„Wat scheelt je?” vroeg de Vos.
„Ha! ha! ha!” bruldeCharley Bates.
„Hou je bek,” vermaande de Vos, terwijl hij omzichtig rondkeek. „Wil je de kast in, stommerik?”
„Ik kan er niks an doen,” zeiCharley; „ik kan er niks an doen! Ik zie 'em nog der vandoor gaan om de hoeken heen en tegen de lantaarnpalen an en dan maar weer voort, net of hij ook van ijzer was, en ik met de lap in m'n zak der achteran—o, nee maar!”
De levendige verbeelding van jongeheerBatesstelde zich het tooneel in kleuren en geuren voor. Toen hij bij dezen uitroep was gekomen, rolde hij opnieuw op de stoep en lachte nog harder dan te voren.
„Wat zalFaginzeggen?” vroeg de Vos, gebruik makend van het eerste oogenblik, waarin zijn vriend buiten adem was geraakt.
„Wat?” herhaaldeCharley Bates.
„Ja wat?” zei de Vos.
„Wel, wat zou hij zeggen?” vroegCharley, plotseling zijn vroolijkheid bedwingend, want de manier van spreken van den Vos maakte indruk op hem. „Wat zou hij zeggen?”
Dawkinsfloot een paar minuten; toen nam hij zijn hoed af, krabde zich op 't hoofd en knikte driemaal.
„Wat bedoel je?” vroegCharley.
„Falderala, ouwe jongen, beetnemerij, de diender zal hij niet opzoeken,” zei de Vos met een grijns op zijn slimme gezicht.
Dat was een verklaring, maar geen bevredigende.Charley Batesvoelde dat en vroeg nog eens: „wat bedoel je?”
De Vos gaf geen antwoord; hij zette zijn hoed weer op, nam de slippen van zijn lange jas onder zijn arm, duwde zijn tong in zijn wang, wreef een half dozijn malen op veelbeteekenende wijze over zijn neus, keerde zich op zijn hielen om en slenterde het straatje uit.Batesvolgde met nadenkend gezicht.
Enkele minuten na dit gesprek werd de aandacht van den vroolijken ouden heer getrokken door voetstappen op de krakende trap; hij zat bij het vuur met een worst en een broodje in zijn linkerhand, een zakmes in zijn rechter en een tinnen kruik op de treeft naast hem. Zijn bleek gezicht vertrok in een schurkachtigen lach, terwijl hij zich omkeerde en scherp turend van onder zijn dikke, roode wenkbrauwen, zijn oor naar de deur keerde om te luisteren.
„Wat.... wat is dat?” mompelde de Jood, terwijl zijn gezicht van uitdrukking veranderde, „maar twee? Waar is de derde? Er zal toch niets gebeurd zijn? Wacht!”
De voetstappen kwamen nader, tot op het portaal. De deur ging langzaam open, de Vos enCharley Bateskwamen binnen en deden de deur achter zich toe.
De aandachtige lezer maakt kennis met eenige nieuwe persoonlijkheden, die betrokken zijn bij verschillende vroolijke dingen, in verband met dit verhaal.
„Waar isOliver?” vroeg de Jood en stond met een dreigenden blik op. „Waar is de jongen?”
De jonge dieven keken naar hun leermeester, alsof zijbang waren voor zijn woede, en keken elkander angstig aan. Doch gaven geen antwoord.
„Wat is er met de jongen gebeurd?” zei de Jood, greep den Vos stevig bij zijn kraag en overlaadde hem met verschrikkelijke verwenschingen. „Zeg op, of ik wurg je!”
Mr. Faginzag er uit of hij 't meende enCharley Bates, die het altijd voorzichtig vond, aan den veiligen kant te zijn en wien het volstrekt niet onwaarschijnlijk voorkwam, dat hij de tweede zou zijn om geworgd te worden, viel op zijn knieën en liet een luid, langgerekt gebrul hooren, dat het midden hield tusschen 't geluid van een dollen stier en van een misthoorn.
„Zal je spreken?” donderde de Jood en schudde den Vos zóó door elkaar, dat het een wonder scheen, hoe hij in zijn wijde jas kon blijven.
„Ze hebben 'm gepakt, dat is alles,” zei de Vos norsch.
„Toe! laat me los hoor!” Met een ruk gleed hij uit de wijde jas, die in de handen van den Jood achterbleef; de Vos nam de vleeschvork en deed een uitval naar het vest van den vroolijken ouden heer, die, als hij zijn doel had bereikt, meer vroolijkheid weggevaagd zou hebben dan gemakkelijk vervangen kon worden.
Bij dit onvoorziene voorval week de Jood terug met meer behendigheid dan men verwachten zou bij een man, die er zoo afgeleefd uitzag; hij greep de kruik en maakte zich gereed deze zijn aanvaller naar het hoofd te slingeren. Doch daarCharley Batesop dit oogenblik zijn aandacht riep door een verschrikkelijken gil, veranderde hij plotseling van richting en gooide de kruik recht naar dit jongemensch.
„Uit welken hoek waait de wind nou?” bromde een lage stem. „Wie gooide me daar? 't Is goed, dat ik alleen 't bier over me kreeg en niet de kruik, anders zou ik eens even iemand onder handen nemen. Ik kon 't geweten hebben,dat alleen zoo'n duivelsche, rijke, inhalige, razende oude Jood iets, dat om te drinken is, zal weggooien behalve water. Wat moet dat allemaal,Fagin? Ik mag verdoemd worden als m'n halsdoek niet vol bier zit! Kom hier, kruipend mirakel; waarom blijf je buiten staan of je je schaamt voor je baas? Kom binnen!”
De man, die deze woorden uitgromde, was een forsch gebouwde kerel van ongeveer vijf en dertig jaar. Hij droeg een zwart fluweelen jas, een smerige lakensche broek, halfhooge rijglaarzen en grijs katoenen kousen, waarin een paar geweldige beenen met dikke kuiten staken, beenen, die er bij deze kleeding altijd uitzien alsof zij niet af zijn, alsof er iets aan ontbreekt, wanneer zij niet versierd zijn met een paar boeien. Hij had een bruinen hoed op het hoofd en een vuilen halsdoek om zijn hals; met de lange uitgerafelde punten hiervan wischte hij onder het spreken het bier van zijn gezicht.
Toen hij dat gedaan had, kwam een breed, grof gezicht te voorschijn, met een baard van drie dagen en norsche oogen, waarvan het ééne duidelijk gekleurde teekens vertoonde, binnenkort met een stompende vuist in aanraking te zijn geweest.
„Kom binnen, hoor je niet?” snauwde dit innemende spitsboevengezicht.
Een witte, ruigharige hond met twintig wonden en krabben op zijn snoet, sloop de kamer binnen.
„Waarom kwam je niet dadelijk?” zei de man. „Word je soms te weelderig om me gezelschap te houden? Liggen!”
Het bevel ging vergezeld van een schop, die het dier naar den anderen hoek van de kamer deed stuiven. De hond scheen er echter aan gewend te zijn; kalm, zonder eenig geluid te geven, ging hij opgerold in een hoek liggen, knipte twintigmaal in de minuut met zijn beloopen oogen en scheen er zich mede bezig te houden, het vertrek op te nemen.
„Hoe kom je der bij? De jongens mishandelen, jijgierige, inhalige, onverzadelijke ouwe boonenstaak?” zei de man, terwijl hij bedaard ging zitten. „'t Verwondert mij, dat zij je niet vermoorden! Als ik ze was, zou ik 't doen. Als ik je leerling was geweest, zou ik 't al lang gedaan hebben en—nee, ik zou je daarna niet hebben kunnen verkoopen, want je bent tot niets nut dan om als curiosum van leelijkheid in een glazen flesch bewaard te worden en ik geloof, dat er zulke groote glazen flesschen niet geblazen worden.”
„Stil! stil! meneerSikes,” zei de Jood bevend, „spreek niet zoo hard.”
„Hou je mond maar met je „meneer”,” antwoordde de spitsboef; „als je daarmee ankomt, voer je altijd kwaad in je schild. Je weet mijn naam en daarmee uit! Ik zal dien naam geen oneer aandoen als mijn tijd komt.”
„Goed, goed—Bill Sikesdan,” zei de Jood met weerzinwekkende nederigheid. „Je schijnt uit je humeur te zijn,Bill.”
„Misschien wel,” antwoorddeSikes, „maar ik zou zoo denken, dat jij ook een beetje uit je humeur was, of misschien meen je het even goed als je met bierkruiken gooit dan als je babbelt en....”
„Ben je gek?” zei de Jood, terwijl hij den man bij zijn mouw trok en naar de jongens wees.
Mr. Sikesvergenoegde er zich mee, een denkbeeldige knoop onder zijn linker oor te leggen en zijn hoofd naar zijn rechter schouder over te buigen; een pantomime, die de Jood volkomen scheen te begrijpen.
Sikesvroeg toen om een glas brandewijn, in een soort dieventaal, waarmee al wat hij sprak doorspekt was, doch die, hier herhaald, mijn verhaal onbegrijpelijk zou maken.
„En doe er geen vergif in,” zeiMr. Sikes, zijn hoed op tafel leggend.
Het werd in scherts gezegd, maar alsSikesden kwaadaardigengrijns had kunnen zien, waarmee de Jood zich op de bleeke lippen beet, terwijl hij zich omkeerde naar de kast, had hij kunnen denken, dat de waarschuwing niet geheel te onpas werd gegeven, tenminste, dat de wensch om de kunst van den distillateur te verbeteren, niet vreemd was aan het hart van den vroolijken ouden heer.
Nadat hij twee of drie glazen jenever naar binnen had geslagen, verwaardigdeMr. Sikeszich, eenige aandacht aan de jongens te schenken; deze vriendelijkheid leidde tot een gesprek, waarin de oorzaak en de bijzonderheden vanOliver'sgevangenneming uitvoerig besproken werden, met de veranderingen en aanvullingen van de waarheid, die aan den Vos onder de gegeven omstandigheden 't meest raadzaam voorkwamen.
„Ik ben bang,” zei de Jood, „dat hij iets zal zeggen, dat ons in moeilijkheden brengt.”
„Dat is wel waarschijnlijk,” antwoorddeSikes, met een kwaadaardigen grijns. „Je staat in kwaden reuk,Fagin.”
„En weet je, ik ben bang,” voegde de Jood erbij, voortsprekende alsof hij niet gehoord had wat de andere zei en dezen scherp aanziende, „ik ben bang, dat als 't spelletje misloopt met ons, 't met heel wat anderen ook misloopt en dat 't voor jou heel wat slechter afloopt dan voor mij, mijn waarde.”
De man ontstelde en keerde zich naar den Jood. Maar de oude heer had zijn schouders opgetrokken tot aan zijn ooren en zijn oogen staarden in 't ijle naar den muur aan den overkant.
Het bleef langen tijd stil. Elk lid van het eerbiedwaardig gezelschap scheen in zijn eigen overdenkingen verdiept te zijn; de hond niet uitgezonderd, die kwaadaardig zijn bek aflikte, alsof hij in gedachte een aanval deed op de beenen van de eerste de beste heer en dame, die hij op straat zou ontmoeten, als hij buiten kwam.
„De een of ander moet uitvinden, wat er op het bureau gebeurd is,” zeiMr. Sikesop veel kalmer toon dan waarop hij tot nu toe gesproken had.
De Jood knikte toestemmend.
„Als hij niet geklikt heeft en hij wordt veroordeeld, is er niets te vreezen tot hij weer vrij komt,” zeiSikes, „en dan moeten we hem in de gaten houden. Je moet hem op een of andere manier weer te pakken krijgen.”
Weer knikte de Jood.
De handelwijze was klaarblijkelijk de meest voorzichtige, maar ongelukkig bestond er één bijna onoverkomelijke hinderpaal om haar uit te voeren. Deze was, dat de Vos enCharley BatesenFaginenMr. William Sikestoevallig allemaal er een diepgewortelden, hevigen tegenzin in hadden, om welke reden en onder welk voorwendsel ook, in de buurt van een politiebureau te komen.
Hoe lang zij zoo gezeten zouden hebben en elkaar hebben aangekeken in een toestand van onzekerheid, die lang niet aangenaam was, is moeilijk te raden. En 't is niet noodig, eenigerlei gissingen daaromtrent te doen, want het plotselinge binnenkomen van de twee jonge dames, dieOliverbij een vroegere gelegenheid gezien had, bracht het gesprek weer op gang.
„Jullie komt juist van pas!” zei de Jood. „Betzal wel gaan, is 't niet lieverdje?”
„Waarheen?” vroeg het meisje.
„Alleen maar naar het politiebureau, schatje,” vleide de Jood.
Tot eer van de jonge dame moeten we zeggen, dat zij niet met stelligheid beweerde, niet te zullen gaan, maar dat zij alleen met nadruk en ernst verklaarde „gehangen” te zullen worden àls ze ging; een beleefde en fijngevoelige manier om het antwoord te ontwijken, dat aantoont, hoe de jonge dame die natuurlijke beschavingbezat, die 't niet zou kunnen verdragen, een medeschepsel de pijn aan te doen van een rechtstreeksche, scherpe weigering.
Het gezicht van den Jood betrok. Hij wendde zich van deze jonge dame, die bont, om niet te zeggen opzichtig gekleed was in een roode japon, groene laarzen en gele papillotten, naar de andere jonge vrouw.
„Nancy, lieverdje,” zei de Jood overredend, „wat zeg jij ervan?”
„Dat 't niet gaat, dus hoef je 't niet te probeerenFagin,” antwoorddeNancy.
„Wat wil je daarmee zeggen?” zeiMr. Sikesen keek haar gemelijk aan.
„Wat ik zeg,Bill,” antwoordde de dame kalm.
„Kom, jij bent juist de rechte er voor,” drongMr. Sikesaan, „niemand hier in de buurt weet iets van je.”
„En omdat ik niet wil, dat ze iets van me zullen weten, is 't meer neen dan ja met me,Bill,” hernamNancyop denzelfden bedaarden toon.
„Zij zal gaan,Fagin,” zeideSikes.
„Nee, zij gaat niet,Fagin,” zeideNancy.
„Ja, zij gaat,Fagin,” zeiSikes.
EnMr. Sikeskreeg gelijk. Door bedreigingen, beloften en omkooperijen werd de jonge dame in kwestie er eindelijk toe overgehaald, aan de opdracht te voldoen. Zij werd trouwens niet teruggehouden door dezelfde overwegingen als haar beminnelijke vriendin, want daar zij pas kort te voren uit de afgelegen, doch liefelijke voorstadRatcliffenaar de buurt vanField Lanewas verhuisd, bestond voor haar niet hetzelfde gevaar, herkend te worden door één van haar talrijke bekenden.
Dus, met een schort over haar jurk en haar papillotten verborgen onder een strooien luifelhoed—beide kleedingstukken werden geleverd door den onuitputtelijken voorraadvan den Jood—maakteMiss Nancyzich gereed, den tocht te ondernemen.
„Wacht even,” zei de Jood en haalde een gesloten mandje voor den dag. „Neem dat in je ééne hand. Dat staat fatsoenlijker, schatje.”
„Geef haar een huissleutel in haar andere hand,Fagin,” zeideSikes, „dat staat even echt en eerbaar als een toga.”
„Ja, ja, je hebt gelijk,” zei de Jood en hing een grooten huissleutel aan den wijsvinger van de rechterhand der jonge dame. „Daar, prachtig! 't Is heusch prachtig, schatje!” zei de Jood, zich in de handen wrijvend.
„O, m'n broertje! Mijn arm, lief, zoet, onschuldig broertje!” riepNancy, in tranen uitbarstend, terwijl zij het mandje en den huissleutel als in de uiterste ongerustheid over elkander wreef. „Wat is er van hem geworden! Waar hebben ze hem heen gebracht! O heeren, heb toch medelijden en zeg me wat er met den lieven jongen gebeurd is; toe heeren, och toe!”
Nadat zij deze woorden tot onuitsprekelijk vermaak van haar toehoorders op klagelijken, hartverscheurenden toon had uitgestooten, stondMiss Nancyeen oogenblik stil, knipoogde tegen het gezelschap, knikte met een glimlach in 't rond en verdween.
„Ja, dat is een flinke meid, jongens,” zei de Jood, en wendde zich met ernstig hoofdschudden tot zijn jongere vrienden als een zwijgende vermaning tot hen, het schitterende voorbeeld, dat zij juist aanschouwd hadden, na te volgen.
„Zij is een eer voor haar sexe,” zeideMr. Sikes; hij vulde zijn glas en liet zijn geweldige vuist met een slag op de tafel neerkomen. „Op haar gezondheid en dat ze allemaal zoo waren als zij!”
Terwijl deze en vele andere lofspraken op de voortreffelijkeNancywerden gehouden, zocht deze jonge dame zoo vlug ze kon, het politie-bureau op, waar ze,ondanks een lichte natuurlijke schuchterheid, nu ze zoo alleen en onbeschermd door de straten liep, spoedig veilig aankwam. Zij ging er langs den achterkant binnen, klopte zachtjes met den sleutel op één van de celdeuren en luisterde. Binnen werd geen geluid gehoord; zij hoestte en luisterde opnieuw. Nog geen antwoord, dus begon zij te spreken.
„Nolly?” mompeldeNancymet zoete stem, „Nolly?”
Binnen was niemand als een ellendige gevangene zonder schoenen aan zijn voeten, die opgepakt was omdat hij op de fluit speelde en die, nadat dat vergrijp tegen de maatschappelijke orde ten duidelijkste bewezen was, doorMr. Fangtot een maand opzending naar het verbeterhuis was veroordeeld; met de snedige en grappige opmerking, dat de adem, waarvan hij zoo'n overvloed scheen te hebben, beter besteed was aan den tredmolen dan aan een muziekinstrument. Hij gaf geen antwoord, verzonken als hij was in verdriet om het verlies van zijn fluit, die ten algemeenen nutte in beslag genomen was; dus gingNancyverder naar de volgende cel en klopte daar aan.
„Ja!” riep een zwakke, zachte stem.
„Is hier ook een kleine jongen?” vroegNancy, met een snik bij wijze van inleiding.
„Neen,” antwoordde de stem. „Goddank niet.”
Dat was een landlooper van vijf en zestig jaar, die naar de gevangenis ging omdat hijnietop de fluit gespeeld had; of met andere woorden, omdat hij gebedeld had op straat en niets deed voor de kost. In de volgende cel zat een man, die naar dezelfde gevangenis ging, omdat hij zonder vergunning met tinnen pannen had gevent; hij had dus wel gewerkt om aan den kost te komen, maar zonder een gezegelde permissie van het stadsbestuur.
Doch, daar niemand van deze misdadigers antwoordde op den naam vanOliverof iets van hem wisten, wenddeNancyzich rechtstreeks tot den dikken agent met het gestreepte vest; met klagelijk gejammer en gehuil, nog klagelijker gemaakt door een gepast en druk gebruik van den huissleutel en het mandje, vroeg zij naar haar eigen lieve broertje.
„Ikheb hem niet, beste meid,” zei de oude man.
„Waar is hij dan?” gildeNancy, als buiten zichzelf.
„De meneer heeft 'm meegenomen,” antwoordde de agent.
„Welke mijnheer? O goede hemel! Welke mijnheer?” riepNancy.
In antwoord op deze woeste, onsamenhangende ondervraging vertelde de oude man aan de diepbedroefde zuster, datOliverziek was geworden op het bureau, en vrijgelaten na de verklaring van een getuige, dat de diefstal begaan was door een anderen jongen, die niet in hechtenis was en dat de aanklager hem in bewusteloozen toestand had meegenomen naar zijn eigen woning, waarvan de agent alleen wist, dat ze ergens in de buurt vanPentonvillelag; hij had dit woord tot den koetsier hooren zeggen.
In een vreeselijken toestand van vertwijfeling en angst wankelde de jonge vrouw naar de poort; toen veranderde zij haar onzekeren gang in een flinken draf en keerde langs de meest ingewikkelde omwegen, die zij maar bedenken kon, naar het huis van den Jood terug.
Bill Sikeshad nauwelijks den uitslag van den tocht vernomen, of hij riep zijn witten hond, zette zijn hoed op en ging onmiddellijk heen, zonder zelfs tijd te verliezen aan de formaliteit, het gezelschap goedenmorgen te wenschen.
„We moeten weten, waar hij is, jongens, hij moet gevonden worden,” zei de Jood opgewonden. „Charley, je blijft net zoo lang in de buurt rondslenteren, tot je weet waar hij is.Nancy, schatje, hij moet gevonden worden. Ik vertrouw op jou—en op den Slimmen Vos in alles!Wacht,” voegde de Jood erbij, terwijl hij met bevende hand een lade opentrok, „hier is geld. Ik sluit hier vanavond de boel. Jullie weet, waar je me vinden kunt! Blijf geen minuut langer hier! Geen oogenblik!”
Met deze woorden duwde hij hen de kamer uit. Nadat hij de deur achter hen zorgvuldig gesloten had met een dubbel slot en een grendel, haalde hij uit de verborgen plaats het kistje te voorschijn, dat hij tegen zijn bedoeling in aanOliverhad laten zien. Haastig verborg hij de horloges en juweelen onder zijn kleeren.
Een klop op de deur schrikte hem op.
„Wie is daar?” riep hij met schrille stem.
„Ik!” antwoordde de stem van den Vos door het sleutelgat.
„Wat is er?” vroeg de Jood ongeduldig.
„Nancyvraagt, of we hem op moeten pakken en naar 't andere huis moeten brengen,” zei de Vos.
„Ja,” antwoordde de Jood, „waar ze hem maar krijgen kan. Maak maar eerst, dat je hem vindt, dat is 't voornaamste! Ik zal wel weten, wat mij te doen staat, maak je niet ongerust.”
De jongen mompelde een instemmend antwoord en liep haastig naar zijn metgezellen beneden.
„Tot nu toe heeft hij niet gebabbeld,” zei de Jood, terwijl hij met zijn bezigheid voortging. „Als hij ons denkt te verklappen bij zijn nieuwe vrienden, kunnen we hem den mond nog stoppen.”
Bevattende verdere bijzonderheden omtrentOliver'sverblijf bijMr. Brownlow; met de merkwaardige voorspelling, die door zekeren heerGrimwigomtrent hem geuit werd, toen hij voor een boodschap werd uitgezonden.
Oliverkwam spoedig bij uit de flauwte, door den plotselingen uitroep vanMr. Brownlowveroorzaakt; in het volgende gesprek werd het noemen van het portret zoowel doorMr. Brownlowals door juffrouwBedwinzorgvuldig vermeden; zij roerdenOliver'sverleden of omstandigheden niet meer aan, doch spraken over onderwerpen, die hem bezighielden zonder hem op te winden. Hij was nog te zwak om vóór het ontbijt op te staan, maar toen hij den volgenden dag in de kamer van de huishoudster kwam, was het eerste wat hij deed, een gretigen blik naar den muur te werpen, in de hoop, weer het gelaat van de mooie vrouw te zullen zien. Doch zijn verwachtingen werden teleurgesteld, want het schilderij was verdwenen.
„Ja,” zei de huishoudster, toen zij de richting vanOliver'soogen volgde, „'t is weg.”
„Dat zie ik, juffrouw,” antwoorddeOliver. „Waarom is 't weggenomen?”
„'t Is naar beneden gebracht, kindlief;Mr. Brownlowzei, dat 't je onrustig scheen te maken en dat kon je genezing tegenhouden, zie je,” antwoordde de oude dame.
„O, nee, dat zal 't niet. 't Maakte me niet onrustig, juffrouw,” zeiOliver. „Ik keek er zoo graag naar. Ik hield er al van.”
„Nu,” zei de oude dame vriendelijk, „maak dan maar, dat je zoo gauw mogelijk beter bent, dan hangen wij 'tweer op. Heusch! dat beloof ik je! Laten we nu over iets anders praten.”
Dit was alles watOliverop dat oogenblik over het portret te hooren kreeg. Daar de oude dame zoo goed voor hem geweest was in zijn ziekte, deed hij zijn best, er niet meer aan te denken; dus luisterde hij aandachtig naar al de verhalen, die zij hem deed over haar lieve, mooie dochter, die getrouwd was met een knappen, aardigen man en buiten woonde; en over een zoon, die klerk was op een kantoor in West-Indië, die ook zoo'n beste jongen was en vier maal in 't jaar zulke lieve brieven naar huis schreef, dat zij al tranen in haar oogen kreeg als zij er over sprak. Toen de oude dame langen tijd had uitgewijd over de uitmuntende eigenschappen van haar kinderen en bovendien over de verdiensten van haar goeden, besten man, die—God hebbe zijn ziel!—juist zes en twintig jaar geleden gestorven was, werd het tijd om thee te drinken. Na de thee begon zijOlivereen kaartspelletje te leeren; hij leerde het even vlug als zij het onderwees; zij deden het spelletje met veel ernst en aandacht, tot het tijd werd voor den zieke om wat wijn en water te gebruiken met een sneedje geroosterd brood en dan lekkertjes naar bed te gaan.
't Waren gelukkige dagen, terwijlOliverlangzaam herstelde! Alles was zoo rustig en zoo netjes en zoo geregeld; iedereen zoo vriendelijk en hartelijk; na het roezemoezige ongeregelde leven, dat hij tot nu toe geleid had, scheen het hem of hij in den hemel was. Zoodra hij sterk genoeg was om bovenkleeren aan te trekken liet de heerBrownlowzorgen voor een nieuw pak, een nieuwe pet en een nieuw paar schoenen. ToenOliverhoorde, dat hij met de oude kleeren doen mocht wat hij wou, gaf hij ze aan een dienstmeisje, dat bijzonder vriendelijk voor hem geweest was; hij vroeg haar, ze aan een voddenjood te verkoopen; het geld mocht ze houden.Dat deed zij met plezier en toenOliveruit het raam van de huiskamer zag, hoe de Jood ze oprolde, in zijn zak stak en er mee heen ging, bedacht hij met genot, dat ze nu goed en wel weg waren en dat er geen gevaar voor hem bestond, ze ooit weer aan te trekken. Laat ik maar zeggen, dat het ellendige lompen waren;Oliverhad nog nooit een nieuw pak gehad.
Op een avond, ongeveer een week na het geval met het portret, toenOlivermet juffrouwBedwinzat te praten, kwam er een boodschap van beneden vanMr. Brownlow, dat hij graagOliver Twist, wanneer de jongen zich wel genoeg voelde, bij zich in zijn studeerkamer zou zien, om een beetje met hem te praten.
„Wel lieve hemel! Ga je handen wasschen en laat mij netjes een scheiding in je haar maken, jongen,” zei juffrouwBedwin. „Heb ik van me leven! Als we geweten hadden, dat hij om je sturen zou, hadden we je een schoon kraagje omgedaan en gezorgd, dat je er uitzag om door een ringetje te halen!”
Oliverdeed wat de oude dame zeide; zij jammerde er vreeselijk over, dat er niet eens tijd was om de plooitjes van zijn kraagje te pijpen, doch ondanks dit persoonlijke gebrek zag hij er zoo fijn en aardig uit, dat juffrouwBedwin, terwijl zij hem met voldoening van het hoofd tot de voeten bekeek, zoo ver ging te verklaren, dat het bij nadere beschouwing toch niet mogelijk zou geweest zijn, hem er nog beter te doen uitzien.
Zóó aangemoedigd, klopteOliverop de deur van de studeerkamer. Op het „binnen!” vanMr. Brownlow, kwam hij een kleine achterkamer binnen, vol boeken, en met een raam dat in een vriendelijk tuintje uitkeek. Vóór het raam stond een tafel, waaraanMr. Brownlowzat te lezen. Toen hijOliverzag, schoof hij het boek van zich af en zei den jongen, bij de tafel te komen en te gaan zitten.
Oliverdeed dit, terwijl hij zich verwonderd afvroeg, waar de menschen gevonden werden om al de boeken te lezen, die geschreven schenen te zijn om de wereld wijzer te maken. Wat menschen met meer ondervinding danOliver Twistzich nog elken dag afvragen.
„Er zijn hier heel wat boeken,vindje niet, beste jongen?” zeideMr. Brownlow, toen hij opmerkte hoe nieuwsgierigOlivernaar de planken keek, die van den vloer tot den zolder reikten.
„Ja mijnheer,” zeiOliver. „Ik heb er nooit zooveel gezien.”
„Als je goed oppast, mag je ze lezen,” zei de oude heer vriendelijk, „en dat zul je prettiger vinden, dan ze van buiten te bekijken—ten minste in sommige gevallen, want er zijn boeken, waarvan de band en de rug verreweg het beste deel zijn.”
„Dat zijn dan zeker die dikke dáár, mijnheer?” zeiOliveren wees naar eenige groote quarto-deelen, met veel verguldsel op den band.
„Die zijn 't juist niet altijd,” zei de oude heer, terwijl hij met een glimlach overOliver'shoofd streek, „er zijn andere, die net zoo zwaar zijn al zijn ze niet zoo dik. Hoe zou je 't vinden, heel knap te worden en boeken te schrijven?”
„Ik geloof, dat ik ze liever zou lezen, mijnheer,” antwoorddeOliver.
„Wat! zou je niet graag schrijver willen worden?” vroeg de oude heer.
Oliverdacht een oogenblikje na en zeide eindelijk, dat 't hem toch nog prettiger leek, boekhandelaar te worden, waarop de oude heer hartelijk lachte en verklaarde, dat dit een prachtige opmerking was.Oliverwas er blij om, al begreep hij niet, waarom wat hij gezegd had dien naam verdiende.
„Nu, nu,” zei de oude heer, zijn lach bedwingend.
„Wees maar niet bang! We zullen geen schrijver van je maken, zoolang je nog een eerlijk ambacht kunt leeren, of steenenklopper worden.”
„Asjeblieft mijnheer,” zeiOliver.
De oude heer lachte opnieuw om den ernstigen toon van het antwoord en zeide iets over een wonderlijk instinct, waaraanOliver, omdat hij het niet begreep, weinig aandacht schonk.
„En nu,” zeideMr. Brownlowen zijn toon was zoo mogelijk nog vriendelijker, maar tegelijk veel ernstiger, danOlivernog ooit van hem gehoord had, „nu wilde ik graag, dat je goed oplette bij hetgeen ik je ga zeggen. Ik zal zonder eenige terughouding met je spreken; omdat ik er van overtuigd ben, dat je mij even goed zult begrijpen als menig volwassene.”
„O, zeg niet, dat u me wegstuurt, och toe, mijnheer!” riepOliveruit, beangstigd door den ernstigen toon waarop de oude heer begon. „Jaag me niet weer de deur uit om over straat te zwerven. Laat mij hier blijven en voor u werken. Stuur me niet weer naar die ellendige plaats, waar ik vandaan kwam. Heb medelijden met een armen jongen, mijnheer!”
„Lieve jongen,” zei de oude heer, ontroerd door de warmte, waarmeeOliverplotseling zijn medelijden inriep, „je hoeft niet bang te zijn, dat ik je in den steek zal laten, wanneer je er mij geen reden toe geeft.”
„Dat zal ik nooit, nooit doen, mijnheer!” vielOliverin.
„Ik hoop 't niet,” voegde de oude heer er bij. „Ik denk ook niet, dat je 't doen zult. Vroeger ben ik bedrogen in de menschen, die ik goed wilde doen, maar ik voel toch, heel sterk, dat ik jou vertrouwen kan en ik stel meer belang in je, dan ik voor mijzelf verklaren kan. De menschen, aan wie ik mijn innigste liefde heb gegeven, rusten diep in hun graf, maar ofschoon het geluk en de vreugde van mijn leven daar ook in begravenliggen, heb ik geen graf van mijn hart gemaakt en het voor altijd dichtgemetseld voor mijn beste gevoelens. Zij zijn integendeel gelouterd en versterkt door het diepe leed van mijn leven.”
De oude heer sprak deze woorden met zachte stem, meer tot zichzelf dan tot den jongen, en bleef daarna een oogenblik zwijgen.Oliverzat doodstil.
„Kom,” zei de oude heer eindelijk op vroolijker toon, „ik zeg dit alleen maar omdat je een jong hartje hebt; als je weet, dat ik veel verdriet en leed heb gehad, zul je misschien meer oppassen, me niet opnieuw pijn te doen. Je zegt, dat je een wees bent, zonder een vriend in de wereld; alle navragen, die ik heb kunnen doen, bevestigen dit. Laat mij je geschiedenis eens hooren—waar je vandaan komt, wie je opgevoed heeft en hoe je in het gezelschap kwam, waar ik je vond. Spreek de waarheid en je zult niet zonder vrienden zijn zoolang ik leef.”
Oliver'ssnikken belette hem enkele oogenblikken te antwoorden; juist toen hij wilde gaan vertellen, hoe hij in het Buitenhuis opgevoed en doorMr. Bumblenaar het armhuis gebracht was, werd er op een bijzondere manier op de buitendeur geklopt; de dienstbode kwam hard naar boven loopen en diendeMr. Grimwigaan.
„Komt hij boven?” vroegMr. Brownlow.
„Ja mijnheer,” antwoordde het dienstmeisje. „Hij vroeg of er muffins in huis waren en toen ik ja zei, zei mijnheer, dat hij thee kwam drinken.”
Mr. Brownlowglimlachte en vertelde aanOliverdat mijnheerGrimwigeen oud vriend van hem was en dat hij 't zich maar niet aan moest trekken, als de oude heer een beetje ruw in zijn doen was, want in zijn hart was 't een beste man, dat wistMr. Brownlow.
„Zal ik naar beneden gaan, mijnheer?” vroegOliver.
„Neen,” antwoorddeMr. Brownlow, „ik wou liever dat je hier bleef.”
Op dit oogenblik kwam, steunend op een dikken stok, een dikke, oude heer de kamer binnen; hij trok iets of wat met zijn ééne been en was gekleed in een blauwe jas, een gestreept vest, nanking broek, slobkousen van dezelfde stof en een breedgeranden witten hoed, waarvan de rand met groen gevoerd was. Uit zijn vest kwam een fijn geplooide jabot kijken en een lange stalen horlogeketting, waaraan niets hing als een sleutel, die er losjes aan bengelde. De einden van zijn witten halsdoek waren in elkaar gedraaid tot een bal zoo groot als een sinaasappel; de verschillende uitdrukkingen, die zijn gezicht kon aannemen, spotten met elke beschrijving. Hij had een manier, onder het spreken zijn hoofd naar één kant te laten overhellen en tegelijk uit de hoeken van zijn oogen te kijken, die onweerstaanbaar aan een papegaai herinnerde. In deze houding ging hij staan op het oogenblik van zijn binnenkomen; hij hield een stukje sinaasappelschil op armslengte van zich af en riep met brommende, ontevreden stem uit:
„Kijk eens! zie je dat? Is 't toch geen wonder, dat ik geen huis binnen kan komen of ik vind een stukje van deze onnoozele doktershulp op de trap? Aan een sinaasappelschil heb ik het te danken, dat ik kreupel ben en ik weet, dat een sinaasappelschil mijn dood zal zijn. Ik verzeker 't je, een sinaasappelschil zal mijn dood zijn of ik wil mijn eigen hoofd opeten!”
Met dit milde aanbod ondersteunde en bekrachtigde de heerGrimwigbijna elke bewering die hij uitsprak, en dit was te zonderlinger in zijn geval, omdat zelfs, wanneer wij de mogelijkheid toegeven, dat de menschelijke wetenschap het ooit zoo ver zal brengen, iemand in staat te stellen, wanneer hij er lust in heeft, zijn eigen hoofd op te eten—het hoofd van den heerGrimwigzoo buitengewoon groot was, dat de vraatzuchtigste man ter wereld nauwelijks zou durven hopen, het in éénkeer naar binnen te werken—gezwegen nog van de dikke poederlaag.
„Ik wil mijn hoofd opeten,” herhaalde de heerGrimwig, met zijn stok op den vloer stampend. „Hallo! wat hebben we daar?” Hij keekOliveraan en deed een paar stappen terug.
„Dit isOliver Twist, waar we al eens over gesproken hebben,” zei de heerBrownlow.
Oliverboog.
„Dat is toch de jongen niet, die de koorts heeft gehad, hoop ik?” zeide de heerGrimwigen ging nog wat meer achteruit.
„Wacht even! Niet praten! Stil—” stootte de heerGrimwigafgebroken uit, terwijl hij alle angst voor de koorts vergat in de vreugde over zijn ontdekking, „die jongen heeft een sinaasappel gegeten! Als dat de jongen niet is die een sinaasappel heeft gegeten en de schil op de trap neergooide, dan wil ik mijn eigen hoofd opeten en 't zijne er bij.”
„Nee, nee, hij heeft er geen gehad,” zei de heerBrownlowlachend. „Kom, zet je hoed af en praat een woordje met mijn kleine vriendje.”
„Dit onderwerp ligt me na aan 't hart,” zei de driftige oude heer, terwijl hij zijn handschoenen uittrok. „Er liggen altijd sinaasappelschillen in onze straat en ik weet, dat ze daar neergelegd worden door den jongen van den chirurgijn om den hoek. Gisterenavond gleed een jonge vrouw er over uit en viel tegen mijn tuinhekje aan; dadelijk, toen zij opstond, zag ik, dat ze naar zijn duivelsche roode lamp met 't pantomimelicht keek. „Ga niet naar hem toe!” riep ik uit het raam, „hij is een moordenaar! Een levende menschenval!”Dat is hij. Als hij 't niet is..” Hier gaf de driftige oude heer een harden slag met zijn stok op den grond; zijn vrienden dachten daarbij altijd aan zijn gewone aanbod, al werdhet niet in woorden uitgedrukt. Toen ging hij zitten, met zijn stok nog in de hand, sloeg een lorgnon open, dat hij aan een breed zwart lint om den hals droeg en begonOliverop te nemen; de jongen, die merkte dat hij het voorwerp van onderzoek was, kleurde en boog opnieuw.
„Dus dat is de jongen?” vroeg de heerGrimwigeindelijk.
„Dat is de jongen,” antwoordde de heerBrownlow.
„Hoe gaat 't?” vroeg de heerGrimwig.
„Veel beter, dank u mijnheer,” antwoorddeOliver.
De heerBrownlow, die scheen te vermoeden, dat zijn zonderlinge vriend op 't punt was iets onaangenaams te zeggen, vroegOliver, naar beneden te gaan en aan juffrouwBedwinte zeggen, dat de heeren klaar waren om thee te drinken;Oliver, volstrekt niet ingenomen met de manieren van den bezoeker, ging graag.
„Een aardige jongen,vindje niet?” vroeg mijnheerBrownlow.
„Ik weet niet,” antwoordde de heerGrimwignorsch.
„Weet je 't niet?”
„Nee. Ik weet 't niet. Ik zie nooit eenig verschil tusschen de ééne jongen en de andere. Ik ken maar twee soorten van jongens. Jongens met meelgezichten en jongens met biefstukgezichten.”
„En wat isOliver?”
„Een meelgezicht. Een vriend van me heeft een jongen met een biefstukgezicht; een mooie jongen, zeggen ze, met een rond hoofd en roode wangen en glinsterende oogen, een verschrikkelijke jongen; zijn lijf en zijn armen en beenen schijnen altijd uit zijn pak te barsten, hij heeft een stem als een matroos en eet als een wolf. Ik ken hem! de rakker!”
„Kom,” zei de heerBrownlow, „Oliver Twistis heel anders, dus je hoeft je niet kwaad op hem te maken.”
„Best mogelijk!” zeimijnheerGrimwig. „Misschien is hij nog erger.”
De heerBrownlowkuchte ongeduldig, watMr. Grimwigbijzonder vroolijk scheen te stemmen.
„Misschien is hij nog erger, zeg ik,” herhaalde de heerGrimwig. „Waar komt hij vandaan? Wie is hij? Wat is hij? Hij heeft koorts gehad. Wat zou dat? Goede menschen zijn niet de eenige, die koorts krijgen, waar of niet? Slechte menschen krijgen ook wel eens de koorts, waar of niet? Ik heb een man gekend, die in Jamaica is opgehangen omdat hij zijn meester vermoord had. Hij had zes keer de koorts gehad, daarom werd er geen gratie voor hem gevraagd. Bah! Nonsens!”
De waarheid was, dat de heerGrimwigin 't diepst van zijn hart een sterke neiging voelde, te erkennen datOliver'suiterlijk en manieren bijzonder innemend waren, maar hij hield veel van tegenspreken, te meer nu hij een sinaasappelschil had gevonden; en in zichzelf besloten, dat niemand hem voor zou schrijven of een jongen er goed uitzag of niet, legde hij 't er van begin-af op toe, zijn vriend tegen te spreken. Toen de heerBrownlowtoegaf, dat hij nog op geen enkele vraag een voldoend antwoord wist te geven en dat hij alle vragen overOliver'sleven verschoven had, tot de jongen sterk genoeg zou zijn om die ondervraging te kunnen verdragen, gichelde de heerGrimwigkwaadaardig. En hij vroeg honend, of de huishoudster 's avonds het zilver wel telde, want als zij niet op een mooien morgen een paar lepels miste, wou hij met alle plezier.... enzoovoorts.
Ofschoon de heerBrownlowzelf ietwat heftig van aard was, verdroeg hij dit alles—omdat hij de eigenaardigheden van zijn vriend kende—met volkomen goed humeur en daar de heerGrimwigbij de thee zijn goedkeuring te kennen gaf omtrent de muffins, ging alles naar wensch.Oliver, die ook van de partij was,begon zich meer op zijn gemak te voelen in het bijzijn van den driftigen ouden heer.
„En wanneer krijg je nu de ware, volledige en nauwkeurige geschiedenis van het leven en de avonturen vanOliver Twistte hooren?” vroegGrimwigna de thee aan mijnheerBrownlow. Toen hij het onderwerp aanroerde, keek hij schuins naarOliver.
„Morgenochtend,” antwoordde de heerBrownlow. „Ik wou liever dat hij dan alleen met me was. Kom morgenochtend om tien uur bij me, beste jongen.”
„Ja mijnheer,” antwoorddeOliver. Hij antwoordde met een lichte aarzeling;Mr. Grimwigkeek hem zóó strak aan, dat hij er verlegen onder werd.
„Wil ik je eens wat zeggen,” fluisterde deze heerMr. Brownlowin, „hij komt morgenochtend niet bij je. Hij bedriegt je, goede vriend.”
„Ik wil er een eed op doen, dat 't niet zoo is,” antwoordde de heerBrownlowop warmen toon.
„Als 't niet waar is,” zeiMr. Grimwig,„dan wil ik”.... en weer kwam de stok.
„Ik sta er met mijn leven borg voor, dat die jongen de waarheid spreekt,” zei de heerBrownlowmet een slag op de tafel.
„En ik met mijn hoofd, dat hij liegt,” viel de heerGrimwigin, insgelijks met een slag op de tafel.
„We zullen zien,” zei de heerBrownlow, zijn opkomende boosheid bedwingend.
„Dat zullen we,” antwoordde de heerGrimwigmet een uitdagend glimlachje, „dat zullen we.”
Nu wilde het noodlot, dat juffrouwBedwinop dit oogenblik een pakje boeken binnenbracht, die mijnheerBrownlowdien morgen gekocht had van den man van 't boekenstalletje, met wien ons verhaal zich reeds heeft bezig gehouden. Toen zij de boeken op tafel gelegd had, wilde zij weer weggaan.
„Laat den jongen even wachten, juffrouwBedwin!” zei de heerBrownlow, „hij moet wat terug hebben.”
„Hij is al weg mijnheer!” antwoordde juffrouwBedwin.
„Roep hem terug,” zei de heerBrownlow, „er is haast bij. Hij is een arme man en de boeken zijn nog niet betaald. En hij moet een paar boeken mee terug hebben.”
De voordeur werd opengedaan.Oliverliep den éénen kant op en het dienstmeisje den anderen en juffrouwBedwinstond op de stoep om den jongen te roepen; maar er was geen jongen te zien.Oliveren het dienstmeisje kwamen buiten adem terug, om te zeggen, dat hij niet te vinden was.
„Och, wat spijt me dat,” riep de heerBrownlow,„ik had zoo graag, dat hij die boeken van avond nog terugkreeg.”
„LaatOliverze brengen,” zei de heerGrimwigmet een ironischen glimlach, „hij zal ze wel veilig afgeven.”
„Ja, toe mijnheer, laat ik ze asjeblieft wegbrengen,” zeiOliver, „ik zal hard loopen.”
De oude heer was op het punt te zeggen, datOliverin geen geval gaan zou, toen een smalend kuchje van mijnheerGrimwighem deed besluiten, den jongen te laten gaan; opdat hij, door zijn boodschap goed te doen, aanMr. Grimwigineens de ongegrondheid van zijn verdenking zou bewijzen—in dit opzicht ten minste.
„Je zult gaan, beste jongen,” zei de oude heer. „De boeken liggen op een stoel bij mijn tafel. Haal ze even beneden.”
Oliver, blij dat hij iets doen kon, bracht de boeken op een stapel onder zijn arm mee en wachtte met zijn muts in de hand, welke boodschap hij te doen had.
„Je moet zeggen,” zeideMr. Brownlow, met een schuinschen blik naarGrimwig; „je moet zeggen, dat je deze boeken terug komt brengen en dat je meteen de vier pond tien komt betalen, die ik hem schuldig ben.
Hier heb je een bankbiljet van vijf pond, dus moet je mij 10 shillings terugbrengen.”
„Ik blijf geen tien minuten weg, mijnheer!” antwoorddeOliverijverig. Hij knoopte het bankbiljet in de zak van zijn buisje, nam de boeken zorgzaam onder zijn arm, maakte een eerbiedige buiging en ging de kamer uit. JuffrouwBedwinvolgde hem tot de voordeur en gaf hem allerlei instructies omtrent den kortsten weg en den naam van den boekverkooper en den naam van de straat;Oliverzei, dat hij 't best begreep. Nadat de oude dame er nog allerlei raadgevingen aan toe had gevoegd om voorzichtig te zijn en geen kou te vatten, liet zij hem eindelijk gaan.
„God zegene zijn lieve gezichtje!” zei de oude dame, terwijl zij hem nakeek. „'t Is net of ik hem niet kan laten gaan.”
Op dit oogenblik keekOlivervroolijk om en knikte, vóór hij den hoek omsloeg. De oude dame beantwoordde zijn groet met een glimlach, sloot de deur en ging terug naar haar eigen kamer.
„Laat eens zien, op zijn langst is hij in twintig minuten terug”, zei de heerBrownlow, terwijl hij zijn horloge uithaalde en het op tafel legde. „Tegen dien tijd is het donker.”
„Dus je verwacht werkelijk, dat hij terug zal komen?” vroegMr. Grimwig.
„Jij dan niet?” vroeg de heerBrownlowmet een glimlach.
Op dit oogenblik was de geest van tegenspraak sterk in den heerGrimwigen werd nog sterker door den vertrouwenden glimlach van zijn vriend.
„Nee,” zei hij, met zijn vuist op de tafel beukend, „ik denk 't niet. De jongen heeft een nieuw pak kleeren aan zijn lijf, een pak boeken van waarde onder zijn arm en een bankbiljet van vijf pond in zijn zak. Hij gaatnaar zijn oude vrienden, de dieven, en lacht je uit. Als die jongen ooit weer in dit huis terugkomt, wil ik mijn hoofd opeten.”
Met deze woorden trok hij zijn stoel dichter aan de tafel en daar zaten de beide vrienden in stille afwachting, met het horloge tusschen hen in.
Als een bewijs, hoezeer wij hechten aan ons eigen oordeel en met hoeveel trots wij onze meest ondoordachte en haastige conclusies trekken, is het niet onaardig op te merken, dat de heerGrimwig, ofschoon hij volstrekt geen slecht hart had en ofschoon het hem beslist gespeten zou hebben, zijn vriend bedrogen en belogen te zien, toch in dit oogenblik ernstig en vurig hoopte, datOliver Twistniet terug zou komen.
Het werd zoo donker, dat de cijfers op de wijzerplaat bijna niet meer te onderscheiden waren; doch de twee oude heeren bleven zitten, zwijgend, met het horloge tusschen hen in.
Waarin aangetoond wordt hoezeer de vroolijke oude Jood enMiss NancyopOliver Twistgesteld waren.
In de donkere gelagkamer van een gemeene kroeg, in het armelijkste gedeelte vanLittle Saffron Hillgelegen.... een donker, somber hol, waar den heelen winter een flikkerend gaslicht brandde er waar zomers geen zonnestraal binnen drong, zat een man gebogen over een tinnen kan en een glas, die sterk naar drank roken. In den man met zijn fluweelen jas, lakensche korte broek, half hooge laarzen en grijze kousen, zou een bekwaam agent van politie zelfs in dat flauwe licht zonder aarzelenWilliam Sikesherkend hebben. Aanzijn voeten zat een witharige-roodoogige hond, die zich afwisselend er mee bezig hield, met beide oogen knippend zijn meester aan te kijken en een groote versche wond te likken aan den éénen kant van zijn bek, die hij pas geleden in een gevecht scheen opgedaan te hebben.
„Stil mormel! Stil!” zeiSikes, plotseling de stilte verbrekend. Of zijn overpeinzingen zóó diep waren, dat het knipoogen van den hond er storend op werkte, of dat de gevoelens, door zijn overdenkingen gewekt zóó levendig waren, dat zij zich moesten ontspannen door een onnoozel dier te schoppen, dit is een zaak, die lang en breed besproken en beschouwd kan worden. Wat ook de oorzaak zij, het gevolg was een schop en een vloek, die tegelijkertijd op den hond neerkwamen. Honden zijn over het algemeen niet geneigd, wraak te nemen over mishandelingen, hun door hun meesters aangedaan, maar de hond vanMr. Sikes, die hetzelfde humeur had als zijn baas, en in dit oogenblik misschien hevig leed onder het gevoel onrechtvaardig behandeld te zijn, zette terstond zijn tanden in één van de half-hooge laarzen. Nadat hij deze flink heen en weer geschud had, kroop hij knorrend onder een bank terug, juist bijtijds om de tinnen kan te ontgaan, dieSikeshem naar zijn kop gooide.
„Je durft! je durft!” zeiSikes, greep met de ééne hand de pook en knipte met de andere bedaard een groot mes open, dat hij uit zijn zak haalde. „Kom hier aartsduivel! Hier! Hoor je niet?”
De hond hoorde het zeker, wantMr. Sikessprak op den hardsten toon van een harde stem, doch daar het dier er een onverklaarbaren tegenzin in scheen te hebben, zijn hals te laten afsnijden, bleef hij waar hij was en gromde nog woedender dan te voren; tegelijk greep hij het eind van de pook tusschen zijn tanden en beet er op als een wild beest.
Deze tegenstand maakteSikesslechts te woedender; hij liet zich op zijn knieën vallen en begon als een razende op den hond los te slaan. Het dier sprong van rechts naar links en van links naar rechts—happend, grommend en keffend; de man sloeg en stompte, raasde en vloekte, en de strijd dreigde juist noodlottig te worden voor den een of den ander, toen de deur plotseling openging en de hond ontsnapte,Bill Sikesachterlatend met de pook en het knipmes in de hand.
Voor een twist zijn altijd twee partijen noodig, zegt het oude spreekwoord. NuSikesden hond niet meer tegenover zich had, gaf hij dadelijk den binnenkomende diens rol van tegenstander.
„Wat heb jij je met mijn hond en mij te bemoeien?” zeideSikesmet een woest gebaar.
„Ik wist 't niet, gerust, ik wist 't niet,” antwoorddeFaginnederig, want hij was de binnenkomende.
„Wist 't niet, laffe spitsboef!” snauwdeSikes. „Hoorde je dan 't leven niet?”
„Ik heb er niks van gehoord, zoo waar ik leef,Bill,” antwoordde de Jood.
„O nee! Jij hoort niks, natuurlijk niet,” smaaldeSikesmet een woesten grijns. „Jij sluipt altijd in en uit, dat niemand je hoort komen of gaan! Ik wou, dat jij een halve minuut geleden de hond was,Fagin.”
„Waarom?” vroeg de Jood met een gedwongen glimlach.
„Omdat de wet een man zijn hond vrij dood laat maken, maar het leven van een man als jij, die niet half zooveel waard is, beschermt,” antwoorddeSikes, terwijl hij het mes met een veelbeteekenenden blik toeknipte, „nou weet je waarom.”
De Jood wreef zich in de handen, ging bij de tafel zitten en deed of hij lachte om de aardigheid van zijn vriend. Doch hij was klaarblijkelijk allesbehalve op zijn gemak.
„Grijns maar toe,” zeideSikes, terwijl hij de pook neerlegde, en den ander met woeste minachting aankeek, „grijns maar toe. Je zult me nooit kunnen uitlachen of 't moet na een borrel zijn. Ik ben je de baas,Fagin, en voor den duivel, dat zal ik blijven. Daar! Als ik ga, ga jij ook; pas op voor me.”
„Ja, ja, beste jongen,” zei de Jood, „dat weet ik allemaal wel; wij.... wij.... hebben dezelfde belangen,Bill... dezelfde belangen.”
„Hm,” zeiSikes, alsof hij dacht, dat het belang meer aan den kant van den Jood lag dan aan het zijne. „Nou, wat heb je mij te zeggen?”
„'t Is allemaal veilig door de smeltkroes gegaan,” antwoorddeFagin, „en hier is jouw deel. 't Is eigenlijk meer dan je toekwam, jongen, maar ik weet wel, dat je mij een anderen keer weer eens wat toe zult stoppen en....”
„Hou op met je geklets,” viel de roover ongeduldig in. „Waar is 't? Geef op!”
„Ja, jaBill, laat me een beetje tijd,” antwoordde de Jood gedwee. „Hier is 't! Alles in orde!” Terwijl hij sprak, haalde hij een ouden katoenen zakdoek van zijn borst, maakte een grooten knoop aan den éénen hoek los en haalde een bruin pakje te voorschijn.Sikesgriste het uit zijn hand, deed het haastig open en begon de sovereigns te tellen, die er in waren.
„Is dat alles?” vroegSikes.
„Alles,” antwoordde de Jood.
„Heb je soms 't papier opengedaan en er onderweg een paar ingeslikt?” vroegSikesachterdochtig. „Zet maar geen beleedigd gezicht; dat heb je dikwijls genoeg gedaan. Laat 't blik slingeren!”
Deze woorden beteekenden in gewone taal aan de bel te trekken. Een andere Jood verscheen, jonger danFagin, maar bijna even gemeen en terugstootend vanuiterlijk.Bill Sikeswees zwijgend naar de leege drinkkan. De Jood, die den wenk volkomen begreep, ging weg om de kan te vullen; te voren echter had hij een veelbeteekenenden blik metFagingewisseld, die—als had hij er op gewacht—tot antwoord zijn oogen een oogenblik omhoog sloeg en zijn hoofd schudde, zóó onmerkbaar, dat een derde persoon, die er op lette, het nauwelijks gezien zou hebben.Sikesmerkte 't niet op; hij bukte zich juist om zijn schoenriem vast te maken, die de hond had los getrokken. Wanneer hij de korte wisseling van teekens had opgemerkt, zou hij hebben kunnen denken, dat 't hem niets goeds voorspelde.
„Is hier iemand,Barney?” vroegFagin; nuSikestoekeek, sprak hij zonder zijn oogen op te slaan.
„Gheen zhiel,” antwoorddeBarney, wiens woorden—of zij hem uit 't hart kwamen of niet—hun weg door zijn neus vonden.
„Niemand?” vroegFaginop verbaasden toon, die misschien beteekende, datBarneyvrij was, de waarheid te vertellen.
„Nhiemand as juffrouwDadsy,” antwoorddeBarney.
„Nancy!” riepSikesuit. „Waar is ze? Ik mag blind worden, als ik die meid niet hoog stel om haar aangeboren talenten.”
„Ze heeft in de gelagkamer een portie gekookt rundvleesch besteld,” antwoorddeBarney.
„Stuur haar hier,” zeiSikes, terwijl hij een glas drank inschonk. „Stuur haar hier.”
Barneykeek schuchter naarFagin, als om zijn toestemming te vragen; daar de Jood bleef zwijgen en zijn oogen neergeslagen hield, ging hij heen en kwam na een oogenblik terug,Nancynaar binnen duwend; zij was volledig uitgedost met luifelhoed, schort, mandje en huissleutel.
„Ben je op 't spoor,Nancy?” vroegSikes, en bood haar het glas aan.
„JaBill,” antwoordde de jonge dame, den inhoud van het glas naar binnen slaand, „en ik ben er moe van—dáár. 't Jong is ziek geweest en bleef in z'n nest en....”
„ZegNancy,” zeiFaginopkijkend.
Of misschien de bijzondere manier waarop de Jood zijn rossige wenkbrauwen samentrok en zijn diepliggende oogen sloot,miss Nancywaarschuwde, dat zij op 't punt stond, te veel te zeggen, doet er niet veel toe. We behoeven hier alleen het feit te constateeren en dat feit is, dat zij plotseling afbrak en met veel beminnelijke glimlachjes aan het adres vanMr. Sikes, het gesprek op andere dingen bracht. Na ongeveer tien minuten kreegMr. Fagineen hoestbui, waaropNancyhaar doek over haar schouders trok en verklaarde, dat het tijd was om heen te gaan.Sikes, die bedacht, dat hij denzelfden kant uitging als zij, sprak van zijn plan met haar mee te gaan en ze gingen samen weg, op korten afstand gevolgd door den hond, die uit een poort te voorschijn sloop, zoodra zijn meester uit 't gezicht was.
ToenSikesweg was, stak de Jood zijn hoofd uit de kamerdeur; keek hem na, terwijl hij door de donkere gang liep, schudde zijn gebalde vuist achter hem, mompelde een schrikkelijke verwensching en ging toen met een afschuwelijken grijns weer aan de tafel zitten, waar hij zich verdiepte in de interessante verhalen van „het Politieblad.”
Intusschen wasOliver Twist, weinig vermoedend dat de vroolijke oude heer zoo in de buurt was—op weg naar het boekenstalletje. Toen hij inClerkenwellkwam, sloeg hij bij vergissing een zijstraat in, die niet precies naar zijn doel voerde; hij ontdekte zijn vergissing niet, voordat hij halfweg de straat was, maar daar hij bedacht, dat de straat toch in de goede richting liep, vond hij het niet noodig, terug te keeren; dus liep hij door, zoo vlug hij kon, met de boeken onder zijn arm.
Onder het voortloopen dacht hij er over, hoeveel reden hij had, zich gelukkig en tevreden te voelen en wat hij niet zou willen geven om kleinenDickte kunnen zien, die hongerig en geslagen misschien op dit oogenblik bitter schreide.—Plotseling werd hij opgeschrikt door een jonge vrouw, die luidkeels riep: „O, mijn broertje!” En nauwelijks had hij opgekeken om te zien, wat dat beteekende of hij werd vastgegrepen door een paar armen, die zich stijf om zijn nek wrongen.
„Schei uit!” zeiOliveren trachtte zich los te rukken.
„Laat me los! Wie ben je? Waarom hou je me vast?”
Het eenige antwoord was een vloed van jammerklachten van de jonge vrouw die hem omhelsd had en die een mandje en een huissleutel in de hand droeg.
„O God!” zei de jonge vrouw. „Ik heb hem gevonden! O,Oliver! Oliver!Ondeugende jongen, om me zoo in ongerustheid te laten! Ga mee naar huis, lieverd, kom. O, ik heb hem gevonden! Dank aan de hemelsche goedheid, ik heb hem gevonden!”
Bij deze onsamenhangende uitroepen barstte de jonge vrouw opnieuw in huilen uit en begon zoo verschrikkelijk te gillen, dat een paar vrouwen, die op dat oogenblik aan kwamen loopen, aan een slagersjongen, wiens haardos glom van 't vet, vroegen of hij geen dokter zou halen. Waarop de slagersjongen, die van een traag, om niet te zeggen indolent gestel was, antwoordde, dat hij maar niet zou.
„O nee, nee, 't hoeft niet,” zei de jonge vrouw,Oliver'shand vattend. „Ik ben al beter. Ga dadelijk mee naar huis, stoute jongen! Kom!”
„Wat is er eigenlijk gebeurd, juffrouw?” vroeg één van de vrouwen.
„O juffrouw,” antwoordde de jonge vrouw, „hij is een maand geleden weggeloopen van zijn ouders, brave ijverige menschen, om zich bij een bende dieven en andergespuis aan te sluiten; zijn moeder's hart is er bijna door gebroken.”
„Wat een rakker!” zei een van de vrouwen.
„Ga naar huis, kleine deugniet!” zei de ander.
„Dat ben ik niet,” riepOliverangstig. „Ik ken haar niet. Ik heb geen zuster en geen vader en geen moeder.Ik ben een wees, ik woon inPentonville.”
„Hij is er nog trotsch op!” riep de jonge vrouw.
„'t IsNancy!” riepOliver, die nu voor 't eerst haar gezicht zag; in de grootste ontsteltenis deinsde hij achteruit.
„Zie je wel, hij kent me!” riepNancy, zich tot de omstanders wendend. „Hij zei 't voordat hij 't wist. Laat me hem mee naar huis nemen, goeie menschen, of hij zal zijn vader en moeder doen sterven en mijn hart breken!”
„Wat is dat voor den duivel!” zei een man, die uit een bierhuis te voorschijn schoot met een witten hond dicht achter zich. „Oliver! Gauw naar huis, naar je arme moeder, rakker die je bent! Dadelijk naar huis.”
„Ik hoor niet bij ze. Ik ken ze niet. Help! help!” schreeuwdeOliver, worstelend om los te komen uit den krachtigen greep van den man.
„Help!” herhaalde de man. „Ik zal je helpen, schavuit! Wat zijn dat voor boeken? Die heb je zeker gestolen, hè? Geef hier!” Met deze woorden rukte de man de boeken uit Olivers handen en gaf hem een klap op zijn hoofd.
„Goed zoo!” riep een toekijker uit een zolderraampje. „Dat is de eenige manier om 't hem aan zijn verstand te brengen!”
„Zeg dat wel!” riep een timmerman met een slaperig gezicht en wierp een goedkeurenden blik naar het zoldervenster.
„Het zal hem goed doen,” zeiden de twee vrouwen.
„En hij zal 't hebben ook!” voegde de man er bij; hij gafOlivernog een klap en greep hem bij zijn kraag. „Vooruit rakker! Hier Bul-oog, pas op jongen! Pas op!”
Zwak tengevolge van zijn ziekte, verdoofd door de klappen en het plotselinge van den aanval, angstig voor het woeste brommen van den hond en het ruwe optreden van den man, neergeslagen door de overtuiging van de omstanders, dat hij werkelijk de verstokte kleine deugniet was waarvoor hij werd uitgegeven, wat kon het arme kind alleen beginnen?
De duisternis was gevallen; het was een gemeene buurt; geen hulp in de nabijheid; tegenstand was vruchteloos. Het volgende oogenblik werd hij meegetrokken door een doolhof van nauwe donkere stegen; zoo snel werd hij voortgesleept, dat de enkele kreten, die hij nog durfde uiteen, onhoorbaar werden. Het deed er trouwens weinig toe of ze gehoord werden of niet, want er was niemand die er op zou letten, al waren ze nog zoo luid geweest.
De lantarens waren opgestoken; juffrouwBedwinstond ongerust uit te kijken in de open deur, de dienstmeisjes waren twintigmaal de straat opgeloopen om te zien of er eenig spoor vanOliverte vinden was en nog zaten de twee oude heeren in de donkere kamer, het horloge tusschen hen in.