HOOFDSTUK XIX.

WAT IN GEWONE TAAL OVERGEBRACHT, SCHOENPOETSEN BETEEKENDE.WAT IN GEWONE TAAL OVERGEBRACHT, SCHOENPOETSEN BETEEKENDE.

WAT IN GEWONE TAAL OVERGEBRACHT, SCHOENPOETSEN BETEEKENDE.

Of het 't gevoel was van vrijheid en onafhankelijkheid, dat een zedelijk wezen allicht zal ondervinden, wanneer hij in een gemakkelijke houding op een tafel zit, zijn pijp rookend, en één been losjes heen en weer slingerend, terwijl zijn schoenen gepoetst worden zonderzelfs de herinnering aan de moeite ze uit te doen, of het vooruitzicht van de last, ze weer aan te moeten trekken; of dat de goede tabak den Vos zachter stemde of het bier zijn gedachten weeker maakte, zeker is, dat hij voor 't oogenblik in een romantische, levendige stemming verkeerde, die anders vreemd was aan zijn aard. Een korte poos keek hij met een peinzend gezicht opOliverneer; toen hief hij 't hoofd op, loosde een lichten zucht en zeide, half in 't vage, half totCharley:

„Wat jammer, dat hij geen jatter is!”

„Och!” zeiCharles Bates, „hij weet niet, wat goed voor hem is.”

De Vos zuchtte weer en trok aan zijn pijp;Charley Batesdeed hetzelfde. Ze rookten beiden een poosje in stilte voort.

„Ik denk, dat je niet eens weet wat een jatter is?” hernam de Vos op treurigen toon.

„Ik geloof, dat ik 't wel weet,” antwoorddeOliver, opziende.

„Het is een d...., dat ben jij, niet?” vroegOliver, zichzelf in de rede vallend.

„Ik wel,” antwoordde de Vos. „Ik zou er 't land aan hebben wat anders te zijn.” Nadat hij zóó zijn gevoelen had uitgesproken, gaf de Vos zijn hoed een flinken duw en keek naarBates, als om aan te duiden, dat hij hem zeer dankbaar zou zijn, wanneer hij het tegendeel beweerde.

„Ik ben er een,” herhaalde de Vos. „Charleyook.Faginook.Sikesook.Nancyook.Betook. Wij allemaal, tot de hond toe, en hij is de gewikste van de heele troep.”

„En hij babbelt 't minst van allemaal,” voegdeCharley Bateser bij.

„Hij zou nog niet eens blaffen in het getuigenhokje, uit angst zich te verspreken; al sloot je hem er veertien dagen in op zonder eten,” zei de Vos.

„Geen sprake van,” merkteCharleyop.

„'t Is een ferme hond. Kijkt hij iedere vreemde niet woedend aan, die lacht of zingt, waar hij bij is!” ging de Vos voort. „Slaat hij niet aan 't brommen, als hij een viool hoort? En is hij niet kwaadaardig tegen andere honden, die niet van z'n soort zijn? O ja!”

„Hij is op en top een Christen,” zeiCharley.

Dit was alleen bedoeld om aan de goede eigenschappen van den hond recht te doen wedervaren, maar zonder datBateshet wist, lag er nog een andere lofspraak in verscholen, want er bestaan vele heeren en dames, die er op gesteld zijn, op en top een Christen te zijn en tusschen wie sterke en wonderlijke punten van overeenstemming bestaan met den hond vanSikes.

„Kom,” zei de Vos, en keerde met de bedachtzaamheid van zijn vak, die heel zijn wezen kenmerkte, tot het punt van uitgang terug, „kom, dit heeft niets te maken met ons groentje hier.”

„Dat is zoo,” zeiCharley. „Waarom ga je niet bijFaginin de leer,Oliver?”

„En maakt met eigen hand je fortuin,” voegde de Vos er met een grijns bij.

„En bent in staat van je eigen inkomen te leven en fatsoenlijk ook, zooals ik van plan ben te gaan doen in op vier na 't eerste schrikkeljaar dat nu komt en de twee en veertigste Dinsdag van de week der Heilige Drieëenheid”, zeiCharley Bates.

„Ik vind 't niet prettig,” hernamOliververlegen. „Ik wou, dat ze mij weg lieten gaan. Ik.... ik zou liever heengaan.”

„EnFaginhoudt je liever hier,” vielCharleyin.

Oliverwist dit maar al te goed; doch bedenkend, dat het gevaarlijk kon zijn, openlijk voor zijn gevoelens uit te komen, zuchtte hij alleen en ging voort met schoenen poetsen.

„Weggaan!” riep de Vos uit. „Kom, heb je dan geen grijntje eergevoel in je lijf? Zou je heen willen gaan en je vrienden op hun dak willen zitten?”

„O, zwijg daarvan!” zeiBates, twee of drie zijden zakdoeken uit zijn zak halend en ze in een kast mikkend, „dat is tè gemeen; dat is 't.”

„Ikzou 't niet kunnen doen,” zei de Vos op een toon van hooghartigen afkeer.

„Maar je kunt wel je vrienden in den steek laten,” zeiOlivermet een flauwen glimlach, „en ze laten straffen voor wat jij gedaan had.”

„Dat,” wierp de Vos tegen, met zijn pijp wuivend—„dat was alles ter wille vanFagin, omdat de smerissen weten, dat wij samen werken en hij zou in moeilijkheden geraakt zijn als wij ons niet uit de voeten hadden gemaakt; daarom deden wij 't, is 't nietCharley?”

Batesknikte toestemmend en wilde iets zeggen, maar de herinnering aanOliver'svlucht kwam zoo plotseling in hem op, dat de rook uit zijn pijp hem door 't lachen in keel en neus schoot, waardoor hij vijf minuten lang bleef hoesten en met armen en beenen slaan.

„Kijk!” zei de Vos, een handvol shillings en halfpences te voorschijn halend, „we hebben een lollig leventje. Wat doet 't er toe, waar het vandaan komt? Hier pak an; op de plaats, waar het vandaan komt, is der nog genoeg over. Maar jij wil niet natuurlijk. O, wat 'n heerlijke stommerik ben jij!”

„'t Is leelijk, hèOliver?” vroegCharley Bates.„Z'n nek zal 't wel voelen, niet?”

„Ik begrijp je niet goed,” antwoorddeOliver.

„Ik bedoel zóó iets, ouwe jongen,” zeiCharley. Terwijl hij dit zeide, nam jongeheerBateseen punt van zijn halsdoek in de hand, hield deze rechtop in de lucht, liet zijn hoofd op zijn schouder zakken en stootte tusschen zijn tanden een zonderling geluid uit, waarbij hij dooreen levendige pantomimische voorstelling aantoonde, dat hij 't over ophangen had.

„Dat beteekent 't,” zeiCharley. „Kijk hij kijken,Jack! Ik heb nooit zoo'n prachtstuk gezien als dit jongetje hier, die zal me den dood nog andoen; let op wat ik zeg.”Charles Bateslachte opnieuw hartelijk en nam met tranen in de oogen zijn pijp weer op.

„Je hebt 'n slechte opvoeding gehad,” zei de Vos, terwijl hij met voldoening zijn schoenen bekeek, doorOlivergepoetst. „MaarFaginzal toch wel iets van je maken, of jij bent de eerste, waar niets van terecht komt. Je moest nu maar liever dadelijk beginnen, want je komt toch in het vak eer je 't weet; 't is maar tijdverlies,Oliver.”

JongeheerBatesondersteunde dezen raad met velerlei zedelijke overwegingen van hemzelf; toen deze uitgeput waren, gingen hij en zijn vriendDawkinsover tot een gloeiende beschrijving van al de genoegens, die het leven, dat zij leidden, meebracht, doorspekt met allerlei wenken aanOliver, dat het beste wat hij doen kon, was zonder verwijl te trachtenFagin'sgunst te winnen, met dezelfde middelen, die zij tot dat doel gebruikt hadden.

„En houd je dit voor gezegd,Nolly,” zei de Vos, toen de Jood de deur boven opendeed, „als je geen lappen en tiktakken....”

„Wat geeft 't of je zoo al praat?” vielBatesin, „hij weet niet wat je bedoelt.”

„Als jij geen zakdoeken en horloges neemt,” zei de Vos, zijn woorden kiezend volgensOliver'sbegripsvermogen, „dan doet 'n andere kerel 't; dan zijn de kerels, die ze kwijt zijn, der niks beter an toe, en jij ook niet en niemand wordt der 'n steek beter van, behalve de jongens, die ze hebben—en jij hebt er net zoo goed recht op as zij.”

„Juist, juist!” zei de Jood, die binnen was gekomen, zonder doorOlivergezien te worden. „Dat is wijsheid ineen notedop jongen, in een notedop, verlaat je maar op de Vos. Ha! ha! ha! Hij kent de cathechismus van zijn vak.”

Terwijl hij de redeneering van den Vos in deze termen samenvatte, wreef de oude man zich vergenoegd in de handen en gichelde vroolijk om de schranderheid van zijn leerling.

Het gesprek werd voor het oogenblik niet verder voortgezet, want de Jood hadMiss Betsymeegebracht en een jongmensch, dienOlivernog nooit gezien had, maar die door den Vos werd aangesproken alsTom Chilling; hij maakte zijn opwachting na op de trap eenige beleefdheden met de jonge dame gewisseld te hebben.

Chillingwas ouder dan de Vos, misschien telde hij negentien winters, maar hij behandelde den Vos met een zekere onderscheiding, die er op scheen te wijzen, hoe hij zich ietwat de mindere voelde wat geest en vakkennis betreft. Hij had kleine schitterende oogjes en een gezicht, door de pokken geschonden; hij droeg een bonten muts, een donkere geribte jas, een vuile bombazijnen broek en een schootsvel. Zijn garderobe was werkelijk niet veel meer dan lompen, maar hij verontschuldigde zich bij het gezelschap, door er aan te herinneren, dat zijn „tijd” pas een uur geleden om was en dat hij, na zes weken de gevangeniskleeding gedragen te hebben, nog niet veel aandacht aan zijn eigen kleeren had kunnen geven.Chillingvoegde er driftig bij, dat de nieuwe manier om kleeren uit te rooken, die ze er daarginder op nahielden, duivelsch onwettig was, want 't brandde gaten in de kleeren en de regeering gaf er geen vergoeding voor. Hij meende dezelfde opmerking te mogen maken omtrent de nieuwe mode, het haar te knippen; deze hield hij stellig voor onwettig.Chillingbesloot zijn opmerkingen, met vast te stellen, dat hij in geen twee en veertig dagen van hard werken een druppel drank over de lippen hadgehad en dat hij „gehangen wou worden als hij niet zoo droog was als een stokvisch.”

„Waar denk je, dat die meneer vandaan komt,Oliver?” vroeg de Jood met een grijns, terwijl de andere jongens een flesch met drank op tafel zetten.

„Ik.... Ik.... weet niet, meneer,” antwoorddeOliver.

„Wie is dat?” vroegTom Chillingmet een minachtenden blik opOliver.

„Een vriendje van mij, beste jongen,” antwoordde de Jood.

„Dan treft hij 't,” zei de jonge man met een blik van verstandhouding naarFagin. „'t Doet er niet toe, waar ik vandaan kom, jong; je zult er gauw genoeg ook komen, daar verwed ik een kroon onder.”

De jongens lachten om dezen uitval. Na nog eenige grappen over hetzelfde onderwerp, fluisterden zij een oogenblik metFaginen gingen heen.

Nadat de laatst aangekomene enFagineenige woorden gewisseld hadden, trokken zij hun stoelen bij het vuur; de Jood bevalOliver, naast hem te komen zitten en bracht het gesprek op de onderwerpen, die zijne toehoorders 't meest belang inboezemden. Dit waren de groote voordeelen van het vak, de slimheid van den Vos, de innemendheid vanCharley Batesen de gulheid van den Jood zelf. Ten laatste vertoonden deze onderwerpen teekenen geheel uitgeput te zijn; ookMr. Chillinggaf teekenen van moeheid, want het huis van bewaring werkt vermoeiend na een paar weken. Dus gingMiss Betsyheen en liet de anderen vrij om ter rust te gaan.

Van dezen dag af werdOliverzelden alleen gelaten, maar was bijna voortdurend in gezelschap van de twee jongens, die elken dag het oude spelletje met den Jood speelden; of dit tot hun eigen leering of tot die vanOlivergeschiedde, wistMr. Fagin't best.

Een andere keer vertelde de oude man geschiedenissenvan diefstallen, die hij in zijn jonge dagen had gepleegd, en mengde er zooveel in dat mal was en bijzonder, datOliver, of hij wilde of niet, hartelijk lachte, en daarmee toonde dat hij plezier had, al kwam zijn betere gevoel er tegen op.

Kortom, de sluwe oude Jood had den jongen in zijn net; eerst had hij door eenzaamheid en angst zijn geest er toe gebracht, elk gezelschap te verkiezen boven dat van zijn eigen droeve gedachten in zoo'n somber verblijf, nu goot hij langzaam het gif in zijn ziel, dat naar hij hoopte, die ziel zwart zou maken en voor altijd veranderen.

Waarin een gewichtig plan wordt beraamd en tot de uitvoering ervan besloten.

Het was een kille, vochtige, winderige avond, toen de Jood uit zijn hol kwam; zijn manteljas had hij dicht om zijn verschrompeld lichaam geknoopt en de kraag opgetrokken tot aan zijn ooren, zoodat het benedengedeelte van zijn gezicht verborgen bleef. Terwijl de deur achter hem werd gesloten en gegrendeld, bleef hij luisterend op de stoep staan, tot de jongens binnen alles verzekerd hadden en hun heengaande voetstappen niet langer te hooren waren; toen sloop hij zoo vlug hij kon de straat uit.

Het huis, waarheenOlivergebracht was, lag in de buurt vanWhitechapel. De Jood bleef een oogenblik staan op den hoek van de straat; voorzichtig om zich heen spiedend, stak hij de straat over en sloeg af in de richting vanSpitalfields.

De modder lag dik op de steenen en een zwarte mist hing over de straten; de regen viel loom neer en allesvoelde koud en klam aan. Het scheen juist de geschikte avond voor een wezen als de Jood om op pad te zijn. Terwijl hij tersluiks voortgleed, kruipend in de schaduw van muren en portieken, geleek de leelijke oude man op een of ander walgelijk ongedierte, voortgebracht door de modder en duisternis, waarin hij zich bewoog, in den nacht voortkruipend om zich een maal van afval te zoeken.

Door vele kronkelende, nauwe straatjes zette hij zijn tocht voort, tot hijBethnal Greenbereikte; toen plotseling links omslaande, verdween hij spoedig in een warnet van gemeene, vuile straatjes, zooals ze in die dichtbevolkte buurt bij massa's te vinden zijn. De Jood was klaarblijkelijk zoo bekend met den weg, dien hij volgde, dat hij noch door de duisternis van den nacht, noch door de moeielijkheden van den weg in de war gebracht werd. Hij liep haastig voort door verschillende steegjes en straatjes en sloeg eindelijk een steeg in, die verlicht werd door één enkele lantaarn aan het andere eind. Hij klopte op de deur van een huis in deze straat; na een paar gemompelde woorden gewisseld te hebben met den persoon, die open deed, liep hij naar boven. Een hond bromde, toen hij de kruk van een kamerdeur aanraakte en een mannenstem vroeg, wie er was.

„Ik ben 't maar,Bill, ik ben 't maar, jongen,” zei de Jood, naar binnen kijkend.

„Kom der dan heelemaal in,” zeiSikes. „Lig stil, stom mormel! Ken je den duivel niet, als hij een manteljas om heeft?”

Klaarblijkelijk was de hond eenigszins in de war geraakt door de uiterlijke kleeding vanMr. Fagin, want toen de Jood de jas losknoopte en over een stoelleuning gooide, ging hij terug naar den hoek, waar hij uit te voorschijn was gekomen, onderwijl kwispelstaartend om aan te toonen, dat hij zoo vriendelijk gestemd was als bij zijn aard mogelijk was.

„Nou!” begonSikes.

„Nou, beste jongen,” antwoordde de Jood. „Ha,Nancy.” De laatste begroeting werd met juist genoeg verlegenheid uitgesproken om twijfel uit te drukken, hoe ze ontvangen zou worden; wantMr. Faginen zijn jonge vriendin hadden elkaar niet ontmoet, sinds zij ten behoeve vanOlivertusschenbeide was gekomen. Alle twijfel dienaangaande, als hij werkelijk twijfelde, verdween dadelijk door de houding van de jonge dame. Zij trok haar voeten van het haardijzer, schoof haar stoel terug en beduiddeFagin, dat hij de zijne bij het vuur zou schuiven, zonder er lang over te praten; want het was stellig een koude avond.

„Hetiskoud,Nancy-lief,” zei de Jood, terwijl hij zijn beenige handen boven het vuur warmde. „'t Is of 't door je heen gaat,” voegde de oude man er bij, over zijn zij strijkend.

„'t Mag wel zoo scherp als een boor zijn als 't door jouw ribbekast heengaat,” zeideMr. Sikes. „Geef hem wat te drinken,Nancy. Alle duivels, maak voort. 't Is genoeg om een man ziek te maken, dat magere oude karkas zoo te zien bibberen als een afschuwelijke geest, die net uit zijn graf is gekomen.”

Nancybracht haastig een flesch uit een kast, waar er verscheidene in stonden, die, te oordeelen naar hun verschillend uitzicht, gevuld waren met verschillende soorten drank.Sikesschonk een glas brandewijn in en beval den Jood, het uit te drinken.

„Ik heb al genoeg, dank jeBill,” zei de Jood, en zette het glas neer, nadat hij er nauwelijks zijn lippen aan had gezet.

„Wat! Je bent bang, dat wij je de baas zullen zijn, is 't niet?” vroegSikesen richtte zijn oogen op den Jood. „Bah!”

Met een ruwe grauw vol minachting greepSikeshetglas en gooide de rest van zijn inhoud in de asch: dit als een voorbereidende plechtigheid, om 't voor zichzelf te vullen, wat hij onmiddellijk deed.

De Jood keek de kamer rond, terwijl de ander het tweede glas vol naar binnen sloeg; niet uit nieuwsgierigheid, want hij had de kamer al dikwijls gezien, maar op een rustelooze, wantrouwende wijze, die hem eigen was. Het vertrek was armelijk gemeubeld; alleen de inhoud van de kast wekte het vermoeden, dat de bewoner iets anders was dan een arbeider; de eenige verdachte voorwerpen, die te zien waren, waren twee of drie dikke met lood beslagen knuppels, die in een hoek stonden, en een boksbeugel, die boven den schoorsteenmantel hing.

„Zoo,” zeiSikes, met zijn lippen smakkend. „Ik ben klaar.”

„Voor zaken?” vroeg de Jood.

„Voor zaken,” antwoorddeSikes. „Dus zeg, wat je te zeggen hebt.”

„Over dat huis inChertsey, Bill?” zei de Jood, zijn stoel naar voren schuivend, terwijl hij op zeer zachten toon sprak.

„Ja? Wat heb je daarover te zeggen?” vroegSikes.

„Je weet, wat ik zeggen wil, beste jongen,” zei de Jood. „Hij weet 't wel, is 't nietNancy?”

„Nee, hij weet 't niet,” smaaldeSikes. „Of hij wil 't niet weten en dat is hetzelfde. Spreek op en noem de dingen bij hun naam; zit daar niet te stotteren en te hakkelen en in dubbelzinnigheden te praten, net of jij niet de eerste bent geweest, die over die diefstal heeft gedacht. Wat heb je te zeggen?”

„St,Bill! St!” zei de Jood, die tevergeefs getracht had, deze uitbarsting van verontwaardiging tegen te houden; „ze zullen ons hooren, jongen. Ze zullen ons hooren.”

„Laat ze ons hooren!” zeiSikes, „'t kan mij nietschelen.” Doch daar 'tMr. Sikesbij eenig nadenken toch wel kon schelen, dempte hij zijn stem terwijl hij de woorden sprak en werd bedaarder.

„Nou, nou,” zei de Jood vleiend. „'t Is alleen mijn voorzichtigheid, anders niets. Nou, wat dat huis inChertseybetreft, wanneer moet 't gebeuren,Bill? Wanneer moet 't gebeuren? Zilver, dat daar is, jongen, zilver!” zei de Jood, terwijl hij zich in de handen wreef er in een heerlijk voorgevoel zijn wenkbrauwen optrok.

„Heelemaal niet,” antwoorddeSikeskoeltjes.

„Moet 't heelemaal niet gebeuren!” echoode de Jood, achteroverleunend in zijn stoel.

„Nee, heelemaal niet,” herhaaldeSikes. „Tenminste 't zal niet zoo'n licht karweitje zijn als we dachten.”

„Dan is 't niet goed angepakt,” zei de Jood, bleek van woede. „Vertel 't me maar niet.”

„Ik wil 't je vertellen,” wierpSikestegen. „Waarom zou ik 't jou niet vertellen? Ik zeg je, datToby Crackital veertien dagen om de plek heeft rondgehangen en hij kan niemand van de bedienden te pakken krijgen.”

„Wil je zeggenBill,” zei de Jood, gedweeër wordend nu de ander zich opwond, „dat geen van de twee mannen in 't huis te winnen waren?”

„Ja, dat wil ik zeggen,” antwoorddeSikes. „De oude dame heeft ze al twintig jaar in dienst, en al gaf je ze vijfhonderd pond, dan deden ze 't nog niet.”

„Maar wil je zeggen,” hield de Jood vol, „dat de vrouwen niet te winnen zijn?”

„Geen kwestie van,” antwoorddeSikes.

„Niet door de mooieToby Crackit?” vroeg de Jood ongeloovig. „Bedenk hoe vrouwen zijn,Bill.”

„Nee, zelfs niet door mooieToby Crackit,” antwoorddeSikes. „Hij zegt, dat hij al de lieve tijd, dat hij daar rondgeslenterd heeft, valsche bakkebaarden eneen kanariegeel vest heeft aangehad, maar 't helpt allemaal niks.”

„Hij had een knevel moeten nemen en een uniformbroek,” zei de Jood.

„Dat heeft ie gedaan,” vielSikesin,„en 't hielp net zoo min als 't andere.”

Bij dit bericht keek de Jood strak vóór zich uit. Na een paar minuten met de kin op de borst te hebben nagedacht, hief hij 't hoofd op, en zeide met een diepe zucht, dat als mooieToby Crackitde waarheid zei, 't plan wel opgegeven zou moeten worden.

„En toch,” zei de oude man, terwijl hij zijn handen op zijn knieën liet zakken, „'t is een hard ding, beste jongen, zooveel op te geven, waar we eenmaal onze zinnen op gezet hadden.”

„Dat is 't,” zeiSikes. „'n Tegenvaller.”

Een lange stilte volgde, gedurende welke de Jood in diep nadenken bleef verzonken; op zijn gezicht kwam een uitdrukking van echt duivelsche schurkachtigheid.Sikeskeek van tijd tot tijd tersluiks naar hem.Nancy, die blijkbaar bang was, den inbreker boos te maken, hield haar oogen op het vuur gericht, alsof zij doof was geweest voor alles wat er gebeurde.

„Fagin,” zeiSikes, plotseling de stilte verbrekend, „is 't twaalf goudvinken extra waard als 't veilig van buiten af gebeuren kan?”

„Ja,” zei de Jood, alsof hij plotseling opleefde.

„De koop gesloten?” vroegSikes.

„Ja jongen, ja,” stemde de Jood toe; zijn oogen glinsterden en elke vezel van zijn gezicht trilde door de opwinding, die de vraag in hem had gewekt.

„Dan,” zeideSikes, terwijl hij met iets als minachting de hand van den Jood wegduwde, „dan kan 't beginnen zoodra je wil.Tobyen ik zijn eergisterennacht over den tuinmuur geklommen om de paneelen van de deuren de luiken te onderzoeken. De kast is 's nachts gegrendeld als een gevangenis, maar d'r is één plaats, waar we in kunnen komen, veilig en wel.”

„Waar is die,Bill?” vroeg de Jood gretig.

„Nou,” fluisterdeSikes, „als je over 't grasveld loopt.”

„Ja, ja,” zei de Jood met voorovergebukt hoofd, terwijl zijn oogen bijna uit de kassen puilden.

„Ph!” riepSikesen brak af, toen het meisje met een lichte hoofdbeweging plotseling om zich heen keek en een oogenblik naar het gezicht van den Jood wees. „'t Doet er niet toe, waar 't is. Je kan 't niet doen zonder mij, dat weet ik; maar 't is 't best voorzichtig te zijn, als je met jou te doen hebt.”

„Zoo as je wil jongen, zoo as je wil,” hernam de Jood. „Is er niemand meer bij noodig as jij enToby?”

„Nee,” zeiSikes. „Behalve een breekijzer en een jongen. 't Eerste hebben we, voor de tweede moet jij zorgen.”

„Een jongen!” riep de Jood. „O, dus 't is een paneel?”

„Doet er niet toe,” hernamSikes. „Ik moet een jongen hebben en geen groote. Drommels!” zeiMr. Sikespeinzend, „had ik die jongen maar van Ned, den schoorsteenveger! Hij hield hem expres klein en verhuurde hem voor 't werk. Maar de vader raakte in de doos en toen komt de Vereeniging voor jeugdige misdadigers en neemt den jongen weg uit een vak, waar hij geld verdiende, om hem lezen en schrijven te leeren en mettertijd een leerjongen van hem te maken. En zoo gaat 't maar door,” zeiMr. Sikes, terwijl zijn woede toenam bij de herinnering aan al het onrecht, dat hem geschied was, „zoo gaan ze maar door en als ze geld genoeg hadden, (wat ze God zij dank niet hebben) zouden we over twee jaar geen half dozijn jongens meer in 't vak hebben.”

„En wij ook niet,” viel de Jood in, die onder het spreken van den ander had zitten peinzen en alleen den laatsten zin had opgevangen. „Bill!”

„Wat?” vroegSikes.

De Jood knikte met 't hoofd in de richting vanNancy, die nog in 't vuur zat te staren, en duidde door een wenk aan, hoe hij graag wou dat ze uit de kamer werd gestuurd.Sikeshaalde ongeduldig de schouders op, alsof hij de voorzorg onnoodig vond, maar voldeed toch aan het verzoek, door aanMiss Nancyte vragen, hem een kruik bier te halen.

„Je hebt geen bier noodig,” zeiNancy; ze sloeg haar armen over elkaar en bleef doodbedaard zitten.

„Dat heb ik wel,” antwoorddeSikes.

„Nonsens,” herhaalde het meisje koeltjes. „Ga maar door,Fagin. Ik weet, wat hij zeggen wil,Bill; hij hoeft zich om mij niet te geneeren.”

De Jood aarzelde nog.Sikeskeek met lichte verwondering van den een naar de ander.

„De meid zit je niet in de weg, welFagin?” vroeg hij eindelijk. „Je kent haar lang genoeg om haar te vertrouwen—of de duivel zit er achter. Zij is der geen om te kletsen. Is 't wel,Nancy?”

„Dat zou ik ook denken!” antwoordde de jonge dame, terwijl zij haar stoel bij de tafel trok en haar ellebogen er op steunde.

„Nee, nee, meid, dat weet ik wel,” zei de Jood; „maar—” en weer aarzelde de oude man.

„Maar wat?” vroegSikes.

„Ik weet niet, of ze misschien niet weer zoo te keer zal gaan, net als laatst op die avond,” hernam de Jood.

Bij deze bekentenis barstteNancyin een luid gelach uit; ze slurpte een glas brandewijn, schudde haar hoofd met iets uitdagends en barstte uit in allerlei uitroepen als: „Hou 't spel an de gang!” „Heb maar lef!” en zoo meer. Dit scheen beide heeren gerust te stellen, want de Jood knikte voldaan en ging weer zitten enSikesdeed hetzelfde.

„NouFagin,” zeiNancylachend, „zeg 't nou maar dadelijk anBillvanOliver.”

„Hè, jij bent 'n snuggere meid; de slimste, die ik ooit gezien heb,” zei de Jood en klopte haar op den schouder. „Ik wou overOliverpraten, dat 's waar.... Ha! ha! ha!”

„Wat is er met hem?” vroegSikes.

„Dat is de jongen, die je hebben moet,” antwoordde de Jood heesch fluisterend, terwijl hij zijn vinger tegen zijn neus legde en verschrikkelijk grijnsde.

„Hè?” riepSikes.

„Neem hem,Bill!” zeiNancy. „Ik zou 't zeker doen in jouw plaats. Hij is misschien niet zoo geslepen als de anderen, maar dat heb je niet noodig, als hij maar een deur voor je open doen kan. Geloof meBill, je kan hem vertrouwen.”

„Dat is zoo,” voegdeFaginer bij. „Hij heeft de laatste weken 'n goeie school gehad en 't wordt tijd, dat hij gaat werken voor zijn brood. En dan.... de anderen zijn allemaal te groot.”

„Ja, wat grootte betreft, is hij net wat ik hebben moet,” zeiSikespeinzend.

„En hij zal alles doen wat je wilt,Bill,” viel de Jood in, „hij kan niet tegen je op. Dat is te zeggen als je hem flink bang maakt.”

„'m Bang maken!” herhaaldeSikes. „Laat dat maar aan mij over; aan bang zijn zal 't niet mankeeren. Zie ik iets bijzonders aan hem als we eenmaal aan 't werk zijn, dan gaat hij er om koud. Dan zie je hem niet levend weer,Fagin. Denk daarom vóór je hem stuurt. Denk erom!” zei de roover, terwijl hij een zwaar breekijzer zwaaide, dat hij van onder de bedstee te voorschijn had gehaald.

„Daar heb ik allemaal an gedacht,” zei de Jood vastbesloten. „Ik heb 'm goed waargenomen, lieve menschen,heel goed. Laat hem maar eenmaal voelen dat hij één van de onzen is, breng maar eenmaal het denkbeeld in zijn hoofd, dat hij een dief is, en hij is ons! Voor zijn leven. O jé! 't kon niet beter treffen!” De oude man sloeg de armen over elkaar, trok zijn hoofd in zijn schouders en verkneukelde zich van pret.

„Ons!” zeiSikes. „Van jou, meen je.”

„Misschien meen ik dat wel, beste jongen,” zei de Jood met een schrillen lach. „De mijne, als je wilt,Bill.”

„En waarom,” zeiSikesmet een woesten grijns naar zijn beminnelijken vriend, „waarom doe je zooveel moeite voor één melkmuil van een jongen, terwijl je weet, dat er elken nacht vijftig jongens omCommon Gardenzwerven, waar je maar uit te kiezen hebt?”

„Omdat ik die niet gebruiken kan, beste jongen,” antwoordde de Jood met lichte verlegenheid, „ze zijn de moeite niet waard. Hun gezicht verraadt ze als ze der in vliegen en ik raak ze allemaal kwijt. As ik deze jongen goed aanpak, kan ik met hem doen, wat ik met twintig van die anderen niet kan. Bovendien,” zei de Jood, zijn zelfbeheersching herwinnend, „als hij er vandoor gaat, kan hij er ons nou nog in laten loopen en hij moet met ons in hetzelfde schuitje varen. 't Doet er niet toe, hoe hij er bij komt, als hij maar in een diefstal betrokken is; dat is alles wat ik noodig heb om macht over hem te krijgen. Nou, 't is veel beter dan de arme jongen uit den weg te moeten ruimen—'t zou gevaarlijk zijn en we zouden er nog bij verliezen ook.”

„Wanneer moet het gebeuren?” vroegNancy, en hield hiermee den een of anderen razenden uitroep vanSikestegen, waarin deze zijn afkeer wilde uitdrukken voorFagin'sbetuiging van menschelijkheid.

„Ja,” zei de Jood, „wanneer moet 't gebeuren,Bill?”

„Ik heb metTobyplan gemaakt voor overmorgennacht,” antwoorddeSikesgemelijk, „als hij 't tegendeel niet van me hoort.”

„Goed,” zei de Jood, „er is geen maan.”

„Nee,” hernamSikes.

„En is het al in orde gemaakt, waar 't vrachtje heengaat?” vroeg de Jood.

Sikesknikte.

„En....”

„O, ja, alles is in orde,” vielSikeshem in de rede. „Vraag geen bijzonderheden. Je moet de jongen morgenavond hier brengen. Ik ga een uur na 't aanbreken van den dag op weg. Jij houdt je mond en zet de smeltkroes klaar; dat 's alles wat je te doen hebt.”

Na eenige bespreking, waar alle drie aan deel namen, werd besloten, datNancyden volgenden avond, als 't donker was, naar den Jood zou komen enOlivermeenemen;Faginmerkte sluw op, dat de jongen, als hij geen zin had in 't werk, eer met het meisje mee zou gaan, dat laatst voor hem in de bres was gesprongen,dan met iemand anders ter wereld. Het werd ook plechtig vastgesteld, dat de armeOlivervoor deze onderneming zonder eenig voorbehoud onder de hoede vanMr. William Sikesgesteld zou worden en verder dat genoemdeSikesmet hem zou handelen, zooals hem 't meest geschikt voorkwam en door den Jood niet verantwoordelijk zou worden gesteld voor welk ongeluk of kwaad hem ook zou overkomen of eenige straf waarmee hij misschien bestraft zou moeten worden. Het sprak van zelf, dat om de overeenkomst in dit opzicht bindend te doen zijn, alle berichten, dieMr. Sikesbij zijn terugkomst zou geven, op alle voorname punten bevestigd moesten worden door het getuigenis vanToby Crackit.

Nadat deze voorbereidingen gemaakt waren, zetteMr. Sikeshet op een drinken en speelde op angstwekkende wijze met het breekijzer; tegelijk stootte hij alleronmuzikaalsteliederen uit, afgewisseld door wilde kreten. Eindelijk, in een soort enthousiasme voor zijn vak, stond hij er op, zijn kist met inbrekerswerktuigen voor den dag te halen; hij was er nauwelijks mee binnen gezwaaid en had de kist open gedaan, met de bedoeling aard en doel te verklaren van de verschillende instrumenten er in en de bijzondere schoonheden van hun constructie, toen hij over de kist heen op den vloer viel en insliep waar hij lag.

„GoeiennachtNancy,” zei de Jood en stopte zich weer in als toen hij kwam.

„Goeiennacht.”

Hun oogen ontmoetten elkaar en de Jood keek haar scherp aan. Hij behoefde niet aan het meisje te twijfelen. Ze was even waar en ernstig bij de zaak alsToby Crackitzelf maar zijn kon.

De Jood wenschte haar nog eens goeden nacht, gaf, achter haar rug, een schuwe trap tegen het achterlijf vanMr. Sikesen stommelde naar beneden.

„Zoo gaat 't altijd,” mompelde de Jood in zichzelf, terwijl hij naar huis terugkeerde. „Het ergste van zulke vrouwen is, dat er maar heel weinig noodig is om een lang vergeten gevoel weer in ze op te wekken; en 't beste is, dat 't nooit lang duurt. Ha! ha! De man tegen 't kind voor een zak goud!”

Zich den tijd kortend met dergelijke aangename overpeinzingen, liepMr. Fagindoor dik en dun naar zijn somber verblijf, waar de Vos nog opzat en ongeduldig op zijn thuiskomst wachtte.

„IsOlivernaar bed? Ik moet hem spreken,” waren zijn eerste woorden toen zij de trappen afgingen.

„Al uren geleden,” antwoordde de Vos, een deur opengooiend. „Hier is hij!”

De jongen lag vast in slaap op een armelijk bed op den grond, zoo bleek door angst, verdriet en gebrekaan lucht in zijn gevangenis, dat hij gestorven leek; niet zooals de dood er uitziet in lijkkleed en doodkist, maar in de gedaante, die hij aanneemt, wanneer het leven juist gevloden is; als een jonge, teedere geest juist naar den hemel is gevaren en de grove lucht van de aarde nog geen tijd heeft gehad de stof te veranderen, die door den geest geheiligd werd.

„Nu niet,” zei de Jood en keerde zich zachtjes om. „Morgen. Morgen.”

WaarinOliveraanMr. William Sikeswordt overgeleverd.

ToenOliverden volgenden morgen wakker werd, zag hij met groote verbazing, dat er een nieuw paar schoenen met sterke dikke zolen naast zijn bed stonden en dat zijn oude schoenen waren weggenomen. Eerst was hij blij met die ontdekking en hoopte, dat het de voorbode mocht zijn van zijn bevrijding; maar die gedachte verdween spoedig, toen hij met den Jood alleen aan 't ontbijt zat en deze hem vertelde, op een toon en met gebaren, die zijn ongerustheid nog vergrootten, dat hij dien avond naar de woning vanBill Sikesgebracht zou worden.

„Om.... om.... er te blijven, meneer?” vroegOliverangstig.

„Nee, nee, jongenlief. Niet om er te blijven,” antwoordde de Jood. „Wij zouden je niet graag kwijt zijn. Wees maar niet bangOliver, je komt weer bij ons terug. Ha! ha! ha! We zullen zoo wreed niet zijn, je weg te jagen, lieverd. O nee, nee!”

De oude man, die over het vuur stond gebogen om een stukje brood te roosteren, keek op terwijl hijOliveraldus bespotte, als om te toonen, hoe hij heel goed wist, datOliverdolgraag weg zou gaan als hij kon.

„Ik denk,” zei de Jood, terwijl hij zijn oogen opOliverrichtte, „dat je wel graag zult willen weten, waarom je naarBilltoegaat.... is 't niet, lieverd?”

Oliverkleurde onwillekeurig, nu hij zag, dat de oude schurk zijn gedachten raadde, maar hij zeide dapper: „Ja, ik zou 't graag weten.”

„Wat denk je?” vroegFagin, de vraag ontwijkend.

„Ik weet 't gerust niet, meneer,” antwoorddeOliver.

„Bah!” zei de Jood en wendde zich, na het gezicht van den jongen bestudeerd te hebben, teleurgesteld af. „Wacht dan maar, totBill't je zegt.”

Het scheen den Jood erg tegen te vallen, datOliverniet meer nieuwsgierigheid aan den dag legde; doch de waarheid is, datOliver, ofschoon hij 't graag weten wilde, te zeer in de war was gebracht door de ernstige sluwheid vanFagin'strekken en door zijn eigen vermoedens, om op 't oogenblik verder te durven vragen. Er kwam geen andere gelegenheid, want de Jood bleef norsch en stil tot aan den avond, toen hij zich gereed maakte om uit te gaan.

„Je kan een kaars aansteken,” zei de Jood en zette er een op tafel. „En hier is een boek voor je om te lezen, tot zij je komen halen. Goeienavond!”

„Goeienavond!” antwoorddeOliverzacht.

De Jood ging naar de deur en keek onder het weggaan over zijn schouder heen naar den jongen. Plotseling bleef hij staan en riep hem bij zijn naam.

Oliverkeek op; de Jood wees naar de kaars en wenkte dat hij haar op zou steken. Hij deed het en zag, toen hij de kandelaar op tafel zette, hoe de Jood hem vanuit een donkeren kamerhoek met saamgetrokken wenkbrauwen strak aankeek.

„Pas op,Oliver! pas op!” zei de oude man, terwijl hijzijn rechterhand op waarschuwende wijze heen en weer bewoog. „Hij is een ruwe man en geeft niets om bloed als zijn eigen bloed verhit is. Wat er ook gebeurt, zeg niets en doe wat hij je zegt. Denk er om!”

Hij gaf sterken nadruk aan de laatste woorden en liet toen zijn trekken zich langzamerhand tot een afzichtelijken grijns ontspannen; met een hoofdknik ging hij de kamer uit.

Toen de oude man verdwenen was, leundeOlivermet 't hoofd op de hand en dacht met een bevend hart na over de juist gehoorde woorden. Hoe meer hij nadacht over de vermaning van den Jood, hoe minder hij er het ware doel en de ware beteekenis van begreep. Hij kon zich geen slecht doel denken, waarmee hij naarSikeswerd gezonden, dat niet evengoed te bereiken was, als hij bijFaginbleef; na langen tijd kwam hij tot de slotsom, dat hij gekozen was om enkele gewone knechtsdiensten bij den inbreker te verrichten, totdat deze een anderen jongen, die beter geschikt was, zou hebben gevonden. Hij was te veel gewend aan lijden en had te veel geleden in zijn tegenwoordig verblijf, om het vooruitzicht op verandering hevig te betreuren. Hij bleef eenige oogenblikken in gedachten verdiept; toen, met een diepen zucht, snoot hij de kaars, nam het boek, dat de Jood voor hem had achtergelaten en begon te lezen.

In 't begin sloeg hij half achteloos de bladzijden om, maar aangetrokken door een passage, die hem boeide, was hij spoedig verdiept in het boek. Het was de geschiedenis van het leven en de daden van groote misdadigers; de bladen waren beduimeld en vuil door het gebruik. Hier las hij van vreeselijke misdaden, die zijn bloed deden stilstaan; van sluipmoorden gepleegd langs den weg; van lichamen, voor het oog der menschen verborgen in diepe putten en bronnen, doch hoe diep dezeook waren, toch hielden zij de lichamen niet in hun diepte, maar gaven ze na vele jaren terug en deden de moordenaars zóó ontzet staan, dat zij in hun angst de misdaad bekenden en om de galg smeekten, ten einde hun wroeging te doen ophouden. Hier las hij ook van menschen die, in den donkeren nacht in hun bed liggend, door hun eigen booze gedachten, (naar zij zeiden) zóó verzocht en verleid werden tot zulke ontzettende misdaden, dat de gedachte er aan iemand deed huiveren en klappertanden. De vreeselijke beschrijvingen waren zoo werkelijk en levendig, dat de vuile bladen rood schenen te worden van bloed en de woorden op de bladzijden klonken hem in de ooren, alsof zij door de geesten der dooden met holle stem gefluisterd werden.

Dol van angst sloot de jongen het boek en schoof het van zich af. Toen viel hij op zijn knieën en smeekte den Hemel, hem voor zulke misdaden te bewaren en hem liever dadelijk te doen sterven dan hem in het leven te laten om tot zulke vreeselijke, ijselijke misdaden te komen. Allengs werd hij kalmer en smeekte met zachte, gebroken stem, gered te mogen worden uit de gevaren, die hem bedreigden, en dat, als er werkelijk hulp bestond voor een armen, verschopten jongen, die nooit de liefde van vrienden of bloedverwanten gekend had, die hulp nu tot hem mocht komen, nu hij verlaten en eenzaam, alleen stond te midden van slechtheid en schuld.

Zijn gebed was geëindigd, maar hij bleef nog zitten met zijn hoofd in zijn handen, toen een zacht geluid hem deed opschrikken.

„Wat 's dat?” riep hij opspringend, toen hij een gedaante bij de deur zag staan. „Wie is daar?”

„Ik. Ik ben 't maar,” antwoordde een bevende stem.Oliverhield de kaars boven zijn hoofd en keek naar de deur. Het wasNancy.

„Zet de kaars neer,” zei het meisje, haar hoofd afwendend. „Ik krijg er pijn van in mijn oogen.”

Oliverzag, dat zij doodsbleek zag en vroeg vriendelijk of zij ziek was. Het meisje liet zich in een stoel vallen, met haar rug naar hem toe en wrong hare handen, maar antwoordde niet.

„God moge 't mij vergeven!” snikte ze na een oogenblik, „dat had ik niet gedacht.”

„Is er iets gebeurd?” vroegOliver. „Kan ik je helpen? Ik zal 't doen als ik kan. Heusch.”

Zij wrong zich naar alle kanten, greep naar haar keel, stootte een gorgelend geluid uit en hijgde naar adem.

„Nancy!” riepOliver. „Wat is er?”

Het meisje sloeg met de handen op haar knieën en stampvoette; toen trok zij plotseling haar omslagdoek dichter om zich heen en rilde van kou.

Oliverpookte het vuur op. Zij schoof haar stoel er heen en bleef een oogenblik zitten zonder te spreken; maar eindelijk hief zij het hoofd op en keek rond.

„Ik weet niet, wat ik soms heb,” zei ze, schijnbaar bezig haar jurk glad te strijken, „ik geloof, dat 't door die vochtige, vuile kamer hier komt. NouNolly, ben je klaar?”

„Moet ik met jou mee?” vroegOliver.

„Ja, ik kom vanBill,” antwoordde het meisje. „Je gaat met mij mee.”

„Waarom?” vroegOliverterugwijkend.

„Waarom?” echoode het meisje; ze hief haar oogen op, maar sloeg ze dadelijk weer neer, toen zij die van den jongen ontmoetten. „O! voor niets slechts.”

„Ik geloof je niet,” zeiOliver, die haar nauwkeurig had gadegeslagen.

„Geloof dan maar wat je wilt,” zei het meisje met een onechten lach. „Voor niets goeds dan.”

Oliverzag, dat hij eenige macht bezat overNancy'sbetere gevoelens en dacht er een oogenblik aan, haar medelijden in te roepen met zijn hulpeloozen toestand. Maar toen kwam de gedachte in hem op, dat het niet later was dan elf uur en dat er nog veel menschen op straat liepen, waar zeker enkele bij waren, die zijn verhaal zouden gelooven. Toen die gedachte in hem opkwam, deed hij een stap vooruit en zei ietwat haastig, dat hij klaar was.

Noch zijn korte overpeinzing, noch de inhoud ervan warenNancyontgaan. Zij keek hem aandachtig aan terwijl hij sprak en wierp hem een begrijpenden blik toe, die genoegzaam aantoonde, dat zij zijn gedachten raadde.

„Stil!” zei het meisje, zich over hem heenbuigend, terwijl zij, voorzichtig spiedend naar de deur wees. „Je kan jezelf niet helpen. Ik heb genoeg mijn best voor je gedaan, maar alles vergeefs. Je bent aan alle kanten ingesloten. Als je ooit kans hebt hier vandaan te komen, dan is het er nu de tijd niet voor.”

Getroffen door het besliste in haar doen, keekOliverhaar verbaasd in 't gezicht. Zij scheen waarheid te spreken; haar gezicht was wit en zenuwachtig en haar eigen ernst deed haar beven.

„Ik heb je eens voor mishandeling bewaard, en ik zal 't weer doen en ik doe 't nu,” ging het meisje hardop voort, „want als ik je niet gehaald had zou je afgehaald zijn door iemand, die heel wat ruwer was dan ik. Ik heb er voor ingestaan, dat je rustig en stil zoudt zijn; als je 't niet bent, doe je alleen jezelf kwaad en zult misschien de oorzaak van mijn dood zijn. Kijk! Dit heb ik al allemaal voor je uitgestaan, zoo waarachtig als God mij ziet.”

Zij wees haastig op eenige blauwe plekken op hals en armen en ging snel voort:

„Denk hierom! En laat me nu niet nog meer voor je lijden. Als ik je kon helpen, zou ik 't doen, maar 't staatniet in mijn macht. Ze zullen je geen kwaad doen; wat zij je laten doen is jouw schuld niet. St! Elk woord van je is een slag in mijn gezicht. Geef mij je hand. Gauw! Je hand!”

Ze greep de hand, dieOliverwerktuigelijk in de hare legde, blies het licht uit en trok hem achter zich aan de trappen op. De deur werd vlug open gedaan door iemand, door de duisternis niet te zien en toen zij buiten waren, even vlug weer gesloten. Een huurvigelante stond te wachten voor het huis. Met dezelfde heftigheid, waarmee zijOlivertoegesproken had, trok het meisje hem achter zich er in en liet de gordijntjes neer. De koetsier had geen aanwijzingen noodig, maar zette zonder een oogenblik aarzelen zijn paard in draf.

Het meisje hieldOliver'shand stijf in de hare en ging voort, aan zijn oor de waarschuwingen en verzekeringen te herhalen, die zij al vroeger geuit had. Alles ging zoo vlug en haastig, dat hij nauwelijks tijd had, te bedenken waar hij was of hoe hij hier kwam, toen het rijtuig stilhield vóór het huis, waarheen de Jood den vorigen avond zijn schreden gericht had.

Eén kort oogenblik wierpOlivereen haastige blik langs de verlaten straat en een kreet om hulp brandde hem op de lippen. Maar hij hoorde steeds de stem van het meisje, dat hem op zulk een toon van doodsangst bezwoer, aan haar te denken, dat hij 't hart niet had, den kreet te uiten. Terwijl hij aarzelde, was de gelegenheid voorbij; hij was reeds in het huis en de deur achter hem gesloten.

„Deze kant,” zeiNancyen liet hem voor 't eerst los. „Bill!”

„Hallo!” antwoorddeSikes, terwijl hij met een kaars boven aan de trap verscheen. „Mooi! je komt op tijd. Kom boven!”

Dit was een prachtige lofspraak en een ongewoon hartelijkeverwelkoming voor iemand vanSikes' aard.Nancyscheen er zeer over in haar schik te zijn en groette hem hartelijk.

„Bul-oog is metTommee,” merkteSikesop terwijl hij hen voorlichtte naar boven. „Hij zou maar in de weg zijn geweest.”

„Goed,” vielNancybij.

„Dus je hebt 't schaap,” zeiSikes, toen zij allen in de kamer waren, ensloot onder het spreken de deur.

„Ja, hier is hij,” antwoorddeNancy.

„Is hij gewillig meegegaan?” vroegSikes.

„Als een lam,” antwoorddeNancy.

„Ik ben blij, dat ik 't hoor,” zeiSikes, Olivergrimmig aankijkend, „voor zijn jong karkas, dat zou der anders van langs hebben gekregen. Kom hier jongen en laat mij je eens een lesje geven; 't is maar het best, dat dadelijk af te doen.”

Met deze woorden zijn nieuwen leerling aankijkend, namSikes Oliver'smuts af en gooide ze in een hoek; toen greep hij hem bij zijn schouder, ging bij de tafel zitten en zette den jongen vlak vóór zich.

„Nou, ten eerste, weet je wat dit is?” vroegSikes, terwijl hij een zakpistool opnam, dat op tafel lag.

Oliverantwoordde toestemmend.

„Nou kijk,” gingSikesvoort. „Dit is kruit, dat 's een kogel, en dit is een stuk van een ouden hoed als prop.”

Olivermompelde, dat hij de beteekenis der verschillende dingen begreep, enMr. Sikesbegon met veel zorg en overleg het pistool te laden.

„Nou is 't geladen,” zeiMr. Sikestoen hij klaar was.

„Ja meneer, dat zie ik,” antwoorddeOliver.

„Nou,” zei de roover, terwijl hijOliverstevig bij den pols greep en den loop van het pistool zoo dicht bij zijnslaap hield dat hij het ijzer voelde, waarbij de jongen een rilling niet kon onderdrukken, „als je één woord spreekt, terwijl je met mij buiten bent, behalve wanneer ik tegen jou spreek, dan gaat die lading in je kop, reken daarop. Dus als je soms van plan bent, te spreken zonder verlof, doe dan eerst je gebed.”

Om het effect van zijn waarschuwing te verhoogen, gafMr. Sikeseen snauw en ging toen voort:

„Zoover ik weet, is er niemand, die erg veel naar je zou vragen als je er om koud was, dus hoefde ik niet eens zoo duivels veel moeite te doen om je alles uit te leggen, als 't niet tot je eigen bestwil was. Verstaan?”

„Kort en goed,” vielNancyin met grooten nadruk en met een licht voorhoofdfronsen inOliver'srichting, als om hem te beduiden, alle aandacht aan haar woorden te geven, „als hij je op een of andere manier tegenwerkt bij het karweitje, dat je aan de hand hebt, dan zal je hem den mond snoeren door hem door zijn kop te schieten en zoo een kans te meer opdoen om aan de galg te komen, zooals je er elke maand van je leven voor heel wat andere dingen een opdoet.”

„Juist!” vielMr. Sikesgoedkeurend in, „vrouwen weten de dingen altijd in weinig woorden te zeggen. Behalve als 't op twisten aankomt; dan kunnen zij 't eind niet vinden. En nou hij er alles van weet, geef ons nou wat te eten en dan doen we een dutje eer we op weg gaan.”

Op dit verzoek dekteNancyvlug de tafel, ging de kamer uit en kwam na een paar minuten terug met een kruik porter-bier en een gebraden schaapskop op een schotel; de laatste gafMr. Sikesaanleiding tot het maken van allerlei grappen over de verschillende beteekenissen van „jemmy”, dat behalve schaapskop ook de verkorting was van een naam, die veel in dieventaal voorkwam envan een vernuftig werktuig, dat veel in hun vak gebruikt werd.2)

De waardige heer was opgeruimd en in het beste humeur ter wereld, misschien door het vooruitzicht, zoo spoedig in actieven dienst te komen; ten bewijze hiervan diene, dat hij uit de grap al het bier in één teug opdronk en zoo lang de maaltijd duurde, ruw berekend, niet meer dan een goede tachtig vloeken uitstootte.

Toen ze klaar waren met eten—men begrijpt, datOliverniet veel eetlust had—dronkMr. Sikeseen paar glazen brandewijn met water en liet zich op bed vallen; met veel bedreigingen, ingeval zij zich verlaatte, gaf hijNancylast, hem precies om vijf uur te roepen. Op bevel van denzelfden gebieder strekteOliverzich uit op een matras op den grond; het meisje stookte 't vuur op en ging er vóór zitten, gereed hen op den afgesproken tijd te roepen.Oliverlag langen tijd wakker, daar hij het niet voor onmogelijk hield, datNancydeze gelegenheid te baat zou nemen om hem nog meer raad te geven, maar het meisje zat over het vuur gebogen, zonder zich te bewegen, behalve om nu en dan de kaars te snuiten. Uitgeput door angst en het lange waken, viel hij eindelijk in slaap.

Toen hij wakker werd, stond er theegerei op tafel enSikeswas bezig, verschillende dingen in de zakken van zijn overjas te stoppen, die over de leuning van een stoel hing, terwijlNancydruk doende was, het ontbijt klaar te maken. Het was nog geen dag, want de kaars brandde nog en buiten was het volkomen donker. Een striemende regen sloeg tegen de ramen, en de hemel was zwart en bewolkt.

„Nou!” gromdeSikes, toenOliveropsprong, „half zes!Maak voort of je krijgt geen ontbijt; want 't is al laat genoeg.”

Oliverhad niet lang noodig om zijn toilet te maken; nadat hij iets gegeten had, antwoordde hij op een norsche vraag vanSikes, dat hij heelemaal klaar was.

Nancy, die den jongen nauwelijks aankeek, gooide hem een zakdoek toe, om om zijn hals te binden enSikesreikte hem een wijde, wollige cape die hij om zijn schouders kon slaan. Zoo uitgedoscht gaf hij den roover een hand; deze stond even stil om hem met een dreigend gebaar te beduiden, dat hij het bewuste pistool in de zak van zijn manteljas had. Toen nam hijOliver'shand stevig in de zijne, wisselde een afscheidsgroet metNancyen namOlivermee.

Toen zij bij de deur waren, keerdeOliverzich een oogenblik om, in de hoop een blik vanNancyop te vangen. Maar zij had haar oude plaats vóór het vuur weer ingenomen en zat daar volkomen roerloos.


Back to IndexNext