HOOFDSTUK XXXVIII.

ZIJ GREEP EEN TIJL MET ZEEPSOP, DUWDE MR. BUMBLE NAAR DE DEUR EN BEVAL HEM ONMIDDELLIJK HEEN TE GAAN, WILDE HIJ DEN INHOUD NIET OP ZIJN WAARDIGE PERSOON UITGESTORT ZIEN.ZIJ GREEP EEN TIJL METZEEPSOP, DUWDE MR.BUMBLENAAR DE DEUR EN BEVAL HEM ONMIDDELLIJK HEEN TE GAAN, WILDE HIJ DEN INHOUD NIET OP ZIJN WAARDIGE PERSOON UITGESTORT ZIEN.

ZIJ GREEP EEN TIJL METZEEPSOP, DUWDE MR.BUMBLENAAR DE DEUR EN BEVAL HEM ONMIDDELLIJK HEEN TE GAAN, WILDE HIJ DEN INHOUD NIET OP ZIJN WAARDIGE PERSOON UITGESTORT ZIEN.

De man, die daar zat, was groot en donker en droeg een wijde jas. Hij zag er uit als een vreemdeling enscheen, te oordeelen naar een zekere vermoeidheid in zijn trekken en de stoflaag op zijn kleeren, een reis afgelegd te hebben. Hij keekBumblevan ter zijde aan, terwijl deze binnenkwam, doch verwaardigde zich nauwelijks, in antwoord op diens groet, met zijn hoofd te knikken.

Mr.Bumblebezat genoeg waardigheid voor twee, gesteld zelfs, dat de vreemdeling toeschietelijker was geweest; dus dronk hij in stilte zijn jenevergroc en las de courant met veel omslag en waardigheidsvertoon.

Nu geviel het, zooals het dikwijls zal gebeuren als twee menschen onder dergelijke omstandigheden toevallig samen zijn, datMr. Bumbletelkens een onweerstaanbaren aandrang voelde, een verholen blik naar den vreemde te werpen en dat, als hij dat deed, hij met eenige verlegenheid zijn oogen afwendde, bij de ontdekking, dat de ander op hetzelfde oogenblik hem zat te begluren.Mr. Bumble'sgevoel van onbehagelijkheid nam nog toe door de bijzondere uitdrukking in de oogen van den vreemde; die oogen waren helder en scherp, maar overschaduwd door een donkeren blik vol wantrouwen en argwaan, zooals hij nog nooit gezien had en die iets terugstootends had.

Toen zij op deze wijze verscheidene malen elkanders blik ontmoet hadden, verbrak de vreemdeling met lage, harde stem de stilte.

„Zocht u mij,” vroeg hij, „toen u door het raam naar binnen keek?”

„Niet dat ik weet, ten minste als u mijnheer....”

Hier hieldMr. Bumbleplotseling op, want hij was nieuwsgierig naar den naam van den vreemdeling en hoopte in zijn ongeduld dat de ander den zin aan zou vullen.

„Ik zie, dat u mij niet zocht,” zei de vreemdeling, terwijl een uitdrukking van half verborgen sarcasme om zijn lippen speelde, „anders zoudt u mijn naam welweten. U weet hem niet. En ik raad u aan, er niet naar te vragen.”

„Ik meende niets kwaads, jongmensch,” merkteMr. Bumblemajestueus op.

„En hebt niets kwaads gedaan,” zei de vreemde.

Dit korte gesprek werd door nieuwe stilte gevolgd, die opnieuw door den vreemdeling verbroken werd.

„Ik geloof, dat ik u al vroeger gezien heb?” zei hij. „U was toen anders gekleed en ik liep u alleen op straat voorbij, maar ik herken u toch. U was hier vroeger gemeentebode, nietwaar?”

„Om u te dienen,” zeiMr. Bumble, eenigszins verwonderd.

„Juist,” hernam de ander met een knikje. „En in die functie heb ik u gezien. Wat bent u nu?”

„Vader van het Armhuis,” antwoorddeMr. Bumblelangzaam en indrukwekkend, om elke familiariteit, die de vreemdeling zich soms mocht willen veroorloven, terug te wijzen. „Vader van het Armhuis, jongmensch!”

„En u hebt nog evenveel oog voor uw eigenbelang als altijd, denk ik?” hernam de vreemde en keekMr. Bumblescherp in de oogen, toen deze ze, verwonderd over de vraag, naar hem opsloeg. „Wees maar niet bang om vrijuit te antwoorden, man. U ziet, ik weet wel een en ander van u.”

Mr. Bumblehield zijn hand boven zijn oogen en nam blijkbaar verbluft den vreemdeling van het hoofd tot de voeten op. „Ik geloof, dat een getrouwd man,” hernam hij, „gewoonlijk evenzeer er op uit mag zijn een eerlijk stuivertje te verdienen als een ongetrouwd man. Gemeenteambtenaren worden niet zoo goed betaald, dat zij zich kunnen veroorloven een klein extraatje af te wijzen, wanneer dit hun gul en eerlijk wordt aangeboden.”

De vreemdeling glimlachte en knikte opnieuw methet hoofd, als om te zeggen, dat hij zich niet in den man vergist had; toen schelde hij.

„Vul dit glas nog eens,” zeide hij en reikte het leege glas vanMr. Bumbleden waard toe. „Maak 't sterk en heet. Daar houdt u van, nietwaar?”

„Niet al te sterk,” vielMr. Bumblein met een bescheiden kuchje.

„Je weet, wat dat zeggen wil, waard!” zei de vreemdeling op drogen toon.

De waard glimlachte, verdween en kwam een oogenblik later terug met een dampend glas, waaruit de eerste slokMr. Bumbletranen in de oogen bracht.

„Luister nu,” zei de vreemdeling, nadat hij deur en raam gesloten had. „Ik kwam vandaag hier in de stad om u op te zoeken en door één van die toevallen, die de duivel soms zijn vrienden op hun weg voert, kwam u op het oogenblik, toen mijn gedachten zich met u bezighielden, de kamer binnen, waar ik zat. Ik moet een paar inlichtingen van u hebben. Ik vraag u niet, ze voor niets te geven, al zijn ze maar klein. Steek dat bij u, om te beginnen.”

Terwijl hij sprak, schoof hij den ander over de tafel een paar sovereigns toe, voorzichtig, als wilde hij niet, dat het geluid van geld buiten de kamer gehoord zou worden. NadatMr. Bumblede geldstukken zorgvuldig onderzocht had om te zien of zij echt waren en ze met veel voldoening in zijn vestjeszak gestoken had, ging hij voort:

„Laat uw gedachten eens teruggaan—laat zien—twaalf jaar was 't van den winter.”

„Dat is een lange tijd,” zeiMr. Bumble. „Goed. Ik ben er.”

„Plaats der handeling: het Armhuis.”

„Goed.”

„Tijd: nacht.”

„Ja.”

„De plaats: het ellendige hol, waar 't ook is, waar smerige straatmeiden jankende kinderen ter wereld brengen, aan wie ze het leven en de gezondheid meegeven, die ze zelf niet hebben—kinderen, die tot last van de Gemeente komen. De hoeren verbergen hun schande in 't graf, waar ze liggen te verrotten!”

„De kraamkamer meent u?” vroegMr. Bumble, die de opgewonden beschrijving van den vreemde niet heelemaal had gevolgd.

„Ja,” antwoordde de vreemdeling. „Daar werd een jongen geboren.”

„Heel veel jongens,” merkteMr. Bumblemet bedenkelijk hoofdschudden op.

„De pest hale die jonge duivels!” riep de vreemdeling uit, „ik spreek er van één; een jongen met een bleek, zacht gezicht, die hier bij een doodkistenmaker in de leer werd gedaan—ik wou, dat hij een doodkist gemaakt en er zijn eigen lichaam in vastgeschroefd had—en die toen, geloof ik, wegliep naar Londen.”

„O, u meentOliver! Oliver Twist!” zeiMr. Bumble, „natuurlijk herinner ik mij hem. Een koppiger jonge schavuit bestond er niet....”

„Ik wil niets van hem hooren; ik heb meer dan genoeg van hem gehoord,” zei de vreemdeling en legdeMr. Bumblemidden in een tirade over de slechtheid van den armenOliver, het zwijgen op. „Ik vraag naar een vrouw; de oude heks, die zijn moeder oppaste. Waar is ze?”

„Waar ze is?” vroegMr. Bumble, die spraakzaam was geworden door de jenevergroc. „Dat zou ik moeielijk kunnen zeggen. Maar waar ze ook is, gebakerd wordt daar niet, dus ik denk wel, dat ze buiten dienst is.”

„Wat bedoel je?” vroeg de ander op strengen toon.

„Dat ze van den winter gestorven is,” antwoorddeMr. Bumble.

Toen hij deze inlichting gegeven had, keek de man hem strak aan en ofschoon hij zijn oogen niet afwendde, werd zijn blik langzamerhand vaag en afgetrokken en scheen hij in nadenken te verzinken. Een tijd lang scheen hij er over in twijfel te verkeeren of hij verlicht of teleurgesteld moest zijn over deze mededeeling; maar ten laatste haalde hij vrijer adem, wendde zijn oogen af en merkte op, dat het er niet veel toe deed. Hierna stond hij op, als om heen te gaan.

MaarMr. Bumblewas slim genoeg en hij zag plotseling, dat hier een gelegenheid was om een geheim, dat zijn wederhelft kende, met voordeel te gebruiken. Hij herinnerde zich heel goed den avond, toen de oudeSallystierf—de gebeurtenissen van dien dag gaven hem goede reden, zich dien te herinneren als den avond, waarop hij juffrouwCorneyten huwelijk had gevraagd—en ofschoon genoemde dame hem nooit het geheim had toevertrouwd, waarvan zij de eenige getuige was, had hij genoeg gehoord, om te weten, dat het betrekking had op iets, dat in verband stond met den dienst, die de oude vrouw als armhuis-baker bijOliver'smoeder had verricht. Terwijl deze omstandigheid in zijn brein opkwam, vertelde hij den vreemdeling met een geheimzinnig gezicht, dat één vrouw alleen met het oude mensch was geweest eer zij stierf en dat deze vrouw, naar hij reden had te gelooven, eenig licht kon werpen op het onderwerp van zijn onderzoek.

„Hoe kan ik die vrouw vinden?” vroeg de vreemdeling, terwijl hij alle voorzichtigheid liet varen en duidelijk toonde, dat zijn angst (waar die dan ook uit voortkwam) door die mededeeling opnieuw opgewekt was.

„Alleen door mij,” antwoorddeMr. Bumble.

„Wanneer?” vroeg de vreemdeling haastig.

„Morgen,” antwoorddeBumble.

„Om negen uur 's avonds,” zei de vreemdeling, haaldeeen reepje papier te voorschijn en schreef er in letters, die zijn opwinding verrieden, een ietwat onduidelijk adres op aan den waterkant; „breng haar om negen uur hier bij mij. Ik behoef u niet te zeggen er over te zwijgen. Dit is in uw eigen belang.”

Met deze woorden ging hij naar de deur, nadat hij den drank betaald had. Met de korte opmerking, dat zij verschillende wegen uit moesten, vertrok hij zonder andere plichtplegingen dan de nadrukkelijke herhaling van het afgesproken uur voor den volgenden avond.

Toen hij het adres bekeek, zag de gemeentebeambte, dat er geen naam bij stond. De vreemdeling was nog niet ver weg, dus liep hij hem na om den naam te vragen.

„Wat moet je?” riep de man, zich snel omkeerend, toenBumblezijn arm aanraakte, „volg je me?”

„Alleen om iets te vragen,” zei de ander, terwijl hij op het reepje papier wees. „Naar welken naam moet ik vragen?”

„Monks!” antwoordde de man en stapte haastig voort.

Bevat het relaas van wat tusschen mijnheer en juffrouwBumbleen mijnheerMonksbij hun nachtelijke samenkomst voorviel.

Het was een stille, drukkende zomeravond. De wolken, die den heelen dag gedreigd hadden, verspreidden zich tot een dichten, taaien nevel en lieten reeds dikke regendroppels vallen, die een hevige donderbui voorspelden, toen de heer en juffrouwBumblede hoofdstraat van het stadje uit kwamen en hun schreden richtten naar een verspreide groep van vervallen huizen; deze was ongeveer anderhalve mijl buiten het stadje gelegen op een laag, ongezond stuk grond, vlak aan de rivier.

Ze waren beiden in oude, versleten mantels gehuld, die misschien het dubbele doel beoogden, hen voor den regen te beschermen en hen onherkenbaar te maken.

De man droeg een lantaarn, die echter nog geen licht liet uitschijnen; hij liep een paar passen vooruit, als om zijn vrouw—de weg was modderig—het voordeel te gunnen, in zijn breede voetstappen te gaan. Ze liepen in diep stilzwijgen voort; nu en dan hieldMr. Bumblezijn schreden in en keerde zijn hoofd om, als om er zich van te overtuigen, dat zijn wederhelft volgde; dan, bemerkend dat zij dicht achter hem was, verhaastte hij zijn schreden en schreed met vluggen pas op het doel van hun tocht af. De aard van deze plaats was niet twijfelachtig, want ze stond al lang bekend als de woonplaats van allerlei geboefte, dat onder verschillende voorwendsels, met werken den kost te verdienen, hoofdzakelijk leefde van roof en misdaad. Het was een verzameling krotten—sommige in de haast opgebouwd van losse steenen, anderen van oud verweerd scheepshout—die zonder eenige orde of regelmaat bij elkander lagen, voor 't meerendeel niet meer dan een paar voet van den rivieroever af. Een paar lekke booten, die op den modder aan wal waren getrokken en vastgemaakt aan het lage muurtje en een riem of een bos touw hier en daar, schenen op het eerste gezicht er op te wijzen, dat de bewoners van deze ellendige hutten hun werk op de rivier hadden; maar een blik op den verwaarloosden en onbruikbaren toestand, waarin de voorwerpen verkeerden, zou een voorbijganger gemakkelijk op het idee brengen, dat ze daar meer lagen om den schijn op te houden dan voor werkelijk gebruik.

Midden in deze groep hutten, vlak bij de rivier, naar welke de bovenste verdieping overhing, stond een groot gebouw, vroeger gebruikt als een of andere fabriek. De bewoners van de omringende huizen hadden daar indertijd waarschijnlijk werk gevonden. Maar het gebouw was al langeen ruïne geworden. Ratten, wormen en vocht hadden de palen, waar het op stond, doen invallen en vergaan; een groot deel van het gebouw was al in het water weggezakt, terwijl het overige wankele deel, dat zich over den donkeren stroom heenboog, alleen op een gunstige gelegenheid scheen te wachten om te volgen en hetzelfde lot te ondergaan.

Vóór dit vervallen gebouw bleef het waardige tweetal staan, toen de eerste verre donderslag in de lucht weerklonk en de regen begon te stroomen.

„Hier moet het ergens zijn,” zeiBumble, terwijl hij een reepje papier in zijn hand raadpleegde.

„Hé!” riep een stem van boven.

Op het geluid afgaande, hiefMr. Bumblehet hoofd in de hoogte en ontdekte een man, die met zijn bovenlijf uit een deur op de tweede verdieping leunde.

„Blijf even staan,” riep de stem, „ik kom dadelijk bij u.” Waarop het hoofd verdween en de deur werd gesloten.

„Is dat de man?” vroegMr. Bumble'slieftallige wederhelft.

Mr. Bumbleknikte bevestigend.

„Denk er om, wat ik je gezegd heb,” zei de armmoeder „en pas op, dat je zoo weinig mogelijk loslaat, anders verraad je ons direkt.”

Mr. Bumble, die het gebouw met een benauwd gezicht had staan aankijken, was blijkbaar op het punt eenigen twijfel te uiten of het voor 't oogenblik wel geraden was, verder te gaan, toen hij hierin verhinderd werd door de verschijning vanMonks, die dicht bij hen een poortje opendeed en hen uitnoodigde binnen te komen.

„Kom binnen!” riep hij ongeduldig en stampte met zijn voet op den grond. „Laat me hier niet staan!”

De vrouw, die eerst geaarzeld had, ging zonder verdere uitnoodiging kloekmoedig naar binnen.Mr. Bumble, bang of beschaamd om achter te blijven, volgde, blijkbaarweinig op zijn gemak en met zeer weinig van de eigenaardige waardigheid die anders zijn voornaamste eigenschap was.

„Waarom voor den duivel bleef je daar in de nattigheid staan?” vroegMonksaanBumble, toen hij de deur achter hen gesloten had.

„We.... we wilden maar een beetje afkoelen,” stameldeBumble, terwijl hij wantrouwend om zich heen keek.

„Afkoelen!” vielMonksuit. „Al de regen, die ooit gevallen is of ooit zal vallen, kan niet zooveel van het helsche vuur blusschen, als een mensch in zich om kan dragen. Je kunt jezelf niet zoo licht afkoelen; denk dat maar niet!”

Met dezen vriendelijken welkomsgroet wenddeMonkszich tot juffrouwBumbleen keek haar strak aan, tot zelfs zij, die niet voor een klein geruchtje vervaard was, haar oogen moest afwenden en neerslaan.

„Dus dit is de vrouw?” vroegMonks.

„Hm! Dit is de vrouw,” antwoorddeMr. Bumble, gedachtig aan de raadgeving van zijn vrouw.

„U denkt zeker, dat vrouwen geen geheimen kunnen bewaren?” viel de Moeder in, terwijl zijMonkszijn onderzoekenden blik teruggaf.

„Ik weet, dat zij er altijd één kunnen bewaren, net zoo lang tot het ontdekt wordt,” zeiMonks.

„En wat is dat dan?” vroeg de Armmoeder.

„Het verlies van hun eigen goeden naam,” antwoorddeMonks. „Dus volgens denzelfden regel ben ik niet bang, dat een vrouw een geheim, dat haar aan de galg of op de galeien zou kunnen brengen, aan anderen zal oververtellen. Begrijpt u, juffrouw?”

„Neen,” antwoordde juffrouwBumblemet een lichte blos.

„Natuurlijk niet,” zeiMonks. „Hoe zoudt u dat kunnen begrijpen?”

Nadat de man zijn bezoekers een half lachenden, half dreigenden blik had toegeworpen, verzocht hij hen, hem te volgen en liep haastig het vertrek door, dat ruim was, maar laag van verdieping. Hij stond op het punt, een steile trap of liever ladder op te klimmen, die naar een hoogere verdieping leidde, waar misschien pakzolders geweest waren, toen een helle bliksemstraal door de opening binnenviel, gevolgd door een donderslag, die het vervallen gebouw op zijn grondvesten deed schudden.

„Hoor!” riep hij terugdeinzend. „Hoor! Dat rolt en kraakt of 't weerkaatst wordt door de duizend holen waar de duivels in gevlucht zijn. Ik haat dat geluid!”

Hij bleef een paar minuten zwijgen en toen hij plotseling zijn handen van voor zijn gezicht wegnam, zagMr. Bumbletot zijn onuitsprekelijke ontsteltenis, dat het doodsbleek en verwrongen was.

„Soms krijg ik van die aanvallen,” zeiMonks, dieBumble'sontsteltenis opmerkte, „en vooral als 't onweert. Let er maar niet op; 't is nu voor goed over.”

Met deze woorden ging hij hen vóór, de ladder op; in de kamer, waar de ladder hen heenvoerde, sloot hij haastig de vensterluiken en liet een lantaren neer, die met een touw en een katrol aan één van de zware balken aan den zolder hing en een flauw licht wierp op een oude tafel en drie stoelen er omheen.

„Nu,” zeiMonks, toen zij alle drie zaten, „hoe eer wij onze zaken afdoen, hoe beter. De vrouw weet waar 't om gaat, nietwaar?”

De vraag werd totBumblegericht, maar zijn vrouw voorkwam het antwoord, door te zeggen, dat zij er alles van wist.

„Is 't waar, wat hij zei, dat u bij dat oude wijf was toen ze stierf en dat zij u iets vertelde....”

„Over de moeder van den jongen, waar u over sprak,” viel de Moeder in. „Ja.”

„De eerste vraag is, van welken aard was haar mededeeling?” zeiMonks.

„Dat is de tweede,” merkte de vrouw bedachtzaam op. „De eerste is: wat is de mededeeling waard?”

„Wie voor den duivel kan dat zeggen, als hij niet weet, wat 't is?” vroegMonks.

„Niemand beter dan u, daar ben ik van overtuigd,” antwoordde juffrouwBumble, wie het niet aan moed ontbrak, zooals haar mededrager van het huwelijksjuk uit eigen ervaring kon getuigen.

„Hm!” zeiMonksveelbeteekenend en met een scherp vragenden blik, „er is misschien munt uit te slaan, niet?”

„Misschien wel,” was het kalme antwoord.

„Er werd haar iets afgenomen,” zeiMonks. „Iets dat zij droeg. Iets dat....”

„U kunt beter een bod doen,” viel juffrouwBumblein. „Ik heb al genoeg gehoord om mij ervan te overtuigen, dat u de man bent, aan wien ik het vertellen moet.”

Mr. Bumble, die door zijn tweede-ik nog niet meer van het geheim had vernomen dan zij hem op dien bewusten avond had medegedeeld, luisterde met vooruitgestoken hals en wijdgesperde oogen naar het verhaal; daarna richtte hij zijn oogen beurtelings op zijn vrouw enMonks—met onmiskenbare verwondering—die zoo mogelijk nog aangroeide, toen de laatste op stroeven toon vroeg, welke som voor de openbaring van het geheim gevraagd werd.

„Wat is het u waard?” vroeg de vrouw, even kalm als te voren.

„Misschien niets, misschien twintig pond,” antwoorddeMonks. „Spreek op en laat mij 't geheim hooren.”

„Leg nog vijf pond bij de som, die u noemde; geef me vijf-en-twintig pond in goud,” zei de vrouw, „en ik zal u alles vertellen wat ik weet. Eer niet.”

„Vijf en twintig pond!” riepMonksterugdeinzend.

„Ik heb zoo duidelijk mogelijk gesproken,” antwoordde juffrouwBumble. „'t Is trouwens geen groote som.”

„Geen groote som voor een armzalig geheim, dat misschien niets is als 't voor den dag komt,” riepMonksongeduldig uit, „en dat al twaalf jaar of langer dood is!”

„Zulke dingen bederven niet en worden net als goede wijn, na verloop van tijd dubbel zooveel waard,” zei de vrouw steeds op denzelfden toon van vastbesloten onverschilligheid. „Wat dat dood liggen betreft, er zijn menschen, die twaalf duizend jaar of twaalf millioen jaar begraven kunnen zijn en die ten slotte toch vreemde geschiedenissen zullen vertellen!”

„En als ik 't geld voor niets betaal?” vroegMonksaarzelend.

„U kunt 't gemakkelijk weer terugnemen,” antwoordde de Moeder. „Ik ben maar een vrouw, alleen en onbeschermd.”

„Niet alleen, vrouwtje, en niet onbeschermd,” vielMr. Bumblein met een stem, die beefde van angst. „Ikben er toch. En bovendien,” voegdeMr. Bumbleer klappertandend bij, „mijnheerMonksis veel te veel man van eer om tegenover Gemeente-ambtenaren geweld te gebruiken. MijnheerMonksweet, dat ik geen jonge man ben, vrouwtje, en ook dat ik, om zoo te zeggen, een beetje in het zaad geschoten ben; maar hij heeft gehoord, ik twijfel er niet aan of mijnheerMonksheeft wel gehoord, dat ik een flinke kerel ben en ongewoon sterk als ik eenmaal driftig word. Ik moet alleen een beetje driftig worden, dat is alles.”

Mr. Bumbledeed onder het spreken een ongelukkige poging zijn lantaarn met woeste kracht vast te grijpen; de angstige uitdrukking van zijn gezicht deed duidelijk zien, dat hij werkelijk behoefte had een beetje, en geen klein beetje ook, driftig te worden eer hij een vijandelijken aanval zou doen—behalve tegenover de armenof andere lieden, die tot dat doel opzettelijk in slechte conditie waren gebracht.

„Je bent 'n gek,” zei juffrouwBumble, „en moest liever je mond houden.”

„Hij moest liever zijn tong afgebeten hebben, eer hij hier kwam, als hij niet een minder hoogen toon kan aanslaan,” zeiMonksgrimmig. „Zoo! Dus hij is uw man?”

„Hij mijn man!” gichelde de vrouw, het antwoord ontwijkend.

„Dat dacht ik al, toen u binnenkwam,” hernamMonks, en merkte den nijdigen blik op, dien de vrouw onder het spreken haar echtgenoot toewierp. „Zooveel te beter; ik heb er minder op tegen, de dingen met twee menschen te bespreken, als ik weet dat zij maar één wil hebben. Ik meen 't. Hier!”

Hij stak zijn hand in den zijzak van zijn jas, haalde er een linnen zakje uit, telde vijf-en-twintig sovereigns op tafel neer en schoof ze de vrouw toe.—

„Nu,” zeide hij, „strijk ze op, en als deze vervloekte donderslag, dien ik voel aankomen, over is, laat dan je verhaal hooren.”

Toen de donder, die werkelijk veel naderbij was gekomen en bijna boven hun hoofd losbarstte, weer zweeg, hiefMonkszijn gezicht van de tafel op en bukte voorover om te hooren wat de vrouw zeggen zou. De gezichten van het drietal raakten elkaar bijna aan, terwijl de twee mannen zich, in hun begeerte om te luisteren, over het tafeltje heenbogen en de vrouw ook vooroverboog om haar gefluister te doen verstaan. De flauwe lichtstralen van de hangende lantaren vielen vlak op hen en deden te midden van de diepe duisternis en schaduw de bleekheid en spanning op hunne gezichten scherp uitkomen, zoodat die gezichten iets spookachtigs kregen.

„Toen die vrouw, die wij oudeSallynoemden, stierf,” begon de armmoeder, „waren zij en ik alleen.”

„Was er niemand bij?” vroegMonksop denzelfden hollen fluistertoon, „geen zieke schooier of idioot in een ander bed? Niemand, die 't hooren kon en bij mogelijkheid verstaan?”

„Geen ziel,” antwoordde de vrouw, „wij waren alleen. Ik alleen stond bij haar, toen de dood kwam.”

„Goed,” zeiMonksen keek haar opmerkzaam aan. „Ga voort.”

„Zij sprak van een jonge vrouw, die eenige jaren geleden een kind ter wereld bracht; niet alleen in dezelfde kamer, maar in hetzelfde bed, waarin zij nu lag.”

„Zoo?” zeiMonksmet bevende lippen, terwijl hij over zijn schouder keek. „Hel en duivel! Hoe vreemd kunnen de dingen loopen!”

„Het kind was de jongen, waar u gisteravond met hem over hebt gesproken,” zei de vrouw met een onverschillig knikje in de richting van haar man, „die baker had de moeder bestolen.”

„Bij haar leven?” vroegMonks.

„Toen ze dood was,” antwoordde de vrouw met een lichte huivering. „Zij stal van het lijk, toen het nog niet koud was, wat de gestorven moeder haar met haar laatste krachten gesmeekt had voor het kind te bewaren.”

„Heeft zij 't verkocht?” vroegMonksin wanhopige spanning. „Heeft zij 't verkocht? Waar? Wanneer? Aan wie? Hoe lang geleden?”

„Toen zij mij met groote moeite verteld had, dat ze dit gedaan had,” zei de vrouw, „viel zij dood achterover.”

„Zonder iets meer te zeggen?” riepMonksmet een stem, die juist omdat ze gedempt was, te woedender klonk. „'t Is een leugen! Ik laat niet met me spelen. Ze zei meer. Al moet ik 't leven uit jullie scheuren, ik wil weten wat 't was.”

„Ze zei geen woord meer,” zei de vrouw, uiterlijk onbewogen (waarMr. Bumblever vanaf was) door dewoede van den zonderlingen man, „maar met één hand, die half dicht was, greep zij mijn japon driftig vast; toen ik zag, dat zij dood was en de hand met geweld los maakte, vond ik een reepje vuil papier.”

„En daarin was—” vielMonksin, zijn hals rekkend.

„Niets; het was een kwitantie van een pandjeshuis.”

„Waarvoor?” vroegMonks.

„Dat zal ik u straks vertellen,” zei de vrouw. „Ik denk, dat zij het kleinood een poosje heeft bewaard, in de hoop er voordeel van te hebben en 't later heeft beleend; en dat zij elk jaar geld bij elkaar heeft gespaard of geschraapt om de rente bij de bank van leening te betalen, zoodat het niet verstaan kon; als er dan een kans kwam, kon 't altijd ingelost worden. Maar die kans was niet gekomen, en zooals ik al zeide, stierf ze met het vuile, geknoeide vodje papier in haar hand. Twee dagen later was de termijn om; ik dacht ook, dat 't misschien nog te pas kon komen en loste het in.”

„Waar is het nu?” vroegMonkssnel.

„Hier,” antwoordde de vrouw. En alsof zij blij was, er afstand van te kunnen doen, gooide zij haastig een klein zeemleeren zakje op tafel, nauwelijks groot genoeg om een dameshorloge in te bergen.Monksviel er op aan en scheurde het met bevende vingers open. Het bevatte een klein gouden medaillon, met twee haarlokken, en een gladden gouden trouwring.

„Aan den binnenkant staat het woord „Agnes” gegraveerd,” zei de vrouw. „Er is een plaats opengelaten voor den achternaam en dan volgt de datum; die is nog geen jaar voordat het kind werd geboren. Dat heb ik ontdekt.”

„En is dit alles?” vroegMonks, nadat hij den inhoud van het pakje nog eens nauwkeurig en ijverig onderzocht had.

„Alles,” antwoordde de vrouw.

Mr. Bumbleloosde een diepen zucht, alsof hij blij was, dat de geschiedenis afliep, zonder dat er sprake van was, de vijf-en-twintig pond te moeten teruggeven; nu eerst vond hij moed de zweetdruppels af te wisschen, die gedurende het geheele onderhoud vrij langs zijn neus gegleden waren.

„Ik weet niets van de geschiedenis, behalve wat ik er van raden kan,” zeide zijn vrouw na een korte stilte, terwijl zij zich totMonkswendde, „en ik verlang er ook niets van te weten; dat is veiliger. Maar ik mag u zeker wel twee vragen doen?”

„U mag vragen,” zeideMonksietwat verwonderd, „maar of ik antwoorden zal of niet, is een tweede vraag.”

„Dat zijn er bij mekaar drie,” merkteMr. Bumbleop, met een poging om geestig te zijn.

„Is dit wat u verwachtte van mij te krijgen?” vroeg de armmoeder.

„Ja,” antwoorddeMonks. „En de andere vraag?”

„Wat denkt u er mee te doen? Kan 't tegen mij gebruikt worden?”

„Nooit,” antwoorddeMonks,„en evenmin tegen mij. Kijk! Maar doe geen stap vooruit, of je leven is geen rooie duit waard.”

Bij deze woorden rolde hij plotseling de tafel weg, trok aan een ijzeren ring in den vloer en sloeg vlak vóórMr. Bumble'svoeten een groot valluik op, zoodat genoemde heer haastig een eind achteruitstoof.

„Kijk naar beneden,” zeiMonks, terwijl hij de lantaren in de opening hield. „Wees niet bang voor me. Als ik zooiets in mijn schild voerde, had ik u zonder moeite naar beneden kunnen laten, toen u er bovenop zat.”

„KIJK NAAR BENEDEN,” ZEI MONKS, TERWIJL HIJ DE LANTAREN IN DE OPENING HIELD.„KIJK NAAR BENEDEN,” ZEIMONKS, TERWIJL HIJ DE LANTAREN IN DE OPENING HIELD.

„KIJK NAAR BENEDEN,” ZEIMONKS, TERWIJL HIJ DE LANTAREN IN DE OPENING HIELD.

Aldus aangemoedigd kwam de vrouw dicht aan den rand en zelfsMr. Bumblewaagde, door nieuwsgierigheid gedreven, hetzelfde te doen. Het donkere water, gezwollen door den stortregen, ruischte in de diepte; alleandere geluiden gingen verloren in het geraas, waarmede het tegen de groen beschimmelde palen aanbruiste en klotste. Beneden was vroeger een watermolen geweest; de stroom schuimde en schuurde om de half-vergane spaken der raderen en enkele deelen van de oude machinerie, die nog over waren gebleven; dan, bevrijd van de hinderpalen, die tevergeefs trachtten zijn snellen loop tegen te houden, stortte de stroom met nieuwe kracht voorwaarts.

„Als je hier een menschelijk lichaam in smeet, waar zou het dan morgen zijn?” vroegMonks, terwijl hij de lantaren in de donkere diepte heen en weer zwaaide.

„Twaalf mijlen ver de rivier af en in stukken geslagen bovendien,” zeiBumble, terugdeinzend bij de gedachte alleen.

Monkshaalde het pakje uit zijn borst te voorschijn, waar hij het haastig had opgeborgen; hij maakte het vast aan een stuk lood dat op den grond lag en dat vroeger deel van een hijschblok scheen te hebben uitgemaakt en liet het in den stroom vallen. Het viel recht en zwaar neer als een dobbelsteen, deed het water nauwelijks zichtbaar opspatten en was verdwenen.

Toen het drietal elkaar weer aankeek, schenen zij vrijer adem te halen.

„Daar!” zeiMonksen sloot het valluik, dat met een zwaren slag op zijn plaats terugviel. „Als de zee zijn dooden teruggeeft, zooals in de boeken staat, zal ze haar goud en zilver wel vasthouden en dus die rommel ook. We hebben niets meer te zeggen en kunnen ons gezellig samenzijn opheffen.”

„Met alle genoegen,” merkteMr. Bumblevroolijk op.

„Je houdt je kop dicht!” zeiMonksmet een dreigenden blik. „Voor je vrouw ben ik niet bang.”

„Op mij kunt u vertrouwen, jongmensch,” antwoorddeMr. Bumblebeleefd, terwijl hij geleidelijk naar den ladder toeschoof. „Ten voordeele van iedereen, jongmensch; voor mijzelf ook, meneerMonks.”

„Ik ben blij ter wille van jou, dit te hooren,” merkteMonksop. „Steek je lantaarn aan! En ga hier zoo gauw vandaan als je kunt.”

't Was gelukkig, dat het gesprek hier eindigde; anders zouMr. Bumble, die nog maar zes duim van de ladder af was, ongetwijfeld hals over kop in de ruimte er onder zijn getuimeld. Hij stak zijn licht aan aan de lantaarn, dieMonksvan het touw had losgemaakt en in zijn hand hield; zonder één poging het gesprek nog langer voort te zetten, daalde hij, gevolgd door zijn vrouw, zwijgend de ladder af.

Monksvormde de achterhoede en bleef op elke trede staan om er zich van te overtuigen, dat er geen ander gerucht werd gehoord dan het striemen van den regen buiten en het geruisch van het water.

Voorzichtig en langzaam liepen zij het lager gelegen vertrek door;Monksontstelde van elken schaduw enMr. Bumble, die zijn lantaren een voet boven den grond hield, liep niet alleen buitengewoon omzichtig, maar zelfs met opvallend zachten tred voor een man van zijn omvang; zenuwachtig gluurde hij om zich heen naar verborgen valluiken. Het poortje waardoor zij binnen waren gekomen, werd doorMonkszachtjes ontsloten en geopend; nadat zij een hoofdknik met hun vreemden gastheer gewisseld hadden, verdween het echtpaar in de duisternis en nattigheid buiten.

Ze waren nauwelijks weg, toenMonks, die een onoverwinnelijken afkeer van alleen-zijn scheen te hebben, een jongen riep, die ergens beneden verborgen was geweest. Hij beval hem, vóór te gaan en het licht te dragen en keerde zoo naar de kamer terug, die hij juist had verlaten.

Brengt eenige achtenswaardige figuren ten tooneele, die de lezer al kent, en laat zien hoeMonksen de Jood hun waardige hoofden bij elkaar steken.

Op den avond van den dag, volgend op dien, waarop de drie waardige lieden in het vorige hoofdstuk genoemd, hun daar beschreven zaakjes afdeden, ontwaakteMr. William Sikesuit een kort slaapje en bromde op dommeligen toon hoe laat het was. Het vertrek, waarinMr. Sikesdeze vraag uitte, was niet hetzelfde, dat hij in huur had vóór de inbraak inChertsey, ofschoon het in dezelfde wijk van de stad lag en zelfs niet ver van zijn vroegere woning. Het zag er niet zoo gezellig uit als zijn oude kwartier; 't was een armoedig, slecht gemeubeld, eng kamertje, alleen verlicht door een klein dakraampje en in een nauw, vuil slop gelegen. Nog uit andere teekenen was te zien dat het genoemden heer den laatsten tijd niet voor den wind was gegaan; de schaarsche meubelen en het totale ontbreken van iets om de kamer gezellig te maken; daarbij het feit, dat al wat kleeren of linnen was, was verdwenen, wezen op een toestand van groote armoede; als dat nog niet genoeg was, zouden deze bewijzen onloochenbaar aangevuld zijn door het magere, vervallen uiterlijk vanMr. Sikeszelf. De inbreker lag op het bed, met zijn witte jas bij wijze van kamerjapon om zich heen; zijn gezicht onder de smerige slaapmuts zag er niet op zijn gunstigst uit door de ziekelijke tint en een zwarte baard van een week oud. De hond zat naast zijn bed, spitste nu en dan de ooren of bromde, als een geluid op straat of beneden in het huis zijn aandacht trok. Bij het raam, ijverig bezig een oud vest te verstellen, dat tot de gewone kleedingvan den roover behoorde, zat een vrouwelijk wezen, zoo bleek en vervallen door gebrek en oververmoeidheid, dat men er moeielijk dezelfdeNancyvan ons verhaal uit zou herkennen, behalve dan door de stem, waarmee zij opSikes' vraag antwoordde.

„Even over zevenen,” zei het meisje. „Hoe voel je je vanavond,Bill?”

„Zoo slap als een vaatdoek,” antwoorddeSikesmet een verwensching van zijn oogen en zijn ledematen. „Hier, geef me 'n hand en trek mij eres uit dat verdomde bed.”

Het humeur vanMr. Sikeswas er door zijn ziekte niet op verbeterd; toen het meisje hem ophielp en naar een stoel bracht, stootte hij allerlei vloeken uit over haar onhandigheid en gaf haar een klap.

„Grien je?” vroegSikes. „Kom! Sta daar niet te snotteren. Als je niks beters hebt te doen, snij dan maar heelemaal uit. Versta je me niet?”

„Ja, ik versta je wel,” antwoordde het meisje, terwijl zij haar gezicht afwendde en gedwongen lachte. „Wat haal je je nou weer in je hoofd?”

„O, dus je heb je bedacht?” bromdeSikes, toen hij de tranen in haar oogen opmerkte. „Des te beter voor jou.”

„Je wilt toch niet zeggen, dat je vanavond hard tegen me wilt zijn,Bill?” zei het meisje en legde haar hand op zijn schouder.

„Nou—waarom zou ik niet?” riepSikes.

„Zooveel nachten,” zei het meisje met iets als vrouwelijke teederheid, die zelfs aan haar stem een liefelijken klank verleende, „zooveel nachten heb ik hier bij je gezeten en je opgepast en verzorgd of je een kind was en vanavond zie ik je voor 't eerst weer, zooals je bent; als je daaraan gedacht had, zou je niet zoo tegen me uitgevaren hebben, als je daarnet deed. Toe, zeg dat je er niet aan dacht.”

„Nou dan,” gafSikestoe, „ik dacht er niet an. Wel verdomd, nou grient die meid alweer!”

„'t Is niets,” zei het meisje en liet zich in een stoel vallen. „'t Is dadelijk over.”

„Wat is dadelijk over?” vroegMr. Sikesop kwaadaardigen toon. „Wat begin je nou weer voor gekheid? Sta op en ga an je werk en kom me niet weer an boord met je vrouwen-nonsens.”

Op ieder ander oogenblik zou deze vermaning en de toon, waarop zij geuit werd, de verlangde uitwerking gehad hebben; maar het meisje was werkelijk zwak en uitgeput, haar hoofd zonk achterover tegen de leuning van haar stoel en ze viel flauw, eerMr. Sikeseenige van zijn gewone vloeken uit kon stooten, waarmee hij bij dergelijke gelegenheden zijn bedreigingen kracht bijzette. Daar hij niet wist, wat hij in dit buitengewone geval doen moest—Nancy'stoevallen waren gewoonlijk van 't heftige soort, die de patient zelf al worstelend zonder hulp te boven komt—namMr. Sikesde proef met eenige godslasteringen; toen hij bevond, dat deze wijze van behandeling geen uitwerking had, riep hij om hulp.

„Wat is hier aan de hand, vrienden?” vroegFaginen stak zijn hoofd door de deur.

„Help 'n handje met de meid,” antwoorddeSikesongeduldig. „Sta daar niet te grinniken!”

Met een uitroep van verwondering liepFaginhaastig naarNancytoe.JackDawkins, (bijgenaamd de Slimme Vos) die zijn eerbiedwaardigen vriend op de hielen gevolgd was, liet haastig een pak, dat hij in de hand hield, op den grond vallen, greep een flesch uit de vingers vanCharles Bates, die achter hem aankwam, haalde er in een ommezien met zijn tanden de kurk af en goot een deel van den inhoud door de keel van de bewustelooze; om vergissingen te voorkomen, had hij er eerst zelf van geproefd.

„Blaas haar een beetje frissche lucht toe met de blaasbalg,Charley,” zeiDawkins, „en jij,Fagin, kietel haar in der handen, terwijlBillhaar jurk losmaakt.”

Met grooten ijver werden deze vereende pogingen in 't werk gesteld, vooral het deel, dat aanCharley Bateswas opgedragen, die zijn taak bijzonder vermakelijk scheen te vinden; het duurde niet lang of het verlangde resultaat werd verkregen. Langzamerhand kwam het meisje bij, ze waggelde naar een stoel bij het bed en begroef haar hoofd in het kussen;Mr. Sikeskeek nu eerst de bezoekers aan met eenige verwondering om hun onverwachte komst.

„Welke kwaje wind heeft jou hierheen gewaaid?” vroeg hij aanFagin.

„Heelemaal geen kwaje wind, beste vriend, want kwaje winden waaien niemand iets goeds toe en ik heb wat goeds meegebracht, je zal blij zijn als je 't ziet. Vos, doe het pakje open en geefBillde kleinigheden, waaraan we vanmorgen al ons geld besteed hebben.”

OpFagin'sverlangen maakte de Vos den bundel los, die vrij groot was en van een oud tafellaken gemaakt, en reikte de voorwerpen, die er in waren, één voor één aanCharley Batestoe; deze zette ze op tafel met allerlei lofspraken omtrent hun zeldzaamheid en voortreffelijkheid.

„'n Konijnenpasteitje,Bill,” riep dat jongemensch en haalde een geweldige pastei te voorschijn, „zulke heerlijke dingetjes, zóó fijnBill, dat de beentjes smelten in je mond en je ze niet hoeft af te kluiven; een half pond thee van zes en een halve shilling, zoo prachtig sterk, dat, als je er kokend water opgiet de deksel van de trekpot er haast afvliegt; anderhalf pond poeiersuiker, zoo goed als de negers ze nooit gemaakt hebben, o nee! Twee kop grutten, een pond versch brood, een stuk heerlijke kaas en dan nog een paar dingen waar je dol op bent!”

Bij deze laatste lofrede haaldeMr. Batesuit een van zijn diepe zakken een goedgekurkte wijnflesch te voorschijn, terwijlDawkinsop hetzelfde oogenblik een wijnglas vol schonk uit de flesch, die hij had meegebracht; dit sloeg de zieke zonder de minste aarzeling in eens naar binnen.

„Ha!” zeiFagin, terwijl hij zich voldaan in de handen wreef. „Nou gaat 't weer met je,Bill, nou gaat 't weer.”

„Gaan met me!” riepSikes. „Ik had twintigmaal 't hoekie om kennen gaan, eer jullie een hand hadden uitgestoken om me te helpen. Wat beteekent dat, dat je een mensch in dezen toestand langer dan drie weken an zijn lot overlaat, gemeene vagebond?”

„Hoor hèm!” zeiFagin, zijn schouders ophalend.

„En nou kommen we hem nog wel al die lekkere dingen brengen.”

„De dingen zijn goed in hun soort,” merkteSikesop, eenigszins verzacht toen hij de tafel aankeek,„maar hoe kan je 't goedpraten, dat je mij hier laat liggen, zonder eten, ziek en zwak en weet ik wat al meer, en al die tijd niet meer naar me hebt omgekeken of ik die hond was.—Jaag hem in zijn hoek,Charley.”

„Ik heb nog nooit zoo'n lolligen hond gezien,” riepCharley, terwijl hij den hond wegjoeg. „Hij ruikt 't vleesch net als een oude vrouw, die naar de markt gaat! Die hond zou zijn fortuin op 't tooneel maken en 't drama nieuw leven geven.”

„Houd je bek!” riepSikes, toen de hond nijdig brommend onder het bed kroop. „Nou, wat heb je voor jezelf te zeggen, leelijke ouwe staak?”

„Ik ben meer dan een week buiten Londen geweest, goeie vriend, voor een zaakie,” antwoordde de Jood.

„En de andere veertien dagen dan?” vroegSikes. „De andere veertien dagen, dat je me hier hebt laten liggen als een zieke rat in zijn hol?”

„Ik kon er niks an doen,Bill,” antwoorddeFagin; „ik kan 't niet uitleggen, waar ze allemaal bij zijn, maar ik kon er niks an doen, op m'n woord van eer.”

„Op je wàt?” snauwdeSikesmet ontzettende verachting. „Hier, jongens, geef mij gauw een stuk van de pastei, om de smaak hiervan uit m'n mond te krijgen of ik stik er in.”

„Wees niet zoo boos,Bill, toe,” zeiFaginonderworpen. „Ik heb je nooit vergeten,Bill, nooit.”

„Nee! Ik wed er op, dat je dat niet hebt,” antwoorddeSikesmet een bitteren grijns. „Terwijl ik hier lag te bibberen en te branden van de koorts, heb jij plannen gemaakt;Billmoest dit doen enBillmoest dat doen enBillmoest alles doen, en voor een smerig schijntje, zoo gauw als ie weer gezond was en arm genoeg voor jouw werk. Als de meid er niet geweest was, was ik misschien dood.”

„Zie jeBill,” protesteerdeFagin, dadelijk het woord vastgrijpend. „Als je de meid niet gehad had! En wie anders als arme ouweFaginheeft gezorgd, dat je zoo'n handige meid bij je kreeg?”

„Daar hêt ie gelijk an!” zeiNancyopspringend. „Laat hem weggaan; laat hem weggaan!”

Nancy'sverschijning gaf een nieuwe wending aan het gesprek. Op een zachten wenk van den sluwen ouden Jood begonnen de jongens haar drank in te schenken, waarvan zij echter maar heel weinig dronk.Faginnam den schijn aan van ongewone vroolijkheid en brachtMr. Sikeslangzamerhand in een beter humeur, door te doen alsof hij diens bedreigingen als een kostelijke grap beschouwde en vooral door hartelijk te lachen om een paar ruwe grappen, dieSikes, na de borrelflesch meer dan eens aangesproken te hebben, zich wel verwaardigde ten beste te geven.

„Allemaal goed en wel,” zeiSikes, „maar ik moet vanavond wat splint van je hebben.”

„Ik heb geen rooie duit bij me,” antwoordde de Jood.

„Maar thuis heb je er des te meer,” wierpSikestegen, „en ik moet er wat van hebben.”

„Des te meer!” riepFaginmet zijn handen in de hoogte. „Ik heb niet eens zooveel als—”

„Ik weet niet, hoeveel je hebt en ik denk, dat je 't zelf ook niet weet, want 't tellen zou heel wat tijd kosten,” zeiSikes, „maar ik moet van avond wat hebben, dâ's nogal glad.”

„Nou,” zeiFaginmet een zucht, „dan zal ik de Slimme er wel om sturen.”

„Dat zal je wel laten,” vielSikesin. „De Slimme is een beetje te slim en zou vergeten terug te komen of verdwalen of in een val loopen of zoo iets, als je hem liet gaan. Om zeker te zijn, zalNancynaar je hol gaan en 't halen; terwijl ze weg is, ga ik een dutje doen.”

Na veel loven en bieden wistFaginhet bedrag van het gevraagde voorschot van vijf pond op drie pond vier en sixpence te brengen, onder vele plechtige verzekeringen dat hij dan nog maar achttien pence overhield voor zijn huishouden.Sikesmerkte op norschen toon op, dat hij, als hij niet meer kon krijgen, er maar mee tevreden moest zijn enNancymaakte zich klaar om metFaginmee te gaan, terwijl de Vos enCharleyde eetwaren in de kast zetten. De Jood nam afscheid van zijn veelgeliefden vriend en ging metNancyen de jongens naar huis;Sikesliet zich op het bed vallen en maakte zich gereed, den tijd, dat de jonge dame weg zou blijven, slapend door te brengen.

Ze kwamen goed en wel inFagin'swoning aan, waar zijToby CrackitenMr. Chillingvonden, die aan hun vijftiende spelcribbage(een Engelsch kaartspel (vert.))waren; 't behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de laatste het spel verloor en daarmee zijn vijftiende en laatste sixpence, zeer ten vermake van zijn jonge vrienden.Mr. Crackit, die zich er eenigszins voor scheen te schamen, dat hij zijn vermaak zocht in 't gezelschap van een jongmensch, zoover beneden hem in stand en geestelijke gaven, geeuwde, vroeg naarSikesen nam zijn hoed op om heen te gaan.

„Is er niemand geweest,Toby?” vroegFagin.

„Geen levende ziel,” antwoorddeMr. Crackitterwijl hij zijn kraag opzette, „'t is hier zoo saai geweest als de dooie dood. Je mag wel met wat moois voor den dag komen,Fagin, als belooning, dat ik zoo lang op je huis gepast heb. Verdomd! ik ben zoo suf als een jurylid en ik zou in slaap zijn gevallen of ik inNewgatezat, als ik niet zoo goed was geweest met dit jongetje te spelen. Afschuwelijk vervelend—de duivel mag me halen als 't niet waar is!”

Onder deze en andere soortgelijke uitroepen streekMr. Toby Crackitzijn winst op en liet ze met een voornaam gebaar in zijn vestjeszak glijden, alsof zulke kleine zilverstukjes ver beneden een man van zijn portuur waren; daarna zwaaide hij met zooveel edele zwier de kamer uit, datMr. Chillingmet bewonderende blikken naarToby'sbeenen en laarzen keek, zoo lang deze te zien waren, verklarende, datToby'sgezelschap makkelijk vijftien sixpences waard was en dat hij geen lor om zijn verlies gaf.

„Wat ben jij toch 'n gekke vent,Tom!” zeiCharley Bates, ten zeerste vermaakt door deze verklaring.

„Heelemaal niet,” antwoorddeMr. Chilling. „Is 't wel,Fagin?”

„Je bent 'n flinke jongen, hoor,” zeideFagin, terwijl hij hem op den schouder klopte en zijn andere kweekelingen een knipoogje gaf.

„EnMr. Crackitis een prachtkerel, is 't nietFagin?” vroegTom.

„Zeker, hoor jongen.”

„En 't is 'n eer z'n vriend te zijn, is 't niet,Fagin?” gingTomvoort.

„Natuurlijk jongen. Ze zijn er alleen maar jaloersch op,Tom, omdat hij hun vriend niet is.”

„Ha!” riepTomtriomfantelijk, „daar zit 'm de knoop! Hij heeft me uitgekleed. Maar ik kan er weer op uit gaan om te verdienen als ik wil; is 't nietFagin?”

„Zeker, kan je dat,” antwoorddeFagin, „en hoe eer je gaat hoe beter,Tom; ga je verlies maar dadelijk inhalen zonder meer tijd te verliezen. Vos!Charley! 't wordt tijd om aan 't werk te gaan. Kom! 't Is al haast tien uur en jullie hebt nog niks uitgevoerd.”

Den wenk gehoorzamend, knikten de jongens tegenNancy, namen hun hoed en gingen de kamer uit; de Vos en zijn levendige vriend maakten onder het heengaan de noodige grappen aan het adres vanTom Chilling. Eerlijk gezegd was er niets bijzonders of in 't oog vallends in zijn gedrag, sinds er in de stad vele geestige jongelui zijn, die een heel wat hoogeren prijs danMr. Chillingbetalen om in goed gezelschap te kunnen verkeeren en heel wat deftige heeren (die deel uitmaken van het bovengenoemde goede gezelschap) die hun reputatie ongeveer op dezelfde grondslagen vestigden als de gladdeToby Crackit.

„Nou,” zeiFagin, toen de jongens weg waren, „nou zal ik 't kistje voor je halen,Nancy. Dit is alleen de sleutel van een kastje, waar ik een paar prullen voor de jongens in bewaar, meidlief. Mijn geld sluit ik nooit weg, want ik heb niks om weg te sluiten, meid—ha! ha! ha! niks om weg te sluiten. 't Is 'n ongelukkig vak,Nancy, en ondankbaar ook; maar ik zie zoo graag dat jonge volk om me heen; daarvoor verdraag ik alles, alles.St!” zei hij en verborg haastig den sleutel op zijn borst, „wie is dat? Luister!”

Het meisje, dat met over elkaar geslagen armen aande tafel zat, scheen er volstrekt geen belang in te stellen, of er om te geven, of de ander, wie het dan ook zijn mocht, kwam of ging, tot dat het geluid van een mannenstem haar in de ooren klonk. Op het oogenblik, dat zij den klank opving, rukte zij bliksemsnel haar muts en omslagdoek af en gooide ze onder de tafel. Toen de Jood zich dadelijk daarop omkeerde, mompelde zij een klacht over de warmte, op een toon, die in zijn loomheid een sterke tegenstelling opleverde met de haast en heftigheid waarmee zij had gehandeld.Faginhad hier trouwens niets van gemerkt, daar hij met zijn rug naar haar toe stond.

„O ja!” fluisterde de Jood, wien de stoornis scheen te ergeren, „ik had die man al eer verwacht; hij komt naar beneden. Geen woord over het geld, terwijl hij hier is,Nance. Hij blijft niet lang. Geen tien minuten, hoor.”

Zijn dorre wijsvinger op de lippen, ging de Jood met een kaars naar de deur, toen de stap van een man buiten de kamer gehoord werd. Hij kwam bij de deur op hetzelfde oogenblik, dat de bezoeker haastig de kamer binnenliep en eer hij 't wist, vlak vóór het meisje stond.

Het wasMonks.

„Eén van m'n leerlingen,” zeiFagin, toen hij zag datMonksterugschrikte bij het zien van een vreemde. „Blijf stil zitten,Nancy.”

Het meisje schoof dichter naar de tafel toe, keekMonkseen oogenblik met afgetrokken blik aan en wendde toen haar oogen af; maar toen hij zich totFaginkeerde, waagde zij het, hem weer aan te zien met een blik, zóó scherp en onderzoekend en speurend, dat een derde, die de verandering had opgemerkt, ternauwernood geloofd zou hebben, dat het dezelfde oogen waren.

„Is er nieuws?” vroegFagin.

„Groot nieuws.”

„En—en—goed?” vroegFaginaarzelend, alsof hij bang was den ander te ergeren, als hij zich al te ijverig toonde.

„Niet slecht tenminste,” antwoorddeMonksmet een glimlach. „Ik ben er ditmaal bijtijds bij geweest. Ik wou je alleen spreken.”

Het meisje schoof dichter naar de tafel en bood niet aan, uit de kamer te gaan, ofschoon zij merkte datMonksop haar wees. De Jood, die misschien bang was, dat zij, als hij probeerde haar weg te sturen, iets over het geld zou zeggen, wees naar boven en namMonksmee de kamer uit.

„Niet weer in dat vervloekte hol waar we laatst zijn geweest,” hoordeNancyden man onder het naar boven gaan zeggen.Faginlachte; hij antwoordde iets, dat zij niet verstond en scheen, te oordeelen naar het kraken van de trap, zijn bezoeker naar de tweede verdieping te brengen.

Nog eer de echo van hun voetstappen verstorven was, had het meisje haar schoenen uitgegooid; ze wierp haar rok losjes over haar hoofd, wikkelde haar armen er in en stond zoo aan de deur, in ademlooze spanning luisterend. Op het oogenblik, dat het geluid ophield, glipte zij de kamer uit, klom ongelooflijk voorzichtig en stil de trappen op en verdween in de duisternis boven.

Meer dan een kwartier lang bleef de kamer leeg; het meisje kwam even onhoorbaar terug en onmiddellijk daarop kwamen de beide mannen naar beneden.Monksging meteen de straat op en de Jood klauterde opnieuw naar boven om het geld te halen. Toen hij terugkwam was 't meisje bezig haar doek om te doen, als maakte zij zich gereed, heen te gaan.

„Maar,Nance,” riep de Jood, terugschrikkend, terwijl hij de kaars neerzette, „wat zie jij bleek!”

„Bleek!” herhaalde het meisje en hield de hand boven haar oogen, als om hem strak te kunnen aankijken.

„Verschrikkelijk gewoon! Wat heb je met jezelf uitgevoerd?”

„Niets zoover ik weet, behalve dat ik 'k weet niet hoelang hier in dat benauwde hok heb gezeten,” antwoordde het meisje achteloos. „Kom! Laat me naar huis gaan, dat 's beter.”

Met een zucht bij ieder geldstuk teldeFaginhet bedrag uit in haar hand. Ze gingen van elkaar zonder meer woorden te wisselen, behalve een „goeiennacht.”

Toen het meisje op straat was, ging zij op een stoep zitten; gedurende enkele oogenblikken scheen zij geheel verbijsterd te zijn en buiten staat, haar weg te vervolgen. Plotseling stond zij op en liep haastig in de richting, tegenovergesteld aan die, waarSikeshaar terugkomst verwachtte; langzamerhand verhaastte zij haar stap, tot zij eindelijk op een draf liep. Toen zij geheel uitgeput was, stond ze stil om adem te halen; alsof zij plotseling tot bezinning kwam en met verdriet erkende hoe onmachtig zij was iets te doen, dat zij zich had voorgenomen, wrong zij hare handen en barstte in tranen uit.

Mogelijk brachten de tranen haar verlichting of voelde zij geheel de hopeloosheid van haar toestand; zij keerde terug: om den verloren tijd in te halen en ook om gelijken tred te houden met den hevigen stroom van haar gedachten, liep zij bijna even snel in de tegenovergestelde richting en kwam spoedig bij de woning, waar de inbreker haar wachtte.

Wanneer zij bij 't binnenkomen eenige ontroering verried, merkteSikeshet niet op; hij vroeg alleen of zij 't geld had meegebracht en gromde voldaan, toen zij bevestigend antwoordde. Daarna liet hij zijn hoofd weer op het kussen vallen en zette den slaap voort, waar haar komst hem in gestoord had.

't Was gelukkig voor haar, dat het bezit van geld hem den volgenden dag zooveel bezigheid verschafte met eten en drinken en vooral dat dit zulk een gunstigen invloed had op zijn heftige stemming, zoodat hij noch tijd, noch lust had, veel aanmerkingen te maken op haar manier van doen.Fagin, die zoo sluw als een lynx was, zou dadelijk ontdekt hebben, dat zij geheel de afgetrokken en zenuwachtige manier van doen had van iemand, die op 't punt staat een stouten stap te wagen, waartoe zij niet dan na moeielijken strijd besloten was; maarMr. Sikes, die dit scherpe onderscheidingsvermogen miste, en die, daar hij iedereen met dezelfde hondsche ruwheid bejegende, niet gekweld werd door zulke fijnere twijfelingen, en die bovendien, zooals ik reeds opmerkte, in een bijzonder vriendelijke bui was, zag niets ongewoons in haar doen en nam zelfs zoo weinig notitie van haar, dat haar ontroering nog veel grooter had kunnen zijn, zonder zijn argwaan op te wekken.

Toen de dag ten einde liep, namNancy'sopgewondenheid toe en toen het avond was en zij zat te wachten, totSikeszich in slaap had gedronken, kwam er een ongewone bleekheid over haar wangen en een gloed in haar oogen, die zelfsSikesmet verwondering opmerkte.

Sikes, verzwakt door de koorts, lag in bed en dronk zijn jenever met heet water om ze minder sterk te maken; toen hijNancyzijn glas voor de derde of vierde keer toeschoof om opnieuw gevuld te worden, viel het vreemde in haar hem voor 't eerst op.

„Hel en duivel!” zei de man, terwijl hij zich op zijn handen ophief en het meisje in 't gezicht staarde. „Je ziet er uit als een levend lijk. Wat scheelt je?”

„Schelen?” zei het meisje. „Niks. Waarom kijk je me zoo an?”

„Wat is dat voor gekheid?” vroegSikes, greep haarbij den arm en schudde haar ruw door elkaar. „Wat is er? Wat wil je? Waar denk je an?”

„An allerlei dingen,Bill,” antwoordde het meisje met een huivering en drukte haar handen tegen haar oogen. „Maar God! Wat 'n onzin!”

De toon van gedwongen vroolijkheid, waarop zij de laatste woorden sprak,scheennog dieper indruk opSikeste maken dan de wilde, starende blik van straks.

„Ik zal je zeggen wat 't is,” zeiSikes, „als 't de koorts niet is, die opkomt, dan voer je iets bijzonders in je schild, iets gevaarlijks. Je gaat toch niet naar—Nee! verdomd! dat zal je niet doen!”

„Wat?” vroeg het meisje.

Sikeshield zijn oogen strak op haar gericht.

„Ze is,” mompelde hij in zichzelf, „ze is de trouwste meid die op twee beenen rondloopt, anders had ik haar voor drie maanden den strot al afgesneden. Ze krijgt de koorts; dat's alles.”

Toen hij zichzelf met deze verzekering gerust gesteld had, dronkSikeshet glas tot den bodem leeg en riep onder veel gevloek om zijn medicijnen. Het meisje sprong haastig op, goot, met haar rug naar hem toe, wat van zijn drankje in een kopje en hield het aan zijn lippen, terwijl hij de medicijn opdronk.

„Nou,” zei de dief, „kom nou naast me zitten en zet je gewone gezicht, of ik zal 't zoo toetakelen, dat je 't niet meer terug kan vinden, als je 't noodig hebt.”

Het meisje gehoorzaamde.Sikesklemde haar hand in de zijne en liet zich op het kussen vallen met zijn oogen strak op haar gericht. Ze gingen dicht, open, weer dicht en weer open. Hij woelde onrustig heen en weer, dommelde een paar maal voor twee of drie minuten in, sprong even dikwijls op, met ontstelden blik vaag om zich heen starend; plotseling, juist toen hij opnieuw op wilde rijzen, werd hij door een diepen, zwaren slaapovervallen. Zijn hand liet de hare los; de arm viel langzaam naast hem neer; hij lag daar als in een diepe verdooving.

„De laudanum werkt eindelijk,” mompeldeNancyen stond op. „Maar nou is 't misschien te laat.”

Haastig deed zij haar doek om en zette haar muts op; angstig keek ze om zich heen, als verwachtte zij, niettegenstaande den slaapdrank, elk oogenblikSikes' zware hand op haar schouder te zullen voelen; toen boog zij zich zachtjes over het bed heen en kuste den dief op de lippen; onhoorbaar deed zij de deur open, sloot haar weer en holde het huis uit.

In een donker steegje, dat ze door moest om op de hoofdstraat te komen, riep een nachtwacht juist het uur van half tien.

„Is 't al lang over half tien?” vroeg het meisje.

„Over een kwartier slaat het tien uur,” zei de man en hield de lantaarn voor haar gezicht.

„En ik kan er pas over meer dan een uur zijn,” mompeldeNancy, terwijl zij hem vlug voorbij liep en haastig langs de straat voortgleed.

In de achterstraten en stegen waardoor zij ging om vanSpitalfieldsnaar 'tWest-Endte komen, werden al vele winkels gesloten. Het slaan van tienen deed haar ongeduld groeien. Ze joeg voort langs de smalle straat, zich met haar elleboog een weg banend; soms kwam ze bijna onder de voeten van de paarden. Door volle straten holde zij voort, waar groepen menschen begeerig de gelegenheid aangrepen om mee voort te dringen.

„Dat mensch is gek!” zeiden de menschen en keerden zich om, om haar na te kijken, terwijl zij voortholde. Toen zij in het rijkere deel van de stad kwam, waren de straten veel leeger en hier wekte haar haastige voortdringen nog meer opzien bij de voorbijgangers. Sommigen verhaastten hun tred achter haar, als om te zien waarzij met zoo'n ongewone haast heenging en enkelen liepen haar voorbij en keken om, verbaasd dat zij haar vaart niet inhield, maar ze bleven allen, de één na den ander, achter, en toen zij bij de plaats van bestemming aankwam, was ze alleen.


Back to IndexNext