Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten zoover als het oog reikt, met hier en daar wat dof-groens van eenzame sparreboompjes en een rooden gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag de wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijke Brabant, onder de dampen die 't zonlicht zeefden, vaal-donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. Om 't noorden en westen, in strak-rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in 't zuiden, tusschen de hei die in mistige verten verdween en donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.
De vér, vér blauwende hemel toch één met het liggende land, door de stilte, die groot was, heerschte, altijd-durend. Het knerpen der krekels, noch 't vinkengetjielp, noch 't regelmatig geroep van één eenigen vogel, die hoog door de lucht heen-en-weer scheerde, konden haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast-aardenen weg, naar het dorp toe.
Een groot-opene, óver-lichte najaarsdag, zon zonder hitte, weinig wind....
In 't hart van het dorp wat meer geluiden..., tóch stil nog, want iedere klank had tijd te versterven. Om twaalf uur sloeg de torenklok, en kwamen de kinders uit school op hun klepprende klompjes. Ze babbelden, lachten luid-uit, gierden spelend, gingen toen ieder z'n eigen weg.... Het dorp bestond uit een enkele straat, geklinkerd en zonder boomen, en daar omheen nog wat op-zich-zelf-staande huizen en hoeven. In een van die weinig verspreid staande bouwsels van steen en hout was de woning van veearts Van Biesen.
Hij was alweer thuis, de stoere oude-heer, de lange, gebaarde man met den stalen bril, bekend in een omtrek van mijlen en mijlen. Hij was dien Zaterdagmorgen—als altijd trouwens—om vijf uur al klaar in de kleeren geweest, en hij had al heel wat hotsend gerij op z'n karretje, en al heel wat geduldig gepraat met de hoofdige, dom-slimme boeren achter den rug, toen hij te kwart voor twaalven was binnengekomen, het vierkante voorkamertje in, waar het pintere vrouwtje, lezend-en-breiend, te wachten zat, de korte, gedrongen figuur met het glad-witte haar en de waakzame oogjes. De koffie dampte geurig de tuit uit, en breede plakken gesmeerde mik lagen klaar op het bruin-beschilderde bordje, waar de ruime rieten leuningstoel stond vóórgeschoven.... Geen pantoffels, geen pijp, daar niets van voor 's avonds. Straks moest hij er weer op uit, naar zijn eigen beesten, zijn bongerd, zijn moestuin....
Even had ze gevraagd naar een paar arme menschen en zieke dieren, waar ze wist dat hij over te piekeren liep, en had hij geantwoord, met z'n korte schouder-opstooting, en een stuk-of-wat brokken zin van afgebeten beslistheid. Maar verder hadden ze elkaar niet veel te vertellen: hij las nu de krant, en zij, die de nieuwtjes al wist, keek, breiende, soms even op naar zijn lezend gezicht, naar de lijn van z'n blik, om na te gaan zóó, of hij dit al gezien had, daar al kon zijn.... Dan kwam er ook wel eens een korte uitroep, rauwschor als een hoest, uit den dadelijk weer manlijk-gesloten mond—de geschoren bovenlip, aardkleurig, stond strak en hard—en zij, áltijd begrijpend, glimlachte zwijgend, nam langzaam een teugje van stil genot uit haar koffiekop. Zijn groot gezicht, dat doorgaans een weinig verwonderd stond, werd haast niet vertrokken; er zat niet veel plooibaarheid in; het was als van oud gebarsten leer en weerzoorige haren. Maar toch, als de vrouw, over 't kopje heen, met haar nóg jonge stem, zoo leuk-weg even wat zei, over dit-of-dat uit de krant wat ze samen nu wisten, kwam hij 'n oogenblik los, in een zwaren, keelgeluidenden lach-stoot en daverend: ja!..., dat al de hoeken van 't vierkant vertrekje in éénen vulde....
Zoo zaten ze nog toen bekende stappen door 't gangetje gingen, en binnen kwamen, 't Was de schilder. Hij had z'n gewonen, bedaarden tred en een strak gezicht, als was het niets onverwachts dat hij er weer was. Hij gooide z'n jas en hoed in een hoek, zei goeien-morgen, gaf dadelijk elk een hand.... De oude man was opgesprongen, keek hevig verwonderd over z'n bril. "Hè.... Wat 's dat nou?... Ben jij daar alweer?..."
"Hemelsche goedheid, meneer Holman, wat is er gebeurd? Je ziet er uit als een geest," zei z'n vrouw tegelijk, ook halfweg van haar stoel opgekomen in 't schrikkende kijken naar Paul.
"Ja, daar ben ik weer!... En er is niks gebeurd, hoor!... Houd je gemak, tante Katrien, ik kom bij je zitten en drink een kop koffie.... Heb je ook nog een paar botrammen voor me?... Ja!... Ik kon 't zoo lang zonder jelie niet stellen, hè.... En ... nou, daar in Rotterdam konden ze me ook eigenlijk best missen, die heeren en dames...."
"Zeg 's," vroeg Van Biesen, als had hij niets verstaan, bezorgd en op gedempten toon, "je hebt toch geen zwarigheid?'
"Ik? wel nee!... Wat zwarigheid?... Ik moet weer aan 't werk, dat is alles.... Dat geluibak en feestgevier...., och! dat 's nou wel 's aardig voor 'n dag of wat, maar 't moet vooral niet te lang duren, hè?... 'k Kon daar natuurlijk geen slag uitvoeren..., en wat is een man zonder z'n werk...?"
"Ja!... Waarachtig!..." schorde 't weer langs de balken van 't kamertje, "dáár hè-je meer dan gelijk in!"
Maar Van Biesen gluurde schuins naar z'n vrouw, terwijl Paul op z'n plaats aan de tafel ging zitten, en hij zag dat ook zij haar bezorgden blik niet af-bracht van 't bruinig-bleeke gezicht met de diepe, zwaarmoedige oogen. Nu keek ze haar man ook even aan, en deelden ze elkaar zwijgend hun onrust mee....
Maar ze vroegen niets; de Juffrouw schonk met besliste vlugheid van praktisch bewegen en zorgzame aandacht Paul een kop koffie in, ging toen naar de kast om een ei te krijgen en 't vleesch dat van gisteren over was,—wat Paul haar ook toeriep van alsjeblieft geen moeite te doen—, ze gaf daar geen antwoord op, zette het vleesch en het peper-en-zout-stel op tafel, haar oud gezichtje ernstig-nadenkend onder het witte, in 't midden gescheiden haar, ging toen naar de keuken om 't ei in den ketel te doen.
De veearts intusschen sprak op z'n los-korten toon van wat er gebeurd was, die week—'t was feitelijk een afdoend verslag van wat hij, na afspraak met Paul, had gedaan voor een paar arme gezinnen, maar 't klonk als zoo enkel wat nieuwtjes—en hij zei dat deze en gene al naar den schilder gevraagd hadden, of hij soms ziek was.... Hij eindigde lachend: "Ja, ja baas, je bent hier bekend!... als de bonte hond ... in de gansche buurt.... Nou, dat wéét je ook wel, hè?"
En hij lachte nog eens, schoerschokkend, zonder geluid, maar keek toen strak naar Paul, die onverschillig zat te wippen en maar even, flauwtjes, geglimlacht had.
"Ja!... en de koe van ouwe vrouw Pappel is dood," zei Van Biesen weer, na een poosje....
"Zoo!..."
"Beroerd jammer!... Je weet, de eenige die ze had..., hè?"
"Ja!..."
Paul keek recht voor zich heen, door het raam, naar het perkje met asters en dahlia's. De veearts haalde z'n schouders op. "Hier! wil je 'n stuk van de krant?" zei hij enkel nog, ging toen zelf ook weer door met lezen in een ander blad....
Paul dronk z'n koffie, at z'n brood met vleesch, langzaam, in zwijgende abstraktheid, wou toen, in-eens gejaagd en haastig, naar zijn kamer gaan, zei enkel: "Nou! tot straks!"
Maar de juffrouw riep hem na: "Zeg, mijnheer Holman, waar heb je je valies toch gezet?... Ik zag 't niet in de gang...." En Paul, terugkomend: "O!... ja!... dat's waar ook!... dat ding heb ik in Rotterdam aan 't station laten staan!... Gek genoeg!... 'k Heb er al om geschreven, uit Breda; ... dáár heb ik van nacht gelogeerd, zie je!... Nou!... 't Zal wel terecht komen.... En anders is 't nog niet erg!..."
Hij was weg, en de beide oude menschen keken elkaar aan; de veearts zette een vierkanten mond, en trok z'n wenkbrauwen nog hooger dan ze al stonden. "Dat's niet in den haak, hoor!" zei hij zacht.... "Hè ... Wàt?..."
Zijn vrouw gaf niet dadelijk antwoord, ze keek bedrukt voor zich heen, terwijl ze, opruimend, heen-en-weer bleef gaan tusschen 't lage kastje en de tafel; maar even later stond ze stil naast haar man, die alweer las, en fluisterde met wijzen naar de deur: "Weet je wat die heeft?... Verdriet!"
"Kom, kom!... 't Zal wel zoo'n vaart niet loopen," zei Van Biesen, "maar ... wat zou 't kunnen zijn?..."
Zij haalde enkel haar schouders op, keek zeer ernstig voor zich, ging door met opruimen....
Paul was eerst, de gang door, naar z'n kamer geloopen, een vertrekje achter in het huis, dat door twee ramen uitzicht op den moestuin gaf. Hij gooide z'n overjas en z'n ronden hoed op z'n bed, trok ook z'n zwarte jaquet uit, smeet dat er slordigweg bij, ging zich toen met nerveuse haast gezicht en handen wasschen. Daarna schoot hij een verkleurd-gelig linnen buisje aan, nam z'n ouden stroohoed, en liep den tuin door naar de ruime schuur, die hij daar zelf gebouwd en ingericht had als z'n atelier. Daar ging hij dadelijk voor een ezel zitten, zette er 't eerste-'t-beste stuk papier op, dat hij vinden kon, en nam z'n krijt.... Maar toen hij wou beginnen kwam er aarzeling in z'n actie..., bleef hij een poos met slap-neerhangenden arm strak staren op het papier....
Hij had zich van-morgen, onderweg, beloofd—en was er hevig naar gaan verlangen—dadelijk als hij op z'n atelier zou zijn, haar portret te teekenen, haar mooi, ovaal gezicht, dat hem van uit de schemering zijner droom-gedachten aldoor aanzag met dien trek van weemoed, die expressie van vruchtloos zoeken en gepeins..., om 't zoo opnieuw te zien, niet enkel in herinnering, maar verstoffelijkt, om het den heelen dag te kunnen zien, en 't ook—maar dat jongensachtig doel dorst hij zich niet vrij-uit bekennen—te kunnen kussen.... Hij was heel zeker dat zijn hand er toe bij machte zijn zou vast en volkomen de lijnen van haar strak, in heldere heugnis, vóór hem staande hoofd te trekken.... Maar al dadelijk, de eerste ruwe schets, was niets, werd fel in-één-gefrommeld, weggegooid; hij greep een nieuw stuk, korrelig grijs papier, begon weer.... Neen! 't voldeed hem niet!... Vreemd, vreemd, hij zag haar toch zoo zeldzaam puur omlicht, zoo toover-glanzend voor zich staan!... Tot bitterheid toe stelde 't hem te leur.... Een derde schets gelukte al evenmin....
Toen stond hij op, in driftige gejaagdheid, ging door z'n werkplaats heen-en-weer; het hoofd voorover, grabblend in z'n zakken, liep hij mompel-vloekend uit te razen.... 't Was verdomd geen wonder. Wat kon hij eigenlijk? Niets!... Niets lukte hem ooit heelemaal.... Niets werd zooals hij 't had gedroomd, niets, niets, niets!... O! ellendig was 't..., een wanhoop, wanhoop!...
Hij wrokte; martelde zich weer met zelfverwijt..., hij leefde ook weer al het lange leed door van zijn reis hier-heen, dien avond in Breda, en toen dien nacht, dien eindloozen, dien donkren, weeïg-warmen nacht, in dat verwenschte veeren bed, dat was als weeke wellust-armen om hem heen, als zoetige zoenen op zijn smartenlijf.... Hij was ten slotte op een stoel gaan zitten, maar z'n lijf was als besmet, fel brandend van lage begeerte, een walg..., en dan zij, zij aldoor naast hem, achter hem, zoodat hij 't ruischen van haar rokken hoorde, en ééns ook vóór hem, de armen uitgestrekt, en lachend, lachend..., maar niet naderkomend..., en hij was machtloos, lam, kon zich niet roeren!... Met een rauwen gil was hij ontwaakt uit dat visioen, maar 't lag hem nog als looden massa op z'n borst, zijn mond en lippen schroeiden droog als hij er weer aan dacht....
Zóó was die nacht geweest, één marteling van onbemeesterde gedachten, wreede droom-gezichten.... En in den harden, nuchter-lichten en leegen morgen was dat plan, waardoor hij dan toch iets van haar-en-van-hemzelf zou hebben, voor zijn als stuk-getrapt gevoel een lichte troost, een soort van verheuging geworden.... Moest dat nu óók mislukken....
Hij zat weer voor den ezel, voor een verschen lap papier, en nu met angstige voorzichtigheid, en, door den strak-onafgewenden blik, fel-stekende oogen, beproefde hij opnieuw te schetsen wat hij zag van haar fee-mooi gezicht.... Dit was wat beter!... Ja, waarachtig, nu zou 't gaan!... Althans zoo ver als 't nu was kon hij 'r vree mee hebben..., nu vooral voorzichtig, scherp gespannen speuren in herinnering, het stil bewegen van zijn hand volkomen meester zijn, onmiddellijk uit z'n ziel besturen.... Een tijd lang zat hij zoo, in moeilijk ademende aandacht, door te teekenen..., telkens huiverend.... Want 't kwam er in!... Ja!... Ja!... Het kwam er in; nu 't haar nog, de reine blankheid van het voorhoofd met het donker haargekroes omlijsten....
Daar aarzelde hij weer..., bleef met z'n hoofd voorover in z'n handen, weer een uur lang over Annie zitten mijmeren...; hij dacht aan dingen, die zij had gezegd, liet zich doorklinken van haar stem, had er zijn smartelijk genot van.... Eindelijk lichtte hij z'n hoofd weer op, dacht dat het nu weer gaan zou, keek opnieuw de teekening aan ... en schrok!... Want neen! ze was het toch weer niet..., de gelijkenis was maar oppervlakkig, was niet echt en diep.... Door z'n weg-zijn uit z'n handen werk, zijn diep in geestessfeer met haar verkeeren, was haar verschijning in hem als gepurifieerd, en zoo van levensgloed, van ziel doortrokken, dat het grauw papier nu mat en dood, in onuitstaanbare wezenloosheid vóór hem lag....
Meen, op papier zou 't nooit iets worden..., maar misschien op doek.... Toch bleef hij er lang op kijken, leefde zich opnieuw er in..., 't had toch wel iets goeds.... Hij zou 't niet weg doen, kon 't misschien gebruiken voor z'n schilderij....
Maar, God, o God! de oogen!..., die werden 't nooit!... Och neen!... 't Is ál illusie!.., je kunt de ziel niet schilderen....
Hij voelde nu z'n onmacht diep, was er geslagen door, bleef langen tijd, stil, werkloos, roerloos zitten. De schemering spookte al langs den planken-muur, en spon zich webben in de hoeken, terwijl hij daar nog zat; hij merkte niet dat 't middaglicht verging, dacht dat alleen die teekening aldoor matter werd. Hij zuchtte..., zuchtte.... Hij voelde zich als door een onafschudbaren last gedrukt, z'n handen niet in staat een lijn te trekken....
Geluiden die van buiten kwamen merkte hij niet op; 't werd de gewone tijd voor 't avondeten, maar hij wist het niet. Toen stond in-eens de veearts achter hem, vroeg: "Zeg, waar blijf je?..."
Erg gestoord en wrevelig stond hij op. Het was niets vreemds, Van Biesen kwam wel meer hier, hoefde niet te kloppen; tóch vond Paul er nu iets onbescheidens in.... Ook viel 't hem in hoe de ander door dat vrouweportret misschien begrijpen zou....
"O ja! ik kom," zei hij, verward, "óf ... toch eigenlijk nog liever niet;... laat mij maar zitten.... Ga jelie maar je gang intusschen...."
"Zoo!..."
Maar de oude man bleef staan, begon weer, na een oogenblik van stilte: "Zeg ... je mag natuurlijk zeggen dat het me niet raakt, maar..., ik zie het bliksems goed ... jij hebt wel degelijk zwarigheid, hoor!... En ... ne ... als ik je soms helpen kon met raad of daad.... Verduiveld graag, dat weet je toch, hè?"
De schilder, in z'n bitterheid, glimlachte smadelijk. "Mij helpen?... Waaraan?... Ik ben geen zieke ezel!..."
Hij schaamde zich er dadelijk over. Wat 'n gemeen soort hatelijkheid was dat daar, dacht hij, en hij dorst met op te zien naar die, zoo welbekende, oude oogen. Van Biesen had maar even in z'n baard gegrinnikt. "Nog geest voor een mop, dan is 't ook nog zoo erg niet," zei hij. "Geen zieke ezel!... Maar ... ben je daar wel zoo zeker van?..."
Als werd hij op iets kleins, iets lafs betrapt, zoo kwam nu over Paul een blindende verwardheid en beschaming..., hij voelde, weeïg warm, zich blozen, mompelde: "Hè?... Wat?... Wat meen je daarmee?..."
Toen lei de oude man in-eens z'n groote hand vertrouwlijk op Pauls schouder: "Staat je verdriet soms in verband met dat portret.... Wie is 't?..."
En Paul, klein als een kind dat voor z'n vader staat: "Dat is ... m'n broer z'n bruid...." Hij snikte een paar maal, droog en hevig, op dat zeggen....
Toen was er een stilte. Op Van Biesen's leerig-oud gezicht kwam iets als blos, en ernstige bezorgdheid in zijn harde trekken. Als in verwarring ging hij zitten op een houten bankje dat daar stond, naast Paul, schoof heen-en-weer, zei toen met grove stem van tranen-in-de-keel: "Ik ben, verdomd-nog-toe, nou altijd even lam onhandig, hè? Kom!...Zeg!... Holman!... Arme kerel!..."
Plotsling dan, z'n zware hoofd voorover in z'n handen, snikte Paul, traanloos, met heftig schokken.... O God, o God! daar was het weer! 't beklag..., en hij had het verdiend.... Waarom, waarom zich ook verraden!... Nu was hij ook al niet meer trotsch-alleen met z'n verdriet.... Afschuwelijk om beklaagd te worden, als je sterk bent!... O! 't verslappende, verlammende beklag!... En, in-eens, met bijna woestheid, sprong hij op, riep: "Niets!... Niets! niets! 't is niets!... 't Is gekheid, allemaal nonsens hoor!... Aanstellerij!... Niet op letten, Van Biesen!... 'k Ga met je mee.... En dan drinken we nog samen een kroes bier, hè?..."
't Was vroeg in den Zondagmorgen toen Paul Holman, zelf met zich dragend wat hij noodig had, z'n bankje, een kleinen schildersezel, en een doos gerei, langs den kortsten weg—dat is dwars de hei door tot hij aan den rijweg kwam—op 't pad ging naar dat huisje van vrouw Pappel, een kleine hoeve in de buurt van 't groote dorp, 't stoomtramstation en middelpunt van 't boerenleven daar. Vroeg in den najaarsmorgen—want hij wou er een langen dag van maken, een grooten dag-vol-werk, met één wilskrachtige poging zich daar wég in leven, zich brengen in een roes, een koorts van werk,—zoo'n stemming die soms dagen, weken duren kon, waarin hij enkel dóór en vóór zijn werk bestond, er gansch verdiept en in begraven was.... Hij kende ze al zoo goed en lang, die uren van niet weten wat voor maand of jaar het is, en of hij al gegeten had vandaag, of niet, die snel-weg-terende uren van diep-hevig-leven;—alleen je innerlijkste leefde dan, het andere ging wel mee, werktuiglijk.... Genot was 't niet altijd ... en toch.... Vol barenswee meestal, vol wrange smart en schrijning door dat nooit volkomen slagen ... nooit! nooit!... Tóch genot!... Mysterie!... 't Was een hooge lust ... en bijna wanhoop ... een lijden, zwaar van zoetheid ... onweerstaanbaar boeiend....
Zóó ... ja!... zóó wilde hij weer werken, in zoo'n roes, niet weten of er ergens een stad Rotterdam bestond, of hij nog een broer had, of een moeder..., en ook morgen zoo, en overmorgen.... Overmorgen!... God! hoe dreigde toch die dag nog, met verfijnde marteling en stommen hoon!...
De zon klom snel in 't oosten. Het werd als gisteren weer, zoo'n stil-groot-lichte dag; vaal lila-bruin de hei, die lag te dauwen,—vluchtige, stoom-witte wolkjes, op een zuchtje van den wind verstuivend.
Recht boven 't land stond de open hemel, strak, star-helder blauw, maar in de wijde welving waziger, ook aan den zonkant, waar de damp hel sprankelde in gloeiing,—de westerhorizon was grijzig wit als hing daar rook van smeulend hout....
Klokgeklep, van verre, trillend, 't eenige geluid, en teeken dat het Zondag was....
Paul ondervond van tijd tot tijd een kleine blijdschap, licht schokje van genot door 't zien en hooren,—'t was vooral een soort herinnering aan vroegere vreugde, wijd geluk, dat door zijn onrust nu niet mogelijk was. Even hoorde hij ook soms het lichte sissen van z'n stappen door het vochtbedauwde, tot een week tapijt opééngedrongen heigewas; hij keek er dan een oogenblik bewust op neer, en liet zijn mijmeringen gaan langs al die ongetelde duizenden, die wereld-op-zich-zelf van kleine plantjes, elk zoo nietig in 't enorm geheel, en tóch een wonder door z'n pracht van bouw en zuivere vormen-regelmaat.... De erica kwam, half verdroogd, mosachtig rossig-lila, overal het hoogst, met gracelijk, fijn-geestig takgewar; wel was er ook nog heel wat groen—als je 'r zoo recht op neerkeek—en ook blauwig grijze, paarse en terra-cotta-roode tintjes schoten naar voren..., maar een eindje voor je uit, en dan de wijde hei langs, verder, verder, zoo ver je zien kondt golfde en glooide vaal dat lila-bruin, die kleur van najaarsweemoed en berusting...; Paul vond den toon terug in z'n gepeins.... Telkens snoof hij ook, met halfbewuste willigheid, de geurig frissche morgenkoelte op, die héél licht prikkelde en helderheid deed stijgen naar z'n hoofd.... Soms liep hij plotseling recht..., ging dan weer meer en meer gebogen, zijn stappen ongelijk, gejaagd.... Er woeien hem genietingsvlaagjes aan van zoo met hei-natuur alleen te leven, zoo voort te gaan in zuivere morgenlucht ... en te voelen in z'n borst een vast omlijnd van-plan-zijn, dat uit z'n kunstnaarskeus-en-wil geworden was....
Maar in z'n meer bewust gedachten-leven, z'n druk bedrijvige verbeeldings-werkplaats, was hij altijd weer met haar in Rotterdam, bedacht waar ze vandaag zou zijn en wat ze doen zou—hij wist, er was alweer een feestlijkheid, bij een van de ooms—, of ze daar hem zou missen?... of ze niet verbaasd geweest was door z'n plotsling weggaan; en z'n verschijning in den schouwburg, wat ze daarvan denken zou?... De waarheid zeker nooit! Hoe zou ze?... 't Was zelfs de vraag nog of ze'm werkelijk had herkend....
Dan weer vergingen al die bijgedachten, was 't enkel zij, zij-zelf, waarvan hij was vervuld, zag hij haar oogen, heel haar teer-mooi aangezicht, ruig-donker haar, de meisjes-buste en het slank-veerkrachtig gaan, de golving van den rok..., en wist dat hij dat altijd zóó zou blijven zien visioenen voor z'n geest, het nooit vergeten, nooit één uur.... Hij wou 't ook niet, dat niet.... maar 't andere, 't bittere brok, het denkbeeld dat zij nooit van hem zou zijn, dat ging hij nu begraven in z'n werk..., z'n eigen, innig-aangehangen werk.... De smart om haar, die ging hij nu vergeten..., want in de sfeer, waarin hij straks weer leven zou, bestond dat niet, was alles strak, gepurifieerd, idee, en ideaal..., was hij de meester, alles objectief....
O! z'n werk, zijn kunst!... Z'n gansche wereld, heel zijn leven zou 't weer zijn voortaan... 't Zou dan toch eindlijk worden wat hij altijd wou, een zuivere spiegel van zijn ziel-en-de-natuur...; die samen één...; er was geen grens.... Want de natuur, de dingen buiten....
Maar hij was nu op den rijweg, die, naar weerszij glooiend, tusschen volle, laag-getakte boomen lag in glans-goud-licht van zon op vochtig-gele blaren, daar als overstroomd van.... De wind ging er ruischende langs, en duizend zonnevlekken tintelden en speelden met de lila-blauwe schaduwen. De boomen ook waren heelemaal geel, rijk-vol van blaren; er was nog weinig najaarsstorm geweest.... En vluchten vogels, vele vinken, bontgestaart, beweeglijk in de zon, die trippelpootten, zwermden op, de ritselende boomen in, en achter hem weer neer,—ze tjielpten, tjielpten onophoudelijk.... Het was een feest van najaarskleur en zuivere atmosfeer van lichten herfstdag. Paul was er plotseling door verrast, de gang gestuit van z'n gemijmer; een paar maal haalde hij diep adem, met groote oogen blikkend om zich heen, en bijna-blijdschap; een zonnig beeld van louter zaligheid was in z'n hoofd: hier zijn met haar, haar in zoo'n laan te zien!...
Toch was hij te gejaagd om stil te staan of langzamer te loopen, had hij 't gauw bereikt, het kleine huisje waar vrouw Pappel woonde....
Een half uur later was hij al aan 't werk. Hij had het afgesproken met vrouw Pappel. Hij zou haar oude leege schuur uitschilderen, den zoogenaamden stal, en wat daarachter en op zij lag, en van de opbrengst van het stuk—want rijke menschen, gek genoeg, betaalden dikwijls groote sommen voor zoo'n ding—zou mogelijk wel een nieuwe koe bekostigd kunnen worden.... Eerst dacht ze dat ze beetgenomen werd, het oude, veel geplaagde vrouwtje, een koe voor een portret van al dien ouden rommel daar, het was te wonderlijk!... maar ten slotte gaf ze zich toch aan de illusie, begon den schilder te vertrouwen, ging, in-eens toen, huilen van plezier.... Een koe..., een nieuwe koe!... Ze zou mijnheer dan nou maar vast bedanken....
Hij zette 't simpele geval eerst op zooals hij 't dadelijk al van plan geweest was, toen de koe nog ziek lag in den stal..., het wrakke, schemerende schuurtje met de open deur, links, vlak vooraan, de boomen er langs en er overheen, en dan daarnaast een groot stuk horizon, een mooi-gebogen verre horizon van hei..., het wijd stuk land in overvloed van licht.... Het was weer net een geval voor hem, hij nam ze veel zoo; 't was er hem dan om te doen z'n vreugde over 't wemelende licht te temperen met weemoed, 't neerzilvrend hemel-glanzen te doen contrasteeren met de stille, donkere aard, dien schittrend-rijken overvloed met iets dat dor en leeg lag.... Toch nu..., terwijl hij 't zat te schetsen, had hij een gevoel alsof er iets uit weg was, iets ontbrak; 't bevredigde hem niet, het was te onbestemd, te abstract, het zou iets dweeperigs krijgen, wat hij juist niet wou...; lang zocht hij in zich rond..., wat was het?... Hij merkte nu wel dat hij toch nog erg nerveus was, onrustig, met een vage drukking op z'n borst.... In zijn visie van vandaag—zou 't dat zijn?—had hij meer behoefte aan iets zeer beslists, een scherp-belijnd geval..., iets innig smartlijks opstaand in de ruimte tegen 't helle hemelicht.... Het licht moest er om heen zijn, toch geen vat er op hebben!... Ja, dat was het wel.... Het was hem in zijn stemming nu niet mogelijk zich te uiten in het geven van dat stille, buiten-menschelijke, dat in abstractheid liggende en staande alleen; er moest iets levend-lijdends in, een beeld van echte smart, die staat in 't licht, maar van het licht niet weet.... Toch bleef hij nog een poos nerveus en jachterig peuteren aan z'n schets..., maar stond in-eens op, liep naar 't woonhuis, vroeg of de oude vrouw—voor nog wat extra's—een poos aan den ingang van de schuur wou blijven staan, naar binnen kijkend, net of daar de koe nog lag.... Ze had nog wel bezwaren eerst, 't was Zondag!... Maar als ze nou niets hoefde doen dan daar gaan staan....
Ja! zóó was 't goed!... Het armelijk gebogen vrouwfiguurtje, het droef gebroken menschje met haar zwartheid onbewust de lichtsfeer brekend.... Ja, ja, zoo was het goed!...
En terwijl hij dan in strakke aandachtspanning en rusteloozen ijver zat te schetsen, kwam die stemming waar hij naar verlangd had over hem.... Hij dácht er nu niet aan, hij voelde 't enkel, proefde 't prikkelend genot.... 't Gelukte wel niet heelemaal weer, 't bleef—als altijd!—maar benaderen, bijna-treffen, nooit volkomen, absoluut..., maar 't was ook nog maar schets, een mooi begin vol hoop; hij moest er zich natuurlijk ook nog dieper-in begeven, lang en veel er over mijmeren, 't wiegen in z'n ziel, er 's nachts mee wakker liggen.... Hij wist nu al dat 't niet gauw áf zou zijn.... Maar dat was niets; het werken was 't genot; daar was 't juist om te doen...; het werk, dat was hét.... Als 't af was zou 't een schilderij zijn, nu was 't leven....
Hij werkte uren lang en zonder pauze. Het vrouwtje mocht er telkens bij gaan zitten, ook wel een poosje weggaan; hij was er nu toch in.... Hij wist hoe 't worden zou, hij zag het voor zich, sterk als een visioen.
Vrouw Pappel wou dat hij wat eten zou. Hij zei van neen, hij had geen honger,—had z'n brood wel bij zich, maar geen tijd....
Nog zelden had hij 'n ganschen dag zoo goed en zoo gestadig-door gewerkt..., wat mooie vruchtbare uren, 't was een trots!... Toen hij terugging in den laten middag, liep hij gansch vervuld er over na te mijmeren, dankbaar, bijna blij.... Ook was hij aan het avendeten thuis veel spraakzamer dan gisteren.... De veearts en zijn vrouw keken elkaar eens aan, tevreden, knikten even, zonder dat hij 't zag,... Hij werd al beter, 't kwam terecht....
Maar toen hij in 't gevorderd schemeruur, in 't bijna-donker, nog wat dwalen ging, den weg, de hei op, was 't weer enkel zij, die in z'n ziel lag, hem tot hijgend smachten bracht; hij leefde ze weer door, de Rotterdamsche dagen; al die gevoelens en gedachten, zwaar en drukkend, drongen op in vreemd-nerveuse haast, en pijn, en bitterheid, en marteling, het werd hem als een volte in zijn hart van luid geklaag dat zooveel feller was in wijde plechtigheid van stillen nacht.... Hij liep gejaagd naar huis, ging naar zijn donker atelier, bekeek met flakkerend kaarslicht nog eens het portret.... Zij was 't niet.... Neen, o! neen, zij was oneindig mooier en had veel meer ziel.... O zij, zij!... Zij in de eeuwigheid!... En wég dat ding!...
In 't zwarte donker bleef hij zitten met z'n lijf van lood.... 't Was stil, diep-vredig, Zondag-avond-stil, in 't dorp.... Alleen wat zeurig zingen nu en dan en 't piep-geluid van een harmonica....
Maar na een langen nacht vol vreemde, drukke droomen, ging hij er weer vroeg op uit, de hei door, dan den rijweg. Hij voelde onder 't loopen met voldoening dat hij weer aan 't Brabantsche bestaan gewende, dat Rotterdam al in 't verleden lag, veel verder al dan toen hij gisteren morgen onderweg was. Dat kwam door al het werk, al de gedachten en de stemmingen die hem nu al van die dagen scheidden....
Hij hoopte erg dat 't weer zoo goed zou gaan; hij liep ál sneller in gejaagd verlangen naar zijn arbeidsroes, en naar dat trotsch besef van slagen, keek dat vol bewustzijn van zijn macht, zijn hunnen, dat dan, van zijn hoofd uit, gansch z'n lijf doorvoer zoodat hij 't voelde in z'n polsen en z'n vingers als een tooverkracht....
Hij zette zich met energie aan 't werk, hij dwong zich tot pijlpuntig scherpe aandacht, en 't lukte weer, nog beter zelfs dan gisteren.... Het was hem soms alsof het ál te mooi ging, al te vlot en vlug, alsof 't niet werklijk was.... een droom.... Hij voelde ook wel de overspanning, 't gejaagde in zijn fel bewegen, en de koorts in 't sterk visioenend denken aan zijn schilderij-zooals-'t-moest-worden.... Maar 't kwam er niet op aan, het ging, het lukte, 't werd een goed, een sterk-geslaagd stuk werk, het beste zeker, wat hij nog gedaan had.... Al was 't dan koorts, het was genot, een vol, intens genot, ja, hooger, grooter, 't was geluk het zoo te kunnen, 't zoo te voelen in je macht het schoon-gedroomde werk.... Schoonheid te kunnen maken van een menschensmart en simpele doode dingen, goden-werk!... De overmoed was als een lichte dronkenschap die kwam uit de innigheid van 't lijf dat diep-van-binnen brandde.... Hij voelde uren lang alleen dat machtsbesef, die vreugd van kunstenaar-zijn.... Forsch, bijna wild soms, sloeg z'n hand de verven op het doek en wist van geen vermoeienis....
's Avonds aan tafel was hij ongewoon praat-lustig, schitterden zijn oogen.... Maar, bijna plotsling, viel hij op z'n stoel in vasten slaap, 't hoofd op de borst, de armen langs z'n zijden, slap neer....
Van Biesen nam een van zijn polsen in z'n hand, aandachtig. "'k Dacht het wel ... hij 's koortsig", zei hij fluistrend, schudde toen bezorgd het hoofd.... "Ja, 't rechte is 't nog niet", gaf zij ten antwoord na een poosje zwijgens.
Zoo werd het Dinsdag.... Paul sprong, bij 't wakker worden, dadelijk op, en uit z'n bed. Hij haastte zich. Hij wilde nu met al zijn energie zich dwingen nergens aan te denken dan aan z'n wachtend schilderij. Gauw!... Gauw daarheen!... En weer zoo werken als de beide vorige dagen. Zoo kwam hij in een rusteloozen roes die dagen door....
Maar hij kon—ondanks z'n heftig willen—hij kón zoo gauw niet loopen als die vorige ochtenden. Er was een loode loomheid in zijn beenen, hij hijgde telkens, voelde zich de borst benauwd, de slapen en de polsen gloeiend, bonkend.... Hij kwam soms haast niet verder, stond dan ook telkens stil en voelde dat hij duizlig was, en wee.... 't Was of hij zich bedronken had den vorigen avond.... Hij schrok er telkens van.... Hoe moest dat gaan vandaag?...
Toen hij eindelijk weer voor z'n doek zat—het oude vrouwtje stond weer bij de open schuurdeur—merkte Paul al dadelijk dat het niet goed gaan zou.... De loomheid zat hem in de hand en armen ook, 't was alsof de lucht hem drukte, de najaarslucht die dun en winderig was,—het was een frissche, óverlichte dag, juist zooals gisteren en Zondag.... Toch dwong hij zich tot aandacht, tot gestadig schilderen.... En waarlijk scheen het dat het weer zou lukken.... 't Was wel heelemaal niet dat machtsgevoel van gisteren..., o neen! dat was het niet wat gloeide door zijn hand en pols, en in zijn dorren, dichtgeplakten mond, veeleer een koortsig droog verbranden van z'n huid, maar binnen-in geen open helderheid, geen groote visie, soms een warren van ideeën, als in een drukken, rusteloozen droom.... Toch kon hij juist bizonderheden nu zoo uiterst fijn belijnd, zoo toover-scherp belicht bespeuren, dat het wonder was.... Daar dus vandaag dan maar van profiteeren, tóch maar werken, blijven werken, blijven in zijn werk....
Maar plotsling aarzelde hij, angstig, en hield op ... en staarde naar zijn doek met doffen schrik die groeide.... God! God! Het was in-eens veranderd, de toon, de expressie, het geheele sentiment ... verknoeid!... Het groote gevoel, dat er zoo sterk in lag, was onherkenbaar weggeschilderd.... Hij meende even dat hij zag waar 't zat, hij ging weer door in jachterig gepeuter met penseelen.... 't Werd nog erger!... Toen stond hij op, ging van een kleinen afstand kijken.. Niets was 't meer.... Alles was er uit.... 't Was slap en dood, vreemd porseleinig dood.... 't Was of hij gek geweest was dezen ganschen ochtend.... Hij had zijn werk totaal bedorven....
O! hij voelde 't nu ook wel, hij had het moeten laten, hij was ziek, hij zag het ook niet vóór zich meer zooals 't had moeten worden, en ook alles om hem heen—de hei, de boomen, 't zonlicht—was veranderd, drong zich aan hem op als een benauwing die hij toch niet werklijk zag, en 't was als stond dat doek daar nu als een fel-duivelsche bespotting.... Zag hij niet den rug van de oude vrouw zich rimpelend schudden als in sataniek gelach?...
Toen greep hij, blind van drift, een kwast en veegde daar zoo woest mee over 't natte doek, dat de ezel wankelde ... en omviel...; vluchtte dan de hei op, 't arme oude vrouwtje achterlatend met haar schrik, en angst.... Ze riep nog..., maar de piepend zwakke stem kon Paul niet meer bereiken....
Hij liep maar, liep maar met z'n zware beenen. Hij zag de hei niet, noch het dorp, het verre bosch, de hemel, noch de zon, hij liep maar in een koortsdrang naar beweging. Maar eindlijk viel hij hijgend neer, zat op een heuveltje, een heide-bobbel, waar naast een kleine, zwarte poel met vaal-geel, armelijk riet, een stil moerasje lag, zwaarmoedig in het volle middaglicht. Hij zag het nauwelijks, schoon hij er lang op zat te staren, peinzend, peinzend, altijd maar aan haar..., en aan Louis, dien hij nu haatte.... Ze zouden nu al wel getrouwd zijn.... En hij zag haar weer, zooals zij toen, dien middag in het leege bovenhuis, had uitgeklaagd, zoo zacht en bijna zonder zelf-meelij, hij hoorde weer die stem van wondere vertrouwelijkheid.... Hij kon 't zich alles niet herinneren, wat ze had gezegd, hij was zoo suf, zoo vreemd-verward.... Maar dat zij niet gelukkig was ... dat was wel zeker.... En hij verweet het zich....
Een herder met een kudde schapen trok voorbij. De ruige hond—hij kende 't goeie-dier—sprong blaffende een paar maal om hem been. Paul riep hem bij zich—met een hem vreemde stem—, hij klopte en streelde 't ruige lijf, en wist niet dat hij 't deed.... Verbijsterd bleef hij toen de kudde nazien, den langen, langs z'n staf gebogen herder, en den hond, die aldoor om de schapen rende en sprong....
Ze waren eindlijk in de verte, klein en zwart ... en hij weer heel alleen...; hij voelde 't als een schrik, een soort ontzetting.... Alleen met hei, den hemel, en z'n smart..., alleen met die oneindigheden.... Niets waarmee hij kon ontsnappen aan zich-zelf, zijn pijnigend gevoel, 't gemartel van zijn heldere fantasie.... O! werk! z'n werk!... Maar 't was er niet meer..., en eigenlijk, wat wist hij er meer van!... Ja, kunstenaar, schilder was hij.... Maar een schilder is een man, en hij een jonge, sterke jonge man.... Paul Holman was hij en had Annie lief, en wilde haar.... Maar zij was van Louis, z'n broer....
O!... Broer! wat was dan toch een broer?... Was dat geen ander?... Was hij 't dan soms zelf?... Of half, een klein deel zelf?... Neen! waarachtig! zelf was hij 't niet precies!... Dus toch een ander..., of 't dan een broer was of een vreemde!... Een ander had haar nu, bezat haar nu, had macht en rechten over haar.... Een ander kuste nu die oogen, en dien mond..., een ander drukte zich dat wonder van ziels-mooi aan 't heet-begeerend mannelijf, in wreed, brutaal genot.... O God, God, God!... hoe haatte hij dien ander....
Zijn bitter denken werd nu felle pijn, een scherpe, fijne pijn.... En zijn verbeelding was zoo vast als werkelijkheid.... 't Was of hij 't voor zich zag ... dáár, dáár.... Louis en Annie, en al die menschen aan dat laatste feestmaal.... Hij zag zijn broer, diens glad geschoren, wel-verzorgd gelaat, en glijdende handen, zag dat lachen, juichen, klinken,—zij naast haar mooien man, stil, bleek, vermoeid, en als een stervende zóó ernstig. Hij zag z'n broer dan handen geven aan die menschen, aldoor lachend, o! een ijdelen, triomfanten lach, waarin 't gemeen begrijpen van de blikken en den lach der anderen was..., zag hen dan samen weggaan....
En aldoor voelde hij intusschen hoe hij zelf daar zat, bij dit verlaten poeltje op de wijde, stille hei van 't verre Brabant..., onzegbaar eenzaam..., zonder troost of hoop.... Gekend door niemand.... Neen! dat was niet zoo.... Hij was artiest, was schilder, schepper van een klein, klein deel der wereld-schoonheid.... En de menschen kenden 't wél, z'n werk; de rijken kochten het.... Hij kon 't den armen geven!... Honderden van meer of min mondaine stedelingen bewonderden z'n schilderijen, en, wie weet? den maker ook ... benijdden hem misschien!... Hier zat hij dan, de man van 't mooi succes, de zeer benijde..., eenzaam ... en diep rampzalig....
Maar neen, neen, neen! dat nooit, hij wou het niet.... Besloten had hij eens dat hij zich nooit voor goed door menschen z'n geluk zou laten rooven.... Hij moest, hij zou 't weer vinden in zijn werk, en in de schoonheid....
't Was al een paar uur middag.... De stilte werd geluidloos ... alsof natuur, vermoeid door schittering van den dag, tot doffe rust vervallen was.... Het licht werd koeler, strakker, bleeker haast..., alleen in 't westen, waar de zon stond, gloeide de overwaasde hemel fel goud-geel met rozenroode wolkenstrepen, licht-gedrenkt tot aan den transparanten horizon.... Daar stond de zwarte herder tegen aan, hij leunend op z'n stok, de hond een zwarte stip die rustloos om hem dwaalde....
En daarheen turend voelde Paul zijn al zoo groot verlangen toch nog groeien, toch nog vreemd-benauwender en feller worden en was het tegelijk alsof hem iets gebeuren zou.... In onrust stond hij op, bleef bevend staan, verwachtend..., wist met wat..., een plotseling geluid, een stem die hem zou roepen, een verschijning.... Hij hijgde kort, was tot wee-wordens toe beklemd....
De stilte sloot als watten om hem heen.... De hemel gloeide in 't westen.... Er was geen enkele klank.... Toen alleen, een huilend fluiten, in de verte, zwak....
En zijn verbeelding vond een nieuwe foltering: zijn broer met Annie in z'n armen in een treincoupé.... Hij streelde haar en fluisterde zoetlieve namen, maar z'n grijns was niets dan ploertige triomf en ijdelheid.... En in haar oog dat blikte naar hem op, een stomp verbazen, schrik, een doffe angst....
Toen was 't hem of de wereld duister werd en klein, een floers van rouw hem voor de oogen kwam..., liet hij zich op z'n knieën eerst, toen, met heel zijn zware lijf, voorover vallen.... Z'n gezicht lag in het droge heide-mos.... Z'n vingers kromden zich en groeven in den grond.... Er krampten lange snikken in z'n schokkend lijf....
Zoo lag hij eindlijk, eindlijk uit te huilen....
En wóu wel dat hij 't eerder had gedaan....
Laat in den middag....
't Was alsof de zon in 't dalen minder schitterend was geworden, maar van omvang grooter, dichterbij, meer van de droeve aarde; 't stiller licht, dat won in weemoed, werd een rustiging voor moe-gestaarde oogen, bijna een troost.... De herder en zijn kudde waren weg, en, uit den afgrond aan den westereinder opgedoemd, lag nu een onbestemde massa donkergrauw te wachten dat de bloedend-roode zon er zich in ging begraven; maar van dien kant af vervaagden nog tot ver langs 't koepelend zwerk, wolk-veeren, kleur gedrenkt, felgeel, oranje, rood,—daar-tusschen lichtte nog het hemelblauw in groenen glans;—'t leek van een reuzenpauw de vurige vlammenstaart....
Paul zat geruimen tijd daarnaar te turen, op den grond,—het was zóó mooi dat 't zelfs zijn zware somberheid verlichtte—maar zijn ongewende houding maakte hem de armen en de beenen pijnlijk stijf, zoodat hij 't eindlijk niet meer uit kon houden en wel opstaan moest. Hij voelde zich nu kil en rillerig. Hij begreep dat het tijd werd om naar huis te gaan. Hij was een heel eind afgedwaald, al loopend, zonder doel of richting, en hij herkende deze buurt niet, wist dus niet precies hoe hij moest gaan.... Straks, in 't donker, zou 't bezwaarlijk zoeken worden....
Dus liep hij weer, met kleine, stijve stappen, een ronden rug, de handen in z'n zakken. Hij voelde zich dood-suf, en bijna-weeïg leeg en moe gehuild; zijn leed was als een suizing in z'n ooren nu; het hield niet op, maar pijn was 't ook niet meer.... Soms schokte nog een lange na-snik door z'n gloeierige borst en keel....
Terwijl de zon, in purper drijvend nu, die wolkenbank in 't westen naderde, de randen koperend, en de rosse hemelgloed al matter werd, kwam uit en over 't zwarte aardvlak, drassig hier en daar, een lichte dauw opdampen, overal gelijk, naar alle kanten..., als schimmen, die op een-en-'t-zelfde uur op komen rijzen, ieder uit z'n graf.... Paul lette er eerst niet op, bemerkte 't bijna plotseling, dat hij voort liep in een dunnen natten mist, die, goud doorlicht naar 't westen waar de zon nog stond, maar grauw als duisternis in de andere richting was. Hij kon niet ver meer om zich heen zien, voelde zich nu door die dampen ingesloten, met zijn smart—niet meer zoo algeheel verlaten en rampzalig; wèl klein in de ontzettende oneindigheid, maar stil-intiem-alleen met z'n gedachten, z'n eigen ziel, en de begeerte die hij dooden moest.... Want dit was uit de heftige ontroering van dien dag in hem bezonken: dat het toch niet kon, zooals hij 't zich in 't eerst gedacht had, dat hij z'n liefde niet kon blijven dragen,—als op z'n handenvlak een wondermooie vaas;—want 't was niet iets dat op zich-zelf bestond en in hem woonde, 't was een wond, een groote, open wond met heete randen, die hij moest heelen of er dood aan bloeden.... En de eenige genezing was in werk; dat wist hij ook.... Werk, werk, en altijd werk, dat was zijn toekomst, levens-kans en -lot..., van álle kunstenaars 't eenige bestaan....
O! vandaag was 't nu mislukt, ellendig weggedord, verschrompeld in de hitte van z'n hartstocht.... En nu, nu was hij moe en afgetobd.... Maar morgen zou hij weer beginnen, en zoo iederen dag, totdat hij 't meester was, totdat hij weer geheel zich-zelf kon zijn, denk-levend met dat werk van hem alleen.... De fut was er goddank niet uit nog....
Na ongeveer een half uur loopen kwam hij op een weg dien hij herkende aan de hier-en-daar er langs-heen staande boomen. Hij was nu ook in-eens geheel georiënteerd, wist ook dat hij nog een goed uur gaans van huis was. Toch bleef hij met dien zelfden weifelenden stap maar langzaam voortgaan, en al z'n zelf-gepaai met werk en wil ... in z'n geslagenheid geloofde hij 't maar half...; soms zuchtte hij, keek doelloos zoekend om zich heen.... De schemering groeide zichtbaar in de dampen....
Maar plotseling stond hij stil, ademloos, met schok van schrik.... 't Was achter hem.... Een stem, die riep ... zijn naam ... en lichte, snelle stappen ... Hij dorst niet dadelijk omzien, hij zag die nevels ... Toen werd z'n arm gegrepen door een hand, die sidderde, en, heftig klappertandend, de oogen wijd als staarde hij een spook aan, strompelde hij achteruit, een pas, drie, vier....
Zij!... Zij!...
Hij wou haar noemen bij haar naam, maar kon niet.... 't Werd enkel een gerekte a-klank, dien hij uitbracht ...
"Ja, Paul!... ik ben het," hijgde zij, "o! goddank dat je daar eindlijk bent!... ik heb zoo vreeslijk lang gezocht ... zoo vrééselijk lang!..."
"Annie!" riep hij nu een paar maal, heesch, weer dichter bij haar komend, greep haar hand..., en toen verviel hij in een fellen sniklach die hem pijn deed in z'n borst.... Maar eindelijk kon hij toch wat zeggen.... Geen zinnen..., uitroepen van verwondering, die bijna angst was: "Wat?... Gezocht? Heb je mij gezocht?... Wat is er dan?... Waar kom je dan vandaan?... Wat is er gebeurd?..." Hij had nog groote moeite 't schudden van z'n onderkaak te temperen.
"Ik ... 'k ben weggeloopen.... 'k Wil niet trouwen met Louis.... En 'k had.... 'k Wist niemand om naar toe te gaan, dan jou.... Wil jij me helpen, Paul?... Och toe, Paul, wil jij me helpen en beschermen?..."
Toen stond er lang een stilte tusschen hen; zij snikte heftig, leunend aan zijn schouder; Paul was van ontsteltenis als verstijfd nog, hield haar hand vast in de zijne, huilde ook opnieuw, maar—of 't door herinnering aan z'n vroegere tranen kwam—nu lichtte een vreemde ijlheid als van al te plotsling vrij-zijn, een voelen weg-gaan-en-niet-weten-meer-van-smart, op in z'n hoofd, dat nog niet denken kon.... "Laten we gaan zitten..., daar!" zei Paul toen eindelijk, zacht. Dat deden ze. 't Was tegen een heuveltje aan, waar langs de weg ging....
Hij moest haar hand daarbij laten vallen....
En toen ze, naast elkaar, maar niet heel dicht, daar even zaten, op den hobbelig harden grond, in schemering, zwaar van natten damp..., in dadelijk drukkend zwijgen..., zonder dat contact nu van hun handen, dat ook niet was te herstellen..., rees er in hen beiden meer en meer belemmerend besef van 't voor elkaar vreemd-pijnlijk-nieuwe, 't gansch onverklaarde hunner heftige ontroering..., en daardoor een verwarrende verlegenheid....
"Kun je me nu wel zeggen wat er eigenlijk is gebeurd," vroeg hij het eerst, met stem-geluid dat bijna brak....
En zij, nog altijd snikkend, en gejaagd: "Niets!... niets anders dan dat 'k weggeloopen ben.... Vanmorgen, met den eersten trein ben 'k weggevlucht.... Ze weten thuis niet waar ik heen ben.... Ik was te bang dat ze me dan dadelijk zouden achtervolgen.... O! maar ... God! ik vind het nu zoo vreeslijk wat ik hun heb aangedaan!... Louis vooral!... Wat zullen ze zich ongerust en angstig maken!... Daarom ... Paul!... zou jij ... morgen ... voor me willen gaan ... naar Rotterdam ... en 't zeggen ... dat ik hier ben?... Maar ... maar dan ook zorgen dat ze me niet komen halen ... want ik wil niet meer terug ... ik kán nooit meer terug ... o nee, nooit, nooit!... ik wil ook niet.... 'k Verdrink me nog veel liever!..."
Toen huilde ze weer erg, voorover, 't voorhoofd rustend op haar éénen arm; telkens schokte ze, van diepe snikken.... Haar hoed viel af, ze merkte 't niet.... Maar Paul, zich bukkend, raapte 'm op, lei 'm stil-voorzichtig naast zich.... Hij vond het akelig-naar-nuchter van zich-zelf, begreep zich niet, hij vond zich onuitstaanbaar stijf en houterig en suf.... Hij zocht naar woorden, maar hij vond ze niet, geen één!... Hij had het liefst, tot troost, zacht willen streelen over 't donkerbruine hoofd, maar durfde niet.... Zij was gevlucht, weg van Louis, naar hem.... Zij wou niet meer terug.... Toch dorst hij niet te denken dat het om hem kon zijn.... Zij ... zij ... o, neen! 't besef dat dat onmogelijk was liet hem niet los....
Maar onder 't snikken door, zonder naar hem op te kijken, zei ze weer: "Ik boud niet van Louis.... Ik kán niet met hem trouwen.... 'k Heb hem bedrogen toen ik zei, dat 'k van hem hield.... Ik wist het niet.... Maar 'k heb hem toch bedrogen.... Daarom was 'k ook zoo bang voor hem, en dorst het niet te zeggen.... op 't uiterste oogenblik ... dat ik niet wou, niet kón.... Maar 't kán toch niet.... Ik kan toch niet met iemand trouwen als ik weet ... als 'k wéét ... dat 'k niet van 'm houd.... Ik wist het vroeger niet!... Ik was wel altijd bang, dat 't niet genoeg zou zijn.... Maar 'k dacht ... ik ... 'k geloofde.... Ik heb 't me vroeger nooit zoo ingedacht.... Och-god!... van nacht heb 'k zoo'n verschrikkelijken angst gehad!..."
Ze hield weer op met spreken, huilde enkel; hij zag haar telkens schokken in haar snikken.... O! hij verlangde zoo dat ze aan z'n borst zou huilen!... Maar 't scheen of hij was verlamd.... Hij dorst haar niet beroeren..., dorst nog maar geen oogenblik gelooven: 't is om mij!... Hij kon alleen maar vragen: "huil niet zoo!... toe Annie, huil toch niet zoo. Ik zal je helpen ... zooveel als ik kan.... Wat wil je dat ik doe?... Naar Rotterdam gaan?... Ja!... dat's goed...." Maar nu werd haar snikken nog heftiger, scheen niet meer tot bedaren te kunnen komen....
Annie had, dien ganschen dag van wonder-vreemd verbijsterenden roes, van anders niets meer willen dan naar Paul, hém zien, hem bij zich zien, een bijna voor haar-zelve verborgen, toch telkens even, met een schok en pijn, benauwenden angst gehad..., het was de vrees dat Paul niet van haar hield.... Ze had dat, iederen keer weer, weten te onderdrukken, 't weer weten weg-te-hopen, levend aldoor in die eene illusie, die manie, bij hem te zijn, dat hij haar aan zou zien met liefde-oogen, dat hij haar dadelijk in zijn armen nemen zou en zeggen: 'k Heb je lief.... Vooral in 't laatste, óvermoeie uur, van haar toen bijna-wanhopig loopen-zoeken, was die wreede twijfel telkens sterker, onmeedoogender teruggekeerd.... En nu ... nu voelde ze ... dat 't werklijkheid kon zijn ... want, God! hij zei het niet!... hij deed het niet!...
Zij snikte, snikte..., maar 't was alsof dit leed door tranen groeide.... De twijfel was nu niet meer weg te duwen..., schroeide pijn, gaf wanhoop in haar ziel.... De zekerheid kon niet zoo folterend zijn als dit niet-weten.... Toch durfde ook zij niets vragen..., wist ook niet hoe ze nu verder zou moeten spreken..., hoe 't hem vertellen, wat ze ondervonden had....
Zoo stond, en groeide door het duren, tusschen hen, in dat hun toch zóó stil-alleene samen-zijn, een gapende gevoels-afstand, een niet-begrijpen, een schijnbare vervreemding, kil-beroerend, die in waarheid niets dan schroom en zelf-gevoel, ontsteltenis en angst was, maar tot doffe, denkelooze droefheid, vertwijfling bijna, werd voor haar...; voor Paul iets ijls en leegs, noodzakelijk-opens, dat hij niet overzien kon, dus ook niet verminderen.... Wel rees er telkens in zijn tot in 't diepst ontroerd gemoed, een licht idee, een soort besef dat hij tenminste niet meer zonder hoop behoefde te zijn..., misschien wel mocht gelooven dat zij nu al..., nu in-ééns.... Hij dorst dat in zich-zelf niet te noemen.... 't Was te gevaarlijk. De omkeer was te plotseling en te groot, te ál-geheel..., niet te omvâmen....
En dan was er dit: dat het voor hem niet mogelijk was tot zekerheid te komen.... Want—hij voelde 't nog onbelijnd in zijn troebel, warrig denken, maar hij voelde 't toch—hij was niet vrij.... Zij had hem immers om bescherming, om broederhulp gevraagd.... Zij wou bij hem in veiligheid zijn, dat was enkel wat ze zocht.... Mocht hij haar dan nu laten merken dat hij haar begeerde, vragen: hou je van me?... Wat dan ... als 't niet zoo was?... Wat dán?... Wat moest ze dan?... O nee! 't zou ploertig zijn, het kón niet....
Dus ging hij voort met alleen maar te trachten haar met wat vriendelijke woorden te kalmeeren..., maar hij voelde wel dat zoo die ijle leegte niet gevuld werd, dat die bleef en groeide ... groeide....
Hij vroeg ook dringend dat ze 'm zou vertellen hoe ze 'm eigenlijk ten slotte had gevonden.... Hij vroeg 't herhaaldelijk.... Zij zag er tegen op, maar moest het eindelijk wel doen.
Ze was dan..., nadat ze met de stoomtram aangekomen was;—'t gaf Paul een nieuwen schok, 't bedenken dat ze, om dien tijd al, zoo dicht in zijn nabijheid geweest moest zijn—; zij was dan eerst geloopen naar zijn dorp, had daar den veearts opgezocht; die was niet thuis, z'n vrouw wel; natuurlijk had ze dadelijk gevraagd naar Paul..., en toen had de juffrouw, die—zoo vreemd!—scheen te begrijpen wie ze was, haar weer teruggestuurd naar 't dorp waar ze vandaan kwam, naar dat oude vrouwtje Pappel.... Die had haar verteld wat er gebeurd was, huilende.... Ze had het omgevallen stuk zien liggen....
En och!... toen was ze aan 't zoeken gegaan..., overal ... de hei op.... Aldoor had ze doorgeloopen.... Eindelijk had een herder haar wat op den weg geholpen; die had hem ten-minste vandaag nog gezien.... Want o! al de anderen, die ze had aangesproken..., de mannen, de vrouwen, tot de kinderen toe..., kennen deden ze 'm allemaal ... den schilder, meneer Holman..., maar gezien had niemand hem vandaag, behalve die herder.... Die had hem op de hei zien zitten, bij een poel.... Dadelijk was ze in de richting die hij aanwees doorgeloopen..., maar toen 't begon te schemeren, en die damp opkwam, was ze zoo vreeslijk moe en moedeloos geworden.... Daar, eindlijk! zag ze hem, in-eens, vlak voor haar....
Annie zweeg, snikte weer....
Plotseling merkte Paul het avond-vallen op....
De zon was onder, en de rossig-gouden gloed uit de dampen in het westen weg; hij zag het meisje naast zich al in een waas van duisternis; het was als kwam de nacht van alle kanten aan met wiebelend gezwerm.... Met gejaagdheid sprong hij op; er was een spokige angst in hem, dat zij weer van hem weggenomen worden zou, bedolven onder duisternis en damp..., alsof zij maar een schijngestalte was, die in den nacht weer verdwijnen zou.... Hij snakte er naar haar in de veiligheid van kamers en in het warm-intieme lampe-licht te brengen.... Hij vroeg haar of ze dan nu met hem meeging.... Er was natuurlijk op zijn dorp geen logement, maar dat was niets, hij zou haar bij zijn vrienden, de Van Biesen's brengen, die altijd raad wisten.... 't Best was, meende hij, zijn eigen kamer voor haar in te richten..., als Annie daar genoegen mee zou willen nemen.... Hij kon dan bij een van de buren gaan....
Maar Annie wist niet, wat ze doen of zeggen zou; ze leefde in twijfel en verwarring voort. Telkens voelde ze 'n koortsig heeten blos, dan weer een rilling als van kou en vocht.... Ze zei wat over de vele moeite die ze 'm gaf.... Ze snikte nog na, was moe, gebroken, óp.... Ze was, geloofde ze, 't liefst maar weer alleen geweest om zich daar neer te gooien, op de hei, in wanhoop, zooals ze ook van-middag al gedaan had, toen ze van vermoeidheid bijna niet verder had gekund.... Nu ging dat natuurlijk niet, ze moest nu doen wat Paul zei, meegaan naar die vreemde menschen.... O! 't was heel gewoon en dood natuurlijk; wat zou ze anders?... Alleen, ze had dat alles niet voorzien, 't zóó nooit gedacht....
Ze stond dan op, nam den arm, dien Paul haar aanbood, en ze liepen samen over den weg in den dampigen avond. Het was een straatweg, maar heel smal en oud, verwaarloosd, armelijk.... Soms kwam een rijtje boomen of een hut grauw-donker uit den mist....
Na 't lange zitten voelde Annie pas hoe moe en stijf ze was.... Ze was zoo weinig gewoon te loopen, en nu den ganschen dag, en over hobbelige hei, in zon en drukkenden overvloed van licht en lucht.... Hoe langzaam ze ook gingen, telkens vroeg ze even stil te staan.
Ze was ook kort van adem door haar zenuwachtigheid, door den angst vooral, die haar beklemde als hij wat begon te zeggen; ze was zoo bang dat hij meer zou gaan vragen; waaróm ze dan Louis zoo had bedrogen; en hoe ze al dien tijd met hem verloofd had kunnen zijn, zijn bruid zelfs.... Ze sprak, om dat maar te voorkomen, telkens zelf weer, over al dat rusteloos gezoek van haar, over juffrouw Van Biesen, vrouw Pappel en dien herder.... Maar dat hoefde niet, want Paul kweekte in zichzelf dat ridderlijk gevoel van niets te vragen, enkel te beschermen, zorgzaam op, en 't gaf hem kracht.... Hij dwong zich kwasi-rustig te luisteren, kalm wat terug-te-zeggen....
Maar als ze beiden zwegen, was 't ook hem benauwend.... Hij voelde, er was iets onnatuurlijks in zijn doen wat bijna niet kón blijven.... bijna waanzin werd....
Eindelijk werd ze óp van spanning, doodelijk moe, zóó moe, dat ze, zwaar leunend op z'n arm, haast niet meer spreken kon, maar hijgde, strompelend....
Toen vroeg hij plotseling—heesch door den schrik van dat idee:—"Wil ik je dragen?"
Ze ontstelde er ook van, weigerde met: "Nee, nee ... laat me maar even rusten, dan gaat 't wel weer...."
Maar 't was in-eens of Paul verdoofd was door dat denkbeeld; hij deed als in een roes; hij lei zijn rechterarm haar om de schouders, snel, tilde haar met den linker krachtig omhoog, zei kort-beslist, bevelend bijna: "Sla je armen om mijn hals, zie zoo! nu flink vooruit!" en stapte dóór met zwaren, veel te vluggen pas, ook dadelijk hijgend nu.... Weer viel haar hoed..., bleef liggen op den weg..., ze merkten 't geen van beiden....
En een vlaag van lichte hoop, van vreugde-voelen-komen, onverwacht, joeg Annie door de ziel, toen ze opgetild werd,—'t was even of het nu in-eens gebeuren zou—toch, in haar angstigheid nog, herhaalde ze telkens: "Nee, Paul, zet me neer!... Dat houd je immers niet uit!... Je wordt te moe!..." Maar daar hij dan altijd enkel lachte, kort, en zei dat ze zoo licht was, en dat het werkelijk heel best ging, begon ze toe te geven aan dat wèldoend zich zoo voelen liggen, veilig, aan zijn borst, zijn schouder..., rustende in zijn arm.... Ze lag toen stil, hoorde 't diepe hijgen van zijn borst, voelde het kloppen van zijn bloed; de warmte van zijn lijf drong tot haar door..., vlak bij haar hoofd daar voelde ze het zijne..., dikwijls raakte kittelend zijn baard haar voorhoofd.... En haar hoop herleefde, kwam met schokken op; 't verlangen deed haar denken nu bijna stilstaan....
Paul was trotsch en blij, heftig ontroerd, met ongekend geluksgevoel. Dat dragen was iets werkelijks wat hij voor haar deed. Hij wilde 't blijven doen al zou hij zich vermoorden door vermoeienis... 't Was nog een drie kwartier ... het moest!...
Donker, bijna nacht nu.... Maar als hij 't hoofd vooroverboog, kon hij haar nóg in de oogen zien.... Hij deed het meer en meer..., er was een lokkend schitteren in haar teederen blik..., hij voelde dat die hoop, die overmoedige, altijd toch nog haast onmogelijke hoop gestadig in hem groeide.... Na vijf minuten merkte Paul dat 't niet gelukken zou, dat hij zich had overschat.... 't Was niet de lichaamskracht, die hem begaf, maar, in zijn vreugde-trots, z'n zelfbedwang. Het was te veel haar zoo te hebben in zijn armen, haar warmte in z'n borst, en niet te zeggen: 'k heb je lief, haar niet te kussen, maar enkel door te blijven loopen..., een lastdier ... zonder menschelijk gevoel ... machine ... of eunuuch.... Hij hijgde korter, en 't was niet moeheid, maar het onbedaarlijk wild verlangen dat zijn borst dicht schroefde, branden deed zijn slapen, mond en keel, de handen waar haar levend lijf in lag.... Hij liep al sneller, hijgend, zwijgend voort, dorst niet meer kijken naar dat bleek gezicht met groote schitter-oogen, dat nu, zoo stil en in volkomen overgaaf, tegen hem aan lag, de armen om hem heen....
En ook Annie's adem stokte telkens door 't verlangen naar zijn blik, die nu niet meer kwam.... Zij rilde als zijn baard maar even langs haar wang of voorhoofd streek.... Zij werd verrast nu door haar eigen hoop-gevoel en vreugde-kloppend wachten..., 't was zoo sterk nog niet geweest..., o! als 't nu weer bedrieglijk was ... dan ... dan....
Maar zacht, haast teeder, vroeg ze op-eens: "Toe, zet me neer ... even...."
Hij deed het dadelijk, maar hield zijn rechterarm haar om het lijf geslagen, gereed haar weer op te tillen.... Zoo stonden ze even, zwijgend beiden, stil, in hevig voelen-komen van 't geluk....
"Ik mag je toch weer dragen?" vroeg hij, fluisterend, "'t is zoo heerlijk...."
Toen wist ze 't..., door die stem.... Ze lachte zalig naar hem op. En met forschen greep hief hij het meisjeslijf weer aan z'n borst; zij sloeg haar beide armen om zijn hals met passiekracht, en dan, in-eens—ze wist het bijna zelf niet—had ze 'm gezoend in den hals.... Hij wankelde, gaf een korten gil, alsof die kus een beet was, drukte haar toen vaster in z'n armen, en, snel buigend 't hoofd, begon hij haar te kussen, voorhoofd, oogen, wangen..., een gretig tasten van zijn heete lippen was 't..., totdat hun monden in een langen vasten zoen als saam-gegroeid en onbeweeglijk bleven.... Bijna had hij zoo staande 't evenwicht verloren; toch liet hij haar niet los, maar bracht z'n mond bij haar oor nu, fluisterde: "Mijn Annie..., mijn lieveling ... 'k houd zoo van je, 'k heb je zoo lief...." En zij, in 't snikken, van zaligheid, zei enkel: "Zeg het nog 's, toe, zeg het nog 's!"
Toen liet hij haar afglijden, langs z'n arm, en bleven ze een tijd lang, de armen om elkanders lijven, daar zitten—weer tegen zoo'n heiheuveltje aan, waar de weg langs liep—niet anders doende dan elkaar in de oogen zien en kussen, liefkozingsnamen geven en van liefde fluisteren....
Zij vroeg waarom hij haar toch niet zoodra ze er was in z'n armen had genomen, waarom hij haar toch nog zoo vreeslijk lang in twijfel had gelaten, en Paul deed al z'n best dat te verklaren, maar hij begreep 't nu zelf niet goed meer....
Ze kon nu ook wel weer wat loopen, ze wilde niet dat hij haar aldoor dragen zou..., neen, nu niet, straks graag weer..., en zoo gingen ze, elkander met de armen steunend, langzaam voort...; meer en meer veranderden de dampen voor hen uit in zilverig lichten schijn, waarin de boomenstammen stonden, wazig-grauw.... Dat deed de maan, die opkwam maar niet zelf te zien was.... De dampen trokken langzaam-aan wat op.... De weg begon te schijnen in dat licht....
En al wat elk voor de ander had verborgen in dat tiental dagen van bewogenheid, van vreugde, zielsverrukking, ongekend verlangen, smart en wanhoop, bitterheid en wrok..., werd nu geopenbaard en vloeide-in-één tot wijde maar toch sterke harmonie van diep gevoel.... Soms gaven passie-woorden, nu voor 't eerst luid-uitgesproken, nog wel angst, voor zelfverwijt, een vage dreiging..., maar de werklijkheid der oogenglanzen en der stemmeklanken, der kussen en omhelzingen..., de volle zekerheid van 't groot geluk, en van hun zuiver, heilig recht daarop, verdreef dan dadelijk weer dat schijngevaar en schijn-berouw.... Hun groot geluk!... het deed hen stil-staan, telkens weer, in duizel van extase, fluisterend, niets dan hun beider namen, maar met de eigen stem der diepste innigheid....
Schoon ze elkander zooveel openbaarden, waren toch hun woorden schaarsch.... Ze praatten in-'t-geheel niet van hun aangelegenheden, niet over schikkingen en plannen.... Dat kon alles uitgesteld tot morgen....
Toch, nog even voor ze er waren, in het dorp van Paul—ze kwamen, in den mane-mist al nu en dan wat langzaam gaande, nachtlijk-mompelende menschen tegen—had Annie een oogenblik van plotsling angstige gejaagdheid. Ze vroeg opnieuw, met zachte smeeking in haar stem, dat Paul toch morgen, zoo vroeg als 't kon, naar Rotterdam zou gaan om 't daar te zeggen, dat zij veilig bij hem was—en om te zorgen dat ze haar niet kwamen halen.... Want, niet waar? Paul wou haar nu wel bij zich houden?...
"Altijd!... voor goed! mijn lieveling", zei hij; stelde haar gerust.... Natuurlijk zou hij gaan.
"Maar als ze jou maar niets doen ... en je niet beleedigen!... O! 'k zal zoo blij zijn als je weer terugkomt!... Zal je kalm zijn en voorzichtig?" zorgde ze.
Maar Paul zei dat hij 'r volstrekt niet tegen opzag.... O! integendeel..., integendeel!...
Paul kende al lang de ruime harten van den vee-arts en zijn vrouw, hun groot vermogen om met anderen mee-te-leven; maar 't verbaasde hem toch nog zoo gauw begrepen ze wat er gebeurd was, zoo met enkele woorden-en-gebaren, en een lach.... De juffrouw huilde even, en ook Van Biesen was ontroerd; hij knipte met de oogen, stond te draaien, hij wist aanvankelijk niet veel te zeggen.... Maar toen Annie hem een hand gaf en bewogen zei, dat ze zoo blij zou zijn als ze op zijn hulp en vriendschap mocht rekenen, scheen de beslistheid plotseling in hem weergekeerd. Hij bromde kwasi-boos dat Annie erg de koorts had, subiet naar bed moest. En dadelijk ging hij nu actief aan 't redderen van 't geval. Het bed van Paul, 't beste in huis, was voor "de juffrouw." "Gauw, maak jij 't maar vast in orde!" zei hij tegen z'n vrouw, "want 't is waarachtig noodig dat ze er dadelijk ingaat!... Zeker niet gegeten ook vandaag? ... Nou! Je bent m' er één!... Enfin!... dat komt dan morgen wel terecht! Nou eerst maar slapen!... Maar 't hoefde niet, dat Paul bij de buren ging.... Waarom? Kom, gekheid! Was hij zoo verwend? Hij zou best slapen op drie stoelen aan elkaar geschoven, in het voorvertrekje. Al pratend schoof de oude man de stoelen maar vast aan. Toen ordonneerde hij opnieuw dat Annie nog alleen wat drinken zou hebben, en dan naar bed.... Hij gaf haar met een vriendlijk duwtje aan z'n vrouw mee.... Paul vertelde dat hij morgen vroeg naar Rotterdam moest. "Mooi! dan heb jij ook je rust wel noodig", zei Van Biesen. "Eerst nog wat eten, baas, en dan"—hij liep naar achter, kwam terug met dekens en kussens,—"hier is je mandje, hoor!... al klaar!... Niet kletsen meer..., morgen! morgen!... Alles komt terecht!" Toen eensklaps ging hij Paul de hand staan schudden, lachte en huilde tegelijk, schold hem uit voor rakker, slimmerik en gauwdief, wenschte hem geluk.... "Maar nou verstandig zijn, hoor", zei hij, "je bent moe en overspannen!... Zij ook.... Daar komt die koorts van!... Wat zeg je? Die damp?... Nee, maak je daar maar niet benauwd voor...."
Paul en Annie vonden alles goed; ze lieten zich bedillen; met een blik van lichte vreugd en dankbaarheid, had zij hem goeden-nacht gewenscht, zich toen door 't oude vrouwtje als een kind naar bed laten brengen.... Nu lag ze er in, in Paul z'n bed..., koud-rillend van koorts in de schoone lakens, dood-moe, te moe om stil te liggen haast..., maar zelfs die rillingen en dat geslagen-zijn van moeheid schenen haar nu genot.... Ze huilde in haar kussen; tranen waren 't van geluk, de loutere overvloed van liefdeweelde.... Ze huilde zich in slaap.... Maar in haar eerste droomen was ze "thuis",—er was ruzie, angstige benauwing lag als zakken zand haar op de borst,—met schrik en onrust werd ze wakker..., o! toen dat zalige zich herinneren bij Paul te zijn, in veiligheid bij hem ... bij hem ... bij hem!... Toen ze opnieuw in slaap viel was 't met open mond, met in verrukking opgetrokken armen, gebalde handen..., in haar hoofd visioenen van geluk, echt, eigen, jong, hel-sprankelend geluk....
Pas toen het stil was, buiten en in huis, héél stil,—terwijl hij, al z'n bovenkleeren aan, om gauw weer op te kunnen zijn, daar op z'n stoelen lag in 't voorkamertje, waar de maneschijn, strak-geluidenloos en mysterieus, naar binnen stond,—kwam Paul tot ordening van gedachten en tot vol besef van wat hij had ondervonden dien dag.... O! dit was dan misschien nog niet 't allerhoogste, het alleropperste geweest—zijn ziel geloofde aan nog trotscher rijzing, nog onbegrijpelijker zaligheid, en droomde er van—, toch wist hij nooit het goddelijke zoo dicht te zijn genaderd.... En 't was niet voor een oogenblik, een uur, een dag..., 't zou duren,—hij behoefde 't nimmer te verliezen.... Zóó zou hij altijd hooger kunnen komen.... Wat wondere inspiratie kwam hem toch van haar?... Wat was dat toch dat in haar oogen blonk en lachte om haar mond?... Wat vreemde schoonheid, die niet in de buitenwereld was, maar in de menschen-ziel, en die hij vroeger nauwelijks vermoed had!... Want dit was niet z'n eigen ziel, de hare was 't waarin die zuivere schoonheid lag, die hem nu diende als een tooverglas waardoor hij niet alleen de wereld, de natuur, maar ook de menschen, ál de menschen-zielen schoon en heerlijk zag.... O! Tot nog toe had hij nog maar half geleefd, schuwend de menigte in eenzelvigheid.... Zijn toekomst!... God! Wat grootsch visioen, wat hooge, heilige hal!... Was dan zijn hart zoo ruim dat het die allen kon omvatten?...
Een nieuwe horizon,—een nieuwe waarheid, levensleer, en doel—nu vaag, in nevelen glanzend nog.... Maar ééns zou 't alles, álles helder zijn, vast en strak....
Hij sliep soms even in, maar schrok weer wakker.... Zijn overspanning kende nog geen rust.... Toch, eindelijk, uitgeput, sliep hij wat langer...; toen hij weer ontwaakte stond zijn kamertje al gelig-grijs van 't komend daglicht....
Onrustig, was hij dadelijk op de been—hij rilde nog van slaap en morgen-kilte,—maar 't was een goed uur loopen naar de stoomtram; hij moest weg.... Hij wiesch zich in de keuken, stak de broodjes in z'n zak die de juffrouw voor ontbijt had klaar gezet, en—op het punt de voordeurklink van 't slot te lichten—stond hij nog even stil en luisterde, met ingehouden adem.... Hij hoorde niets dan 't snurken van den veearts, dof en zwaar.... Maar toen, in haastig handelen op een inval, trok hij staande zijn laarzen uit, sloop langs den muur naar achter-in de gang, en bij de deur van zijn kamer gekomen, luisterde hij, ademstil, opnieuw..., maar hoorde niets.... Een soort van angst beklemde hem de borst, met lichten bons, en groot verlangen haar nog even weer-te-zien vóór hij ging.... De deur stond aan..., hij duwde er tegen, zachtjes, ging naar binnen, sloop naar 't bed.... Daar lag ze, achterover, slapend, 't losse haar in golven om het hoofd, de mond wat open.... Nu wou hij weggaan, maar zijn voeten wilden 't niet. Hij boog zich over haar, hoorde 't zachte zuchten van haar adem, voelde er ook de intieme warmte van.... En 't was met zware bonzing in z'n borst, branding in zijn hoofd en polsen dat hij haar z'n drogen mond toen even op het roomig witte voorhoofd drukte.... Dadelijk werd ze wakker, keek hem aan en lachte zalig.... Toch zag hij juist nu in haar jong gezicht de teere bleekheid en de sporen van de zorg, had meer dan ooit haar lief, met hoogen trots, eerbiedige bewondering en ontzag....
Haar bleeke handen grepen naar zijn hoofd, en brachten 't aan haar lippen; ze vroeg hem 't even naast haar op het kussen neer te leggen; hij deed het, sloeg z'n arm haar om de schouders;... toen kusten ze elkaar nog vele malen op de wangen en den mond, met telkens gretiger verlangen.... Eindelijk trok ze hem met beide armen naar zich toe, liet ze zich zoenen op den hals die open lag, zoodat de warmte van haar lijf hem dronken maakte, ze beiden hijgend fluisterden van liefde.... Plotsling schoot hij op, recht op, en zei: "Adieu, ik ga nu ... ik kom gauw terug...", kuste haar niet meer, gaf enkel nog een drukje aan haar linkerhand..., toen wèg.... Ze bleef in zalig na-genieten achter....
En Paul liep door de hei, wild dravend als een jongen soms, met sprongen, armgezwaai en kreten van plezier..., dan weer langzaam, peinzend, starend voor zich uit, met wijde oogen, open handen, 't hoofd wat achterover.... De zon kwam op, de vogels tjielpten. Hij zag het zwellen van den hemelgloed, het schitteren van de stralen fel weerkaatst door witte wolken goud-gerand, hij zag 't herleven van het wonder-diepe blauw, de teere wazen, 't stille boomen-groen-en-geel, het bruin en lila-bruin en lila van de hei, van al de andere aardsche kleuren, en de glinstering van 't zuivere dauwvocht.... Toch, dacht hij, is haar ziel nog mooier, o! die lichte ziel die door haar oogen schijnt ...
Soms stond hij plotsling stil, blikte om zich heen en naar den hemel op, met diepe zuchten.... Hij kon het nog niet aan, zijn nieuw geluk.... Hij was beklemd van dankbaarheid, genot en liefdevolheid.... Nooit had hij zóó het leven liefgehad.