Chapter 6

Ook de HeerC. P. Vijverbergc. i. in zijn onlangs verschenen brochure „Eenige beschouwingen in verband met de Zuiderzeeplannen,” diehierachterook nog in haar geheel zal besproken worden, komt door dezelfde verkeerde redeneering althans tot de groote waarschijnlijkheid, dat door de voorgestelde afsluiting de stormvloeden langs de noordelijke kusten tot aan den Dollart hooger zullen stijgen. Hij zegt nl.: „Het wil mij echter voorkomen dat het gevaar voor verhoogde waterstanden niet illusoir mag genoemd worden: de Zuiderzee toch maakt deel uit van den bergboezem die zich uitstrekt tusschen de Geldersche, Overijselsche, Friesche en Groningsche kust eenerzijds en de kusten van Noord-Holland en de Wadden-eilanden anderzijds en waar deze boezem door het leggen van den afsluitdijk Wieringen–Piaam in zeer belangrijke mate zal worden verkleind, is de waarschijnlijkheid zeer groot, dat het overgroote deel van het quantum water, hetwelk nu in de Zuiderzee wordt geborgen, dan zal geperst worden in noordelijke en noordoostelijke richting door de Waddenzee, waardoor bij krachtigen westen en noordwesten wind een belangrijke vloedverhooging op de Friesch Groningsche kust zal vallen waar te nemen.”

Altijd weer hetzelfde! „Het quantum water, hetwelk nuin de Zuiderzee wordt geborgen,” dat moet en dat zal naar binnen komen, ook al is er geen Zuiderzee meer. Neen, dat komt er dan niet meer in.

Het al of niet verhoogen van de stormvloedstanden binnen de eilanden moet niet verward worden met andere wijzigingen die aldaar na de afsluiting zullen optreden, zooals snellere vulling, uitschuring en verlegging van geulen, enz. Dr.Loriézegt46)„Nu wordt evenwel de Zuiderzeekom door de voorgestelde afsluiting aanzienlijk verkleind, dus met stormvloed sneller gevuld. Bestaat er niet veel kans, dat het, door storm uit het westen voortgezweepte water, na de afsluiting meer dan vroeger een uitweg in oostelijke richting zal zoeken en dus het Terschellinger Wad uitschuren? Het komt mij voor, dat daarop veel kans zal bestaan en dus met goed gevolg de stelling verdedigd kan worden: „De aanleg van een dam naar Terschelling”—om die uitschuring te voorkomen en aanwas te bevorderen—„moet aan de afsluiting der Zuiderzee voorafgaan.””

Begrijp ik den HeerLoriéwel, dan heeft hij hier niet een verhooging der stormvloeden op het oog, maar meent hij dat door de snellere vulling een langduriger en dus sterker uitschuring van het Wad zal plaats hebben. Mocht dit juist zijn,—wat m. i. nog niet vaststaat,—dan zou de aanleg van dien dam gelijktijdig met de afsluiting moeten plaats hebben, in elk geval niet tot uitstel van dit groote werk moeten lijden.

Het kan blijkbaar niet genoeg gezegd worden: wordt de bergruimte der Zuiderzee-Wadden verkleind door hetleggen van een afsluitdijk, dan zal ook de hoeveelheid water die bij stormvloeden door de zeegaten naar binnen loopt worden verkleind en wel ongeveer in dezelfde verhouding. En dus isdoor die verkleininggeen verhooging der stormvloeden te wachten.

De HeerMansholtSr. beroept zich op een paar deskundigen, die zijne meening zouden deelen. Geheel ten onrechte! Want hij heeft de betoogen van die heeren niet begrepen.

De Hoofdingenieur van 's Rijks-WaterstaatH. E. de Bruynbetoogde nl. in het feestnummer van „De Ingenieur” van 1911, dat door het leggen van den voorgestelden afsluitdijk de gemiddelde vloedhoogte ten N. daarvan zal stijgen, omdat daardoor aan de noordelijke kom de gelegenheid zal worden benomen zich ook naar het Zuiden te ledigen, zooals blijkens hethierbovengezegde nu plaats heeft. Daardoor zou te Piaam de hoogte van de vloedgolf (d. i. dus het verschil in hoogte tusschen H.W. en L.W.) van 0,80 tot 1,60 M., dus met 0,80 M. toenemen, zoowel door verhooging van H.W. als verlaging van L.W.Stel dat deze laatste evenveel bedragen, dus 40 cM. groot zijn te Piaam, dan zal de verhooging die de Heerde Bruynook te Harlingen verwachtte niet meer kunnen bedragen, en het „dus ook verder oostwaarts”, dat de HeerMansholter bij voegt, zal nog minder beteekenen en waarschijnlijk reeds bij Roptazijl zijn verloopen.

Nu zeide de Hoofdingenieurde Bruynwel:

„Verhoogt het hoogwater, dan is ook verhooging van de stormvloeden te wachten.” Als deze even hoog boven H.W. blijven oploopen, zeker, dan zullen de stormvloeden mede 40 cM. hooger rijzen. Maar den HeerMansholtSr.schijnt zich daarvan een nog veel grooter verhooging voor te stellen, die zelfs langs de Groningsche kusten nog belangrijk zal zijn, en de HeerMansholtJr. roept naar aanleiding van die bewering van den hoofdingenieurde Bruyn, dat nl. het H.W. zal verhoogen, uit: „Dit is bij gewone vloeden reeds 't geval. Hoe zal de toestand dan worden bijstormvloeden,—na afsluiting der Zuiderzee?”

Welnu, dan zal men er in 't geheel niets van bemerken, want voor dat geval vervalt de geheele redeneering van den Heerde Bruyn. Immers dan is er geen sprake van, dat de noordelijke kom van den tegenwoordigen zeeboezem zoowel naar het Noorden als naar het Zuiden zal worden geledigd, want het water in de zuidelijke kom staat dan ongeveer even hoog of nog hooger dan ten Noorden daarvan.

En evenmin mag de heerMansholtSr. zich beroepen op den oud-Hoofdinspecteur van 's Rijks Waterstaat, den HeerA. Bekaar,—hij heeft diens artikel over de wijziging der waterstanden op het Sloe na de afdamming niet alleen niet begrepen, maar zelfs niet goed gelezen47). Daar nl. de lijn van kentering tusschen de vloeden, die van uit het Noorden door het Veersche Gat en van uit het Zuiden door het Sloe, ten N. van den afsluitdam lag, is, toen deze gelegd was, ruim 20 cM. verhooging van H.W. ontstaanonmiddellijk ten Zuiden van dien dam(Sloeveer) en ruim 20 cM. verlaging onmiddellijk ten N. daarvan (Arnemuiden), welke wijzigingen natuurlijk zuid- en noordwaarts verloopen. De HeerMansholtmaakt daarvan, dat de HeerBekaarheeft aangetoond, dat het vloedwater „op de Wester-Scheldeminstens 2 decimeter was gerezen”—iets wat natuurlijk in diens geschrift niet te vinden is. En nog erger maakt 't de HeerMansholtJr. als hij zegt, dat de HeerBekaarin een uitstekend gedocumenteerd artikel als zijn stellige meening heeft te kennen gegeven, dat na de afsluiting van de Zuiderzee de vloeden ten noorden van den afsluitdijk belangrijk hooger zullen oploopen (brochure, bl. 4). Zoover ik heb kunnen nagaan, heeft de HeerBekaarnooit iets betreffende afsluiting der Zuiderzee geschreven.

De HeerMansholtJr. heeft er nog iets anders op bedacht om aan te toonen dat de noordelijke kusten van Friesland en Groningen bij den tegenwoordigen toestand ontzet worden door dien eenigen redder in den nood, de alles in zich opnemende Zuiderzee.

In zijn boekje leest men nl.: „Welnu, op grond van de gegevens betreffende de vloedhoogten langs de Zuiderzee en de Zuiderzee-eilanden mag stellig worden aangenomen datgemiddelddie plotselinge stijging over de geheele Zuiderzee binnen den geprojecteerden afsluitdijk niet minder heeft bedragen dan 180 cM.” (nl. bij den stormvloed van 13/14 Jan. 1916), „waarbij we aannemen dattevorenreeds het water 1 M. boven N.A.P. was opgestuwd.

„De oppervlakte van de Zuiderzee bedraagt ± 360.000 HA. In enkele uren tijds wordt daarin dus3.600.000.000× 1,8 = 6480 millioen M³ water opgestuwd. We mogen aannemen dat deze watermassa binnen een tijdsverloop van 6 uren is opgejaagd, zoodat de Z.Z. per uur dus ± 1080 millioen M³ water heeft geborgen, of niet minder dan 300.000 M³ per seconde. Men houde hierbij in 't oog, dat dit geschiedt op het tijdstip, dat voor de zeeweringenvan Friesland en Groningen het meest kritiek is,wanneer nl. de storm omloopt van het Westen naar het Noord-Westen of Noorden.

„De zeegaten bij Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland hebben samen een doorstroomwijdte van vrijwel 15 K.M. Nemen we nu aan dat bij stormvloed de diepte over de geheele breedte gemiddeld 5 M. bedraagt, dan is dus het instroomingsoppervlak dezer zeegaten, totaal 75000 M². Het zeewater zal dus door genoemde zeegaten met een snelheid van 4 M. per seconde moeten binnenstroomen om de boven omschreven opstuwing in de Zuiderzee mogelijk te maken. Dit is een enorme snelheid, die zeker wel nooit zal worden bereikt. Welnu, terzelfder tijd wordtbovendiende vloed in de groote Waddenzee ten Noorden van den geprojecteerden afsluitdijk eenige meters opgestuwd.

„Het ligt dus wel voor de hand, dat behalve door genoemde zeegaten, ook een enorme massa water wordt verplaatst van uit het Oostelijk deel der Waddenzee, boven Groningen,naarhet Zuiden. Deze conclusie mag met stelligheid uit de gegeven becijfering worden getrokken, en ze is bovendien geheel in overeenstemming met de stormvloedhoogten langs de Groninger- en Friesche kust, zooals onze grafische tabel die aangeeft. Deze vloedhoogten toch nemen regelmatig en vrij sterk af, tot de plaats van den geprojecteerden afsluitdijk, 't geen wijst op een krachtigen stroom van het vloedwater in die richting.

„... Kon tot nu toe langs de kust van Noordelijk Friesland en Groningen steeds gekonstateerd worden dat bij het doorloopen van den storm naar het Noorden de vloed direkt begint te dalen,—daarvan zal na de afsluitingder Zuiderzee geen sprake meer zijn, daar de Waddenzee bij Harlingen dan reeds is volgestuwd en het vloedwater in den daar gevormden zak niet voldoende kan ontwijken.”

Dit betoog wijst op een aaneenschakeling van wanbegrippen en verwarring van begrippen. De HeerMansholtJr. had daarom beter gedaan zich te onthouden van beschouwingen op dat gebied en vooral niet in becijferingen moeten treden met getallen die hij niet kent en die kantnochwal raken. Zulk geschrijf,—het moge dan te goeder trouw tot waarschuwing van zijn landgenooten zijn openbaar gemaakt,—is meer dan overmoedig.

Vooreerst is de genoemde doorsnede der zeegaten geheel onjuist, want de HeerMansholtheeft er niet aan gedacht dat die doorsnede, die afhangt van den waterstand, bij stormvloed genomen moet worden van duin tot duin en dat de breedte dan niet 15 K.M. maar meer dan het dubbele bedraagt: de breedte van het Texelsche Zeegat is 4 K.M., de afstand tusschen de duinen van Eierland en die op Vlieland 10,5 K.M., tusschen die van Vlieland en Terschelling 10 K.M. en tusschen die van Terschelling en van Ameland 12,5 K.M. Bij een stormvloed van 2 M. boven Volzee (nog niet de hoogste!) bedraagt het gezamenlijk profiel van instrooming der drie zeegaten van Texel, het Eierlandsche Gat en het Vlie 164060 M²48), terwijl ik dat van de opening tusschen Terschelling en Ameland op zeker niet minder dan 36000 M² schat. De geheele doorsnede wordt dan niet 75000 maar 200.000 M². Deelt men dit op een ingestroomde watermassavan 300.000 M³, dan verkrijgt men een snelheid van niet 4 maar 1,5 M. ongeveer p. sec.! En hiermede vervalt dus de geheele redeneering dat er water van de Groningsche en Friesche Wadden moet komen om die alles opslokkende Zuiderzee te vullen.

Toch meent de HeerMansholtJr. dat werkelijk zulk een westwaartsche waterverplaatsing over de Wadden moet plaats hebben, want de stormvloedhoogten langs de Groningsche en Friesche kusten nemen in die richting af.Maar waardoor wordt juist veroorzaakt dat die standen in 't oosten hooger zijn dan die in 't westen? Doordat twee krachten, nl. getijwerking (zieboven) en de (westelijke) wind, het water hooger opzetten naarmate de punten van waarneming meer oostelijk liggen en dus het zeeoppervlak een helling doen aannemen, m. a. w. die beide krachten houden een andere kracht die in tegengestelde richting werkt, d. i. de zwaartekracht, in evenwicht,belettendus juist het water in westelijke richting weg te vloeien.

Maar als het dan gaat ebben en de wind gaat liggen? zoo zal de HeerMansholtvragen. Wel, dan zal het water dat tegen de Groningsche en Friesche kusten staat terug gaan langs dezelfde wegen waarlangs het grootendeels gekomen is, nl. door de zeegaten t. O. van het Vlie naar de Noordzee.

Waarom dan op de noordelijke kusten van Friesland en Groningen de vloed direkt begint te dalen bij het doorloopen van den storm naar het Noorden? Omdat dan de opwaaiing minder wordt. De grootte der opwaaiing hangt nl. mede af van de lengte waarover de opwaaiing plaats heeft (zieboven). Zoolang de wind west blijft heeft opwaaiing plaats over delengteder Wadden (Vlie–FriescheGat 64 K.M. en Friesche Gat–Eems 44 K.M.); wordt de wind noord dan over debreedte(8 à 15 K.M.).

Wat er dan wel gebeuren zal als de afsluitdijk ligt?

Niet veel anders dan nu. De Regeering zegt in de Memorie van Toelichting van het aanhangige wetsontwerp betreffende de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee dan ook terecht, dat langs de Friesche en Noord-Hollandsche kusten t. N. van den afsluitdijk geene of slechts geringe verhooging van de stormvloedhoogten als gevolg van de afsluiting is te verwachten.

Wel zal ter hoogte van den afsluitdijk het water bij storm wat hooger dan nu kunnen rijzen, want over de ondiepe gronden t. N. daarvan zal het uit den diepen Texelstroom bij noordelijken windopwaaientegen den dijk, ongeveer evenveel als het nu uit den Vliestroom opwaait tegen de Friesche dijken bij westelijken wind, daar die diepe geulen op ongeveer gelijke afstanden van die dijken gelegen zijn;—dus tot ongeveer +3 A.P., waartoe het nu ook op zijn hoogst op de lijn Workum–Harlingen stijgt. Als dan daarbij nog een verhooging van 40 cM. te voegen is (ombovengenoemde reden), dan zal men dus tegen den afsluitdijk standen van hoogstens +3,40 A.P. hebben te verwachten. Daarvoor zijn de afmetingen van den afsluitdijk (kruin +5,20 tot +5,60 A.P.) wel voldoende,—voor volkomen veiligheid bij den golfoploop zal bij de uitvoering door de verantwoordelijke ingenieurs de hoogte misschien op +6 A.P. worden gebracht. Vooral als de windrichting W.N.W. is, is in den hoek bij Piaam bovendien eenige opstuwing te verwachten en het is daarom dat de Regeering voorstelt de Frieschedijken t. N. van Piaam wat te verhoogen, van +5,60 A.P. aldaar afloopend tot bij Zurig. Ook aan het westelijk einde van den afsluitdijk, in den hoek bij de van Ewijksluis, zal bij N. en N.O.-wind eenige verhooging van vloeden kunnen voorkomen, waarom ook voorgesteld wordt om den Balgdijk van den Anna-Paulownapolder eene verhooging te geven die noordwaarts verloopt.

Voor een verhooging van het peil der stormvloeden ten N. van den afsluitdijk en zelfs op de Friesche en Groningsche Wadden door het water datnude zuidelijke kom vult, maar na de afsluitingniet meerdoor de zeegaten naar binnen zal stroomen, behoeft men heusch niet te vreezen. Op de noordelijke kusten van Friesland en Groningen zal men niets van een verhooging der stormvloeden bemerken.

Wat de HH.Mansholtdaartegen inbrengen berust op onvoldoende kennis van de werking der getijden op onze kusten, enz. En daarom behoorden zij op te houden met in de Provinciën Friesland en Groningen noodeloos onrust te verwekken omtrent een plan, welks uitvoering vooral voor de eerste provincie een zegen zal zijn.

Misschien wordt het oordeel der H.H.Mansholtbeheerscht door hun antipathie tegen de droogmaking van groote oppervlakten gronds. Ik meen dit te mogen zeggen, omdat de HeerMansholtSr. zich niet ontziet om de in 't algemeen bij uitstek vruchtbare gronden die door de droogmaking zullen worden verkregen „een bijna waardeloos moeras” te noemen.

Dat is heel leelijk gezegd, want hij kon weten dat dit een onwaarheid is.

Voor een uitstekende afwatering en daarmede spoedige ontzilting van den bodem zal natuurlijk worden gezorgd. En wat de hoedanigheid der gronden betreft, worde hier nog eens het volgende herhaald.

Prof.v. Bemmelenwas van oordeel, „dat de kleigronden van de Zuiderzee” (klei tot 50 perc. zand), „in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de kleigronden der IJpolders en dat de lichte kleigronden” (50 à 70 perc. zand) „der Zuiderzee in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de gronden der Groninger noordelijke zeepolders” (Bijlage N. bij het Regeeringsontwerp van 1877).

Prof.Mayer, Dir. v. h. Landbouwproefstation te Wageningen, onderzocht de grondsoorten na de laatste boringen van 1890 en kwam op grond daarvan en van het onderzoek door Prof.v. Bemmelentot het besluit: „dat minstens ¾ van de gronden der toekomstige polders zal zijn bouwgrond van groote waarde en slechts een ondergeschikt gedeelte van geen onmiddellijke waarde.” Met dit laatste wordt voornamelijk bedoeld het vele zand dathet oorspronkelijk plan der Zuiderzee-Vereenigingnog bevatte, maar dat toch nu niet meer als „van geen onmiddellijke waarde” zou genoemd worden.

Ten slotte de bezwaren van den HeerVijverberg, in zijnbovengenoemdebrochure neergelegd.

Hij begint met er op te wijzen dat de uitvoering van het planLely, door deStaatscommissiein 1894 geraamd op 189 millioen gulden en door een in 't bijzonder voor de herziening der kosten benoemde Staatscommissie van 1914 geraamd op 230 millioen, na den oorlog gesteld kan worden op 300 millioen, daar prijzen en loonstandaard nogaanzienlijk zullen stijgen. Daar nu de ramingen van vele groote werken in binnen- en buitenland door de werkelijke kosten verre zijn overschreden en aan het werk van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee groote risico's zijn verbonden, zoo meent de HeerVijverbergde kosten van uitvoering tweemaal zoo hoog als de raming en dus „niet lager te (moeten) stellen dan zes honderd millioen gulden en den tijd van uitvoering niet korter aan te nemen dan veertig jaar.”

Dat hier de raming eenvoudig met twee moet worden vermenigvuldigd, wordt niet voldoende aangetoond en gelijkt dus een greep in 't wilde. Als grondslag voor zijne redeneering nl. geeft de HeerVijverberghet volgende staatje.

Vooreerst is wat de werken in Nederland betreft (van de buitenlandsche staan mij geen gegevens ten dienste) op de hier gegeven cijfers aan te merken, dat de „werkelijke kosten” tevens die werken betreffen, die eerst later, gedurende het werk, zijn toegevoegd aan die van het oorspronkelijk plan waarvoor de raming gemaakt is: zij geven dus geen juisten maatstaf ter beoordeeling van het overschrijden van die raming. Ten aanzien van den Rotterdamschen Waterweg erkent de schrijver dit zelf, als hij zegt: „Opgemerkt dient hierbij te worden, dat de werken aan den Rotterdamschen Waterweg veel verder zijn voortgezet dan oorspronkelijk in de bedoeling lag”. Natuurlijk! Men dacht er bij het begin zeker niet aan den nieuwen waterweg een doorgaande diepte van 9 M. beneden L.W. te geven, zooals nu feitelijk reeds verkregen is.

Maar ook bij de andere genoemde werken is dit het geval. Zoo was de raming van de werken aan het Noordzeekanaal 21 millioen (dus niet 15), terwijl het geheele werk gekost heeft ƒ37.225.000 (dus niét 32 millioen),—maar onder dit laatste bedrag zijn begrepen de kosten van bijkomende werken, als lichttorens en twee spoorwegbruggen (ƒ1.103.000) en van werken, niet voorzien in de concessie, ƒ5.970.00049). Omtrent deze laatste zal de HeerVijverbergmisschien opmerken, dat er bij zijn waarvan men eerst gedurende het werk de noodzakelijkheid inzag; gedeeltelijk is dit echter niet het geval.

Nog minder kan dit gezegd worden van de werken ter verlegging van den Maasmond. De raming was ƒ15.106.850 (niet 13,5 millioen dus) en de kosten waren (tot Juni 1908) ƒ24.210.443 (niet 22 mill.); maar hiervoor zijn uitgevoerd,behalve de in het Regeeringsontwerp genoemde werken, de dichting der Heerewaardensche Overlaten (amendementRoël-Kool) voor ƒ1.545.901 en als gevolg daarvan de verhooging der Waaldijken voor ƒ646.020, de brug bij Heusden (amendementSeret) voor ƒ693.127, terwijl in plaats van het oorspronkelijk voorgesteld kanaal 's Hertogenbosch–Hedikhuizen, geraamd op ƒ549.200, de voorziening in het inundatiegebied van Dommel en A ƒ2.265.710 en het scheepvaartkanaal Engelen–Henriettewaard ƒ1.116.316 gekost hebben. Houdt men hiermee rekening, dan wordt de verhouding van raming en werkelijke kosten niet 13,5:22 maar ong. 30:37.

Beschouwt men alleen degenoemdewerken in Nederland, dan is er dus geen reden om de werkelijke kosten op het dubbele van de ramingen te stellen.

Maar bovendien zou dit eerst mogen geschieden, wanneer zulk een uit de ondervinding verkregen verhoudingsgetal uitallein Nederland uitgevoerde werken was gebleken. Hoeveel werken zijn wèl uitgevoerd voor het bedrag der raming of voor minder?

Het gaat dus niet aan om, zooals de HeerVijverbergdoet, de kosten van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee kortweg vast te stellen op het dubbele van de raming en dan bij andere beschouwingen van het aldus verkregen cijfer uit te gaan, als stond dit onomstootelijk vast.

Bovendien is er overdrijving in zijne voorstelling van het risico verbonden aan de uitvoering van dit groote werk. Zeker! er is risico aan verbonden en wel vooral ten aanzien van den afsluitdijk: gedurende de uitvoering kan de weersgesteldheid mee- of tegenvallen, enz.; ook ten aanzien van de meerdijken, die hier en daar op slappenondergrond komen te rusten, is dat het geval. Maar de schrijver wil m. i. te veel bewijzen, als hij zegt: „Hoewel het opgemaakt project ongetwijfeld technisch uitvoerbaar is en alle bezwaren, welke tegen de soliditeit en tegen de wijze van uitvoering der voorgestelde werken aangevoerd zijn en nog worden, m. i. niet steekhoudend zijn, neemt het niet weg, dat die werken moeten worden uitgevoerd in volle zee, onder allerlei slechte invloeden van weer en wind en stroom, en niet gedurende een kort tijdsbestek, maar gedurende een periode van 30 tot 40 jaar.”

„In volle zee”—lees: in de Zuiderzee, d. i. een zeer ondiepe, aan alle zijden door gronden ingesloten golf of zeeboezem,—wordt dan toch alleen de afsluitdijk gemaakt, die wat de kosten betreft slechts ¼ à ⅓ van het werk omvat en waarvan de duur van uitvoering op 9 jaar geschat wordt. Het daarna afsluiten en droog maken der vier groote droogmakerijen, het verkavelen der gronden, de aanleg van de kanalen voor de aangrenzende gewesten, enz. kunnen toch moeilijk werken „in volle zee” genoemd worden en het daarbij te loopen risico is zeker al zeer gering.

De financieele beschouwingen over het werk die de HeerVijverbergvervolgens geeft, zijn gegrond op die willekeurig aangenomen kosten van 600 millioen,—zoodat „de Provincie Lelyland”, als de gronden voor gemiddeld ƒ1500 per H.A. van de hand worden gedaan, na afloop van het werk, volgens hem aan het land nog een schuld van ƒ300 millioen zal te dragen geven. Ik behoef daarop hier dus niet verder in te gaan.

Alleen wil ik nog opmerken dat de schrijver met geen woord rept van de groote niet-rechtstreeksche voordeelen,die voor het geheele land zullen voortvloeien uit de aanwinst van een groote uiterst vruchtbare provincie en van de belangrijke verhooging van het voortbrengend vermogen der omliggende gewesten door verbetering der afwatering en wateraanvulling, alsook van de vermindering der dijklasten, welke voordeelen gekapitaliseerd een bedrag van vele millioenen vertegenwoordigen en waardoor er een groote ruimte bestaat voor het onverhoopt geval dat de raming met zeker bedrag wordt overschreden.

Ten sterkste moet opgekomen worden tegen de bewering van den HeerVijverberg, dat in den laatsten tijd de rampen door den stormvloed van 13/14 Jan. 1916 veroorzaakt aan de zeedijken „als het ware misbruikt (werden) als propaganda voor de afsluiting der Zuiderzee.” En daarop volgt: „Sommigen trachten de meening ingang te doen vinden, dat die rampen niet zijn te wijten aan een gebrek in de goede constructie of het behoorlijk onderhoud der beschadigde zeeweringen, maar vooral aan het voortdurend in capaciteit toenemen der zeegaten (zeegat van Texel, Eierlandsche Gat, het Vlie), waardoor het mogelijk zou worden gemaakt, dat bij elken opvolgenden storm meer water de Zuiderzee wordt ingejaagd,”—welke meening dan door den HeerVijverbergterecht wordt bestreden, want zij is geheel onjuist.

Maar de HeerVijverbergnoemt de geschriften niet waaruit hem dat „misbruik” en die verkeerde meening omtrent zeegaten zouden zijn gebleken.

Bedoelt hij misschien de artikelen van den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging Mr.Visseringin het Handelsblad, Een harde les, enz. van 15 Jan. e. v., of van datvan mijn hand in de N. R. Courant van 2 Febr. 1916, waarin echter niet gerept wordt van het toenemend vermogen der zeegaten?

Maar daarin wordt er slechts op gewezen, datalsde Zuiderzee afgesloten geweest ware, zooals wordt voorgesteld, de bedoelde ramp niet voorgekomen zou zijn,—iets wat volkomen juist is. Men moge dit nu het maken van propaganda noemen, dat was dan toch zeker geoorloofd en niet een „misbruik” maken van de omstandigheden.

Niemand toch heeft beweerd, voor zoover ik heb kunnen nagaan, dat afsluiting van de Zuiderzee het eenige middel is om voor goed van dergelijke rampen ontslagen te worden. En de Zuiderzee-Vereeniging beaamt nog de woorden van den tegenwoordigen Minister Dr.Lelyin hare Nota 5, nl. dat eene afsluiting der Zuiderzeeniet noodzakelijkkan worden geacht om de Zuiderzee-provinciën op den duur tegen het geweld der zee te beveiligen. Maar toch zou die afsluiting het meest afdoend middel zijn, want past men dit toe, dan behoeft men zich niet meer af te tobben over de vraagstukken van de oorzaak der langsscheuren in de dijken en het verzakken der binnentaluds (waarover reeds maanden geschreven is en strijd is gevoerd door deskundigen, o. a. in „De Ingenieur”), over de afmetingen en de beste samenstelling der dijken, over de maatregelen te nemen waar deze op slecht staal rusten, enz.—vraagstukken waarvan de oplossing zeker millioenen schats zal kosten.

Het wegnemen van „het Zuiderzeegevaar” voor de dijken binnen de afsluiting is slechts één der voordelen uit een technisch oogpunt,—en zelfs volstrekt niet het belangrijkste,—die een gevolg zullen zijn van de afsluiting.In zijn opstel „De afdoende verbetering” wordt dit dan ook duidelijk door den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging uiteengezet en worden nog eens de andere voornaamste voordeelen opgenoemd50).

Dit nog eens voor de zooveelste maal in herinnering brengen naar aanleiding van de ramp van 13/14 Januari ll. is toch zeker niet eenmisbruik maken van het ongeluk dat Nederland toen getroffen heeft.

De hierop volgende beschouwing van den HeerVijverberghandelt over het bezwaar van den HeerD. R. Mansholtomtrent de verhooging der waterstanden ten N. van den afsluitdijk en daarin valt de schrijver dezen laatste bij, ook uitgaande van de onjuiste onderstelling dat het quantum water dat nu bij stormvloed in de Zuiderzee geborgen wordt er in zal blijven stroomen, al wordt de oppervlakte tot op de helft verkleind, en dat zich dan ook een verhoogde getijwerking zal doen gevoelen op de Waddenzee, waardoor de Wadden zullen uitschuren en verdiepen. Deze quaestie is reeds hiervoor (bl. 118 e.v.) uitvoerig behandeld waarnaar ik dus hier kan verwijzen. Over de billijkheid van schadeloosstelling der grondbezitters langs de Wadden behoeft dus ook niets meer te worden gezegd.

De HeerVijverbergzegt ook: „Het komt me echter niet meer dan billijk voor, dat, indien de Zuiderzee-plannen uitgevoerd worden, de eigenaren van gronden, gelegen in bovenbedoelde polders”—nl. die langs de Zuiderzeebinnenden afsluitdijk—„hunne dijklasten ook in 't vervolg blijven bijdragen ten behoeve van het onderhoud der nieuweZuiderzeewerken, zooals dat ook in Zeeland bij de z. g. achterliggende polders geschiedt, of wel, dat die polders in de kosten van uitvoering der plannenLelyeene bijdrage in eens verleenen, waarvan de grootte wordt vastgesteld naar het gekapitaliseerd bedrag der jaarlijksche onderhouds- en vernieuwingskosten hunner zeeweringen, berekend naar het gemiddelde daarvan over de laatste 10 jaar.

Met het bovenstaande schijnt in het aanhangig wetsontwerp geen rekening gehouden te zijn”.

Omtrent eene verplichte bijdrage der polders in Zeeland ingeval van voorbedijking vergist de HeerVijverbergzich. Dat zoogenaamd „recht van dijkvelling” bestond vroeger in Vlaanderen als een costumier recht en is ook wel een enkele maal in Holland en Zeeland toegepast, maar heeft nooit als een recht in Zeeland gegolden en bestaat daar ook nu nog niet. De HeerVijverbergverwart hiermede waarschijnlijk de bijdragen van de aangrenzende polders na calamiteusverklaring van een polder of waterschap.

Maar over de hier bedoelde bijdrage bij uitvoering van het Zuiderzee-ontwerp kan men van gevoelen verschillen.

Men kan echter deze zaak uit een oogpunt van algemeen landsbelang ook anders beschouwen. De Zuiderzee heeft nl. gedurende vele eeuwen reeds den omliggenden landen op verschillende wijzen nadeel toegebracht, niet alleen aan die welke met dijklasten zijn bezwaard, maar nog veel grootere gebieden die nu en dan zijn overstroomd geworden,—men denke b.v. aan de ramp van 1825 en vele daarvóór. Bovendien werd na de uitbreiding van die binnenzee de afwatering der omliggende landen telkens gestoord en, doordat zij met zout water gevuld werd, werdende binnenwateren verzout en sommige gewesten, zooals Friesland geheel, andere, zooals Hollands Noorderkwartier grootendeels van zoetwateraanvulling in droge tijden verstoken. Zou het nu zoo onbillijk zijn als al die gronden, ja geheele gewesten, die samen een groot gedeelte van Nederland beslaan, op kosten van den ganschen Staat, dus mede van die landen zelve, uit dien ongunstigen toestand werden verlost? Hun daardoor zeer verhoogde waarde komt toch, al is het niet rechtstreeks, de Nederlandsche schatkist ten goede. Kapitaliseert men echter het bedrag van hun dijklasten, vermeerderd met dat van dijksverbeteringen en de door overstroomingen toegebrachte schade51)à 4 percent, dan zou men een bijdrage in eens van misschien 10 à 11 millioen kunnen verwachten, maar wat beteekent dit in vergelijking met de kosten van afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee?

De HeerVijverbergwijst er ook op, dat de voordeelen voor de afwatering der aangelegen landen bij een afsluiting der Zuiderzee,—daarin bestaande dat die landen daarop beter en gedurende langere perioden langs natuurlijken weg (d. i. door sluizen) zullen kunnen afwateren,—worden overschat. Want, zoo zegt hij, bij zuidelijken tot noordwestelijken wind toch zal in het toekomstig IJselmeer een niet onbelangrijke opwaaiing van meerwater plaats hebben, waardoor de gelegenheid tot afwatering der op lager wal gelegen streken onmogelijk zal worden gemaakt of in elk geval zeer ernstig geschaad. Ik zou er bij willen voegen: niet alleen bij de genoemde winden, maar ook bij alle andere zal opwaaiing voorkomen. Maar de hoogeZuiderzeestanden worden nu veroorzaakt: ten eerste door het inloopen van Noordzeewater, wat na de afsluiting niet meer zal kunnen plaats hebben, ten andere door opwaaiing die nu echter veel grooter is dan zij op het kleinere IJselmeer zijn kan, omdat de grootte der opwaaiing behalve van de windkracht ook afhangt van de lengte waarover de opwaaiing plaats heeft. Om deze beide redenen zullen de hoogste standen op het IJselmeer nog 1,5 tot 2 M. blijven beneden die welke nu op de open Zuiderzee voorkomen en zal de duur van het gesloten blijven der uitwateringssluizen zeer verminderen. Bovendien bedenke men dat, als er opwaaiing is naar ééne zijde, aan de andere zijde afwaaiing plaats heeft, wat dus aldaar de afwatering kan ten goede komen.

De HeerVijverbergneemt in 't bijzonder Friesland's boezem tot voorbeeld, hoewel er gebieden zijn, zooals de Vechtstreek, de Geldersche Vallei, enz. die wat hunne afwatering betreft zeker meer door de afsluiting gebaat zullen zijn. Hij had zelfs een nadeel voor Frieslands afwatering kunnen noemen, nl. dat nu in 't voorjaar, door de dan veel heerschende oostelijke en noordoostelijke winden de sluizen in het Zuiden althans eenigen tijd mee kunnen helpen loozen, wat na de afsluiting en de droogmaking van den N.O.-polder niet meer mogelijk zal zijn. Maar daartegenover staat:

1º Friesland zal zijn boezemwater des winters in den regel tot –0,30 à –0,40 A.P. kunnen laten afloopen, iets wat nu gedurende het grootste gedeelte van dat seizoen niet mogelijk is. Door het gebruik van kunstmest zullen de graslanden dan kunnen worden verbeterd;

2º doordat het IJselmeer spoedig zoet water zal bevattenen er dus voortdurend een voldoende zoetwaterbron achter de hand is voor het inlaten bij droge zomertijden, behoeven Gedeputeerde Staten in het voorjaar niet zoo angstvallig te werk te gaan met het oog op mogelijk watergebrek daarna, maar zullen zij dan met de sluizen flink kunnen laten afstroomen.

Wat de HeerVijverbergdan nog zegt omtrent aan te brengen verbeteringen in de afwatering vanFriesland, ook zonder afsluiting der Zuiderzee, doet mij vermoeden dat hij van den toestand aldaar niet goed op de hoogte is. Immers hij zegt: „Friesland kan echter zeer voldoende langs natuurlijken weg afwateren op de Lauwerzee bij Oostmahorn, waar lage ebben en diep water voorkomen”.

Vooreerst ligt Oostmahorn buiten het gebied van Frieslands boezem, nl. in Oost-Dongeradeel, dat een eigen afwatering op de Lauwerzee heeft. Nu zou men natuurlijk wel van uit Frieslands boezem (Dokkumerdiep) een door kaden ingesloten kanaal van groot vermogen kunnen maken, maar dan moet tevens gezorgd worden dat het overtollig water van den geheelen boezem voldoende daarheen worde geleid. Het is toch bekend dat het tot nu nog niet is mogen gelukken om Frieslands boezemwater, vooral uit de groote voorraadschuur in het Zuidwesten op voldoende wijze naar de Dokkumer Nieuwe Zijlen in het Noordoosten te brengen, niettegenstaande daaraan reeds schatten besteed zijn, o. a. door de werken van 1880–1889, die 4 millioen gulden gekost hebben. Het aangeprezen middel zal zeker geheel onvoldoende blijken als de aanvoerwegen van het boezemwater daarheen niet tevens zeer worden verruimd.

Maar dan leest men het niet zeer duidelijke advies:„Bovendien is het aanhouden van één zelfde peil voor alle z.g. voor Friesland's boezem gelegen gronden ondoelmatig, dus ongewenscht; die lage landen behooren groepsgewijze te worden ingepolderd, elke polder met eigen bemalingswerktuig en eigen boezempeil” (lees polderpeil); „dan kan Friesland's boezempeil worden verhoogd, wat de scheepvaart ten goede zal kunnen komen en de afwatering bevorderen”. Het Friesche boezempeilis niets dan een peil ter vergelijking (–0,66 N.A.P.), naar welks bereiking nooit wordt gestreefd, al komen in droge tijden helaas soms nog lagere boezemstanden voor. 's Zomers 15 Apr.–1 Okt. schijnt een boezemstand van 12 cM. boven Friesch peil (dus –0,54 N.A.P.), het meest gewenscht. Waarschijnlijk bedoelt de HeerVijverberg, dat na inpoldering der buitenlanden (wat echter geheel een zaak van particulieren is) de boezemstandwel hooger kan zijn dan nu. Dat die boezem- of buitenlanden, die nu bij een stand van 20 cM. boven Friesland's boezempeil, dus van –0,46 N.A.P., onder water gaan komen, worden ingepolderd, is op zich zelve beschouwd wenschelijk, omdat hun grasgewas dan niet meer 's zomers kan verloren gaan en hun grassoort kan worden verbeterd. Maar dan wordt de waterberging van Frieslands boezem bij standen 45 cM. boven Friesch peil met oppervlakten tot 30.000 H.A. verkleind (van ⅕ tot1⁄12) en in natte tijden zullen daardoor de standen van Friesland's boezem, die nu reeds tot ongeveer 1 M., hoewel zelden tot 0.70 M. boven het Friesche boezempeil stijgen, nog worden verhoogd. Dit zal in het voorjaar een flinke verlaging van den boezemstand, waaraan danhet geheele boezemgebiedbehoefte heeft zeker niet gemakkelijker maken, maar de HeerVijverbergzegt, dat daardoor dan in 't algemeen de afwatering zal worden....bevorderd! De HeerVijverbergschijnt te meenen dat als die buitenlanden maar watervrij worden gemaakt, de afwatering van Friesland voldoende geholpen zal zijn, maar hij vergeet dat er nog ongeveer 300.000 H.A. landen zijn, zomerpolders, winterpolders en hoogere gronden in het Oosten die bij den tegenwoordigen toestand reeds dikwijls ontzettend veel schade lijden door hooge boezemstanden, die alle in 't voorjaar tijdig uit hun winterwater moeten worden verlost, en die dus ook bij een betere beheersching van die standen groot belang hebben. Daarom zeide een deskundige als de HeerTh. van WelderenBaronRengers, lid van Ged. Staten van Friesland, „dat men bij het stellen van de voorwaarden, waaraan de verbeterde afstrooming moet voldoen, ook in niet geringe mate de aandacht schenkt aan den toestand der lage landen, ligt voor de hand, maar men wachte zich de waterafvoerkwestie te vereenzelvigen met het droogleggen der boezemlanden.... Van een verbetering van den waterafvoer zal nagenoeg de geheele provincie voordeel genieten;..”52)

Vervolgens bespreekt de HeerVijverbergnog de quaestie van de aanvulling van Friesland's boezem bij lagen stand en groot zoutgehalte met versch water, die voor landbouw, veeteelt en nijverheid van onberekenbaar nut zou kunnen zijn en „uit dat oogpunt het te vormen IJselmeer voor Friesland van onschatbare waarde”. Maar dan berekent hij dat daarin ook voldoende zou kunnen worden voorziendoor aanvoer van water uit den IJsel, waarvan de kosten echter „niet onbeteekenend zullen blijken”, terwijl Noord-Holland zou kunnen geholpen worden zooals door den ingenieurConradin de vergadering van het Kon. Instituut v. Ingenieurs v. 11 Apr. 1893 is uiteengezet. En dan zegt hij: „Waar uit het bovenstaande volgt, dat de uitvoering van het Zuiderzee-plan-Lelywel van groot belang kan zijn voor Friesland, doch dat de mogelijkheid om Friesland's boezem van versch water te voorzien, niet staat of valt met het plan, daar wordt elke grond gemist voor de redeneering, als zouden de Zuiderzeeplannen uitgevoerd moeten worden om Friesland uit haren nood te helpen”. Maar waar is toch die redeneering te vinden? Wie heeft dat ooit gezegd?

Wèl hebben de voorstanders der afsluiting van de Zuiderzee altijd betoogd, dataldie voordeelen, nl. die voor de waterkeering, voor de afwatering, voor de wateraanvulling en verversching, enz.tegelijkdoor de afsluiting zullen worden verkregen, volstrekt niet dat geen enkel daarvan is op te lossen zonder die afsluiting.

Maar nu rekene de HeerVijverbergeens uit hoeveel het verkrijgen van al die voordeelen op andere wijzen zal kosten, dus de verbetering en het onderhoud der tegenwoordige waterkeering, de verbetering der afwatering van alle gebieden rondom de Zuiderzee die daaraan behoefte hebben, de wateraanvulling en verversching voor Friesland, N.W. Overijsel en Hollands Noorderkwartier. Hij telle die sommen eens bijeen en vergelijke de uitkomst eens met de geraamde kosten van den afsluitdijk (66 millioen),—met de verbetering van het Zwolsche Diep en de schadeloosstelling aan de visschers,—waarbij dan nog te bedenkenis, dat door dien afsluitdijk ongeveer 80 millioen gulden op de kosten van de meerdijken der vier droogmakerijen zullen worden bespaard.

En eindelijk alweer die verwijzing naar het ontginnen van woeste gronden als beweegreden om de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee te kunnen nalaten!

De HeerVijverbergsomt de voordeelen van die ontginning op. Ik zou er bij willen voegen: men kan eigenlijk geen goed Nederlander zijn zonder die uitbreiding van het voortbrengingsvermogen van onzen bodem van harte toe te juichen. En is het daarbij betrokken landsbelang daartoe groot genoeg, welnu, dan steune de Regeering die ontginning meer dan tot nu door verbetering van afwatering, aanleg van gewone wegen en van spoorwegen, verschaffen van kapitaal, enz.,—ook dat ben ik met den HeerVijverbergeens.

Maar wat beteekent dit als argument tegen de droogmaking van gronden in de Zuiderzee?

Men verbeelde zich toch vooral niet dat de ontginning der woeste gronden zeer weinig kost en dat die van de Zuiderzeegronden betrekkelijk zooveel hooger zullen zijn, in aanmerking nemend het zooveel grooter voortbrengingsvermogen van deze laatste.

Vooreerst zijn lang niet alle woeste gronden voor ontginning geschikt: de HeerVijverbergnoemt zelf 300.000 H.A. van de 550.000 H.A. Dan kan slechts een betrekkelijk klein gedeelte (laag gelegen en toch met goede afwatering) tot grasland gemaakt worden, wat vrij spoedig goede uitkomsten geeft. Een ander gedeelte kan tot bouwland worden aangemaakt, maar ten koste van veelarbeid en veel geld: de HeerJ. T. Cremero. a. deelde mede, dat de ontginning van het Zeijerveld bij Norg in Drente (600 H.A.) hem ƒ1100.- de H.A. gekost heeft, waarbij dan nog niet gerekend is de aanleg van een harden weg daarheen. Het grootste gedeelte der woeste gronden is alleen voor boschaanleg geschikt en begint dan eerst na 18 à 20 jaar een zeer matige rente op te leveren. Vergelijk dit alles nu eens met het voortbrengend vermogen der Zuiderzeegronden, die dadelijk na de verkaveling zeker bruto-opbrengsten van ƒ350.- en netto-opbrengsten van ƒ80.- de H.A. zullen geven en waarvoor dus ook hoogere ontginningskosten gewettigd zijn.

Ontginning van woeste gronden en droogmaking van den Zuiderzeebodem zijn in aard en uitkomsten verschillend, maar zij bevorderen beide in hooge mate de uitbreiding van onze bestaansmiddelen. Daarom behooren zijbeidein 's lands belang te worden uitgevoerd en de eene mag dus niet tegen de andere worden uitgespeeld.


Back to IndexNext