BEEKZANG, AAN KATHARINA.Wijkerbietje, die bij 't beekjeNestelt, en geeft menig steekjeDie uw honig komt te dicht[1];Wakker nymfje! die zoo klaartjesMet uw oogjes, op de blaârtjesFlikkert, blikkert, straalt, en licht;—Zeg mij, meisje! die zoo netjes,Poezelachtig zijt, en vetjes,Levend, helder, welgedaan!Waarvan moog je zoo wel tieren,Daar al de andre arme dieren[2]Bleek en treurig kwijnen gaan?Eet je slaatje met een eitje?Drink je niet dan schapeweitje?Pluk je moesjen[3]uit den tuin?Bak je struifjes van de kruitjes?Trek je heen, na zomerbuitjes,Om lamprei en k'nijn, in duin?Slaap je op dons van witte zwaantjes?Lek je muskadelle traantjes?Hou je een ongemeenen stijl?Leg je in schim[4]van koele boompjes?Droom je daar geen andere droompjesAls van suiker uit Brezijl?Zwem je in lachjes en genuchtjes?Leeft uw geest in zotte[5]kluchtjes?Springt uw zieltjen in uw lijf?Erf je niet als heil en zegen?Ben je juist van pas geregen,Niet te los, noch niet te stijf?Zeg het toch uw medemeisjes,Vol zwaarmoedige gepeisjes,Heel uw speelnoots algelijk;Red die diertjens van haar tering,Onderkruip den Haes[6]zijn neering,En wordt dokter van de Wijk.[1]te nabij.[2]meisjens.[3]groente, kruiden.[4]Schaduw.[5]Zoo lees ik voorzoete, dat niet anders dan een drukfeil of een latere wijziging is; zie 't aangeteekende hiervoor, bl. 168, aant.4.[6]Den Wijkschen geneesheer.
Wijkerbietje, die bij 't beekjeNestelt, en geeft menig steekjeDie uw honig komt te dicht[1];Wakker nymfje! die zoo klaartjesMet uw oogjes, op de blaârtjesFlikkert, blikkert, straalt, en licht;—Zeg mij, meisje! die zoo netjes,Poezelachtig zijt, en vetjes,Levend, helder, welgedaan!Waarvan moog je zoo wel tieren,Daar al de andre arme dieren[2]Bleek en treurig kwijnen gaan?Eet je slaatje met een eitje?Drink je niet dan schapeweitje?Pluk je moesjen[3]uit den tuin?Bak je struifjes van de kruitjes?Trek je heen, na zomerbuitjes,Om lamprei en k'nijn, in duin?Slaap je op dons van witte zwaantjes?Lek je muskadelle traantjes?Hou je een ongemeenen stijl?Leg je in schim[4]van koele boompjes?Droom je daar geen andere droompjesAls van suiker uit Brezijl?Zwem je in lachjes en genuchtjes?Leeft uw geest in zotte[5]kluchtjes?Springt uw zieltjen in uw lijf?Erf je niet als heil en zegen?Ben je juist van pas geregen,Niet te los, noch niet te stijf?Zeg het toch uw medemeisjes,Vol zwaarmoedige gepeisjes,Heel uw speelnoots algelijk;Red die diertjens van haar tering,Onderkruip den Haes[6]zijn neering,En wordt dokter van de Wijk.
Wijkerbietje, die bij 't beekjeNestelt, en geeft menig steekjeDie uw honig komt te dicht[1];Wakker nymfje! die zoo klaartjesMet uw oogjes, op de blaârtjesFlikkert, blikkert, straalt, en licht;—Zeg mij, meisje! die zoo netjes,Poezelachtig zijt, en vetjes,Levend, helder, welgedaan!Waarvan moog je zoo wel tieren,Daar al de andre arme dieren[2]Bleek en treurig kwijnen gaan?Eet je slaatje met een eitje?Drink je niet dan schapeweitje?Pluk je moesjen[3]uit den tuin?Bak je struifjes van de kruitjes?Trek je heen, na zomerbuitjes,Om lamprei en k'nijn, in duin?Slaap je op dons van witte zwaantjes?Lek je muskadelle traantjes?Hou je een ongemeenen stijl?Leg je in schim[4]van koele boompjes?Droom je daar geen andere droompjesAls van suiker uit Brezijl?Zwem je in lachjes en genuchtjes?Leeft uw geest in zotte[5]kluchtjes?Springt uw zieltjen in uw lijf?Erf je niet als heil en zegen?Ben je juist van pas geregen,Niet te los, noch niet te stijf?Zeg het toch uw medemeisjes,Vol zwaarmoedige gepeisjes,Heel uw speelnoots algelijk;Red die diertjens van haar tering,Onderkruip den Haes[6]zijn neering,En wordt dokter van de Wijk.
Wijkerbietje, die bij 't beekjeNestelt, en geeft menig steekjeDie uw honig komt te dicht[1];Wakker nymfje! die zoo klaartjesMet uw oogjes, op de blaârtjesFlikkert, blikkert, straalt, en licht;—
Wijkerbietje, die bij 't beekje
Nestelt, en geeft menig steekje
Die uw honig komt te dicht[1];
Wakker nymfje! die zoo klaartjes
Met uw oogjes, op de blaârtjes
Flikkert, blikkert, straalt, en licht;—
Zeg mij, meisje! die zoo netjes,Poezelachtig zijt, en vetjes,Levend, helder, welgedaan!Waarvan moog je zoo wel tieren,Daar al de andre arme dieren[2]Bleek en treurig kwijnen gaan?
Zeg mij, meisje! die zoo netjes,
Poezelachtig zijt, en vetjes,
Levend, helder, welgedaan!
Waarvan moog je zoo wel tieren,
Daar al de andre arme dieren[2]
Bleek en treurig kwijnen gaan?
Eet je slaatje met een eitje?Drink je niet dan schapeweitje?Pluk je moesjen[3]uit den tuin?Bak je struifjes van de kruitjes?Trek je heen, na zomerbuitjes,Om lamprei en k'nijn, in duin?
Eet je slaatje met een eitje?
Drink je niet dan schapeweitje?
Pluk je moesjen[3]uit den tuin?
Bak je struifjes van de kruitjes?
Trek je heen, na zomerbuitjes,
Om lamprei en k'nijn, in duin?
Slaap je op dons van witte zwaantjes?Lek je muskadelle traantjes?Hou je een ongemeenen stijl?Leg je in schim[4]van koele boompjes?Droom je daar geen andere droompjesAls van suiker uit Brezijl?
Slaap je op dons van witte zwaantjes?
Lek je muskadelle traantjes?
Hou je een ongemeenen stijl?
Leg je in schim[4]van koele boompjes?
Droom je daar geen andere droompjes
Als van suiker uit Brezijl?
Zwem je in lachjes en genuchtjes?Leeft uw geest in zotte[5]kluchtjes?Springt uw zieltjen in uw lijf?Erf je niet als heil en zegen?Ben je juist van pas geregen,Niet te los, noch niet te stijf?
Zwem je in lachjes en genuchtjes?
Leeft uw geest in zotte[5]kluchtjes?
Springt uw zieltjen in uw lijf?
Erf je niet als heil en zegen?
Ben je juist van pas geregen,
Niet te los, noch niet te stijf?
Zeg het toch uw medemeisjes,Vol zwaarmoedige gepeisjes,Heel uw speelnoots algelijk;Red die diertjens van haar tering,Onderkruip den Haes[6]zijn neering,En wordt dokter van de Wijk.
Zeg het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
Heel uw speelnoots algelijk;
Red die diertjens van haar tering,
Onderkruip den Haes[6]zijn neering,
En wordt dokter van de Wijk.
[1]te nabij.
[1]te nabij.
[2]meisjens.
[2]meisjens.
[3]groente, kruiden.
[3]groente, kruiden.
[4]Schaduw.
[4]Schaduw.
[5]Zoo lees ik voorzoete, dat niet anders dan een drukfeil of een latere wijziging is; zie 't aangeteekende hiervoor, bl. 168, aant.4.
[5]Zoo lees ik voorzoete, dat niet anders dan een drukfeil of een latere wijziging is; zie 't aangeteekende hiervoor, bl. 168, aant.4.
[6]Den Wijkschen geneesheer.
[6]Den Wijkschen geneesheer.