HOOFDSTUK IX.Naar Engeland terug.Terwijl onze mannen ons kamp aan den oever der beek begonnen op te slaan, vroeg mijn landgenoot ons, of we voldoende proviand hadden en hoe we dachten ons van levensmiddelen te voorzien, en toen hij hoorde dat het daar vrij droevig mee gesteld was, beloofde hij ons met de inboorlingen te spreken, die volgens hem de vriendelijkste en goedhartigste van de geheele streek waren. Dit bleek trouwens wel uit het feit dat hij veilig onder hen leven kon.De ontmoeting met den blanke bezorgde ons allerlei voordeelen. Ten eerste wist hij ons nauwkeurig te vertellen waar we ons bevonden en in welke richting we het best verder konden trekken; ten tweede wees hij ons de middelen aan om aan proviand te komen, en ten derde werd hij een onmisbaar tolk en onderhandelaar tusschen ons en de verdere bevolking, die zich, toen we later de kust naderden, veel sluwer, ontwikkelder en strijdlustiger betoonde dan de bewoners langs de beek. Ze lieten zich door onze vuurwapens volstrekt geen ontzag inboezemen en bleken niet van zins hun voedsel voor de sieraden van onzen kunstsmid te ruilen.Blijkbaar had de omgang met de Europeesche kusthandelaars of met de negerstammen die met deze in aanraking kwamen, hen geleerd, hun voedsel alleen af te staan voor dingen die evenveel waarde hadden.Dit gold wel te verstaan voor de negers die we spoedig zouden ontmoeten; de zwartjes, waaronder mijn landgenoot driehonderd mijlen van de kust woonde, waren nog volkomen argeloos. Hun gansche verkeer met de Europeanen bestond daarin, dat ze in ’t gebergte in ’t noorden olifantstanden verzamelden, die ze zestig à zeventig mijlen zuidwaarts vervoerden en daar bij handeldrijvende negers inwisselden voor kralen kettingen, schelpen, spiegeltjes, vliegendooders en dergelijke prullen, die de Engelschen, Hollanders en andere Europeanen als ruilmiddelen bij hun Afrikaanschen handel gebruikten.Langzamerhand geraakten we met onzen nieuwen bekende op vertrouwelijker voet en hoewel we zelf, wat onze kleeding betrof, maar een zeer armzaligen indruk maakten, daar we kousen, schoenen noch hoeden, en maar heel weinig hemden meer bezaten, kleedden we hem toch nog zoo goed en zoo kwaad als ’t ging. Onze heelmeester die een schaar en een scheermes bezat, ontlaste hem van zijn overtolligen haargroei, en in plaats van een hoed, maakte hij zich, heel handig, een muts van een luipaardenhuid, zoodat hij er weer als een mensch begon uit te zien. ’t Gemis van kousen en schoenen die hij zoolang ontbeerd had, hinderde hem zoo weinig, dat hij volstrekt niet op een paar „voethandschoenen”,zooals wij ze noemden, gesteld bleek.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Even nieuwsgierig als hij was om het verslag van onze wederwaardigheden aan te hooren, even nieuwsgierig waren wij om te weten te komen hoe hij zoo geheel alleen in dit afgelegen oord gestrand was. Zijn verhaal was belangwekkend genoeg om er een boekdeeltje als dit mee te vullen, en met groote belangstelling luisterden we naar zijn avonturen, maar ik moet mij beperken tot een korte samenvatting.Onze nieuwe vriend was zaakwaarnemer geweest voor de Engelsche Guinea-compagnie te Sierra Leone, tot de factorij in handen der Franschen viel, bij welke gelegenheid hij zoowel van zijn eigen bezittingen als van het aanwezige kapitaalder maatschappij beroofd werd. Toen de compagnie in gebreke bleef hem het verlorene te vergoeden en een nieuwe positie aan te bieden, verliet hij haar dienst en nam opdrachten aan van afzonderlijk handeldrijvende kooplieden, om ten slotte geheel voor eigen rekening zaken te doen. Eens, toen hij zich onvoorzichtigerwijze in een der nederzettingen van zijn oude compagnie vertoond had, was hij, ten gevolge van verraad, of bij een toevallige overval der negers, in hun handen gevallen. Daar ze hem niet doodden, had hij na verloop van tijd zijn kans schoon gezien naar een anderen negerstam te vluchten, die hem, omdat ze op oorlogsvoet met den eersten leefde, vriendelijk ontving en hem rustig onder hen deed leven. Ook hier beviel het hem natuurlijk niet op den duur en hij vluchtte opnieuw. Na zoo verscheidene malen van omgeving en gezelschap veranderd te zijn, was hij eindelijk, na allerlei wonderlijke lotsverwisselingen, ongewapend en zonder nog eenige hoop op uitkomst te hebben behouden, verzeild waar wij hem vonden en waar het opperhoofd van den kleinen stam hem vriendelijk ontvangen had. Tot dank voor de ondervonden gastvrijheid leerde hij hun hoe ze sommige gewassen konden teelen, nuttige gereedschappen maken en voordeeliger voorwaarden bedingen bij de onderhandelingen met de negers die olifantstanden met hen kwamen ruilen.Even berooid als hij was van kleeren, bleek hij dit ook wat bewapening betrof. Hij bezat geweer, mes, zwaard, noch pijl en boog om zich tegen de wilde dieren die veel in de streek voorkwamen,te verdedigen. Toen we hem vroegen hoe het kwam, dat hij niet beter op zijn veiligheid bedacht was, antwoordde hij: „Na al wat ik heb geleden, is het leven mij ongeveer niets meer waard. Ik had me sinds maanden bij het denkbeeld neergelegd, geen uitkomst meer te vinden, en in dat wanhopige bewustzijn, zou ’t mij niet hebben kunnen schelen, wanneer er op de een of andere manier een einde aan mijn bestaan was gemaakt; ja, ik zou er zelfs dankbaar voor zijn geweest. Daarbij leef ik hier geheel afhankelijk van de genade van de negers, en die vertrouwen me juist omdat ik geen wapens draag. Om wilde dieren behoef ik me niet veel te bekommeren, ik verlaat mijn hut alleen in gezelschap van het opperhoofd en zijn mannen, die altijd hun lansen en bogen bij zich hebben. ’t Gebeurt trouwens vrij zelden dat leeuwen of tijgers ons overdag naderen, en blijven de negers ’s nachts van huis, dan slaan ze even een hut op en stoken een vuur om de beesten op een afstand te houden.”Met hem overleggende wat wij nu in de eerste plaats moesten doen om zoo gauw mogelijk de kust te bereiken, vertelde hij ons dat we ongeveer honderd-en-twintig uur gaans verwijderd waren van dat gedeelte, waar zich de meeste Europeesche nederzettingen en factorijen bevonden, de zoogenaamde Goudkust. Op den weg daarheen zouden we evenwel zooveel vijandige negerstammen te bestrijden hebben, dat de kans aan provisie te komen of het leven er af te brengen, naar zijn meening heel gering was.„Maar er bestaan nog twee andere wegen,” liet hij er op volgen „en als ik gezelschap gehad had, zou ik stellig langs allebei getracht hebben te ontkomen. De eene loopt vlak naar het westen en is wel langer, maar niet zoo dicht- en niet zoo vijandig bevolkt. De andere komt aan den Niger uit, dien we dan met kano’s zouden kunnen afvaren.”„Precies wat ons eerste plan was!” riep ik verheugd. Maar hij temperde mijn blijdschap door er ons op te wijzen, dat we om de rivier te bereiken een groot stuk woestijn en een uitgestrekt oerwoud moesten doortrekken, wat wij stellig, ook bij de grootste volharding, op twintig dagreizen moesten schatten.„Levert het land hier geen paarden, ezels of buffels op, om bij zoo’n tocht gebruik van te maken?” vroeg onze kanonnier, op onze trouwe lastdieren wijzende, waarvan er ons nog maar drie waren overgebleven.„Neen,” zei hij, „die komen in dit gedeelte van Afrika in ’t geheel niet voor. In het woud houden zich groote kudden olifanten op en in het stuk woestijn veel tijgers, leeuwen, luipaarden, lynxen enz. De negers trekken er altijd goed gewapend heen, om olifantstanden te verzamelen en meestal komen ze met een mooien buit terug.”„Maar op dien weg naar de Goudkust?” vroeg ik, hartelijk verlangend in een door Europeanen bewoonde streek te komen, „loopen daar geen rivieren, die onzen tocht kunnen vergemakkelijken? Voor die gevechten met de negers zijn we nietbang. We weten langzamerhand wel hoe met dat volkje om te gaan, en als zij voedsel hebben, zullen we wel kans zien ons deel daarvan te bemachtigen. Wijs ons den weg maar, dan zullen wij dien met goed vertrouwen inslaan, en ’t spreekt vanzelf dat we elkaar onder alle omstandigheden blijven bijstaan.”Hij verzekerde ons dat hij niets liever wilde dan zijn lot aan het onze verbinden en nam op zich, ons den weg te wijzen en wel zoo, dat we nog hier en daar een vriendschappelijken negerstam zouden ontmoeten, die ons niet alleen goed behandelen maar er misschien voor te vinden zoude zijn ons tegen de vijandige horden bij te staan. En zoo besloten we dus allen met elkaar de zuidelijke reis naar de Goudkust te aanvaarden.Terwijl we den volgenden morgen allen bij-een-zaten om het verdere plan voor den tocht te beramen, voegde hij zich bij ons en begon ons zeer ernstig toe te spreken.„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht, hoe wij ons allen eenigszins schadeloos zouden kunnen stellen voor de moeilijkheden en ontberingen die wij zoo langen tijd hebben doorstaan. Dit kan ik jullie wel verzekeren, dat dit land, hoe woest en onherbergzaam het er ook moge uitzien, tot een der rijkste gebieden der heele aarde behoort. Er is hier geen beek die geen goud, geen woestijn die niet een schat aan ivoor oplevert. Niemand kan benaderen, hoe rijk de mijnen zijn en welke onschatbare massa’s goud de gebergten bevatten. Te oordeelen naar al deschepen, die de Europeanen hier heen zenden en naar het goudstof dat de rivieren en beken meevoeren, moet de voorraad wel heel belangrijk zijn.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Hoe ver zou zich dat rijke terrein wel uitstrekken?” vroeg ik. „De scheepvaart bepaalt zich toch maar tot een zeker gedeelte van de kust.”„De negers doorzoeken de rivieren van de kust af tot op een honderdvijftig of twee honderd mijlen,” antwoordde hij. „Dikwijls blijven ze twee of drie maanden uit en brengen altijd een rijken buit mee terug. Tot waar wij nu zijn komen ze nooit, en toch is hier zeker zooveel te vinden als dichter bij de kust. Als ik me de moeite had willen getroosten er naar rond te zien en het bijeen te garen, zou ik, sedert mijne komst hier,wel een honderd pond goud hebben kunnen verzamelen. Maar ik zou niet geweten hebben wat er mee te doen, nu ik alle hoop had opgegeven hier ooit vandaan te komen. Wat zou ’t mij geholpen hebben, al had ik me in ’t goudzand kunnen rondwentelen! De grootste schat kon mijn ellendig bestaan geen zier lichter of vroolijker maken. Ik had er zelfs geen stuk kleeren voor kunnen koopen, geen teug water om mij voor versmachten te bewaren! ’t Goud heeft hier niet de geringste waarde,” eindigde hij, „en er zijn menschen genoeg in die hutten daarginds, die een handvol stofgoud zouden verkwanselen voor een paar glazen kralen of wat schelpen.”Om ons te bewijzen dat hij niet overdreef, haalde hij een ruwen aarden pot, die in de zon gebakken was, en zette dien voor ons neer.„Kijk,” zei hij, „dit is nu wat slijk uit deze streek; als ik gewild had, zou ik er heel wat van hebben kunnen vergaren.”De pot bevatte naar onze schatting twee of drie pond stofgoud van dezelfde kleur als wij het vroeger hadden gevonden.Toen we het bekeken hadden zei hij glimlachend:„Nu ik al het mijne, zelfs mijn leven, als het eigendom van mijn bevrijders beschouw, verzoek ik jullie mij het genoegen te doen, dit van mij aan te nemen. In ons eigen land zal het zijn waarde opbrengen, en op dit oogenblik voel ik voor ’t eerst hevigen spijt er niet meer van te hebben verzameld.”Toen hij weg was bleek, dat onze mannen, wienik altijd vertaalde wat de Engelschman zeide, buitengewoon getroffen waren door zijn mild aanbod, en we kwamen overeen dit goud bij onzen gemeenschappelijken schat te voegen en later stipt eerlijk te verdeelen. Hij van zijn kant moest dan echter ook—nu zijn lot zoo nauw met het onze verbonden was—plechtig beloven, geen korreltje van ’t goud dat hij nog vinden zou voor ons verborgen te houden.Hadden we zijn raad opgevolgd, dan zouden we, alvorens den tocht naar de Goudkust te aanvaarden, eerst een uitstapje naar de noordelijke woestijn en het groote woud hebben gemaakt om onze negers en nog eenige zwarten die hij mee zou sturen, elk een olifantstand te doen halen en dragen, tot we ze verder in onze kano’s zouden kunnen meenemen om ze aan de kust met groot profijt te verkoopen.Op mijn verzoek evenwel zagen we van dit plan af. ’t Leek mij vrij wat voordeeliger onze negers goud te laten zoeken dan hun die geweldig zware tanden te laten meesleepen, en mijn landsman gaf zich gewonnen, hoewel hij ons graag de ontzaglijke tanden had laten zien, die daar volgens zijn zeggen verspreid lagen.Nog twaalf dagen bleven we aan de beek, gedurende welken tijd de inboorlingen zich buitengewoon gedienstig betoonden en ons vruchten, pompoenen en een soort van wortels brachten, die er als onze peenen uitzagen maar anders smaakten. Ook voorzagen ze ons van verschillende eetbare vogels, die we niet kenden. In ’t kort, ze deelden,zeer goedhartig, alles met ons wat zij hadden, zoodat we een onbezorgd en gemakkelijk leventje leidden waarvoor we hun uit dankbaarheid gelukkig maakten met de sieraden die onze fijnsmid weer ruimschoots gefabriceerd had.Den dertienden dag zetten we ons met onzen nieuwen vriend in beweging. Bij ons vertrek zond de negerkoning nog twee zwarten naar hem toe met een afscheidsgeschenk in den vorm van een voorraad gedroogd vleesch en deed de Engelschman hem als contra-beleefdheid drie zilveren vogeltjes cadeau uit de werkplaats van onzen smid; wat de vorst blijkbaar als een hem waardig huldebewijs beschouwde.Eindelijk dan sloegen we de zuid-zuidwestelijke richting in en vonden wij weldra, na een marsch van meer dan tweeduizend mijlen, de eerste rivier die naar ’t zuiden liep. Dit riviertje—aanvankelijk was het niet meer dan een flinke beek—volgden we tot het wat meer water begon te bevatten. Om de paar uur liep onze Engelschman eens naar den oever toe om het zand van de bedding te onderzoeken, doch pas na een vollen dag loopens bracht hij een handvol mee en zei: „Kijk!” waarop wij werkelijk verscheiden goudkorrels tusschen het zand ontdekten.„Nu moeten we aan ’t werk gaan,” meende hij, en onze negers twee aan twee verdeelende, zette hij ze aan den arbeid, na ze gewezen te hebben hoe ze het zand op de ondiepe plaatsen moesten opscheppen en uitspoelen.Den eersten anderhalven dag brachten onzemannen ongeveer zes-en-dertig lood1goud bijeen, en daar we bemerkten dat de hoeveelheid toenam naarmate wij verder kwamen, volgden we het stroompje drie dagen, totaan de plek waar een andere beek in ons riviertje uitmondde. In dezen zijtak vonden we stroomopwaarts ook goud, zoodat we besloten onze hutten hier op te slaan en onzen tijd te verdeelen tusschen goudwasschen en voor mondkost zorgen.Dertien dagen bleven we hier aan ’t werk, en onze knappe smid, door de lange oefening zoo handig geworden dat hij er letterlijk alles van fatsoeneeren kon, hamerde er maar lustig op los in dien tijd. Uit dungeslagen goud, want ons zilver en ijzer was op, maakte hij olifanten, tijgers, civetkatten, struisvogels, adelaars, kraanvogels en allerlei visschen die ons als altijd uitstekende diensten bewezen.In een der neger-nederzettingen nam de aanvoerder ons zeer gastvrij op, en daar hij buitengewoon was ingenomen met de smeedproducten van onzen kunstenaar, verkocht deze hem een gouden olifantje voor een ongehoorden prijs. Zijn Zwarte Majesteit rustte in zijn opgetogenheid niet, eer hij onzen smid een handvol stofgoud in ruil had gegeven. Naar schatting woog dit ruwe goud wel vier-en-twintig lood, terwijl aan het dun geslagen olifantje hoogstens voor een gulden of tien goud zat.Onze smid was zoo onbaatzuchtig dit goudeerlijk bij den gemeenschappelijken voorraad te voegen, hoewel hij voor zijn inspanning en kunstvaardigheid zeker wel een extra belooning verdiend had. Er bestond trouwens niet de minste reden gierig of hebzuchtig te zijn. Zooals onze nieuwe gids terecht opmerkte, konden wij—behoorlijk in staat om ons te verdedigen en met de vrije beschikking over onzen tijd—zooveel goud verzamelen als we slechts begeerden; wel honderd pond per man als we geduld genoeg hadden.„Ik verlang minstens even hard naar ’t vaderland terug als een van ons allen,” zei hij, „maar wenschen jullie hier nog wat te blijven, dan ben ik gaarne bereid. Ik zou dan evenwel voorstellen ons hoofdkwartier wat meer naar ’t zuidoosten te verleggen. Daar vinden we voedsel in overvloed en kunnen we ons langs de verschillende riviertjes verspreiden en de streek afzoeken. In twee of drie jaar zullen we dan stellig een kapitaal bijeengebracht hebben.”Hoe verleidelijk dit plan ook klinken mocht, lachte het toch geen van ons bizonder toe. ’t Was er ons in den grond der zaak toch meer om te doen naar huis te komen dan rijk te worden, want het langer dan een jaar rondzwerven door woestijnen en tusschen wildevolksstammenen verscheurende dieren had ontzaglijk veel van onze krachten gevergd.Toch wist mijn landgenoot, die in hooge mate de gave des woords bezat, ons te overreden nog een half jaar in het goudland te vertoeven. Hijwees er ons op, hoe belachelijk het eigenlijk zou zijn de vruchten van al onze ontberingen niet te plukken nu de oogsttijd eindelijk was aangebroken; hoe de Europeanen met groote kosten schepen uitrustten en expedities het land in zonden om, met opoffering van veel moeite en geld, kleine voorraden goud te bemachtigen, terwijl wij, die ons als ’t ware aan de bron bevonden, met leege handen zouden wegtrekken. We waren sterk genoeg het zoo noodig tegen de negerstammen op te nemen en zouden ’t onszelf nooit vergeven, wanneer we, in ons eigen land teruggekeerd, slechts een honderdste van het goud meebrachten van ’t geen we zonder moeite hadden hunnen vergaren.„Ik ben niet hebzuchtig van aard,” eindigde hij, „maar nu het in onze macht staat ons voor de geleden tegenspoeden schadeloos te stellen en ons een onbezorgde toekomst te verzekeren, acht ik me uit dankbaarheid voor al ’t geen jullie voor mij doet, verplicht, jullie op dit groote voordeel te wijzen. Als we de zaak goed aanpakken en de negers ons flink helpen, kunnen we per hoofd misschien wel een honderd pond stofgoud en twee-honderd olifantstanden verzamelen, terwijl we, onmiddellijk naar de kust koersende, de eenige kans die ons in ons leven geboden wordt laten voorbijgaan.”Onze heelmeester bezweek het eerst voor de verleiding van al die schatten, en na hem de kanonnier. Wat mij betreft, ik voelde niets geen lust nog langer in dat verwenschte heete land te blijven, doordat ik de waarde van het geld nauwelijkskende en wanneer het goud verdeeld was meer dan genoeg zou hebben naar mijn zin. Ik dacht het in Engeland uit te geven aan de noodige kleeren en wat pretmakerij, en dan weer dienst te nemen en op nieuwe avonturen uit te gaan.Daar de Engelschman, de heelmeester en de kanonnier echter grooten invloed op de anderen hadden, lieten deze zich overtuigen en werd er besloten nog hoogstens een half jaar in de goudstreek te blijven, maar dan ook onherroepelijk—tenzij weallenvan gedachte veranderd waren—naar onze geboortelanden terug te keeren.Zoo trokken we dus nu nog eens weer vijftig mijlen naar ’t zuidoosten, waar we verscheiden stroompjes vonden, die allen van een bergrug in ’t noordoosten schenen te komen. De landstreek was hier desondanks dor genoeg, doch door de bemiddeling van onzen nieuwen vriend en ons nooit falend ruilmiddel: de eigengemaakte sieraden, verkregen we overvloedig voedsel.Op aanwijzing van onzen raadgever plantten onze negers hier ook maïs, en het zorgvuldig gietende, konden we de kolven na drie maanden al oogsten.Zoodra ons kampement was opgeslagen, gingen we weer aan onze oude bezigheid: goud visschen in de kleine riviertjes, en onze Engelsche vriend wist ons hierbij zoo juist te leiden dat we hoogst zelden onverrichterzake thuiskwamen.Toen we zoo geregeld aan den arbeid waren verzocht hij op een avond verlof met vier of vijf negers voor een veertien dagen uit te mogentrekken. Hij wilde een excursie maken en onderzoeken wat het land in noordelijke richting zou opleveren. Natuurlijk zou het gevondene eerlijk aan den gezamenlijken voorraad worden toegevoegd.Niemand had eenig bezwaar tegen het plan, en zelfs bekroop twee van ons de lust met hem mee te gaan, waarop ze, behoorlijk gewapend, van zes negers en twee onzer buffels vergezeld en voor twee weken van proviand voorzien, de reis aanvaardden, die om te beginnen naar den bergrug voerde, vanwaar de tallooze riviertjes tot ons kwamen. Zooals ik later van onze mannen hoorde, overzagen ze van den top dezelfde woestijn, die ons vroeger zoo met afschrik had vervuld en die naar hun berekening wel een driehonderd mijlen breed en zeshonderd mijlen lang moest zijn.In plaats van veertien, bleven ze twee-en-vijftig dagen uit, waarna ze ons ongeveer zeventien pond stofgoud meebrachten, sommige korrels veel grooter dan we ze nog gezien hadden. Verder bestond de buit uit een vracht olifantstanden, die hij—gedeeltelijk goedschiks, gedeeltelijk kwaadschiks door de bewoners van den woestijnrand had laten bijeenzamelen en naar ons kamp dragen. Toen we hen in de verte met een twee-honderdtal negers zagen naderen, wisten we niet wat we er van denken moesten, maar de zaak werd ons duidelijk toen ze bij ons kamp gekomen, hun last aan den ingang neerlegden.Behalve al die olifantstanden brachten ze ons nog twee mooie leeuwen- en vijf luipaardshuiden mee, allen van prachtige kwaliteit. Ondanks ditalles was onze Engelschman toch niet voldaan over zijn buit en verzocht hij ons er nog eens op uit te mogen trekken, overtuigd dan betere zaken te zullen maken.Nadat hij de negers die het ivoor getorst hadden, verblijd had met een belooning in den vorm van eenige gouden sieraden en een paar dagen rust had genomen, ondernam hij zijn tweede reis.Bij deze gelegenheid wenschten nog meer onzer kameraads zich bij hem aan te sluiten, en met hun twintigen—tien blanken en tien zwarten—benevens de twee buffels om hun eetbare waar en ammunitie te dragen, ondernamen ze een nieuwen ontdekkingstocht in dezelfde richting, zij ’t dan ook niet langs dezelfde paden.Dezen keer bleven ze maar twee-en-dertig dagen uit, in welken tijd ze niet minder dan vijftien luipaarden, drie leeuwen en verscheiden andere wilde dieren doodden en ruim vier-en-twintig pond stofgoud vergaarden.Onze nieuwe vriend kon er nu terecht op wijzen, dat onze tijd goed besteed was geweest, want in de vijf maanden van ons oponthoud hadden we vijf en een kwart pond goud per hoofd bijeengebracht, ’t geen, gevoegd bij wat we reeds bezaten en bij wat onze fijnsmid verwerkt had, een aanzienlijke hoeveelheid mocht genoemd worden.Maar nu hadden we dan ook meer dan genoeg van ons zwervend bestaan, en met algemeene stemmen werd tot de reis naar de kust besloten, toen mijn landsman glimlachend opmerkte, dat dit nu onmogelijkwas, omdat het regenseizoen binnenkort zou beginnen.Na heel wat gemopper onderwierpen we ons aan het onveranderlijke en begonnen we, van den nood een deugd makende, zooveel mogelijk proviand bijeen te garen, om—gedurende de twee gedwongen rustmaanden waarin we bijna voortdurend op ons kamp zouden zijn aangewezen—tenminste geen gebrek te lijden.Gedurende dien natten mousson zwollen de kleine stroompjes zóó, dat ze haast niet te onderscheiden waren van groote rivieren. Het zou een prachtige gelegenheid zijn geweest om onze olifantstanden op een vlot te vervoeren, want de voorraad ivoor was langzamerhand zoo aangegroeid—de negers en negerinnen uit den omtrek kwamen ze ons graag voor een sieraad aanbieden—dat ik vreesde ze nooit mee naar de kust te zullen krijgen.Zoodra het weer opklaarde, zei onze Engelsche vriend op een ochtend: „Ik wil er nu niet weer op aandringen nóg langer hier te kampeeren, al blijf ik het vreemd vinden dat jullie zoo weinig waarde aan het goud hecht en om zoo te zeggen niet eens bukken wilt om het op te rapen. Toch acht ik me verplicht jullie er opmerkzaam op te maken dat nu, na den grooten vloed, het meeste goud gevonden wordt. Als we nog een maand hier blijven, zullen jullie zien hoe duizenden negers zich over deze heele streek verspreiden om goud te wasschen voor de Europeesche schepen aan de kust van Guinea. Het geweld waarmee het water van de bergen stroomt, voert er altijd heel watgoud uit mee, en als we nu zorgen de inboorlingen vóór te zijn, zult ge eens zien hoe’n schat hier te vinden is.”Voor den zooveelsten keer uitstel dus! ’t Ging ons aan ’t hart, maar toch—het vooruitzicht op zooveel voordeel, met een kleine opoffering van tijd te behalen, deed ons nog eens besluiten gebruik te maken van de ons geboden gelegenheid.En het bleek al gauw dat hij niet te veel beloofd had. Zoodra het water begon te zakken en de riviertjes tot binnen hun beddingen terugkeerden, vonden we langs de oevers zooveel aangespoeld goud, dat we na verloop van één maand niet minder dan zestig pond bijeen hadden. Niet zelden troffen we ook opmerkelijk groote korrels aan, en een onzer negers waschte zelfs eens een stuk goud uit het zand ter groote van een kleine noot.Na die eerste vier, vijf weken werd het resultaat van onzen arbeid echter steeds geringer, daar de negers, mannen, vrouwen en kinderen van alle kanten kwamen opzetten om de rivieren niet alleen, maar ook de heuvels af te zoeken.Onze fijnsmid, al zoo menigmaal onze redder, wist ons ook nu weer een grooten dienst te bewijzen. Met den Engelschman als tolk, knoopte hij onderhandelingen aan met verschillende van die negers, ’t geen ten gevolge had, dat ze telkens belangrijke hoeveelheden goud brachten om er zilveren of gouden sieraadjes voor in ruil te ontvangen, en de vraag naar die prullen werdzóógroot, dat onze kunstenaar niet hard genoeg kon werken om iedereen tevreden te stellen.Niet hard genoeg kon werken.Niet hard genoeg kon werken.Toen we na drie maanden oponthoud, onzen totalen voorraad verdeelden, bleek dat ieder van ons ongeveer vier pond goud het zijne kon noemen. Dankbaar en voldaan zetten we ons dan nu toch eindelijk naar de Goudkust in beweging, om te zien hoe we vandaar Europa zouden kunnen bereiken.Op vaderlandschen bodem.Op vaderlandschen bodem.Van dezen laatsten tocht wil ik in ’t kort alleen nog vertellen, dat we nu eens vriendschappelijk, dan weer vijandig ontvangen werden door de verschillende negerstammen die we op onze reis ontmoetten. Een zeker negerkoning, die onzen Engelschen vriend vroeger had bijgestaan en nu door zijn vijanden gevangen was genomen, konden we, tot onze blijdschap, bevrijden en weer op den troon zetten in zijn rijk, dat ongeveer driehonderdonderdanen telde. Tot dank onthaalde hij ons op zijn manier vorstelijk en gaf hij onzen Engelschman al zijn onderdanen mee om de olifantstanden te gaan halen, die wij hadden moeten achterlaten. Ze droegen ze alle naar een rivier (waarvan ik den naam vergeten ben) en hielpen ons vlotten maken waarmee we in elf dagen een der Hollandsche nederzettingen aan de Goudkust bereikten en overgelukkig voet aan wal zetten. Onze voorraad tanden verkochten we aan de Hollandsche factorij en schaften ons voor het verkregen geld de noodige kleeren en andere benoodigdheden aan, niet alleen voor ons zelf, maar ook voor een paar van onze negers die met ons mee wilden gaan. Onzen Zwarten Prins hergaven wij de volledige vrijheid, kleedden hem uit onze gemeenschappelijke kas, schonken hem anderhalf pond goud, dat hij heel goed wist te gebruiken en namen ten slotte van al onze Afrikaansche reisgenooten zeer hartelijk afscheid.Onze Engelsche vriend bleef nog eenigen tijd in de Hollandsche factorij werkzaam en keerde toen met zijn rijkdom over Holland naar Engeland terug.Mijn overige kameraden scheepten zich op een kleine bark in naar de Portugeesche factorijen in de buurt van Gambia, terwijl ik met twee negers die ik bij me wilde houden naar Kaap Coast Castle trok. Hier nam ik passage naar Engeland, en in September betrad ik eindelijk, met een hart overvloeiende van dankbaarheid, weer den vaderlandschen bodem.1Vroeger ½ ons.↑
HOOFDSTUK IX.Naar Engeland terug.Terwijl onze mannen ons kamp aan den oever der beek begonnen op te slaan, vroeg mijn landgenoot ons, of we voldoende proviand hadden en hoe we dachten ons van levensmiddelen te voorzien, en toen hij hoorde dat het daar vrij droevig mee gesteld was, beloofde hij ons met de inboorlingen te spreken, die volgens hem de vriendelijkste en goedhartigste van de geheele streek waren. Dit bleek trouwens wel uit het feit dat hij veilig onder hen leven kon.De ontmoeting met den blanke bezorgde ons allerlei voordeelen. Ten eerste wist hij ons nauwkeurig te vertellen waar we ons bevonden en in welke richting we het best verder konden trekken; ten tweede wees hij ons de middelen aan om aan proviand te komen, en ten derde werd hij een onmisbaar tolk en onderhandelaar tusschen ons en de verdere bevolking, die zich, toen we later de kust naderden, veel sluwer, ontwikkelder en strijdlustiger betoonde dan de bewoners langs de beek. Ze lieten zich door onze vuurwapens volstrekt geen ontzag inboezemen en bleken niet van zins hun voedsel voor de sieraden van onzen kunstsmid te ruilen.Blijkbaar had de omgang met de Europeesche kusthandelaars of met de negerstammen die met deze in aanraking kwamen, hen geleerd, hun voedsel alleen af te staan voor dingen die evenveel waarde hadden.Dit gold wel te verstaan voor de negers die we spoedig zouden ontmoeten; de zwartjes, waaronder mijn landgenoot driehonderd mijlen van de kust woonde, waren nog volkomen argeloos. Hun gansche verkeer met de Europeanen bestond daarin, dat ze in ’t gebergte in ’t noorden olifantstanden verzamelden, die ze zestig à zeventig mijlen zuidwaarts vervoerden en daar bij handeldrijvende negers inwisselden voor kralen kettingen, schelpen, spiegeltjes, vliegendooders en dergelijke prullen, die de Engelschen, Hollanders en andere Europeanen als ruilmiddelen bij hun Afrikaanschen handel gebruikten.Langzamerhand geraakten we met onzen nieuwen bekende op vertrouwelijker voet en hoewel we zelf, wat onze kleeding betrof, maar een zeer armzaligen indruk maakten, daar we kousen, schoenen noch hoeden, en maar heel weinig hemden meer bezaten, kleedden we hem toch nog zoo goed en zoo kwaad als ’t ging. Onze heelmeester die een schaar en een scheermes bezat, ontlaste hem van zijn overtolligen haargroei, en in plaats van een hoed, maakte hij zich, heel handig, een muts van een luipaardenhuid, zoodat hij er weer als een mensch begon uit te zien. ’t Gemis van kousen en schoenen die hij zoolang ontbeerd had, hinderde hem zoo weinig, dat hij volstrekt niet op een paar „voethandschoenen”,zooals wij ze noemden, gesteld bleek.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Even nieuwsgierig als hij was om het verslag van onze wederwaardigheden aan te hooren, even nieuwsgierig waren wij om te weten te komen hoe hij zoo geheel alleen in dit afgelegen oord gestrand was. Zijn verhaal was belangwekkend genoeg om er een boekdeeltje als dit mee te vullen, en met groote belangstelling luisterden we naar zijn avonturen, maar ik moet mij beperken tot een korte samenvatting.Onze nieuwe vriend was zaakwaarnemer geweest voor de Engelsche Guinea-compagnie te Sierra Leone, tot de factorij in handen der Franschen viel, bij welke gelegenheid hij zoowel van zijn eigen bezittingen als van het aanwezige kapitaalder maatschappij beroofd werd. Toen de compagnie in gebreke bleef hem het verlorene te vergoeden en een nieuwe positie aan te bieden, verliet hij haar dienst en nam opdrachten aan van afzonderlijk handeldrijvende kooplieden, om ten slotte geheel voor eigen rekening zaken te doen. Eens, toen hij zich onvoorzichtigerwijze in een der nederzettingen van zijn oude compagnie vertoond had, was hij, ten gevolge van verraad, of bij een toevallige overval der negers, in hun handen gevallen. Daar ze hem niet doodden, had hij na verloop van tijd zijn kans schoon gezien naar een anderen negerstam te vluchten, die hem, omdat ze op oorlogsvoet met den eersten leefde, vriendelijk ontving en hem rustig onder hen deed leven. Ook hier beviel het hem natuurlijk niet op den duur en hij vluchtte opnieuw. Na zoo verscheidene malen van omgeving en gezelschap veranderd te zijn, was hij eindelijk, na allerlei wonderlijke lotsverwisselingen, ongewapend en zonder nog eenige hoop op uitkomst te hebben behouden, verzeild waar wij hem vonden en waar het opperhoofd van den kleinen stam hem vriendelijk ontvangen had. Tot dank voor de ondervonden gastvrijheid leerde hij hun hoe ze sommige gewassen konden teelen, nuttige gereedschappen maken en voordeeliger voorwaarden bedingen bij de onderhandelingen met de negers die olifantstanden met hen kwamen ruilen.Even berooid als hij was van kleeren, bleek hij dit ook wat bewapening betrof. Hij bezat geweer, mes, zwaard, noch pijl en boog om zich tegen de wilde dieren die veel in de streek voorkwamen,te verdedigen. Toen we hem vroegen hoe het kwam, dat hij niet beter op zijn veiligheid bedacht was, antwoordde hij: „Na al wat ik heb geleden, is het leven mij ongeveer niets meer waard. Ik had me sinds maanden bij het denkbeeld neergelegd, geen uitkomst meer te vinden, en in dat wanhopige bewustzijn, zou ’t mij niet hebben kunnen schelen, wanneer er op de een of andere manier een einde aan mijn bestaan was gemaakt; ja, ik zou er zelfs dankbaar voor zijn geweest. Daarbij leef ik hier geheel afhankelijk van de genade van de negers, en die vertrouwen me juist omdat ik geen wapens draag. Om wilde dieren behoef ik me niet veel te bekommeren, ik verlaat mijn hut alleen in gezelschap van het opperhoofd en zijn mannen, die altijd hun lansen en bogen bij zich hebben. ’t Gebeurt trouwens vrij zelden dat leeuwen of tijgers ons overdag naderen, en blijven de negers ’s nachts van huis, dan slaan ze even een hut op en stoken een vuur om de beesten op een afstand te houden.”Met hem overleggende wat wij nu in de eerste plaats moesten doen om zoo gauw mogelijk de kust te bereiken, vertelde hij ons dat we ongeveer honderd-en-twintig uur gaans verwijderd waren van dat gedeelte, waar zich de meeste Europeesche nederzettingen en factorijen bevonden, de zoogenaamde Goudkust. Op den weg daarheen zouden we evenwel zooveel vijandige negerstammen te bestrijden hebben, dat de kans aan provisie te komen of het leven er af te brengen, naar zijn meening heel gering was.„Maar er bestaan nog twee andere wegen,” liet hij er op volgen „en als ik gezelschap gehad had, zou ik stellig langs allebei getracht hebben te ontkomen. De eene loopt vlak naar het westen en is wel langer, maar niet zoo dicht- en niet zoo vijandig bevolkt. De andere komt aan den Niger uit, dien we dan met kano’s zouden kunnen afvaren.”„Precies wat ons eerste plan was!” riep ik verheugd. Maar hij temperde mijn blijdschap door er ons op te wijzen, dat we om de rivier te bereiken een groot stuk woestijn en een uitgestrekt oerwoud moesten doortrekken, wat wij stellig, ook bij de grootste volharding, op twintig dagreizen moesten schatten.„Levert het land hier geen paarden, ezels of buffels op, om bij zoo’n tocht gebruik van te maken?” vroeg onze kanonnier, op onze trouwe lastdieren wijzende, waarvan er ons nog maar drie waren overgebleven.„Neen,” zei hij, „die komen in dit gedeelte van Afrika in ’t geheel niet voor. In het woud houden zich groote kudden olifanten op en in het stuk woestijn veel tijgers, leeuwen, luipaarden, lynxen enz. De negers trekken er altijd goed gewapend heen, om olifantstanden te verzamelen en meestal komen ze met een mooien buit terug.”„Maar op dien weg naar de Goudkust?” vroeg ik, hartelijk verlangend in een door Europeanen bewoonde streek te komen, „loopen daar geen rivieren, die onzen tocht kunnen vergemakkelijken? Voor die gevechten met de negers zijn we nietbang. We weten langzamerhand wel hoe met dat volkje om te gaan, en als zij voedsel hebben, zullen we wel kans zien ons deel daarvan te bemachtigen. Wijs ons den weg maar, dan zullen wij dien met goed vertrouwen inslaan, en ’t spreekt vanzelf dat we elkaar onder alle omstandigheden blijven bijstaan.”Hij verzekerde ons dat hij niets liever wilde dan zijn lot aan het onze verbinden en nam op zich, ons den weg te wijzen en wel zoo, dat we nog hier en daar een vriendschappelijken negerstam zouden ontmoeten, die ons niet alleen goed behandelen maar er misschien voor te vinden zoude zijn ons tegen de vijandige horden bij te staan. En zoo besloten we dus allen met elkaar de zuidelijke reis naar de Goudkust te aanvaarden.Terwijl we den volgenden morgen allen bij-een-zaten om het verdere plan voor den tocht te beramen, voegde hij zich bij ons en begon ons zeer ernstig toe te spreken.„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht, hoe wij ons allen eenigszins schadeloos zouden kunnen stellen voor de moeilijkheden en ontberingen die wij zoo langen tijd hebben doorstaan. Dit kan ik jullie wel verzekeren, dat dit land, hoe woest en onherbergzaam het er ook moge uitzien, tot een der rijkste gebieden der heele aarde behoort. Er is hier geen beek die geen goud, geen woestijn die niet een schat aan ivoor oplevert. Niemand kan benaderen, hoe rijk de mijnen zijn en welke onschatbare massa’s goud de gebergten bevatten. Te oordeelen naar al deschepen, die de Europeanen hier heen zenden en naar het goudstof dat de rivieren en beken meevoeren, moet de voorraad wel heel belangrijk zijn.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Hoe ver zou zich dat rijke terrein wel uitstrekken?” vroeg ik. „De scheepvaart bepaalt zich toch maar tot een zeker gedeelte van de kust.”„De negers doorzoeken de rivieren van de kust af tot op een honderdvijftig of twee honderd mijlen,” antwoordde hij. „Dikwijls blijven ze twee of drie maanden uit en brengen altijd een rijken buit mee terug. Tot waar wij nu zijn komen ze nooit, en toch is hier zeker zooveel te vinden als dichter bij de kust. Als ik me de moeite had willen getroosten er naar rond te zien en het bijeen te garen, zou ik, sedert mijne komst hier,wel een honderd pond goud hebben kunnen verzamelen. Maar ik zou niet geweten hebben wat er mee te doen, nu ik alle hoop had opgegeven hier ooit vandaan te komen. Wat zou ’t mij geholpen hebben, al had ik me in ’t goudzand kunnen rondwentelen! De grootste schat kon mijn ellendig bestaan geen zier lichter of vroolijker maken. Ik had er zelfs geen stuk kleeren voor kunnen koopen, geen teug water om mij voor versmachten te bewaren! ’t Goud heeft hier niet de geringste waarde,” eindigde hij, „en er zijn menschen genoeg in die hutten daarginds, die een handvol stofgoud zouden verkwanselen voor een paar glazen kralen of wat schelpen.”Om ons te bewijzen dat hij niet overdreef, haalde hij een ruwen aarden pot, die in de zon gebakken was, en zette dien voor ons neer.„Kijk,” zei hij, „dit is nu wat slijk uit deze streek; als ik gewild had, zou ik er heel wat van hebben kunnen vergaren.”De pot bevatte naar onze schatting twee of drie pond stofgoud van dezelfde kleur als wij het vroeger hadden gevonden.Toen we het bekeken hadden zei hij glimlachend:„Nu ik al het mijne, zelfs mijn leven, als het eigendom van mijn bevrijders beschouw, verzoek ik jullie mij het genoegen te doen, dit van mij aan te nemen. In ons eigen land zal het zijn waarde opbrengen, en op dit oogenblik voel ik voor ’t eerst hevigen spijt er niet meer van te hebben verzameld.”Toen hij weg was bleek, dat onze mannen, wienik altijd vertaalde wat de Engelschman zeide, buitengewoon getroffen waren door zijn mild aanbod, en we kwamen overeen dit goud bij onzen gemeenschappelijken schat te voegen en later stipt eerlijk te verdeelen. Hij van zijn kant moest dan echter ook—nu zijn lot zoo nauw met het onze verbonden was—plechtig beloven, geen korreltje van ’t goud dat hij nog vinden zou voor ons verborgen te houden.Hadden we zijn raad opgevolgd, dan zouden we, alvorens den tocht naar de Goudkust te aanvaarden, eerst een uitstapje naar de noordelijke woestijn en het groote woud hebben gemaakt om onze negers en nog eenige zwarten die hij mee zou sturen, elk een olifantstand te doen halen en dragen, tot we ze verder in onze kano’s zouden kunnen meenemen om ze aan de kust met groot profijt te verkoopen.Op mijn verzoek evenwel zagen we van dit plan af. ’t Leek mij vrij wat voordeeliger onze negers goud te laten zoeken dan hun die geweldig zware tanden te laten meesleepen, en mijn landsman gaf zich gewonnen, hoewel hij ons graag de ontzaglijke tanden had laten zien, die daar volgens zijn zeggen verspreid lagen.Nog twaalf dagen bleven we aan de beek, gedurende welken tijd de inboorlingen zich buitengewoon gedienstig betoonden en ons vruchten, pompoenen en een soort van wortels brachten, die er als onze peenen uitzagen maar anders smaakten. Ook voorzagen ze ons van verschillende eetbare vogels, die we niet kenden. In ’t kort, ze deelden,zeer goedhartig, alles met ons wat zij hadden, zoodat we een onbezorgd en gemakkelijk leventje leidden waarvoor we hun uit dankbaarheid gelukkig maakten met de sieraden die onze fijnsmid weer ruimschoots gefabriceerd had.Den dertienden dag zetten we ons met onzen nieuwen vriend in beweging. Bij ons vertrek zond de negerkoning nog twee zwarten naar hem toe met een afscheidsgeschenk in den vorm van een voorraad gedroogd vleesch en deed de Engelschman hem als contra-beleefdheid drie zilveren vogeltjes cadeau uit de werkplaats van onzen smid; wat de vorst blijkbaar als een hem waardig huldebewijs beschouwde.Eindelijk dan sloegen we de zuid-zuidwestelijke richting in en vonden wij weldra, na een marsch van meer dan tweeduizend mijlen, de eerste rivier die naar ’t zuiden liep. Dit riviertje—aanvankelijk was het niet meer dan een flinke beek—volgden we tot het wat meer water begon te bevatten. Om de paar uur liep onze Engelschman eens naar den oever toe om het zand van de bedding te onderzoeken, doch pas na een vollen dag loopens bracht hij een handvol mee en zei: „Kijk!” waarop wij werkelijk verscheiden goudkorrels tusschen het zand ontdekten.„Nu moeten we aan ’t werk gaan,” meende hij, en onze negers twee aan twee verdeelende, zette hij ze aan den arbeid, na ze gewezen te hebben hoe ze het zand op de ondiepe plaatsen moesten opscheppen en uitspoelen.Den eersten anderhalven dag brachten onzemannen ongeveer zes-en-dertig lood1goud bijeen, en daar we bemerkten dat de hoeveelheid toenam naarmate wij verder kwamen, volgden we het stroompje drie dagen, totaan de plek waar een andere beek in ons riviertje uitmondde. In dezen zijtak vonden we stroomopwaarts ook goud, zoodat we besloten onze hutten hier op te slaan en onzen tijd te verdeelen tusschen goudwasschen en voor mondkost zorgen.Dertien dagen bleven we hier aan ’t werk, en onze knappe smid, door de lange oefening zoo handig geworden dat hij er letterlijk alles van fatsoeneeren kon, hamerde er maar lustig op los in dien tijd. Uit dungeslagen goud, want ons zilver en ijzer was op, maakte hij olifanten, tijgers, civetkatten, struisvogels, adelaars, kraanvogels en allerlei visschen die ons als altijd uitstekende diensten bewezen.In een der neger-nederzettingen nam de aanvoerder ons zeer gastvrij op, en daar hij buitengewoon was ingenomen met de smeedproducten van onzen kunstenaar, verkocht deze hem een gouden olifantje voor een ongehoorden prijs. Zijn Zwarte Majesteit rustte in zijn opgetogenheid niet, eer hij onzen smid een handvol stofgoud in ruil had gegeven. Naar schatting woog dit ruwe goud wel vier-en-twintig lood, terwijl aan het dun geslagen olifantje hoogstens voor een gulden of tien goud zat.Onze smid was zoo onbaatzuchtig dit goudeerlijk bij den gemeenschappelijken voorraad te voegen, hoewel hij voor zijn inspanning en kunstvaardigheid zeker wel een extra belooning verdiend had. Er bestond trouwens niet de minste reden gierig of hebzuchtig te zijn. Zooals onze nieuwe gids terecht opmerkte, konden wij—behoorlijk in staat om ons te verdedigen en met de vrije beschikking over onzen tijd—zooveel goud verzamelen als we slechts begeerden; wel honderd pond per man als we geduld genoeg hadden.„Ik verlang minstens even hard naar ’t vaderland terug als een van ons allen,” zei hij, „maar wenschen jullie hier nog wat te blijven, dan ben ik gaarne bereid. Ik zou dan evenwel voorstellen ons hoofdkwartier wat meer naar ’t zuidoosten te verleggen. Daar vinden we voedsel in overvloed en kunnen we ons langs de verschillende riviertjes verspreiden en de streek afzoeken. In twee of drie jaar zullen we dan stellig een kapitaal bijeengebracht hebben.”Hoe verleidelijk dit plan ook klinken mocht, lachte het toch geen van ons bizonder toe. ’t Was er ons in den grond der zaak toch meer om te doen naar huis te komen dan rijk te worden, want het langer dan een jaar rondzwerven door woestijnen en tusschen wildevolksstammenen verscheurende dieren had ontzaglijk veel van onze krachten gevergd.Toch wist mijn landgenoot, die in hooge mate de gave des woords bezat, ons te overreden nog een half jaar in het goudland te vertoeven. Hijwees er ons op, hoe belachelijk het eigenlijk zou zijn de vruchten van al onze ontberingen niet te plukken nu de oogsttijd eindelijk was aangebroken; hoe de Europeanen met groote kosten schepen uitrustten en expedities het land in zonden om, met opoffering van veel moeite en geld, kleine voorraden goud te bemachtigen, terwijl wij, die ons als ’t ware aan de bron bevonden, met leege handen zouden wegtrekken. We waren sterk genoeg het zoo noodig tegen de negerstammen op te nemen en zouden ’t onszelf nooit vergeven, wanneer we, in ons eigen land teruggekeerd, slechts een honderdste van het goud meebrachten van ’t geen we zonder moeite hadden hunnen vergaren.„Ik ben niet hebzuchtig van aard,” eindigde hij, „maar nu het in onze macht staat ons voor de geleden tegenspoeden schadeloos te stellen en ons een onbezorgde toekomst te verzekeren, acht ik me uit dankbaarheid voor al ’t geen jullie voor mij doet, verplicht, jullie op dit groote voordeel te wijzen. Als we de zaak goed aanpakken en de negers ons flink helpen, kunnen we per hoofd misschien wel een honderd pond stofgoud en twee-honderd olifantstanden verzamelen, terwijl we, onmiddellijk naar de kust koersende, de eenige kans die ons in ons leven geboden wordt laten voorbijgaan.”Onze heelmeester bezweek het eerst voor de verleiding van al die schatten, en na hem de kanonnier. Wat mij betreft, ik voelde niets geen lust nog langer in dat verwenschte heete land te blijven, doordat ik de waarde van het geld nauwelijkskende en wanneer het goud verdeeld was meer dan genoeg zou hebben naar mijn zin. Ik dacht het in Engeland uit te geven aan de noodige kleeren en wat pretmakerij, en dan weer dienst te nemen en op nieuwe avonturen uit te gaan.Daar de Engelschman, de heelmeester en de kanonnier echter grooten invloed op de anderen hadden, lieten deze zich overtuigen en werd er besloten nog hoogstens een half jaar in de goudstreek te blijven, maar dan ook onherroepelijk—tenzij weallenvan gedachte veranderd waren—naar onze geboortelanden terug te keeren.Zoo trokken we dus nu nog eens weer vijftig mijlen naar ’t zuidoosten, waar we verscheiden stroompjes vonden, die allen van een bergrug in ’t noordoosten schenen te komen. De landstreek was hier desondanks dor genoeg, doch door de bemiddeling van onzen nieuwen vriend en ons nooit falend ruilmiddel: de eigengemaakte sieraden, verkregen we overvloedig voedsel.Op aanwijzing van onzen raadgever plantten onze negers hier ook maïs, en het zorgvuldig gietende, konden we de kolven na drie maanden al oogsten.Zoodra ons kampement was opgeslagen, gingen we weer aan onze oude bezigheid: goud visschen in de kleine riviertjes, en onze Engelsche vriend wist ons hierbij zoo juist te leiden dat we hoogst zelden onverrichterzake thuiskwamen.Toen we zoo geregeld aan den arbeid waren verzocht hij op een avond verlof met vier of vijf negers voor een veertien dagen uit te mogentrekken. Hij wilde een excursie maken en onderzoeken wat het land in noordelijke richting zou opleveren. Natuurlijk zou het gevondene eerlijk aan den gezamenlijken voorraad worden toegevoegd.Niemand had eenig bezwaar tegen het plan, en zelfs bekroop twee van ons de lust met hem mee te gaan, waarop ze, behoorlijk gewapend, van zes negers en twee onzer buffels vergezeld en voor twee weken van proviand voorzien, de reis aanvaardden, die om te beginnen naar den bergrug voerde, vanwaar de tallooze riviertjes tot ons kwamen. Zooals ik later van onze mannen hoorde, overzagen ze van den top dezelfde woestijn, die ons vroeger zoo met afschrik had vervuld en die naar hun berekening wel een driehonderd mijlen breed en zeshonderd mijlen lang moest zijn.In plaats van veertien, bleven ze twee-en-vijftig dagen uit, waarna ze ons ongeveer zeventien pond stofgoud meebrachten, sommige korrels veel grooter dan we ze nog gezien hadden. Verder bestond de buit uit een vracht olifantstanden, die hij—gedeeltelijk goedschiks, gedeeltelijk kwaadschiks door de bewoners van den woestijnrand had laten bijeenzamelen en naar ons kamp dragen. Toen we hen in de verte met een twee-honderdtal negers zagen naderen, wisten we niet wat we er van denken moesten, maar de zaak werd ons duidelijk toen ze bij ons kamp gekomen, hun last aan den ingang neerlegden.Behalve al die olifantstanden brachten ze ons nog twee mooie leeuwen- en vijf luipaardshuiden mee, allen van prachtige kwaliteit. Ondanks ditalles was onze Engelschman toch niet voldaan over zijn buit en verzocht hij ons er nog eens op uit te mogen trekken, overtuigd dan betere zaken te zullen maken.Nadat hij de negers die het ivoor getorst hadden, verblijd had met een belooning in den vorm van eenige gouden sieraden en een paar dagen rust had genomen, ondernam hij zijn tweede reis.Bij deze gelegenheid wenschten nog meer onzer kameraads zich bij hem aan te sluiten, en met hun twintigen—tien blanken en tien zwarten—benevens de twee buffels om hun eetbare waar en ammunitie te dragen, ondernamen ze een nieuwen ontdekkingstocht in dezelfde richting, zij ’t dan ook niet langs dezelfde paden.Dezen keer bleven ze maar twee-en-dertig dagen uit, in welken tijd ze niet minder dan vijftien luipaarden, drie leeuwen en verscheiden andere wilde dieren doodden en ruim vier-en-twintig pond stofgoud vergaarden.Onze nieuwe vriend kon er nu terecht op wijzen, dat onze tijd goed besteed was geweest, want in de vijf maanden van ons oponthoud hadden we vijf en een kwart pond goud per hoofd bijeengebracht, ’t geen, gevoegd bij wat we reeds bezaten en bij wat onze fijnsmid verwerkt had, een aanzienlijke hoeveelheid mocht genoemd worden.Maar nu hadden we dan ook meer dan genoeg van ons zwervend bestaan, en met algemeene stemmen werd tot de reis naar de kust besloten, toen mijn landsman glimlachend opmerkte, dat dit nu onmogelijkwas, omdat het regenseizoen binnenkort zou beginnen.Na heel wat gemopper onderwierpen we ons aan het onveranderlijke en begonnen we, van den nood een deugd makende, zooveel mogelijk proviand bijeen te garen, om—gedurende de twee gedwongen rustmaanden waarin we bijna voortdurend op ons kamp zouden zijn aangewezen—tenminste geen gebrek te lijden.Gedurende dien natten mousson zwollen de kleine stroompjes zóó, dat ze haast niet te onderscheiden waren van groote rivieren. Het zou een prachtige gelegenheid zijn geweest om onze olifantstanden op een vlot te vervoeren, want de voorraad ivoor was langzamerhand zoo aangegroeid—de negers en negerinnen uit den omtrek kwamen ze ons graag voor een sieraad aanbieden—dat ik vreesde ze nooit mee naar de kust te zullen krijgen.Zoodra het weer opklaarde, zei onze Engelsche vriend op een ochtend: „Ik wil er nu niet weer op aandringen nóg langer hier te kampeeren, al blijf ik het vreemd vinden dat jullie zoo weinig waarde aan het goud hecht en om zoo te zeggen niet eens bukken wilt om het op te rapen. Toch acht ik me verplicht jullie er opmerkzaam op te maken dat nu, na den grooten vloed, het meeste goud gevonden wordt. Als we nog een maand hier blijven, zullen jullie zien hoe duizenden negers zich over deze heele streek verspreiden om goud te wasschen voor de Europeesche schepen aan de kust van Guinea. Het geweld waarmee het water van de bergen stroomt, voert er altijd heel watgoud uit mee, en als we nu zorgen de inboorlingen vóór te zijn, zult ge eens zien hoe’n schat hier te vinden is.”Voor den zooveelsten keer uitstel dus! ’t Ging ons aan ’t hart, maar toch—het vooruitzicht op zooveel voordeel, met een kleine opoffering van tijd te behalen, deed ons nog eens besluiten gebruik te maken van de ons geboden gelegenheid.En het bleek al gauw dat hij niet te veel beloofd had. Zoodra het water begon te zakken en de riviertjes tot binnen hun beddingen terugkeerden, vonden we langs de oevers zooveel aangespoeld goud, dat we na verloop van één maand niet minder dan zestig pond bijeen hadden. Niet zelden troffen we ook opmerkelijk groote korrels aan, en een onzer negers waschte zelfs eens een stuk goud uit het zand ter groote van een kleine noot.Na die eerste vier, vijf weken werd het resultaat van onzen arbeid echter steeds geringer, daar de negers, mannen, vrouwen en kinderen van alle kanten kwamen opzetten om de rivieren niet alleen, maar ook de heuvels af te zoeken.Onze fijnsmid, al zoo menigmaal onze redder, wist ons ook nu weer een grooten dienst te bewijzen. Met den Engelschman als tolk, knoopte hij onderhandelingen aan met verschillende van die negers, ’t geen ten gevolge had, dat ze telkens belangrijke hoeveelheden goud brachten om er zilveren of gouden sieraadjes voor in ruil te ontvangen, en de vraag naar die prullen werdzóógroot, dat onze kunstenaar niet hard genoeg kon werken om iedereen tevreden te stellen.Niet hard genoeg kon werken.Niet hard genoeg kon werken.Toen we na drie maanden oponthoud, onzen totalen voorraad verdeelden, bleek dat ieder van ons ongeveer vier pond goud het zijne kon noemen. Dankbaar en voldaan zetten we ons dan nu toch eindelijk naar de Goudkust in beweging, om te zien hoe we vandaar Europa zouden kunnen bereiken.Op vaderlandschen bodem.Op vaderlandschen bodem.Van dezen laatsten tocht wil ik in ’t kort alleen nog vertellen, dat we nu eens vriendschappelijk, dan weer vijandig ontvangen werden door de verschillende negerstammen die we op onze reis ontmoetten. Een zeker negerkoning, die onzen Engelschen vriend vroeger had bijgestaan en nu door zijn vijanden gevangen was genomen, konden we, tot onze blijdschap, bevrijden en weer op den troon zetten in zijn rijk, dat ongeveer driehonderdonderdanen telde. Tot dank onthaalde hij ons op zijn manier vorstelijk en gaf hij onzen Engelschman al zijn onderdanen mee om de olifantstanden te gaan halen, die wij hadden moeten achterlaten. Ze droegen ze alle naar een rivier (waarvan ik den naam vergeten ben) en hielpen ons vlotten maken waarmee we in elf dagen een der Hollandsche nederzettingen aan de Goudkust bereikten en overgelukkig voet aan wal zetten. Onze voorraad tanden verkochten we aan de Hollandsche factorij en schaften ons voor het verkregen geld de noodige kleeren en andere benoodigdheden aan, niet alleen voor ons zelf, maar ook voor een paar van onze negers die met ons mee wilden gaan. Onzen Zwarten Prins hergaven wij de volledige vrijheid, kleedden hem uit onze gemeenschappelijke kas, schonken hem anderhalf pond goud, dat hij heel goed wist te gebruiken en namen ten slotte van al onze Afrikaansche reisgenooten zeer hartelijk afscheid.Onze Engelsche vriend bleef nog eenigen tijd in de Hollandsche factorij werkzaam en keerde toen met zijn rijkdom over Holland naar Engeland terug.Mijn overige kameraden scheepten zich op een kleine bark in naar de Portugeesche factorijen in de buurt van Gambia, terwijl ik met twee negers die ik bij me wilde houden naar Kaap Coast Castle trok. Hier nam ik passage naar Engeland, en in September betrad ik eindelijk, met een hart overvloeiende van dankbaarheid, weer den vaderlandschen bodem.1Vroeger ½ ons.↑
HOOFDSTUK IX.Naar Engeland terug.
Terwijl onze mannen ons kamp aan den oever der beek begonnen op te slaan, vroeg mijn landgenoot ons, of we voldoende proviand hadden en hoe we dachten ons van levensmiddelen te voorzien, en toen hij hoorde dat het daar vrij droevig mee gesteld was, beloofde hij ons met de inboorlingen te spreken, die volgens hem de vriendelijkste en goedhartigste van de geheele streek waren. Dit bleek trouwens wel uit het feit dat hij veilig onder hen leven kon.De ontmoeting met den blanke bezorgde ons allerlei voordeelen. Ten eerste wist hij ons nauwkeurig te vertellen waar we ons bevonden en in welke richting we het best verder konden trekken; ten tweede wees hij ons de middelen aan om aan proviand te komen, en ten derde werd hij een onmisbaar tolk en onderhandelaar tusschen ons en de verdere bevolking, die zich, toen we later de kust naderden, veel sluwer, ontwikkelder en strijdlustiger betoonde dan de bewoners langs de beek. Ze lieten zich door onze vuurwapens volstrekt geen ontzag inboezemen en bleken niet van zins hun voedsel voor de sieraden van onzen kunstsmid te ruilen.Blijkbaar had de omgang met de Europeesche kusthandelaars of met de negerstammen die met deze in aanraking kwamen, hen geleerd, hun voedsel alleen af te staan voor dingen die evenveel waarde hadden.Dit gold wel te verstaan voor de negers die we spoedig zouden ontmoeten; de zwartjes, waaronder mijn landgenoot driehonderd mijlen van de kust woonde, waren nog volkomen argeloos. Hun gansche verkeer met de Europeanen bestond daarin, dat ze in ’t gebergte in ’t noorden olifantstanden verzamelden, die ze zestig à zeventig mijlen zuidwaarts vervoerden en daar bij handeldrijvende negers inwisselden voor kralen kettingen, schelpen, spiegeltjes, vliegendooders en dergelijke prullen, die de Engelschen, Hollanders en andere Europeanen als ruilmiddelen bij hun Afrikaanschen handel gebruikten.Langzamerhand geraakten we met onzen nieuwen bekende op vertrouwelijker voet en hoewel we zelf, wat onze kleeding betrof, maar een zeer armzaligen indruk maakten, daar we kousen, schoenen noch hoeden, en maar heel weinig hemden meer bezaten, kleedden we hem toch nog zoo goed en zoo kwaad als ’t ging. Onze heelmeester die een schaar en een scheermes bezat, ontlaste hem van zijn overtolligen haargroei, en in plaats van een hoed, maakte hij zich, heel handig, een muts van een luipaardenhuid, zoodat hij er weer als een mensch begon uit te zien. ’t Gemis van kousen en schoenen die hij zoolang ontbeerd had, hinderde hem zoo weinig, dat hij volstrekt niet op een paar „voethandschoenen”,zooals wij ze noemden, gesteld bleek.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Even nieuwsgierig als hij was om het verslag van onze wederwaardigheden aan te hooren, even nieuwsgierig waren wij om te weten te komen hoe hij zoo geheel alleen in dit afgelegen oord gestrand was. Zijn verhaal was belangwekkend genoeg om er een boekdeeltje als dit mee te vullen, en met groote belangstelling luisterden we naar zijn avonturen, maar ik moet mij beperken tot een korte samenvatting.Onze nieuwe vriend was zaakwaarnemer geweest voor de Engelsche Guinea-compagnie te Sierra Leone, tot de factorij in handen der Franschen viel, bij welke gelegenheid hij zoowel van zijn eigen bezittingen als van het aanwezige kapitaalder maatschappij beroofd werd. Toen de compagnie in gebreke bleef hem het verlorene te vergoeden en een nieuwe positie aan te bieden, verliet hij haar dienst en nam opdrachten aan van afzonderlijk handeldrijvende kooplieden, om ten slotte geheel voor eigen rekening zaken te doen. Eens, toen hij zich onvoorzichtigerwijze in een der nederzettingen van zijn oude compagnie vertoond had, was hij, ten gevolge van verraad, of bij een toevallige overval der negers, in hun handen gevallen. Daar ze hem niet doodden, had hij na verloop van tijd zijn kans schoon gezien naar een anderen negerstam te vluchten, die hem, omdat ze op oorlogsvoet met den eersten leefde, vriendelijk ontving en hem rustig onder hen deed leven. Ook hier beviel het hem natuurlijk niet op den duur en hij vluchtte opnieuw. Na zoo verscheidene malen van omgeving en gezelschap veranderd te zijn, was hij eindelijk, na allerlei wonderlijke lotsverwisselingen, ongewapend en zonder nog eenige hoop op uitkomst te hebben behouden, verzeild waar wij hem vonden en waar het opperhoofd van den kleinen stam hem vriendelijk ontvangen had. Tot dank voor de ondervonden gastvrijheid leerde hij hun hoe ze sommige gewassen konden teelen, nuttige gereedschappen maken en voordeeliger voorwaarden bedingen bij de onderhandelingen met de negers die olifantstanden met hen kwamen ruilen.Even berooid als hij was van kleeren, bleek hij dit ook wat bewapening betrof. Hij bezat geweer, mes, zwaard, noch pijl en boog om zich tegen de wilde dieren die veel in de streek voorkwamen,te verdedigen. Toen we hem vroegen hoe het kwam, dat hij niet beter op zijn veiligheid bedacht was, antwoordde hij: „Na al wat ik heb geleden, is het leven mij ongeveer niets meer waard. Ik had me sinds maanden bij het denkbeeld neergelegd, geen uitkomst meer te vinden, en in dat wanhopige bewustzijn, zou ’t mij niet hebben kunnen schelen, wanneer er op de een of andere manier een einde aan mijn bestaan was gemaakt; ja, ik zou er zelfs dankbaar voor zijn geweest. Daarbij leef ik hier geheel afhankelijk van de genade van de negers, en die vertrouwen me juist omdat ik geen wapens draag. Om wilde dieren behoef ik me niet veel te bekommeren, ik verlaat mijn hut alleen in gezelschap van het opperhoofd en zijn mannen, die altijd hun lansen en bogen bij zich hebben. ’t Gebeurt trouwens vrij zelden dat leeuwen of tijgers ons overdag naderen, en blijven de negers ’s nachts van huis, dan slaan ze even een hut op en stoken een vuur om de beesten op een afstand te houden.”Met hem overleggende wat wij nu in de eerste plaats moesten doen om zoo gauw mogelijk de kust te bereiken, vertelde hij ons dat we ongeveer honderd-en-twintig uur gaans verwijderd waren van dat gedeelte, waar zich de meeste Europeesche nederzettingen en factorijen bevonden, de zoogenaamde Goudkust. Op den weg daarheen zouden we evenwel zooveel vijandige negerstammen te bestrijden hebben, dat de kans aan provisie te komen of het leven er af te brengen, naar zijn meening heel gering was.„Maar er bestaan nog twee andere wegen,” liet hij er op volgen „en als ik gezelschap gehad had, zou ik stellig langs allebei getracht hebben te ontkomen. De eene loopt vlak naar het westen en is wel langer, maar niet zoo dicht- en niet zoo vijandig bevolkt. De andere komt aan den Niger uit, dien we dan met kano’s zouden kunnen afvaren.”„Precies wat ons eerste plan was!” riep ik verheugd. Maar hij temperde mijn blijdschap door er ons op te wijzen, dat we om de rivier te bereiken een groot stuk woestijn en een uitgestrekt oerwoud moesten doortrekken, wat wij stellig, ook bij de grootste volharding, op twintig dagreizen moesten schatten.„Levert het land hier geen paarden, ezels of buffels op, om bij zoo’n tocht gebruik van te maken?” vroeg onze kanonnier, op onze trouwe lastdieren wijzende, waarvan er ons nog maar drie waren overgebleven.„Neen,” zei hij, „die komen in dit gedeelte van Afrika in ’t geheel niet voor. In het woud houden zich groote kudden olifanten op en in het stuk woestijn veel tijgers, leeuwen, luipaarden, lynxen enz. De negers trekken er altijd goed gewapend heen, om olifantstanden te verzamelen en meestal komen ze met een mooien buit terug.”„Maar op dien weg naar de Goudkust?” vroeg ik, hartelijk verlangend in een door Europeanen bewoonde streek te komen, „loopen daar geen rivieren, die onzen tocht kunnen vergemakkelijken? Voor die gevechten met de negers zijn we nietbang. We weten langzamerhand wel hoe met dat volkje om te gaan, en als zij voedsel hebben, zullen we wel kans zien ons deel daarvan te bemachtigen. Wijs ons den weg maar, dan zullen wij dien met goed vertrouwen inslaan, en ’t spreekt vanzelf dat we elkaar onder alle omstandigheden blijven bijstaan.”Hij verzekerde ons dat hij niets liever wilde dan zijn lot aan het onze verbinden en nam op zich, ons den weg te wijzen en wel zoo, dat we nog hier en daar een vriendschappelijken negerstam zouden ontmoeten, die ons niet alleen goed behandelen maar er misschien voor te vinden zoude zijn ons tegen de vijandige horden bij te staan. En zoo besloten we dus allen met elkaar de zuidelijke reis naar de Goudkust te aanvaarden.Terwijl we den volgenden morgen allen bij-een-zaten om het verdere plan voor den tocht te beramen, voegde hij zich bij ons en begon ons zeer ernstig toe te spreken.„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht, hoe wij ons allen eenigszins schadeloos zouden kunnen stellen voor de moeilijkheden en ontberingen die wij zoo langen tijd hebben doorstaan. Dit kan ik jullie wel verzekeren, dat dit land, hoe woest en onherbergzaam het er ook moge uitzien, tot een der rijkste gebieden der heele aarde behoort. Er is hier geen beek die geen goud, geen woestijn die niet een schat aan ivoor oplevert. Niemand kan benaderen, hoe rijk de mijnen zijn en welke onschatbare massa’s goud de gebergten bevatten. Te oordeelen naar al deschepen, die de Europeanen hier heen zenden en naar het goudstof dat de rivieren en beken meevoeren, moet de voorraad wel heel belangrijk zijn.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Hoe ver zou zich dat rijke terrein wel uitstrekken?” vroeg ik. „De scheepvaart bepaalt zich toch maar tot een zeker gedeelte van de kust.”„De negers doorzoeken de rivieren van de kust af tot op een honderdvijftig of twee honderd mijlen,” antwoordde hij. „Dikwijls blijven ze twee of drie maanden uit en brengen altijd een rijken buit mee terug. Tot waar wij nu zijn komen ze nooit, en toch is hier zeker zooveel te vinden als dichter bij de kust. Als ik me de moeite had willen getroosten er naar rond te zien en het bijeen te garen, zou ik, sedert mijne komst hier,wel een honderd pond goud hebben kunnen verzamelen. Maar ik zou niet geweten hebben wat er mee te doen, nu ik alle hoop had opgegeven hier ooit vandaan te komen. Wat zou ’t mij geholpen hebben, al had ik me in ’t goudzand kunnen rondwentelen! De grootste schat kon mijn ellendig bestaan geen zier lichter of vroolijker maken. Ik had er zelfs geen stuk kleeren voor kunnen koopen, geen teug water om mij voor versmachten te bewaren! ’t Goud heeft hier niet de geringste waarde,” eindigde hij, „en er zijn menschen genoeg in die hutten daarginds, die een handvol stofgoud zouden verkwanselen voor een paar glazen kralen of wat schelpen.”Om ons te bewijzen dat hij niet overdreef, haalde hij een ruwen aarden pot, die in de zon gebakken was, en zette dien voor ons neer.„Kijk,” zei hij, „dit is nu wat slijk uit deze streek; als ik gewild had, zou ik er heel wat van hebben kunnen vergaren.”De pot bevatte naar onze schatting twee of drie pond stofgoud van dezelfde kleur als wij het vroeger hadden gevonden.Toen we het bekeken hadden zei hij glimlachend:„Nu ik al het mijne, zelfs mijn leven, als het eigendom van mijn bevrijders beschouw, verzoek ik jullie mij het genoegen te doen, dit van mij aan te nemen. In ons eigen land zal het zijn waarde opbrengen, en op dit oogenblik voel ik voor ’t eerst hevigen spijt er niet meer van te hebben verzameld.”Toen hij weg was bleek, dat onze mannen, wienik altijd vertaalde wat de Engelschman zeide, buitengewoon getroffen waren door zijn mild aanbod, en we kwamen overeen dit goud bij onzen gemeenschappelijken schat te voegen en later stipt eerlijk te verdeelen. Hij van zijn kant moest dan echter ook—nu zijn lot zoo nauw met het onze verbonden was—plechtig beloven, geen korreltje van ’t goud dat hij nog vinden zou voor ons verborgen te houden.Hadden we zijn raad opgevolgd, dan zouden we, alvorens den tocht naar de Goudkust te aanvaarden, eerst een uitstapje naar de noordelijke woestijn en het groote woud hebben gemaakt om onze negers en nog eenige zwarten die hij mee zou sturen, elk een olifantstand te doen halen en dragen, tot we ze verder in onze kano’s zouden kunnen meenemen om ze aan de kust met groot profijt te verkoopen.Op mijn verzoek evenwel zagen we van dit plan af. ’t Leek mij vrij wat voordeeliger onze negers goud te laten zoeken dan hun die geweldig zware tanden te laten meesleepen, en mijn landsman gaf zich gewonnen, hoewel hij ons graag de ontzaglijke tanden had laten zien, die daar volgens zijn zeggen verspreid lagen.Nog twaalf dagen bleven we aan de beek, gedurende welken tijd de inboorlingen zich buitengewoon gedienstig betoonden en ons vruchten, pompoenen en een soort van wortels brachten, die er als onze peenen uitzagen maar anders smaakten. Ook voorzagen ze ons van verschillende eetbare vogels, die we niet kenden. In ’t kort, ze deelden,zeer goedhartig, alles met ons wat zij hadden, zoodat we een onbezorgd en gemakkelijk leventje leidden waarvoor we hun uit dankbaarheid gelukkig maakten met de sieraden die onze fijnsmid weer ruimschoots gefabriceerd had.Den dertienden dag zetten we ons met onzen nieuwen vriend in beweging. Bij ons vertrek zond de negerkoning nog twee zwarten naar hem toe met een afscheidsgeschenk in den vorm van een voorraad gedroogd vleesch en deed de Engelschman hem als contra-beleefdheid drie zilveren vogeltjes cadeau uit de werkplaats van onzen smid; wat de vorst blijkbaar als een hem waardig huldebewijs beschouwde.Eindelijk dan sloegen we de zuid-zuidwestelijke richting in en vonden wij weldra, na een marsch van meer dan tweeduizend mijlen, de eerste rivier die naar ’t zuiden liep. Dit riviertje—aanvankelijk was het niet meer dan een flinke beek—volgden we tot het wat meer water begon te bevatten. Om de paar uur liep onze Engelschman eens naar den oever toe om het zand van de bedding te onderzoeken, doch pas na een vollen dag loopens bracht hij een handvol mee en zei: „Kijk!” waarop wij werkelijk verscheiden goudkorrels tusschen het zand ontdekten.„Nu moeten we aan ’t werk gaan,” meende hij, en onze negers twee aan twee verdeelende, zette hij ze aan den arbeid, na ze gewezen te hebben hoe ze het zand op de ondiepe plaatsen moesten opscheppen en uitspoelen.Den eersten anderhalven dag brachten onzemannen ongeveer zes-en-dertig lood1goud bijeen, en daar we bemerkten dat de hoeveelheid toenam naarmate wij verder kwamen, volgden we het stroompje drie dagen, totaan de plek waar een andere beek in ons riviertje uitmondde. In dezen zijtak vonden we stroomopwaarts ook goud, zoodat we besloten onze hutten hier op te slaan en onzen tijd te verdeelen tusschen goudwasschen en voor mondkost zorgen.Dertien dagen bleven we hier aan ’t werk, en onze knappe smid, door de lange oefening zoo handig geworden dat hij er letterlijk alles van fatsoeneeren kon, hamerde er maar lustig op los in dien tijd. Uit dungeslagen goud, want ons zilver en ijzer was op, maakte hij olifanten, tijgers, civetkatten, struisvogels, adelaars, kraanvogels en allerlei visschen die ons als altijd uitstekende diensten bewezen.In een der neger-nederzettingen nam de aanvoerder ons zeer gastvrij op, en daar hij buitengewoon was ingenomen met de smeedproducten van onzen kunstenaar, verkocht deze hem een gouden olifantje voor een ongehoorden prijs. Zijn Zwarte Majesteit rustte in zijn opgetogenheid niet, eer hij onzen smid een handvol stofgoud in ruil had gegeven. Naar schatting woog dit ruwe goud wel vier-en-twintig lood, terwijl aan het dun geslagen olifantje hoogstens voor een gulden of tien goud zat.Onze smid was zoo onbaatzuchtig dit goudeerlijk bij den gemeenschappelijken voorraad te voegen, hoewel hij voor zijn inspanning en kunstvaardigheid zeker wel een extra belooning verdiend had. Er bestond trouwens niet de minste reden gierig of hebzuchtig te zijn. Zooals onze nieuwe gids terecht opmerkte, konden wij—behoorlijk in staat om ons te verdedigen en met de vrije beschikking over onzen tijd—zooveel goud verzamelen als we slechts begeerden; wel honderd pond per man als we geduld genoeg hadden.„Ik verlang minstens even hard naar ’t vaderland terug als een van ons allen,” zei hij, „maar wenschen jullie hier nog wat te blijven, dan ben ik gaarne bereid. Ik zou dan evenwel voorstellen ons hoofdkwartier wat meer naar ’t zuidoosten te verleggen. Daar vinden we voedsel in overvloed en kunnen we ons langs de verschillende riviertjes verspreiden en de streek afzoeken. In twee of drie jaar zullen we dan stellig een kapitaal bijeengebracht hebben.”Hoe verleidelijk dit plan ook klinken mocht, lachte het toch geen van ons bizonder toe. ’t Was er ons in den grond der zaak toch meer om te doen naar huis te komen dan rijk te worden, want het langer dan een jaar rondzwerven door woestijnen en tusschen wildevolksstammenen verscheurende dieren had ontzaglijk veel van onze krachten gevergd.Toch wist mijn landgenoot, die in hooge mate de gave des woords bezat, ons te overreden nog een half jaar in het goudland te vertoeven. Hijwees er ons op, hoe belachelijk het eigenlijk zou zijn de vruchten van al onze ontberingen niet te plukken nu de oogsttijd eindelijk was aangebroken; hoe de Europeanen met groote kosten schepen uitrustten en expedities het land in zonden om, met opoffering van veel moeite en geld, kleine voorraden goud te bemachtigen, terwijl wij, die ons als ’t ware aan de bron bevonden, met leege handen zouden wegtrekken. We waren sterk genoeg het zoo noodig tegen de negerstammen op te nemen en zouden ’t onszelf nooit vergeven, wanneer we, in ons eigen land teruggekeerd, slechts een honderdste van het goud meebrachten van ’t geen we zonder moeite hadden hunnen vergaren.„Ik ben niet hebzuchtig van aard,” eindigde hij, „maar nu het in onze macht staat ons voor de geleden tegenspoeden schadeloos te stellen en ons een onbezorgde toekomst te verzekeren, acht ik me uit dankbaarheid voor al ’t geen jullie voor mij doet, verplicht, jullie op dit groote voordeel te wijzen. Als we de zaak goed aanpakken en de negers ons flink helpen, kunnen we per hoofd misschien wel een honderd pond stofgoud en twee-honderd olifantstanden verzamelen, terwijl we, onmiddellijk naar de kust koersende, de eenige kans die ons in ons leven geboden wordt laten voorbijgaan.”Onze heelmeester bezweek het eerst voor de verleiding van al die schatten, en na hem de kanonnier. Wat mij betreft, ik voelde niets geen lust nog langer in dat verwenschte heete land te blijven, doordat ik de waarde van het geld nauwelijkskende en wanneer het goud verdeeld was meer dan genoeg zou hebben naar mijn zin. Ik dacht het in Engeland uit te geven aan de noodige kleeren en wat pretmakerij, en dan weer dienst te nemen en op nieuwe avonturen uit te gaan.Daar de Engelschman, de heelmeester en de kanonnier echter grooten invloed op de anderen hadden, lieten deze zich overtuigen en werd er besloten nog hoogstens een half jaar in de goudstreek te blijven, maar dan ook onherroepelijk—tenzij weallenvan gedachte veranderd waren—naar onze geboortelanden terug te keeren.Zoo trokken we dus nu nog eens weer vijftig mijlen naar ’t zuidoosten, waar we verscheiden stroompjes vonden, die allen van een bergrug in ’t noordoosten schenen te komen. De landstreek was hier desondanks dor genoeg, doch door de bemiddeling van onzen nieuwen vriend en ons nooit falend ruilmiddel: de eigengemaakte sieraden, verkregen we overvloedig voedsel.Op aanwijzing van onzen raadgever plantten onze negers hier ook maïs, en het zorgvuldig gietende, konden we de kolven na drie maanden al oogsten.Zoodra ons kampement was opgeslagen, gingen we weer aan onze oude bezigheid: goud visschen in de kleine riviertjes, en onze Engelsche vriend wist ons hierbij zoo juist te leiden dat we hoogst zelden onverrichterzake thuiskwamen.Toen we zoo geregeld aan den arbeid waren verzocht hij op een avond verlof met vier of vijf negers voor een veertien dagen uit te mogentrekken. Hij wilde een excursie maken en onderzoeken wat het land in noordelijke richting zou opleveren. Natuurlijk zou het gevondene eerlijk aan den gezamenlijken voorraad worden toegevoegd.Niemand had eenig bezwaar tegen het plan, en zelfs bekroop twee van ons de lust met hem mee te gaan, waarop ze, behoorlijk gewapend, van zes negers en twee onzer buffels vergezeld en voor twee weken van proviand voorzien, de reis aanvaardden, die om te beginnen naar den bergrug voerde, vanwaar de tallooze riviertjes tot ons kwamen. Zooals ik later van onze mannen hoorde, overzagen ze van den top dezelfde woestijn, die ons vroeger zoo met afschrik had vervuld en die naar hun berekening wel een driehonderd mijlen breed en zeshonderd mijlen lang moest zijn.In plaats van veertien, bleven ze twee-en-vijftig dagen uit, waarna ze ons ongeveer zeventien pond stofgoud meebrachten, sommige korrels veel grooter dan we ze nog gezien hadden. Verder bestond de buit uit een vracht olifantstanden, die hij—gedeeltelijk goedschiks, gedeeltelijk kwaadschiks door de bewoners van den woestijnrand had laten bijeenzamelen en naar ons kamp dragen. Toen we hen in de verte met een twee-honderdtal negers zagen naderen, wisten we niet wat we er van denken moesten, maar de zaak werd ons duidelijk toen ze bij ons kamp gekomen, hun last aan den ingang neerlegden.Behalve al die olifantstanden brachten ze ons nog twee mooie leeuwen- en vijf luipaardshuiden mee, allen van prachtige kwaliteit. Ondanks ditalles was onze Engelschman toch niet voldaan over zijn buit en verzocht hij ons er nog eens op uit te mogen trekken, overtuigd dan betere zaken te zullen maken.Nadat hij de negers die het ivoor getorst hadden, verblijd had met een belooning in den vorm van eenige gouden sieraden en een paar dagen rust had genomen, ondernam hij zijn tweede reis.Bij deze gelegenheid wenschten nog meer onzer kameraads zich bij hem aan te sluiten, en met hun twintigen—tien blanken en tien zwarten—benevens de twee buffels om hun eetbare waar en ammunitie te dragen, ondernamen ze een nieuwen ontdekkingstocht in dezelfde richting, zij ’t dan ook niet langs dezelfde paden.Dezen keer bleven ze maar twee-en-dertig dagen uit, in welken tijd ze niet minder dan vijftien luipaarden, drie leeuwen en verscheiden andere wilde dieren doodden en ruim vier-en-twintig pond stofgoud vergaarden.Onze nieuwe vriend kon er nu terecht op wijzen, dat onze tijd goed besteed was geweest, want in de vijf maanden van ons oponthoud hadden we vijf en een kwart pond goud per hoofd bijeengebracht, ’t geen, gevoegd bij wat we reeds bezaten en bij wat onze fijnsmid verwerkt had, een aanzienlijke hoeveelheid mocht genoemd worden.Maar nu hadden we dan ook meer dan genoeg van ons zwervend bestaan, en met algemeene stemmen werd tot de reis naar de kust besloten, toen mijn landsman glimlachend opmerkte, dat dit nu onmogelijkwas, omdat het regenseizoen binnenkort zou beginnen.Na heel wat gemopper onderwierpen we ons aan het onveranderlijke en begonnen we, van den nood een deugd makende, zooveel mogelijk proviand bijeen te garen, om—gedurende de twee gedwongen rustmaanden waarin we bijna voortdurend op ons kamp zouden zijn aangewezen—tenminste geen gebrek te lijden.Gedurende dien natten mousson zwollen de kleine stroompjes zóó, dat ze haast niet te onderscheiden waren van groote rivieren. Het zou een prachtige gelegenheid zijn geweest om onze olifantstanden op een vlot te vervoeren, want de voorraad ivoor was langzamerhand zoo aangegroeid—de negers en negerinnen uit den omtrek kwamen ze ons graag voor een sieraad aanbieden—dat ik vreesde ze nooit mee naar de kust te zullen krijgen.Zoodra het weer opklaarde, zei onze Engelsche vriend op een ochtend: „Ik wil er nu niet weer op aandringen nóg langer hier te kampeeren, al blijf ik het vreemd vinden dat jullie zoo weinig waarde aan het goud hecht en om zoo te zeggen niet eens bukken wilt om het op te rapen. Toch acht ik me verplicht jullie er opmerkzaam op te maken dat nu, na den grooten vloed, het meeste goud gevonden wordt. Als we nog een maand hier blijven, zullen jullie zien hoe duizenden negers zich over deze heele streek verspreiden om goud te wasschen voor de Europeesche schepen aan de kust van Guinea. Het geweld waarmee het water van de bergen stroomt, voert er altijd heel watgoud uit mee, en als we nu zorgen de inboorlingen vóór te zijn, zult ge eens zien hoe’n schat hier te vinden is.”Voor den zooveelsten keer uitstel dus! ’t Ging ons aan ’t hart, maar toch—het vooruitzicht op zooveel voordeel, met een kleine opoffering van tijd te behalen, deed ons nog eens besluiten gebruik te maken van de ons geboden gelegenheid.En het bleek al gauw dat hij niet te veel beloofd had. Zoodra het water begon te zakken en de riviertjes tot binnen hun beddingen terugkeerden, vonden we langs de oevers zooveel aangespoeld goud, dat we na verloop van één maand niet minder dan zestig pond bijeen hadden. Niet zelden troffen we ook opmerkelijk groote korrels aan, en een onzer negers waschte zelfs eens een stuk goud uit het zand ter groote van een kleine noot.Na die eerste vier, vijf weken werd het resultaat van onzen arbeid echter steeds geringer, daar de negers, mannen, vrouwen en kinderen van alle kanten kwamen opzetten om de rivieren niet alleen, maar ook de heuvels af te zoeken.Onze fijnsmid, al zoo menigmaal onze redder, wist ons ook nu weer een grooten dienst te bewijzen. Met den Engelschman als tolk, knoopte hij onderhandelingen aan met verschillende van die negers, ’t geen ten gevolge had, dat ze telkens belangrijke hoeveelheden goud brachten om er zilveren of gouden sieraadjes voor in ruil te ontvangen, en de vraag naar die prullen werdzóógroot, dat onze kunstenaar niet hard genoeg kon werken om iedereen tevreden te stellen.Niet hard genoeg kon werken.Niet hard genoeg kon werken.Toen we na drie maanden oponthoud, onzen totalen voorraad verdeelden, bleek dat ieder van ons ongeveer vier pond goud het zijne kon noemen. Dankbaar en voldaan zetten we ons dan nu toch eindelijk naar de Goudkust in beweging, om te zien hoe we vandaar Europa zouden kunnen bereiken.Op vaderlandschen bodem.Op vaderlandschen bodem.Van dezen laatsten tocht wil ik in ’t kort alleen nog vertellen, dat we nu eens vriendschappelijk, dan weer vijandig ontvangen werden door de verschillende negerstammen die we op onze reis ontmoetten. Een zeker negerkoning, die onzen Engelschen vriend vroeger had bijgestaan en nu door zijn vijanden gevangen was genomen, konden we, tot onze blijdschap, bevrijden en weer op den troon zetten in zijn rijk, dat ongeveer driehonderdonderdanen telde. Tot dank onthaalde hij ons op zijn manier vorstelijk en gaf hij onzen Engelschman al zijn onderdanen mee om de olifantstanden te gaan halen, die wij hadden moeten achterlaten. Ze droegen ze alle naar een rivier (waarvan ik den naam vergeten ben) en hielpen ons vlotten maken waarmee we in elf dagen een der Hollandsche nederzettingen aan de Goudkust bereikten en overgelukkig voet aan wal zetten. Onze voorraad tanden verkochten we aan de Hollandsche factorij en schaften ons voor het verkregen geld de noodige kleeren en andere benoodigdheden aan, niet alleen voor ons zelf, maar ook voor een paar van onze negers die met ons mee wilden gaan. Onzen Zwarten Prins hergaven wij de volledige vrijheid, kleedden hem uit onze gemeenschappelijke kas, schonken hem anderhalf pond goud, dat hij heel goed wist te gebruiken en namen ten slotte van al onze Afrikaansche reisgenooten zeer hartelijk afscheid.Onze Engelsche vriend bleef nog eenigen tijd in de Hollandsche factorij werkzaam en keerde toen met zijn rijkdom over Holland naar Engeland terug.Mijn overige kameraden scheepten zich op een kleine bark in naar de Portugeesche factorijen in de buurt van Gambia, terwijl ik met twee negers die ik bij me wilde houden naar Kaap Coast Castle trok. Hier nam ik passage naar Engeland, en in September betrad ik eindelijk, met een hart overvloeiende van dankbaarheid, weer den vaderlandschen bodem.
Terwijl onze mannen ons kamp aan den oever der beek begonnen op te slaan, vroeg mijn landgenoot ons, of we voldoende proviand hadden en hoe we dachten ons van levensmiddelen te voorzien, en toen hij hoorde dat het daar vrij droevig mee gesteld was, beloofde hij ons met de inboorlingen te spreken, die volgens hem de vriendelijkste en goedhartigste van de geheele streek waren. Dit bleek trouwens wel uit het feit dat hij veilig onder hen leven kon.
De ontmoeting met den blanke bezorgde ons allerlei voordeelen. Ten eerste wist hij ons nauwkeurig te vertellen waar we ons bevonden en in welke richting we het best verder konden trekken; ten tweede wees hij ons de middelen aan om aan proviand te komen, en ten derde werd hij een onmisbaar tolk en onderhandelaar tusschen ons en de verdere bevolking, die zich, toen we later de kust naderden, veel sluwer, ontwikkelder en strijdlustiger betoonde dan de bewoners langs de beek. Ze lieten zich door onze vuurwapens volstrekt geen ontzag inboezemen en bleken niet van zins hun voedsel voor de sieraden van onzen kunstsmid te ruilen.Blijkbaar had de omgang met de Europeesche kusthandelaars of met de negerstammen die met deze in aanraking kwamen, hen geleerd, hun voedsel alleen af te staan voor dingen die evenveel waarde hadden.
Dit gold wel te verstaan voor de negers die we spoedig zouden ontmoeten; de zwartjes, waaronder mijn landgenoot driehonderd mijlen van de kust woonde, waren nog volkomen argeloos. Hun gansche verkeer met de Europeanen bestond daarin, dat ze in ’t gebergte in ’t noorden olifantstanden verzamelden, die ze zestig à zeventig mijlen zuidwaarts vervoerden en daar bij handeldrijvende negers inwisselden voor kralen kettingen, schelpen, spiegeltjes, vliegendooders en dergelijke prullen, die de Engelschen, Hollanders en andere Europeanen als ruilmiddelen bij hun Afrikaanschen handel gebruikten.
Langzamerhand geraakten we met onzen nieuwen bekende op vertrouwelijker voet en hoewel we zelf, wat onze kleeding betrof, maar een zeer armzaligen indruk maakten, daar we kousen, schoenen noch hoeden, en maar heel weinig hemden meer bezaten, kleedden we hem toch nog zoo goed en zoo kwaad als ’t ging. Onze heelmeester die een schaar en een scheermes bezat, ontlaste hem van zijn overtolligen haargroei, en in plaats van een hoed, maakte hij zich, heel handig, een muts van een luipaardenhuid, zoodat hij er weer als een mensch begon uit te zien. ’t Gemis van kousen en schoenen die hij zoolang ontbeerd had, hinderde hem zoo weinig, dat hij volstrekt niet op een paar „voethandschoenen”,zooals wij ze noemden, gesteld bleek.
Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.
Ontlastte hem van zijn overtolligen haargroei.
Even nieuwsgierig als hij was om het verslag van onze wederwaardigheden aan te hooren, even nieuwsgierig waren wij om te weten te komen hoe hij zoo geheel alleen in dit afgelegen oord gestrand was. Zijn verhaal was belangwekkend genoeg om er een boekdeeltje als dit mee te vullen, en met groote belangstelling luisterden we naar zijn avonturen, maar ik moet mij beperken tot een korte samenvatting.
Onze nieuwe vriend was zaakwaarnemer geweest voor de Engelsche Guinea-compagnie te Sierra Leone, tot de factorij in handen der Franschen viel, bij welke gelegenheid hij zoowel van zijn eigen bezittingen als van het aanwezige kapitaalder maatschappij beroofd werd. Toen de compagnie in gebreke bleef hem het verlorene te vergoeden en een nieuwe positie aan te bieden, verliet hij haar dienst en nam opdrachten aan van afzonderlijk handeldrijvende kooplieden, om ten slotte geheel voor eigen rekening zaken te doen. Eens, toen hij zich onvoorzichtigerwijze in een der nederzettingen van zijn oude compagnie vertoond had, was hij, ten gevolge van verraad, of bij een toevallige overval der negers, in hun handen gevallen. Daar ze hem niet doodden, had hij na verloop van tijd zijn kans schoon gezien naar een anderen negerstam te vluchten, die hem, omdat ze op oorlogsvoet met den eersten leefde, vriendelijk ontving en hem rustig onder hen deed leven. Ook hier beviel het hem natuurlijk niet op den duur en hij vluchtte opnieuw. Na zoo verscheidene malen van omgeving en gezelschap veranderd te zijn, was hij eindelijk, na allerlei wonderlijke lotsverwisselingen, ongewapend en zonder nog eenige hoop op uitkomst te hebben behouden, verzeild waar wij hem vonden en waar het opperhoofd van den kleinen stam hem vriendelijk ontvangen had. Tot dank voor de ondervonden gastvrijheid leerde hij hun hoe ze sommige gewassen konden teelen, nuttige gereedschappen maken en voordeeliger voorwaarden bedingen bij de onderhandelingen met de negers die olifantstanden met hen kwamen ruilen.
Even berooid als hij was van kleeren, bleek hij dit ook wat bewapening betrof. Hij bezat geweer, mes, zwaard, noch pijl en boog om zich tegen de wilde dieren die veel in de streek voorkwamen,te verdedigen. Toen we hem vroegen hoe het kwam, dat hij niet beter op zijn veiligheid bedacht was, antwoordde hij: „Na al wat ik heb geleden, is het leven mij ongeveer niets meer waard. Ik had me sinds maanden bij het denkbeeld neergelegd, geen uitkomst meer te vinden, en in dat wanhopige bewustzijn, zou ’t mij niet hebben kunnen schelen, wanneer er op de een of andere manier een einde aan mijn bestaan was gemaakt; ja, ik zou er zelfs dankbaar voor zijn geweest. Daarbij leef ik hier geheel afhankelijk van de genade van de negers, en die vertrouwen me juist omdat ik geen wapens draag. Om wilde dieren behoef ik me niet veel te bekommeren, ik verlaat mijn hut alleen in gezelschap van het opperhoofd en zijn mannen, die altijd hun lansen en bogen bij zich hebben. ’t Gebeurt trouwens vrij zelden dat leeuwen of tijgers ons overdag naderen, en blijven de negers ’s nachts van huis, dan slaan ze even een hut op en stoken een vuur om de beesten op een afstand te houden.”
Met hem overleggende wat wij nu in de eerste plaats moesten doen om zoo gauw mogelijk de kust te bereiken, vertelde hij ons dat we ongeveer honderd-en-twintig uur gaans verwijderd waren van dat gedeelte, waar zich de meeste Europeesche nederzettingen en factorijen bevonden, de zoogenaamde Goudkust. Op den weg daarheen zouden we evenwel zooveel vijandige negerstammen te bestrijden hebben, dat de kans aan provisie te komen of het leven er af te brengen, naar zijn meening heel gering was.
„Maar er bestaan nog twee andere wegen,” liet hij er op volgen „en als ik gezelschap gehad had, zou ik stellig langs allebei getracht hebben te ontkomen. De eene loopt vlak naar het westen en is wel langer, maar niet zoo dicht- en niet zoo vijandig bevolkt. De andere komt aan den Niger uit, dien we dan met kano’s zouden kunnen afvaren.”
„Precies wat ons eerste plan was!” riep ik verheugd. Maar hij temperde mijn blijdschap door er ons op te wijzen, dat we om de rivier te bereiken een groot stuk woestijn en een uitgestrekt oerwoud moesten doortrekken, wat wij stellig, ook bij de grootste volharding, op twintig dagreizen moesten schatten.
„Levert het land hier geen paarden, ezels of buffels op, om bij zoo’n tocht gebruik van te maken?” vroeg onze kanonnier, op onze trouwe lastdieren wijzende, waarvan er ons nog maar drie waren overgebleven.
„Neen,” zei hij, „die komen in dit gedeelte van Afrika in ’t geheel niet voor. In het woud houden zich groote kudden olifanten op en in het stuk woestijn veel tijgers, leeuwen, luipaarden, lynxen enz. De negers trekken er altijd goed gewapend heen, om olifantstanden te verzamelen en meestal komen ze met een mooien buit terug.”
„Maar op dien weg naar de Goudkust?” vroeg ik, hartelijk verlangend in een door Europeanen bewoonde streek te komen, „loopen daar geen rivieren, die onzen tocht kunnen vergemakkelijken? Voor die gevechten met de negers zijn we nietbang. We weten langzamerhand wel hoe met dat volkje om te gaan, en als zij voedsel hebben, zullen we wel kans zien ons deel daarvan te bemachtigen. Wijs ons den weg maar, dan zullen wij dien met goed vertrouwen inslaan, en ’t spreekt vanzelf dat we elkaar onder alle omstandigheden blijven bijstaan.”
Hij verzekerde ons dat hij niets liever wilde dan zijn lot aan het onze verbinden en nam op zich, ons den weg te wijzen en wel zoo, dat we nog hier en daar een vriendschappelijken negerstam zouden ontmoeten, die ons niet alleen goed behandelen maar er misschien voor te vinden zoude zijn ons tegen de vijandige horden bij te staan. En zoo besloten we dus allen met elkaar de zuidelijke reis naar de Goudkust te aanvaarden.
Terwijl we den volgenden morgen allen bij-een-zaten om het verdere plan voor den tocht te beramen, voegde hij zich bij ons en begon ons zeer ernstig toe te spreken.
„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht, hoe wij ons allen eenigszins schadeloos zouden kunnen stellen voor de moeilijkheden en ontberingen die wij zoo langen tijd hebben doorstaan. Dit kan ik jullie wel verzekeren, dat dit land, hoe woest en onherbergzaam het er ook moge uitzien, tot een der rijkste gebieden der heele aarde behoort. Er is hier geen beek die geen goud, geen woestijn die niet een schat aan ivoor oplevert. Niemand kan benaderen, hoe rijk de mijnen zijn en welke onschatbare massa’s goud de gebergten bevatten. Te oordeelen naar al deschepen, die de Europeanen hier heen zenden en naar het goudstof dat de rivieren en beken meevoeren, moet de voorraad wel heel belangrijk zijn.”
„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”
„Den ganschen nacht,” zei hij, „heb ik er over nagedacht.”
„Hoe ver zou zich dat rijke terrein wel uitstrekken?” vroeg ik. „De scheepvaart bepaalt zich toch maar tot een zeker gedeelte van de kust.”
„De negers doorzoeken de rivieren van de kust af tot op een honderdvijftig of twee honderd mijlen,” antwoordde hij. „Dikwijls blijven ze twee of drie maanden uit en brengen altijd een rijken buit mee terug. Tot waar wij nu zijn komen ze nooit, en toch is hier zeker zooveel te vinden als dichter bij de kust. Als ik me de moeite had willen getroosten er naar rond te zien en het bijeen te garen, zou ik, sedert mijne komst hier,wel een honderd pond goud hebben kunnen verzamelen. Maar ik zou niet geweten hebben wat er mee te doen, nu ik alle hoop had opgegeven hier ooit vandaan te komen. Wat zou ’t mij geholpen hebben, al had ik me in ’t goudzand kunnen rondwentelen! De grootste schat kon mijn ellendig bestaan geen zier lichter of vroolijker maken. Ik had er zelfs geen stuk kleeren voor kunnen koopen, geen teug water om mij voor versmachten te bewaren! ’t Goud heeft hier niet de geringste waarde,” eindigde hij, „en er zijn menschen genoeg in die hutten daarginds, die een handvol stofgoud zouden verkwanselen voor een paar glazen kralen of wat schelpen.”
Om ons te bewijzen dat hij niet overdreef, haalde hij een ruwen aarden pot, die in de zon gebakken was, en zette dien voor ons neer.
„Kijk,” zei hij, „dit is nu wat slijk uit deze streek; als ik gewild had, zou ik er heel wat van hebben kunnen vergaren.”
De pot bevatte naar onze schatting twee of drie pond stofgoud van dezelfde kleur als wij het vroeger hadden gevonden.
Toen we het bekeken hadden zei hij glimlachend:
„Nu ik al het mijne, zelfs mijn leven, als het eigendom van mijn bevrijders beschouw, verzoek ik jullie mij het genoegen te doen, dit van mij aan te nemen. In ons eigen land zal het zijn waarde opbrengen, en op dit oogenblik voel ik voor ’t eerst hevigen spijt er niet meer van te hebben verzameld.”
Toen hij weg was bleek, dat onze mannen, wienik altijd vertaalde wat de Engelschman zeide, buitengewoon getroffen waren door zijn mild aanbod, en we kwamen overeen dit goud bij onzen gemeenschappelijken schat te voegen en later stipt eerlijk te verdeelen. Hij van zijn kant moest dan echter ook—nu zijn lot zoo nauw met het onze verbonden was—plechtig beloven, geen korreltje van ’t goud dat hij nog vinden zou voor ons verborgen te houden.
Hadden we zijn raad opgevolgd, dan zouden we, alvorens den tocht naar de Goudkust te aanvaarden, eerst een uitstapje naar de noordelijke woestijn en het groote woud hebben gemaakt om onze negers en nog eenige zwarten die hij mee zou sturen, elk een olifantstand te doen halen en dragen, tot we ze verder in onze kano’s zouden kunnen meenemen om ze aan de kust met groot profijt te verkoopen.
Op mijn verzoek evenwel zagen we van dit plan af. ’t Leek mij vrij wat voordeeliger onze negers goud te laten zoeken dan hun die geweldig zware tanden te laten meesleepen, en mijn landsman gaf zich gewonnen, hoewel hij ons graag de ontzaglijke tanden had laten zien, die daar volgens zijn zeggen verspreid lagen.
Nog twaalf dagen bleven we aan de beek, gedurende welken tijd de inboorlingen zich buitengewoon gedienstig betoonden en ons vruchten, pompoenen en een soort van wortels brachten, die er als onze peenen uitzagen maar anders smaakten. Ook voorzagen ze ons van verschillende eetbare vogels, die we niet kenden. In ’t kort, ze deelden,zeer goedhartig, alles met ons wat zij hadden, zoodat we een onbezorgd en gemakkelijk leventje leidden waarvoor we hun uit dankbaarheid gelukkig maakten met de sieraden die onze fijnsmid weer ruimschoots gefabriceerd had.
Den dertienden dag zetten we ons met onzen nieuwen vriend in beweging. Bij ons vertrek zond de negerkoning nog twee zwarten naar hem toe met een afscheidsgeschenk in den vorm van een voorraad gedroogd vleesch en deed de Engelschman hem als contra-beleefdheid drie zilveren vogeltjes cadeau uit de werkplaats van onzen smid; wat de vorst blijkbaar als een hem waardig huldebewijs beschouwde.
Eindelijk dan sloegen we de zuid-zuidwestelijke richting in en vonden wij weldra, na een marsch van meer dan tweeduizend mijlen, de eerste rivier die naar ’t zuiden liep. Dit riviertje—aanvankelijk was het niet meer dan een flinke beek—volgden we tot het wat meer water begon te bevatten. Om de paar uur liep onze Engelschman eens naar den oever toe om het zand van de bedding te onderzoeken, doch pas na een vollen dag loopens bracht hij een handvol mee en zei: „Kijk!” waarop wij werkelijk verscheiden goudkorrels tusschen het zand ontdekten.
„Nu moeten we aan ’t werk gaan,” meende hij, en onze negers twee aan twee verdeelende, zette hij ze aan den arbeid, na ze gewezen te hebben hoe ze het zand op de ondiepe plaatsen moesten opscheppen en uitspoelen.
Den eersten anderhalven dag brachten onzemannen ongeveer zes-en-dertig lood1goud bijeen, en daar we bemerkten dat de hoeveelheid toenam naarmate wij verder kwamen, volgden we het stroompje drie dagen, totaan de plek waar een andere beek in ons riviertje uitmondde. In dezen zijtak vonden we stroomopwaarts ook goud, zoodat we besloten onze hutten hier op te slaan en onzen tijd te verdeelen tusschen goudwasschen en voor mondkost zorgen.
Dertien dagen bleven we hier aan ’t werk, en onze knappe smid, door de lange oefening zoo handig geworden dat hij er letterlijk alles van fatsoeneeren kon, hamerde er maar lustig op los in dien tijd. Uit dungeslagen goud, want ons zilver en ijzer was op, maakte hij olifanten, tijgers, civetkatten, struisvogels, adelaars, kraanvogels en allerlei visschen die ons als altijd uitstekende diensten bewezen.
In een der neger-nederzettingen nam de aanvoerder ons zeer gastvrij op, en daar hij buitengewoon was ingenomen met de smeedproducten van onzen kunstenaar, verkocht deze hem een gouden olifantje voor een ongehoorden prijs. Zijn Zwarte Majesteit rustte in zijn opgetogenheid niet, eer hij onzen smid een handvol stofgoud in ruil had gegeven. Naar schatting woog dit ruwe goud wel vier-en-twintig lood, terwijl aan het dun geslagen olifantje hoogstens voor een gulden of tien goud zat.
Onze smid was zoo onbaatzuchtig dit goudeerlijk bij den gemeenschappelijken voorraad te voegen, hoewel hij voor zijn inspanning en kunstvaardigheid zeker wel een extra belooning verdiend had. Er bestond trouwens niet de minste reden gierig of hebzuchtig te zijn. Zooals onze nieuwe gids terecht opmerkte, konden wij—behoorlijk in staat om ons te verdedigen en met de vrije beschikking over onzen tijd—zooveel goud verzamelen als we slechts begeerden; wel honderd pond per man als we geduld genoeg hadden.
„Ik verlang minstens even hard naar ’t vaderland terug als een van ons allen,” zei hij, „maar wenschen jullie hier nog wat te blijven, dan ben ik gaarne bereid. Ik zou dan evenwel voorstellen ons hoofdkwartier wat meer naar ’t zuidoosten te verleggen. Daar vinden we voedsel in overvloed en kunnen we ons langs de verschillende riviertjes verspreiden en de streek afzoeken. In twee of drie jaar zullen we dan stellig een kapitaal bijeengebracht hebben.”
Hoe verleidelijk dit plan ook klinken mocht, lachte het toch geen van ons bizonder toe. ’t Was er ons in den grond der zaak toch meer om te doen naar huis te komen dan rijk te worden, want het langer dan een jaar rondzwerven door woestijnen en tusschen wildevolksstammenen verscheurende dieren had ontzaglijk veel van onze krachten gevergd.
Toch wist mijn landgenoot, die in hooge mate de gave des woords bezat, ons te overreden nog een half jaar in het goudland te vertoeven. Hijwees er ons op, hoe belachelijk het eigenlijk zou zijn de vruchten van al onze ontberingen niet te plukken nu de oogsttijd eindelijk was aangebroken; hoe de Europeanen met groote kosten schepen uitrustten en expedities het land in zonden om, met opoffering van veel moeite en geld, kleine voorraden goud te bemachtigen, terwijl wij, die ons als ’t ware aan de bron bevonden, met leege handen zouden wegtrekken. We waren sterk genoeg het zoo noodig tegen de negerstammen op te nemen en zouden ’t onszelf nooit vergeven, wanneer we, in ons eigen land teruggekeerd, slechts een honderdste van het goud meebrachten van ’t geen we zonder moeite hadden hunnen vergaren.
„Ik ben niet hebzuchtig van aard,” eindigde hij, „maar nu het in onze macht staat ons voor de geleden tegenspoeden schadeloos te stellen en ons een onbezorgde toekomst te verzekeren, acht ik me uit dankbaarheid voor al ’t geen jullie voor mij doet, verplicht, jullie op dit groote voordeel te wijzen. Als we de zaak goed aanpakken en de negers ons flink helpen, kunnen we per hoofd misschien wel een honderd pond stofgoud en twee-honderd olifantstanden verzamelen, terwijl we, onmiddellijk naar de kust koersende, de eenige kans die ons in ons leven geboden wordt laten voorbijgaan.”
Onze heelmeester bezweek het eerst voor de verleiding van al die schatten, en na hem de kanonnier. Wat mij betreft, ik voelde niets geen lust nog langer in dat verwenschte heete land te blijven, doordat ik de waarde van het geld nauwelijkskende en wanneer het goud verdeeld was meer dan genoeg zou hebben naar mijn zin. Ik dacht het in Engeland uit te geven aan de noodige kleeren en wat pretmakerij, en dan weer dienst te nemen en op nieuwe avonturen uit te gaan.
Daar de Engelschman, de heelmeester en de kanonnier echter grooten invloed op de anderen hadden, lieten deze zich overtuigen en werd er besloten nog hoogstens een half jaar in de goudstreek te blijven, maar dan ook onherroepelijk—tenzij weallenvan gedachte veranderd waren—naar onze geboortelanden terug te keeren.
Zoo trokken we dus nu nog eens weer vijftig mijlen naar ’t zuidoosten, waar we verscheiden stroompjes vonden, die allen van een bergrug in ’t noordoosten schenen te komen. De landstreek was hier desondanks dor genoeg, doch door de bemiddeling van onzen nieuwen vriend en ons nooit falend ruilmiddel: de eigengemaakte sieraden, verkregen we overvloedig voedsel.
Op aanwijzing van onzen raadgever plantten onze negers hier ook maïs, en het zorgvuldig gietende, konden we de kolven na drie maanden al oogsten.
Zoodra ons kampement was opgeslagen, gingen we weer aan onze oude bezigheid: goud visschen in de kleine riviertjes, en onze Engelsche vriend wist ons hierbij zoo juist te leiden dat we hoogst zelden onverrichterzake thuiskwamen.
Toen we zoo geregeld aan den arbeid waren verzocht hij op een avond verlof met vier of vijf negers voor een veertien dagen uit te mogentrekken. Hij wilde een excursie maken en onderzoeken wat het land in noordelijke richting zou opleveren. Natuurlijk zou het gevondene eerlijk aan den gezamenlijken voorraad worden toegevoegd.
Niemand had eenig bezwaar tegen het plan, en zelfs bekroop twee van ons de lust met hem mee te gaan, waarop ze, behoorlijk gewapend, van zes negers en twee onzer buffels vergezeld en voor twee weken van proviand voorzien, de reis aanvaardden, die om te beginnen naar den bergrug voerde, vanwaar de tallooze riviertjes tot ons kwamen. Zooals ik later van onze mannen hoorde, overzagen ze van den top dezelfde woestijn, die ons vroeger zoo met afschrik had vervuld en die naar hun berekening wel een driehonderd mijlen breed en zeshonderd mijlen lang moest zijn.
In plaats van veertien, bleven ze twee-en-vijftig dagen uit, waarna ze ons ongeveer zeventien pond stofgoud meebrachten, sommige korrels veel grooter dan we ze nog gezien hadden. Verder bestond de buit uit een vracht olifantstanden, die hij—gedeeltelijk goedschiks, gedeeltelijk kwaadschiks door de bewoners van den woestijnrand had laten bijeenzamelen en naar ons kamp dragen. Toen we hen in de verte met een twee-honderdtal negers zagen naderen, wisten we niet wat we er van denken moesten, maar de zaak werd ons duidelijk toen ze bij ons kamp gekomen, hun last aan den ingang neerlegden.
Behalve al die olifantstanden brachten ze ons nog twee mooie leeuwen- en vijf luipaardshuiden mee, allen van prachtige kwaliteit. Ondanks ditalles was onze Engelschman toch niet voldaan over zijn buit en verzocht hij ons er nog eens op uit te mogen trekken, overtuigd dan betere zaken te zullen maken.
Nadat hij de negers die het ivoor getorst hadden, verblijd had met een belooning in den vorm van eenige gouden sieraden en een paar dagen rust had genomen, ondernam hij zijn tweede reis.
Bij deze gelegenheid wenschten nog meer onzer kameraads zich bij hem aan te sluiten, en met hun twintigen—tien blanken en tien zwarten—benevens de twee buffels om hun eetbare waar en ammunitie te dragen, ondernamen ze een nieuwen ontdekkingstocht in dezelfde richting, zij ’t dan ook niet langs dezelfde paden.
Dezen keer bleven ze maar twee-en-dertig dagen uit, in welken tijd ze niet minder dan vijftien luipaarden, drie leeuwen en verscheiden andere wilde dieren doodden en ruim vier-en-twintig pond stofgoud vergaarden.
Onze nieuwe vriend kon er nu terecht op wijzen, dat onze tijd goed besteed was geweest, want in de vijf maanden van ons oponthoud hadden we vijf en een kwart pond goud per hoofd bijeengebracht, ’t geen, gevoegd bij wat we reeds bezaten en bij wat onze fijnsmid verwerkt had, een aanzienlijke hoeveelheid mocht genoemd worden.
Maar nu hadden we dan ook meer dan genoeg van ons zwervend bestaan, en met algemeene stemmen werd tot de reis naar de kust besloten, toen mijn landsman glimlachend opmerkte, dat dit nu onmogelijkwas, omdat het regenseizoen binnenkort zou beginnen.
Na heel wat gemopper onderwierpen we ons aan het onveranderlijke en begonnen we, van den nood een deugd makende, zooveel mogelijk proviand bijeen te garen, om—gedurende de twee gedwongen rustmaanden waarin we bijna voortdurend op ons kamp zouden zijn aangewezen—tenminste geen gebrek te lijden.
Gedurende dien natten mousson zwollen de kleine stroompjes zóó, dat ze haast niet te onderscheiden waren van groote rivieren. Het zou een prachtige gelegenheid zijn geweest om onze olifantstanden op een vlot te vervoeren, want de voorraad ivoor was langzamerhand zoo aangegroeid—de negers en negerinnen uit den omtrek kwamen ze ons graag voor een sieraad aanbieden—dat ik vreesde ze nooit mee naar de kust te zullen krijgen.
Zoodra het weer opklaarde, zei onze Engelsche vriend op een ochtend: „Ik wil er nu niet weer op aandringen nóg langer hier te kampeeren, al blijf ik het vreemd vinden dat jullie zoo weinig waarde aan het goud hecht en om zoo te zeggen niet eens bukken wilt om het op te rapen. Toch acht ik me verplicht jullie er opmerkzaam op te maken dat nu, na den grooten vloed, het meeste goud gevonden wordt. Als we nog een maand hier blijven, zullen jullie zien hoe duizenden negers zich over deze heele streek verspreiden om goud te wasschen voor de Europeesche schepen aan de kust van Guinea. Het geweld waarmee het water van de bergen stroomt, voert er altijd heel watgoud uit mee, en als we nu zorgen de inboorlingen vóór te zijn, zult ge eens zien hoe’n schat hier te vinden is.”
Voor den zooveelsten keer uitstel dus! ’t Ging ons aan ’t hart, maar toch—het vooruitzicht op zooveel voordeel, met een kleine opoffering van tijd te behalen, deed ons nog eens besluiten gebruik te maken van de ons geboden gelegenheid.
En het bleek al gauw dat hij niet te veel beloofd had. Zoodra het water begon te zakken en de riviertjes tot binnen hun beddingen terugkeerden, vonden we langs de oevers zooveel aangespoeld goud, dat we na verloop van één maand niet minder dan zestig pond bijeen hadden. Niet zelden troffen we ook opmerkelijk groote korrels aan, en een onzer negers waschte zelfs eens een stuk goud uit het zand ter groote van een kleine noot.
Na die eerste vier, vijf weken werd het resultaat van onzen arbeid echter steeds geringer, daar de negers, mannen, vrouwen en kinderen van alle kanten kwamen opzetten om de rivieren niet alleen, maar ook de heuvels af te zoeken.
Onze fijnsmid, al zoo menigmaal onze redder, wist ons ook nu weer een grooten dienst te bewijzen. Met den Engelschman als tolk, knoopte hij onderhandelingen aan met verschillende van die negers, ’t geen ten gevolge had, dat ze telkens belangrijke hoeveelheden goud brachten om er zilveren of gouden sieraadjes voor in ruil te ontvangen, en de vraag naar die prullen werdzóógroot, dat onze kunstenaar niet hard genoeg kon werken om iedereen tevreden te stellen.
Niet hard genoeg kon werken.Niet hard genoeg kon werken.
Niet hard genoeg kon werken.
Toen we na drie maanden oponthoud, onzen totalen voorraad verdeelden, bleek dat ieder van ons ongeveer vier pond goud het zijne kon noemen. Dankbaar en voldaan zetten we ons dan nu toch eindelijk naar de Goudkust in beweging, om te zien hoe we vandaar Europa zouden kunnen bereiken.
Op vaderlandschen bodem.Op vaderlandschen bodem.
Op vaderlandschen bodem.
Van dezen laatsten tocht wil ik in ’t kort alleen nog vertellen, dat we nu eens vriendschappelijk, dan weer vijandig ontvangen werden door de verschillende negerstammen die we op onze reis ontmoetten. Een zeker negerkoning, die onzen Engelschen vriend vroeger had bijgestaan en nu door zijn vijanden gevangen was genomen, konden we, tot onze blijdschap, bevrijden en weer op den troon zetten in zijn rijk, dat ongeveer driehonderdonderdanen telde. Tot dank onthaalde hij ons op zijn manier vorstelijk en gaf hij onzen Engelschman al zijn onderdanen mee om de olifantstanden te gaan halen, die wij hadden moeten achterlaten. Ze droegen ze alle naar een rivier (waarvan ik den naam vergeten ben) en hielpen ons vlotten maken waarmee we in elf dagen een der Hollandsche nederzettingen aan de Goudkust bereikten en overgelukkig voet aan wal zetten. Onze voorraad tanden verkochten we aan de Hollandsche factorij en schaften ons voor het verkregen geld de noodige kleeren en andere benoodigdheden aan, niet alleen voor ons zelf, maar ook voor een paar van onze negers die met ons mee wilden gaan. Onzen Zwarten Prins hergaven wij de volledige vrijheid, kleedden hem uit onze gemeenschappelijke kas, schonken hem anderhalf pond goud, dat hij heel goed wist te gebruiken en namen ten slotte van al onze Afrikaansche reisgenooten zeer hartelijk afscheid.
Onze Engelsche vriend bleef nog eenigen tijd in de Hollandsche factorij werkzaam en keerde toen met zijn rijkdom over Holland naar Engeland terug.
Mijn overige kameraden scheepten zich op een kleine bark in naar de Portugeesche factorijen in de buurt van Gambia, terwijl ik met twee negers die ik bij me wilde houden naar Kaap Coast Castle trok. Hier nam ik passage naar Engeland, en in September betrad ik eindelijk, met een hart overvloeiende van dankbaarheid, weer den vaderlandschen bodem.
1Vroeger ½ ons.↑
1Vroeger ½ ons.↑
1Vroeger ½ ons.↑