Chapter 8

1„Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.↑2Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.↑3Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 29.↑4Gould, ibid., blz. 52.↑5W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.↑6Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.↑7Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.↑8Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.↑9„Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.↑10Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.↑11De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.↑12Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.↑13Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.↑14Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.↑15Jerdon, „Birds of India”, omtrentIthaginis, vol. III, blz. 523; omtrentGalloperdix, blz. 541.↑16Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. OmtrentPlectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. OmtrentPalamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.↑17Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug.[47]1868, blz. 46. Ten opzichte vanLobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent denHoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.↑18Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.↑19De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.↑20Richardson, overTetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.↑21„Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.↑22Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.↑23„Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.↑24Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrentTetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.↑25„Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.↑26The Hon. Daines Barrington,„Philosoph.Transact.”, 1773, blz. 252.↑27„Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.↑28„Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heerHarrisonWeir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat demannetjesdie het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”↑29„Philosophical Transactions”, 1773, blz.263. White’s „NaturalHistory of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.↑30„Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.↑31De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.↑32D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.↑33Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.↑34L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.↑35Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.↑36Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.↑37Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.↑38Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.↑39Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.↑40Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 22.↑41„The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.↑42Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.↑43De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”,1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.↑44Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.↑45Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.↑46De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.↑47„Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.↑48C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.↑49L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz.22, 81.↑50Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.↑51Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.↑52Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.↑53De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen vanChamaepetesen wegens andere inlichtingen.↑54Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.↑55Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.↑56Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”,1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.↑57„The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.↑58OmtrentTetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent deCathartesenArdea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch,Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.↑59Gould, „Handbook to the Birds ofAustralia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.↑60Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681.↑61De heerMonteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.↑62„Land and Water”, 1868, blz. 217.↑63„Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.↑64Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.↑65Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.↑66Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.↑67Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.↑68Zie mijn werk over „Het VarieerenderHuisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.↑69Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.”↑70Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.↑71De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.↑72„Land and Water”, 1867, blz. 394.↑73De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.↑74„Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14.↑75Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125.↑76Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent deGlareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrentTotanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33.↑77Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien vanAnthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32.↑78Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing vanHerodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. OmtrentGallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.↑79Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243.↑80Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in„Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over deFringilla cannabinavan Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.↑81Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8.↑82„Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.↑83„Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.↑84„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326.↑85De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant,Ph. versicolor.↑86„The Reign of Law”, 1867, blz. 203.↑87Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.↑88„Birds of India”, vol. II, blz. 96.↑89Omtrent denCosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.:Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.↑90Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.↑91Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.↑

1„Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.↑2Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.↑3Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 29.↑4Gould, ibid., blz. 52.↑5W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.↑6Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.↑7Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.↑8Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.↑9„Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.↑10Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.↑11De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.↑12Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.↑13Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.↑14Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.↑15Jerdon, „Birds of India”, omtrentIthaginis, vol. III, blz. 523; omtrentGalloperdix, blz. 541.↑16Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. OmtrentPlectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. OmtrentPalamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.↑17Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug.[47]1868, blz. 46. Ten opzichte vanLobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent denHoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.↑18Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.↑19De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.↑20Richardson, overTetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.↑21„Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.↑22Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.↑23„Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.↑24Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrentTetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.↑25„Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.↑26The Hon. Daines Barrington,„Philosoph.Transact.”, 1773, blz. 252.↑27„Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.↑28„Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heerHarrisonWeir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat demannetjesdie het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”↑29„Philosophical Transactions”, 1773, blz.263. White’s „NaturalHistory of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.↑30„Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.↑31De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.↑32D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.↑33Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.↑34L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.↑35Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.↑36Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.↑37Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.↑38Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.↑39Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.↑40Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 22.↑41„The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.↑42Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.↑43De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”,1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.↑44Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.↑45Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.↑46De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.↑47„Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.↑48C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.↑49L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz.22, 81.↑50Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.↑51Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.↑52Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.↑53De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen vanChamaepetesen wegens andere inlichtingen.↑54Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.↑55Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.↑56Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”,1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.↑57„The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.↑58OmtrentTetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent deCathartesenArdea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch,Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.↑59Gould, „Handbook to the Birds ofAustralia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.↑60Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681.↑61De heerMonteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.↑62„Land and Water”, 1868, blz. 217.↑63„Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.↑64Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.↑65Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.↑66Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.↑67Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.↑68Zie mijn werk over „Het VarieerenderHuisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.↑69Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.”↑70Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.↑71De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.↑72„Land and Water”, 1867, blz. 394.↑73De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.↑74„Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14.↑75Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125.↑76Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent deGlareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrentTotanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33.↑77Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien vanAnthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32.↑78Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing vanHerodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. OmtrentGallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.↑79Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243.↑80Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in„Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over deFringilla cannabinavan Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.↑81Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8.↑82„Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.↑83„Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.↑84„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326.↑85De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant,Ph. versicolor.↑86„The Reign of Law”, 1867, blz. 203.↑87Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.↑88„Birds of India”, vol. II, blz. 96.↑89Omtrent denCosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.:Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.↑90Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.↑91Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.↑

1„Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.↑2Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.↑3Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 29.↑4Gould, ibid., blz. 52.↑5W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.↑6Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.↑7Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.↑8Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.↑9„Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.↑10Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.↑11De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.↑12Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.↑13Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.↑14Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.↑15Jerdon, „Birds of India”, omtrentIthaginis, vol. III, blz. 523; omtrentGalloperdix, blz. 541.↑16Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. OmtrentPlectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. OmtrentPalamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.↑17Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug.[47]1868, blz. 46. Ten opzichte vanLobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent denHoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.↑18Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.↑19De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.↑20Richardson, overTetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.↑21„Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.↑22Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.↑23„Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.↑24Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrentTetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.↑25„Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.↑26The Hon. Daines Barrington,„Philosoph.Transact.”, 1773, blz. 252.↑27„Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.↑28„Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heerHarrisonWeir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat demannetjesdie het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”↑29„Philosophical Transactions”, 1773, blz.263. White’s „NaturalHistory of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.↑30„Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.↑31De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.↑32D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.↑33Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.↑34L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.↑35Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.↑36Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.↑37Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.↑38Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.↑39Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.↑40Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 22.↑41„The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.↑42Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.↑43De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”,1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.↑44Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.↑45Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.↑46De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.↑47„Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.↑48C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.↑49L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz.22, 81.↑50Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.↑51Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.↑52Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.↑53De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen vanChamaepetesen wegens andere inlichtingen.↑54Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.↑55Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.↑56Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”,1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.↑57„The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.↑58OmtrentTetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent deCathartesenArdea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch,Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.↑59Gould, „Handbook to the Birds ofAustralia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.↑60Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681.↑61De heerMonteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.↑62„Land and Water”, 1868, blz. 217.↑63„Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.↑64Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.↑65Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.↑66Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.↑67Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.↑68Zie mijn werk over „Het VarieerenderHuisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.↑69Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.”↑70Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.↑71De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.↑72„Land and Water”, 1867, blz. 394.↑73De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.↑74„Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14.↑75Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125.↑76Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent deGlareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrentTotanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33.↑77Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien vanAnthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32.↑78Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing vanHerodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. OmtrentGallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.↑79Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243.↑80Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in„Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over deFringilla cannabinavan Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.↑81Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8.↑82„Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.↑83„Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.↑84„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326.↑85De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant,Ph. versicolor.↑86„The Reign of Law”, 1867, blz. 203.↑87Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.↑88„Birds of India”, vol. II, blz. 96.↑89Omtrent denCosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.:Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.↑90Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.↑91Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.↑

1„Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.↑2Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.↑3Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 29.↑4Gould, ibid., blz. 52.↑5W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.↑6Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.↑7Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.↑8Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.↑9„Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.↑10Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.↑11De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.↑12Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.↑13Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.↑14Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.↑15Jerdon, „Birds of India”, omtrentIthaginis, vol. III, blz. 523; omtrentGalloperdix, blz. 541.↑16Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. OmtrentPlectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. OmtrentPalamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.↑17Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug.[47]1868, blz. 46. Ten opzichte vanLobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent denHoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.↑18Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.↑19De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.↑20Richardson, overTetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.↑21„Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.↑22Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.↑23„Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.↑24Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrentTetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.↑25„Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.↑26The Hon. Daines Barrington,„Philosoph.Transact.”, 1773, blz. 252.↑27„Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.↑28„Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heerHarrisonWeir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat demannetjesdie het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”↑29„Philosophical Transactions”, 1773, blz.263. White’s „NaturalHistory of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.↑30„Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.↑31De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.↑32D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.↑33Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.↑34L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.↑35Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.↑36Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.↑37Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.↑38Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.↑39Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.↑40Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 22.↑41„The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.↑42Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.↑43De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”,1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.↑44Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.↑45Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.↑46De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.↑47„Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.↑48C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.↑49L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz.22, 81.↑50Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.↑51Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.↑52Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.↑53De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen vanChamaepetesen wegens andere inlichtingen.↑54Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.↑55Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.↑56Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”,1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.↑57„The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.↑58OmtrentTetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent deCathartesenArdea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch,Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.↑59Gould, „Handbook to the Birds ofAustralia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.↑60Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681.↑61De heerMonteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.↑62„Land and Water”, 1868, blz. 217.↑63„Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.↑64Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.↑65Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.↑66Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.↑67Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.↑68Zie mijn werk over „Het VarieerenderHuisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.↑69Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.”↑70Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.↑71De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.↑72„Land and Water”, 1867, blz. 394.↑73De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.↑74„Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14.↑75Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125.↑76Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent deGlareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrentTotanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33.↑77Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien vanAnthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32.↑78Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing vanHerodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. OmtrentGallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.↑79Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243.↑80Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in„Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over deFringilla cannabinavan Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.↑81Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8.↑82„Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.↑83„Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.↑84„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326.↑85De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant,Ph. versicolor.↑86„The Reign of Law”, 1867, blz. 203.↑87Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.↑88„Birds of India”, vol. II, blz. 96.↑89Omtrent denCosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.:Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.↑90Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.↑91Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.↑

1„Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.↑

1„Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.↑

2Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.↑

2Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.↑

3Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 29.↑

3Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 29.↑

4Gould, ibid., blz. 52.↑

4Gould, ibid., blz. 52.↑

5W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.↑

5W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.↑

6Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.↑

6Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.↑

7Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.↑

7Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.↑

8Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.↑

8Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.↑

9„Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.↑

9„Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.↑

10Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.↑

10Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.↑

11De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.↑

11De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.↑

12Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.↑

12Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.↑

13Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.↑

13Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.↑

14Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.↑

14Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.↑

15Jerdon, „Birds of India”, omtrentIthaginis, vol. III, blz. 523; omtrentGalloperdix, blz. 541.↑

15Jerdon, „Birds of India”, omtrentIthaginis, vol. III, blz. 523; omtrentGalloperdix, blz. 541.↑

16Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. OmtrentPlectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. OmtrentPalamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.↑

16Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. OmtrentPlectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. OmtrentPalamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.↑

17Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug.[47]1868, blz. 46. Ten opzichte vanLobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent denHoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.↑

17Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug.[47]1868, blz. 46. Ten opzichte vanLobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent denHoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.↑

18Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.↑

18Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.↑

19De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.↑

19De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.↑

20Richardson, overTetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.↑

20Richardson, overTetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.↑

21„Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.↑

21„Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.↑

22Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.↑

22Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.↑

23„Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.↑

23„Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.↑

24Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrentTetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.↑

24Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrentTetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.↑

25„Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.↑

25„Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.↑

26The Hon. Daines Barrington,„Philosoph.Transact.”, 1773, blz. 252.↑

26The Hon. Daines Barrington,„Philosoph.Transact.”, 1773, blz. 252.↑

27„Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.↑

27„Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.↑

28„Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heerHarrisonWeir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat demannetjesdie het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”↑

28„Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heerHarrisonWeir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat demannetjesdie het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”↑

29„Philosophical Transactions”, 1773, blz.263. White’s „NaturalHistory of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.↑

29„Philosophical Transactions”, 1773, blz.263. White’s „NaturalHistory of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.↑

30„Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.↑

30„Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.↑

31De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.↑

31De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.↑

32D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.↑

32D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.↑

33Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.↑

33Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.↑

34L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.↑

34L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.↑

35Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.↑

35Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.↑

36Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.↑

36Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.↑

37Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.↑

37Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.↑

38Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.↑

38Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.↑

39Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.↑

39Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.↑

40Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 22.↑

40Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 22.↑

41„The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.↑

41„The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.↑

42Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.↑

42Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.↑

43De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”,1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.↑

43De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”,1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.↑

44Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.↑

44Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.↑

45Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.↑

45Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.↑

46De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.↑

46De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.↑

47„Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.↑

47„Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.↑

48C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.↑

48C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.↑

49L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz.22, 81.↑

49L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz.22, 81.↑

50Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.↑

50Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.↑

51Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.↑

51Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.↑

52Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.↑

52Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.↑

53De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen vanChamaepetesen wegens andere inlichtingen.↑

53De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen vanChamaepetesen wegens andere inlichtingen.↑

54Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.↑

54Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.↑

55Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.↑

55Gould, „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.↑

56Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”,1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.↑

56Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”,1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.↑

57„The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.↑

57„The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.↑

58OmtrentTetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent deCathartesenArdea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch,Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.↑

58OmtrentTetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent deCathartesenArdea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch,Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.↑

59Gould, „Handbook to the Birds ofAustralia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.↑

59Gould, „Handbook to the Birds ofAustralia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.↑

60Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681.↑

60Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681.↑

61De heerMonteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.↑

61De heerMonteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.↑

62„Land and Water”, 1868, blz. 217.↑

62„Land and Water”, 1868, blz. 217.↑

63„Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.↑

63„Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.↑

64Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.↑

64Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.↑

65Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.↑

65Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.↑

66Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.↑

66Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.↑

67Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.↑

67Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.↑

68Zie mijn werk over „Het VarieerenderHuisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.↑

68Zie mijn werk over „Het VarieerenderHuisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.↑

69Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.”↑

69Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.”↑

70Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.↑

70Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.↑

71De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.↑

71De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.↑

72„Land and Water”, 1867, blz. 394.↑

72„Land and Water”, 1867, blz. 394.↑

73De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.↑

73De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.↑

74„Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14.↑

74„Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14.↑

75Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125.↑

75Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125.↑

76Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent deGlareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrentTotanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33.↑

76Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent deGlareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrentTotanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33.↑

77Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien vanAnthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32.↑

77Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien vanAnthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32.↑

78Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing vanHerodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. OmtrentGallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.↑

78Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing vanHerodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. OmtrentGallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.↑

79Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243.↑

79Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243.↑

80Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in„Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over deFringilla cannabinavan Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.↑

80Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in„Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over deFringilla cannabinavan Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.↑

81Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8.↑

81Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8.↑

82„Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.↑

82„Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to theTrochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.↑

83„Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.↑

83„Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.↑

84„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326.↑

84„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326.↑

85De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant,Ph. versicolor.↑

85De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant,Ph. versicolor.↑

86„The Reign of Law”, 1867, blz. 203.↑

86„The Reign of Law”, 1867, blz. 203.↑

87Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.↑

87Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.↑

88„Birds of India”, vol. II, blz. 96.↑

88„Birds of India”, vol. II, blz. 96.↑

89Omtrent denCosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.:Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.↑

89Omtrent denCosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.:Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.↑

90Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.↑

90Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.↑

91Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.↑

91Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.↑


Back to IndexNext