Babylonische GevangenisPSALM CXXXVI.Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oeverDer onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;Want d' overwinners ons beloegen[1]in ons kruis,En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!""Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,Vast kreten: "af, rein[2]af, tot op den lesten steen!Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4]en slaat."[1]Thansbelachte; verg. vroeger.[2]Germ. voorzuiver, heelendal.[3]hersenen.[4]klatst, anderskletst; even alssmilt, bij Vondel, voorsmelt.
Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oeverDer onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;Want d' overwinners ons beloegen[1]in ons kruis,En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!""Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,Vast kreten: "af, rein[2]af, tot op den lesten steen!Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4]en slaat."
Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oeverDer onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;Want d' overwinners ons beloegen[1]in ons kruis,En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!""Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,Vast kreten: "af, rein[2]af, tot op den lesten steen!Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4]en slaat."
Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oeverDer onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:
Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,
Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oever
Der onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;
En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,
En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,
En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:
Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;Want d' overwinners ons beloegen[1]in ons kruis,En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!"
Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.
De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;
Want d' overwinners ons beloegen[1]in ons kruis,
En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,
Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,
En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!"
"Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.
"Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,
Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,
Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"
Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,
Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;
Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.
Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.
Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,
En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;
Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,
Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;
De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,
Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.
Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,Vast kreten: "af, rein[2]af, tot op den lesten steen!Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"
Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;
Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,
Vast kreten: "af, rein[2]af, tot op den lesten steen!
Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:
Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;
Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"
Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4]en slaat."
Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,
Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,
Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;
Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!
Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]
Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4]en slaat."
[1]Thansbelachte; verg. vroeger.
[1]Thansbelachte; verg. vroeger.
[2]Germ. voorzuiver, heelendal.
[2]Germ. voorzuiver, heelendal.
[3]hersenen.
[3]hersenen.
[4]klatst, anderskletst; even alssmilt, bij Vondel, voorsmelt.
[4]klatst, anderskletst; even alssmilt, bij Vondel, voorsmelt.