Chapter 3

1Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bijRajaClavataalleen aan het wijfje eigen zijn.↑2„The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.↑3Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.↑4Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.↑5Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.↑6„The Field”,29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of SalmonFishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.↑7Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.↑8„The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.↑9„Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.↑10Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.↑11Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.↑12Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.↑13„Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.↑14„Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.↑15Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen vanCentraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.↑16Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.↑17Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.↑18F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.↑19Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.↑20Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.↑21Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.↑22W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.↑23„The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.↑24„Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.↑25„Nature”, Mei 1873, blz. 25.↑26„Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.↑27Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.↑28Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht.Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”↑29„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.↑30„IndianCyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,„Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.↑31„Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.↑32Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.↑33Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.↑34Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.↑35Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van denGasterosteus leiurusdoor den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.↑36Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.↑37Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.↑38Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.↑39De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.↑40„Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,[21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.↑41Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.↑42Bell, ibid., blz. 146, 151.↑43„Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz.49.↑44„The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.↑45Alleen het mannetje vanBufo sikimmensis(Dr. Anderson,„Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.↑46„The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.↑47Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.↑48J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.↑49Bell, ibid., blz. 112–114.↑50Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.↑51„Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.↑52Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑53Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.↑54Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.↑55Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.↑56Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑57De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,„Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.↑58„Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.↑59Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.↑60„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.↑61Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.↑62„The American Naturalist”, 1873, blz. 85.↑63De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.↑64Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte vanCophotis,SitanaenDraco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte vanCeratophorazijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”,Roy. Soc.,1864, blz. 122, 130, 135.↑65Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.↑66Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.↑67OmtrentProctotretuszie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den IndischenCalotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.↑

1Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bijRajaClavataalleen aan het wijfje eigen zijn.↑2„The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.↑3Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.↑4Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.↑5Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.↑6„The Field”,29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of SalmonFishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.↑7Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.↑8„The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.↑9„Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.↑10Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.↑11Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.↑12Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.↑13„Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.↑14„Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.↑15Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen vanCentraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.↑16Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.↑17Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.↑18F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.↑19Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.↑20Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.↑21Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.↑22W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.↑23„The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.↑24„Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.↑25„Nature”, Mei 1873, blz. 25.↑26„Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.↑27Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.↑28Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht.Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”↑29„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.↑30„IndianCyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,„Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.↑31„Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.↑32Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.↑33Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.↑34Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.↑35Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van denGasterosteus leiurusdoor den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.↑36Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.↑37Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.↑38Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.↑39De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.↑40„Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,[21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.↑41Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.↑42Bell, ibid., blz. 146, 151.↑43„Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz.49.↑44„The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.↑45Alleen het mannetje vanBufo sikimmensis(Dr. Anderson,„Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.↑46„The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.↑47Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.↑48J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.↑49Bell, ibid., blz. 112–114.↑50Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.↑51„Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.↑52Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑53Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.↑54Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.↑55Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.↑56Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑57De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,„Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.↑58„Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.↑59Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.↑60„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.↑61Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.↑62„The American Naturalist”, 1873, blz. 85.↑63De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.↑64Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte vanCophotis,SitanaenDraco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte vanCeratophorazijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”,Roy. Soc.,1864, blz. 122, 130, 135.↑65Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.↑66Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.↑67OmtrentProctotretuszie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den IndischenCalotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.↑

1Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bijRajaClavataalleen aan het wijfje eigen zijn.↑2„The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.↑3Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.↑4Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.↑5Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.↑6„The Field”,29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of SalmonFishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.↑7Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.↑8„The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.↑9„Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.↑10Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.↑11Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.↑12Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.↑13„Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.↑14„Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.↑15Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen vanCentraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.↑16Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.↑17Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.↑18F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.↑19Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.↑20Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.↑21Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.↑22W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.↑23„The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.↑24„Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.↑25„Nature”, Mei 1873, blz. 25.↑26„Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.↑27Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.↑28Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht.Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”↑29„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.↑30„IndianCyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,„Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.↑31„Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.↑32Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.↑33Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.↑34Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.↑35Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van denGasterosteus leiurusdoor den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.↑36Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.↑37Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.↑38Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.↑39De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.↑40„Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,[21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.↑41Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.↑42Bell, ibid., blz. 146, 151.↑43„Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz.49.↑44„The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.↑45Alleen het mannetje vanBufo sikimmensis(Dr. Anderson,„Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.↑46„The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.↑47Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.↑48J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.↑49Bell, ibid., blz. 112–114.↑50Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.↑51„Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.↑52Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑53Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.↑54Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.↑55Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.↑56Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑57De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,„Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.↑58„Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.↑59Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.↑60„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.↑61Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.↑62„The American Naturalist”, 1873, blz. 85.↑63De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.↑64Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte vanCophotis,SitanaenDraco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte vanCeratophorazijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”,Roy. Soc.,1864, blz. 122, 130, 135.↑65Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.↑66Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.↑67OmtrentProctotretuszie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den IndischenCalotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.↑

1Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bijRajaClavataalleen aan het wijfje eigen zijn.↑2„The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.↑3Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.↑4Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.↑5Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.↑6„The Field”,29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of SalmonFishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.↑7Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.↑8„The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.↑9„Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.↑10Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.↑11Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.↑12Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.↑13„Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.↑14„Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.↑15Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen vanCentraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.↑16Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.↑17Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.↑18F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.↑19Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.↑20Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.↑21Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.↑22W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.↑23„The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.↑24„Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.↑25„Nature”, Mei 1873, blz. 25.↑26„Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.↑27Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.↑28Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht.Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”↑29„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.↑30„IndianCyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,„Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.↑31„Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.↑32Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.↑33Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.↑34Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.↑35Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van denGasterosteus leiurusdoor den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.↑36Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.↑37Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.↑38Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.↑39De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.↑40„Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,[21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.↑41Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.↑42Bell, ibid., blz. 146, 151.↑43„Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz.49.↑44„The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.↑45Alleen het mannetje vanBufo sikimmensis(Dr. Anderson,„Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.↑46„The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.↑47Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.↑48J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.↑49Bell, ibid., blz. 112–114.↑50Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.↑51„Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.↑52Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑53Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.↑54Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.↑55Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.↑56Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑57De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,„Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.↑58„Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.↑59Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.↑60„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.↑61Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.↑62„The American Naturalist”, 1873, blz. 85.↑63De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.↑64Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte vanCophotis,SitanaenDraco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte vanCeratophorazijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”,Roy. Soc.,1864, blz. 122, 130, 135.↑65Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.↑66Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.↑67OmtrentProctotretuszie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den IndischenCalotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.↑

1Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bijRajaClavataalleen aan het wijfje eigen zijn.↑

1Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bijRajaClavataalleen aan het wijfje eigen zijn.↑

2„The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.↑

2„The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.↑

3Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.↑

3Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.↑

4Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.↑

4Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.↑

5Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.↑

5Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.↑

6„The Field”,29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of SalmonFishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.↑

6„The Field”,29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of SalmonFishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.↑

7Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.↑

7Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.↑

8„The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.↑

8„The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.↑

9„Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.↑

9„Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.↑

10Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.↑

10Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.↑

11Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.↑

11Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.↑

12Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.↑

12Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.↑

13„Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.↑

13„Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.↑

14„Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.↑

14„Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.↑

15Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen vanCentraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.↑

15Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen vanCentraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.↑

16Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.↑

16Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.↑

17Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.↑

17Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.↑

18F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.↑

18F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.↑

19Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.↑

19Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.↑

20Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.↑

20Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.↑

21Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.↑

21Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.↑

22W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.↑

22W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.↑

23„The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.↑

23„The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.↑

24„Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.↑

24„Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.↑

25„Nature”, Mei 1873, blz. 25.↑

25„Nature”, Mei 1873, blz. 25.↑

26„Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.↑

26„Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.↑

27Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.↑

27Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.↑

28Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht.Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”↑

28Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht.Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”↑

29„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.↑

29„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.↑

30„IndianCyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,„Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.↑

30„IndianCyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,„Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.↑

31„Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.↑

31„Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.↑

32Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.↑

32Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.↑

33Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.↑

33Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.↑

34Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.↑

34Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.↑

35Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van denGasterosteus leiurusdoor den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.↑

35Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van denGasterosteus leiurusdoor den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.↑

36Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.↑

36Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.↑

37Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.↑

37Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.↑

38Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.↑

38Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.↑

39De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.↑

39De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.↑

40„Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,[21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.↑

40„Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,[21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.↑

41Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.↑

41Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.↑

42Bell, ibid., blz. 146, 151.↑

42Bell, ibid., blz. 146, 151.↑

43„Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz.49.↑

43„Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz.49.↑

44„The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.↑

44„The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.↑

45Alleen het mannetje vanBufo sikimmensis(Dr. Anderson,„Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.↑

45Alleen het mannetje vanBufo sikimmensis(Dr. Anderson,„Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.↑

46„The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.↑

46„The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.↑

47Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.↑

47Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.↑

48J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.↑

48J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.↑

49Bell, ibid., blz. 112–114.↑

49Bell, ibid., blz. 112–114.↑

50Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.↑

50Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.↑

51„Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.↑

51„Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.↑

52Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑

52Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑

53Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.↑

53Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.↑

54Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.↑

54Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.↑

55Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.↑

55Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.↑

56Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑

56Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.↑

57De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,„Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.↑

57De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,„Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.↑

58„Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.↑

58„Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.↑

59Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.↑

59Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.↑

60„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.↑

60„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.↑

61Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.↑

61Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.↑

62„The American Naturalist”, 1873, blz. 85.↑

62„The American Naturalist”, 1873, blz. 85.↑

63De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.↑

63De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.↑

64Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte vanCophotis,SitanaenDraco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte vanCeratophorazijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”,Roy. Soc.,1864, blz. 122, 130, 135.↑

64Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte vanCophotis,SitanaenDraco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte vanCeratophorazijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”,Roy. Soc.,1864, blz. 122, 130, 135.↑

65Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.↑

65Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.↑

66Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.↑

66Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.↑

67OmtrentProctotretuszie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den IndischenCalotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.↑

67OmtrentProctotretuszie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den IndischenCalotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.↑


Back to IndexNext