VIIGEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.„We must not fall into the error of supposingthat the early progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any existing ape or monkey.”1Darwin.Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zekerniet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt voorgezet. En dat is ’t, wat ten slotte het wetenschappelijk onderzoek in discrediet zou brengen.In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren,ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als „primaten,” als „eerste onder de levende wezens,” in een zelfde orde vereenigd. In den tijd vanLinnaeuspaste deze voorstelling geheel en al in den kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken. „Simia quam similis, turpissima bestia, nobis” schreefEnnius2.Galenusbestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische daad, toenVesaliusbeweren dorst, datGalenusgefeild had in dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand; „ik moet bekennen,” schreefBuffon, „dat als men slechts op den vorm van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden.”De la Mettriehoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen het spreken en goede manieren te leeren,Lord Monboddoleerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt,Huxleystelde als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de theorieën vanDe Lamarck,Vizeyde opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijnniet vrij te maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgensMelchers(1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea’s, de rondhoofdige alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs met de gibbons verwantschap zouden bezitten.Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.Iets dergelijks zegt de doorKlaatschin de laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.DoorDarwinis, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende aapsoorten,—en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen—nauwkeurig bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren),en vooral met zijn zoo verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde wet vanDollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andereviervoetigedieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het achterstegedeelte van den romp droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter van de tanden en kiezen,sluit elke gedachte aan een afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder elkaar geplaatst.Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroegin de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het eindevan het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de schedels van eenmenschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling (links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van terzijde gezien. VolgensKollmann.Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de dierenwereld aannemen,—en dat hebben wij juist als punt van uitgang aangenomen—dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op dezevraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een „homo novus,” een „parvenu” (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraandan een of andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen komen.In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in vroegere tijdentusschen Amerika en Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo’s, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen inzeer sterke mate dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam „eoanthropus,” „het wezen, staande aan den dageraad der menschwording,” voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk, Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor vanWilser,Schwalbeen zijn volgers hem als een andere menschensoort, den homo primigenius, den „eerstgeboren” mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, vanoudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is alsDuboismeende, doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstukvan de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus—eoanthropus—homo heidelbergensis—mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat zij zoo geloopenheeft, wordt er niet door bewezen.Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet in heteinde, doch reeds in hetbeginder tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo’s, Lappen, enz., zich duizendenen duizenden jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft plaats gevonden.Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde „mutatie-periode” gerakende plantensoorten. Met „vrij snel” bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren, met „rassen” (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van „hominiden,” (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand biedenaan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeeltevan den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het „negroide” type vanVerneauin de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen Tunis—Sicilië—Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de „solutréen” periode en het magdalenium met zijn prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwecultuur, die van het neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het Zuid-Oosten aan.Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft,doch die door de eigenaardige wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde „pygmeeën” een groote waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgensKollmannnu ook voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam „pygmeeën,” dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het alleen maar uit het titelvignet vanStanley’sinDarkestAfrica) de dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka’s, de wedda’s, de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen volgensKollmann’sopvatting een sterk verspreid, op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in oude tijden, zelfs in den voorhistorischentijd, zijn pygmeeën bekend geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de gebroedersSarasinzijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgensKollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt, vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.Dit brengtKollmannnu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soortvan atavisme, van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote hersenmassa. Waar juist zij, volgensKollmann, den oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de voorstelling vanKollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgensKollmannook de verschillende vormen van het Neanderdalras met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van waarheid, doch zij wordt doorKollmanntot het absurde doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaamten naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering vanKollmann, dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, „aapachtige” kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch samengaanen die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.Ook is de geheele voorstelling vanKollmann, volgens welke de pygmeeën de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met de „Kümmerrassen,” die wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.Zoo heeft dus de voorstelling vanKollmannweinig waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een „voorpoot,” langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig werd, zich ophief, verloorhet hart in dezen nieuwen stand zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de „voormensch” zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken van een „paradijsachtigen oertoestand,” waarin de voormenschen moeten hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest scherpte,zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken, enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk lichaam te onderzoeken.1Ziehierachter.↑2Ziehierachter.↑
VIIGEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.„We must not fall into the error of supposingthat the early progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any existing ape or monkey.”1Darwin.Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zekerniet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt voorgezet. En dat is ’t, wat ten slotte het wetenschappelijk onderzoek in discrediet zou brengen.In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren,ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als „primaten,” als „eerste onder de levende wezens,” in een zelfde orde vereenigd. In den tijd vanLinnaeuspaste deze voorstelling geheel en al in den kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken. „Simia quam similis, turpissima bestia, nobis” schreefEnnius2.Galenusbestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische daad, toenVesaliusbeweren dorst, datGalenusgefeild had in dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand; „ik moet bekennen,” schreefBuffon, „dat als men slechts op den vorm van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden.”De la Mettriehoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen het spreken en goede manieren te leeren,Lord Monboddoleerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt,Huxleystelde als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de theorieën vanDe Lamarck,Vizeyde opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijnniet vrij te maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgensMelchers(1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea’s, de rondhoofdige alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs met de gibbons verwantschap zouden bezitten.Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.Iets dergelijks zegt de doorKlaatschin de laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.DoorDarwinis, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende aapsoorten,—en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen—nauwkeurig bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren),en vooral met zijn zoo verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde wet vanDollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andereviervoetigedieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het achterstegedeelte van den romp droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter van de tanden en kiezen,sluit elke gedachte aan een afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder elkaar geplaatst.Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroegin de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het eindevan het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de schedels van eenmenschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling (links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van terzijde gezien. VolgensKollmann.Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de dierenwereld aannemen,—en dat hebben wij juist als punt van uitgang aangenomen—dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op dezevraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een „homo novus,” een „parvenu” (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraandan een of andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen komen.In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in vroegere tijdentusschen Amerika en Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo’s, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen inzeer sterke mate dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam „eoanthropus,” „het wezen, staande aan den dageraad der menschwording,” voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk, Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor vanWilser,Schwalbeen zijn volgers hem als een andere menschensoort, den homo primigenius, den „eerstgeboren” mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, vanoudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is alsDuboismeende, doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstukvan de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus—eoanthropus—homo heidelbergensis—mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat zij zoo geloopenheeft, wordt er niet door bewezen.Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet in heteinde, doch reeds in hetbeginder tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo’s, Lappen, enz., zich duizendenen duizenden jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft plaats gevonden.Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde „mutatie-periode” gerakende plantensoorten. Met „vrij snel” bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren, met „rassen” (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van „hominiden,” (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand biedenaan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeeltevan den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het „negroide” type vanVerneauin de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen Tunis—Sicilië—Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de „solutréen” periode en het magdalenium met zijn prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwecultuur, die van het neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het Zuid-Oosten aan.Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft,doch die door de eigenaardige wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde „pygmeeën” een groote waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgensKollmannnu ook voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam „pygmeeën,” dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het alleen maar uit het titelvignet vanStanley’sinDarkestAfrica) de dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka’s, de wedda’s, de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen volgensKollmann’sopvatting een sterk verspreid, op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in oude tijden, zelfs in den voorhistorischentijd, zijn pygmeeën bekend geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de gebroedersSarasinzijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgensKollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt, vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.Dit brengtKollmannnu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soortvan atavisme, van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote hersenmassa. Waar juist zij, volgensKollmann, den oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de voorstelling vanKollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgensKollmannook de verschillende vormen van het Neanderdalras met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van waarheid, doch zij wordt doorKollmanntot het absurde doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaamten naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering vanKollmann, dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, „aapachtige” kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch samengaanen die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.Ook is de geheele voorstelling vanKollmann, volgens welke de pygmeeën de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met de „Kümmerrassen,” die wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.Zoo heeft dus de voorstelling vanKollmannweinig waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een „voorpoot,” langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig werd, zich ophief, verloorhet hart in dezen nieuwen stand zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de „voormensch” zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken van een „paradijsachtigen oertoestand,” waarin de voormenschen moeten hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest scherpte,zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken, enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk lichaam te onderzoeken.1Ziehierachter.↑2Ziehierachter.↑
VIIGEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.„We must not fall into the error of supposingthat the early progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any existing ape or monkey.”1Darwin.
„We must not fall into the error of supposingthat the early progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any existing ape or monkey.”1Darwin.
„We must not fall into the error of supposingthat the early progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any existing ape or monkey.”1
Darwin.
Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zekerniet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt voorgezet. En dat is ’t, wat ten slotte het wetenschappelijk onderzoek in discrediet zou brengen.In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren,ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als „primaten,” als „eerste onder de levende wezens,” in een zelfde orde vereenigd. In den tijd vanLinnaeuspaste deze voorstelling geheel en al in den kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken. „Simia quam similis, turpissima bestia, nobis” schreefEnnius2.Galenusbestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische daad, toenVesaliusbeweren dorst, datGalenusgefeild had in dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand; „ik moet bekennen,” schreefBuffon, „dat als men slechts op den vorm van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden.”De la Mettriehoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen het spreken en goede manieren te leeren,Lord Monboddoleerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt,Huxleystelde als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de theorieën vanDe Lamarck,Vizeyde opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijnniet vrij te maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgensMelchers(1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea’s, de rondhoofdige alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs met de gibbons verwantschap zouden bezitten.Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.Iets dergelijks zegt de doorKlaatschin de laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.DoorDarwinis, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende aapsoorten,—en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen—nauwkeurig bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren),en vooral met zijn zoo verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde wet vanDollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andereviervoetigedieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het achterstegedeelte van den romp droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter van de tanden en kiezen,sluit elke gedachte aan een afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder elkaar geplaatst.Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroegin de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het eindevan het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de schedels van eenmenschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling (links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van terzijde gezien. VolgensKollmann.Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de dierenwereld aannemen,—en dat hebben wij juist als punt van uitgang aangenomen—dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op dezevraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een „homo novus,” een „parvenu” (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraandan een of andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen komen.In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in vroegere tijdentusschen Amerika en Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo’s, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen inzeer sterke mate dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam „eoanthropus,” „het wezen, staande aan den dageraad der menschwording,” voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk, Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor vanWilser,Schwalbeen zijn volgers hem als een andere menschensoort, den homo primigenius, den „eerstgeboren” mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, vanoudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is alsDuboismeende, doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstukvan de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus—eoanthropus—homo heidelbergensis—mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat zij zoo geloopenheeft, wordt er niet door bewezen.Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet in heteinde, doch reeds in hetbeginder tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo’s, Lappen, enz., zich duizendenen duizenden jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft plaats gevonden.Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde „mutatie-periode” gerakende plantensoorten. Met „vrij snel” bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren, met „rassen” (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van „hominiden,” (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand biedenaan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeeltevan den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het „negroide” type vanVerneauin de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen Tunis—Sicilië—Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de „solutréen” periode en het magdalenium met zijn prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwecultuur, die van het neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het Zuid-Oosten aan.Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft,doch die door de eigenaardige wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde „pygmeeën” een groote waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgensKollmannnu ook voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam „pygmeeën,” dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het alleen maar uit het titelvignet vanStanley’sinDarkestAfrica) de dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka’s, de wedda’s, de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen volgensKollmann’sopvatting een sterk verspreid, op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in oude tijden, zelfs in den voorhistorischentijd, zijn pygmeeën bekend geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de gebroedersSarasinzijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgensKollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt, vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.Dit brengtKollmannnu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soortvan atavisme, van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote hersenmassa. Waar juist zij, volgensKollmann, den oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de voorstelling vanKollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgensKollmannook de verschillende vormen van het Neanderdalras met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van waarheid, doch zij wordt doorKollmanntot het absurde doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaamten naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering vanKollmann, dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, „aapachtige” kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch samengaanen die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.Ook is de geheele voorstelling vanKollmann, volgens welke de pygmeeën de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met de „Kümmerrassen,” die wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.Zoo heeft dus de voorstelling vanKollmannweinig waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een „voorpoot,” langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig werd, zich ophief, verloorhet hart in dezen nieuwen stand zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de „voormensch” zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken van een „paradijsachtigen oertoestand,” waarin de voormenschen moeten hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest scherpte,zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken, enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk lichaam te onderzoeken.
Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zekerniet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt voorgezet. En dat is ’t, wat ten slotte het wetenschappelijk onderzoek in discrediet zou brengen.
In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.
Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren,ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als „primaten,” als „eerste onder de levende wezens,” in een zelfde orde vereenigd. In den tijd vanLinnaeuspaste deze voorstelling geheel en al in den kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken. „Simia quam similis, turpissima bestia, nobis” schreefEnnius2.Galenusbestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische daad, toenVesaliusbeweren dorst, datGalenusgefeild had in dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand; „ik moet bekennen,” schreefBuffon, „dat als men slechts op den vorm van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden.”De la Mettriehoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen het spreken en goede manieren te leeren,Lord Monboddoleerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt,Huxleystelde als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de theorieën vanDe Lamarck,Vizeyde opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.
Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijnniet vrij te maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.
Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?
Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgensMelchers(1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea’s, de rondhoofdige alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs met de gibbons verwantschap zouden bezitten.
Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.
Iets dergelijks zegt de doorKlaatschin de laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.
Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.
DoorDarwinis, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.
Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende aapsoorten,—en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen—nauwkeurig bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren),en vooral met zijn zoo verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.
Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde wet vanDollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andereviervoetigedieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het achterstegedeelte van den romp droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.
Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.
Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter van de tanden en kiezen,sluit elke gedachte aan een afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.
Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.
Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder elkaar geplaatst.
Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder elkaar geplaatst.
Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroegin de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het eindevan het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de schedels van eenmenschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.
Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling (links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van terzijde gezien. VolgensKollmann.
Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling (links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van terzijde gezien. VolgensKollmann.
Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de dierenwereld aannemen,—en dat hebben wij juist als punt van uitgang aangenomen—dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op dezevraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een „homo novus,” een „parvenu” (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.
Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraandan een of andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen komen.
In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.
Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in vroegere tijdentusschen Amerika en Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo’s, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.
Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.
Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen inzeer sterke mate dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam „eoanthropus,” „het wezen, staande aan den dageraad der menschwording,” voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk, Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor vanWilser,Schwalbeen zijn volgers hem als een andere menschensoort, den homo primigenius, den „eerstgeboren” mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, vanoudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!
Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is alsDuboismeende, doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?
Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstukvan de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus—eoanthropus—homo heidelbergensis—mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat zij zoo geloopenheeft, wordt er niet door bewezen.
Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet in heteinde, doch reeds in hetbeginder tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.
Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo’s, Lappen, enz., zich duizendenen duizenden jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft plaats gevonden.
Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde „mutatie-periode” gerakende plantensoorten. Met „vrij snel” bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren, met „rassen” (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van „hominiden,” (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand biedenaan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeeltevan den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het „negroide” type vanVerneauin de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen Tunis—Sicilië—Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.
Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de „solutréen” periode en het magdalenium met zijn prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.
Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwecultuur, die van het neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het Zuid-Oosten aan.
Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.
Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft,doch die door de eigenaardige wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.
Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde „pygmeeën” een groote waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.
Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgensKollmannnu ook voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam „pygmeeën,” dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het alleen maar uit het titelvignet vanStanley’sinDarkestAfrica) de dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka’s, de wedda’s, de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen volgensKollmann’sopvatting een sterk verspreid, op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in oude tijden, zelfs in den voorhistorischentijd, zijn pygmeeën bekend geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de gebroedersSarasinzijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgensKollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt, vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.
Dit brengtKollmannnu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soortvan atavisme, van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.
Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote hersenmassa. Waar juist zij, volgensKollmann, den oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de voorstelling vanKollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgensKollmannook de verschillende vormen van het Neanderdalras met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.
In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van waarheid, doch zij wordt doorKollmanntot het absurde doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaamten naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering vanKollmann, dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, „aapachtige” kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch samengaanen die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.
Ook is de geheele voorstelling vanKollmann, volgens welke de pygmeeën de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met de „Kümmerrassen,” die wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.
Zoo heeft dus de voorstelling vanKollmannweinig waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.
Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.
Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een „voorpoot,” langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.
Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig werd, zich ophief, verloorhet hart in dezen nieuwen stand zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.
Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.
Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de „voormensch” zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken van een „paradijsachtigen oertoestand,” waarin de voormenschen moeten hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest scherpte,zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken, enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk lichaam te onderzoeken.
1Ziehierachter.↑2Ziehierachter.↑
1Ziehierachter.↑2Ziehierachter.↑
1Ziehierachter.↑
2Ziehierachter.↑