II

Des anderendaags, bij het eerste licht der rijzende zon, waren de baanwachter en zijne vrouw in den waggon gezeten en hielden roerloos en zwijgend het hoofd op de borst gebogen.

Gedurende den nacht hadden zij waarschijnlijk met stille stem zoolang en zooveel over het droeve voorval gesproken, dat zij nu elkander niets meer te zeggen wisten. Beiden zagen er zeer bedrukt en neerslachtig uit.

Jan Verhelst hield de oogen gesloten en veinsde te slapen, om aan de angstige vragen zijner vrouw te ontsnappen, indien zij hare smartelijke bedenkingen wilde vernieuwen.

Eindelijk stond hij op en verliet den waggon, om, zooals hij zeide, de baan nog eens te onderzoeken en den eersten morgentrein af te wachten.

Hij begon de stukken van de tilbury wat meer tegen de haag te schikken en arbeidde lang met zijne spade, om den grond gelijk te maken en alle sporen van wanorde, alsook de afschrikkelijke bloedvlekken te doen verdwijnen.

Allengs kwamen vele dorpelingen ter plaatse; zij keken nieuwsgierig op het doode paard en overlaadden den baanwachter met vragen. Hij antwoordde aan allen, dat hij de barreelen had gesloten en niet wist hoe het ongeluk was geschied.

De hovenier van den notaris, die wat later kwam, zeide hem, dat zijn meester nog leefde, maar even gevoelloos lag als gisterenavond. De dokter zag toch wat beterschap in zijnen toestand en koesterde de hoop, dat hij zou genezen, dewijl de wonde aan zijn hoofd met geene schedelbreuk gepaard ging.

Deze man, die een goed vriend van Jan Verhelst was, betuigde een vast geloof in zijne onschuld. Dit teeken van vertrouwen en de goede tijding, welke hij bracht, gaven den baanwachter eenige gerustheid, en hij luisterde, vertroost en schier gelukkig, op de woorden van den hovenier, die hem poogde te bewijzen, dat hij geene acht mocht slaan op de verdenking der lieden en hoegenaamd niets had te vreezen.

Slechts dan gevoelde Jan Verhelst zich den moed om naar den waggon te gaan en zijne kinderen te omhelzen. Hij worstelde zooveel hij kon tegen den angst zijner moeder en zijner vrouw en gelukte er eindelijk in, haar te doen gelooven dat de zaak waarschijnlijk zonder erge gevolgen voor hen zou blijven.

Zoo verliep een goed gedeelte van den morgen, en de baanwachter kreeg al meer en meer vertrouwen, dat men de schuld der droeve ramp niet op hem zou willen leggen.

Reeds twee treinen waren voorbijgereden. Jan Verhelst was nu weder in den waggon gekomen en herhaalde zijne troostende verzekeringen, toen hij eensklaps van buiten zijnen naam met kracht hoorde roepen.

Verrast en eenig gevaar vreezende, sprong hij, door zijn verschrikt huisgezin gevolgd, van den trap en keek zoekend vooruit.

Hoe verbleekte hij! Hoe sneden de angstgillen zijner kinderen hem door het hart!

Daar zag hij gendarmes en onbekende heeren nevens den spoorweg staan, nog zichtbaar bezig met de plaats waar het ongeluk gebeurd was, in oogenschouw te nemen.

De veldwachter naderde Jan Verhelst en zeide hem, dat een rechter en de substituut van den procureur des konings hem in het wachthuis riepen, om zijne verklaring te hooren.

De arme baanwachter kon zijne oogen van de gendarmes niet keeren. Kwamen zij voor hem? Om hem te halen? Zou hij naar de gevangenis? Onmogelijk! Wat had hij toch misdaan?

Slechts toen de veldwachter hem ten tweeden male het bevel van den rechter herhaalde, stapte hij met eene pijnlijke beradenheid naar het wachthuis.

Een oogenblik daarna zaten daar bij de kleine tafel de rechter, de substituut en de griffier, terwijl Jan Verhelst, halfdood van schaamte en vervaardheid, tusschen de twee gendarmes vóór hen stond als een misdadiger, die op zijn vonnis wacht.

"Uw naam en voornamen? Waar en wanneer zijt gij geboren?" vroeg de rechter.

Maar de baanwachter verstond hem waarschijnlijk niet; want hij hief de armen in de hoogte en riep met tranende oogen ten hemel:

"O, God, bescherm mijne blinde moeder, mijne arme kinderen! Zij zullen sterven van schrik!"

En inderdaad, daarbuiten hergalmden de grievende klachten, de scheurende noodkreten van zijn huisgezin zoo aanhoudend en zoo luide, dat men binnen het wachthuis elkander niet kon hooren.

"Gendarme!" beval de rechter, "ga, zeg den veldwachter, dat hij de lieden daarbuiten van het wachthuis verwijdere, desnoods zelfs met geweld. Wij maken hem verantwoordelijk voor alle gerucht, dat ons onderzoek voortaan zou komen storen!"

Men hoorde nog eenige luidere gillen; maar welhaast verzwakten die galmen en hielden schier onmiddellijk geheel op. Een doffe zucht ontsnapte der beklemde borst van Jan Verhelst, die in den geest zijne schreiende kinderen en zijne weenende vrouw door den barschen veldwachter zag verdrijven.

Nu kon men het onderzoek zonder stoornis voortzetten. De baanwachter verklaarde zijnen naam, geboorteplaats en beroep. Dan zeide hem de rechter:

"Jan Verhelst, gij zijt verdacht van moord door onvoorzichtigheid. Gij hebt verzuimd, bij den doortocht van den sneltrein, de barreelen te sluiten. Door deze noodlottige nalatigheid hebt gij den dood van twee menschen veroorzaakt. Bekent gij dit?"

"O, mijnheer, geloof mij, ik ben onschuldig," antwoordde de baanwachter. "De barreelen waren gesloten, zooals het behoort."

"Hoe meent gij dan te kunnen uitleggen wat er gisterenavond is geschied?"

"Ik weet het niet, mijnheer. Mijn geweten weigert andere menschen te beschuldigen...."

"Zoo? Verdenkt gij dan iemand van de barreelen te hebben geopend?"

"Neen, mijnheer ... en toch zijn ze geopend geworden...."

"Of opengelaten door verzuimenis. Leg ons eens uit wat gij van de zaak weet."

"Het was eenige minuten vóór tienen, mijnheer. De sneltrein zou voorbijrijden. Het bliksemde, hagelde en regende zoo sterk, dat men de oogen slechts ter vlucht kon openen. Ik nam mijne lantaarn, sloot wel zorgelijk de barreelen, hier bij mijn wachthuisje, en ging dan door het ijselijk weder naar den tweeden weg, op een boogschot verder. Daar vervulde ik insgelijks mijnen plicht en bleef volgens gewoonte bij den barreel staan, om den trein af te wachten. Ik beken, mijnheer, dat ik, eensklaps door eenen hevigen bliksemgloed omringd, schier blind was geslagen en de oogen gesloten hield. Daar vloog de trein voorbij. Een ongewoon gerucht, een vreemd gekraak trof uit de verte mijne ooren. Ik liep toe en vond een dood paard en een verbrijzeld rijtuig nevens de spoorbaan liggen. Op mijne noodkreten kwam mijne vrouw toegeloopen; na eenig zoeken ontdekten wij tot onzen grooten schrik eerst het verminkte lijk van den koetsier en dan, niet verre van de haag, den erg gekwetsten notaris. Anders kan ik u niet zeggen, heeren, anders weet ik niet."

Deze eenvoudige en klare uitlegging scheen den rechter niet aanneembaar. Hij begon den baanwachter allerlei zijdelingsche vragen toe te sturen en dwong hem wel tienmaal zijne verklaringen te herhalen, ongetwijfeld in de hoop dat hij zich zou misspreken en dus zijne schuldigheid verraden.

Jan Verhelst, door dit lang onderzoek gemarteld, was bleek als een lijk, en hem stond het koude zweet op het voorhoofd. Evenwel, hij bleef immer bij zijne eerste uitlegging en sprak geen enkel woord, dat hem van achterhouding kon doen verdenken.

De rechter was een reeds oude man, waarschijnlijk in de uitoefening van zijn lastig ambt vergrijsd.

Tusschen hem en den heer Vereecken had sedert jaren eene nauwe vriendschap bestaan, en niet zelden kwam de rechter in den Zomer eenige dagen met zijn huisgezin bij den notaris doorbrengen. Misschien was deze laatste omstandigheid niet vreemd aan zijne strengheid. Hoe het zij, zonder mededoogen zette hij zijne ondervraging voort: in zijne uitvorsching naar de waarheid hield hij den baanwachter onder zijnen doordringenden blik gebogen en liet den ongelukkige den tijd niet om te ademen, ofschoon de substituut in stilte hem tot wat toegevendheid poogde over te halen.

De substituut, die veel jonger was dan de rechter, scheen geneigd om aan de onschuld van den armen baanwachter te gelooven. Zijne eenvoudige antwoorden, zijne stille onderwerping, zijn open gelaat, alles toch in hem droeg den stempel der eerlijkheid. Misschien hadden de bittere klachten en scheurende kreten van des baanwachters kinderen den substituut het hart geroerd. Althans hij verborg zijn welwillend medelijden met den beschuldigde niet. Reeds meer dan eens had hij hem getroost en aangemoedigd, door hem te doen begrijpen dat zulk streng onderzoek hem niet mocht verschrikken, en hij, indien hij onplichtig was, niets had te vreezen dan deze pijnlijke vormen, volstrekt noodig om in zijn eigen belang de waarheid onbetwistbaar te doen uitschijnen.

Nu weder neigde de substituut zich tot den rechter en raadde hem aan, dit voorloopig onderzoek te staken, dewijl er voor alsdan ten minste geene hoop was om uit den ontstelden man eenige andere bijzonderheid te bekomen.

De rechter geloofde waarschijnlijk aan de schuldigheid van den baanwachter; want het was morrende en met een onwillig schudden des hoofds, dat hij aan den raad zijns makkers toegaf.

Zich nog eenmaal tot den baanwachter keerende, zeide hij:

"Jan Verhelst, voor het laatst, antwoord mij openhartig. Hebt gij niets aan uwe uitlegging van het ongeluk te veranderen, niets er bij te voegen?"

"Niets, mijnheer," bevestigde de afgematte en gepijnigde man schier onhoorbaar.

"Het is wel; gij gaat dit verslag met ons onderteekenen, en dan volgt gij de gendarmes naar de stad. In de gevangenis zult gij de uitspraak van het gerechtshof afwachten."

Dit woordgevangenisscheen Jan Verhelst als een geheime slag te treffen en in hem met geweld het gevoel zijner mannenwaardigheid op te wekken. Hij richtte het hoofd op, nam eene stoute houding aan en bezag den rechter met vlammenden blik.

"In de gevangenis? In het kot?" kreet hij. "Ik, Jan Verhelst? Ik, die mijn leven hebt gewaagd en een lid verloren uit opoffering? Ik, onschuldig? O, neen, neen, het is onmogelijk! In het kot, als een dief, als een moordenaar? Weet gij dan niet, dat ik vrouw en kinderen, dat ik eene oude, blinde moeder heb?... En wie zal dan in mijne afwezigheid de baan bewaken?"

"Daarvoor is reeds gezorgd."

"Neen, o neen, naar het kot ga ik niet! Dood mij liever vóór uwe voeten!"

"Moet gij geweld onderstaan, beschuldig u zelven er van," zeide de rechter zeer koel, terwijl hij tevens met de oogen den gendarmes een teeken deed.

Dezen haalden oogenblikkelijk eene streng koorden voor den dag, ontrolden ze langzaam en lieten genoeg blijken, dat zij den baanwachter zouden binden, indien hij weigerde hen gedwee te volgen.

Op deze akelige bedreiging sprong Jan Verhelst achteruit en balde zijne eenige vuist, gereed tot eene hopelooze worsteling.

Maar de substituut naderde hem en deed met vriendelijke woorden hem begrijpen, dat alle wederstand nutteloos was, en hij, die beweerde onschuldig te zijn, zich aan eene strafbare misdaad ging plichtig maken. De voorloopige gevangenzetting zou slechts duren, totdat het onderzoek geheel was afgeloopen, en bleek daaruit, dat hij werkelijk de barreelen had gesloten, dan zou hij de vrijheid terugkrijgen en in zijne eer worden hersteld.

Door deze troostende woorden liet de baanwachter zich bedaren. Wat hem nog van eene geheele onderwerping deed schrikken, was de gedachte, dat zijne vrouw en kinderen bij de akelige tijding zouden bezwijken van smart en schaamte.

"Betrouw daarvoor op mij," zeide hem de substituut. "Hun lot boezemt mij medelijden in. Ik zal tot hen gaan en hun doen begrijpen, dat zij niet mogen wanhopen en redenen hebben om met betrouwen op den eindelijken uitslag dezer droeve zaak te wachten. Onderwerp u zonder tegenspreken; ik ga oogenblikkelijk tot uw huisgezin."

En hij verliet inderdaad het wachthuisje.

Jan Verhelst verklaarde bereid te zijn tot de volledigste gehoorzaamheid; maar hij bad met tranen in de oogen, dat men hem toch de schande niet aandede, hem als eenen verachtelijken dief de binden.

De griffier las hem zijne verklaringen voor, en hij onderteekende ze zonder aarzelen.

"Gendarmes, gij blijft voor den gevangene verantwoordelijk," zeide de rechter. "Doet uwen plicht en leidt hem naar de stad."

Tusschen de twee gendarmes verliet Jan Verhelst zijn wachthuis. Hij keek nog eens naar den waggon, maar bespeurde niemand dergenen, die hem zoo nauw aan het hart lagen. Waarschijnlijk had de edelmoedige substituut hen verwijderd, om hun het wreede schouwspel van huns vaders ongeluk en schande te sparen.

Vóór den barreel stonden wel vier-of vijfhonderd menschen, wien men uit eerbied voor het gerecht had belet op de spoorbaan te treden.

Jan Verhelst, deze duizend nieuwsgierige oogen op zich gevestigd ziende, voelde eene ijskoude rilling door zijne aderen vloeien, en hij liet met eenen verdoofden angstkreet het hoofd op de borst vallen. Een der gendarmes moest hem den arm nemen, om zijnen wankelenden stap te richten.

Toen de dichtgeslotene menigte, door den veldwachter teruggedreven, zich opende om het treurige gevaarte te laten voorbijgaan, klonken den armen Verhelst wel wreede en bloedig kwetsende woorden in de ooren. Vermits de gendarmes hem als eenen misdadiger naar de gevangenis brachten, moesten de rechters hem schuldig gevonden hebben. Hij had dus door de verzuimenis van zijnen plicht twee menschen doen verongelukken. De notaris, die weldadige, die algemeen beminde man, lag op sterven! Had niet de baanwachter hem vermoord? Geen wonder dus, dat in het hart van meest alle aanschouwers een gevoel van verontwaardiging en van haat tegen hem gloeide.

Op geheel zijnen gang door het dorp werd Jan Verhelst door de menigte uitgejouwd en vermaledijd. Tusschen het aanhoudend geroep van: "Ahoe! ahoe!" hoorde hij machtiger nog de woorden: "Schelm, lafaard, moordenaar!" in zijne ooren bonzen; ja, hij zag lieden, die slijk van de straat opnamen en het hem in het aangezicht zouden gesmeten hebben, indien de veldwachter, met zijne bloote sabel dreigende, het hun niet had belet.

Die schande, die martelie duurde tot bij het ander einde des dorps. Hier hield de veldwachter met eenige mannen van goeden wil, die hij ter hulp had geroepen, de straat afgesperd, en zoo konden dan de gevangene en zijne wachters zich voortspoeden, zonder langer door het gejouw en de wraakkreten der aangehitste lieden te worden vervolgd.

Om den weg naar de stad te verkorten, traden de gendarmes in eene zijdelingsche aardebaan, en zij noopten den gevangene, zijnen stap nog te verhaasten, om zooveel mogelijk aan de vervolging der dorpelingen te ontsnappen.

De baanwachter gehoorzaamde, doch antwoordde niet. Zijn hart was gebroken; nog immer zweefde voor zijne lippen de bittere galbeker der schande, dien hij in zoo korten tijd schier tot den bodem had geledigd. IJselijke gedachte! Hij had zijn leven gewaagd om een mensch te redden, en de menschen haatten en vermaledijdden hem nu! Men wilde hem met modder werpen en hem steenigen als eenen dollen hond!

Terwijl hij dus in zich zelven smartelijk morrende voortstapte, kwamen eenige onduidelijke klanken zijn oor treffen. Hij verbleekte, slaakte eenen doffen kreet en bleef staan, zonder zich echter te durven omkeeren.

Jan Verhelst zat geknield bij zijne blinde moeder.Jan Verhelst zat geknield bij zijne blinde moeder.

Jan Verhelst zat geknield bij zijne blinde moeder.Jan Verhelst zat geknield bij zijne blinde moeder.

"Welnu, wat gebeurt u, kameraad?" vroegen de gendarmes verwonderd. "Het zijn de dorpelingen, die immer uit de verte tegen u schreeuwen. Vooruit, vooruit, of zij halen ons nog in!"

"Ja, vooruit, met spoed. O, God! mijne arme kinderen!" zuchtte de baanwachter.

Hij versnelde inderdaad zijnen stap en hoopte waarlijk, nog aan eene vreeselijke ontmoeting te ontsnappen. Zijne vrouw en zijne kinderen hadden hem niet tusschen de gendarmes zien wegleiden. Moest dit schromelijk schouwspel nu hunne oogen treffen, hoe zou het hunne harten verbrijzelen! Zou hij wel zelf bestand zijn tegen zulke beproeving?

Maar hoe hij zich vooruithaastte, de klachten, de weekreten werden allengs duidelijker, en welhaast klonk het woord: "Vader! vader!" door schreiende kinderstemmen geroepen, verstaanbaar in zijne ooren.

Zijn ongelukkig huisgezin naderde dus meer en meer. Die beminde en beminnende wezens zouden in de verdwaaldheid der wanhoop hem volgen tot voor de deur der gevangenis?

Hij keerde het hoofd om. Daar zag hij in de verte zijne blinde moeder, door zijne vrouw en zijnen goeden Sander ondersteund, komen aanloopen. Mie-Wanna droeg Barbeltje op haren arm, en Driesken huppelde nevens den weg; allen staken krijschend en klagend de handen naar hem uit.

Wat hij op aarde liefhad en betreurde: zijn geluk, zijne hoop was daar te zamen.

"O, ik bid u, vrienden," smeekte Jan Verhelst met gevouwen handen, "laat ons wat blijven staan! Daar komt mijn arm huisgezin; zij zullen medeloopen tot in de stad. Spaart mij het wreed tooneel hunner eindelooze smart!"

"Ja, maar," gromde een gendarme, "wij weten niet of...."

"Een oogenblik slechts, uit medelijden! Een laatste vaarwel! Ik zal hen geruststellen en hun doen begrijpen, dat zij naar huis moeten gaan."

"Welaan, het geschiede met spoed!"

Eene korte wijl daarna hingen de vrouwen en de kinderen hem aan den hals en sloten hem zoo driftig in de armen of hielden hem zoo vast omstrengeld, als zouden zij hem nimmer loslaten. Onderwijl vervulden zij de lucht met verwarde angstgillen en liefdekreten, waaruit niets duidelijks dan hunne doodelijke verschriktheid te verstaan was. Tranen regenden op de baan.

Na de veelmaals gewisselde zoenen en na de eerste uitstorting hunner smart poogde Jan Verhelst met geveinsde overtuiging hen te doen erkennen, dat zij ten onrechte zoo uitermate vervaard en bedrukt waren. Men leidde hem nu naar de stad, om daar nog eens zijne verklaring te hooren en op te teekenen. Misschien zou hij er eenige dagen moeten blijven; maar de rechter zou intusschen het onderzoek der zaak met spoed voortzetten, en, bleek daaruit zijne onschuld—iets dat niet te betwijfelen was—dan keerde hij weder met herstelde eer en ontlast van alle verdenking. Zij moesten nu naar huis gaan en met geduld zijne wederkomst afwachten. Hun gekerm sneed hem zoo pijnlijk door het hart. Hij smeekte hen dus, hem niet langer te volgen. Alwat zij nu uit liefde voor hem konden doen, was God te bidden, opdat Hij zijne onschuld wel spoedig liete blijken. Hij zou hun nu elk nog eenen kus tot vaarwel geven, en dan moesten zij maar seffens in de baan terugkeeren.

Allen schenen door zijne woorden eenigszins gerustgesteld en betuigden, dat zij zijnen raad zouden gehoorzamen. Maar toen de baanwachter de oude vrouw op zijn hart drukte en op diep ontstelden toon haar zeide: "Vaarwel, moeder lief!" viel de arme blinde in onmacht ter aarde.

Dan begon het gekerm en gehuil opnieuw; de kinderen bovenal toonden zooveel schrik en beangstheid, dat een der gendarmes tranen van deernis uit zijne oogen veegde.

Jan Verhelst zat geknield bij zijne blinde moeder, hief haar het hoofd op en waschte haar de wangen met water uit eene veldflesch, welke een gendarme hem had toegereikt.

Zoohaast de bezwijmde eene beweging had gedaan en ging bekomen, werd den baanwachter aangezegd, dat hij oogenblikkelijk zijnen weg naar de stad moest voortzetten. Zijne wachters hadden zich welwillend voor hem getoond; hij moest nu man zijn en laten zien, dat hij van hunne goedheid geen misbruik wilde maken.

De gevangene haastte zich zijne kinderen nog eens te omhelzen, hij drukte met verkropten boezem het kleine Barbeltje op zijn hart en zeide dan eenige strenge woorden aan het oor zijner vrouw, die zij goed scheen te begrijpen, want zij antwoordde met besluit:

"Ga, Jan, ga, man lief, wij volgen u niet meer. Ik zal over de kinderen waken, ze troosten en ze doen bidden, totdat gij wederkomt. Heb maar moed, God is rechtvaardig."

"Ja, moed, moed, Mie-Wanna!" mompelde nog de baanwachter met verkropte stem, terwijl hij zich tusschen de gendarmes schikte en, zonder nog om te zien, haastig in de baan voortstapte.

Maar dan brak geheel zijne kunstmatige sterkte; een tranenvloed borst uit zijne oogen en hij weende zuchtend en snikkend als een kind, totdat zijn hart van het overmatig wee was ontlast en hij, wel diep-treurend doch met gelatenheid, op de bemerkingen en vragen zijner geleiders kon antwoorden.

Geloofden de gendarmes aan zijne onschuld of aan zijne plichtigheid? Dit was uit hunne overwegingen niet op te maken. Waarschijnlijk was hun dit vraagpunt onverschillig of wilden zij zelfs in hun binnenste geen oordeel strijken.

De oudste van beiden zeide nu tot den gevangene:

"Een moord door onvoorzichtigheid? Het is eene erge zaak, kameraad. Was ik in uwe plaats, ik zou alles bekennen en maar vlakaf zeggen hoe het ongeluk is gebeurd. Dan zoudt ge de kans hebben, eene veel mindere straf te krijgen."

"Maar, vriend, ik heb alles bekend," antwoordde Jan Verhelst. "Zou ik nu tegen mij zelven gaan liegen?"

"Gij moet het weten; het is uwe zaak; maar denk er toch aan, want het is een goede raad, dien ik u geef."

"Inderdaad," bevestigde de andere gendarme. "Zie, ik weet juist twee zulke gevallen tot voorbeeld. Ik heb in eene gemeente van West-Vlaanderen gestaan. Daar werd eene vrouw verpletterd, omdat de barreelen bij den doortocht van den trein niet waren gesloten geworden. De baanwachter loochende zijne schuld, en men veroordeelde hem tot twee jaren gevangenis. Eenigen tijd daarna werd ik verplaatst naar den kant van Leuven. Daar gebeurde bijna hetzelfde ongeluk. Er bleven drie menschen dood. De baanwachter bekende met leedwezen en met tranen, dat hij verzuimd had de barreelen intijds te sluiten. Deze zaak was veel erger dan de vorige; maar omdat hij zoo openhartig zijne plichtigheid beleed, stond men hem het voordeel der verzachtende omstandigheden toe, en hij werd slechts veroordeeld tot drie maanden."

"Het is maar om te zeggen, dat gij uw voordeel uit deze twee kleine geschiedenissen zoudt kunnen trekken," bemerkte de oudste gendarme. "Kom, kameraad, zijt gij wel zeker dat gij de barreelen hebt gesloten?"

"Ik ben er zoo zeker van als van mijn bestaan op aarde," mompelde Jan Verhelst, door den twijfel zijner geleiders gekwets en gefolterd.

Daar er uit hem niets anders dan de bloote bevestiging zijner onschuld te bekomen was, brak de samenspraak hier af. Misschien veeleer nog omdat men nu de eerste huizen van het voorgeborchte ging naderen, en de baanwachter in sombere stilzwijgendheid verviel.

Ach, in die stad was Jan Verhelst geboren; hij had er als kind gespeeld en als man er gewerkt en geleefd tot zijn dertigste jaar! Velen kenden hem daar; hij had er talrijke vrienden. Nu zou men hem tusschen twee gendarmes door de straten zien gaan, zonder te weten van welke misdaad hij was beschuldigd. Men zou hem aanzien voor eenen booswicht, op heeterdaad van diefstal betrapt. Hij, Jan Verhelst, die eerder zou sterven dan iemand wetens en willens voor eenen cent onrecht te doen, hij zou nu door gendarmes door zijne geboortestad geleid worden als een dief, als een struikroover, als een moordenaar!

Hij boog het hoofd en sloot de oogen, zoohaast hij de volkrijke straat van het voorgeborchte had bereikt. Zoo meende hij zich voor de schande te verbergen. Maar hij kon toch niet anders dan van tijd tot tijd vooruit te zien, om niet te struikelen.

Het werd hem een beetje lichter aan het hart: wel liepen de straatjongens hem achterna en keken de lieden hem aan: maar langs deze zijde der stad had hij nooit gewoond, en geene bekende gezichten ontmoette hij hier.

Zijne baan zou hem voorbij de standplaats van den ijzeren weg brengen, waar hij vroeger zijne hand uit opoffering had verloren. Hij vestigde zijnen verbaasden blik op het groote werkhuis, dat binnen de standplaats stond. Daar had hij tien jaren lang gewerkt en zijn zweet gestort bij het smidsaanbeeld. Wie hadde het ooit kunnen voorzeggen, toen hij daar zingend en fluitend in de sprenkelende vuurgensters stond, dat hij er eens zou voorbijgaan, stervend van schaamte, tusschen twee gendarmes?

Terwijl deze bittere overweging hem nieuwe tranen uit de oogen rukte, begon eensklaps de middagklok te kleppen, en onmiddellijk stroomden wel honderd werklieden uit de standplaats.

Sidderend weerhield Jan Verhelst zijnen stap. De meesten dezer werklieden kenden hem; velen waren hem oude vrienden. O, hemel! bleef er nog zooveel gal in zijnen beker?

De gendarmes grepen hem bij den arm en trokken hem voort. Dan sloot hij werkelijk de oogen en sukkelde wankelend en struikelend tusschen de werklieden door.

Hij hoorde hoe men van alle kanten zijn naam uitsprak en kreten van verbazing slaakte.

"Het is Jan Verhelst; ja, het is Jan Verhelst!" riep men. "Wat heeft hij misdaan? Gestolen? Het is onmogelijk? Wie weet?... Hij heeft misschien gevochten en iemand met een mes gestoken? Maar hij was de goedheid zelve.... Een kwade slag? Het kan iedereen gebeuren. Arme Jan Verhelst, arme Jan!"

En zoo hoorde hij straten verre, hoe zijne vorige vrienden zijn lot beklaagden, hoe sommigen zijnen lof spraken en aan zijne schuldigheid niet konden gelooven; maar tevens hoe de meesten der lieden hem aanzagen voor een dief of voor een moordenaar.

Hij bezweek schier van angst en schaamte en had geene bewustheid meer van den weg, dien hij aflegde.

Ook toen de oudste gendarme hem zeide: "Wij zij er, kameraad!" opende hij de oogen, aanschouwde met den glans eener koortsige blijdschap op het gelaat de sombere muren der gevangenis, hief de armen in de hoogte en riep uit:

"Verlost, verlost van die gruwelijke pijnbank! Dank, dank, o God!"

Eenige oogenblikken later krijschten de grendels eener cel achter zijnen rug, en hij viel weenend neder op de houten bank.

Alleen, hij was alleen met zijne schaamte en zijne wanhoop!

Reeds zeven dagen zat de baanwachter in de nauwe cel der gevangenis opgesloten. Hij wist niets aangaande het lot zijner vrouw en kinderen of aangaande den toestand van den gekwetsten notaris.

Eens had men hem in de geslotene dievenkoets naar het justitie-paleis gevoerd, en hij was daar in het kabinet van den onderzoekingsrechter gedurende meer dan een uur ondervraagd en bedreigd geworden op zulke strenge en voor hem wreede wijze, dat de arme man in zijnen kerker was teruggekeerd met de vaste overtuiging, dat hij niettegenstaande zijne onschuld zou veroordeeld worden.

In het geloof dat de baanwachter plichtig was en hem door een verdichtsel poogde te bedriegen, had de rechter bevolen, dat hij in het volledigstegeheimzou gehouden worden. Diensvolgens was alle betrekking met lieden van buiten hem ontzegd, en niemand mocht hem eenige tijding brengen. Hij had in de gevangenis gedurende de eerste dagen geen ander levend wezen gezien dan den sleuteldrager, een stom en somber menschenbeeld, dat om zijn eten te brengen of hem te bewaken, ging en kwam als een spook zonder gevoel of spraak.

Gisteren was de aalmoezenier hem wat godsdienstigen troost komen brengen, doch uit hem had hij niets vernomen.

Wie zou het lijden, de zielsmarteling kunnen beschrijven van den onschuldigen Jan Verhelst, die in hetgeheimlag bedolven als in een gesloten graf, terwijl zijne vrijheid en zijne eer, misschien het leven van hem dierbare wezens waren bedreigd? Geen middel tot verdediging, geene stem om hem moed te geven, geen vriendenhart om zijne klachten met deernis aan te hooren! Wat doen zijne vrouw en kinderen? Heeft men ze niet uit hunne nederige woning verdreven? Is zijne blinde moeder ziek ... of dood?

Zijne hersens zijn door het zwoegend denken in de lange eenzaamheid ontsteld; hij verbeeldt zich alles zwart en schrikkelijk; zijne droomen zijn als eene voortdurende nachtmare geworden. Nu eens ziet hij zijn snikkend huisgezin in den waggon rondom het sterfbed zijner oude moeder geknield zitten, dan hoort hij de wanhoopskreten zijner goede vrouw of leest op het stil en zoet gelaat van zijnen Sander, hoe diep de schaamte het verstandige kind in het harte bijt.... Erger nog: hij is veroordeeld, en van uit den kerker, waarin hij voortaan zal leven, ziet hij zijn verlaten huisgezin in de straten dwalen en de hand uitsteken—bedelen om wat brood!

Dit ijselijk lijden had Jan Verhelst als eene heete koorts vermagerd; hij, de gezonde, de sterke smid, was nu bleek als een kranke, en zijne ingevallen wangen en weggezonken oogen maakten hem schier onkennelijk.

De morgen van den zevenden dag was sedert een paar uren aangebroken. Jan Verhelst zat op zijne bank met de handen vóór het aangezicht. Eene akelige stilte omringde hem; men zou gezegd hebben, dat geen ander levend wezen in het donkere gebouw ademde.

Hij evenwel wist in die doodsche stilte nog geruchten te onderscheiden; want nu en dan keek hij op en luisterde met overspannen aandacht; maar telkens liet hij weder onder het slaken van eenen zucht het hoofd op de borst zinken. Eens zelfs sprong hij recht en deed eenige stappen naar de deur, terwijl een glimlach van verlangen op zijne lippen zweefde.

Waarschijnlijk verwachtte hij nu iemand anders dan zijnen gewonen bewaker; want hij keerde teleurgesteld naar zijne bank weder en klaagde luid:

"IJdele hoop, hij zal niet komen! Iedereen acht mij schuldig, iedereen haat en vermaledijdt mij. Hij insgelijks misschien!... Zou de aalmoezenier mijne boodschap wel overgebracht hebben? Barmhartige God, hoelang zal die pijniging nog duren? Laat hen mij veroordeelen, indien Uw heilige wil het zoo heeft besloten. Ik zal mij onderwerpen en geduldig lijden, maar, o Heer, hef toch den steen van mijn akelig graf! Dat ik weten moge, wat er van mijn ongelukkig huisgezin geworden is."

Wel een gansch half uur bleef hij roerloos zitten en had ongetwijfeld alle hoop opgegeven; want ofschoon nu en dan een ver gerucht in de gevangenis zich liet vernemen, scheen hij daaraan onverschillig geworden en bleef in zijne droeve gepeinzen bedolven. Eensklaps krijschte er een sleutel in het slot zijner cel. Dan sprong hij op, en toen hij bemerkte wie het was, die met den waker binnentrad, borsten hem de tranen van blijde ontsteltenis over de wangen.

"Dank, heer substituut," riep hij snikkende, "o dank, dat gij het gebed van eenen rampzalige als ik niet hebt verstooten! God zal u loonen voor deze weldaad!"

"Bedaar toch," zeide de substituut op zachten toon. "Gij deedt mij verzoeken tot u te komen. Hebt gij mij iets bijzonders te zeggen aangaande uwe droeve zaak?"

"Och, mijnheer," kreet de baanwachter met gevouwen handen, "kan men hetgeheimniet opheffen? Wist gij, hoe ik hier, zoo de wereld geheel afgescheiden, lig te sterven van angst en wanhoop! Ik weet nog niets van mijne blinde moeder, van mijne vrouw, van mijne arme kinderen. Geef mij tijding van hen, en ik zegen uwen naam tot op mijn doodbed!"

"Het is mij onmogelijk, u eenig nieuws van hen te geven," antwoordde de substituut, "aangezien ik sedert den dag der ramp op den ijzeren weg niets van hen heb vernomen. Maar wees evenwel getroost: namiddag moet ik juist om eene andere zaak naar Bolderhout, en ik zal inlichtingen over uw huisgezin nemen. Dezen avond of morgen vroeg zult gij hunnen toestand kennen."

"O, kondet gij gevoelen hoe gelukkig gij mij maakt!" kreet de baanwachter. "Gij zijt als een troostengel, door God mij gezonden. Hetgeheim, mijnheer, wanneer het op een onschuldigen huisvader drukt, is eene wreede pijnbank, eene hel waarvan de gruwelijkheid niet is te beschrijven. Welke onmenschelijke uitvinding, de ongelukkigen dus levend te begraven! Gij zijt goed, mijnheer; maar heeft de rechter dan geen hart?"

"De rechter doet zijn plicht," kreeg hij ten antwoord. "Het geheim is zeer dikwijls het eenige middel om tot de kennis der waarheid te geraken, en zonder deze strenge afzondering der verdachten zouden vele misdadigers van de ergste soort ongestraft blijven. Het welzijn der maatschappij is eene opperste, doch soms wreede wet."

"De rechter gelooft mij dus schuldig, mijnheer?"

"Waarschijnlijk."

"En gij, heer?" kreet de baanwachter met angst. De substituut haalde schier onzichtbaar de schouders op.

"Hemel! gij, de goedhartige, de edelmoedige, gij twijfelt? Er is dus geene genade meer voor mij? Veroordeeld zal ik worden? Mijn huisgezin zal gebukt gaan onder de schande en verkwijnen in ellende?"

"Dit zeg ik niet. Ik hoop, dat het gerechtshof u zal vrijspreken; maar ik mag over uwe zaak geen persoonlijk oordeel strijken, vooraleer ik de stukken van het onderzoek met aandacht heb gelezen. Niemand toch weet te verklaren, hoe het ongeluk voorgevallen is; het schijnt iedereen onmogelijk, dat eene tilbury op den ijzeren weg komt, wanneer de barreelen gesloten zijn. Er is een man van Bolderhout, die beweert, dat hij eens de barreelen bij uw wachthuis heeft open gezien, terwijl de trein voorbijreed...."

"Het is eene valschheid!" kreet Jan Verhelst.

"Een ander verklaart, dat gij nu en dan u aan den drank overgaaft."

"Welke snoodheid! Ik heb nooit meer dan een enkel glas bier, en zeer zelden dan nog, op eenen zelfden dag gedronken!"

"Het is ijdel gepraat ongetwijfeld, en het gerecht zal daaraan weinig gewicht toekennen. Men is op zoek naar ernstigere getuigen; dan, of men zulke wel zal vinden?"

"Maar de notaris? Hij is mijn weldoener; hij zal mij niet laten veroordeelen," riep de baanwachter.

"De notaris ligt nog immer in doodsgevaar, zooals men mij gisterenavond zeide. Of hij reeds gesproken heeft, weet ik niet. In alle geval zal hij uwe onschuld niet verkondigd hebben, want zijn zoon dringt meer dan ooit op uwe vervolging aan en roept overal om wraak tegen u. Dat u dit echter niet te zeer verschrikke; mij dunkt het waarschijnlijk, dat het gerechtshof u vrij zal spreken, indien het onderzoek geene nieuwe bezwaren tegen u aan den dag brengt."

De baanwachter liet zich verpletterd en moedeloos op de bank vallen.

"O mijn God," klaagde hij met bittere tranen, "hoe is het mogelijk? Ik heb gedurende mijn gansche leven geslaafd en gezwoegd als een eerlijk werkman; ik heb een lid verloren om een mensch het leven te redden; nooit heb ik iets misdaan, en nu haat iedereen mij, als ware ik een snoode booswicht? De lieden van Bolderhout hebben mij vermaledijd en wilden mij met slijk werpen; nu betichten zij mij van dronkenschap; de zoon van den notaris, die mij achting toedroeg en mij meer dan één bewijs zijner goedheid gaf, eischt mijne veroordeeling! Ach, zou er dan in het hart van den besten mensch zooveel onrecht en boosheid verborgen liggen?"

"Integendeel," wedersprak hem de substituut, "het is eene hulde, door hen aan de deugd gebracht. Zij achten u schuldig; zij betreuren het lot van den notaris, dien gij zelf uwen weldoener noemt en zij haten en vermaledijden niet uwen persoon, maar de noodlottige verzuimenis, waardoor gij, volgens hunne meening, den dood van twee menschen hebt veroorzaakt. Spreekt het gerechtshof u vrij, dan zullen zij ongetwijfeld door meer vriendschap en achting u doen vergeten, dat zij u onrechtvaardig hebben beschuldigd."

Jan Verhelst, verbluft en gansch ontmoedigd door den twijfel, dien de substituut over zijne onschuld had laten blijken, bleef gevoelloos aan den troost en vergoot overvloedige tranen.

Eene wijl beschouwde de substituut hem met medelijden en zeide dan:

"Kom, ik moet u nu verlaten; heb vertrouwen en wanhoop niet. Ik zal tot den onderzoekingsrechter gaan en van hem pogen te verkrijgen, dat uwe vrouw toegelaten worde u in de gevangenis te bezoeken."

Met eenen gil van blijdschap opspringende, greep de baanwachter de hand van den substituut en kuste ze in zijne uitgelatenheid.

"Ik worde veroordeeld of niet, dat God u zegene!" mompelde hij. "Ja, ja, mijnheer, poog eenen ongelukkige die onschatbare weldaad te bewijzen! Ik val geknield ter aarde en zal bidden en den hemel om hulp aanroepen, opdat hij uw edelmoedig woord eene onweerstaanbare kracht verleene! Dank, o dank!"

En hij zonk werkelijk ten gronde en hief de armen in de hoogte.

Bij de deur der cel bleef de substituut nog staan en zeide:

"Ik meende slechts laat op den namiddag naar Bolderhout te rijden; maar om zoo mogelijk uwe smart te verkorten, zal ik dezen morgen vertrekken, onmiddellijk na mijn bezoek bij den rechter. Wees dus getroost; in alle geval zult gij nog heden nieuws van uw huisgezin bekomen."

De sleuteldrager sloot de cel toe, en de substituut verliet de gevangenis met ware deernis in het hart.

Dienzelfden voormiddag verliet een ongelukkig huisgezin het dorp van Bolderhout.

Mie-Wanna, de moedige vrouw van den baanwachter, stapte vooruit in den aardeweg, met het kleine Barbeltje op den arm. Driesken liep aan hare zijde. Achter haar kwam de blinde grootmoeder, door haren kleinzoon, door haren vriend Sander, geleid. Allen waren met pakken beladen, als ondernamen zij eene langdurige reis.

Ongetwijfeld hadden zij nu sedert zeven lange doodsche dagen zooveel geweend en geklaagd, dat de bron hunner tranen was opgedroogd. Zij gingen wel onder de smart gebogen, doch hunne oogen waren droog en zij sukkelden, in sombere stilzwijgendheid voort.

Mie-Wanna alleen keerde bijwijlen nog het hoofd om naar het dorp en scheen in die richting met den ontstelden blik eene betreurde plaatste zoeken.... Daar, bij den ijzeren weg, stond de waggon, de wieg van haar Barbeltje!... het paradijs waar zij de schoonste jaren van haar leven in zielevrede en in onzeglijk geluk had doorgebracht! Verloren, verloren voor altijd!

Inderdaad, het Bestuur der spoorbaan had eenen anderen wachter aangesteld. Alhoewel deze insgelijks getrouwd was, had hij de vrouw van Jan Verhelst uit medelijden aangeboden, haar met hare kinderen in den waggon te laten wonen, totdat zij iets stelligs omtrent het lot van haren man zou vernemen. Zij had zijn edelmoedig voorstel in den eerste met dankbaarheid aanvaard; maar welhaast was het haar blijkbaar geworden, dat zij te Bolderhout niet langer mocht blijven. Zij kon toch zich nergens vertoonen, zonder dat zij door de inwoners werd beleedigd. Haar goede zoon Sander moest hooren, hoe zijne vorige schoolmakkers hem den scheldnaam "Moordenaar! moordenaar!" achterna riepen, en de arme jongen had sedert drie dagen den waggon niet meer durven verlaten. Zijn onderwijzer alleen was goed en vriendelijk voor hem gebleven. Om bij hem eenigen raad en eenigen troost te halen, moest Sander de duisternis afwachten en langs afgelegene wegen ten zijnent gaan.

In de gedachte dat de notaris zou sterven en Jan Verhelst door plichtverzuim zijnen dood had veroorzaakt, vonden de dorpelingen eene schijnbaar gegronde reden om zijne vrouw en zijne kinderen te haten; maar zij zouden hen toch niet zoo meedoogenloos gevolgd hebben, indien de oudste zoon van den notaris door zijne onophoudende beschuldigingen en wraakkreten ook de besten niet tot wreedheid had aangehitst.

Mie-Wanna had dus besloten, Bolderhout te verlaten en met haar huisgezin naar de stad te trekken. Wat ze daar ging doen, wist ze niet wel. Misschien dreef eene onbestemde zucht om nader bij haren man te zijn, haar aan tot het nemen van zulk gewichtig besluit? Zij zou een klein huisje of een paar kamers in een voorgeborcht huren, haar weinig goud en eenig overtollig huisraad verkoopen en—moest het later ook geschieden—uit werken gaan en door slaven en sparen hare oude schoonmoeder en hare kinderen het dagelijksche brood bezorgen ... tot betere tijden!

Want dat haar man welhaast in vrijheid zou worden gesteld, dit geloofde zij niet meer. De nuttelooze pogingen door haar aangewend om hem te mogen bezoeken of iets van hem te vernemen; zijne onmiddellijke vervanging als baanwachter; de haat, de zegevierende bedreigingen der lieden van Bolderhout, dit alles had haar de overtuiging ingedrukt, dat haar ongelukkige man niet tegenstaande zijne onschuld zou veroordeeld worden tot eene langdurige gevangenis.

Stilzwijgende stapte zij nu in den glibberigen veldweg voort.

De grootmoeder en de kinderen, die hare hopelooze overtuiging niet deelden, drukten nu en dan eene troostende overweging uit; maar Mie-Wanna, uit schrik van hen diep te bedroeven, antwoordde zeer zelden, en dan nog door een kort gezegde.

Zij hadden een goed eind weegs in zulke doodsche stilte afgelegd, toen Sander met teruggehoudene stem tot de blinde zeide:

"Meken lief, gij lacht zoo vroolijk! Wat denkt gij dan?"

De oude vrouw vertraagde haren stap en antwoordde hem:

"Sanderken, blijf wat achter met mij. Uwe moeder ziet alles in het zwart. Zij gelooft mij niet; maar ik ben wel zeker, dat mijn schoone droom mij van God werd gezonden."

"Ach, Meken, denk dit niet; het kan niet zijn."

"Hoe, het kan niet zijn? Zoo jong nog, en reeds zoo ongeloovig! De wereld is bedorven; zij zal niet lang meer staan, kind! Zie, ik zal het u nog eens vertellen.... Ik lag te bed in onzen waggon; al biddend en met de handen nog te zamen was ik in slaap gevallen. Ik begon te droomen, dat ik in eene groote kerk op eenen stoel zat. Er was muziek; het orgel speelde, en men zong zoo schoon op het doxaal, dat ik mijn hart van ontroering voelde kloppen. Ik weet niet wat er dan in mij omging, maar ik viel geknield op den grond, en met tranen in de oogen en de handen ten hemel riep ik uit; "O God, o zoete Jezus, bij uwe bittere passie en uw heilig bloed, verhoor het gebed eener arme blinde moeder! Heb medelijden met haren onschuldigen zoon! Verlos, verlos hem uit de gevangenis, opdat de rechtvaardigheid niet bezwijke! Gezegend zij uw naam in der eeuwigheid!"—Daar zag ik eensklaps in de wolken wierook, die bij het altaar opstegen ... ja, Sanderken, wanneer ik droom, dan zie ik met klare oogen als in mijne jonkheid ... ik zag eenen hevigen glans en te midden daarin eenen engel met lange vleugelen. Hij kwam met eenen hemelschen glimlach op den mond tot mij; ik beefde van ontzag en hoop. De schoone engel nam mij bij de hand en zeide: "Sta op en wees getroost. God heeft uw gebed verhoord; binnen drie dagen zult gij uwen vrijgesproken zoon in de armen drukken."—Ik liet eenen schreeuw van blijdschap en schoot wakker.... Welnu, Sander, meent gij nog met uwe moeder, dat dit gelukkig nachtgezicht niets was dan eene ijdele begoocheling mijner ontstelde zinnen? Gelooft gij niet, dat het waarheid zou kunnen worden?"

"Ach, Meken lief, ik zou het zoo gaarne gelooven, het is toch zoo schoon!" antwoordde het jongsken treurig; "maar wat de schoolmeester mij heeft gezegd, doet mij er anders over denken."

"En wat heeft de schoolmeester u gezegd?"

"Volgens zijne uitleggingen, Meken, kan vader niet vrijkomen dan nadat het tribunaal bijeen is geweest en een vonnis heeft uitgesproken. Eer dat het tribunaal daarover vergadert, zullen er nog weken verloopen, maanden misschien, en mijn arme vader zal zoolang in het kot blijven. Ach, dat wij toch niets van hem vernemen! God weet, Meken lief, is vader niet ziek van verdriet!"

"Gaat gij nu weder krijschen, Sander?"

"Ik krijsch niet, Meken, maar het is toch te wreed!"

"Ja, kind, het is onmensenschelijk en wreed. Ze zien uwen vader dus aan voor eenen schrikkelijken booswicht? Ons zoo onmeedoogend beletten, hem te bezoeken en te troosten; zelfs niet toelaten, dat wij vernemen of hij gezond of ziek is! Eilaas, kind, ik begin somwijlen ook te denken, dat hij onrechtvaardig zou kunnen veroordeeld worden.... Gij krijscht weder, Sander? Dan spreek ik niet meer."

Mie-Wanna had haren stap vertraagd en zeide nu verwijtend tot de blinde:

"Moeder, moeder, waarom laat gij onzen Sander niet gerust? Heeft het kind dan niet genoeg aan zijn eigen verdriet? Komt beiden voort en zwijgt liever: wij hebben toch niets troostends te zeggen."

"Nu, nu, ik zal wat spoediger gaan," antwoordde de oude vrouw; "maar ik kan toch zoo stom mijn bitter wee niet verkroppen. Spreken ontlast het hart."

"Ween niet langer, Sander lief," zeide Mie-Wanna. "Zoohaast wij in de stad een huis om in te slapen hebben gevonden, zal ik op den loop gaan. De meestergast van het smidswerkhuis, die uwen vader altijd een vriend was, zal mij helpen. Wij zullen niet rusten, voordat men mij toelate, uwen vader te bezoeken. Vond ik hem gezond, kon ik hem troosten, ach, dit ware nog een groot geluk in ons bitter verdriet! Ik ken ook nog eenen heer die tegenwoordig was, toen uw vader uit opoffering zijne linkerhand verloor. Deze heeft hem alsdan hoog geprezen en hem zijne bescherming beloofd. Ik zal tot hem en tot nog anderen gaan, en hemel en aarde verroeren om bij uwen vader te geraken. Laat de hoop, dat ik zal gelukken, u troosten, en kom nu maar goed door zonder veel te spreken. En gij, Meken, houd u wat stil; het helpt er toch niet aan, dat gij de kinderen doet krijschen. God is meester, en, legt Hij ons een kruis op de schouders, hoe zwaar en hoe pijnlijk ook, wij moeten het met onderwerping dragen. Onze klachten kunnen ons droevig lot niet veranderen; van Zijnen heiligen wil alleen hangt het af. Zwijgen en in stilte bidden is nog het beste, dat wij kunnen doen."

Van dan af spraken zij zeer weinig meer en stapten met zooveel spoed voort als de onzekere gang der blinde grootmoeder het toeliet.

Toen zij den steenweg hadden bereikt en eene groote hofstede naderden, zeide Mie-Wanna:

"Laat ons hier eens binnengaan om wat melk voor ons Barbeltje te vragen. De kinderen zullen er wat kunnen rusten."

Met een gevoel van schuchterheid traden allen op den voorhof en zeiden de pachteresse wat zij verlangden.

Deze, door het gezicht der blinde vrouw en der kinderen tot medelijden gestemd, deed hen in huis treden, gaf hun stoelen om te rusten en bracht onder het uiten van vriendelijke woorden hun eene kan warme melk.

Maar daar kwam de pachter in huis, en deze bezag het arm huisgezin met eenen strengen, verstoorden blik.

"Zijt gij niet de vrouw van Jan Verhelst, den baanwachter?" vroeg hij.

"Eilaas, ja, om u te dienen, pachter," antwoordde Mie-Wanna met eenen zucht.

"Zoo, zoo, gij zijt de vrouw van den schuldigen bediende, die den notaris van Bolderhout en zijnen koetsier heeft doen verpletteren?" gromde hij met eene grijns van afschuw. "Ik beklaag u en uwe kinderen, gij kunt er niet aan doen; maar uw man zal wel zeker gestraft worden, zooals het behoort. Het is gelijk, hoe men menschen vermoordt, of door plichtverzuim of door opgezetten wil. Zoo zou men wel eenen geheelen trein met honderden reizigers kunnen doen verongelukken.... Mijne woorden bedroeven u, vrouw, ik begrijp het; maar het lag mij op het hart en het moest eraf! Vaarwel, eet en drink; maar blijf niet langer in mijn huis dan het noodig is."

En onder het morren dezer laatste woorden ging hij op den voorhof en verdween in den stal.

Zijn zuur onthaal en ontmoedigende voorzegging hadden de grootmoeder en de kinderen tranen uit de oogen gerukt. Mie-Wanna alleen verkropte hare schaamte. Alhoewel de vrouw haar poogde te troosten en gerust te stellen, stond zij op en zeide:

"Wij zijn u dankbaar voor uwe goedheid, pachteresse.... Komt, kinderen, vervorderen wij onzen bitteren kruisweg. Weent niet en heft uw hoofd op. Zijn de menschen wreed en onrechtvaardig jegens uwen armen vader, God daarboven weet toch wel, dat hij onschuldig is."

Ofschoon zij moed en fierheid veinsde, moest haar hart echter met wee overkropt zijn; want nauwelijks was zij weder op den steenweg geraakt, of zij wreef zich meer dan eens de oogen, en de krampachtige rillingen harer wangen getuigden genoeg, dat zij met pijnlijk geweld tegen hare tranen worstelde.

Eenige minuten later zag zij in de verte een open rijtuig aankomen. Zij hield met eene bijzondere aandacht de oogen er op gevestigd. Waarom? Dit wist ze niet wel; haar dacht, dat zij den heer, welke er in zat, nog meer in haar leven had ontmoet.

Het rijtuig bleef eensklaps staan, toen het op een boogschot van haar genaderd was; de heer sprong er uit en kwam tot haar. Hij scheen nog jong te zijn, en op zijn schoon gelaat zweefde een glimlach van blijde verrassing.

"Gij zijt des baanwachters vrouw van Bolderhout, niet waar?" vroeg hij.

"Ja, mijnheer, om u te dienen," was het antwoord.

"Komt gij van het dorp?"

"Wij hebben het dezen morgen verlaten."

"Zeg, vrouw, hoe gaat het met den notaris?"

"Slecht, mijnheer, zeer slecht. Hij is sedert het ongeluk altijd zonder kennis of spraak gebleven. Gisterenavond scheen hij een beetje tot zijn verstand te komen. De dokters meenden zeker daarom, dat hij ging sterven; want de Berechting is seffens geroepen geworden."

"Die noodlottige dood is diep te betreuren."

"Eilaas ja, mijnheer."

"Voor uwen man bovenal. Ware de notaris genezen, dan had hij kunnen verklaren, hoe de tilbury op de spoorbaan is geraakt, en wellicht zou daaruit zijne onschuld gebleken zijn."

"En nu, mijnheer, zal mijn arme zoon veroordeeld worden?" kreet de blinde grootmoeder.

"Ik weet het niet, vrouw. De zaak maakt zooveel gerucht, dat de procureur des konings ze voor zich zelven heeft behouden. Ik ben zijn substituut; gij kent mij wel; ik heb op den dag van het ongeluk gepoogd u en uwe kinderen te troosten."

"Inderdaad, goede heer, daarvoor zegene u God. O, gij zijt van het gerecht! Is er dan toch geen middel hoegenaamd, om mijnen ongelukkigen man te zien? Heb medelijden met ons!"

"Ik reed juist naar Bolderhout, vrouw, en meende u daar te gaan zeggen, dat gij uwen man in zijne gevangenis moogt bezoeken."

Mie-Wanna aanschouwde hem met ongeloof, evenwel gereed om in blijdschap los te barsten, indien hare hoop werd bevestigd.

"Wij zouden hem mogen bezoeken ... in zijne gevangenis?" mompelde zij.

"Zeker, vrouw, in volle vrijheid. Ga naar de gevangenis, en men zal u bij hem toelaten. Ik heb den bestierder gesproken; de portier heeft bevel om u met welwillendheid te onthalen."

Onder allerlei verwarde vreugdekreten drukte Mie-Wanna hare kinderen op haar hart en juichte als eene uitgelatene over het onverwachte geluk, dat de hemel in zijne barmhartigheid hun toezond. Zij zouden hunnen vader zien, hem omhelzen, hem kussen en zoo door de uitstorting hunner liefde troost en sterkte in zijnen bedrukten boezem gieten.

Den substituut overlaadde zij met zegeningen en noemde hem een weldoener, een redder, een engel. "Mijnheer, vergeef eene bedrukte echtgenoote," zeide zij na eene wijl. "Wij mogen mijnen man bezoeken. Wanneer, wanneer, als 't u belieft?"

"Vandaag nog, indien gij wilt."

"Ach, geve God dat ik hem gezond vinde!"

"Hij is gezond, vrouw."

"Hebt gij hem gezien, Mijnheer?"

"Ja, dezen morgen."

"Moeder, kinderen, die heer heeft vader gezien, dezen morgen! Hij is gezond! O, welk goed nieuws! Wat geluk, wat geluk!"

De substituut had intusschen zijne brieventasch uitgehaald en schreef iets daarin met een potlood. Hij reikte welhaast een kaartje tot de vrouw en zeide:

"Weet gij waar het gevangenhuis is?"

"Ja, mijnheer, ik ben in de stad geboren en heb er lang gewoond."

"Welnu, gij trekt de bel aan de poort en toont dit kaartje aan den man, die zal openen. Onmiddellijk zal hij andere bedienden roepen, om u tot uwen man te leiden. Blijf dus getroost en hoop, dat uw man, indien hij—zooals ik geneigd ben het te gelooven—onschuldig is, door het gerechtshof zal vrijgesproken worden."

Hij wenkte zijn rijtuig en stapte er in. Terwijl hij vele handen dankend tot zich uitgestrekt zag en de arme lieden nog een aanmoedigend teeken deed, riep hij tot den koetsier:

"De zweep op de paarden! Naar Bolderhout met allen spoed! Zet mij af bij het kasteel van mevrouw Van den Heuvel."

Lang bleef hij denkend. Waarschijnlijk overwoog hij, hoe het gerecht, om de schuldigen te kunnen treffen, ook nu en dan onschuldigen moet doen lijden. Meer en meer groeide in hem het vermoeden, dat Jan Verhelst de waarheid verklaarde en de barreelen had gesloten ... maar wie kon het bewijzen? Geene andere getuigen bestonden er dan de slachtoffers alleen. De koetsier was op den slag dood gebleven, en de notaris zou misschien nu insgelijks bezweken zijn. In dezen droevigen toestand der zaken kon het wel gebeuren, dat de arme baanwachter, schuldig of onschuldig, door het gerechtshof veroordeeld werd.

Die gedachte pijnigde hem; zijn gelaat versomberde, en een diepe zucht ontsnapte zijne borst.

Welhaast echter schudde hij het hoofd, terwijl een lichte spotlach op zijne lippen kwam zweven.

"Een substituut, die lijdt en treurt om het lot van eenen verdachte!" mompelde hij. "Moest men het gemeen gevoelen aannemen, dan zouden wij voor zulke dingen geen hart hebben. Zijn wij dan in ons lastig ambt geen menschen gebleven? Ha, wel dikwijls is de strenge plicht ons bitter!... Ik weet niet waarom ik zulke toeneiging voor den baanwachter gevoel.... Zijne blinde moeder, zijne kinderen, zijne moedige daad van opoffering misschien? Hoe het zij, mij dunkt, dat ik met geluk zijne vrijspraak zou vernemen; maar alles zegt dat...."

Daar kwam bij den ommekeer der baan eene tilbury aangereden. Groetende, deed de substituut een teeken tot den persoon, welke er in gezeten was.

Beide rijtuigen bleven staan.

"Goeden dag, burgemeester," zeide de substituut. "En de notaris? Leeft hij nog?"

"Zeker, heer substituut," was het antwoord; "hij is beter sedert dezen morgen."

"Beter!"

"Ja, veel beter."

"Is hij bij zijn verstand?"

"Het schijnt, want hij heeft reeds gesproken en zijne vrouw en kinderen herkend."

"God zij er om geloofd! Wij zullen dus weten, hoe het ongeluk is geschied. Burgemeester, heeft men hem daarover geene uitleggingen gevraagd?"

"Dit zou ik niet kunnen zeggen."

"Ha, ik zal het straks weten!... Goede reis, burgemeester."

De beide rijtuigen hernamen hunne onderbrokene vaart.

"Recht naar het huis van den notaris Vereecken!" gebood de substituut zijnen koetsier.

Een half uur later stapte hij af vóór de schoone woning van den notaris en vroeg den knecht, die hem opende, of hij Mr. Frederic niet zou kunnen spreken.

De substituut moest hier wel bekend zijn; misschien was hij een vriend des huizes, want de knecht leidde hem zonder andere plichtplegingen in den tuin en zeide hem:

"Ginder verre, onder den treuresch, zult gij Mr. Frederic vinden; ten minste hij zat daar nog op de rustbank, nu pas vijf minuten geleden."

Inderdaad, toen de substituut ten einde van een lang kronkelpad was geraakt, zag hij den oudsten zoon van den notaris in het lommer zitten onder de neerhangende twijgen van eenen esscheboom.

De jongeling scheen in gedachten verslonden; doch niet zoohaast ontwaarde hij het gerucht der stappen van eenen naderenden persoon, of hij stond op. Met eenen minzamen glimlach reikte hij de hand tot den substituut en riep verblijd:

"Goeden dag, heer Masmans; er is gelukkig nieuws vandaag!"

"Men heeft mij dus de waarheid gezegd? Uw vader is beter?"

"Veel beter, God zij dank! Hij zal genezen, zegt de dokter.... Kom, heer substituut, zet u wat neder in het lommer; wij zullen dus op ons gemak kunnen kouten. Mijn vader slaapt nu."

Nevens den jongeling op de bank gezeten, vroeg de substituut:

"Mij is gezegd geworden, dat men gisterenavond in allerhaast den priester bij uw vader heeft geroepen. Dit was een valsch gerucht?"

"Toch niet, substituut. Sedert het schrikkelijk ongeluk had mijn vader zonder beweging gelegen. De dokter meende, dat hij in de hersens was getroffen en zachtjes zou sterven, zonder uit zijnen loomen slaap op te rijzen. Gisterenavond scheen mijn vader eensklaps te ontwaken. Hij keek in het ronde en aanschouwde ons met verbaasdheid als iemand, die tot bewustzijn terugkeert. De dokter sprak van eene opperstecrisisen deed den priester halen. Wij verlieten de kamer. Langen tijd daarna mochten wij weder het ziekbed naderen. Mijn vader lag met de oogen open, en, alhoewel zijn blik nog verdwaasd was, lichtte van tijd tot tijd daarin iets als eene genster van verstand. Eindelijk begon hij insgelijks onduidelijke woorden te morren; mij dacht zelfs eens, dat hij mijnen naam stamelde. Maar de dokter had ons verboden te spreken of eenig gerucht te maken. Wij konden wel bemerken, dat mijn vader nog immer zwaar van hoofd en zeer sluimerig was. Ook viel hij te midden van den nacht in eenen diepen slaap, welke nog immer voortduurt. De dokter is lang wakend bij zijn bed gebleven en heeft ons met blijdschap gezegd, dat dit sedert de ramp nu mijns vaders eerste natuurlijke slaap is. Hij verzekerde ons, dat mijn vader bij zijn ontwaken veel klaarder van geest zal zijn en ons allen ongetwijfeld zal herkennen."

"Alzoo heeft uw vader nog niet duidelijk gesproken?" mompelde de substituut in gedachten. "En gij hebt hem nog niets kunnen vragen?"

"Wat zou ik hem vragen? Gij zegt het zoo zonderling!"

"Ja, Frederic, hij is de eenige nog levende getuige van het ongeluk op de spoorbaan. Hij alleen kan verklaren, hoe het is gebeurd."

"Maar, substituut, het is klaar als de dag!" riep de jongeling. "De baanwachter heeft verzuimd de barreelen te sluiten."

"Dit is niet zeker."

"Hoe niet zeker?"

"Overweeg, Frederic, dat hier de eer en de vrijheid van eenen armen huisvader op het spel staan. Men mag niet oordeelen zonder stellige bewijzen."

Deze bemerking scheen den jongeling spijtig te maken en te kwetsen; verwonderd viel hij uit:

"Gij verdedigt den schuldigen bediende, die een moord beging door zijne verzuimenis, die mijnen vader op den boord van het graf heeft gebracht en hem gedurende acht dagen als een martelaar deed lijden?"

"Ik verdedig hem niet; maar ik ben niet overtuigd van zijne plichtigheid."

"Had hij de barreelen gesloten, zooals hij het beweert, hoe kon dan het ongeluk gebeuren?"

"En indien iemand de barreelen had geopend?"

"Dit is niet mogelijk, substituut. De baanwachter is gehouden, de barreelen toe te schuiven eenige minuten slechts vóór den doortocht van den trein. Het was een ijselijk weder; het donderde en hagelde, als zou de wereld vergaan. Alle menschen hielden zich met angst verscholen. Wie zou dan uit enkel vermaak den storm getrotst hebben om de barreelen te gaan openen? Jan Verhelst had geenen enkelen vijand. Vóór het ongeluk was hij door iedereen geacht en bemind. Neen, neen, hij is schuldig. Ter oorzake van het schrikkelijk weder is hij in zijnen waggon gebleven en heeft door zijne laffe nalatigheid mijnen vader en onzen koetsier doen verongelukken."

"Laat ons hopen, Frederic, dat uw vader zal genezen. Hij alleen kan uitspraak doen over het lot van den armen baanwachter."

"Maar, substituut, mijn vader zal niets weten te zeggen dan dat de barreelen open waren. Gij begrijpt het immers wel? Anders toch zou onze koetsier de tilbury niet over de spoorbaan gevoerd hebben. Ik ben wel overtuigd, dat de rechters den trouweloozen baanwachter zullen veroordeelen."

"Misschien! Bij gebrek aan getuigen blijft er immer twijfel."

"Ha, dit zou ik willen zien, dat men zulke schuldige nalatigheid ongestraft liet! En om zeker te zijn, dat men de plichtigheid naar behooren zal pleiten, wil ik mij tot burgerlijke partij opwerpen en eenen beroemden advocaat aanstellen om wraak te eischen tegen hem, wiens verzuimenis de oorzaak is van het bloedig ongeluk."

"Dit zou ik waarlijk niet doen, Frederic," zeide de substituut, het hoofd treurig schuddende. "Indien de rechters den baanwachter vrijspreken, zal het ongetwijfeld zijn, omdat zijne plichtigheid niet genoeg is bewezen. Verschrikt u de gedachte niet, dat gij eenen onschuldige zoudt kunnen doen veroordeelen?"

"Maar ik acht mij overtuigd, dat hij de barreelen heeft opengelaten!"

"Heb toch eenig medelijden met zijne blinde moeder en met zijne ongelukkige kinderkens! Ach, haddet gij als ik die arme lieden gezien, hopeloos, weenend, klagend...."

"Ik heb ze gezien, substituut. In het geheim heb ik mij tranen uit de oogen geveegd, tranen van medelijden met het lot van zijn onschuldig huisgezin, bovenal met het lot van zijnen zoon Sander, een goed en verstandig kind, dat wij allen liefhadden. Maar ik heb de deernis in mijn hart versmacht en geweld op mij zelven gedaan, om een baanwachter te kunnen haten. Heb ik niet eenen onverbiddelijken plicht te vervullen jegens mijnen vader, jegens onzen dooden knecht, jegens de gansche samenleving? Zou men zulke moorddadige verzuimenis ongestraft laten en dus medewerken om de rampen op de spoorbanen talrijker te maken?..."

Hij werd in zijne bitsige rede onderbroken door de komst eener dienstmeid, die hem met blijdschap zeide:

"Mijnheer Frederic, uw vader is ontwaakt; hij is veel, veel beter! Hij zoekt u met de oogen en murmelt uwen naam."

"God zij gezegend!" juichte de jongeling. "Ik kom, ik kom!... Heer substituut, gij begrijpt, niet waar? Ik moet u verlaten."

"Mag ik hier wachten op eene goede tijding?" vroeg de substituut. "O, mij verblijdt het meer dan ik u zeggen kan, te mogen gelooven dat uw vader zal genezen!"

"Blijf, blijf," riep Frederic, "heb geduld, laat de tijd u niet vervelen; ik zelf zal u komen zeggen, hoe het met mijnen vader gaat!"

En bij het uitspreken dezer laatste woorden verdween hij achter eene looverrijke bocht van het kronkelpad.

Gedurende tamelijk langen tijd bleef de substituut in den tuin rondwandelen.

Eindelijk zag hij Frederic komen, die reeds uit de verte hem met de hand wenkte.

"Welnu, hoe is de toestand uws vaders?" vroeg hij, toen hij hem genaderd was.

"Goed, goed," kreeg hij ten antwoord, "mijn vader is bij zijn verstand!"

"En hebt gij hem niet van het ongeluk gesproken?"


Back to IndexNext