[Inhoud]SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENINGop HOOFDSTUK XVII.over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van seksueele teeltkeus,door Dr. VAN DIJCK.Met een inleiding doorCHARLES DARWIN.(Vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings of the Zool. Soc.”, 1882, blz. 367.)De meeste natuuronderzoekers welke aannemen, dat natuurlijke teeltkeus een werkzame rol heeft gespeeld bij de vorming der soorten, nemen ook aan, dat de wapenen van mannelijke dieren het resultaat zijn van seksueele teeltkeus—dat is daarvan, dat de best gewapende mannetjes er in slaagden de meeste wijfjes te verkrijgen en hun voortreffelijkheid boven andere mannetjes op hun mannelijk kroost overplantten. Doch vele natuuronderzoekers betwijfelen, of ontkennen, dat vrouwelijke dieren ooit eenige keus uitoefenen, zoodanig, dat zij zekere mannetjes bij voorkeur boven andere uitkiezen. Het zou echter juister zijn te zeggen, dat de wijfjes in bijzondere mate worden opgewekt of aangetrokken door het uiterlijk, de stem enz. van zekere mannetjes, dan dat zij ze met overleg uitkozen. Het zal mij wellicht veroorloofd zijn, te zeggen, dat ik, na zorgvuldig, zoo goed ik kon, de verschillende bewijsgronden te hebben overwogen die tegen het beginsel der seksueele teeltkeus zijn ingebracht, vast overtuigd blijf van de waarheid daarvan. Het is echter waarschijnlijk, dat ik het te ver heb uitgestrekt, gelijk bij voorbeeld in het geval der vreemd gevormde horens en bovenkaken (mandibulae) van mannelijke bladsprietige kevers (Lamellicornia), welke onlangs met veel kennis zijn besproken door W. von Reichenau1, en[261]omtrent welke ik altijd eenigen twijfel heb gevoeld. Van den anderen kant schijnt mij de verklaring van de ontwikkeling dier horens, welke door genoemden entomoloog wordt gegeven, verre van voldoende.Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten; en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld.2De daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega”3steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de „Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay ontstaan.De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”Wat aantrekkelijkheden zijn, die een voordeel in de vrijage aan sommige mannetjes geven in bovenstaande verschillende gevallen, hetzij kracht en sterkte, of bewegingen, stem of geur, kan zelden zelfs ook worden gegist; maar wat zij ook mogen zijn, zouden zij in den loop van vele generaties worden bewaard en vermeerderd, indien de wijfjes van de zelfde soort of het zelfde ras, die de zelfde streek bewonen, gedurende achtereenvolgende generaties ongeveer de zelfde algemeene neiging en smaak behielden; en dit komt mij niet onwaarschijnlijk[262]voor. Ook is het niet volstrekt noodzakelijk, dat alle wijfjes volkomen den zelfden smaak hebben: het eene wijfje zou meer kunnen worden aangetrokken door een bepaalde eigenschap van het mannetje, en een ander door een andere; en beide zouden, indien zij niet onvereenigbaar waren, langzamerhand door alle mannetjes worden verkregen. Hoe weinig wij ook kunnen beoordeelen welke kenmerken het wijfje aantrekken, scheen het toch in sommige der door mij opgeteekende gevallen, duidelijk de kleur te zijn; in andere gevallen vroegere bekendheid met een bijzonder mannetje; in wederom andere juist het omgekeerde, of nieuwheid. Wat het eerste optreden aangaat der bijzonderheden die later door seksueele teeltkeus worden vermeerderd, dit hangt natuurlijk af van de sterke neiging van alle deelen van alle organismen om kleine individueele verschillen te vertoonen, en van sommige organismen om op duidelijke wijze te varieeren. In mijn boek over hetVarieeren der Huisdieren en Cultuurplantenzijn ook bewijzen gegeven, dat mannelijke dieren meer vatbaar zijn om te varieeren dan vrouwelijke, en dit zou aan de seksueele teeltkeus in hooge mate bevorderlijk zijn. Blijkbaar hangt elk gering individueel verschil en elke meer in het oog loopende afwijking af van bepaalde, ofschoon onbekende oorzaken; en deze wijzigingen van maaksel enz. verschillen bij verschillende soorten onder oogenschijnlijk de zelfde omstandigheden. Getuigenissen van dezen aard zijn dikwijls verkeerd opgevat, alsof men veronderstelde, dat afwijkingen onbepaald of fluctueerende waren, en dat de zelfde afwijkingen bij alle soorten voorkwamen.Met betrekking tot de seksueele teeltkeus zal ik hier alleen bijvoegen, dat de volkomen manier, waarop de geïmporteerde honden en andere huisdieren in Zuid-Amerika en andere landen zich hebben vermengd, zoodat alle sporen van hun oorspronkelijke rassen zijn verdwenen, mij dikwijls een verwonderlijk feit scheen. Dit houdt, volgens Rengger4, zelfs steek ten opzichte van de honden in zulk een geïsoleerd land als Paraguay. Ik schreef vroeger de vermenging alleen daaraan toe, dat de rassen niet afzonderlijk waren gehouden en aan de grootere levenskracht van gekruist kroost; maar indien de wijfjes dikwijls aan vreemdelingen de voorkeur geven boven hun oude gezellen, gelijk het geval schijnt te zijn, volgens Nordenskiöld in Siberië en in Syrië, gelijk in het volgend opstel wordt aangetoond, dan kunnen wij gemakkelijk[263]begrijpen hoe snel en volkomen de voortgang der rasvermenging zou zijn. Ik zal nu zonder verder commentaar de verhandeling mededeelen welke Dr. W. van Dijck, leeraar in de dierkunde aan het Protestantsche college te Beyrut, welke uitstekende gelegenheid tot waarneming heeft gehad gedurende een twintigjarig verblijf aldaar, zoo vriendelijk is geweest mij te zenden.Over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van Seksueele Teeltkeus.DoorW. van Dijck, M. D.Beyrut is een der voornaamste havens van de Syrische kust en heeft een bevolking van tachtig- tot honderdduizend zielen. Gelijk in de meeste Oostersche steden is het stelsel van straatreiniging er zeer onvolkomen en wordt het schoonmaken van de straat er grootendeels overgelaten aan de straathonden van welke vele honderden door de stad en de voorsteden rondzwerven en hun voedsel zoeken, waar zij het maar kunnen vinden. Twintig jaar geleden, en vóór dien tijd, vormden deze honden een geheel homogeen ras waarvan de typische kenmerken, in het ruwe beschreven, de volgende waren:—schouderhoogte 50–55 centimeters, lengte van den snoet tot den wortel van den staart 80–85 centimeters,lengte van den staart 30–37½ centimeters, kleur zandachtig grijs, in eenige verschillende schakeeringen (zelden zoo licht, dat zij voor vuil wit konden doorgaan), in de meeste gevallen donkerder van boven dan van onderen, en niet zelden gespikkeld of gestreept; kop van gemiddelde grootte, met vrij puntigen snoet en kleine, puntige, half-hangende ooren; staart ruig behaard, gewoonlijk opgericht over den rug gedragen, soms sterk gekruld; algemeen uiterlijk beslist jakhalsachtig of half-wolfachtig; karakter laf, zelden kwaadaardig. De eenige vermeldenswaardige afwijkingen van boven beschreven type, ten tijde waarvan ik schreef, waren nu en dan enkele zwarte honden, meestal met korter haar dan de grijze, zelden bonte, zwart en wit gevlekte exemplaren. Tegenwoordig is het geheel anders. De zandachtige grijze kleur heeft wel is waar nog de overhand, maar er is nauwelijks een denkbare kleur of combinatie van kleuren, welke niet wordt gevonden;en in vorm, grootte en verhoudingen van romp en ledematen, gedaante van den kop, vorm en grootte der ooren, lengte en dichtheid van het haar, lengte, ruigheid en wijze van gedragen worden van den staart, is er bijna evenveel verschil.[264]Twintig jaar geleden waren slechts weinige inwoners dezer stad eigenaars van honden van eenig uitheemsch ras; maar sedert zijn Engelsche staande honden (pointers), poedels, terriërs, eenige weinige windhonden en patrijshonden (setters), en nu en dan Newfoundlanders, water-jachthonden (retrievers) en bullebijters (mastifs) geïmporteerd en hebben zich er in meerdere of mindere mate vermenigvuldigd. Verreweg de meeste honden van uitheemsch ras, die men te Beyrut te eeniger tijd vond, waren kleiner en stellig zwakker dan de oorspronkelijke inlandsche; en maar zeer weinige van hen kunnen zich, als hun meester er niet bij is, op straat wagen, zonder groot gevaar te loopen van meer of min ernstig te worden gehavend door de straathonden. Niettegenstaande hun merkelijke mindere spierkracht zijn echter de uitheemsche honden er in geslaagd het geheele ras der straathonden zoo door en door te verbasteren, dat het tegenwoordig niet gemakkelijk is een exemplaar van deze te vinden, dat geen onmiskenbare bewijzen van uitheemsch bloed vertoont.Om dit te verklaren, kan ik met overtuiging de volgende feiten mededeelen, op grond van mijn eigen waarneming en ondervinding:—1o. Inlandsche teven vertoonen zeer dikwijls een besliste voorkeur voor sommige uitheemsche honden, en ik heb herhaaldelijk zulk een teef een reeks van inlandsche vrijers, den een voor, den ander na zien afwijzen, om zonder aarzeling een volbloed Engelschen staanden hond (pointer) aan te nemen. Mijn vader bezat eens een Franschen staanden hond (pointer), Jack genaamd, zeer klein, maar schoon geëvenredigd en van een fraaie goudachtig bruine kleur. Deze reu was zoo groot een gunsteling van de inlandsche honden van de andere sekse, dat hij een uiterst „losbandig” leven leidde. Pointer teven weigerden hem daarentegen niet zelden, ter wille van een straatreu. 2o. Pointer- en andere teven van goed ras zijn dikwijls zoo beslist en volhardend in haar voorkeur voor straatreuen (gewoonlijk voor één bijzonder individu, dat zij soms niet gezien, maar wiens stem zij hebben gehoord), dat zij liever geheele jaargetijden ongepaard zullen blijven dan de minnaars aannemen, die door haar meester voor haar zijn gekozen. In zulke gevallen is een oogenblik van zorgeloosheid of onoplettendheid genoeg om een nest van bastaardjongen te doen ontstaan, welke als zij niet in hun vroege kindsheid worden gedood, zeer veel kans hebben bij de eene of andere gelegenheid op straat te geraken en daar de kans van besmetting voor het geheele ras te vermeerderen. 3o. Bastaard voortplanting heeft het sterkst plaats in de voorsteden, waar straathonden iets[265]minder talrijk zijn dan in het hart van de stad, en waar heimelijke paringen met weggeloopen honden worden begunstigd door heggen, struikgewas enz. enz. In de stad zelve daarentegen, waar de kans tien tegen een is, dat de aanspraken zullen worden beslist door de wet van den strijd, valt het uitheemsche bloed niet zoo duidelijk in het oog, en zou een toevallige waarnemer het zelfs in vele gevallen niet opmerken; en indien er nog eenige volbloed vertegenwoordigers van den ouden stam bestaan, moet het zijn in het dichtst bevolkte kwartier, waar de slachterswinkels velen zijn en dicht bij elkander liggen en de straathonden, in evenredigheid daarmede, talrijk zijn.[266]1„UeberdenUrsprung der secundären männlichen Geschlechtscharakterenetc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz.557,559.)↑2„Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.↑3„The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).↑4„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.↑
[Inhoud]SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENINGop HOOFDSTUK XVII.over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van seksueele teeltkeus,door Dr. VAN DIJCK.Met een inleiding doorCHARLES DARWIN.(Vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings of the Zool. Soc.”, 1882, blz. 367.)De meeste natuuronderzoekers welke aannemen, dat natuurlijke teeltkeus een werkzame rol heeft gespeeld bij de vorming der soorten, nemen ook aan, dat de wapenen van mannelijke dieren het resultaat zijn van seksueele teeltkeus—dat is daarvan, dat de best gewapende mannetjes er in slaagden de meeste wijfjes te verkrijgen en hun voortreffelijkheid boven andere mannetjes op hun mannelijk kroost overplantten. Doch vele natuuronderzoekers betwijfelen, of ontkennen, dat vrouwelijke dieren ooit eenige keus uitoefenen, zoodanig, dat zij zekere mannetjes bij voorkeur boven andere uitkiezen. Het zou echter juister zijn te zeggen, dat de wijfjes in bijzondere mate worden opgewekt of aangetrokken door het uiterlijk, de stem enz. van zekere mannetjes, dan dat zij ze met overleg uitkozen. Het zal mij wellicht veroorloofd zijn, te zeggen, dat ik, na zorgvuldig, zoo goed ik kon, de verschillende bewijsgronden te hebben overwogen die tegen het beginsel der seksueele teeltkeus zijn ingebracht, vast overtuigd blijf van de waarheid daarvan. Het is echter waarschijnlijk, dat ik het te ver heb uitgestrekt, gelijk bij voorbeeld in het geval der vreemd gevormde horens en bovenkaken (mandibulae) van mannelijke bladsprietige kevers (Lamellicornia), welke onlangs met veel kennis zijn besproken door W. von Reichenau1, en[261]omtrent welke ik altijd eenigen twijfel heb gevoeld. Van den anderen kant schijnt mij de verklaring van de ontwikkeling dier horens, welke door genoemden entomoloog wordt gegeven, verre van voldoende.Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten; en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld.2De daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega”3steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de „Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay ontstaan.De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”Wat aantrekkelijkheden zijn, die een voordeel in de vrijage aan sommige mannetjes geven in bovenstaande verschillende gevallen, hetzij kracht en sterkte, of bewegingen, stem of geur, kan zelden zelfs ook worden gegist; maar wat zij ook mogen zijn, zouden zij in den loop van vele generaties worden bewaard en vermeerderd, indien de wijfjes van de zelfde soort of het zelfde ras, die de zelfde streek bewonen, gedurende achtereenvolgende generaties ongeveer de zelfde algemeene neiging en smaak behielden; en dit komt mij niet onwaarschijnlijk[262]voor. Ook is het niet volstrekt noodzakelijk, dat alle wijfjes volkomen den zelfden smaak hebben: het eene wijfje zou meer kunnen worden aangetrokken door een bepaalde eigenschap van het mannetje, en een ander door een andere; en beide zouden, indien zij niet onvereenigbaar waren, langzamerhand door alle mannetjes worden verkregen. Hoe weinig wij ook kunnen beoordeelen welke kenmerken het wijfje aantrekken, scheen het toch in sommige der door mij opgeteekende gevallen, duidelijk de kleur te zijn; in andere gevallen vroegere bekendheid met een bijzonder mannetje; in wederom andere juist het omgekeerde, of nieuwheid. Wat het eerste optreden aangaat der bijzonderheden die later door seksueele teeltkeus worden vermeerderd, dit hangt natuurlijk af van de sterke neiging van alle deelen van alle organismen om kleine individueele verschillen te vertoonen, en van sommige organismen om op duidelijke wijze te varieeren. In mijn boek over hetVarieeren der Huisdieren en Cultuurplantenzijn ook bewijzen gegeven, dat mannelijke dieren meer vatbaar zijn om te varieeren dan vrouwelijke, en dit zou aan de seksueele teeltkeus in hooge mate bevorderlijk zijn. Blijkbaar hangt elk gering individueel verschil en elke meer in het oog loopende afwijking af van bepaalde, ofschoon onbekende oorzaken; en deze wijzigingen van maaksel enz. verschillen bij verschillende soorten onder oogenschijnlijk de zelfde omstandigheden. Getuigenissen van dezen aard zijn dikwijls verkeerd opgevat, alsof men veronderstelde, dat afwijkingen onbepaald of fluctueerende waren, en dat de zelfde afwijkingen bij alle soorten voorkwamen.Met betrekking tot de seksueele teeltkeus zal ik hier alleen bijvoegen, dat de volkomen manier, waarop de geïmporteerde honden en andere huisdieren in Zuid-Amerika en andere landen zich hebben vermengd, zoodat alle sporen van hun oorspronkelijke rassen zijn verdwenen, mij dikwijls een verwonderlijk feit scheen. Dit houdt, volgens Rengger4, zelfs steek ten opzichte van de honden in zulk een geïsoleerd land als Paraguay. Ik schreef vroeger de vermenging alleen daaraan toe, dat de rassen niet afzonderlijk waren gehouden en aan de grootere levenskracht van gekruist kroost; maar indien de wijfjes dikwijls aan vreemdelingen de voorkeur geven boven hun oude gezellen, gelijk het geval schijnt te zijn, volgens Nordenskiöld in Siberië en in Syrië, gelijk in het volgend opstel wordt aangetoond, dan kunnen wij gemakkelijk[263]begrijpen hoe snel en volkomen de voortgang der rasvermenging zou zijn. Ik zal nu zonder verder commentaar de verhandeling mededeelen welke Dr. W. van Dijck, leeraar in de dierkunde aan het Protestantsche college te Beyrut, welke uitstekende gelegenheid tot waarneming heeft gehad gedurende een twintigjarig verblijf aldaar, zoo vriendelijk is geweest mij te zenden.Over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van Seksueele Teeltkeus.DoorW. van Dijck, M. D.Beyrut is een der voornaamste havens van de Syrische kust en heeft een bevolking van tachtig- tot honderdduizend zielen. Gelijk in de meeste Oostersche steden is het stelsel van straatreiniging er zeer onvolkomen en wordt het schoonmaken van de straat er grootendeels overgelaten aan de straathonden van welke vele honderden door de stad en de voorsteden rondzwerven en hun voedsel zoeken, waar zij het maar kunnen vinden. Twintig jaar geleden, en vóór dien tijd, vormden deze honden een geheel homogeen ras waarvan de typische kenmerken, in het ruwe beschreven, de volgende waren:—schouderhoogte 50–55 centimeters, lengte van den snoet tot den wortel van den staart 80–85 centimeters,lengte van den staart 30–37½ centimeters, kleur zandachtig grijs, in eenige verschillende schakeeringen (zelden zoo licht, dat zij voor vuil wit konden doorgaan), in de meeste gevallen donkerder van boven dan van onderen, en niet zelden gespikkeld of gestreept; kop van gemiddelde grootte, met vrij puntigen snoet en kleine, puntige, half-hangende ooren; staart ruig behaard, gewoonlijk opgericht over den rug gedragen, soms sterk gekruld; algemeen uiterlijk beslist jakhalsachtig of half-wolfachtig; karakter laf, zelden kwaadaardig. De eenige vermeldenswaardige afwijkingen van boven beschreven type, ten tijde waarvan ik schreef, waren nu en dan enkele zwarte honden, meestal met korter haar dan de grijze, zelden bonte, zwart en wit gevlekte exemplaren. Tegenwoordig is het geheel anders. De zandachtige grijze kleur heeft wel is waar nog de overhand, maar er is nauwelijks een denkbare kleur of combinatie van kleuren, welke niet wordt gevonden;en in vorm, grootte en verhoudingen van romp en ledematen, gedaante van den kop, vorm en grootte der ooren, lengte en dichtheid van het haar, lengte, ruigheid en wijze van gedragen worden van den staart, is er bijna evenveel verschil.[264]Twintig jaar geleden waren slechts weinige inwoners dezer stad eigenaars van honden van eenig uitheemsch ras; maar sedert zijn Engelsche staande honden (pointers), poedels, terriërs, eenige weinige windhonden en patrijshonden (setters), en nu en dan Newfoundlanders, water-jachthonden (retrievers) en bullebijters (mastifs) geïmporteerd en hebben zich er in meerdere of mindere mate vermenigvuldigd. Verreweg de meeste honden van uitheemsch ras, die men te Beyrut te eeniger tijd vond, waren kleiner en stellig zwakker dan de oorspronkelijke inlandsche; en maar zeer weinige van hen kunnen zich, als hun meester er niet bij is, op straat wagen, zonder groot gevaar te loopen van meer of min ernstig te worden gehavend door de straathonden. Niettegenstaande hun merkelijke mindere spierkracht zijn echter de uitheemsche honden er in geslaagd het geheele ras der straathonden zoo door en door te verbasteren, dat het tegenwoordig niet gemakkelijk is een exemplaar van deze te vinden, dat geen onmiskenbare bewijzen van uitheemsch bloed vertoont.Om dit te verklaren, kan ik met overtuiging de volgende feiten mededeelen, op grond van mijn eigen waarneming en ondervinding:—1o. Inlandsche teven vertoonen zeer dikwijls een besliste voorkeur voor sommige uitheemsche honden, en ik heb herhaaldelijk zulk een teef een reeks van inlandsche vrijers, den een voor, den ander na zien afwijzen, om zonder aarzeling een volbloed Engelschen staanden hond (pointer) aan te nemen. Mijn vader bezat eens een Franschen staanden hond (pointer), Jack genaamd, zeer klein, maar schoon geëvenredigd en van een fraaie goudachtig bruine kleur. Deze reu was zoo groot een gunsteling van de inlandsche honden van de andere sekse, dat hij een uiterst „losbandig” leven leidde. Pointer teven weigerden hem daarentegen niet zelden, ter wille van een straatreu. 2o. Pointer- en andere teven van goed ras zijn dikwijls zoo beslist en volhardend in haar voorkeur voor straatreuen (gewoonlijk voor één bijzonder individu, dat zij soms niet gezien, maar wiens stem zij hebben gehoord), dat zij liever geheele jaargetijden ongepaard zullen blijven dan de minnaars aannemen, die door haar meester voor haar zijn gekozen. In zulke gevallen is een oogenblik van zorgeloosheid of onoplettendheid genoeg om een nest van bastaardjongen te doen ontstaan, welke als zij niet in hun vroege kindsheid worden gedood, zeer veel kans hebben bij de eene of andere gelegenheid op straat te geraken en daar de kans van besmetting voor het geheele ras te vermeerderen. 3o. Bastaard voortplanting heeft het sterkst plaats in de voorsteden, waar straathonden iets[265]minder talrijk zijn dan in het hart van de stad, en waar heimelijke paringen met weggeloopen honden worden begunstigd door heggen, struikgewas enz. enz. In de stad zelve daarentegen, waar de kans tien tegen een is, dat de aanspraken zullen worden beslist door de wet van den strijd, valt het uitheemsche bloed niet zoo duidelijk in het oog, en zou een toevallige waarnemer het zelfs in vele gevallen niet opmerken; en indien er nog eenige volbloed vertegenwoordigers van den ouden stam bestaan, moet het zijn in het dichtst bevolkte kwartier, waar de slachterswinkels velen zijn en dicht bij elkander liggen en de straathonden, in evenredigheid daarmede, talrijk zijn.[266]1„UeberdenUrsprung der secundären männlichen Geschlechtscharakterenetc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz.557,559.)↑2„Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.↑3„The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).↑4„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.↑
SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENINGop HOOFDSTUK XVII.
over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van seksueele teeltkeus,door Dr. VAN DIJCK.Met een inleiding doorCHARLES DARWIN.(Vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings of the Zool. Soc.”, 1882, blz. 367.)De meeste natuuronderzoekers welke aannemen, dat natuurlijke teeltkeus een werkzame rol heeft gespeeld bij de vorming der soorten, nemen ook aan, dat de wapenen van mannelijke dieren het resultaat zijn van seksueele teeltkeus—dat is daarvan, dat de best gewapende mannetjes er in slaagden de meeste wijfjes te verkrijgen en hun voortreffelijkheid boven andere mannetjes op hun mannelijk kroost overplantten. Doch vele natuuronderzoekers betwijfelen, of ontkennen, dat vrouwelijke dieren ooit eenige keus uitoefenen, zoodanig, dat zij zekere mannetjes bij voorkeur boven andere uitkiezen. Het zou echter juister zijn te zeggen, dat de wijfjes in bijzondere mate worden opgewekt of aangetrokken door het uiterlijk, de stem enz. van zekere mannetjes, dan dat zij ze met overleg uitkozen. Het zal mij wellicht veroorloofd zijn, te zeggen, dat ik, na zorgvuldig, zoo goed ik kon, de verschillende bewijsgronden te hebben overwogen die tegen het beginsel der seksueele teeltkeus zijn ingebracht, vast overtuigd blijf van de waarheid daarvan. Het is echter waarschijnlijk, dat ik het te ver heb uitgestrekt, gelijk bij voorbeeld in het geval der vreemd gevormde horens en bovenkaken (mandibulae) van mannelijke bladsprietige kevers (Lamellicornia), welke onlangs met veel kennis zijn besproken door W. von Reichenau1, en[261]omtrent welke ik altijd eenigen twijfel heb gevoeld. Van den anderen kant schijnt mij de verklaring van de ontwikkeling dier horens, welke door genoemden entomoloog wordt gegeven, verre van voldoende.Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten; en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld.2De daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega”3steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de „Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay ontstaan.De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”Wat aantrekkelijkheden zijn, die een voordeel in de vrijage aan sommige mannetjes geven in bovenstaande verschillende gevallen, hetzij kracht en sterkte, of bewegingen, stem of geur, kan zelden zelfs ook worden gegist; maar wat zij ook mogen zijn, zouden zij in den loop van vele generaties worden bewaard en vermeerderd, indien de wijfjes van de zelfde soort of het zelfde ras, die de zelfde streek bewonen, gedurende achtereenvolgende generaties ongeveer de zelfde algemeene neiging en smaak behielden; en dit komt mij niet onwaarschijnlijk[262]voor. Ook is het niet volstrekt noodzakelijk, dat alle wijfjes volkomen den zelfden smaak hebben: het eene wijfje zou meer kunnen worden aangetrokken door een bepaalde eigenschap van het mannetje, en een ander door een andere; en beide zouden, indien zij niet onvereenigbaar waren, langzamerhand door alle mannetjes worden verkregen. Hoe weinig wij ook kunnen beoordeelen welke kenmerken het wijfje aantrekken, scheen het toch in sommige der door mij opgeteekende gevallen, duidelijk de kleur te zijn; in andere gevallen vroegere bekendheid met een bijzonder mannetje; in wederom andere juist het omgekeerde, of nieuwheid. Wat het eerste optreden aangaat der bijzonderheden die later door seksueele teeltkeus worden vermeerderd, dit hangt natuurlijk af van de sterke neiging van alle deelen van alle organismen om kleine individueele verschillen te vertoonen, en van sommige organismen om op duidelijke wijze te varieeren. In mijn boek over hetVarieeren der Huisdieren en Cultuurplantenzijn ook bewijzen gegeven, dat mannelijke dieren meer vatbaar zijn om te varieeren dan vrouwelijke, en dit zou aan de seksueele teeltkeus in hooge mate bevorderlijk zijn. Blijkbaar hangt elk gering individueel verschil en elke meer in het oog loopende afwijking af van bepaalde, ofschoon onbekende oorzaken; en deze wijzigingen van maaksel enz. verschillen bij verschillende soorten onder oogenschijnlijk de zelfde omstandigheden. Getuigenissen van dezen aard zijn dikwijls verkeerd opgevat, alsof men veronderstelde, dat afwijkingen onbepaald of fluctueerende waren, en dat de zelfde afwijkingen bij alle soorten voorkwamen.Met betrekking tot de seksueele teeltkeus zal ik hier alleen bijvoegen, dat de volkomen manier, waarop de geïmporteerde honden en andere huisdieren in Zuid-Amerika en andere landen zich hebben vermengd, zoodat alle sporen van hun oorspronkelijke rassen zijn verdwenen, mij dikwijls een verwonderlijk feit scheen. Dit houdt, volgens Rengger4, zelfs steek ten opzichte van de honden in zulk een geïsoleerd land als Paraguay. Ik schreef vroeger de vermenging alleen daaraan toe, dat de rassen niet afzonderlijk waren gehouden en aan de grootere levenskracht van gekruist kroost; maar indien de wijfjes dikwijls aan vreemdelingen de voorkeur geven boven hun oude gezellen, gelijk het geval schijnt te zijn, volgens Nordenskiöld in Siberië en in Syrië, gelijk in het volgend opstel wordt aangetoond, dan kunnen wij gemakkelijk[263]begrijpen hoe snel en volkomen de voortgang der rasvermenging zou zijn. Ik zal nu zonder verder commentaar de verhandeling mededeelen welke Dr. W. van Dijck, leeraar in de dierkunde aan het Protestantsche college te Beyrut, welke uitstekende gelegenheid tot waarneming heeft gehad gedurende een twintigjarig verblijf aldaar, zoo vriendelijk is geweest mij te zenden.Over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van Seksueele Teeltkeus.DoorW. van Dijck, M. D.Beyrut is een der voornaamste havens van de Syrische kust en heeft een bevolking van tachtig- tot honderdduizend zielen. Gelijk in de meeste Oostersche steden is het stelsel van straatreiniging er zeer onvolkomen en wordt het schoonmaken van de straat er grootendeels overgelaten aan de straathonden van welke vele honderden door de stad en de voorsteden rondzwerven en hun voedsel zoeken, waar zij het maar kunnen vinden. Twintig jaar geleden, en vóór dien tijd, vormden deze honden een geheel homogeen ras waarvan de typische kenmerken, in het ruwe beschreven, de volgende waren:—schouderhoogte 50–55 centimeters, lengte van den snoet tot den wortel van den staart 80–85 centimeters,lengte van den staart 30–37½ centimeters, kleur zandachtig grijs, in eenige verschillende schakeeringen (zelden zoo licht, dat zij voor vuil wit konden doorgaan), in de meeste gevallen donkerder van boven dan van onderen, en niet zelden gespikkeld of gestreept; kop van gemiddelde grootte, met vrij puntigen snoet en kleine, puntige, half-hangende ooren; staart ruig behaard, gewoonlijk opgericht over den rug gedragen, soms sterk gekruld; algemeen uiterlijk beslist jakhalsachtig of half-wolfachtig; karakter laf, zelden kwaadaardig. De eenige vermeldenswaardige afwijkingen van boven beschreven type, ten tijde waarvan ik schreef, waren nu en dan enkele zwarte honden, meestal met korter haar dan de grijze, zelden bonte, zwart en wit gevlekte exemplaren. Tegenwoordig is het geheel anders. De zandachtige grijze kleur heeft wel is waar nog de overhand, maar er is nauwelijks een denkbare kleur of combinatie van kleuren, welke niet wordt gevonden;en in vorm, grootte en verhoudingen van romp en ledematen, gedaante van den kop, vorm en grootte der ooren, lengte en dichtheid van het haar, lengte, ruigheid en wijze van gedragen worden van den staart, is er bijna evenveel verschil.[264]Twintig jaar geleden waren slechts weinige inwoners dezer stad eigenaars van honden van eenig uitheemsch ras; maar sedert zijn Engelsche staande honden (pointers), poedels, terriërs, eenige weinige windhonden en patrijshonden (setters), en nu en dan Newfoundlanders, water-jachthonden (retrievers) en bullebijters (mastifs) geïmporteerd en hebben zich er in meerdere of mindere mate vermenigvuldigd. Verreweg de meeste honden van uitheemsch ras, die men te Beyrut te eeniger tijd vond, waren kleiner en stellig zwakker dan de oorspronkelijke inlandsche; en maar zeer weinige van hen kunnen zich, als hun meester er niet bij is, op straat wagen, zonder groot gevaar te loopen van meer of min ernstig te worden gehavend door de straathonden. Niettegenstaande hun merkelijke mindere spierkracht zijn echter de uitheemsche honden er in geslaagd het geheele ras der straathonden zoo door en door te verbasteren, dat het tegenwoordig niet gemakkelijk is een exemplaar van deze te vinden, dat geen onmiskenbare bewijzen van uitheemsch bloed vertoont.Om dit te verklaren, kan ik met overtuiging de volgende feiten mededeelen, op grond van mijn eigen waarneming en ondervinding:—1o. Inlandsche teven vertoonen zeer dikwijls een besliste voorkeur voor sommige uitheemsche honden, en ik heb herhaaldelijk zulk een teef een reeks van inlandsche vrijers, den een voor, den ander na zien afwijzen, om zonder aarzeling een volbloed Engelschen staanden hond (pointer) aan te nemen. Mijn vader bezat eens een Franschen staanden hond (pointer), Jack genaamd, zeer klein, maar schoon geëvenredigd en van een fraaie goudachtig bruine kleur. Deze reu was zoo groot een gunsteling van de inlandsche honden van de andere sekse, dat hij een uiterst „losbandig” leven leidde. Pointer teven weigerden hem daarentegen niet zelden, ter wille van een straatreu. 2o. Pointer- en andere teven van goed ras zijn dikwijls zoo beslist en volhardend in haar voorkeur voor straatreuen (gewoonlijk voor één bijzonder individu, dat zij soms niet gezien, maar wiens stem zij hebben gehoord), dat zij liever geheele jaargetijden ongepaard zullen blijven dan de minnaars aannemen, die door haar meester voor haar zijn gekozen. In zulke gevallen is een oogenblik van zorgeloosheid of onoplettendheid genoeg om een nest van bastaardjongen te doen ontstaan, welke als zij niet in hun vroege kindsheid worden gedood, zeer veel kans hebben bij de eene of andere gelegenheid op straat te geraken en daar de kans van besmetting voor het geheele ras te vermeerderen. 3o. Bastaard voortplanting heeft het sterkst plaats in de voorsteden, waar straathonden iets[265]minder talrijk zijn dan in het hart van de stad, en waar heimelijke paringen met weggeloopen honden worden begunstigd door heggen, struikgewas enz. enz. In de stad zelve daarentegen, waar de kans tien tegen een is, dat de aanspraken zullen worden beslist door de wet van den strijd, valt het uitheemsche bloed niet zoo duidelijk in het oog, en zou een toevallige waarnemer het zelfs in vele gevallen niet opmerken; en indien er nog eenige volbloed vertegenwoordigers van den ouden stam bestaan, moet het zijn in het dichtst bevolkte kwartier, waar de slachterswinkels velen zijn en dicht bij elkander liggen en de straathonden, in evenredigheid daarmede, talrijk zijn.[266]
over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van seksueele teeltkeus,
door Dr. VAN DIJCK.
Met een inleiding doorCHARLES DARWIN.
(Vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings of the Zool. Soc.”, 1882, blz. 367.)
De meeste natuuronderzoekers welke aannemen, dat natuurlijke teeltkeus een werkzame rol heeft gespeeld bij de vorming der soorten, nemen ook aan, dat de wapenen van mannelijke dieren het resultaat zijn van seksueele teeltkeus—dat is daarvan, dat de best gewapende mannetjes er in slaagden de meeste wijfjes te verkrijgen en hun voortreffelijkheid boven andere mannetjes op hun mannelijk kroost overplantten. Doch vele natuuronderzoekers betwijfelen, of ontkennen, dat vrouwelijke dieren ooit eenige keus uitoefenen, zoodanig, dat zij zekere mannetjes bij voorkeur boven andere uitkiezen. Het zou echter juister zijn te zeggen, dat de wijfjes in bijzondere mate worden opgewekt of aangetrokken door het uiterlijk, de stem enz. van zekere mannetjes, dan dat zij ze met overleg uitkozen. Het zal mij wellicht veroorloofd zijn, te zeggen, dat ik, na zorgvuldig, zoo goed ik kon, de verschillende bewijsgronden te hebben overwogen die tegen het beginsel der seksueele teeltkeus zijn ingebracht, vast overtuigd blijf van de waarheid daarvan. Het is echter waarschijnlijk, dat ik het te ver heb uitgestrekt, gelijk bij voorbeeld in het geval der vreemd gevormde horens en bovenkaken (mandibulae) van mannelijke bladsprietige kevers (Lamellicornia), welke onlangs met veel kennis zijn besproken door W. von Reichenau1, en[261]omtrent welke ik altijd eenigen twijfel heb gevoeld. Van den anderen kant schijnt mij de verklaring van de ontwikkeling dier horens, welke door genoemden entomoloog wordt gegeven, verre van voldoende.
Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten; en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld.2De daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega”3steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de „Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay ontstaan.De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”
Wat aantrekkelijkheden zijn, die een voordeel in de vrijage aan sommige mannetjes geven in bovenstaande verschillende gevallen, hetzij kracht en sterkte, of bewegingen, stem of geur, kan zelden zelfs ook worden gegist; maar wat zij ook mogen zijn, zouden zij in den loop van vele generaties worden bewaard en vermeerderd, indien de wijfjes van de zelfde soort of het zelfde ras, die de zelfde streek bewonen, gedurende achtereenvolgende generaties ongeveer de zelfde algemeene neiging en smaak behielden; en dit komt mij niet onwaarschijnlijk[262]voor. Ook is het niet volstrekt noodzakelijk, dat alle wijfjes volkomen den zelfden smaak hebben: het eene wijfje zou meer kunnen worden aangetrokken door een bepaalde eigenschap van het mannetje, en een ander door een andere; en beide zouden, indien zij niet onvereenigbaar waren, langzamerhand door alle mannetjes worden verkregen. Hoe weinig wij ook kunnen beoordeelen welke kenmerken het wijfje aantrekken, scheen het toch in sommige der door mij opgeteekende gevallen, duidelijk de kleur te zijn; in andere gevallen vroegere bekendheid met een bijzonder mannetje; in wederom andere juist het omgekeerde, of nieuwheid. Wat het eerste optreden aangaat der bijzonderheden die later door seksueele teeltkeus worden vermeerderd, dit hangt natuurlijk af van de sterke neiging van alle deelen van alle organismen om kleine individueele verschillen te vertoonen, en van sommige organismen om op duidelijke wijze te varieeren. In mijn boek over hetVarieeren der Huisdieren en Cultuurplantenzijn ook bewijzen gegeven, dat mannelijke dieren meer vatbaar zijn om te varieeren dan vrouwelijke, en dit zou aan de seksueele teeltkeus in hooge mate bevorderlijk zijn. Blijkbaar hangt elk gering individueel verschil en elke meer in het oog loopende afwijking af van bepaalde, ofschoon onbekende oorzaken; en deze wijzigingen van maaksel enz. verschillen bij verschillende soorten onder oogenschijnlijk de zelfde omstandigheden. Getuigenissen van dezen aard zijn dikwijls verkeerd opgevat, alsof men veronderstelde, dat afwijkingen onbepaald of fluctueerende waren, en dat de zelfde afwijkingen bij alle soorten voorkwamen.
Met betrekking tot de seksueele teeltkeus zal ik hier alleen bijvoegen, dat de volkomen manier, waarop de geïmporteerde honden en andere huisdieren in Zuid-Amerika en andere landen zich hebben vermengd, zoodat alle sporen van hun oorspronkelijke rassen zijn verdwenen, mij dikwijls een verwonderlijk feit scheen. Dit houdt, volgens Rengger4, zelfs steek ten opzichte van de honden in zulk een geïsoleerd land als Paraguay. Ik schreef vroeger de vermenging alleen daaraan toe, dat de rassen niet afzonderlijk waren gehouden en aan de grootere levenskracht van gekruist kroost; maar indien de wijfjes dikwijls aan vreemdelingen de voorkeur geven boven hun oude gezellen, gelijk het geval schijnt te zijn, volgens Nordenskiöld in Siberië en in Syrië, gelijk in het volgend opstel wordt aangetoond, dan kunnen wij gemakkelijk[263]begrijpen hoe snel en volkomen de voortgang der rasvermenging zou zijn. Ik zal nu zonder verder commentaar de verhandeling mededeelen welke Dr. W. van Dijck, leeraar in de dierkunde aan het Protestantsche college te Beyrut, welke uitstekende gelegenheid tot waarneming heeft gehad gedurende een twintigjarig verblijf aldaar, zoo vriendelijk is geweest mij te zenden.
Over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van Seksueele Teeltkeus.DoorW. van Dijck, M. D.
Beyrut is een der voornaamste havens van de Syrische kust en heeft een bevolking van tachtig- tot honderdduizend zielen. Gelijk in de meeste Oostersche steden is het stelsel van straatreiniging er zeer onvolkomen en wordt het schoonmaken van de straat er grootendeels overgelaten aan de straathonden van welke vele honderden door de stad en de voorsteden rondzwerven en hun voedsel zoeken, waar zij het maar kunnen vinden. Twintig jaar geleden, en vóór dien tijd, vormden deze honden een geheel homogeen ras waarvan de typische kenmerken, in het ruwe beschreven, de volgende waren:—schouderhoogte 50–55 centimeters, lengte van den snoet tot den wortel van den staart 80–85 centimeters,lengte van den staart 30–37½ centimeters, kleur zandachtig grijs, in eenige verschillende schakeeringen (zelden zoo licht, dat zij voor vuil wit konden doorgaan), in de meeste gevallen donkerder van boven dan van onderen, en niet zelden gespikkeld of gestreept; kop van gemiddelde grootte, met vrij puntigen snoet en kleine, puntige, half-hangende ooren; staart ruig behaard, gewoonlijk opgericht over den rug gedragen, soms sterk gekruld; algemeen uiterlijk beslist jakhalsachtig of half-wolfachtig; karakter laf, zelden kwaadaardig. De eenige vermeldenswaardige afwijkingen van boven beschreven type, ten tijde waarvan ik schreef, waren nu en dan enkele zwarte honden, meestal met korter haar dan de grijze, zelden bonte, zwart en wit gevlekte exemplaren. Tegenwoordig is het geheel anders. De zandachtige grijze kleur heeft wel is waar nog de overhand, maar er is nauwelijks een denkbare kleur of combinatie van kleuren, welke niet wordt gevonden;en in vorm, grootte en verhoudingen van romp en ledematen, gedaante van den kop, vorm en grootte der ooren, lengte en dichtheid van het haar, lengte, ruigheid en wijze van gedragen worden van den staart, is er bijna evenveel verschil.[264]
Twintig jaar geleden waren slechts weinige inwoners dezer stad eigenaars van honden van eenig uitheemsch ras; maar sedert zijn Engelsche staande honden (pointers), poedels, terriërs, eenige weinige windhonden en patrijshonden (setters), en nu en dan Newfoundlanders, water-jachthonden (retrievers) en bullebijters (mastifs) geïmporteerd en hebben zich er in meerdere of mindere mate vermenigvuldigd. Verreweg de meeste honden van uitheemsch ras, die men te Beyrut te eeniger tijd vond, waren kleiner en stellig zwakker dan de oorspronkelijke inlandsche; en maar zeer weinige van hen kunnen zich, als hun meester er niet bij is, op straat wagen, zonder groot gevaar te loopen van meer of min ernstig te worden gehavend door de straathonden. Niettegenstaande hun merkelijke mindere spierkracht zijn echter de uitheemsche honden er in geslaagd het geheele ras der straathonden zoo door en door te verbasteren, dat het tegenwoordig niet gemakkelijk is een exemplaar van deze te vinden, dat geen onmiskenbare bewijzen van uitheemsch bloed vertoont.
Om dit te verklaren, kan ik met overtuiging de volgende feiten mededeelen, op grond van mijn eigen waarneming en ondervinding:—1o. Inlandsche teven vertoonen zeer dikwijls een besliste voorkeur voor sommige uitheemsche honden, en ik heb herhaaldelijk zulk een teef een reeks van inlandsche vrijers, den een voor, den ander na zien afwijzen, om zonder aarzeling een volbloed Engelschen staanden hond (pointer) aan te nemen. Mijn vader bezat eens een Franschen staanden hond (pointer), Jack genaamd, zeer klein, maar schoon geëvenredigd en van een fraaie goudachtig bruine kleur. Deze reu was zoo groot een gunsteling van de inlandsche honden van de andere sekse, dat hij een uiterst „losbandig” leven leidde. Pointer teven weigerden hem daarentegen niet zelden, ter wille van een straatreu. 2o. Pointer- en andere teven van goed ras zijn dikwijls zoo beslist en volhardend in haar voorkeur voor straatreuen (gewoonlijk voor één bijzonder individu, dat zij soms niet gezien, maar wiens stem zij hebben gehoord), dat zij liever geheele jaargetijden ongepaard zullen blijven dan de minnaars aannemen, die door haar meester voor haar zijn gekozen. In zulke gevallen is een oogenblik van zorgeloosheid of onoplettendheid genoeg om een nest van bastaardjongen te doen ontstaan, welke als zij niet in hun vroege kindsheid worden gedood, zeer veel kans hebben bij de eene of andere gelegenheid op straat te geraken en daar de kans van besmetting voor het geheele ras te vermeerderen. 3o. Bastaard voortplanting heeft het sterkst plaats in de voorsteden, waar straathonden iets[265]minder talrijk zijn dan in het hart van de stad, en waar heimelijke paringen met weggeloopen honden worden begunstigd door heggen, struikgewas enz. enz. In de stad zelve daarentegen, waar de kans tien tegen een is, dat de aanspraken zullen worden beslist door de wet van den strijd, valt het uitheemsche bloed niet zoo duidelijk in het oog, en zou een toevallige waarnemer het zelfs in vele gevallen niet opmerken; en indien er nog eenige volbloed vertegenwoordigers van den ouden stam bestaan, moet het zijn in het dichtst bevolkte kwartier, waar de slachterswinkels velen zijn en dicht bij elkander liggen en de straathonden, in evenredigheid daarmede, talrijk zijn.[266]
1„UeberdenUrsprung der secundären männlichen Geschlechtscharakterenetc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz.557,559.)↑2„Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.↑3„The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).↑4„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.↑
1„UeberdenUrsprung der secundären männlichen Geschlechtscharakterenetc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz.557,559.)↑2„Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.↑3„The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).↑4„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.↑
1„UeberdenUrsprung der secundären männlichen Geschlechtscharakterenetc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz.557,559.)↑
1„UeberdenUrsprung der secundären männlichen Geschlechtscharakterenetc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz.557,559.)↑
2„Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.↑
2„Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.↑
3„The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).↑
3„The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).↑
4„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.↑
4„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.↑