m’nheer,” verklaarde Jan Drie. „U kan er op rekenen.”„Afgesproken. Laten we dan nu maar gaan eten.”’t Was ’n feestmaal, dat mevrouw Przlwitz, zooals ze zeide, haar dappere redders aanbood. En die dappere redders waren dappere eters ook. Maar er kwam toch ’n eind aan de smulpartij en toen stelde m’nheer Przlwitz voor maar naar ’t dak te gaan. Daar bleven ze nog ’n uurtje zitten tot de duisternis kwam. Ze zagen de nevels weer om de bergen hangen en dat vonden ze nu maar wàt plezierig. Jan Drie liet z’n motor eens draaien en Dolf stond er bij. Die had er niet veel verstand van. Als Jan Drie ’n zéér ervaren motorman geweest was of meer tijd aan z’n onderzoek had kunnen besteden had hij ook misschien wel iets gehoord of misschien iets gezien, wat nog verholpen diende te worden. Hij was veel te ongeduldig om weg te komen en daardoor was z’n onderzoek maar oppervlakkig. Ook kwam mevrouwPrzlwitzal gauw met versnaperingen voor de nachtelijke reis aanloopen. Die moesten nog weggeborgen worden. Hiermee belastteDolf zich, erg in z’n schik dat ze onderweg wat anders zouden te eten hebben dan vliegtabletten. Ook zorgde mevrouw voor ’n paar flesschen drinken. ’tWarenthermosflesschen, waarin ’t drinken warm bleef wel ’n heele dag lang, en ze waren gevuld met heete melk. Dat had mevrouw Przlwitz gedaan, omdat ze meende dat de jongens erg hoog zouden moeten vliegen en daar is ’t koud.De jongens bedankten en namen afscheid. Mevrouw liet hen echter nog eerst beloven, dat ze in ’t volgende jaar in de vacantie minstens ’n heele maand zouden komen, als ze mochten natuurlijk. En de jongens beloofden ’t wat graag.„Afgemarcheerd,” commandeerde m’nheer Przlwitz en weg vlogen ze in ’n wijde spiraal omhoog. Mevrouw Przlwitz wuifde met haar zakdoek en m’nheer zag hen door de kijker na tot ze niet meer te zien waren.„Ziezoo,” zei m’nheer Przlwitz, „als ze nu maar zonder ontdekt te worden in Den Haag komen,” en mevrouw voegde er aan toe: „ik hoop ’t.”De aeroplaan van m’nheer Vliegenthert deed genoeg z’n best om die hoop te verwezenlijken. Als ’n zwaluw schoot de vlieger vooruit onder de sterren. Maar motoren zijn rare dingen en hoewel ze in 2010 bijna volmaakt waren bleven ’t toch altijd samengestelde machines, waaraan ’n kleinigheid kon gaan mankeeren, die ’t volmaaktste werktuig tot ’n onbruikbaar ding kon doen worden. Dat bemerkte Jan Drie nadat ze ’n paar uur gevlogen hadden. Z’n geoefende ooren letten voortdurend op de geluiden van de motor en ofschoon die lang zoo luidruchtigniet waren als bij de motoren in 1910, toen ’n motor in ’n vlieger ’n helsch lawaai maakte, was ’t toch geen geluidloos ding geworden. Alles behalve. Je had nog steeds eenige moeite in ’n vlieger om met elkaar te praten. Maar Dolf verstond toch heel goed toen Jan Drie op eens zei:„Er hapert wat aan de motor.”„Hè?… Is ’t erg?”„Ik weet ’t niet … Ik denk dat de ontsteking niet in orde is. Maar ik geloof nooit, dat ie ’t volhoudt … Hoor, daar heb je ’t weer.„’k Heb niks gehoord,” zei Dolf.„Nou ik wel … Daar is ’t weer.”„Dan moeten we ergens laten repareeren hè?”„Jij hebt goed praten … Overal weten ze ’t met die luchtadvertentie. Als we ergens dalen, lappen ze ons er zoo bij.”„Wat wil je dan doen?” vroeg Dolf.„Hier of daar in ’n land neerkomen, waar geen mensch is … en dan zien of ik ’t zelf verhelpen kan … Kijk eens in dat kastje daar vlak bij je of er ook gereedschap en reservestukken zijn …”Dolf keek in ’t aangewezen kastje. „D’r is niks in,” zei hij.„Dacht ik wel,” zei Jan … „M’nheer Vliegenthert denkt enkel maar om eten.”„Och” antwoordde Dolf. „Wat zou oom Dokie nou aan tangen en zulk soort van spullen hebben. Hij kan er immers toch geen steek mee uitvoeren. Die weet er nog minder van dan ik.”„’t Is lam,” zei Jan. „Nou moeten we wel ergens dalen, waar menschen zijn … Stom van me, datik daar ook niet eer aan gedacht heb … M’nheer Przlwitz had me best wat gereedschap en de noodigste reservestukken willen leenen.”„D’r is nou niks meer aan te doen Jan … Laten we maar gauw naar beneden gaan … Daar vooruit zijn lichten … Of houdt ie ’t uit?”„Geen kwestie van … Ik ga naar beneden …”Ze daalden. De lichten werden duidelijker. Ze konden gebouwen onderscheiden … Ze zagen luchtwachters … Er daalde ’n trein en ’n andere vertrok … Toen nog een … Er vlogen aeroplaans …„Mainz!” las Dolf. ’t Waren lichtletters boven ’n luchtstation.„Kijk eens uit naar ’n reparateur,” zei Jan. „Of naar ’n magazijn van vliegartiekelen.”„’k Ben al bezig … Links moet je … kijk daar voor ons … Hier vlak bij: Aeroplaanhersteller.”„Nou, we moeten ’t maar wagen. Daar gaat ie …”„Zoo’n late klant krijgt ie ook niet dikwijls …” zei Dolf. „Ik zie geen sterveling.”„Schel maar even,” zei Jan, toen de vlieger op ’t dak stond … „Dan komt er wel iemand.”Dolf schelde en ’n oogenblik later kwam de baas zelf op ’t dak. De man was heel vriendelijk, maar hij kon hen niet helpen. D’r was geen enkele knecht en zelf deed hij ’t ook liever niet. Hij had geen lust z’n werkpak te gaan aantrekken zoo laat op de avond …„Ja maar”, zei Jan … „we moeten onmiddelijk weer weg. We hebben geen tijd om tot morgen te wachten … En ’t is waarschijnlijk maar ’n kleine reparatie … ’n nieuw veertje of zooiets.”„U komt nog vroeg genoeg,” lachte de man … „De wedstrijd begint pas om elf uur … D’r zijn heel wat aeroplaans aangekomen vandaag, die allemaal meedoen … Maar ik heb er nog geen een gezien als deze … Sjonge, sjonge … ’t is ’n prachtvlieger … Jullie wint zeker.”„Goed weer gehad hier in de buurt?” vroeg Dolf opeens.„Goed weer?” zei de man verbaasd … „Wel jongeheer, we weten hier niet eens meer hoe slecht weer er uit ziet … Geen wolkje gezien in de laatstedrie weken … En ’t blijft zoo de eerste tijd … Zonder wolken … zonder wind … Je zult eens zien wat ’n prachtig vliegweer we morgen hebben … En de fijnste aeroplaantjes zijn ingeschreven voor de groote internationale hardvliegerij.”„We zijn nog niet ingeschreven,” zei Dolf.„Vroeg genoeg … vroeg genoeg …” antwoordde de man. „De inschrijving blijft open tot tien uur. Om elf uur begint ’t pas.”„Dus,” vroeg Jan … „U kan ons niet helpen op ’t oogenblik?”„Nee dat gaat niet … D’r is ’n tijd van werken en ’n tijd van rusten … Maar morgen vroeg ben u de eerste … ’t Zou zonde zijn als dit vliegertje niet mee kon doen … ’t Is ’n juweeltje … en ’t wint … bepaald wint ’t … Ik durf er op wedden … ’k Ga natuurlijk ook kijken …”„Nou m’nheer” zei Dolf … „dan komen we morgen vroeg terug … De monoplaan kan zeker wel hier blijven hè?”„Wel zeker, wel zeker … breng ’m maar in de werkplaats … Zoo…Hier op aan … Goed zoo … Om vijf uur kan u alweer terecht. Maar da’s veel te vroeg … ik zou eerst maar goed uitslapen.”Hij bracht de jongens naar beneden en toen ze alleen buiten in de leege straat liepen zei Jan Drie:„Maar Dolf … wat is dat nou … we kunnen toch morgen over dag niet weg?”„Wel … Jan, ik zal je eens wat vertellen … we doen morgen mee aan die hardvliegerij.”„Ben jij heelemaal …”„Nee … nog niet Jantje …. M’n bovenkamer is nog in orde ….”„Daar komt niemendal van!!”… stoofJanop.„Luister nou es Jan … en maak je niet kwaad …. Geen mensch weet hier van de gestolen aeroplaan af, dat verzeker ik je. Ze hebben in geen drie weken ’n wolkje gehad en dus ook geen advertentie …”„Zoo … maar ’t zal toch wel in de kranten gestaan hebben ….”„Wat zou dat dan nog … Weet jij iemand die tegenwoordig nog van dat soort berichten leest?… De meeste kranten nemen ze niet eens meer op …. Enfin daar kunnen we gauw genoeg achter komen …. We gaan in ’t eerste hotel ’t beste overnachten. Dan maken we een praatje met den bediende en dan weten we in ’n wip wat we weten willen.”„Nou ja, maar wat heeft dat nou met die hardvliegerij te maken?…„O ’n heele boel …. Heb je dat biljet niet gelezen, dat aangeplakt was op de hangar van denreparateur… Niet?… Nou ik wel. Vliegen van Mainz naar Koblentz en terug, driehonderdnegentig kilometers, keerpunt boven de Moezel. Drie ronden …. In hoeveel tijd denk je, dat je ’t met oom Dokie z’n aeroplaan zou klaar spelen?”„Drie-honderd-negentig kilometer?… Wel in ’n paar uur denk ik … zeker niet meer …. Als ’t er op aankomt zie ik kans met die aeroplaan de heele rommel voorbij te vliegen.”…„Ja maar d’r komen eerste klas aviateurs.”…„Pf … ’t zou wat.”„Dus je zou winnen?”„Natuurlijk.”„Prachtig … dus je wint die duizend gulden ….”„Ik???”„Wie anders …. Als jij ’t eerste aankomt, zijn ze toch voor jou?”„Maar ’k vlieg niet mee … Hoe kom je nou toch zoo mal …. We moeten zoo gauw mogelijk naar huis …. Je weet wat m’nheer Przlwitz gezegd heeft: geen avonturen.”„Ja maar je vergeet één ding … wie vergoedt oom Dokie z’n onkosten?”„Oom Dokie z’n onkosten?”„Ja z’n on-kos-ten. Hij moet toch die politie betalen, en de advertentie op de wolken … en z’n reis naar Nordhausen … en ….”„Daar … heb ik nog heel niet aan gedacht ….”„Dat weet ik wel … maar jij ben toch maar verplicht die te vergoeden … en ik natuurlijk ook … spreekt vanzelf … ’k heb ook meegedaan …. Maar jij ben toch de oorzaak van alles ….”„Ik vergoeden?” riep Jan Drie stilstaand midden in de straat …. „Hoeveel zou dat wel zijn?”…„Nou … dat zal wel aardig op de duizend gulden aanloopen … Al z’n onkosten zie je …. Da’s net vijfhonderd gulden de man …. Ik sta je in ieder geval half …. Dat heb ik nou eenmaal gezegd …en’n man ’n man, ’n woord ’n woord …. Ben jij goed bij kas?… Dan krijgt ie tenminste alvast de helft. Mijn vijfhonderd gulden krijgt ie in geen vijfhonderd jaar, asikze betalen moet …. Vader zou me aan zien komen ….”„En de mijne ….”„As wij nou die duizend gulden wonnen ….”„Och dat kan toch niet … Hoe kunnen wij nou deelnemen aan ’n hardvliegerij op klaar lichte dag met ’n gestolen aeroplaan”.„Wil jij vliegen … als ik voor de rest zorg?”Jan Drie zuchtte eens diep. ’t Was zoo verleidelijk. Hij diende toch die onkosten te vergoeden …. En dan die race …. Dat was ook om van te watertanden …. Al die vliegers achter je te laten, wie weet wat voor beroemde hardvliegers …. Eerste aankomen ….„D’r is toch geen enkele bekende hier”… begon Dolf weer. „Tenminste inspecteur Punt niet en brigadier Kwadraat niet en oom Dokie niet … En als er eens ’n andere bekende was … hindert’t niemendal … We trekken onze mutsen over de ooren … vliegbrillen op … kraag omhoog … Wie doet je wat?”„Ik doe ’t,” zei Jan Drie … „En ik win.”„Natuurlijk,” zei Dolf … „je wint. Als je niet wint kan je wel thuisblijven. Laten we nu maar ’t hotel binnengaan.”—Dat deden ze en ze gingen maar gauw naar bed. Dolf had echter eerst eens geinformeerd bij den portier over vliegers en zoo, en of hij ook iets wist van ’n aeroplaandiefstal. Nee, de man wist niemendal.„Zie je nou wel,” zei hij tegen Jan Drie, „ze weten er hier nog niets van. Hè wat snorkt er daar een.”„Dat is vlak hier naast,” zei Jan. „Ook lollig om dat de heele nacht in je buurt te hebben. Vervelend geluid hè?”„’k Hoor ook liever muziek. Maar ’t zal me niet lang wakker houden. ’k Heb zoo’n slaap.”„Ik ook. Maar ’k wou toch dat ie ophield met z’n plankenzagerij. Wel te rusten.”„Goeie nacht. Zes uur op hé? Wie zou dat toch zijn, die snorkbaas?”„’t Kan me geen steek schelen.”Als ze geweten hadden, wie daar lag te snorken, zou Jan Drie waarschijnlijk niet met zooveel onverschilligheid gezegd hebben dat ’t ’m niet schelen kon en niet gerust ingeslapen zijn. Want die plankenzager was m’nheer Vliegenthert.Hij had in de locaalluchttrein gehoord van de hardvliegerij … en toen was hij maar met de eerste gelegenheid de beste van Frankfort naar Mainz gevlogen.’t Was hem toch ’t zelfde waar hij de avond doorbracht en als hij er niet zoo tegen op gezien had om nog langer tusschen de menschen in ’n trein te zitten, zou hij zeker regelrecht naar Den Haag zijn gereisd. Hij had er genoeg van. ’n Uur of wat in ’n buurttreintje te zitten had hem alle lust benomen om die dag nog de lange reis naar Den Haag te ondernemen. ’t Toeval had hem nu te slapen gelegd vlak naast de dieven van z’n aeroplaan. En ’t was maar goed, dat m’nheer Vliegenthert al evenmin vermoeden kon, wie er vlak naast hem sliepen. Want z’n humeur was zoo verbazend slecht en z’n verdriet over ’t gemis van z’n monoplaan zoo hevig, dat hij zeker de twee jongens onmiddellijk aan de politie zou hebben overgeleverd, als hij hen in ’t bezit van zijn aeroplaan had aangetroffen. M’nheer Vliegenthert was in ’n toestand, waarin hij zelf z’n geliefde neefje Dolf met ’t grootste plezier achter de tralies zou geholpen hebben.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma afscheid nemen van m’nheer en mevrouw Przlwitz en door ’n motordefect ergens terecht komen waar ze liever niet waren.

Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma afscheid nemen van m’nheer en mevrouw Przlwitz en door ’n motordefect ergens terecht komen waar ze liever niet waren.

Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma afscheid nemen van m’nheer en mevrouw Przlwitz en door ’n motordefect ergens terecht komen waar ze liever niet waren.

Mevrouw Przlwitz had de jongens om zes uur gewekt door heel hard op de deur te bonzen. Ze had ’t eerst zachtjes gedaan maar daar hadden ze maling aan en m’nheer Przlwitz vond dan ook, dat voor zulke slapers automatische bedden nog maar ’t beste waren. Jan Drie vond van niet. Die had genoeg van automatische bedden en Dolf beweerde dat ’n automatisch bed hèm toch niet hielp, omdat ie wel zoo wijs was geen vinger naar ’t wekkertje uit te steken. M’nheer Przlwitz vertelde toen, dat inspecteur Punt hem die middag getelefoneerd had en zoo hoorde de jongens tot hun groote plezier, dat de twee politiemannen met hun beroemde hond al weer naar Den Haag waren en dat oom Dokie nergens te vinden was. Ze vonden dat allemaal zeer gunstige omstandigheden. Vooral ’t heengaan van den inspecteur. Oom Dokie zou naar alle waarschijnlijkheid óók wel naar huis zijn, maar die telde volgens Dolf toch niet mee. Voor m’nheer Vliegenthert hoefde je nog niet eens bang te zijn al kwamje ’m tegen onderweg. Tien tegen een, dat ie jenietin de gaten zou krijgen zelfs al zat je in z’n eigen aeroplaan. Ze hadden dus nu de mooiste kans om de aeroplaan van m’nheer Vliegenthert thuis te brengen en hun gastheer ried hen aan die avond om ’n uur of negen op te stijgen. Dan hingen er waarschijnlijk wel weer dikke wolken om de bergen en over ’t meer. Ze moesten daar maar boven uit en dan zonder licht naar huis. Ze moesten er ook maar ’n goed gangetje in houden, bijvoorbeeld honderd twintig kilometer per uur, dan waren ze tegen half drie in Den Haag, net tegen de schemering en dat was ’n zeer gunstige tijd. Dan zou er wel geen enkele luchtwachter op hen letten. In ieder geval hadden ze op die manier de meeste kans.Jan en Dolf vonden ’t ’n prachtig plan. Jan vond ’t vooral heerlijk om vijf uur lang met zoo’n snelheid door de lucht te schieten. Dat was nog eens vliegen. Maar Dolf zei, dat ’t toch veel leuker was als je achter ’n inspecteur aanvloog, die naar je zocht. ’t Allerleukste was volgens dezen avontuurlijken jongeheer nog als ze bijvoorbeeld oom Dokie ontmoetten. Doch m’nheer Przlwitz zei, dat ’t nu niet om avonturen te doen was, maar om zoo gauw mogelijk en zoo onbemerkt mogelijk de verdwenen aeroplaan terug te brengen. Dolf moest niet vergeten, dat Jan Drie altijd nog gevaar liep opgemerkt te worden, zoolang hij in ’t bezit was van die cacaokleurige monoplaan.„U bedoelt wij met z’n beiden m’nheer,”zei Dolf …„Ik sta m’n vrind Jan half.”„Prachtig Dolf …” zei m’nheer Przlwitz lachend,„maar dat helpt Jan geen zier en er gaan er eenvoudig twee achter de tralies. Doen jullie nu zooals ik je zeg. ’k Heb zoo’n idee, dat ’t heel goed in orde komen zal. En dan telefoneer je dadelijk hoe ’t afgeloopen is hé … dat wil zeggen, niet morgen vroeg al … slapen jullie eerst maar flink uit … Laten we dus zeggen: zoodra je opgestaan ben.”„Dan zal ’t wel morgenavond worden m’nheer,” zei Dolf.„Ook goed. Als jullie ’t maar niet vergeet.”„Ik zal er wel aan denken m’nheer,” verklaarde Jan Drie. „U kan er op rekenen.”„Afgesproken. Laten we dan nu maar gaan eten.”’t Was ’n feestmaal, dat mevrouw Przlwitz, zooals ze zeide, haar dappere redders aanbood. En die dappere redders waren dappere eters ook. Maar er kwam toch ’n eind aan de smulpartij en toen stelde m’nheer Przlwitz voor maar naar ’t dak te gaan. Daar bleven ze nog ’n uurtje zitten tot de duisternis kwam. Ze zagen de nevels weer om de bergen hangen en dat vonden ze nu maar wàt plezierig. Jan Drie liet z’n motor eens draaien en Dolf stond er bij. Die had er niet veel verstand van. Als Jan Drie ’n zéér ervaren motorman geweest was of meer tijd aan z’n onderzoek had kunnen besteden had hij ook misschien wel iets gehoord of misschien iets gezien, wat nog verholpen diende te worden. Hij was veel te ongeduldig om weg te komen en daardoor was z’n onderzoek maar oppervlakkig. Ook kwam mevrouwPrzlwitzal gauw met versnaperingen voor de nachtelijke reis aanloopen. Die moesten nog weggeborgen worden. Hiermee belastteDolf zich, erg in z’n schik dat ze onderweg wat anders zouden te eten hebben dan vliegtabletten. Ook zorgde mevrouw voor ’n paar flesschen drinken. ’tWarenthermosflesschen, waarin ’t drinken warm bleef wel ’n heele dag lang, en ze waren gevuld met heete melk. Dat had mevrouw Przlwitz gedaan, omdat ze meende dat de jongens erg hoog zouden moeten vliegen en daar is ’t koud.De jongens bedankten en namen afscheid. Mevrouw liet hen echter nog eerst beloven, dat ze in ’t volgende jaar in de vacantie minstens ’n heele maand zouden komen, als ze mochten natuurlijk. En de jongens beloofden ’t wat graag.„Afgemarcheerd,” commandeerde m’nheer Przlwitz en weg vlogen ze in ’n wijde spiraal omhoog. Mevrouw Przlwitz wuifde met haar zakdoek en m’nheer zag hen door de kijker na tot ze niet meer te zien waren.„Ziezoo,” zei m’nheer Przlwitz, „als ze nu maar zonder ontdekt te worden in Den Haag komen,” en mevrouw voegde er aan toe: „ik hoop ’t.”De aeroplaan van m’nheer Vliegenthert deed genoeg z’n best om die hoop te verwezenlijken. Als ’n zwaluw schoot de vlieger vooruit onder de sterren. Maar motoren zijn rare dingen en hoewel ze in 2010 bijna volmaakt waren bleven ’t toch altijd samengestelde machines, waaraan ’n kleinigheid kon gaan mankeeren, die ’t volmaaktste werktuig tot ’n onbruikbaar ding kon doen worden. Dat bemerkte Jan Drie nadat ze ’n paar uur gevlogen hadden. Z’n geoefende ooren letten voortdurend op de geluiden van de motor en ofschoon die lang zoo luidruchtigniet waren als bij de motoren in 1910, toen ’n motor in ’n vlieger ’n helsch lawaai maakte, was ’t toch geen geluidloos ding geworden. Alles behalve. Je had nog steeds eenige moeite in ’n vlieger om met elkaar te praten. Maar Dolf verstond toch heel goed toen Jan Drie op eens zei:„Er hapert wat aan de motor.”„Hè?… Is ’t erg?”„Ik weet ’t niet … Ik denk dat de ontsteking niet in orde is. Maar ik geloof nooit, dat ie ’t volhoudt … Hoor, daar heb je ’t weer.„’k Heb niks gehoord,” zei Dolf.„Nou ik wel … Daar is ’t weer.”„Dan moeten we ergens laten repareeren hè?”„Jij hebt goed praten … Overal weten ze ’t met die luchtadvertentie. Als we ergens dalen, lappen ze ons er zoo bij.”„Wat wil je dan doen?” vroeg Dolf.„Hier of daar in ’n land neerkomen, waar geen mensch is … en dan zien of ik ’t zelf verhelpen kan … Kijk eens in dat kastje daar vlak bij je of er ook gereedschap en reservestukken zijn …”Dolf keek in ’t aangewezen kastje. „D’r is niks in,” zei hij.„Dacht ik wel,” zei Jan … „M’nheer Vliegenthert denkt enkel maar om eten.”„Och” antwoordde Dolf. „Wat zou oom Dokie nou aan tangen en zulk soort van spullen hebben. Hij kan er immers toch geen steek mee uitvoeren. Die weet er nog minder van dan ik.”„’t Is lam,” zei Jan. „Nou moeten we wel ergens dalen, waar menschen zijn … Stom van me, datik daar ook niet eer aan gedacht heb … M’nheer Przlwitz had me best wat gereedschap en de noodigste reservestukken willen leenen.”„D’r is nou niks meer aan te doen Jan … Laten we maar gauw naar beneden gaan … Daar vooruit zijn lichten … Of houdt ie ’t uit?”„Geen kwestie van … Ik ga naar beneden …”Ze daalden. De lichten werden duidelijker. Ze konden gebouwen onderscheiden … Ze zagen luchtwachters … Er daalde ’n trein en ’n andere vertrok … Toen nog een … Er vlogen aeroplaans …„Mainz!” las Dolf. ’t Waren lichtletters boven ’n luchtstation.„Kijk eens uit naar ’n reparateur,” zei Jan. „Of naar ’n magazijn van vliegartiekelen.”„’k Ben al bezig … Links moet je … kijk daar voor ons … Hier vlak bij: Aeroplaanhersteller.”„Nou, we moeten ’t maar wagen. Daar gaat ie …”„Zoo’n late klant krijgt ie ook niet dikwijls …” zei Dolf. „Ik zie geen sterveling.”„Schel maar even,” zei Jan, toen de vlieger op ’t dak stond … „Dan komt er wel iemand.”Dolf schelde en ’n oogenblik later kwam de baas zelf op ’t dak. De man was heel vriendelijk, maar hij kon hen niet helpen. D’r was geen enkele knecht en zelf deed hij ’t ook liever niet. Hij had geen lust z’n werkpak te gaan aantrekken zoo laat op de avond …„Ja maar”, zei Jan … „we moeten onmiddelijk weer weg. We hebben geen tijd om tot morgen te wachten … En ’t is waarschijnlijk maar ’n kleine reparatie … ’n nieuw veertje of zooiets.”„U komt nog vroeg genoeg,” lachte de man … „De wedstrijd begint pas om elf uur … D’r zijn heel wat aeroplaans aangekomen vandaag, die allemaal meedoen … Maar ik heb er nog geen een gezien als deze … Sjonge, sjonge … ’t is ’n prachtvlieger … Jullie wint zeker.”„Goed weer gehad hier in de buurt?” vroeg Dolf opeens.„Goed weer?” zei de man verbaasd … „Wel jongeheer, we weten hier niet eens meer hoe slecht weer er uit ziet … Geen wolkje gezien in de laatstedrie weken … En ’t blijft zoo de eerste tijd … Zonder wolken … zonder wind … Je zult eens zien wat ’n prachtig vliegweer we morgen hebben … En de fijnste aeroplaantjes zijn ingeschreven voor de groote internationale hardvliegerij.”„We zijn nog niet ingeschreven,” zei Dolf.„Vroeg genoeg … vroeg genoeg …” antwoordde de man. „De inschrijving blijft open tot tien uur. Om elf uur begint ’t pas.”„Dus,” vroeg Jan … „U kan ons niet helpen op ’t oogenblik?”„Nee dat gaat niet … D’r is ’n tijd van werken en ’n tijd van rusten … Maar morgen vroeg ben u de eerste … ’t Zou zonde zijn als dit vliegertje niet mee kon doen … ’t Is ’n juweeltje … en ’t wint … bepaald wint ’t … Ik durf er op wedden … ’k Ga natuurlijk ook kijken …”„Nou m’nheer” zei Dolf … „dan komen we morgen vroeg terug … De monoplaan kan zeker wel hier blijven hè?”„Wel zeker, wel zeker … breng ’m maar in de werkplaats … Zoo…Hier op aan … Goed zoo … Om vijf uur kan u alweer terecht. Maar da’s veel te vroeg … ik zou eerst maar goed uitslapen.”Hij bracht de jongens naar beneden en toen ze alleen buiten in de leege straat liepen zei Jan Drie:„Maar Dolf … wat is dat nou … we kunnen toch morgen over dag niet weg?”„Wel … Jan, ik zal je eens wat vertellen … we doen morgen mee aan die hardvliegerij.”„Ben jij heelemaal …”„Nee … nog niet Jantje …. M’n bovenkamer is nog in orde ….”„Daar komt niemendal van!!”… stoofJanop.„Luister nou es Jan … en maak je niet kwaad …. Geen mensch weet hier van de gestolen aeroplaan af, dat verzeker ik je. Ze hebben in geen drie weken ’n wolkje gehad en dus ook geen advertentie …”„Zoo … maar ’t zal toch wel in de kranten gestaan hebben ….”„Wat zou dat dan nog … Weet jij iemand die tegenwoordig nog van dat soort berichten leest?… De meeste kranten nemen ze niet eens meer op …. Enfin daar kunnen we gauw genoeg achter komen …. We gaan in ’t eerste hotel ’t beste overnachten. Dan maken we een praatje met den bediende en dan weten we in ’n wip wat we weten willen.”„Nou ja, maar wat heeft dat nou met die hardvliegerij te maken?…„O ’n heele boel …. Heb je dat biljet niet gelezen, dat aangeplakt was op de hangar van denreparateur… Niet?… Nou ik wel. Vliegen van Mainz naar Koblentz en terug, driehonderdnegentig kilometers, keerpunt boven de Moezel. Drie ronden …. In hoeveel tijd denk je, dat je ’t met oom Dokie z’n aeroplaan zou klaar spelen?”„Drie-honderd-negentig kilometer?… Wel in ’n paar uur denk ik … zeker niet meer …. Als ’t er op aankomt zie ik kans met die aeroplaan de heele rommel voorbij te vliegen.”…„Ja maar d’r komen eerste klas aviateurs.”…„Pf … ’t zou wat.”„Dus je zou winnen?”„Natuurlijk.”„Prachtig … dus je wint die duizend gulden ….”„Ik???”„Wie anders …. Als jij ’t eerste aankomt, zijn ze toch voor jou?”„Maar ’k vlieg niet mee … Hoe kom je nou toch zoo mal …. We moeten zoo gauw mogelijk naar huis …. Je weet wat m’nheer Przlwitz gezegd heeft: geen avonturen.”„Ja maar je vergeet één ding … wie vergoedt oom Dokie z’n onkosten?”„Oom Dokie z’n onkosten?”„Ja z’n on-kos-ten. Hij moet toch die politie betalen, en de advertentie op de wolken … en z’n reis naar Nordhausen … en ….”„Daar … heb ik nog heel niet aan gedacht ….”„Dat weet ik wel … maar jij ben toch maar verplicht die te vergoeden … en ik natuurlijk ook … spreekt vanzelf … ’k heb ook meegedaan …. Maar jij ben toch de oorzaak van alles ….”„Ik vergoeden?” riep Jan Drie stilstaand midden in de straat …. „Hoeveel zou dat wel zijn?”…„Nou … dat zal wel aardig op de duizend gulden aanloopen … Al z’n onkosten zie je …. Da’s net vijfhonderd gulden de man …. Ik sta je in ieder geval half …. Dat heb ik nou eenmaal gezegd …en’n man ’n man, ’n woord ’n woord …. Ben jij goed bij kas?… Dan krijgt ie tenminste alvast de helft. Mijn vijfhonderd gulden krijgt ie in geen vijfhonderd jaar, asikze betalen moet …. Vader zou me aan zien komen ….”„En de mijne ….”„As wij nou die duizend gulden wonnen ….”„Och dat kan toch niet … Hoe kunnen wij nou deelnemen aan ’n hardvliegerij op klaar lichte dag met ’n gestolen aeroplaan”.„Wil jij vliegen … als ik voor de rest zorg?”Jan Drie zuchtte eens diep. ’t Was zoo verleidelijk. Hij diende toch die onkosten te vergoeden …. En dan die race …. Dat was ook om van te watertanden …. Al die vliegers achter je te laten, wie weet wat voor beroemde hardvliegers …. Eerste aankomen ….„D’r is toch geen enkele bekende hier”… begon Dolf weer. „Tenminste inspecteur Punt niet en brigadier Kwadraat niet en oom Dokie niet … En als er eens ’n andere bekende was … hindert’t niemendal … We trekken onze mutsen over de ooren … vliegbrillen op … kraag omhoog … Wie doet je wat?”„Ik doe ’t,” zei Jan Drie … „En ik win.”„Natuurlijk,” zei Dolf … „je wint. Als je niet wint kan je wel thuisblijven. Laten we nu maar ’t hotel binnengaan.”—Dat deden ze en ze gingen maar gauw naar bed. Dolf had echter eerst eens geinformeerd bij den portier over vliegers en zoo, en of hij ook iets wist van ’n aeroplaandiefstal. Nee, de man wist niemendal.„Zie je nou wel,” zei hij tegen Jan Drie, „ze weten er hier nog niets van. Hè wat snorkt er daar een.”„Dat is vlak hier naast,” zei Jan. „Ook lollig om dat de heele nacht in je buurt te hebben. Vervelend geluid hè?”„’k Hoor ook liever muziek. Maar ’t zal me niet lang wakker houden. ’k Heb zoo’n slaap.”„Ik ook. Maar ’k wou toch dat ie ophield met z’n plankenzagerij. Wel te rusten.”„Goeie nacht. Zes uur op hé? Wie zou dat toch zijn, die snorkbaas?”„’t Kan me geen steek schelen.”Als ze geweten hadden, wie daar lag te snorken, zou Jan Drie waarschijnlijk niet met zooveel onverschilligheid gezegd hebben dat ’t ’m niet schelen kon en niet gerust ingeslapen zijn. Want die plankenzager was m’nheer Vliegenthert.Hij had in de locaalluchttrein gehoord van de hardvliegerij … en toen was hij maar met de eerste gelegenheid de beste van Frankfort naar Mainz gevlogen.’t Was hem toch ’t zelfde waar hij de avond doorbracht en als hij er niet zoo tegen op gezien had om nog langer tusschen de menschen in ’n trein te zitten, zou hij zeker regelrecht naar Den Haag zijn gereisd. Hij had er genoeg van. ’n Uur of wat in ’n buurttreintje te zitten had hem alle lust benomen om die dag nog de lange reis naar Den Haag te ondernemen. ’t Toeval had hem nu te slapen gelegd vlak naast de dieven van z’n aeroplaan. En ’t was maar goed, dat m’nheer Vliegenthert al evenmin vermoeden kon, wie er vlak naast hem sliepen. Want z’n humeur was zoo verbazend slecht en z’n verdriet over ’t gemis van z’n monoplaan zoo hevig, dat hij zeker de twee jongens onmiddellijk aan de politie zou hebben overgeleverd, als hij hen in ’t bezit van zijn aeroplaan had aangetroffen. M’nheer Vliegenthert was in ’n toestand, waarin hij zelf z’n geliefde neefje Dolf met ’t grootste plezier achter de tralies zou geholpen hebben.

Mevrouw Przlwitz had de jongens om zes uur gewekt door heel hard op de deur te bonzen. Ze had ’t eerst zachtjes gedaan maar daar hadden ze maling aan en m’nheer Przlwitz vond dan ook, dat voor zulke slapers automatische bedden nog maar ’t beste waren. Jan Drie vond van niet. Die had genoeg van automatische bedden en Dolf beweerde dat ’n automatisch bed hèm toch niet hielp, omdat ie wel zoo wijs was geen vinger naar ’t wekkertje uit te steken. M’nheer Przlwitz vertelde toen, dat inspecteur Punt hem die middag getelefoneerd had en zoo hoorde de jongens tot hun groote plezier, dat de twee politiemannen met hun beroemde hond al weer naar Den Haag waren en dat oom Dokie nergens te vinden was. Ze vonden dat allemaal zeer gunstige omstandigheden. Vooral ’t heengaan van den inspecteur. Oom Dokie zou naar alle waarschijnlijkheid óók wel naar huis zijn, maar die telde volgens Dolf toch niet mee. Voor m’nheer Vliegenthert hoefde je nog niet eens bang te zijn al kwamje ’m tegen onderweg. Tien tegen een, dat ie jenietin de gaten zou krijgen zelfs al zat je in z’n eigen aeroplaan. Ze hadden dus nu de mooiste kans om de aeroplaan van m’nheer Vliegenthert thuis te brengen en hun gastheer ried hen aan die avond om ’n uur of negen op te stijgen. Dan hingen er waarschijnlijk wel weer dikke wolken om de bergen en over ’t meer. Ze moesten daar maar boven uit en dan zonder licht naar huis. Ze moesten er ook maar ’n goed gangetje in houden, bijvoorbeeld honderd twintig kilometer per uur, dan waren ze tegen half drie in Den Haag, net tegen de schemering en dat was ’n zeer gunstige tijd. Dan zou er wel geen enkele luchtwachter op hen letten. In ieder geval hadden ze op die manier de meeste kans.

Jan en Dolf vonden ’t ’n prachtig plan. Jan vond ’t vooral heerlijk om vijf uur lang met zoo’n snelheid door de lucht te schieten. Dat was nog eens vliegen. Maar Dolf zei, dat ’t toch veel leuker was als je achter ’n inspecteur aanvloog, die naar je zocht. ’t Allerleukste was volgens dezen avontuurlijken jongeheer nog als ze bijvoorbeeld oom Dokie ontmoetten. Doch m’nheer Przlwitz zei, dat ’t nu niet om avonturen te doen was, maar om zoo gauw mogelijk en zoo onbemerkt mogelijk de verdwenen aeroplaan terug te brengen. Dolf moest niet vergeten, dat Jan Drie altijd nog gevaar liep opgemerkt te worden, zoolang hij in ’t bezit was van die cacaokleurige monoplaan.

„U bedoelt wij met z’n beiden m’nheer,”zei Dolf …„Ik sta m’n vrind Jan half.”

„Prachtig Dolf …” zei m’nheer Przlwitz lachend,„maar dat helpt Jan geen zier en er gaan er eenvoudig twee achter de tralies. Doen jullie nu zooals ik je zeg. ’k Heb zoo’n idee, dat ’t heel goed in orde komen zal. En dan telefoneer je dadelijk hoe ’t afgeloopen is hé … dat wil zeggen, niet morgen vroeg al … slapen jullie eerst maar flink uit … Laten we dus zeggen: zoodra je opgestaan ben.”

„Dan zal ’t wel morgenavond worden m’nheer,” zei Dolf.

„Ook goed. Als jullie ’t maar niet vergeet.”

„Ik zal er wel aan denken m’nheer,” verklaarde Jan Drie. „U kan er op rekenen.”

„Afgesproken. Laten we dan nu maar gaan eten.”

’t Was ’n feestmaal, dat mevrouw Przlwitz, zooals ze zeide, haar dappere redders aanbood. En die dappere redders waren dappere eters ook. Maar er kwam toch ’n eind aan de smulpartij en toen stelde m’nheer Przlwitz voor maar naar ’t dak te gaan. Daar bleven ze nog ’n uurtje zitten tot de duisternis kwam. Ze zagen de nevels weer om de bergen hangen en dat vonden ze nu maar wàt plezierig. Jan Drie liet z’n motor eens draaien en Dolf stond er bij. Die had er niet veel verstand van. Als Jan Drie ’n zéér ervaren motorman geweest was of meer tijd aan z’n onderzoek had kunnen besteden had hij ook misschien wel iets gehoord of misschien iets gezien, wat nog verholpen diende te worden. Hij was veel te ongeduldig om weg te komen en daardoor was z’n onderzoek maar oppervlakkig. Ook kwam mevrouwPrzlwitzal gauw met versnaperingen voor de nachtelijke reis aanloopen. Die moesten nog weggeborgen worden. Hiermee belastteDolf zich, erg in z’n schik dat ze onderweg wat anders zouden te eten hebben dan vliegtabletten. Ook zorgde mevrouw voor ’n paar flesschen drinken. ’tWarenthermosflesschen, waarin ’t drinken warm bleef wel ’n heele dag lang, en ze waren gevuld met heete melk. Dat had mevrouw Przlwitz gedaan, omdat ze meende dat de jongens erg hoog zouden moeten vliegen en daar is ’t koud.

De jongens bedankten en namen afscheid. Mevrouw liet hen echter nog eerst beloven, dat ze in ’t volgende jaar in de vacantie minstens ’n heele maand zouden komen, als ze mochten natuurlijk. En de jongens beloofden ’t wat graag.

„Afgemarcheerd,” commandeerde m’nheer Przlwitz en weg vlogen ze in ’n wijde spiraal omhoog. Mevrouw Przlwitz wuifde met haar zakdoek en m’nheer zag hen door de kijker na tot ze niet meer te zien waren.

„Ziezoo,” zei m’nheer Przlwitz, „als ze nu maar zonder ontdekt te worden in Den Haag komen,” en mevrouw voegde er aan toe: „ik hoop ’t.”

De aeroplaan van m’nheer Vliegenthert deed genoeg z’n best om die hoop te verwezenlijken. Als ’n zwaluw schoot de vlieger vooruit onder de sterren. Maar motoren zijn rare dingen en hoewel ze in 2010 bijna volmaakt waren bleven ’t toch altijd samengestelde machines, waaraan ’n kleinigheid kon gaan mankeeren, die ’t volmaaktste werktuig tot ’n onbruikbaar ding kon doen worden. Dat bemerkte Jan Drie nadat ze ’n paar uur gevlogen hadden. Z’n geoefende ooren letten voortdurend op de geluiden van de motor en ofschoon die lang zoo luidruchtigniet waren als bij de motoren in 1910, toen ’n motor in ’n vlieger ’n helsch lawaai maakte, was ’t toch geen geluidloos ding geworden. Alles behalve. Je had nog steeds eenige moeite in ’n vlieger om met elkaar te praten. Maar Dolf verstond toch heel goed toen Jan Drie op eens zei:

„Er hapert wat aan de motor.”

„Hè?… Is ’t erg?”

„Ik weet ’t niet … Ik denk dat de ontsteking niet in orde is. Maar ik geloof nooit, dat ie ’t volhoudt … Hoor, daar heb je ’t weer.

„’k Heb niks gehoord,” zei Dolf.

„Nou ik wel … Daar is ’t weer.”

„Dan moeten we ergens laten repareeren hè?”

„Jij hebt goed praten … Overal weten ze ’t met die luchtadvertentie. Als we ergens dalen, lappen ze ons er zoo bij.”

„Wat wil je dan doen?” vroeg Dolf.

„Hier of daar in ’n land neerkomen, waar geen mensch is … en dan zien of ik ’t zelf verhelpen kan … Kijk eens in dat kastje daar vlak bij je of er ook gereedschap en reservestukken zijn …”

Dolf keek in ’t aangewezen kastje. „D’r is niks in,” zei hij.

„Dacht ik wel,” zei Jan … „M’nheer Vliegenthert denkt enkel maar om eten.”

„Och” antwoordde Dolf. „Wat zou oom Dokie nou aan tangen en zulk soort van spullen hebben. Hij kan er immers toch geen steek mee uitvoeren. Die weet er nog minder van dan ik.”

„’t Is lam,” zei Jan. „Nou moeten we wel ergens dalen, waar menschen zijn … Stom van me, datik daar ook niet eer aan gedacht heb … M’nheer Przlwitz had me best wat gereedschap en de noodigste reservestukken willen leenen.”

„D’r is nou niks meer aan te doen Jan … Laten we maar gauw naar beneden gaan … Daar vooruit zijn lichten … Of houdt ie ’t uit?”

„Geen kwestie van … Ik ga naar beneden …”

Ze daalden. De lichten werden duidelijker. Ze konden gebouwen onderscheiden … Ze zagen luchtwachters … Er daalde ’n trein en ’n andere vertrok … Toen nog een … Er vlogen aeroplaans …

„Mainz!” las Dolf. ’t Waren lichtletters boven ’n luchtstation.

„Kijk eens uit naar ’n reparateur,” zei Jan. „Of naar ’n magazijn van vliegartiekelen.”

„’k Ben al bezig … Links moet je … kijk daar voor ons … Hier vlak bij: Aeroplaanhersteller.”

„Nou, we moeten ’t maar wagen. Daar gaat ie …”

„Zoo’n late klant krijgt ie ook niet dikwijls …” zei Dolf. „Ik zie geen sterveling.”

„Schel maar even,” zei Jan, toen de vlieger op ’t dak stond … „Dan komt er wel iemand.”

Dolf schelde en ’n oogenblik later kwam de baas zelf op ’t dak. De man was heel vriendelijk, maar hij kon hen niet helpen. D’r was geen enkele knecht en zelf deed hij ’t ook liever niet. Hij had geen lust z’n werkpak te gaan aantrekken zoo laat op de avond …

„Ja maar”, zei Jan … „we moeten onmiddelijk weer weg. We hebben geen tijd om tot morgen te wachten … En ’t is waarschijnlijk maar ’n kleine reparatie … ’n nieuw veertje of zooiets.”

„U komt nog vroeg genoeg,” lachte de man … „De wedstrijd begint pas om elf uur … D’r zijn heel wat aeroplaans aangekomen vandaag, die allemaal meedoen … Maar ik heb er nog geen een gezien als deze … Sjonge, sjonge … ’t is ’n prachtvlieger … Jullie wint zeker.”

„Goed weer gehad hier in de buurt?” vroeg Dolf opeens.

„Goed weer?” zei de man verbaasd … „Wel jongeheer, we weten hier niet eens meer hoe slecht weer er uit ziet … Geen wolkje gezien in de laatstedrie weken … En ’t blijft zoo de eerste tijd … Zonder wolken … zonder wind … Je zult eens zien wat ’n prachtig vliegweer we morgen hebben … En de fijnste aeroplaantjes zijn ingeschreven voor de groote internationale hardvliegerij.”

„We zijn nog niet ingeschreven,” zei Dolf.

„Vroeg genoeg … vroeg genoeg …” antwoordde de man. „De inschrijving blijft open tot tien uur. Om elf uur begint ’t pas.”

„Dus,” vroeg Jan … „U kan ons niet helpen op ’t oogenblik?”

„Nee dat gaat niet … D’r is ’n tijd van werken en ’n tijd van rusten … Maar morgen vroeg ben u de eerste … ’t Zou zonde zijn als dit vliegertje niet mee kon doen … ’t Is ’n juweeltje … en ’t wint … bepaald wint ’t … Ik durf er op wedden … ’k Ga natuurlijk ook kijken …”

„Nou m’nheer” zei Dolf … „dan komen we morgen vroeg terug … De monoplaan kan zeker wel hier blijven hè?”

„Wel zeker, wel zeker … breng ’m maar in de werkplaats … Zoo…Hier op aan … Goed zoo … Om vijf uur kan u alweer terecht. Maar da’s veel te vroeg … ik zou eerst maar goed uitslapen.”

Hij bracht de jongens naar beneden en toen ze alleen buiten in de leege straat liepen zei Jan Drie:

„Maar Dolf … wat is dat nou … we kunnen toch morgen over dag niet weg?”

„Wel … Jan, ik zal je eens wat vertellen … we doen morgen mee aan die hardvliegerij.”

„Ben jij heelemaal …”

„Nee … nog niet Jantje …. M’n bovenkamer is nog in orde ….”

„Daar komt niemendal van!!”… stoofJanop.

„Luister nou es Jan … en maak je niet kwaad …. Geen mensch weet hier van de gestolen aeroplaan af, dat verzeker ik je. Ze hebben in geen drie weken ’n wolkje gehad en dus ook geen advertentie …”

„Zoo … maar ’t zal toch wel in de kranten gestaan hebben ….”

„Wat zou dat dan nog … Weet jij iemand die tegenwoordig nog van dat soort berichten leest?… De meeste kranten nemen ze niet eens meer op …. Enfin daar kunnen we gauw genoeg achter komen …. We gaan in ’t eerste hotel ’t beste overnachten. Dan maken we een praatje met den bediende en dan weten we in ’n wip wat we weten willen.”

„Nou ja, maar wat heeft dat nou met die hardvliegerij te maken?…

„O ’n heele boel …. Heb je dat biljet niet gelezen, dat aangeplakt was op de hangar van denreparateur… Niet?… Nou ik wel. Vliegen van Mainz naar Koblentz en terug, driehonderdnegentig kilometers, keerpunt boven de Moezel. Drie ronden …. In hoeveel tijd denk je, dat je ’t met oom Dokie z’n aeroplaan zou klaar spelen?”

„Drie-honderd-negentig kilometer?… Wel in ’n paar uur denk ik … zeker niet meer …. Als ’t er op aankomt zie ik kans met die aeroplaan de heele rommel voorbij te vliegen.”…

„Ja maar d’r komen eerste klas aviateurs.”…

„Pf … ’t zou wat.”

„Dus je zou winnen?”

„Natuurlijk.”

„Prachtig … dus je wint die duizend gulden ….”

„Ik???”

„Wie anders …. Als jij ’t eerste aankomt, zijn ze toch voor jou?”

„Maar ’k vlieg niet mee … Hoe kom je nou toch zoo mal …. We moeten zoo gauw mogelijk naar huis …. Je weet wat m’nheer Przlwitz gezegd heeft: geen avonturen.”

„Ja maar je vergeet één ding … wie vergoedt oom Dokie z’n onkosten?”

„Oom Dokie z’n onkosten?”

„Ja z’n on-kos-ten. Hij moet toch die politie betalen, en de advertentie op de wolken … en z’n reis naar Nordhausen … en ….”

„Daar … heb ik nog heel niet aan gedacht ….”

„Dat weet ik wel … maar jij ben toch maar verplicht die te vergoeden … en ik natuurlijk ook … spreekt vanzelf … ’k heb ook meegedaan …. Maar jij ben toch de oorzaak van alles ….”

„Ik vergoeden?” riep Jan Drie stilstaand midden in de straat …. „Hoeveel zou dat wel zijn?”…

„Nou … dat zal wel aardig op de duizend gulden aanloopen … Al z’n onkosten zie je …. Da’s net vijfhonderd gulden de man …. Ik sta je in ieder geval half …. Dat heb ik nou eenmaal gezegd …en’n man ’n man, ’n woord ’n woord …. Ben jij goed bij kas?… Dan krijgt ie tenminste alvast de helft. Mijn vijfhonderd gulden krijgt ie in geen vijfhonderd jaar, asikze betalen moet …. Vader zou me aan zien komen ….”

„En de mijne ….”

„As wij nou die duizend gulden wonnen ….”

„Och dat kan toch niet … Hoe kunnen wij nou deelnemen aan ’n hardvliegerij op klaar lichte dag met ’n gestolen aeroplaan”.

„Wil jij vliegen … als ik voor de rest zorg?”

Jan Drie zuchtte eens diep. ’t Was zoo verleidelijk. Hij diende toch die onkosten te vergoeden …. En dan die race …. Dat was ook om van te watertanden …. Al die vliegers achter je te laten, wie weet wat voor beroemde hardvliegers …. Eerste aankomen ….

„D’r is toch geen enkele bekende hier”… begon Dolf weer. „Tenminste inspecteur Punt niet en brigadier Kwadraat niet en oom Dokie niet … En als er eens ’n andere bekende was … hindert’t niemendal … We trekken onze mutsen over de ooren … vliegbrillen op … kraag omhoog … Wie doet je wat?”

„Ik doe ’t,” zei Jan Drie … „En ik win.”

„Natuurlijk,” zei Dolf … „je wint. Als je niet wint kan je wel thuisblijven. Laten we nu maar ’t hotel binnengaan.”—

Dat deden ze en ze gingen maar gauw naar bed. Dolf had echter eerst eens geinformeerd bij den portier over vliegers en zoo, en of hij ook iets wist van ’n aeroplaandiefstal. Nee, de man wist niemendal.

„Zie je nou wel,” zei hij tegen Jan Drie, „ze weten er hier nog niets van. Hè wat snorkt er daar een.”

„Dat is vlak hier naast,” zei Jan. „Ook lollig om dat de heele nacht in je buurt te hebben. Vervelend geluid hè?”

„’k Hoor ook liever muziek. Maar ’t zal me niet lang wakker houden. ’k Heb zoo’n slaap.”

„Ik ook. Maar ’k wou toch dat ie ophield met z’n plankenzagerij. Wel te rusten.”

„Goeie nacht. Zes uur op hé? Wie zou dat toch zijn, die snorkbaas?”

„’t Kan me geen steek schelen.”

Als ze geweten hadden, wie daar lag te snorken, zou Jan Drie waarschijnlijk niet met zooveel onverschilligheid gezegd hebben dat ’t ’m niet schelen kon en niet gerust ingeslapen zijn. Want die plankenzager was m’nheer Vliegenthert.

Hij had in de locaalluchttrein gehoord van de hardvliegerij … en toen was hij maar met de eerste gelegenheid de beste van Frankfort naar Mainz gevlogen.’t Was hem toch ’t zelfde waar hij de avond doorbracht en als hij er niet zoo tegen op gezien had om nog langer tusschen de menschen in ’n trein te zitten, zou hij zeker regelrecht naar Den Haag zijn gereisd. Hij had er genoeg van. ’n Uur of wat in ’n buurttreintje te zitten had hem alle lust benomen om die dag nog de lange reis naar Den Haag te ondernemen. ’t Toeval had hem nu te slapen gelegd vlak naast de dieven van z’n aeroplaan. En ’t was maar goed, dat m’nheer Vliegenthert al evenmin vermoeden kon, wie er vlak naast hem sliepen. Want z’n humeur was zoo verbazend slecht en z’n verdriet over ’t gemis van z’n monoplaan zoo hevig, dat hij zeker de twee jongens onmiddellijk aan de politie zou hebben overgeleverd, als hij hen in ’t bezit van zijn aeroplaan had aangetroffen. M’nheer Vliegenthert was in ’n toestand, waarin hij zelf z’n geliefde neefje Dolf met ’t grootste plezier achter de tralies zou geholpen hebben.


Back to IndexNext