Invloed op de afwatering van Friesland.
WatFrieslandbetreft, daar zal dit bezwaar nog minder gelden. Wel zullen bij een afsluiting de zuidelijke sluizen bij de lage Zuiderzeestanden in het voorjaar niet meer kunnenmeehelpen om Friesland van zijn overtollig winterwater te bevrijden, maar dit nadeel is voor de provincie betrekkelijk gering. Dit gewest, t. N. van de Linde, toch brengt zijn water op een groot samenstel van meren, plassen, kanalen, enz. »Frieslandsboezem” vormend, die door 13 sluizen langs de Zuid-, West- en Noordkust op zee uitwatert. Nu is de meest gewenschte stand van dien boezem in den zomer 10 à 15 cM. boven Friesch Peil (= Z.P. = 0,66 N.A.P.) dus 0,56 à 0,51 beneden A.P., maar de gemiddelde ebben t. Z. van Makkum zijn hooger, zoodat de sluizen aldaar slechts bij lagere zeestanden, voornl. bij oostelijke winden in het voorjaar tot de afwatering kunnen bijdragen. T. N. daarvan echter dalen de ebben al meer en meer tot –1,44 N.A.P. in de Lauwerszee aan de Dokkumer Nieuwe Zijlen en daar dit ook de meest vermogende sluizen zijn, zoo ligt daar het voornaamste punt van loozing van Frieslandsboezem. Toch is die, vooral voor onzen tijd onvoldoende, voornl. doordat de groote watermassa's van het geheele gewest niet spoedig genoeg bij de noordelijke sluizen te brengen zijn. Veel is reeds gedaan ten koste van veel tonnen gouds om door verruiming der waterleidingen daarheen, enz. daarin verbetering te brengen, maar de toestand is nog onvoldoende: men kan den boezemstand niet genoeg beheerschen.
Dit brengt vooral zooveel schade teweeg, omdat een gedeelte der lage landen, vooral in het Zuiden dus, niet ingepolderd is en dus bij hooge boezemstanden wordt overstroomd,—bij een stand van +0.25 Z.P. staan reeds 6000, bij +0.46 Z.P. 32000 HA. van die „buitenlanden” onder water.
Bovendien loopen bij zeer hooge standen ook een aantal polders in of komen door belette loozing onder water. Die lage landen zijn natuurlijk uitsluitend grasland; zij staan's winters in den regel voor een groot gedeelte onder, maar komen in natte zomers hooge standen voor, waarvan wij hierboven een voorbeeld zagen, dan wordt ontzaglijke schade geleden11).
Dat de overstrooming door boezemwater die landen vruchtbaar zou maken, kan alleen in zekere mate gelden voor de kleistreken, waar dat water eenige kleideeltjes bevat, maar overigens niet. Kan men bovendien die landen ook 's winters droog houden en ze met kunstmest behandelen, dan stijgen zij ook daardoor zeker in waarde.
Reeds vele plannen zijn gemaakt ter verbetering van dezen toestand. Zij zullen zich ten slotte wel oplossen in de stichting van één of meer groote stoomgemalen aan de zuidzijde der Provincie, waartoe reeds besloten werd. Maar kan men door de afsluiting der Zuiderzee, dus afwatering op –0,40 A.P., in elk geval de zeer hooge boezemstanden voorkomen, dan zullen aanleg en gebruik van die gemalen, voor zooveel ze nog noodig zijn, zeker minder kosten.
De heerRengersmeent datin jaren van normalen regenvalde boezem daardoor op +0.30 Z.P. zal te houden zijn, wat nu 's winters nagenoeg nooit mogelijk is (Rapport a. h. Dag. Best. der Zuiderzee-Vereeniging omtr. de voordeelen voor de Prov. Friesland en Noord-Holland te verwachten v. d. afsluiting der Zuiderzee en de vorming van een zoetwatermeer).
Wat echter Frieslands nu gebrekkige afwatering in hooge mate zal ten goede komen, dat is, hoe vreemd dit oppervlakkig beschouwdook moge schijnen, de gelegenheid diedoor de afsluiting ontstaat voor aanvulling van zijn boezem met zoet water in droge tijden.
Voor de wateraanvulling en waterverversching.
Voor dewateraanvullingenwaterverversching.
Als door de sluizen op Wieringen steeds op zee wordt geloosd, terwijl aanhoudend zoet water, hoofdzakelijk door den IJsel wordt aangevoerd, dan is het duidelijk dat het IJselmeer reeds bij de afsluiting minder zout zal zijn dan bij het begin van het werk en dat het niet lang daarna zoet water of althans water van gering zoutgehalte zal bevatten.
Dit nu is wel het grootste voordeel dat een gevolg zal zijn van een afsluiting der Zuiderzee. Men is dit gelukkig al meer en meer gaan inzien. De daardoor verkregen verhooging van het voortbrengingsvermogen der aangrenzende gewesten is zoo belangrijk, dat de kosten van de afsluiting op zich zelve, dus zonder droogmaking, waarschijnlijk reeds daardoor grootendeels zouden worden goed gemaakt.
Andere deelen n.l. van ons polderland, gelegen niet ver van de groote rivieren, zooals Holland en Utrecht t. Z. van de Zuiderzee en het voormalige IJ, kunnen daaruit altijd water verkrijgen in droge tijden. Zoo laat o. a. Rijnland bij droogte en ter verversching van zijn boezem te Gouda uit den Hollandschen IJsel water in,—70 à 190 millioen M³ 's jaars al naar de behoefte, soms 2 millioen M³ per dag. Uit den aldus aangevulden boezem laten de polders dan water naar binnen. Maar zulk een bron van zoet water missen Friesland en N.W. Overijsel geheel, Noord-Holland t. N. van het IJ (Noorderkwartier) grootendeels.
Om de voordeelen van het bezit van zulk een zoetwaterbron voor deze gewesten naar waarde te kunnen schatten hebben twee bijuitstek deskundigen, de HH.Th. van WelderenBaronRengers, Lid v. Ged. St. v. Friesland, enK. Breebaart Jzn.te Winkel, op verzoek der Zuiderzee-Vereeniging verslag uitgebracht over de voordeelen van de voorziening met zoet water, resp. van de Provinciën Friesland en Noord-Holland welke heeren zich daarbij nog door eenige specialiteiten hebben doen voorlichten12). In het volgende is ook daaraan een en ander ontleend.
HetNoorderkwartierlaat in tijden van watergebrek water in uit den boezem van het Noordzeekanaal door de duikersluizen, soms ook door de schutsluizen, te Nauerna en te Zaandam, dat zich dan in de boezemwateren van dat geheele gewest, behalve in het oostelijk gedeelte van Westfriesland kan verspreiden. Maar dat water is brak door de vele schuttingen te IJmuiden en te Schellingwoude. Bovendien wordt het vervuild, doordat Amsterdam zijn grachten doorspoelt—als men het zoo noemen wil, want de drabbige massa heeft 8 dagen noodig om van het oosten der stad naar het westen te komen—door Zuiderzeewater in te laten bij Zeeburg en het te loozen op het Noordzeekanaal, in plaats van andersom te spuien, wat echter wegens de dikwijls hooge Zuiderzeestanden ƒ100.000 's jaars aan opmaling te Zeeburg zou kosten. Het genoemde oostelijk deel van Westfriesland (Vier Noorder Koggen en het grootste deel van Drechterland) laat 's zomers bij droogte water inuit de Zuiderzee, dus zout water (zoutgehalte ongeveer 25 p. mille; de Noordzee op onze kust ongeveer 33 p. m.).
Het voornaamste voordeel voor dit gewest van kaasproductie bij uitnemendheid is gelegen in de gevolgen voor de zuivelbereiding. Dr.Van der Zandeen Dr.Scheijvan hetRijkslandbouwproefstation te Hoorn zeggen: 1º dat door de gelegenheid van verversching met zoet water ketelwater zal worden verkregen dat niet te schadelijk is voor ketels en machines, ook in de streken waar het nortonwater zout of zeer zout is; 2º dat het vee door het gebruik van brak water licht diarrhee krijgt, waardoor de melk aan sterke verontreiniging blootstaat, hetgeen gebreken in de zuivelproducten kan veroorzaken, b.v. losse kaas; 3º dat vermenging van den afval der zuivelbereiding met brak water in de slooten stankvorming bevordert.
In het Verslag van den HeerBreebaart, samen met deskundigen opgemaakt, wordt gezegd dat de vruchtbaarheid van alle soorten van gronden, vooral van de grasgronden zeker zal worden verhoogd door geheel zoet water in plaats van brak water, dat—zoo wordt o. a. voor de zandstreken geconstateerd—voor den grasgroei zeer nadeelig is.
Ook zal het IJselmeer waarschijnlijk kunnen dienen als bron voor drinkwaterleidingen in gemeenten die zich nu moeilijk of niet van goed drinkwater kunnen voorzien. Te Hoorn heeft men nu voor ongeveer drie ton gouds een (bron) drinkwaterleiding aangelegd, waarvoor het water door diepe boring moest worden verkregen en daarna scheikundig gezuiverd—duur dus voor zoo'n betrekkelijk kleine stad; te Medemblik is in droge zomers voor grof geld drinkwater verkrijgbaar, dat per spoortrein aangevoerd wordt uit Alkmaar of den Helder, enz.
Maar veel erger nog dan van Noord-Holland is detoestand van Friesland in droge tijden, daar dit geen enkele zoetwaterbron van beteekenis bezit. Dan hoort men noodkreten uit dat gewest van water, meren, poelen, plassen en vaarten, zooals o. a. in de Bolswarder Courant v. 15 Sept.1904 uit Workum: „In den omtrek van onze stad en verderop naar Bolsward en Makkum ziet het er met de landerijen treurig uit. Vele perceelen hebben een echt wintersch aanzien, dor en kaal, waarop het weidende vee nauwelijks den honger kan stillen. Daarbij ontbreekt het drinkwater in de slooten, zoodat het ongerief en de schade zeer groot zijn. Onder Bolsward wordt op een boerderij nu reeds zeven weken hooi gevoederd aan de beesten en op verschillende plaatsen aldaar melkt men minder dan de helft in gewone jaren. Met groote bezorgdheid zien de veehouders den winter tegemoet, die lang en moeilijk zal worden”. Of van dien ouden Fries uit westelijk Friesland, die aan den secretaris der Zuiderzee-Vereeniging schreef: „Wij hebben geen bruikbaar slootwater meer in de polders, noch voor drinken van het vee noch voor de afscheiding der perceelen. De meeste slooten liggen eenvoudig droog.
In de vaarwaters staat nog een weinig en dat is pap geworden. Het scheepvaartverkeer gaat zeer bezwaarlijk. Het weinige water dat er overbleef is zout geworden door de vermenging met binnengeschut zeewater. Alle visch is dood. Ziedaar de toestand langs de westelijke kust van Friesland. Verder in de Provincie is de toestand dezelfde op slechts ééne uitzondering na: daar is het overgebleven water iets minder zout”13).
Een ander nadeel voegt zich nl. in droge tijden bij het gebrek aan water, dat van hetverzoutenvan het overblijvende, vooral in het westen der Provincie, door het vele schutten, voornamelijk te Harlingen, ook te Stavoren, maarhet zoutgehalte is daar geringer. Daardoor worden veel beesten ziek, de hoedanigheid der zuivelproducten lijdt er door, de visch sterft, de industrie lijdt schade door het zoute ketelwater, enz.
In meergenoemd Verslag zeggen de drie vakmannen-rapporteurs omtrent den invloed van zoet water in Friesland op den toestand vanlandbouw,veeteeltenzuivelbereiding: „Veel grooter dan deze reeds zoo belangrijke schade”—nl. door te hoogen waterstand—„is die welkete lagewaterstand in den zomer veroorzaakt. Wanneer de droogte lang aanhoudt en ook de slooten beginnen droog te worden, dan zijn de ellende en de schade niet te overzien.” In 't bijzonder wordt dan aangetoond de mindere opbrengst van de melk, zoowel wat de hoedanigheid als de hoeveelheid betreft, niettegenstaande krachtige voeding van het vee, door het gebruik van onzuiver drinkwater. De hoedanigheid hiervan laat bijna overal in de Provincie te wenschen over.
Ook descheepvaart, die in Friesland van zooveel beteekenis is, lijdt in zulke tijden zeer door watergebrek, daar dan standen van 30, soms ook van 40 en 50 cM. beneden Friesch Peil voorkomen,—en dit geldt zoowel voor de kleine schipperij als voor de groote tjalkvaart op den waterweg de Lemmer–Stroobos, deel uitmakende van dien van Holland naar Groningen; schepen raken dan aan den grond en versperren vaarwaters. Beide zullen dus zeer gebaat worden als de boezem altijd op peil kan gehouden worden door inlating uit het IJselmeer.
Een tak van bedrijf die bij den tegenwoordigen toestand dikwijlsveelschade lijdt is ook dezoetwatervisscherij,—omdat nu elk jaar bij de voorjaarsafstrooming groote massa's vischkuit en broed op de droogvallende buitenlanden verlorengaan, omdat nu 's zomers veel zout water op den boezem komt, wat groote uitgestrektheden ongeschikt maakt voor visch (behalve voor paling) en veel visch doodt, en eindelijk omdat het afvalwater van enkele fabrieken (o. a. van de beruchte stroocartonfabriek te Leeuwarden) het zeer gedaalde boezemwater voor visch nog geheel bederft. Het Verslag meent, dat de opbrengst in een droog jaar wel tweemaal zoo groot zou kunnen zijn als een ververschingsbron achter de hand was.
Devolksgezondheidwordt tegenwoordig benadeeld, omdat de boezem niet zoo noodig ververscht kan worden bij vervuiling, bij rotting veroorzaakt door het hooge zoutgehalte, en omdat het boezemwater vaak door de schippers gedronken wordt. Het telkens droogvallen der gronden bevordert ook malaria, voornamelijk als het overstroomingswater brak of zout was.
Afsluiting der Zuiderzee en inlaten van zoet water uit het IJselmeer zal meebrengen zuiver water, zuiverder lucht en vermindering van het gevaar voor epidemische ziekten.
Handelennijverheidzullen er ook zeker bij winnen als het gebrekkig verkeer door te lage waterstanden in den zomer niet meer zal voorkomen. In het Nieuwsblad van Friesland van 7 Okt. 1905 deelt Aquarius mee, dat het aantal stoomketels in Friesland 550 bedraagt (incl. die van de stoombooten) en dat die minstens 6 keer per jaar meer moeten gewasschen worden dan wanneer geheel zoet water ten dienste stond voor de ketelvoeding. De kosten daarvan en de stagnatie in het bedrijf worden per keer gemiddeld op ƒ25.-, dus per jaar op ƒ150.- geschat, dus voor alle ketels samen op ƒ82.500 per jaar, welk bedrag echter vermeerderd moet worden wegens de grootere slijtage der ketels.
Voor een deel is het gezegde ook van toepassing ophet Land van Vollenhove t. N.W. van het Meppelerdiep.
En, zooals reeds werd opgemerkt, nog een groot voordeel voor Friesland en het Land van Vollenhove zal aan de mogelijkheid van voldoende zoetwateraanvulling ten allen tijde verbonden zijn, nl.verbetering der afwatering.
In het voorjaar toch, als het winterwater moet worden verwijderd en de landbouw flink lage waterstanden noodig heeft, zoodat ook natte tijden daarna weinig of geen schade kunnen veroorzaken, laat men veelal het water niet zooveel afstroomen als gewenscht is,—omdat men niet durft, n.l. met het oog op een drogen tijd die volgen kan.
Gaat men de bijna angstvallige zorg na waarmee in Friesland het tijdstip en de duur van afstrooming met de zeesluizen geregeld wordt14), dan blijkt daaruit hoe de gezaghebbers altijd geslingerd worden tusschen de vrees voor te veel en die voor te weinig water. De HeerRengers, die daaraan zelf zooveel deelnam, zegt dan ook in zijn meermalen aangehaalden rede:„Zoolang de waterinlating in Friesland niet gevonden is, zal de beheersching van den waterstand onvolkomen blijven”.
Heeft men echter in het IJselmeer steeds een zoetwaterbron beschikbaar, waaruit men altijd putten kan zooveel men noodig heeft, dan zal men ook elk oogenblik den boezem zooveel durven verlagen als men wil, omdat aanvulling daarna altijd mogelijk is.
Kwel door en onderdoor den afsluitdijk.
Er is wel eens twijfel gerezen omtrent de mogelijkheid om door een afsluitdijk het zeewater werkelijk van het IJselmeer te scheiden,—eenige onvermijdelijke doorkwelling daargelaten.
Indertijd heeft de HoogleeraarHartingde vrees uitgesproken, dat als de afsluitdijk op diluvisch zand of zelfs op een daarop rustende keilaag werd aangelegd, zooveel water door dat zand naar binnen zou dringen, dat men den bodem daarachter niet zou kunnen droogleggen: door hem genomen proeven waren in dit opzicht niet geruststellend15).
Een commissie uit de Kon. Akademie van Wetenschappen benoemd om dit vraagstuk in 't bijzonder te onderzoeken, meende evenwel terecht, dat uit laboratoriumproeven in nauwe glazen buizen en met van elders (dus niet van den Zuiderzeebodem) gehaald zand genomen, dus onder omstandigheden die zeer van de werkelijkheid verschilden, voor de praktijk weinig of niets viel af te leiden16).
Hartingzelf kende aan die proeven daarom ook slechts een betrekkelijke waarde toe. De kwel, die afhangt van de geaardheid van den grond, van de lengte over welke de doorkwelling plaats heeft en van het verschil in waterstand buiten en binnen (drukhoogte), zou op grond van op verschillende plaatsen in ons land opgedane ondervinding, volgens de Commissie bij een drukhoogte van 4 M. nog betrekkelijk gering zijn. En hierbij werd niet alleen rekening gehouden met een kwel door den afsluitdijk, maar ook met die door de kaden langs boezemmeren en boezemkanalen (Regeeringsontwerp 1877), samen 6 maal zoo lang als de dijk zelf.
Bij het ontwerp Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie is de drukhoogte in normale omstandigheden bij H.W. slechts 0,80 M., terwijl er zelfs gedurende een gedeelte van elkgetij overdrukvan binnen naar buitenzal zijn. Gebruik makende van dezelfde wijze van berekening als de genoemde commissie vindt men, dat in gewone omstandigheden slechts1⁄90, bij stormvloed slechts1⁄22naar binnen zou kwellen van de hoeveelheid zoetwater die in dezelfden tijd bij middelbaren IJselstand op het meer vloeit.
De kwel zal dus geen noemenswaardigen invloed hebben op het zoutgehalte van het water van het IJselmeer.
Beschikbare hoeveelheid water ter inlating.
Een andere vraag is: Zal in droge zomers altijd een voldoende hoeveelheid zoet water beschikbaar zijn ter inlating in de nieuwe polders en de aangrenzende gewesten?
Deze kwestie wordt uitvoerig behandeld in de 4eNota der Zuiderzee-Vereeniging.
De waterplas binnen de afsluiting verliest door verdamping en wordt aangevuld uit het water dat rivieren en boezems, vooral de IJsel er op brengen. Een gunstige omstandigheid is, dat in de maanden als de verdamping het grootst is (1 Mei–1 September) de IJsel gewoonlijk niet het minst afvoert, daar hij dan ook gevoed wordt door het smelten van sneeuw en ijs in het brongebied van den Rijn; in 't algemeen is de afvoer het kleinst in de herfstmaanden.
Uit die nota blijkt o. a., dat in 10 jaren van het tijdvak 1871–1885 (in de andere jaren zou òf weinig ingelaten of de aanvoer betr. groot geweest zijn) alleen in Mei 1880 en Aug. 1885 eenig tekort zou geweest zijn om de nieuw drooggemaakte gronden, Friesland en Hollands Noorderkwartier van water te voorzien,—wat echter slechts een daling van 2 cM. van het IJselmeer zou kunnen veroorzaakt hebben. Dit zou dus zeker geen bezwaar geweest zijn, vooral als men bedenkt, dat op zeer ruime waterinlating behalve in de nieuwe landen (5 × die van Rijnland) en een te grooteverdamping (gemeten n.l. in kleine verdampingsmeters) gerekend is.
Daar het aangenomen peil van het IJselmeer –0.40 A.P., dat van Frieslandsboezem –0,66 en dat van Schermerboezem (Noorderkwartier) –0.58 A.P. is, zoo zal bij dien stand altijd water ingelaten kunnen worden. Mocht de stand van het meer lager zijn of plaatselijk door afwaaiing dalen, dan kan men dien tijdelijk b. v. in April en Mei door het sluiten der sluizen wat verhoogen, b. v. tot –0,20 A.P., wat ook voor de scheepvaart gewenscht is.
Van Frieslands sluizen is alleen de bestaande Lemstersluis voor waterinlating geschikt, maar zij alleen is daartoe niet vermogend genoeg. Er zal daarom aan de zuidzijde nog een inlaatsluis moeten bijgebouwd worden.
Gevolgen der afsluiting voor de scheepvaart.
Voor de scheepvaart.
Door de afsluiting zal de scheepvaart geen nadeel ondervinden, integendeel in menig opzicht worden gebaat.
De scheepvaart op de Zuiderzee is n.l. voor een zeer groot gedeelte, ⅓ à ½ van de geheele scheepvaartbeweging, van en naar Amsterdam gericht.
Dan volgen wat de grootte van die beweging betreft het Zwolsche Diep, de Lemmer en het Keteldiep (IJsel), voorts Harlingen, Muiden, Hoorn.
In gewone omstandigheden wordt, bij de grootendeels langdurige vaarten, niet „op tij” gevaren; de verschillen tusschen H.W. en L.W. zijn trouwens gering,—in de zuidelijke kom 25 à 50 cM.—ook in vergelijking met de schommelingen van den waterstand door den wind veroorzaakt.
Het peil van –0,20 A.P. van het IJselmeer in den zomer is ongeveer gelijk aan den tegenwoordigen laagwaterstandin het midden van de zuidelijke kom, dat van –0,40 A.P. 's winters ongeveer 20 cM. lager. Maar deze verlaging komt ook nu herhaaldelijk voor bij lage ebben, of door afwaaiing. Standen beneden –0,60 A.P., zooals nu wel eens voorkomen, zullen zelden meer op het IJselmeer worden aangetroffen.
Zooals reeds bij de beschrijving van het plan is opgemerkt, zou echter door de afsluiting debevaarbaarheid t. O. van Schoklandonvoldoende worden. Daarin zal worden tegemoet gekomen door de verlenging van het Zwolsche Diep tot t. Z. van Schokland.
Ook zagen wij dat vóór het tot standkomen der afsluiting eenigehavens, die nu niet met L.W. bevaren kunnen worden en waarvoor dan H.W. moet worden afgewacht, door uitbaggering en verlenging der havendammen eenige meerdere blijvende diepte moet worden gegeven,—zoodat zij dan ten allen tijde bevaarbaar worden.
Na de droogmaking der vier deelen blijft in 't algemeen het diepste gedeelte der Zuiderzee over voor het IJselmeer en voor den breeden waterweg van Amsterdam daarheen. De ondiepste plaatsen komen voor in de geul die naar de Oranjesluizen voert en waarin nu bij het Vuurtoreneiland bij L.W. slechts 21 à 23 dM. water staat. Eenige baggering zal daar plaatselijk moeten helpen.
Een voordeel is dat deschuttingendoor de Oranjesluizen teSchellingwoudezeer zullen worden bekort wegens het kleiner verschil tusschen de standen op het Noordzeekanaal en het IJselmeer; waarschijnlijk zal de doorvaart nu en dan bij gelijk water kunnen plaats hebben.
Voor devaart op Harlingenzal, zooals wij zagen, een nieuw aan te leggen kanaal van Piaam naar die plaats dienst doen.
Zal dus de bevaarbaarheid door het aangenomen peil van hef IJselmeer niet worden geschaad, in enkele opzichten zelfs bevorderd, er zal zeker eenveel veiliger vaartworden verkregen. Op het IJselmeer zal het niet meer in die mate spoken als nu en dan op de Zuiderzee het geval is. Menige hooge lading of deklast ging op de soms woeste watervlakte van dezen zeeboezem verloren, om van het verlies van vaartuigen en menschenlevens niet te spreken;—zulke ongevallen zullen na de afsluiting wel nooit meer voorkomen. Die veiliger vaart is van groot belang, ook in verband met de groote waterwegen in het noorden des lands.
Zand- en slibaanvoer op het IJselmeer.
Een kwestie die in de eerste plaats de scheepvaart raakt is deverondieping van het IJselmeer door het zand en de slibdie de IJsel daarin zal aanvoeren.
Wat den zandafvoer van die rivier aangaat, die op ongeveer 200.000 M³ per jaar kan worden geschat17), het zand zal zich na de afsluiting wel op dezelfde plaats blijven neerzetten als daarvóór, nl. op een 2700 HA. groote oppervlakte buiten den Ketelmond, van waar het dan evenals nu kan worden weggebaggerd.
De massa slib door den IJsel meegevoerd moet op 400.000 M³ 's jaars gesteld worden18). Werd deze hoeveelheid gelijkmatig verdeeld over den bodem van het 145.000 HA. groote meer, dan zou die in de eerste halve eeuw na de afsluiting den bodem slechts 1,5 cM. verhoogen. Het spreekt echter van zelf dat de verdeeling niet gelijkmatig over de geheele oppervlakte zal geschieden en dat, waar voorkomen moetworden dat de ophooging hinderlijk voor de scheepvaart wordt, de slibneerslag moet worden weggebaggerd.
Daarom werd door de Staatscommissie op de voorloopige begrooting van het werk in het eerste jaar een kapitaal van ƒ300.000 gebracht, dat na 66 jaar tegen 3½ percent aangegroeid tot ƒ2.857.000 een rente zou geven voldoende om jaarlijks 400.000 M³ tegen 25 cts per M³ uit het IJselmeer te baggeren. Daarbij werd echter de neerslag in de eerste 66 jaar over het hoofd gezien, al zal die wel voor een groot deel binnen de droogmakerijen vallen.
Intusschen is de juiste daarvoor noodige som vooruit moeilijk te bepalen. Immers er zullen aanhoogingen kunnen voorkomen, b.v. ter weerszijden van het verlengde Zwolsche Diep, aan de binnenzijde tegen den afsluitdijk, die kunnen blijven liggen, daar zij de scheepvaart niet hinderen en ook de waterberging van het IJselmeer, die alleen van zijn oppervlakte en niet van de diepte afhangt, niet kunnen wijzigen. Daarentegen is op enkele andere plaatsen veel hinderlijke neerslag te verwachten o. a. in het zuidelijk einde van den breeden waterweg naar Amsterdam, in verband met de richting van den meest heerschenden wind (Z.W.) en de daardoor veroorzaakte onderstrooming in tegengestelde richting19).
Bezwaren van technischen aard.
Tegen sommige van de voorgestelde werken zijn, vooral in den laatsten tijd,bezwarengemaaktvan technischen aard, veelal door tegenstanders breed uitgemeten ter bestrijding van het geheele plan. Dit nu is een fout. Al mochten enkele opmerkingen omtrent den aanleg van onderdeelen gegrond zijn, dan nog kunnen zij het geheele plan als zoodanigniet treffen. Die onderdeelen moeten dan op andere wijze worden aangelegd.
Maar in elk geval zijn zulke opmerkingen geheel ontijdig.
Want men bedenke wel, dat het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie niets anders is dan een voor-ontwerp in groote trekken, om de gedachten te bepalen en de kosten ongeveer te kunnen nagaan.
Maar als de verantwoordelijke ingenieurs aan het werk gaan en van de onderdeelen de ontwerpen gaan opmaken, waarnaar zij zullen worden uitgevoerd, dan zullen zij ongetwijfeld rekening houden met het beste en nieuwste wat de wetenschap hun aan de hand doet en zullen die ontwerpen dikwijls in menig opzicht afwijken van het globale plan.
Daarom leest men o. a. in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Wet tot indijking en droogmaking van de Wieringermeer (WetsontwerpKraus, 1907): „Het ligt niet in de bedoeling van de ondergeteekenden, dat het plan der indijking en droogmaking van de Wieringermeer en van de overige in verband daarmede uit te voeren werken reeds thans tot in onderdeelen zouden worden vastgelegd. Het voornemen bestaat om, zoodra door aanneming van dit wetsontwerp in beginsel tot de uitvoering van het werk zal zijn besloten, de nadere uitwerking der plannen ter hand te doen nemen. Enz.”
Ten duidelijkste blijkt het boven gezegde uit het „Verslag der onderzoekingen v. h. Bureau voor het opmaken van een meer uitgewerkt plan met begrooting voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer, samengesteld door den ingenieur van 's Rijks Waterstaatde Blocq van Kuffeler”. Men ziet daaruit dat in bijna alle onderdeelen,—in sommige zeer veel!—is afgeweken van het globale plan der Staatscommissie,o. a. ten opzichte van de plaats, afmetingen, enz. der buitendijken, van de afwaterings- en scheepvaartkanalen ten behoeve der aangrenzende landen, vooral ook ten aanzien van de bestrijding der kwel uit de diluviale gronden van Wieringen, enz. enz.
Zoo is b.v. critiek uitgeoefend op de wijze van aanleg, de afmetingen, enz. van de meerdijken die de vier droogmakerijen moeten beschermen—een zaak van belang, omdat zelfs twijfel aan de veiligheid der bewoners van de nieuwe landen van grooten invloed zou kunnen zijn op de oeconomie van het geheele plan. Maar het is immers niet denkbaar, dat de waterstaats-ingenieurs, belast met het ontwerpen en uitvoeren van die dijken, hetgeen daaromtrent in het Verslag der Staatscommissie gezegd en geteekend is klakkeloos zouden overnemen.
Zoo is ook beweerd, dat de kruin van den afsluitdijk te laag ontworpen is, omdat na de afsluiting aldaar hoogere stormvloeden zullen voorkomen dan nu. De Zuiderzee-Vereeniging (2eNota, bl. 15) en de Staatscommissie meenen dat bij storm in de diepe geulen, zooals die van het Vlie en van den Texelstroom weinig of geen opwaaiing plaats heeft, maar dat van daaruit het water opwaait over de ondiepere gedeelten, b.v. uit het Vlie naar de Friesche kust, wat te Harlingen eene hoogste waterstand bij stormvloed van +2,90 A.P. heeft veroorzaakt. Daar nu de Texelstroom op ongeveer denzelfden afstand van den afsluitdijk komt te liggen als het Vlie van de Friesche kust, zoo zal de opwaaiing daaruit naar den dijk niet grooter zijn en hiernaar is, rekening houdende met een sterken golfoploop tegen den dijk, de hoogte hiervan bepaald. Deze redeneering zal wel juist zijn, wordt ook niet weersproken.
Maar het is de vraag of degewone(gemiddelde of dagelijksche) vloeden bij den afsluitdijk misschien wat hooger zullen stijgen dan nu en in verband daarmede ook de stormvloeden daardoor wat zullen rijzen20).
Een aanzienlijke verhooging der stormvloeden t. N. van den afsluitdijk en zelfs langs de noordelijke kusten van Friesland en Groningen, doordat de bergruimte van de Zuiderzee en de Wadden dan tot op ongeveer de helft verkleind wordt, is een schrikbeeld waarmee in den laatsten tijd geheel ten onrechte onrust wordt veroorzaakt. Immers er behoeft dan ook slechts ongeveer de helft van het water door de zeegaten naar binnen te stroomen om de overgebleven kom zoo hoog op te zetten dat er evenwicht is tusschen het water binnen en buiten21). Terecht zegt dan ook de Regeering in de Memorie van Toelichting van het nu ingediende wetsontwerp, dat „geene of slechts geringe verhooging van de stormvloedhoogten, als gevolg van de afsluiting, is te verwachten” (bl. 7).
Hoe dit zij, deze quaestie zal nog wel worden nagegaan, voordat met den bouw van den afsluitdijk begonnen wordt, niet alleen om de hoogte van dien dijk zelven en van die der aansluitende Friesche en Noord-Hollandsche dijken, maar ook om andere zaken die met de waterstanden aldaar samenhangen, o. a. de te verwachten snelheden in de sluitgaten, enz. Mocht dan blijken dat de afsluitdijk 0,50 M. hooger moet worden gemaakt, welnu dan kan en zal dat zeker gebeuren, maar daarmee staat of valt niet de wenschelijkheid of de mogelijkheid van het geheele werk.
Gebruik van gewapend beton.
Het voor-ontwerp van de Staatscommissie is reeds 20 jaar oud. Het kan en zal waarschijnlijk gebeuren dat sommigeonderdeelen geheel anders zullen worden gemaakt dan werd voorgesteld.
Vooral het gebruik vangewapend beton, dat in den laatsten tijd meer en meer toepassing vindt, zal misschien zulke belangrijke wijzigingen meebrengen,—wat ook invloed kan hebben op de kosten.
Daarom noodigde de Zuiderzee-Vereeniging in 1909 een commissie uit om verslag uit te brengen over de vraag: „in welke mate kan gewapend beton in uitgebreiden zin van toepassing zijn bij den afsluitdijk, de meerdijken, den bouw der kunstwerken, enz., ter bezuiniging bij de uitvoering, onder behoud van gelijke deugdelijkheid in aanleg en onderhoud?”
Deze „gewapend-betoncommissie”, samengesteld uit de HH. Mr.P. Van Foreest, Dijkgraaf v. d. Hondsbossche en Duinen tot Petten,A. W. Bos, Dir. Gemeentewerken Amsterdam,J. M. Van Elzelingen, Hoofdingenieur v. d. Prov. Waterstaat in Zuid-Holland,B. Hogenboom, Oud-Inspecteur Generaal van 's Rijks Waterstaat,G. J. De Jongh, Dir. Gemeentewerken Rotterdam,J. W. C. Tellegen, Dir. Gem. Bouw- en Woningtoezicht Amsterdam enL. Volker Azn., aannemer, bracht Sept. 1911 haar verslag uit22).
De groote meerderheid der Commissie stelt voor de afsluiting te verkrijgen door in de sluitgaten, na aanvulling der geulen met zand en zinkwerk, twee rijen bakken van gewapend beton, lang 50, breed en hoog 5 M., met tusschenruimten in verband tegen elkaar steunend, te doen zinken en daarop en daartegen het lichaam van den dijk op te werken, zoodat zij niet aan de inwerking van zeewater zijn blootgesteld. Eenige besparing van kosten is misschien daardoor teverkrijgen, maar nog moeilijk te bepalen. Maar de Commissie meende dat daarmede aanzienlijke besparing in tijd zou te verkrijgen zijn en dit is een groot voordeel, ook uit finantieel oogpunt.
Op de andere werken zouden niet veel kosten te besparen zijn behalve op de sluiswerken op of bij Wieringen. De meerderheid was van oordeel, dat het beter was deze binnen een cirkelvormigen ringdijk in zee t. O. van Wieringen aan te leggen, omdat daardoor 7 ton onteigeningskosten voor het kanaal door Wieringen zouden worden uitgespaard, 250 HA. aldaar niet behoeven te worden opgeofferd en de afsluitdijk 1 KM. korter (1 millioen gulden) kan worden.
8)Ald. Bl. 7.
Ald. Bl. 7.
9)Zie hieroverC. W. Lelyc. i. Beschouwingen v. d. afwatering v. h. Noordzeekanaal in verband m. d. afsl. en droogm. d. Zuiderzee (Weekbl. De Ingenieur, Jaarg. 1914, bl. 203).
Zie hieroverC. W. Lelyc. i. Beschouwingen v. d. afwatering v. h. Noordzeekanaal in verband m. d. afsl. en droogm. d. Zuiderzee (Weekbl. De Ingenieur, Jaarg. 1914, bl. 203).
10)Zie hierover meer uitvoerig:Deking Dura. Iets over den toestand der afwatering in een deel van Overijsel. Tijdschr. Ned. Heide Mij, 1909, bl. 173.
Zie hierover meer uitvoerig:Deking Dura. Iets over den toestand der afwatering in een deel van Overijsel. Tijdschr. Ned. Heide Mij, 1909, bl. 173.
11)De afwatering van Frieslandsboezem is uitvoerig behandeld door het Lid der Ged. St. v. Friesl.Van WelderenBnRengersin een rede, geh. v. d. verg. der Afd. Tietjerksteradeel der Fr. Mijvan Landb. 28 Dec. 1909,—opgenomen i. h. Tijdschr. d. Ned. Heide Mij, 22eJaarg. (1910), bl. 35. Zie ook bl. 69 aldaar.
De afwatering van Frieslandsboezem is uitvoerig behandeld door het Lid der Ged. St. v. Friesl.Van WelderenBnRengersin een rede, geh. v. d. verg. der Afd. Tietjerksteradeel der Fr. Mijvan Landb. 28 Dec. 1909,—opgenomen i. h. Tijdschr. d. Ned. Heide Mij, 22eJaarg. (1910), bl. 35. Zie ook bl. 69 aldaar.
12)Zie: De afsluiting en drooglegging der Zuiderzee. Uitg. d. d. Zuiderzee-Vereeniging 1911.—Leid. 1911.
Zie: De afsluiting en drooglegging der Zuiderzee. Uitg. d. d. Zuiderzee-Vereeniging 1911.—Leid. 1911.
13)Medegedeeld in het Handelsblad v. 27 Okt. 1904 door Mr.G. Vissering, destijds Secretaris van de Zuiderzee-Vereeniging.
Medegedeeld in het Handelsblad v. 27 Okt. 1904 door Mr.G. Vissering, destijds Secretaris van de Zuiderzee-Vereeniging.
14)Tijdschr. Ned. Heide-Maatschij, 22eJaarg. (1910), bl. 41 e. v.
Tijdschr. Ned. Heide-Maatschij, 22eJaarg. (1910), bl. 41 e. v.
15)P. Harting. De geol. en phys. gesteldheid v. d. Zuiderzeebodem. Versl. en Med. Afd. Nat. K. Ak. v. Wet., Dl. XI, 2e Reeks.
P. Harting. De geol. en phys. gesteldheid v. d. Zuiderzeebodem. Versl. en Med. Afd. Nat. K. Ak. v. Wet., Dl. XI, 2e Reeks.
16)Verslag v. d. Comm. t. onderzoek n. d. mate waarin water onder verschillende drukhoogte door zandmassa's van verschillende samenstelling en breedte stroomt. Uitg. d. d. Kon. Ak. v. Wet. Amst. 1887.
Verslag v. d. Comm. t. onderzoek n. d. mate waarin water onder verschillende drukhoogte door zandmassa's van verschillende samenstelling en breedte stroomt. Uitg. d. d. Kon. Ak. v. Wet. Amst. 1887.
17)Not. Verg. Kon. Inst. v. Ingenieurs. 13 Sept. 1887.
Not. Verg. Kon. Inst. v. Ingenieurs. 13 Sept. 1887.
18)Nota's der Zuiderzee-Vereeniging I en VIII. Bijl. 2.
Nota's der Zuiderzee-Vereeniging I en VIII. Bijl. 2.
19)Zie de Nota van het lid der StaatscommissieJ. W. Welckerals Bijlage bij het Verslag dier Commissie.
Zie de Nota van het lid der StaatscommissieJ. W. Welckerals Bijlage bij het Verslag dier Commissie.
20)Zie „Weerlegging van bezwaren”, bl.123.
Zie „Weerlegging van bezwaren”, bl.123.
21)Ald., bl.118 e. v.
Ald., bl.118 e. v.
22)Uitgave v. d. Zuiderzee-Vereeniging. Leiden 1911.
Uitgave v. d. Zuiderzee-Vereeniging. Leiden 1911.
Internationale beteekenis van Nederland verhoogd.
Door de vergrooting van het grondgebied van een staat met een gansche provincie, bestaande uit zeer vruchtbare gronden, wordt de beteekenis van dien staat belangrijk verhoogd.
Wel wordt met zulk een annexatie als hier bedoeld geen nieuwe bevolking onmiddellijk ingelijfd, maar de uitbreiding der bestaansmiddelen, die vele duizenden tot welvaart zal voeren, brengt mede een betrekkelijk sneller toename der oude bevolking.
Aard der gronden.
Die vermeerdering van beteekenis hangt echter voor een groot gedeelte af van den aard van den aangewonnen grond. En daaromtrent behoeft geen twijfel te bestaan.
Een groot aantalgrondboringenzijn verricht. Voor het planBeijerinckwerden in 1866 in het zuidelijk deel reeds 134 grondboringen gedaan; deze werden voor het Regeeringsontwerp in 1875 nog met 271 vermeerderd. Tusschen Vollenhove, de noordpunt van Schokland en den Ketel deed de Staatscommissie van 1878 voor de verbetering van het Zwolsche Diep 102 boringen uitvoeren. In het Wieringermeer zijn in 1869 grondboringen verricht23); bovendien zijn er daar in 1880 nog 120 gedaan. Op de Wadden t. Z. van Ameland zijn blijkens het Verslag v. Commissarissen derMaatschappij tot landaanwinning op de Friesche Wadden in 1879 280 boringen verricht; in 1889 is daar door den HeerLelyeen nader onderzoek gedaan. Toen moesten nog over ruim de helft der Zuiderzee-oppervlakte (met inbegrip der Wadden) boringen plaats hebben, die in 1889 en 1890 door de Zuiderzee-Vereeniging ten getale van 2128 zijn uitgevoerd.
Binnen den ontworpen afsluitdijk vallen 1049 van genoemde boringen.
Het onderzoek der grondmonsters in het zuidelijk gedeelte is indertijd gedaan door Prof.van Bemmelenen de uitkomsten zijn meegedeeld in zijn rapport, overgelegd als Bijlage N bij het Regeeringsontwerp van 1877.
Prof.van Bemmelenwas van oordeel, „dat de kleigronden van de Zuiderzee” (klei tot 50 perc. zand) „in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de kleigronden der IJpolders en dat de lichte kleigronden” (50 à 70 perc. zand) „der Zuiderzee in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de gronden der Groninger noordelijke zeepolders”.
Prof.Mayer, Dir. v. h. Landbouwproefstation te Wageningen, onderzocht de grondsoorten na de laatste boringen van 1890 en kwam op grond daarvan en van het onderzoek van Prof.van Bemmelentot het besluit: „dat minstens ¾ van de gronden der toekomstige polders zal zijn bouwgrond van groote waarde en slechts een ondergeschikt gedeelte van geen onmiddellijke waarde”.24)
Bij deze uitspraak werd echter het zand als „van geen onmiddellijke waarde” beschouwd. Maar nu, 25 jaar later, weten wij dat ook vele zandgronden bij een goede behandeling en bemesting wel degelijk een belangrijk voortbrengingsvermogenvermogen kunnen hebben, vooral als zij laag genoeg liggen ten opzichte van den algemeenen waterstand om tot grasland te worden gemaakt. Zand werd hier genoemd alle zandgrond die uit meer dan 90 percent zand bestaat; het bevat dus nog kleideeltjes die tot de vruchtbaarheid er van bijdragen.
Wat de geologische gesteldheid der nieuwe gronden betreft kan men dus gerust zijn.
Intusschen hangt de vruchtbaarheid niet alleen van de geaardheid der gronden zelve af, maar ook van eengoede afwateringen, in droge tijden, van eenvoldoende wateraanvulling.
De nieuwe gronden moeten flink diep „uit het water gehaald” kunnen worden, m. a. w. het polderwater moet op voldoend laag peil kunnen gebracht worden enspoediggebracht kunnen worden, ook bij sterken regenval.