HOOFDSTUK XXVIII.

Houdt zich bezig metOliveren verhaalt van zijn verdere avonturen.

„Dat de wolven jullie bij je keel hadden,” mompeldeSikesknarsetandend. „Ik wou, dat ik een paar van jullie tusschen m'n knuisten had, dan zou je nog harder schreeuwen!”

TerwijlSikesdeze verwensching uitgromde met de beestachtigste woestheid, waartoe zijn woeste natuur in staat was, liet hij het lichaam van den gewonden jongen op zijn gebogen knie rusten en keerde een oogenblik zijn hoofd om, om naar zijn vervolgers te zien.

Door mist en duisternis was er weinig te onderscheiden, maar het luide geschreeuw van mannen trilde door de lucht en het geblaf van de honden uit de buurt, wakkergeroepen door het gelui van de alarmklok, weerklonk in alle richtingen.

„Sta! hond met je hazenhart!” schreeuwde de rooverToby Crackitna, die zijn lange beenen zoo goed mogelijk gebruikte en al een eind vooruit was. „Sta!”

De herhaling van het woord brachtTobytot doodelijken stilstand. Want hij was er niet heelemaal zeker van, dat hij buiten bereik van het pistoolschot was enSikeswas in een stemming, die niet met zich spotten liet.

„Help een handje met den jongen,” riepSikes, met een woedenden wenk aan zijn kameraad. „Kom terug!”

Tobydeed alsof hij omkeerde; maar terwijl hij langzaam nader kwam, waagde hij met zachte stem, en hijgend naar adem, te kennen te geven, dat hij 't met grooten tegenzin deed.

„Gauwer!” riepSikes, terwijl hij den jongen in een droge sloot aan zijn voeten legde en een pistool uit zijn zak haalde. „Hou me niet voor de gek!”

Op dit oogenblik groeide het rumoer aan. ToenSikesopnieuw rondkeek, kon hij onderscheiden, dat de mannen, die hen achtervolgden, reeds over het hek klommen van het weiland, waar hij stond en dat twee honden de mannen een eindje vóór waren.

„'t Is uit,Bill!” riepToby, „laat 't schaap liggen en maak je uit de voeten!” Met deze laatste raadgeving maakteToby Crackit, die liever kans liep misschien door zijn vriend neergeschoten te worden dan zeker in handen van zijn vijanden te vallen, rechtsomkeer en snelde weg zoo hard hij kon.

Sikesknarsetandde; nog eens keek hij om zich heen, gooide de cape, waarin hijOliverhaastig gewikkeld had, nog verder over het roerlooze lichaam van den jongen heen, liep—als om de aandacht van zijn vervolgers af te leiden van de plaats waar de jongen lag, vóór langs de heg langs, bleef een seconde staan vóór eenandere heg, die rechthoekig op de eerste stond, gooide zijn pistool hoog in de lucht, sprong over de heg heen en was verdwenen.

„Hé!hé daar!” riep een bevende stem hem na. „Pincher! Neptune!Hier! Hier!”

De honden, die evenmin als hun meesters met bijzonder veel animo aan de jacht schenen deel te nemen, gaven dadelijk gehoor aan het bevel. Drie mannen, die een eindje het weiland op geloopen waren, stonden stil om te beraadslagen.

„Mijn raad, of liever, mijn bevel is,” zei de dikste van de drie, „dat wij onmiddellijk weer naar huis gaan.”

„Ik vind alles goed watMr. Gilesgoed vindt,” zei een kleinere man, die men evenmin slank kon noemen en die heel bleek was in zijn gezicht en heel beleefd, zooals angstige menschen dikwijls zijn.

„Ik zou niet graag ongemanierd schijnen, heeren,” zei de derde, die de honden terug had geroepen, „dat weet meneerGileswel.”

„Zeker,” zei de kleinere,„en wat meneerGilesook moge zeggen, 't ligt niet op onzen weg, hem tegen te spreken. Nee, nee, ik ken m'n plaats. Dank zij mijn gesternte, ik ken m'n plaats.”

Eerlijk gezegd, de man scheen werkelijk zijn plaats te kennen en heel goed te weten, dat het geen benijdbare was, want onder het spreken klapperden zijn tanden in zijn mond.

„Je bent bang,Brittles,” zeiMr. Giles.

„Dat's niet waar,” zeiBrittles.

„'t Is wel waar,” zeiGiles.

„Je bent 'n valschaard,Mr. Giles,” zeiBrittles.

„Je bent 'n leugenaar,Brittles,” zeiMr. Giles.

Deze woorden en wederwoorden vonden hun oorsprong in 't verwijt vanMr. Gilesen dit verwijt ontstond uit zijn verontwaardiging, nu de verantwoordelijkheidvoor hun naar huis gaan, hem, onder den dekmantel van een complimentje, op de schouders werd gelegd. De derde man maakte op de meest wijsgeerige wijze een einde aan de twist.

„Ik zal jullie zeggen wat 't is, heeren,” zeide hij, „we zijn allemaal bang.”

„Spreek voor jezelf,” zeiGiles, die de bleekste van de drie was.

„Dat doe ik,” antwoordde de ander. „'t Is natuurlijk en fatsoenlijk, bang te zijn onder zulke omstandigheden.Ikben bang.”

„Ik ook,” zeiBrittles; „alleen is 't niet noodig, 't iemand zoo maar in zijn gezicht te zeggen.”

Deze gulle bekentenissen stemdenMr. Gileszachter en hij gaf dadelijk toe, dat hij ook bang was; hierop maakten zij alle drie rechtsomkeer en holden terug, totdatMr. Giles, (die 't eerst van de drie buiten adem raakte en bovendien beladen was met een hooivork), er op stond, even te rusten en uit te leggen, waarom hij straks zoo haastig gesproken had.

„Maar 't is een wonder,” zeiMr. Giles, toen hij zijn verklaring gegeven had, „wat een man doen kan als hij driftig is. Ik zou een moord begaan hebben—waarachtig—als we één van die schavuiten te pakken hadden gekregen.”

Daar de twee anderen dit gevoelen deelden en daar hun drift, evenals die vanMr. Giles, nu weer gansch bedaard was, verdiepten zij zich in vermoedens naar de oorzaak van deze plotselinge verandering in hun stemming.

„Ik weet waardoor het kwam,” zeiMr. Giles. „'t kwam door het hek.”

„Ja, dat kan wel,” riepBrittlesuit, het denkbeeld terstond aangrijpend.

„Je kunt er van op aan,” zeiGiles,„dat dat hek denstroom van onze drift tegenhield. Terwijl ik er over klom, voelde ik mijn drift letterlijk zakken.”

Door een merkwaardig toeval hadden de beide anderen op precies hetzelfde oogenblik het zelfde onaangename gevoel gehad. Er viel daarom niet aan te twijfelen, dat het door het hek kwam, vooral omdat geen twijfel mogelijk was aangaande het tijdstip waarop de verandering plaats had: alle drie toch herinnerden zich, dat zij op datzelfde oogenblik de dieven in 't oog hadden gekregen.

Dit gesprek werd gevoerd door de twee mannen, die de inbrekers overvallen hadden en een reizende koperslager, die in een schuurtje lag te slapen en met zijn twee straathonden opgeroepen was om aan de vervolging deel te nemen.Mr. Gilesvervulde bij de oude dame, die het huis bewoonde, de dubbele betrekking van bottelier en huisknecht;Brittleswas een duivelstoejager, die, daar hij als kind in zijn betrekking was gekomen, nog altijd als een veelbelovende jongen werd behandeld, ofschoon hij de dertig al gepasseerd was.

Elkaar met dergelijke gesprekken bemoedigend, liepen de drie mannen niettemin heel dicht naast elkander voort en keken angstig om zich heen, zoo dikwijls een nieuwe windvlaag door de struiken blies; ze haastten zich naar een boom, waar ze hun lantaren achtergelaten hadden, uit angst, dat het licht de dieven zou wijzen, in welke richting ze schieten moesten. Ze grepen het licht en liepen op een flinken draf naar huis; lang nadat hun schimachtige gestalten niet meer te onderscheiden waren, kon men het licht zien flikkeren en dansen in de verte, als werd het voortgebracht door de nevelige sombere atmosfeer, waarin het zich bewoog.

Terwijl de dag langzaam aanbrak, werd de lucht kouder en de mist rolde als een dichte rookwolk langs den grond. Het gras was nat; de paden en laaggelegenplekken waren vol slijk en water en de vochtige adem van een ongezonden wind trok langzaam, met hol geluid over het land. Nog altijd lagOliverroerloos en zonder bewustzijn op de plaats, waarSikeshem had achtergelaten.

De morgen kwam nader. De lucht werd scherper en doordringender, toen de eerste flauwe schijn—'t scheen meer de dood van den nacht dan de geboorte van een nieuwen dag—zwakjes glom in de lucht. De voorwerpen, die er in de duisternis somber en angstwekkend hadden uitgezien, werden al duidelijker zichtbaar en namen langzamerhand hun gewone vormen aan. Een hevige, dichte regen begon te vallen en kletterde met luid gerucht op de bladerlooze struiken. MaarOlivervoelde er niets van, dat de regen op hem neersloeg; hulpeloos en zonder bewustzijn lag hij uitgestrekt op zijn bed van klei.

Eindelijk werd de heerschende stilte verbroken door een zachten kreet van pijn; terwijl hij dien kreet uitte, kwam de jongen tot bewustzijn. Zijn linkerarm, ruwweg in een doek gewikkeld, hing zwaar en onbruikbaar neer; het verband was doortrokken van bloed. Hij was zoo zwak, dat hij zich ternauwernood in een zittende houding kon werken; toen het hem gelukt was, keek hij met flauwe oogen om zich heen om hulp en kreunde van pijn. Door kou en uitputting over al zijn leden bevend, deed hij een poging op te staan, maar trillend van het hoofd tot de voeten, viel hij opnieuw neer.

Nadat hij korten tijd opnieuw in de bewusteloosheid vervallen was, waarin hij te voren zoo lang verkeerd had, wistOliver, aangespoord door een wee gevoel in zijn binnenste, dat hem scheen te waarschuwen, hoe hij, door hier te blijven liggen, zeker sterven zou, op zijn voeten te komen en trachtte hij te loopen. Zijn hoofd was duizelig en hij slingerde heen en weer als een beschonkene. Ondanks dat, wist hij zich op de been te houden,en strompelde voort, 't hoofd op de borst gebogen en zonder te weten waarheen.

In zijn geest kwamen allerlei verwarde, beangstigende visioenen op. 't Was hem, of hij nog tusschenSikesenCrackitin liep, die op woedenden toon aan het twisten waren, want de woorden, die zij gesproken hadden, klonken hem nog in de ooren en op 't oogenblik, dat hij als 't ware tot zichzelf kwam, omdat hij een krachtige poging moest doen, niet te vallen, ontdekte hij, hoe hij tot hen had gesproken. Dan weer liep hij alleen metSikes, zooals den vorigen dag en als hij zich verbeeldde, menschen voorbij te zien gaan, voelde hij des roovers greep om zijn pols. Plotseling schrikte hij terug voor het knallen van vuurwapens; luide kreten en schreeuwen klonken door de lucht; lichten flikkerden voor zijn oogen; alles was leven en rumoer, terwijl een onzichtbare hand hem haastig wegvoerde. In al deze vluchtige visioenen bleef een onbepaald, kwellend besef van pijn hem onophoudelijk plagen.

Zoo strompelde hij voort, kroop half werktuigelijk onder hekken door of door een opening in een heg, als hij die toevallig voor zich zag, tot hij op den straatweg kwam. Hier begon de regen in zulke stroomen te vallen, dat hij er door uit zijn halve versuffing wakker schrikte. Hij keek om zich heen en zag op niet te grooten afstand een huis, dat hij misschien bereiken kon. Als ze zijn ongelukkigen toestand zagen, zouden de bewoners misschien medelijden met hem hebben en al was dit niet zoo, dan scheen 't hem toch beter toe, in de buurt van menschelijke wezens te sterven dan in het eenzame, open veld. Hij verzamelde al zijn krachten tot een laatste inspanning en richtte zijn wankele schreden naar het huis.

Terwijl hij nader kwam, kreeg hij 't gevoel, alsof hij dit huis al meer had gezien. Hij herinnerde zich geenbijzonderheden, maar vorm en uitzicht van het gebouw kwamen hem bekend voor.

Die tuinmuur! Daarachter was het grasveld, waar hij in dienzelfden nacht op zijn knieën was gevallen en de genade van de beide mannen had ingeroepen. Het was hetzelfde huis, waar zij gepoogd hadden in te breken.

ToenOliverde plaats herkende, kwam zulk een angst over hem, dat hij voor 't oogenblik de pijn van zijn wond vergat en er alleen aan dachtte vluchten. Vluchten! Hij kon nauwelijks staan, en al was hij in 't volle bezit geweest van al de kracht, die zijn jonge tengere lichaam borg, waarheen kon hij vluchten? Hij drukte tegen het tuinhek; het was niet gesloten en zwaaide open. Hij wankelde over het grasveld, klom de stoeptreden op, klopte zacht aan de deur; toen ontzonken hem zijn laatste krachten en hij zakte in elkaar tegen één der pilaren van de portiek.

Op dit oogenblik zatenMr. Giles, Brittlesen de ketellapper in de keuken, om na de verschrikkingen en vermoeienissen van den nacht door thee en wat er verder bij behoort, weer op hun verhaal te komen. Niet dat het de gewoonte was vanMr. Giles, op al te familiaren voet met het mindere dienstpersoneel te verkeeren; gewoonlijk gedroeg hij zich tegenover deze met hooghartige vriendelijkheid, die aangenaam aandeed en toch de anderen herinnerde aan zijn hoogere positie in de maatschappij. Maar dood, brand en inbraak maken alle menschen gelijk; dus zatMr. Gilesmet languitgestrekte beenen voor den keukenhaard, zijn linkerarm op tafel geleund, terwijl hij met den rechter een omstandig en nauwkeurig verhaal van de inbraak begeleidde, waarnaar zijn hoorders, (vooral de keuken- en de werkmeid, die ook van de partij waren) met ademlooze belangstelling luisterden.

„'t Was zoowat half drie,” zeiMr. Giles„of ik wil er geen eed op doen, dat 't niet naar drieën liep, toen ikwakker werd, en terwijl ik mij omdraaide in bed, zooals een mensch wel eens doet, (hier draaideMr. Gileszich om in zijn stoel en trok de punt van het tafelkleed over zich heen om de dekens voor te stellen) een geluid meende te hooren.”

Bij dit punt van het verhaal werd de keukenmeid bleek en vroeg de werkmeid om de deur dicht te doen; deze vroeg het aanBrittles, deze aan den ketellapper en deze deed of hij 't niet gehoord had.

„Een geluid meende te hooren,” gingMr. Gilesvoort. „Eerst zeg ik: 't is verbeelding, en zou net weer in slaap vallen, maar toen hoorde ik het geluid weer en duidelijker.”

„Wat voor geluid?” vroeg de keukenmeid.

„Een inbrekerig geluid,” antwoorddeMr. Giles, om zich heen ziende.

„Meer een geluid alsof een ijzeren roe over een rasp werd gewreven,” meendeBrittles.

„Zoo klonk het, toenjijhet hoorde,” vielMr. Gilesin, „maar op 't oogenblik, waar ik van spreek, klonk het inbrekerig. Ik gooide de dekens van mij af,” gingGilesvoort, het tafelkleed wegduwend, „ging rechtop in bed zitten en luisterde.”

„Gut!” riepen de keukenmeid en de werkmeid uit één mond en schoven haar stoelen dichter bij elkaar.

„Ik hoorde 't toen heel duidelijk,” hernamMr. Giles.

„Er is iemand bezig, zeg ik tot mezelf, een deur of een raam te forceeren; wat moet ik doen? Ik zal die arme jongen,Brittles, wakker maken, dan wordt hij ten minste niet in zijn bed vermoord; anders, zeg ik in mezelf, kan, vóór hij 't weet, zijn keel wel doorgesneden worden van zijn ééne oor tot zijn andere.”

Hier wendden aller oogen zich naarBrittles, die de zijne op den spreker richtte en hem aanstaarde met open mond en ongeveinsde ontzetting op heel zijn gezicht.

„Ik gooide de dekens van mij af,” zeiGiles, terwijl hij 't tafelkleed teruggooide en de keuken- en de werkmeid strak aankeek, „stapte zachtjes uit bed, schoot mijn....”

„Er zijn dames bij,Mr. Giles,” mompelde de ketellapper.

„Mijnschoenenaan,” zeiGiles, terwijl hij zich tot hem keerde en grooten nadruk op het woord legde, „greep het geladen pistool, dat altijd gelijk met het zilvermandje boven komt en liep op mijn teenen naar zijn kamer.Brittles, zeg ik, toen ik hem wakker had gemaakt, je moet niet schrikken.”

„Dat zei je,” merkteBrittlesmet zachte stem op.

„We zijn zoo goed als dood,Brittles, zeg ik,” gingGilesvoort; „maar je moet niet bang zijn.”

„Was hij bang?” vroeg de keukenmeid.

„Heelemaal niet”, antwoorddeMr. Giles. „Hij was zoo flink—ja! haast zoo flink als ik zelf.”

„Als ik in zijn plaats geweest was, zou ik 't bestorven hebben,” merkte de werkmeid op.

„Jij bent een vrouw,” zeiBrittlesen ging een beetje rechter op zitten.

„Brittlesheeft gelijk,” zeiMr. Gilesmet een goedkeurend knikje, „van een vrouw kan men niet anders verwachten. Wij mannen, namen een dievenlantaarn, die bijBrittlesop den schoorsteen stond en zochten in 't stikdonker onzen weg naar beneden—zóó....”

Mr. Gileswas opgestaan van zijn stoel en had met zijn oogen dicht twee stappen vooruitgedaan om zijn verhaal met de handeling te illustreeren, toen hij en heel het overige gezelschap hevig schrikte en hij naar zijn stoel terugstoof. De keukenmeid en de werkmeid gaven een gil.

„Er werd geklopt,” zeiMr. Giles, met vertoon van kalmte, „doe één van allen open.”

Niemand verroerde zich.

„'t Is vreemd, dat er zoo vroeg in den ochtend gekloptwordt,” zeiMr. Gilesen liet zijn oogen langs de bleeke gezichten om hem heen gaan; hij zag zelf ook doodsbleek. „Maar er moet worden opengedaan. Heeft niemand me verstaan?”

Mr. Gileskeek onder het sprekenBrittlesaan, maar deze jonge man, die bescheiden was van aard, beschouwde zichzelf blijkbaar als niemand en deed dus of de vraag volstrekt niet tot hem gericht kon zijn; in elk geval deed hij geen poging om te antwoorden.Mr. Gileswierp een vragenden blik op den ketellapper, doch deze was plotseling in slaap gevallen. De vrouwen kwamen niet in aanmerking.

„AlsBrittlesliever opendoet in tegenwoordigheid van getuigen,” zeiMr. Gilesna een korte stilte, „dan ben ik bereid, die getuige te zijn.”

„Ik ook,” zei de ketellapper, even plotseling weer wakker geworden, als hij in slaap was gevallen.

Op deze voorwaarde gafBrittlestoe; en toen het gezelschap eenigszins gerustgesteld was door de ontdekking, (die zij deden bij het opengooien der luiken) dat het helder dag was, gingen ze naar boven, de honden voorop en de twee vrouwen, die bang waren om alleen beneden te blijven, in de achterhoede. Op raad vanMr. Giles, praatten allen luid om een of andere kwaadwillige buitenstaander te waarschuwen, dat zij sterk in getal waren, en door een meesterlijk staaltje van politiek overleg, in het brein van denzelfden vernuftigen heer opgekomen, trokken zij in de hal de honden flink aan hun staart, zoodat ze wild begonnen te blaffen.

Nadat deze voorzorgen genomen waren, greepMr. Gilesden arm van den ketellapper stevig beet, (anders mocht deze eens wegloopen zooals hij schertsend opmerkte) en gaf bevel, de deur open te doen.Brittlesgehoorzaamde; de groep, angstig over elkaars schouders glurend, zag geen ander verschrikkelijk ding dan den armenOliver Twist, sprakeloos en uitgeput, die met moeitezijn oogen opsloeg en zonder woorden hun medelijden inriep.

OLIVER ZAKTE IN ELKAAR TEGEN EEN DER PILAREN VAN DE PORTIEK.OLIVERZAKTE IN ELKAAR TEGEN EEN DER PILAREN VAN DE PORTIEK.

OLIVERZAKTE IN ELKAAR TEGEN EEN DER PILAREN VAN DE PORTIEK.

„Een jongen!” riepMr. Gilesen duwde dapper den ketellapper naar den achtergrond. „Wat mankeert die—Hè? Kijk,Brittles, zie je,—herken je 'm niet?”

Brittles, die achter de deur stond, kreeg nauwelijksOliverin 't oog of hij uitte een luiden kreet.Mr. Gilesgreep den jongen bij één arm en één been (gelukkig niet den gebroken arm) sleepte hem in de hal en legde hem languit op den vloer.

„Hier is hij!” schreeuwdeGilesin groote opgewondenheid naar boven, „hier is één van de dieven, mevrouw! Hier is een dief, juffrouw! Gewond, juffrouw! Ik heb hem geraakt, juffrouw enBrittleslichtte me bij!”

„Met een lantaren, juffrouw!” riepBrittles, en hield, om zijn stem verder te doen dragen, zijn ééne hand op zij tegen zijn mond.

De twee vrouwelijke dienstboden vlogen naar boven om het nieuws te vertellen, datMr. Gileseen dief had gevangen en de ketellapper beijverde zich door te trachtenOliverbij te brengen; anders zou hij nog dood gaan eer hij werd opgehangen. Te midden van al dit tumult liet zich een zachte vrouwenstem hooren, die het rumoer in een oogenblik deed bedaren.

„Giles!” fluisterde de stem boven aan de trap.

„Ik ben hier, juffrouw,” antwoorddeMr. Giles. „Wees maar niet bang, juffrouw; ik heb me niet erg bezeerd. Hij bood geen wanhopigen tegenstand, juffrouw! Ik was hem gauw de baas.”

„St!” antwoordde de jonge dame. „Je maakt tante weer net zoo aan 't schrikken als de dieven zelf. Is de arme man erg gewond?”

„Hopeloos juffrouw,” antwoorddeGilesmet onbeschrijflijke trots.

„Hij ziet er uit, of 't op z'n end loopt, juffrouw,”schreeuwdeBrittlesop dezelfde manier als te voren. „Komt u niet even naar hem kijken, juffrouw, eer hij soms doodgaat?”

„Toe, stil asjeblieft, dan ben je een beste jongen!” riep de jonge dame terug. „Wacht nu rustig een oogenblikje, terwijl ik met tante ga praten.”

Met een voetstap, even zacht en liefelijk als haar stem, trippelde de spreekster weg. Ze kwam na een oogenblik terug met de boodschap, dat de gewonde voorzichtig naar boven gedragen moest worden, in de kamer vanMr. Gilesen datBrittlesde poney moest zadelen en dadelijk naarChertseyrijden; vandaar moest hij in allerijl een gerechtsdienaar en een dokter meebrengen.

„Maar zou u hem niet eerst eventjes willen zien, juffrouw?” vroegMr. Giles, zóó trotsch alsofOlivereen of andere vogel van zeldzame pluimage was, die hij behendig gevangen had. „Heel eventjes maar, juffrouw?”

„Nu niet! voor alles ter wereld niet,” antwoordde de jonge dame. „De arme man! ToeGiles, ga voorzichtig met hem om, om mij plezier te doen.”

Terwijl zij heenging, keek de oude knecht haar na met zóóveel trots en bewondering in zijn oogen, alsof zij zijn eigen kind was. Toen boog hij zich overOliverheen en hielp hem, met de omzichtigheid en zorg van een vrouw, naar boven dragen.

Geeft een beschrijving, als kennismaking bedoeld, van de bewoners van het huis, waarinOliverzijn toevlucht had genomen.

In een gezellige kamer, ofschoon het meubilair meer zweemde naar ouderwetsche gemakkelijkheid dan naar nieuwere sierlijkheid, zaten twee dames aan een wel-voorzieneontbijttafel.Mr. Giles, met zeer veel zorg geheel in 't zwart gekleed, bediende haar. Hij had zijn plaats gekozen halfweg het buffet en de ontbijttafel; zooals hij daar stond, in zijn volle lengte opgericht, het hoofd naar achteren geworpen en iet of wat naar één kant overgebogen, zijn linkerbeen vooruit en zijn rechterhand in zijn vest, terwijl zijn linkerhand, die een leeg blad vasthield, langs zijn zijde neerhing, zag hij er uit als iemand, vervuld van een zeer streelend bewustzijn zijner eigen verdienste en waardigheid. Eén van de beide dames was op leeftijd, doch de hooggerugde eikenhouten stoel, waarin zij zat, was niet rechter dan zijzelve. Zij was met de uiterste zorg en netheid gekleed; in haar kleeding, naar ouderwetschen snit gemaakt, waren op eigenaardige wijze enkele concessies aan den thans heerschenden smaak gedaan, die echter eer er toe bijdroegen den ouderen stijl in een gunstig daglicht te stellen dan omgekeerd; ze zat statig en rechtop met haar handen gevouwen op de tafel vóór haar. Haar oogen (de jaren hadden slechts weinig van hun helderheid gedoofd) waren aandachtig op haar jongere gezellin gericht.

De jonge dame verkeerde in den bloeitijd der jonkvrouwelijke Lente; wanneer de engelen werkelijk naar Gods heilige bedoeling somtijds in een sterfelijken vorm afdalen, dan mogen wij zonder heiligschennis veronderstellen, dat zij in een meisje als zij en van haar leeftijd wonen.

Ze was niet ouder dan zeventien jaar. Zoo teer en edel van vormen, zoo zacht en liefelijk, zoo schoon en rein, dat de aarde haar element niet scheen te wezen en de ruwe aardbewoners niet de levensgezellen, die zij behoefde. De geest, die uit haar diep blauwe oogen straalde en waarvan haar voorhoofd den stempel droeg, scheen niet bij haar leeftijd, noch bij het aardsche bestaan te behooren; en toch, wie de wisselende uitdrukkingvan gevoeligheid en vroolijkheid waarnam en de duizend lichtstralen, die over haar gezichtje speelden zonder eenige schaduw achter te laten; bovenal, wie haar glimlach zag, haar vroolijke, gelukkige glimlach, dacht aan huiselijk geluk en den vrede van den huiselijken haard.

Zij was druk bezig met de kleine handreikingen die de ontbijttafel vroeg. Toen zij toevallig de oogen opsloeg, terwijl de oudere dame haar aankeek, streek zij met een speelsche beweging haar haar, dat eenvoudig boven haar voorhoofd was gescheiden, naar achteren en in haar stralenden blik lag zooveel liefde en argelooze bekoring, dat zalige geesten glimlachen zouden, wanneer zij op haar neerzagen.

„EnBrittlesis al meer dan een uur geleden op weg gegaan, nietwaar?” vroeg de oude dame na een stilte.

„Een uur en twaalf minuten mevrouw,” antwoorddeMr. Giles, terwijl hij een zilveren horloge, dat hij aan een zwart lint droeg, te voorschijn haalde.

„Hij is nooit vlug,” merkte de oude dame op.

„Brittlesis altijd een langzame jongen geweest, mevrouw,” antwoordde de knecht. En daarBrittlesnu dus al ongeveer dertig jaar lang een langzame jongen was geweest, bestond er blijkbaar niet veel kans, dat hij ooit een vlugge zou worden.

„'t Wordt erger met hem in plaats van beter, geloof ik,” zei de oude dame.

„'t Zou onvergeeflijk van hem zijn, als hij onderweg bleef staan om met andere jongens te spelen,” zei de jonge dame met een glimlach.

Mr. Gilesoverwoog blijkbaar, of 't gepast zou zijn, eveneens eerbiedig te glimlachen, toen een sjees het tuinhek binnenreed, waaruit een dikke heer sprong, die recht op de voordeur afkwam en die, na op een of andere geheimzinnige manier in huis gekomen tezijn, de kamer binnenstoof, waarbij hij bijnaMr. Gilesen de ontbijttafel onder den voet liep.

„Zoo iets heb ik nog nooit gehoord!” riep de dikke heer uit. „Beste MevrouwMaylie—God zij mijn ziel genadig—en nog wel in de stilte van den nacht—ik heb nog nooit zoo iets gehoord!”

Met deze deelnemende woorden schudde de dikke heer beide dames de hand, nam een stoel en vroeg hoe zij het maakten.

„U moest dood zijn, gestorven van schrik,” zei de dikke heer. „Waarom heeft u geen boodschap gestuurd? Lieve God, mijn knecht zou in een minuut hier zijn geweest; en ik ook en mijn assistent zou niets liever gedaan hebben, en niemand onder die omstandigheden. Goeie hemel! Zoo onverwachts! En midden in den nacht!”

De dokter scheen het vooral heel erg te vinden, dat de inbraak onverwachts was gebeurd en in den nacht, alsof het een vaste gewoonte was van heeren inbrekers, hun werk op den middag te verrichten en een paar dagen te voren per post hun komst aan te kondigen.

„En u, juffrouwRose,” zei de dokter, tot het jonge meisje gewend, „ik”....

„O! ik maak 't best, heusch,” zeiRose, hem in de rede vallend, „maar boven ligt een arme man; tante wou graag, dat u eens naar hem keek.”

„O ja, mooi,” zei de dokter, „daar heb ik van gehoord.Dat is jouw werk, nietwaarMr. Giles?”

Mr. Giles, die met zenuwachtige bewegingen de theekopjes op hun plaats schikte, werd vuurrood en zei, dat hij de eer had gehad.

„Eer.... hm!” zei de dokter. „Och ja, 't kan ook wel zijn; misschien is het even eervol, een dief te raken in een achterkeuken, als een ander man te treffen op twaalf pas afstands. Denk maar, dat je geduelleerd hebt,Giles, en dat hij in de lucht schoot.”

Mr. Giles, die in deze luchtige manier om de zaak te behandelen een onrechtmatige poging zag, zijn roem te verkleinen, antwoordde eerbiedig, dat het niet op zijn weg lag, hierover te oordeelen; maar hij meende wel, dat het voor de tegenpartij geen gekheid was geweest.

„Zeker, je hebt gelijk!” zei de dokter. „Waar is hij? Wijs me den weg. Ik kom nog even hier eer ik wegga, mevrouwMaylie. Dat is het raampje, waar ze door zijn geklommen, niet? Ik kan 't haast niet gelooven!”

Al pratend volgde hijMr. Gilesnaar boven en terwijl hij dat doet, wil ik den lezer vertellen, dat de heerLosberne, een chirurgijn uit de buurt en in den omtrek van tien mijlen bekend als „de dokter,” meer door goedhartigheid dik was geworden dan door een gemakkelijk leven; hij was de vriendelijkste, hartelijkste en tegelijk de zonderlingste oude vrijer, die in vijfmaal dien omtrek door welken onderzoeker ook gevonden zal worden.

De dokter bleef veel langer weg dan hij of de dames gedacht hadden. Uit de sjees werd een groote platte doos gehaald, er werd telkens aan de bel van een der slaapkamers getrokken en de dienstmeisjes holden onophoudelijk naar boven en weer naar beneden; uit al welke teekens was op te maken, dat er boven iets gewichtigs gebeurde. Eindelijk kwam de dokter terug; in antwoord op een vraag naar zijn patient, zette hij een geheimzinnig gezicht en sloot de deur zorgvuldig achter zich.

„'t Is een vreemde geschiedenis, mevrouwMaylie,” zei de dokter, terwijl hij met zijn rug tegen de deur ging staan als om haar dicht te houden.

„Er is, hoop ik, geen gevaar bij?” vroeg de oude dame.

„Dat zou juist zoo vreemd niet zijn onder deze omstandigheden,” antwoordde de dokter, „ofschoon ik niet geloof, dat het 't geval is. Heeft u dezen dief gezien?”

„Neen,” antwoordde de oude dame.

„Ook niets over hem gehoord?”

„Neen.”

„Neem me niet kwalijk, mevrouw,” vielMr. Gilesin, „maar ik wou net over hem gaan vertellen, toen DokterLosbernebinnenkwam.”

De waarheid was, datMr. Gileser eerst niet toe had kunnen komen, te bekennen, hoe hij slechts op een jongen had geschoten. Er waren zulke loftuitingen gehouden op zijn dapperheid, dat hij voor niets ter wereld kon nalaten, de verklaring enkele heerlijke minuten te verschuiven, waarin hij gestraald had in het zenith van een korten roem als onbetwistbare held.

„Rosewou den man zien,” zei mevrouwMaylie, „maar ik wilde er niets van hooren.”

„Hm!” hernam de dokter. „Er is niets verschrikkelijks in zijn uiterlijk. Heeft u er tegen, hem in mijn bijzijn te bezoeken?”

„Als het noodig is, natuurlijk niet,” antwoordde de oude dame.

„Dan vind ik het noodig,” zei de dokter, „ten minste, ik weet zeker, dat u er later grooten spijt van zou hebben, 't niet gedaan te hebben. Hij is op 't oogenblik heel rustig en zonder pijn.Miss Rose—wilt u mij permitteeren? U behoeft heusch niet bang te zijn, op mijn eer niet.”

Verhaalt, wat Olivers nieuwe bezoeksters van hem dachten.

Onder allerlei woordenrijke verzekeringen, dat zij aangenaam verrast zouden zijn bij het zien van den misdadiger, trok de dokter den arm der jonge dame door den zijne, bood zijn vrije hand aan MevrouwMaylieen geleidde haar met veel plichtplegingen naar boven.

„Nu,” fluisterde de dokter, terwijl hij zachtjes dekruk van de slaapkamerdeur omdraaide, „laat me eens hooren, wat u van hem denkt. Hij is juist niet pas geschoren, maar hij ziet er toch heelemaal niet woest uit. Wacht u even! Laat me eerst zien, of hij geschikt is bezoek te ontvangen.”

Voor hen uitgaande, keek hij de kamer binnen. Na de dames een wenk gegeven te hebben, nader te komen, sloot hij de deur achter haar en trok voorzichtig de bedgordijnen open. Op het bed lag, inplaats van de ruwe, woeste misdadiger, dien zij verwacht hadden te zien, een kind, bleek door pijn en uitputting en diep in slaap. Zijn gewonde arm, verbonden en gespalkt, lag op zijn borst; zijn hoofd rustte op den anderen arm, half verborgen onder het lange haar, dat op het kussen lag gespreid.

De goede dokter hield het gordijn vast en keek een paar minuten zwijgend toe. Terwijl hij aldus den patient waarnam, liep de jonge dame hem zachtjes voorbij, ging in een stoel bij het bed zitten en streekOliver'shaar uit zijn gezicht. Terwijl zij over hem heenboog, druppelde hare tranen op zijn voorhoofd.

De jongen bewoog zich en glimlachte in zijn slaap, alsof deze teekens van medelijden en meegevoel een liefelijken droom in hem gewekt hadden van liefde en teederheid, die hij nooit had ondervonden.

Zoo kan een enkele toon van zachte muziek, of het rimpelen van het water op een stille plek, of de geur van een bloem, of de klank van een gewoon woord soms plotseling in ons vage herinneringen oproepen aan tooneelen, die in dit leven niet voorvielen; die verdwijnen als een ademtocht, die gewekt schijnen te zijn door de herinnering aan een lang vervlogen, gelukkiger bestaan en die geen inspanning van den geest willekeurig kan oproepen.

„Wat zou dit beteekenen?” riep de oude dame uit. „Dit arme kind kan nooit een dievenjongen zijn geweest!”

„De zonde,” zuchtte de dokter, terwijl hij het gordijn liet vallen, „kiest haar woning in velerlei tempels en wie durft zeggen, dat ze niet besloten kan zijn in een schoon uiterlijk?”

„Maar zoo jong nog!” zeiRose.

„Kindlief,” wierp de dokter met een droevig hoofdschudden tegen, „misdaad, zoo min als dood, is beperkt tot ouden en afgeleefden. Juist de jongsten en mooisten kiezen zij dikwijls 't eerst als slachtoffers uit.”

„Maar kunt u dan, o! kunt u werkelijk gelooven, dat die teere jongen vrijwillig de medeplichtige is geweest van de minste verworpelingen der maatschappij?” vroegRose.

De dokter schudde zijn hoofd op een wijze, die scheen aan te duiden, dat het heel goed mogelijk was; toen, met de opmerking dat zij misschien den patient zouden hinderen, bracht hij de dames naar een andere kamer.

„Maar zelfs als hij slecht geweest is,” gingRosevoort, „denkt u eens, hoe jong hij is; misschien heeft hij nooit moederliefde gekend of een prettig thuis; misschien is hij door slechte behandeling en door slaag of door broodsgebrek er toe gekomen, zich aan te sluiten bij menschen, die hem tot misdaad gedwongen hebben. Tante, lieve tante, denk in Godsnaam hieraan, eer u dat zieke kind naar de gevangenis laat brengen, waar hij in elk geval voor goed de kans verliest om zich te verbeteren. O! u hebt mij lief en u weet, dat ik door uw goedheid en liefde nooit het gemis van ouders gevoeld heb, maar 't had toch kunnen zijn en dan was ik misschien even hulpeloos en alleen als dit arme kind; daarom, heb medelijden met hem eer het te laat is!”

„Lieveling,” zei de oude dame en drukte het schreiende meisje aan haar hart, „denk je dan dat ik één haar van zijn hoofd zou willen krenken?”

„O neen!” antwoorddeRosevolmondig.

„Neen,” zei de oude dame, „mijn dagen loopen ten einde en moge mij de genade betoond worden, die ik aan anderen bewijs! Wat kan ik voor hem doen, dokter?”

„Laat mij er eens over denken,” zei de dokter, „laat mij er eens over denken.”

DokterLosbernestak zijn handen in zijn zakken en liep verscheidene malen de kamer op en neer; hij bleef telkens stilstaan, balanceerde op zijn teenen en trok zijn wenkbrauwen dreigend samen. Na verschillende uitroepen van: „nu weet ik 't!” en „nu heb ik 't!” en vele herhalingen van de wandeling en het wenkbrauwfronsen, bleef hij eindelijk stokstijf staan en sprak:

„Als u mij volle, onbeperkte volmacht geeft, omGilesen den kleinenBrittleswat angst aan te jagen, geloof ik, dat 't mij lukken zal. Ik weet wel....Gilesis een trouwe borst en een oude dienaar, maar u kunt het op duizend manieren weer goed bij hem maken en hem een belooning geven voor zijn schutterschap. Heeft u daar niet op tegen?”

„Als er ten minste geen ander middel bestaat om het kind te sparen,” antwoordde mevrouwMaylie.

„Er is geen ander,” zei de dokter. „Op mijn woord niet.”

„Dan geeft tante u volmacht,” zeiRose, glimlachend door haar tranen heen, „maar u moet niet harder voor die arme jongens zijn dan noodig is.”

„Miss Rose, u schijnt te denken, dat iedereen vandaag hardvochtig is, behalve uzelf,” zei de dokter. „Ik hoop alleen maar voor het jongere mannelijke geslacht in 't algemeen, dat u even vriendelijk en zachtzinnig gestemd zult zijn jegens den eersten aannemelijken jonkman, die een beroep doet op uw gevoelige hart en ik wou, dat ik een jonge kerel was en dat ik terstond van zoo'n gunstige gelegenheid als deze profiteeren kon.”

„U bent net zoo'n groot kind alsBrittles,” antwoorddeRosemet een blos.

„Nu,” zei de dokter, hartelijk lachend, „dat is zoo heel moeielijk niet. Maar om op den jongen terug te komen. Het voornaamste punt van onze overeenkomst moet nog besproken worden. Ik denk, dat hij over een uurtje wel wakker zal worden en ofschoon ik aan dien dikkoppigen constabel beneden gezegd heb, dat hij op gevaar voor zijn leven niet vervoerd mag worden en ook niet ondervraagd, geloof ik wel, dat we zonder gevaar met hem kunnen praten. Nu maak ik dit beding—ik zal hem ondervragen in uw bijzijn, en wanneer wij uit wat hij zegt opmaken, dat hij (wat meer dan mogelijk schijnt) totaal bedorven en slecht is, wanneer ik dat aan kan toonen, zóó dat uw heele verstand het met mij eens is.... dat wij hem dan aan zijn lot overlaten, zonder eenige tusschenkomst van mijn kant ten minste.”

„O nee, tante!” smeekteRose.

„O ja, tante!” zei de dokter. „Zijn wij 't eens of niet?”

„Hij kan niet verhard zijn in het kwade,” zeiRose, „dat is onmogelijk.”

„Des te beter,” hernam de dokter „en te meer reden om op mijn voorstel in te gaan!”

Eindelijk werd de voorwaarde aangenomen en daarop zetten beide partijen zich neer en wachtten met eenig ongeduld totOliverwakker zou worden.

Het geduld van de beide dames bleek langer op de proef gesteld te worden, dan de dokter haar had voorgespiegeld, want het ééne uur na het andere verliep, en nog lagOliverin diepen slaap. Het was werkelijk al avond, eer de goedhartige dokter haar het bericht bracht, dat de jongen eindelijk genoegzaam tot zichzelf was gekomen om toegesproken te worden. De jongen was heel ziek, zeide hij, en zwak door bloedverlies, maar zijn geest scheen zoo gekweld te worden door verlangenhet een of ander te openbaren, dat het den dokter beter docht, hem de gelegenheid hiertoe te geven dan er op aan te dringen, hem tot den volgenden morgen met rust te laten, wat hij anders zeker gedaan zou hebben.

Het werd een langdurig onderhoud.Oliververtelde heel zijn eenvoudige geschiedenis en was dikwijls, door pijn en zwakte, gedwongen af te breken. Het maakte een plechtigen indruk, in de half donkere kamer de zwakke stem van het zieke kind een eentonig relaas te hooren doen van ellende en jammer, door hardvochtige menschen over hem gebracht. O! wanneer wij, als wij onze medemenschen verdrukken en vernederen, maar een oogenblik dachten aan de donkere erkenningen van menschelijke dwaling, die als dichte zware wolken, langzaam, doch daarom niet minder zeker naar den hemel opstijgen om vroeg of laat vergelding over onze hoofden te brengen; wanneer wij slechts één oogenblik in onze verbeelding de sombere getuigenis hoorden der stemmen van gestorvenen, die geen macht ter wereld, geen trots tot zwijgen kan brengen, waar zouden dan de beleedigingen en het onrecht, het lijden, de ellende, de wreedheid en het kwaad blijven, die elke dag met zich brengt!

Oliver'skussen werd dien nacht door zachte handen geschud en teederheid en deugd waakten over hem, terwijl hij sliep. Hij voelde zich rustig en gelukkig en zou zonder één klacht gestorven zijn.

Nauwelijks was het verhoor afgeloopen enOliveropnieuw met rust gelaten, toen de dokter, na zijn oogen afgeveegd en ze tegelijk om hun zwakheid verwenscht te hebben, zich naar beneden begaf omMr. Gilesonder handen te nemen. Toen hij niemand in de kamers vond, kwam het in hem op, dat hij mogelijk zijn aanval met meer succes in de keuken kon beginnen; dus ging hij naar de keuken.

In dit Lagerhuis van het bedienden-Parlement zatenMr. Brittles,Mr. Giles, de ketellapper (die ter wille van zijn bewezen diensten speciaal voor den verderen dag was uitgenoodigd) en de constabel bij elkaar. Die laatste heer had een grooten stok, een grooten hoed, een groot hoofd en groote half hooge laarzen en hij zag er uit of hij een hoeveelheidalenaar evenredigheid geslikt had—wat werkelijk het geval was.

De avonturen van den vorigen nacht werden nog altijd besproken enMr. Gilesweidde juist uit over zijn tegenwoordigheid van geest, toen de dokter binnenkwam;Mr. Brittles, die met een kruikalein zijn hand zat, bevestigde alles, nog eer zijn meerdere het gezegd had.

„Blijf maar zitten!” zei de dokter met zijn hand wuivend.

„Asjeblieft mijnheer,” zeiMr. Giles. „Mevrouw wou, dat ik watalezou schenken, mijnheer, en ik had niets geen zin om in mijn kamertje te zitten, mijnheer, en wou graag gezelschap hebben; daarom ben ik maar hier met de anderen.”

Brittlesliet een zacht gemompel hooren, waarmee de heeren en dames in 't algemeen geacht werden hun voldoening uit te drukken over de minzaamheid vanMr. Giles.Mr. Gileskeek met 't air van een beschermer om zich heen, alsof hij zeggen wilde, dat, zoo lang zij zich fatsoenlijk gedroegen, hij niet van hen weg zou gaan.

„Hoe is 't vanavond met den patient, dokter?” vroegMr. Giles.

„Zoo-zoo,” antwoordde de dokter. „Ik ben bang,Mr. Giles, dat je er je leelijk in hebt gewerkt.”

„U meent toch niet,”zeiMr. Gilesbevend, „dat hij sterven zal? Als ik dat moest denken, zou ik nooit meer gelukkig zijn. Ik zou geen jongen dood willen maken—nee, niet eensBrittleshier—niet voor al 't tafelzilver in 't heele land.”

„Dat is de kwestie niet,” zei de dokter op geheimzinnigen toon. „Mr. Giles, ben je protestant?”

„Ja dokter, ik hoop 't ten minste,” stameldeMr. Giles, die doodsbleek was geworden.

„En wat benjij, jongen?” vroeg de dokter en wendde zich plotseling totBrittles.

„Goeie hemel meneer!” antwoorddeBrittleshevig verschrikt. „Ik.... ik ben 't zelfde alsMr. Giles, meneer.”

„Geef me dan hier eens antwoord op?” zei de dokter, „jullie allebei—allebei! Durven jullie er een eed op doen, dat die jongen boven dezelfde jongen is, die vannacht door het raampje binnenkwam? Nu? Vooruit! Ik luister!”

De dokter, die algemeen beschouwd werd als één van de vriendelijkste menschen ter wereld, deed deze vraag op zulk een verschrikkelijk woedenden toon, datGilesenBrittles, die ten gevolge van dealeen de ontroeringen van den dag toch al eenigszins in de war waren, elkaar verbluft aanstaarden.

„Neem nota van het antwoord, constabel,” zei de dokter, stak plechtig zijn wijsvinger in de hoogte en wreef er mee over zijn neus, om den waardigen gerechtsdienaar te beduiden, dat hij al zijn scherpzinnigheid te baat moest nemen. „Van dat antwoord zal veel afhangen.”

De constabel zette zijn snuggerste gezicht en nam zijn stok, het teeken zijner waardigheid, die tot nu toe werkeloos in een hoek van den schoorsteen had gestaan, in de hand.

„U zult opmerken, dat het een eenvoudige kwestie van identiteit is,” zei de dokter.

„Net zoo mijnheer,” antwoordde de constabel, onder een hevige hoestbui, want hij had zijnalehaastig uitgedronken en een deel ervan was in zijn verkeerde keelgat geschoten.

„Hier is een inbraak gepleegd,” zei de dokter, „en twee mannen zieninéén oogwenk een jongen te midden van kruitdamp en al het bedriegelijke van schrik en duisternis. Den volgenden morgen komt een jongen aan datzelfde huis aankloppen en omdat hij toevallig een verbonden arm heeft, grijpen die mannen hem ruw aan—waarmee zij zijn leven in groot gevaar brengen—en zweren, dat hij de dief is. Nu is het de vraag, of de feiten deze mannen in 't gelijk stellen; wanneer dit niet het geval is, in welk licht komen zij dan te staan?”

De constabel knikte diepzinnig. Hij zei, dat, als dit niet volgens de wet was, hij wel eens wou weten wat dan wel.

„Ik vraag nog eens,” donderde de dokter, „zijn jullie in staat de identiteit van dien jongen onder eede vast te stellen?”

Brittleskeek in twijfel naarMr. Giles;Mr. Gileskeek in twijfel naarBrittles; de constabel legde zijn hand achter zijn oor om het antwoord op te vangen; de twee vrouwen en de ketellapper bogen zich voorover om te luisteren; de dokter keek met scherpen blik om zich heen; toen de bel van het hek overging en tegelijk het geluid van wielen gehoord werd.

„Daar zijn ze!” riepBrittles, blijkbaar zeer verlicht.

„Wie?” riep de dokter, op zijn beurt ontsteld.

„De politiebeambten uitBow Street, mijnheer,” antwoorddeBrittles, terwijl hij de kaars nam, „ik enMr. Gileshebben vanmorgen om ze gestuurd.”

„Wat?” riep de dokter.

„Ja,” antwoorddeBrittles, „ik stuurde een boodschap met den postiljon en ik begrijp nog niet, dat ze niet al eer hier waren.”

„Heb jij.... jij dat gedaan? Dat dan de duivel je.... je luie postwagens hale! wil ik zeggen,” zei de dokter en ging de keuken uit.

Verhaalt een netelig geval.

„Wie is daar?” vroegBrittles, terwijl hij de deur zoo ver open deed als de ketting toeliet en naar buiten keek, met zijn hand de kaars beschermend.

„Doe open,” zei de man buiten, „hier is de politie uitBow Street, waar om gestuurd is vandaag.”

Gerustgesteld door deze verzekering, deedBrittlesde deur wijd open en stond tegenover een stoeren man in een manteljas. Zonder iets meer te zeggen, kwam deze binnen, en veegde zijn voeten op de mat zoo bedaard, alsof hij hier thuis was.

„Wil je iemand naar buiten sturen om mijn kameraad af te lossen, jongmensch?” zei de politiebeambte, „hij zit nog in 't rijtuig en houdt 't paard vast. Heb je hier soms een koetshuis, waar 't rijtuig een minuut of vijf of tien in kan staan?”

ToenBrittlesbevestigend antwoordde en naar den stal wees, stapte de statige man terug naar het tuinhek en hielp zijn metgezel om het rijtuig te bezorgen, terwijlBrittleshem met groote bewondering bijlichtte. Hierna keerden zij naar het huis terug; in een kamer binnengelaten, deden ze hunne overjassen en hoeden af en vertoonden zich zooals zij waren.

De man, die geklopt had, was krachtig gebouwd, van middelbare lengte en ongeveer vijftig jaar oud; hij had glanzend zwart haar, zeer kort geknipt, halve bakkebaarden, een rond gezicht en scherpe oogen. De ander was een knokige man met een rood hoofd en kaplaarzen; hij had een ongunstig gezicht en een neus met wijde neusgaten, die hem een norsch uitzicht gaf.

„Zeg aan je meester, datBlathersenDuffer zijn.” zei de eerste man, terwijl hij zijn haar glad streek en eenpaar handboeien op tafel legde. „O! Goeienavond, meester; kan ik een paar woorden met u alleen spreken?”

Dat was gericht tot den heerLosberne, die juist binnenkwam; de dokter wenkteBrittlesheen te gaan, geleidde de beide dames binnen en sloot de deur.

„Dit is de dame, die hier woont,” zei de dokter, op mevrouwMaylieduidend.

Mr. Blathersmaakte een buiging. Daar hij verlangde te gaan zitten, legde hij zijn hoed op den grond, nam een stoel en beduiddeDuff, hetzelfde te doen. Dit laatste heerschap, niet zoo gewend naar 't scheen aan beschaafd gezelschap, of die zich—wat ook mogelijk was—minder gemakkelijk in gezelschap bewoog, maakte allerlei vreemde bewegingen met armen en beenen eer hij ging zitten en stak eenigszins verlegen den knop van zijn stok in zijn mond.

„Nu, wat de inbraak betreft, Mevrouw,” zeideBlathers. „Wat zijn de bijzonderheden?”

DokterLosberne, die graag tijd scheen te winnen, vertelde alles zoo uitvoerig mogelijk en met allerlei uitweidingen.

De heerenBlathersenDuffkeken heel slim en gaven elkaar nu en dan een knikje.

„Ik kan natuurlijk niets met zekerheid zeggen, zoolang ik het werk niet gezien heb,” zeideBlathers, „maar mijn eerste indruk is—ik verklaar echter nog niets met stelligheid—dat het niet door een knul gedaan is; wat zeg jijDuff?”

„Ik geloof 't ook niet,” antwoorddeDuff.

„Als ik zoo vrij mag zijn het woord knul voor de dames te verklaren, maak ik uit uw woorden op, hoe u het er voor houdt, dat de inbraak niet is gepleegd door een buitenman?” vroeg de heerLosbernemet een glimlach.

„Juist meester,” antwoorddeBlathers. „Is dat alles wat over den inbraak te vertellen valt?”

„Alles,” antwoordde de dokter.

„En wat is dat dan met die jongen, waar de bedienden van spraken?” vroegBlathers.

„Niets hoegenaamd,” antwoordde de dokter. „Eén van de knechts heeft 't zich in zijn schrik in het hoofd gehaald, dat die jongen iets te maken heeft met de poging tot inbraak; maar 't is nonsens—louter verzinsel.”

„Dat is gemakkelijk genoeg uit te maken,” merkteDuffop.

„Heel juist gezegd,” vielBlathersin, terwijl hij goedkeurend knikte en achteloos met de handboeien speelde, alsof 't een paar castagnetten waren. „Wie is die jongen? Wat vertelt hij van zichzelf? Waar komt hij vandaan? Hij is toch niet uit de wolken komen vallen, wel meester?”

„Natuurlijk niet,” antwoordde de dokter met een zenuwachtigen blik naar de dames. „Ik weet zijn heele geschiedenis, maar daar kunnen we straks over spreken. U wilt zeker eerst de plaats zien, waar de poging tot inbraak plaats had?”

„Zeker,” antwoorddeMr. Blathers. „'t Is het beste, dat we eerst een onderzoek ter plaatse instellen en dan de bedienden ondervragen. Zoo wordt 't gewoonlijk ingericht.”

Er werden lichten gebracht; de heerenBlathersenDuff, vergezeld van den constabel uit het stadje,Brittles, Gilesen al de anderen, gingen naar de kamer aan het einde van de gang en keken door het raampje; daarna gingen zij naar buiten op het grasperk en keken door het raampje naar binnen; vervolgens kregen zij een kaars om het luik te onderzoeken, een lantaren om de voetsporen na te gaan en eindelijk een hooivork om mee tusschen de struiken te prikken. Nadat dit onder ademlooze belangstelling van alle toeschouwers gebeurd was, kwamen zij weer binnen;Mr. GilesenBrittleswerden nu uitgenoodigd een melodramatische voorstelling te gevenvan de avonturen van den vorigen nacht, wat zij zoowat zes maal achter elkaar deden, waarbij zij elkaar de eerste maal niet meer dan één keer en de laatste maal niet meer dan twaalf keer tegenspraken.

Toen dit was afgeloopen, verlietenBlathersenDuffde kamer en hielden samen een langdurige beraadslaging, zoo geheimzinnig en plechtig, dat daarbij vergeleken, een consult van de beroemdste doktoren over een ingewikkeld, medisch geval maar kinderspel was.

Intusschen liep de dokter in de aangrenzende kamer onrustig op en neer, terwijl mevrouwMaylieenRosehem met bekommerde gezichten aanzagen.

„Werkelijk,” zeide hij en bleef plotseling stilstaan, na een heelen tijd haastig op en neer te hebben geloopen, „ik weet bijna niet wat ik doen moet.”

„O jawel,” zeiRose, „als u aan die mannen de heele geschiedenis van het kind vertelt, zullen ze hem zeker vrij laten.”

„Dat betwijfel ik, meisjelief,” zei de dokter hoofdschuddend. „Ik geloof niet, dat hij daarop vrijgesproken zou worden, noch door deze mannen, noch door rechterlijke ambtenaren van hooger functie. Wat is hij ten slotte, zullen ze zeggen? Een weggeloopen jongen. Alleen beoordeeld volgens verstandelijke beschouwingen en overwegingen klinkt zijn verhaal eenigszins verdacht.”

„Maar u gelooft het toch?” vielRosein.

„Ikgeloof 't, al klinkt het nog zoo vreemd, en misschien ben ik daarom wel een oude gek; maar ik geloof niet dat het een geschikt verhaal is voor een ervaren politieman.”

„Waarom niet?” vroegRose.

„Omdat, mijn lief ondervraagstertje,” antwoordde de dokter, „omdat er, als wij de zaak door hun oogen bekijken, heel wat duistere punten in zijn; de jongen kan alleen bewijzen wat er kwaad uitziet en niets van het goede. Die duivelsche kerels willen altijd hethoeenwaaromvan de dingen hebben; zonder dat nemen zij niets aan. Volgens zijn eigen getuigenis is hij vroeger gedurende eenigen tijd de maat van een dievenbende geweest; hij is naar een politie-bureau gebracht onder beschuldiging, een heer zijn zak gerold te hebben; uit het huis van dien heer is hij met geweld weggehaald en naar een plaats gebracht, die hij noch aanwijzen, noch beschrijven kan. Hij heeft zelfs niet het flauwste idee ervan waar die plek ongeveer ligt. Hij is, tegen wil en dank naarChertseygebracht door mannen, die verschrikkelijk op hem gesteld schijnen te zijn en door een raam gezet om te stelen; en dan, juist op het oogenblik als hij de bewoners wekken wil en dus het eenige zal doen, dat hem zou kunnen rechtvaardigen, komt die stommeling van een huisknecht hem in den weg en schiet hem neer! Alsof 't expres gebeurde om hem te beletten iets goeds voor zichzelf te doen! Ziet u dit alles niet in?”

„Ja, natuurlijk,” antwoorddeRosemet een glimlach om de drift van den dokter, „maar ik zie nog niet in, waarom de jongen een misdadiger moet zijn.”

„Neen,” viel de dokter in, „natuurlijk niet! God zegene den helderen blik van de vrouw! Zij zien nooit, ten kwade of ten goede, meer dan één kant van een vraagstuk; en dat is altijd de kant, die het eerst naar haar toe gekeerd wordt.”

Nadat hij dit resultaat van zijn ondervinding had medegedeeld, stak de dokter zijn handen in zijn zakken en liep nog sneller dan te voren de kamer op en neer.

„Hoe meer ik er over denk,” zei de dokter, „hoe meer ik inzie, dat het oneindig veel last en moeilijkheden zal opleveren, als wij aan deze mannen de ware geschiedenis van den jongen vertellen. Ik weet zeker, dat zij 't niet zullen gelooven en zelfs, al kunnen zij hem ten slotte niets doen, dan zal toch het publiceeren van die geschiedenis, met al den twijfel, dien ze op zal wekken, eenwerkelijke hinderpaal worden voor uw nobel plan, hem uit de ellende te halen.”

„O, wat moeten we doen?” riepRose. „Och, och! waarom hebben ze die menschen ook laten komen?”

„Ja, dat zeg ik ook!” riep mevrouwMaylieuit. „Ik zou ze voor geen geld hier gehaald hebben!”

„Alles wat ik er op weet,” zei de heerLosberneeindelijk, terwijl hij met een soort wanhopige bedaardheid ging zitten, „al wat ik er op weet, is, dat we moeten probeeren ons er met een brutaal gezicht doorheen te slaan. Het doel is goed, dat kan ons excuus zijn. De jongen vertoont sterke koorts-verschijnselen en is in geen toestand om meer in verhoor te worden genomen, dat is één geruststelling. We moeten de zaak zoo goed mogelijk ten einde brengen en als dat goede alleen door slechte middelen bereikt kan worden, dan is dat onze schuld niet. Binnen!”

„Nou meester!” zeiBlathers, terwijl hij, gevolgd door zijn collega, binnenkwam, en de deur sloot, eer hij verder sprak, „dit was geen binnenmuursche geschiedenis.”

„Wat is 'n binnenmuursche geschiedenis?” vroeg de dokter ongeduldig.

„Wij noemen het een binnenmuursche diefstal, dames,” zeiBlathers, zich tot haar wendend, alsof hij haar onwetendheid beklaagde, maar die van den dokter verachtte, „als de bedienden er bij betrokken zijn.”

„Niemand verdacht hen in dit geval,” zeide mevrouwMaylie.

„'t Schijnt zoo, mevrouw,” hernamBlathers, „maar daarom konden ze er toch wel in betrokken zijn.”

„Juist daarom was het des te waarschijnlijker,” zeiDuff.

„Naar onze bevinding is het stadswerk,” zeideBlathers,voortgaande met zijn verslag, „want 't is werk eerste klas.”

„Ja 't is mooi,” merkteDuffzachter op.

„Ze waren met hun beiden,” gingBlathersvoort, „en ze hadden een jongen bij zich; dat blijkt uit de grootte van het raampje. Dat is alles wat wij er voor het oogenblik van zeggen kunnen. We zouden nu meteen graag even den jongen willen zien, die u boven hebt.”

„Misschien willen de heeren eerst wel wat drinken, mevrouwMaylie,” zeide de dokter, terwijl zijn gezicht ophelderde, alsof een nieuwe gedachte in hem opkwam.

„O ja!” riepRoseijverig. „Ik zal onmiddellijk wat inschenken, als u wilt.”

„Nou juffrouw, dat sla ik niet af!” zeiBlathers, terwijl hij zijn mond met zijn mouw afveegde, „je krijgt er 'n drogen mond bij, bij dit werk. Wat u bij de hand heeft, juffrouw, geef u geen moeite voor ons.”

„Wat zal 't zijn?” vroeg de dokter en ging met de jonge dame mee naar 't buffet.

„Een klein druppeltje drank meester, als 't u hetzelfde is,” antwoorddeBlathers. „'t Is een koude rit van Londen, mevrouw, en ik vind altijd dat drank 't best verwarmt van binnen.”

Deze interessante mededeeling was tot mevrouwMayliegericht, die haar heel vriendelijk in ontvangst nam. Ondertusschen glipte de dokter de kamer uit.

„Ja!” zeiMr. Blathers, die zijn wijnglas niet bij den steel van den voet aanpakte, maar de voet zelf tusschen duim en wijsvinger van zijn linkerhand vastgreep en 't zoo vóór zijn borst hield, „ik heb in mijn leven al heel wat zaakjes als dit gezien, dames.”

„Die inbraak in de achterstraat inEdmonton, Blathers,” zeiMr. Duffom het geheugen van zijn collega op te frisschen.

„Dat was zoo iets als dit hier, is 't niet?” hernamMr. Blathers, „dat was 't werk vanConkey Chickweed.”

„Je geeft er altijd hem de schuld van,” antwoorddeDuff. „Ik zeg je dat 't de bende vanPettwas.Conkeyhad er net zoo min iets mee te maken als ik.”

„Loop heen!” vielMr. Blathersin. „Ik weet er alles van. Weet je nog van dien dag, toenConkey'sgeld gestolen werd? Wat gaf dat 'n opspraak! Meer dan eenige roman, zoover ik weet.”

„Wat was dat?” vroegRose, verlangend elk teeken van welgehumeurdheid bij de onwelkome bezoekers aan te wakkeren.

„'t Was een boevenstreek juffrouw, waar iemand niet gauw op zou komen,” zeiBlathers. „DieConkey Chickweed”—

„Conkeybeteekent spion, mevrouw,” vielDuffin.

„Dat weet de dame immers wel,” zeiMr. Blathers. „Jij valt me altijd in de rede, kameraad! DieConkey Chickweedjuffrouw, hield een herberg overBattle Bridgeen hij had een kelder, waar dikwijls jongelordskwamen om hanengevechten en dassengevechten en zoo te zien en de spelen waren op een heel geestige manier ingericht, ik heb ze dikwijls bijgewoond. Hij behoorde toen nog niet tot de dievenbende; op een nacht werden hem driehonderd zeven en twintig guineas ontstolen in een linnen zakje, dat midden in den nacht uit zijn slaapkamer werd gestolen door een man met een zwarte pleister op zijn oog, die zich onder 't bed had verborgen en na den diefstal uit het raam sprong; 't was maar één verdieping. 't Ging alles heel vlug. MaarConkeywas ook vlug; hij werd wakker door het leven, sprong uit bed en vuurde een musket achter den dief af, wat de heele buurt in rep en roer bracht. Dadelijk klonken de kreten: „houd den dief!” en toen zij bij de plek kwamen, zagen ze, datConkeyden dief geraakt had, want langs den heelen weg waren bloedsporen een heel eind ver, tot aan eenige palen; daar hielden ze op. Intusschen was de dief er vandoor met het geld en dientengevolge verscheen de naamvanMr. Chickweed, den bekenden grappenmaker, tusschen de andere bankroetiers in de courant; op alle mogelijke manieren, door inzamelingen en bedelbrieven en ik weet niet wat al meer, werd geld bij elkaar gebracht voor den armen man, die half wanhopig was over zijn verlies en drie of vier dagen lang door de straten liep en zich de haren uit het hoofd trok op zoo'n wanhopige manier, dat verschillende menschen bang waren, dat hij zich van kant zou maken. Op een dag kwam hij in groote haast het bureau binnen en had een onderhoud onder vier oogen met den magistraat; deze trok na een poosje aan de bel en gaf bevelJem Spyerste roepen (Jem Spyerswas een dienstdoende agent);Jem Spyersmoest metMr. Chickweedmeegaan en hem helpen, den man te arresteeren, die hem bestolen had. „Spyers,” zeideChickweed, „ik heb hem gisterenmorgen voorbij mijn huis zien komen.”


Back to IndexNext