De Tortsen[1]VANALARD KROMBALK,ENTESSELSCHA ROEMERS[2].

De Tortsen[1]VANALARD KROMBALK,ENTESSELSCHA ROEMERS[2].Hoe zal ik 't heilig bed van Roemers dochter roemen?Mijn oog te keurig dwaalt[3]; hier lacht een beemd vol bloemen.O, Amstelnymfen, helpt! Wat[4]Hemelsch drijft mijn geest.Vlecht hoeden[5]en ontsteekt de tortsen van dees feest.Dat zoo veel geesten, als 'er leven in mijn aderen,Naar boven zwevende in mijn harsenen vergaderen!Zij zijn 'er al, ik voel 't, een God bezit mijn ziel,En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.God Jupiters gemaal[6]bewaakte d' AmsterdammersMet haar zorgvuldig oog, na veel geleden jammers,Te liever, mits de wraak[7], verbitterd tegens recht,Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:Want wat toch was verbeurd aan 't goddeloos omhelzenTe wreken van een graaf, die 't edel huis van VelzenGetrappeld had op 't hart, en zulk een vrouw verkracht,Die eerlijk was gehuwd en roemde op haar geslacht;En graaf, die, kweekend een verbitterde gemeente[8],Den ouden adel[8]hoonde, en kwetste ze in 't gebeente!De zuster van Jupijn de stad hieromme wasMet gunst genegen, en herbouwde ze uit haar asch:Zoo dat ze jong te prijk, met 's keizers[9]kroon bepereld,Zat tot verwondering der gansche Kristen wereld,En laadde op zich, om al haar handel en gewoel,Den nijd van nabuursteên, gewijd ten konings-stoel:Maar Juno, niet vernoegd, als die met grooter gavenHaar burgers eeren woû, begaan was, om 's lands havenTe schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolk hing,Wen, na behoude reis, dik[10]vloot op vloot verging,Door tweêr[11]Sireenen zang, wier liefelijke lippenEn snaren Palinuur[12]verlokten op de klippen.Zij stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,Zoo dat vast weêr en wind most luistren naar dees twee,Het bloed van Kallioop[13]; d' een, om haar ongenade,Genoemd werd naar heur aarden strengheid Tessel-schade.Saturnus' dochter[14]dan, met dezen last bezwaard,Hier op den breeden raad der Goden had vergaârd,Die overleîden 't vast en vonden zich verlegen:Want Juno dreef haar stuk, Apollo stond ze tegen.Zij dong op deze wijze: "o, vader van de Goôn!En gij, wier majesteit vereert den hoogen troonDes grooten Dondergods! de spijt verrukt mijn zinnenWen ik gedenk, hoe twee half zee-,half land-meerminnen[15]Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaagt[16]Den opperste, die moed[17]op zijnen bliksem draagt.Mijn stad, wiens burgers staag als wakkre mieren krielen,D' ondragelijke schâ moet boeten van de kielen,Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,Wanneer ze zeilen gaan 's lands haven in den mond:Of rijen[18]op de ree, in pekelschuim gedolven,En staan de barning uit der schrikkelijke golven,Al t' eiselijk aan 't woên geraakt, door spel en zangVan deze zustren, zoet op onzen ondergang.En waarom zit ik traag, die lang behoor te wreken't Geleden leed? of zou 't aan onze magt ontbreken?Dat tuig' de Frygiaan[19], die t' Argos zit geboeid,Priaams geslachtboom, tot den wortel uitgeroeid:Dat tuig' de bastertzoon[20], ten leste vrijgevochtenDwars heen door afgronds spook en leelijke gedrochten,Door zoo veel ongevals en ramps, hem voor de scheenGesprongen, om mijn spijt te wreken aan Alkmeen[21].En slechtte ik niet tot puin Karthago's hooge vesten?En slaan we rijken niet met doodelijke pesten,En met het scharpe zwaard van bittren hongersnood,Die de arme zondaars pijnt met een gerekte dood?Ik had Neptuun getergd, dat hij 't zich zoude belgen,En door een zeegedrocht dien havenvloek verdelgen,Tot heil van Amstelland, en wasdom van den staat:Maar ben, 'k en weet niet hoe, veranderd van beraad,En leg[22]vast over[22], om, door zachte hylikswettenEn bruiloften, haar hart en zinnen te verletten[23],Door kuische en heilge zucht om telen haars gelijk.Dat dan voor dit besluit mijn eersten ijver wijk',En dees vergadering, na ernstig overwegen,Dit stemme, en daartoe spreek' een algemeenen zegen!"Zij zweeg en hoorde toe. 't Gemompel ging rondom.Elk overwoeg 't; aleen Apollo zat 'er stom,En kropte zijn verdriet, en toonde zich t' onvrede.Ten leste rees hij op, en borst met deze redeOp Juno's voorstel uit: "Nooit onbeschaamder eischEn klonk 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche paleis.Heeft Ganimeed te mild zijn stiefmoêrs brein beschonkenMet nectar, dat ze raast, als waar ze dol en dronken?Wat overschrijdt ze 't perk? wat vordert ze op mijn recht?Wat mikt ze op 't zuiver wit, daar geen geschut op hecht?Wat sticht ze hemelbrand, dien niemand uit kan lesschen?T' onbillijk eischt ze 't puik van alle priesteressen,Apollo toegewijd, die, door het gansche jaar,Bewyrooken zijn kerk, en eeren 't hoog autaarMet versche kransen, bont gespikkeld en gevlochten,Met geuren, die ze ons ooit godsdienstelijk toebrochten,Zoo dik zij blaken deên een zuiver offervier,Naar zede geperruikt met heiligen laurier.Zwijg Juno! die u toont zoo ruw en onbescheeden[24].Zij zijn aan mij verloofd door dier gezworen eeden.Mijn dochters, wacht[25]uw dienst! mijn koorgewaad u dekk',Dat geen kerkschennis u besprenkel noch bevlekk';Mijn feest uw zorge zij! volhardt in mijn gezangen:En gij[26]voornamelijk, wiens schrandre zinnen hangenAan Tasso's heldenstijl, wiens assche gij beroert,En zoo hoogdravend[27]door ons Holland spelen voert,En durft met Godefroy[28]den oorloog u getroosten,En hitst de Westersche slagordens aan[29]het Oosten,En noopt[30]den klepper, die het stof omwroet verhit,En schuimbekt op zijn draf, en knabbelt het gebit.Gij mede, mijn Sibyl[31]! die namaals nog zult melden,En zetten op 't autaar het hoofd van Hollands helden,'t Welk worstelde met raad, en, dapper van gemoed,Voor 't recht des vaderlands vergoot zijn edel bloed.Geen God noch geen Godin beroof me van dees panden.Mijn voedsterkinders zijn 't, zij voên mijn offeranden,De galm van snarenspel haar mond volgt, vol van God,Mijn vloeren zij betreên, mijn tempel is haar lot[32]."Neptuun hier door gesteurd, borst harder uit en grover:"Wat geest drijft Cynthius[33]? wat dwaasheid komt hem over,Dat hij der Goden raad wil meestren met zijn stem,Als of elk luisteren most naar hen niet, maar naar hem?Als waar zijn woord een wet? of leert hij ons nu schuwenDe bruiloften, en zet de kuischheid boven 't huwen?Zoo deê hij zeker niet, toen Dafne, langs den stroomVan Peneus ademloos, veranderde in een boom;In eenen boom, dien hij, noch minnend, met zijn armenZoo liefelijk omhelst, en arbeidt[34]te verwarmen.Zoo deê hij zeker niet, toen 't bosch van PelionMet pijnbooms-schaduw hem zoo dicht niet dekken kon,Of d' een of d' andre nymf wist datelijk[35]te zeggen,Hoe hij Cyrene daar den gordel af deê leggen,En versche rozen las, gedoodverfd van de schaamt,En kreukte 't kruidje, vrij wat stouter dan 't betaamt,En zette ze in zijn kar, van waar ze mocht beschouwenThessaliën, en al de omliggende landouwen.En waarom luidt dit vreemd? hij aardt toch naar Latoon,Meer dan zijn zuster doet, en draagt zich als een zoonDe moeder heel gelijk; ontloochent hij dees treken,De knapen, die gekruifd[36]hem melden[37], zullen spreken."De Zeevoogd sprak dit niet, of d'[38]hemel was gesplitst:En hoe men langer keef, te feller rees de twist.Wat bleef' er ongerept? wat dorst men niet verwijten?Van schaamte krompen de klaarblinkende tapijten.Jupijn bleef onverschoond, zoo ging 't er schendig toe:Men smaalde op zijn beerin[39], men schrolde op zijne koe[39],Op Danaë, bewaakt van honden, graft, en toornen,Op Kadmus' zuster[40], die den stier hing aan zijn hoornen;Ik zwijg van Ganimeed, en andre ranken[41]meer,Al wrokkende opgeveild, doch luttel, tot zijn eer:Zoo dat de diepe zaal te barsten scheen van 't razen:Want 't ging er als een zee, van winden opgeblazen,Niet machtig meer zich zelf, als die geen strand en houdt,En ziedend het gestarnt besprenkelt met haar zout;Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,Die nu drijft reddeloos op 's onweêrs ongenade:Of als in 't vlakke veld d' aanschennende trompet,'t Geknarsetand van 't staal, naar billijkheid noch wetDoet luisteren den moord, wiens breidelooze bendenGaan weyen in een oegst van allerleye ellenden.Maar toen der Goden hoofd de daken van de luchtBetoomde, en zette neêr het onbetoomd gerucht,Heeft Mars vol viers de zaak, tot Juno's baat en voordeel,Aldus hervat: "Elk een die wachte zich, een oordeelTe vellen over 't pleit en 't hangende geschil,Dat niet rechtmatig stemt met mijn vrouw moeders wil,Of 'k zweer, dees degen zal haar smart en wonden heelen;Dees stoelen[42]zijn gescheurd te bitter in twee deelen,Waar van het strengste leunt en helt op onze zij;Daar steun ik zeker op, dat oogt alleen op mij.Ik moedig ze de borst, om rustig aan te spannen,En d' overigen hoop van zijn gezag t' ontmannen.Geen wetten gelden hier, noch heilig oud gebruik;'t Belieft ons, 't zij genoeg; dat elk voor moeder duik'.Al zou de trotsche troon van Jupiter ten lesteZien storten al de Goôn van 's Hemels hooge veste:Het eertijds glinstrend goud, 't welk nooit iet sterflijks zag,Ontluisterd door veel stofs, beweven van het ragEn spinnekoppenweb; de laaggezeten menschenDen outer weigeren de wyrooken, met wenschen,Met zuchten, met gebeên en aandachts zout gemengd,En allen dienst geschort, die zaligheid toebrengt.""Zacht, zacht, al hoog genoeg!" riep Liber[43], "wij verwarrenDoor 't schelden meer en meer; die 't vrije hof der starrenBeheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang.Die brouwt des zelfs bederf, en haast ten ondergang,Noch smaakt iet goddelijks; al is 't, dat wij bekleeden[44]Het purper en rood goud van dit gestoelt, en tredenOp vloeren van turkois en flonkerdiamant,En zetten met een wenk de rijken naar ons hand;Wij zijn met eed verplicht, en onderling verbondenAan wetten, eens gesmeed om niet te zijn geschonden;Wie los maakt dezen band, een houvast van den staat,Daar oogt men op, als een die toeleît op verraad,En wetteloos zich durf[45]verzetten tegens d' orden,En van een rijksgenoot een vijand zij[45]geworden.Men moet 't bijzonder en 't gemeen met onderscheidRecht schiften, en voor al in dit zwaarwichtig pleit:'t En staat 't gemeen niet vrij, te keeren het bijzonderRecht tot zijn eigen baat, of 't bovenste raakt onder.Een beyert[46]leit er, wilme' ontstrenglen dezen knoop.Ik zie den Hemel woest, de machten overhoop,Ten zij men zachter ga: dus laat zich de Godessen[47],Wie zuiverheid gevalt en eeuwigdurend lesschen[48]Van Venus' minnevlam, verklaren in de zaak;Op dat men niemand kwetse, en eindelijk de wraak,Van 't wrokkend ongelijk verbitterd en bezeten,Maak rechter van haar leed, te dol en Godvergeten."Toen dees Godinnen tijd om spreken was gegond,Daar lang om was gejankt, zoo riepen ze uit één mond:"Waar staan we, voor wiens troon? 't is ver genoeg gekommen,Nu men in twijfel trekt 't oud recht en de eigendommen,Ons toegestaan van 't hof, en[49]d' OppermajesteitDer hemelvoogden zelfs, die trouw en heiligheidEn waarheid en eenvoud omhelsden, toen ze zwoeren,Die[50]om[51]meineedigheid de bliksemslingers voeren,En dondren naar beneên, en barsten uit een wolk,Tot schennis van in deugd hen overtreffend volk!Die[52]'t spierwit nonnenkleed uittrekken durf[53]en woeden,Ontblooten durf[53]van vreê veel Hemelsche gemoeden,Versteuren allen plicht, die de eer der Goôn ophoudt.Waar toe godvruchtiglijk autaar en kerk gebouwd?Waar toe met kerkgebaar de inwijding onzes tempels,Indien ons lust nu sticht, nu vier geeft[54]op ons drempels?Dees twee Sibyllen, ooit[55]een uitgelezenst puik,Met onverwelkte blaân beschaduwd om de pruik,Zijn veel te dier verplicht; zij strengelen en breyenDe kransen van ons eer; de dansen zij beleyenDer reyen nimmer moede, en koesteren den zwarm,Wiens ijver onvermoeid houdt de offersteden[56]warm.Wij stemmen 't nimmermeer noch laten 't ons behagen!"Jupijn, beducht voor veede[57]en droeve nederlagen,En in zich zelven gram, verrijzend uit den dut[58],Zijn bliksemzwaayend hoofd tot driemaal vreeslijk schudt.Waardoor al wat 'er zat sprietoogde, van de stralenEn 't weêrlicht, schitterend in 's Hemels diepe zalen,Geslagen met ontzag. Ten leste werd gehoordDes grooten Vaders stem: "Wie zijt ge, die verstoortDer zaligheden rust door al te hevig woelen,En jaagt den lieven vrede uit dees geruste stoelen?Of mijne gemalin, 't geen zij te strenge dreef,En Delius[59]'t geding alleen aan mij verbleef,Dat ik ze als middelaar op 't voegelijkst mocht scheyen,Men vond misschien een weg tot redding tusschen beyen."Na rede en wederrede en onderling beraân,Werd de uitspraak aan Jupijn van weêrzij toegestaan,Die dus het vonnis velde: "Apollo zal gedoogenHet huwelijk van haar, wier opgeslagen oogenZijn Godheid eeren; doch en zal in allen schijnDit tot zijn nadeel niet te verr' getrokken zijn,Alsof hij afstand deê van 't recht hem opgedragen.Ook zijn door 't juk des echts dees nymfen niet ontslagenVan koor en kerrekdienst; daarbij zal de eerste vruchtVan 't bruiloftsbed, geteeld in 's levens vrije lucht,Apollo zijn gewijd!" hij zweeg, en daar op loegenDe onsterfelijke Goôn, en dronken met genoegenMalkandren vrede toe; "waartoe zoo veel geschilsEn oorloogs!" riepen zij, "Jupijn guntELK WAT WILS[60]."Men scheidde zonder twist: doch Febus, in 't vertrekken,Sprong morrende op zijn kar, en deê de paarden rekken.Het aardrijk, door geen droef en donker voorspook, rasGewaar werd, dat om hoog wat groots besloten was.Een paar op vetten roof wel afgerechte valkenTwee duiven voerden weg, en kwamen ze verschalken,Op 't hooge torendak, dat Schreyers Hoek bewaakt[61].De schildwacht, toen 't gestarnte aan 't vallen was geraakt,Van verre in 't zeilrijk Y, met lachende geschater,Een waterlandschen rei zag trippelen op 't water,Met fakkelen vercierd en nimmer dorre blaân.En de oude burregwal, die hoorde een blijde zwaanGeluid slaan met haar keel, die zij zoo kon bedwingen,Alsof ze eens uit de borst het bruiloftlied wou zingen.De wijngaard aan de straat, geleid van maagdenhand.Tot daar 't gehemelt dekt de nonneledekant[62],Hing zwanger, in een nacht, van rijpe muscadellen:Waaruit men mocht de vreugd van 't nakend huwlijk spellen.Ik kreeg aan 't huwelijk ook kennis in den droom.Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:D' een, uit een parkement of half gerolde cedel,Las noten[63]met haar galm, en d' ander met een vedel;Waar op een heele zoô dolfijnen onvermoeid,Als door Arions harp bekoord, kwam aangeroeid;De twee vrijpostigste voor andren nader zwommen.De jonffers schrijelings uit dartelheid beklommenDe visschen glad van huid (ik dacht, hoe wil 't hier gaan?),Die na een keer of twee haar voerden Noordwaart aan,En gaven zich in 't diep; de doodsche[64]maagden kreten,En daar meê was de lust van zang en spel vergeten,'t Muziekblad en de veêl ten beste voor den vloed.D' een reikte d' andre toe met d' armen het gemoed.Zij huilden vast om hulp en redding, maar ze ontbrak er,En door dit droef misbaar ontsprong[65]ik en werd wakker.Een wijl hierna geviel 't, toen dezer dochtren geestKerkplechtig bezig was, om vieren 't jaarlijksch feest[66]Met lofzang en gebeên, gelijk ze 't noô versloffen,Dat d' een, van 't kerkgewelf, werd in de borst getroffen,Met geen geveêrden schicht, maar gloeyendige koolOf kogel, haar gegund[67]van eenig kleen pistool.Zij zwijmde voor 't autaar, eer dat haar de oudste redde,Die greep de doode, en droeg ze op 't hylikschuwe bedde."Ach, zuster!" sprak zij, "ach! wat deert u? is het ookEen flaauwigheid, gevat van een vergiften rook[68]?Of is het hart benaauwd, om dat uw ijver hedenAl t' ijvrig heeft gevast, geworsteld met gebeden?""Neen," zuchtte 't levend lijk, "dit is 't niet, dat me schort;Mijn boezem is vol viers, mijn ziel gepijnigd wordt.Breng drank, breng lafenis! 't zijn enkel heete kortsen,Mijn boezem is vol brands; wat blaken mij al tortsen!"In 't end rook Anna, hoe die korts[69]haar oorsprong namUi geen onkuischen brand, maar eerelijke vlam,En eerst[70]gezette zucht tot huwen en tot telen.Zij troost haar al bedrukt; zij voert haar zinnen spelen,Of zij verleyen[71]mocht dat opzet door bericht[72],En zong ze voor den lof van kuische maagdeplicht:Helaas! maar al vergeefs! Vergeefs men om wil stooten,'t Geen eenmaal van den nood gestemd[73]is en besloten.Dit bleek eerst, toen de faam op Schreyers-toren zat,En "bruiloft, bruiloft!" blies, en noodigde al de stadOp 't schaterend banket, beluit met zoete rijmen[74].Van 't Noorden[75]Krombalk kwam, verzelschapt met God Hymen,Met heele en halve Goôn; van 't helder Oosten tradGod Jupiters geslacht[76], op zijne gaven prat,Met zang en snarenspel voor bruids en bruigoms voeten,Om met een bruiloftlied 't gelukkig paar te groeten.[1]VoorBruilofts-ofHuwlijksfakkels.[2]November 1623.[3]heeft te veel keurs, weet niet wat te kiezen.[4]Iets.[5]kransen; zie vroeger.[6]Thans verouderd voorgemalin. Juno (Jupiters zuster en gade) was van ouds de huwelijksgodin.[7]Na den dood van Floris V. Vondel springt hier vervolgens met "der keerlen God" vrij aristocratisch om. Daar hij echter van Juno, in haar aangegeven waardigheid, spreekt, kan hij wel niet anders dan den vermeenden hoon van Velzen bitter hekelen.[8]Zie de vorige aant.[9]Of liever Roomsch-konings (gelijk Van L. te recht opmerkt), haar in 1489 door Maximiliaan voor bewezen dienst geschonken.[10]Thans alleen in zamenstelling (dikwerf, dikwijls, dikmaal, enz.) gebruikelijk, maar van gelijke beteekenis.[11]Van twee.[12]Zie boven, bl. 16a, aant.164.[13]De muze van 't Heldendicht, hier waarschijnlijk om de door Tess. ondernomen vertaling van Tasso vermeld; verg. lager.[14]Juno.[15]Naar Van Lenneps opmerking, denkelijk om hare woning bij den Schreyerstoren, half boven 't water.[16]Thansdoet versagen.[17]trots, roem; verg. vroeger.[18]voor anker liggen; zie bl.138.[19]Trojaan.[20]Van Jupiter, Hercules; Juno was, als men weet, weinig malsch op dat punt.[21]Hercules' moeder.[22]Min juist vooroverleg, daar, bij dergelijke overdrachtig gebezigde woorden, het voorzetsel onafscheidbaar is; minder door een "gril" van 't taalgebruik (gelijk V. L. wil), dan wel als de natuurlijke werking van den niet meer levenden, maar, door die overdracht, als verstijfden woord vorm.[23]in te nemen, af te leiden.[24]onbescheiden.[25]bezorgt, doet.[26]Tesselschade; zie boven.[27]Voorverheven; zie vroeger.[28]Tasso's hoofdheld, Godfried van Bouillon.[29]tegen.[30]spoort, aanzet.[31]Anna: zie boven, in haar Geboortedicht, bl.150.[32]deel, bestemming.[33]Apollo.[34]zich moeite geeft, tracht.[35]Thansdadelijk.[36]gekruld.[37]hem (als hun vader)verklappen.[38]Zoo lees ik voorde, dat mij (met de verharding der h) eene latere wijziging schijnt, maar den zin onverstaanbaar maakt.[39]De nymfen Calisto en Iö.[40]Europa.[41]stukjens; verg. vroeger.[42]zetels, plaats.[43]Bacchus.[44]bezetten.[45]Voordurft(of lieverdert) enis.[46]bayert, chaos.[47]Diana en Vesta.[48]Rijmshalve voordooven, versmoren.[49]Versta:en nu.[50]Versta:nu die.[51]voor.[52]Nu die.[53]Voor 't meerv.durven, maar waarschijnlijk met het oog op deOppermajesteitvan zes regels vroeger.[54]wellust nu behaagt en offert.[55]Wellicht zal menonsmoeten lezen, daar 't volgendeverplichtanders geheel in de lucht hangt.[56]offerplaatsen.[57]twist(andersveete); van 't verlorenveënofviën, vanwaar ookvijand.[58]mijmering; zie vroeger.[59]Apollo(als, naar de overlevering, op Delos geboren).[60]Vader Roemer Visscher's welbekende spreuk.[61]Zie boven, bl.160a, aant.15.[62]het maagdelijke bed.[63]zong.[64]doodsbangeofbleeke.[65]sprong ik(uit den slaap)op.[66]Dat van Paschen, naar 't schijnt.[67]toegediend.[68]reuk.[69]koorts(gelijktortsvoor onstoorts).[70]pas.[71]afleiden, afweren.[72]toespraak.[73]bepaald; zie vroeger.[74]Spreek uit met open i.[75]Uit Alkmaar.[76]Versta:dichters en zangers.

Hoe zal ik 't heilig bed van Roemers dochter roemen?Mijn oog te keurig dwaalt[3]; hier lacht een beemd vol bloemen.O, Amstelnymfen, helpt! Wat[4]Hemelsch drijft mijn geest.Vlecht hoeden[5]en ontsteekt de tortsen van dees feest.Dat zoo veel geesten, als 'er leven in mijn aderen,Naar boven zwevende in mijn harsenen vergaderen!Zij zijn 'er al, ik voel 't, een God bezit mijn ziel,En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.God Jupiters gemaal[6]bewaakte d' AmsterdammersMet haar zorgvuldig oog, na veel geleden jammers,Te liever, mits de wraak[7], verbitterd tegens recht,Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:Want wat toch was verbeurd aan 't goddeloos omhelzenTe wreken van een graaf, die 't edel huis van VelzenGetrappeld had op 't hart, en zulk een vrouw verkracht,Die eerlijk was gehuwd en roemde op haar geslacht;En graaf, die, kweekend een verbitterde gemeente[8],Den ouden adel[8]hoonde, en kwetste ze in 't gebeente!De zuster van Jupijn de stad hieromme wasMet gunst genegen, en herbouwde ze uit haar asch:Zoo dat ze jong te prijk, met 's keizers[9]kroon bepereld,Zat tot verwondering der gansche Kristen wereld,En laadde op zich, om al haar handel en gewoel,Den nijd van nabuursteên, gewijd ten konings-stoel:Maar Juno, niet vernoegd, als die met grooter gavenHaar burgers eeren woû, begaan was, om 's lands havenTe schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolk hing,Wen, na behoude reis, dik[10]vloot op vloot verging,Door tweêr[11]Sireenen zang, wier liefelijke lippenEn snaren Palinuur[12]verlokten op de klippen.Zij stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,Zoo dat vast weêr en wind most luistren naar dees twee,Het bloed van Kallioop[13]; d' een, om haar ongenade,Genoemd werd naar heur aarden strengheid Tessel-schade.Saturnus' dochter[14]dan, met dezen last bezwaard,Hier op den breeden raad der Goden had vergaârd,Die overleîden 't vast en vonden zich verlegen:Want Juno dreef haar stuk, Apollo stond ze tegen.Zij dong op deze wijze: "o, vader van de Goôn!En gij, wier majesteit vereert den hoogen troonDes grooten Dondergods! de spijt verrukt mijn zinnenWen ik gedenk, hoe twee half zee-,half land-meerminnen[15]Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaagt[16]Den opperste, die moed[17]op zijnen bliksem draagt.Mijn stad, wiens burgers staag als wakkre mieren krielen,D' ondragelijke schâ moet boeten van de kielen,Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,Wanneer ze zeilen gaan 's lands haven in den mond:Of rijen[18]op de ree, in pekelschuim gedolven,En staan de barning uit der schrikkelijke golven,Al t' eiselijk aan 't woên geraakt, door spel en zangVan deze zustren, zoet op onzen ondergang.En waarom zit ik traag, die lang behoor te wreken't Geleden leed? of zou 't aan onze magt ontbreken?Dat tuig' de Frygiaan[19], die t' Argos zit geboeid,Priaams geslachtboom, tot den wortel uitgeroeid:Dat tuig' de bastertzoon[20], ten leste vrijgevochtenDwars heen door afgronds spook en leelijke gedrochten,Door zoo veel ongevals en ramps, hem voor de scheenGesprongen, om mijn spijt te wreken aan Alkmeen[21].En slechtte ik niet tot puin Karthago's hooge vesten?En slaan we rijken niet met doodelijke pesten,En met het scharpe zwaard van bittren hongersnood,Die de arme zondaars pijnt met een gerekte dood?Ik had Neptuun getergd, dat hij 't zich zoude belgen,En door een zeegedrocht dien havenvloek verdelgen,Tot heil van Amstelland, en wasdom van den staat:Maar ben, 'k en weet niet hoe, veranderd van beraad,En leg[22]vast over[22], om, door zachte hylikswettenEn bruiloften, haar hart en zinnen te verletten[23],Door kuische en heilge zucht om telen haars gelijk.Dat dan voor dit besluit mijn eersten ijver wijk',En dees vergadering, na ernstig overwegen,Dit stemme, en daartoe spreek' een algemeenen zegen!"Zij zweeg en hoorde toe. 't Gemompel ging rondom.Elk overwoeg 't; aleen Apollo zat 'er stom,En kropte zijn verdriet, en toonde zich t' onvrede.Ten leste rees hij op, en borst met deze redeOp Juno's voorstel uit: "Nooit onbeschaamder eischEn klonk 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche paleis.Heeft Ganimeed te mild zijn stiefmoêrs brein beschonkenMet nectar, dat ze raast, als waar ze dol en dronken?Wat overschrijdt ze 't perk? wat vordert ze op mijn recht?Wat mikt ze op 't zuiver wit, daar geen geschut op hecht?Wat sticht ze hemelbrand, dien niemand uit kan lesschen?T' onbillijk eischt ze 't puik van alle priesteressen,Apollo toegewijd, die, door het gansche jaar,Bewyrooken zijn kerk, en eeren 't hoog autaarMet versche kransen, bont gespikkeld en gevlochten,Met geuren, die ze ons ooit godsdienstelijk toebrochten,Zoo dik zij blaken deên een zuiver offervier,Naar zede geperruikt met heiligen laurier.Zwijg Juno! die u toont zoo ruw en onbescheeden[24].Zij zijn aan mij verloofd door dier gezworen eeden.Mijn dochters, wacht[25]uw dienst! mijn koorgewaad u dekk',Dat geen kerkschennis u besprenkel noch bevlekk';Mijn feest uw zorge zij! volhardt in mijn gezangen:En gij[26]voornamelijk, wiens schrandre zinnen hangenAan Tasso's heldenstijl, wiens assche gij beroert,En zoo hoogdravend[27]door ons Holland spelen voert,En durft met Godefroy[28]den oorloog u getroosten,En hitst de Westersche slagordens aan[29]het Oosten,En noopt[30]den klepper, die het stof omwroet verhit,En schuimbekt op zijn draf, en knabbelt het gebit.Gij mede, mijn Sibyl[31]! die namaals nog zult melden,En zetten op 't autaar het hoofd van Hollands helden,'t Welk worstelde met raad, en, dapper van gemoed,Voor 't recht des vaderlands vergoot zijn edel bloed.Geen God noch geen Godin beroof me van dees panden.Mijn voedsterkinders zijn 't, zij voên mijn offeranden,De galm van snarenspel haar mond volgt, vol van God,Mijn vloeren zij betreên, mijn tempel is haar lot[32]."Neptuun hier door gesteurd, borst harder uit en grover:"Wat geest drijft Cynthius[33]? wat dwaasheid komt hem over,Dat hij der Goden raad wil meestren met zijn stem,Als of elk luisteren most naar hen niet, maar naar hem?Als waar zijn woord een wet? of leert hij ons nu schuwenDe bruiloften, en zet de kuischheid boven 't huwen?Zoo deê hij zeker niet, toen Dafne, langs den stroomVan Peneus ademloos, veranderde in een boom;In eenen boom, dien hij, noch minnend, met zijn armenZoo liefelijk omhelst, en arbeidt[34]te verwarmen.Zoo deê hij zeker niet, toen 't bosch van PelionMet pijnbooms-schaduw hem zoo dicht niet dekken kon,Of d' een of d' andre nymf wist datelijk[35]te zeggen,Hoe hij Cyrene daar den gordel af deê leggen,En versche rozen las, gedoodverfd van de schaamt,En kreukte 't kruidje, vrij wat stouter dan 't betaamt,En zette ze in zijn kar, van waar ze mocht beschouwenThessaliën, en al de omliggende landouwen.En waarom luidt dit vreemd? hij aardt toch naar Latoon,Meer dan zijn zuster doet, en draagt zich als een zoonDe moeder heel gelijk; ontloochent hij dees treken,De knapen, die gekruifd[36]hem melden[37], zullen spreken."De Zeevoogd sprak dit niet, of d'[38]hemel was gesplitst:En hoe men langer keef, te feller rees de twist.Wat bleef' er ongerept? wat dorst men niet verwijten?Van schaamte krompen de klaarblinkende tapijten.Jupijn bleef onverschoond, zoo ging 't er schendig toe:Men smaalde op zijn beerin[39], men schrolde op zijne koe[39],Op Danaë, bewaakt van honden, graft, en toornen,Op Kadmus' zuster[40], die den stier hing aan zijn hoornen;Ik zwijg van Ganimeed, en andre ranken[41]meer,Al wrokkende opgeveild, doch luttel, tot zijn eer:Zoo dat de diepe zaal te barsten scheen van 't razen:Want 't ging er als een zee, van winden opgeblazen,Niet machtig meer zich zelf, als die geen strand en houdt,En ziedend het gestarnt besprenkelt met haar zout;Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,Die nu drijft reddeloos op 's onweêrs ongenade:Of als in 't vlakke veld d' aanschennende trompet,'t Geknarsetand van 't staal, naar billijkheid noch wetDoet luisteren den moord, wiens breidelooze bendenGaan weyen in een oegst van allerleye ellenden.Maar toen der Goden hoofd de daken van de luchtBetoomde, en zette neêr het onbetoomd gerucht,Heeft Mars vol viers de zaak, tot Juno's baat en voordeel,Aldus hervat: "Elk een die wachte zich, een oordeelTe vellen over 't pleit en 't hangende geschil,Dat niet rechtmatig stemt met mijn vrouw moeders wil,Of 'k zweer, dees degen zal haar smart en wonden heelen;Dees stoelen[42]zijn gescheurd te bitter in twee deelen,Waar van het strengste leunt en helt op onze zij;Daar steun ik zeker op, dat oogt alleen op mij.Ik moedig ze de borst, om rustig aan te spannen,En d' overigen hoop van zijn gezag t' ontmannen.Geen wetten gelden hier, noch heilig oud gebruik;'t Belieft ons, 't zij genoeg; dat elk voor moeder duik'.Al zou de trotsche troon van Jupiter ten lesteZien storten al de Goôn van 's Hemels hooge veste:Het eertijds glinstrend goud, 't welk nooit iet sterflijks zag,Ontluisterd door veel stofs, beweven van het ragEn spinnekoppenweb; de laaggezeten menschenDen outer weigeren de wyrooken, met wenschen,Met zuchten, met gebeên en aandachts zout gemengd,En allen dienst geschort, die zaligheid toebrengt.""Zacht, zacht, al hoog genoeg!" riep Liber[43], "wij verwarrenDoor 't schelden meer en meer; die 't vrije hof der starrenBeheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang.Die brouwt des zelfs bederf, en haast ten ondergang,Noch smaakt iet goddelijks; al is 't, dat wij bekleeden[44]Het purper en rood goud van dit gestoelt, en tredenOp vloeren van turkois en flonkerdiamant,En zetten met een wenk de rijken naar ons hand;Wij zijn met eed verplicht, en onderling verbondenAan wetten, eens gesmeed om niet te zijn geschonden;Wie los maakt dezen band, een houvast van den staat,Daar oogt men op, als een die toeleît op verraad,En wetteloos zich durf[45]verzetten tegens d' orden,En van een rijksgenoot een vijand zij[45]geworden.Men moet 't bijzonder en 't gemeen met onderscheidRecht schiften, en voor al in dit zwaarwichtig pleit:'t En staat 't gemeen niet vrij, te keeren het bijzonderRecht tot zijn eigen baat, of 't bovenste raakt onder.Een beyert[46]leit er, wilme' ontstrenglen dezen knoop.Ik zie den Hemel woest, de machten overhoop,Ten zij men zachter ga: dus laat zich de Godessen[47],Wie zuiverheid gevalt en eeuwigdurend lesschen[48]Van Venus' minnevlam, verklaren in de zaak;Op dat men niemand kwetse, en eindelijk de wraak,Van 't wrokkend ongelijk verbitterd en bezeten,Maak rechter van haar leed, te dol en Godvergeten."Toen dees Godinnen tijd om spreken was gegond,Daar lang om was gejankt, zoo riepen ze uit één mond:"Waar staan we, voor wiens troon? 't is ver genoeg gekommen,Nu men in twijfel trekt 't oud recht en de eigendommen,Ons toegestaan van 't hof, en[49]d' OppermajesteitDer hemelvoogden zelfs, die trouw en heiligheidEn waarheid en eenvoud omhelsden, toen ze zwoeren,Die[50]om[51]meineedigheid de bliksemslingers voeren,En dondren naar beneên, en barsten uit een wolk,Tot schennis van in deugd hen overtreffend volk!Die[52]'t spierwit nonnenkleed uittrekken durf[53]en woeden,Ontblooten durf[53]van vreê veel Hemelsche gemoeden,Versteuren allen plicht, die de eer der Goôn ophoudt.Waar toe godvruchtiglijk autaar en kerk gebouwd?Waar toe met kerkgebaar de inwijding onzes tempels,Indien ons lust nu sticht, nu vier geeft[54]op ons drempels?Dees twee Sibyllen, ooit[55]een uitgelezenst puik,Met onverwelkte blaân beschaduwd om de pruik,Zijn veel te dier verplicht; zij strengelen en breyenDe kransen van ons eer; de dansen zij beleyenDer reyen nimmer moede, en koesteren den zwarm,Wiens ijver onvermoeid houdt de offersteden[56]warm.Wij stemmen 't nimmermeer noch laten 't ons behagen!"Jupijn, beducht voor veede[57]en droeve nederlagen,En in zich zelven gram, verrijzend uit den dut[58],Zijn bliksemzwaayend hoofd tot driemaal vreeslijk schudt.Waardoor al wat 'er zat sprietoogde, van de stralenEn 't weêrlicht, schitterend in 's Hemels diepe zalen,Geslagen met ontzag. Ten leste werd gehoordDes grooten Vaders stem: "Wie zijt ge, die verstoortDer zaligheden rust door al te hevig woelen,En jaagt den lieven vrede uit dees geruste stoelen?Of mijne gemalin, 't geen zij te strenge dreef,En Delius[59]'t geding alleen aan mij verbleef,Dat ik ze als middelaar op 't voegelijkst mocht scheyen,Men vond misschien een weg tot redding tusschen beyen."Na rede en wederrede en onderling beraân,Werd de uitspraak aan Jupijn van weêrzij toegestaan,Die dus het vonnis velde: "Apollo zal gedoogenHet huwelijk van haar, wier opgeslagen oogenZijn Godheid eeren; doch en zal in allen schijnDit tot zijn nadeel niet te verr' getrokken zijn,Alsof hij afstand deê van 't recht hem opgedragen.Ook zijn door 't juk des echts dees nymfen niet ontslagenVan koor en kerrekdienst; daarbij zal de eerste vruchtVan 't bruiloftsbed, geteeld in 's levens vrije lucht,Apollo zijn gewijd!" hij zweeg, en daar op loegenDe onsterfelijke Goôn, en dronken met genoegenMalkandren vrede toe; "waartoe zoo veel geschilsEn oorloogs!" riepen zij, "Jupijn guntELK WAT WILS[60]."Men scheidde zonder twist: doch Febus, in 't vertrekken,Sprong morrende op zijn kar, en deê de paarden rekken.Het aardrijk, door geen droef en donker voorspook, rasGewaar werd, dat om hoog wat groots besloten was.Een paar op vetten roof wel afgerechte valkenTwee duiven voerden weg, en kwamen ze verschalken,Op 't hooge torendak, dat Schreyers Hoek bewaakt[61].De schildwacht, toen 't gestarnte aan 't vallen was geraakt,Van verre in 't zeilrijk Y, met lachende geschater,Een waterlandschen rei zag trippelen op 't water,Met fakkelen vercierd en nimmer dorre blaân.En de oude burregwal, die hoorde een blijde zwaanGeluid slaan met haar keel, die zij zoo kon bedwingen,Alsof ze eens uit de borst het bruiloftlied wou zingen.De wijngaard aan de straat, geleid van maagdenhand.Tot daar 't gehemelt dekt de nonneledekant[62],Hing zwanger, in een nacht, van rijpe muscadellen:Waaruit men mocht de vreugd van 't nakend huwlijk spellen.Ik kreeg aan 't huwelijk ook kennis in den droom.Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:D' een, uit een parkement of half gerolde cedel,Las noten[63]met haar galm, en d' ander met een vedel;Waar op een heele zoô dolfijnen onvermoeid,Als door Arions harp bekoord, kwam aangeroeid;De twee vrijpostigste voor andren nader zwommen.De jonffers schrijelings uit dartelheid beklommenDe visschen glad van huid (ik dacht, hoe wil 't hier gaan?),Die na een keer of twee haar voerden Noordwaart aan,En gaven zich in 't diep; de doodsche[64]maagden kreten,En daar meê was de lust van zang en spel vergeten,'t Muziekblad en de veêl ten beste voor den vloed.D' een reikte d' andre toe met d' armen het gemoed.Zij huilden vast om hulp en redding, maar ze ontbrak er,En door dit droef misbaar ontsprong[65]ik en werd wakker.Een wijl hierna geviel 't, toen dezer dochtren geestKerkplechtig bezig was, om vieren 't jaarlijksch feest[66]Met lofzang en gebeên, gelijk ze 't noô versloffen,Dat d' een, van 't kerkgewelf, werd in de borst getroffen,Met geen geveêrden schicht, maar gloeyendige koolOf kogel, haar gegund[67]van eenig kleen pistool.Zij zwijmde voor 't autaar, eer dat haar de oudste redde,Die greep de doode, en droeg ze op 't hylikschuwe bedde."Ach, zuster!" sprak zij, "ach! wat deert u? is het ookEen flaauwigheid, gevat van een vergiften rook[68]?Of is het hart benaauwd, om dat uw ijver hedenAl t' ijvrig heeft gevast, geworsteld met gebeden?""Neen," zuchtte 't levend lijk, "dit is 't niet, dat me schort;Mijn boezem is vol viers, mijn ziel gepijnigd wordt.Breng drank, breng lafenis! 't zijn enkel heete kortsen,Mijn boezem is vol brands; wat blaken mij al tortsen!"In 't end rook Anna, hoe die korts[69]haar oorsprong namUi geen onkuischen brand, maar eerelijke vlam,En eerst[70]gezette zucht tot huwen en tot telen.Zij troost haar al bedrukt; zij voert haar zinnen spelen,Of zij verleyen[71]mocht dat opzet door bericht[72],En zong ze voor den lof van kuische maagdeplicht:Helaas! maar al vergeefs! Vergeefs men om wil stooten,'t Geen eenmaal van den nood gestemd[73]is en besloten.Dit bleek eerst, toen de faam op Schreyers-toren zat,En "bruiloft, bruiloft!" blies, en noodigde al de stadOp 't schaterend banket, beluit met zoete rijmen[74].Van 't Noorden[75]Krombalk kwam, verzelschapt met God Hymen,Met heele en halve Goôn; van 't helder Oosten tradGod Jupiters geslacht[76], op zijne gaven prat,Met zang en snarenspel voor bruids en bruigoms voeten,Om met een bruiloftlied 't gelukkig paar te groeten.

Hoe zal ik 't heilig bed van Roemers dochter roemen?Mijn oog te keurig dwaalt[3]; hier lacht een beemd vol bloemen.O, Amstelnymfen, helpt! Wat[4]Hemelsch drijft mijn geest.Vlecht hoeden[5]en ontsteekt de tortsen van dees feest.Dat zoo veel geesten, als 'er leven in mijn aderen,Naar boven zwevende in mijn harsenen vergaderen!Zij zijn 'er al, ik voel 't, een God bezit mijn ziel,En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.God Jupiters gemaal[6]bewaakte d' AmsterdammersMet haar zorgvuldig oog, na veel geleden jammers,Te liever, mits de wraak[7], verbitterd tegens recht,Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:Want wat toch was verbeurd aan 't goddeloos omhelzenTe wreken van een graaf, die 't edel huis van VelzenGetrappeld had op 't hart, en zulk een vrouw verkracht,Die eerlijk was gehuwd en roemde op haar geslacht;En graaf, die, kweekend een verbitterde gemeente[8],Den ouden adel[8]hoonde, en kwetste ze in 't gebeente!De zuster van Jupijn de stad hieromme wasMet gunst genegen, en herbouwde ze uit haar asch:Zoo dat ze jong te prijk, met 's keizers[9]kroon bepereld,Zat tot verwondering der gansche Kristen wereld,En laadde op zich, om al haar handel en gewoel,Den nijd van nabuursteên, gewijd ten konings-stoel:Maar Juno, niet vernoegd, als die met grooter gavenHaar burgers eeren woû, begaan was, om 's lands havenTe schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolk hing,Wen, na behoude reis, dik[10]vloot op vloot verging,Door tweêr[11]Sireenen zang, wier liefelijke lippenEn snaren Palinuur[12]verlokten op de klippen.Zij stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,Zoo dat vast weêr en wind most luistren naar dees twee,Het bloed van Kallioop[13]; d' een, om haar ongenade,Genoemd werd naar heur aarden strengheid Tessel-schade.Saturnus' dochter[14]dan, met dezen last bezwaard,Hier op den breeden raad der Goden had vergaârd,Die overleîden 't vast en vonden zich verlegen:Want Juno dreef haar stuk, Apollo stond ze tegen.Zij dong op deze wijze: "o, vader van de Goôn!En gij, wier majesteit vereert den hoogen troonDes grooten Dondergods! de spijt verrukt mijn zinnenWen ik gedenk, hoe twee half zee-,half land-meerminnen[15]Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaagt[16]Den opperste, die moed[17]op zijnen bliksem draagt.Mijn stad, wiens burgers staag als wakkre mieren krielen,D' ondragelijke schâ moet boeten van de kielen,Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,Wanneer ze zeilen gaan 's lands haven in den mond:Of rijen[18]op de ree, in pekelschuim gedolven,En staan de barning uit der schrikkelijke golven,Al t' eiselijk aan 't woên geraakt, door spel en zangVan deze zustren, zoet op onzen ondergang.En waarom zit ik traag, die lang behoor te wreken't Geleden leed? of zou 't aan onze magt ontbreken?Dat tuig' de Frygiaan[19], die t' Argos zit geboeid,Priaams geslachtboom, tot den wortel uitgeroeid:Dat tuig' de bastertzoon[20], ten leste vrijgevochtenDwars heen door afgronds spook en leelijke gedrochten,Door zoo veel ongevals en ramps, hem voor de scheenGesprongen, om mijn spijt te wreken aan Alkmeen[21].En slechtte ik niet tot puin Karthago's hooge vesten?En slaan we rijken niet met doodelijke pesten,En met het scharpe zwaard van bittren hongersnood,Die de arme zondaars pijnt met een gerekte dood?Ik had Neptuun getergd, dat hij 't zich zoude belgen,En door een zeegedrocht dien havenvloek verdelgen,Tot heil van Amstelland, en wasdom van den staat:Maar ben, 'k en weet niet hoe, veranderd van beraad,En leg[22]vast over[22], om, door zachte hylikswettenEn bruiloften, haar hart en zinnen te verletten[23],Door kuische en heilge zucht om telen haars gelijk.Dat dan voor dit besluit mijn eersten ijver wijk',En dees vergadering, na ernstig overwegen,Dit stemme, en daartoe spreek' een algemeenen zegen!"Zij zweeg en hoorde toe. 't Gemompel ging rondom.Elk overwoeg 't; aleen Apollo zat 'er stom,En kropte zijn verdriet, en toonde zich t' onvrede.Ten leste rees hij op, en borst met deze redeOp Juno's voorstel uit: "Nooit onbeschaamder eischEn klonk 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche paleis.Heeft Ganimeed te mild zijn stiefmoêrs brein beschonkenMet nectar, dat ze raast, als waar ze dol en dronken?Wat overschrijdt ze 't perk? wat vordert ze op mijn recht?Wat mikt ze op 't zuiver wit, daar geen geschut op hecht?Wat sticht ze hemelbrand, dien niemand uit kan lesschen?T' onbillijk eischt ze 't puik van alle priesteressen,Apollo toegewijd, die, door het gansche jaar,Bewyrooken zijn kerk, en eeren 't hoog autaarMet versche kransen, bont gespikkeld en gevlochten,Met geuren, die ze ons ooit godsdienstelijk toebrochten,Zoo dik zij blaken deên een zuiver offervier,Naar zede geperruikt met heiligen laurier.Zwijg Juno! die u toont zoo ruw en onbescheeden[24].Zij zijn aan mij verloofd door dier gezworen eeden.Mijn dochters, wacht[25]uw dienst! mijn koorgewaad u dekk',Dat geen kerkschennis u besprenkel noch bevlekk';Mijn feest uw zorge zij! volhardt in mijn gezangen:En gij[26]voornamelijk, wiens schrandre zinnen hangenAan Tasso's heldenstijl, wiens assche gij beroert,En zoo hoogdravend[27]door ons Holland spelen voert,En durft met Godefroy[28]den oorloog u getroosten,En hitst de Westersche slagordens aan[29]het Oosten,En noopt[30]den klepper, die het stof omwroet verhit,En schuimbekt op zijn draf, en knabbelt het gebit.Gij mede, mijn Sibyl[31]! die namaals nog zult melden,En zetten op 't autaar het hoofd van Hollands helden,'t Welk worstelde met raad, en, dapper van gemoed,Voor 't recht des vaderlands vergoot zijn edel bloed.Geen God noch geen Godin beroof me van dees panden.Mijn voedsterkinders zijn 't, zij voên mijn offeranden,De galm van snarenspel haar mond volgt, vol van God,Mijn vloeren zij betreên, mijn tempel is haar lot[32]."Neptuun hier door gesteurd, borst harder uit en grover:"Wat geest drijft Cynthius[33]? wat dwaasheid komt hem over,Dat hij der Goden raad wil meestren met zijn stem,Als of elk luisteren most naar hen niet, maar naar hem?Als waar zijn woord een wet? of leert hij ons nu schuwenDe bruiloften, en zet de kuischheid boven 't huwen?Zoo deê hij zeker niet, toen Dafne, langs den stroomVan Peneus ademloos, veranderde in een boom;In eenen boom, dien hij, noch minnend, met zijn armenZoo liefelijk omhelst, en arbeidt[34]te verwarmen.Zoo deê hij zeker niet, toen 't bosch van PelionMet pijnbooms-schaduw hem zoo dicht niet dekken kon,Of d' een of d' andre nymf wist datelijk[35]te zeggen,Hoe hij Cyrene daar den gordel af deê leggen,En versche rozen las, gedoodverfd van de schaamt,En kreukte 't kruidje, vrij wat stouter dan 't betaamt,En zette ze in zijn kar, van waar ze mocht beschouwenThessaliën, en al de omliggende landouwen.En waarom luidt dit vreemd? hij aardt toch naar Latoon,Meer dan zijn zuster doet, en draagt zich als een zoonDe moeder heel gelijk; ontloochent hij dees treken,De knapen, die gekruifd[36]hem melden[37], zullen spreken."De Zeevoogd sprak dit niet, of d'[38]hemel was gesplitst:En hoe men langer keef, te feller rees de twist.Wat bleef' er ongerept? wat dorst men niet verwijten?Van schaamte krompen de klaarblinkende tapijten.Jupijn bleef onverschoond, zoo ging 't er schendig toe:Men smaalde op zijn beerin[39], men schrolde op zijne koe[39],Op Danaë, bewaakt van honden, graft, en toornen,Op Kadmus' zuster[40], die den stier hing aan zijn hoornen;Ik zwijg van Ganimeed, en andre ranken[41]meer,Al wrokkende opgeveild, doch luttel, tot zijn eer:Zoo dat de diepe zaal te barsten scheen van 't razen:Want 't ging er als een zee, van winden opgeblazen,Niet machtig meer zich zelf, als die geen strand en houdt,En ziedend het gestarnt besprenkelt met haar zout;Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,Die nu drijft reddeloos op 's onweêrs ongenade:Of als in 't vlakke veld d' aanschennende trompet,'t Geknarsetand van 't staal, naar billijkheid noch wetDoet luisteren den moord, wiens breidelooze bendenGaan weyen in een oegst van allerleye ellenden.Maar toen der Goden hoofd de daken van de luchtBetoomde, en zette neêr het onbetoomd gerucht,Heeft Mars vol viers de zaak, tot Juno's baat en voordeel,Aldus hervat: "Elk een die wachte zich, een oordeelTe vellen over 't pleit en 't hangende geschil,Dat niet rechtmatig stemt met mijn vrouw moeders wil,Of 'k zweer, dees degen zal haar smart en wonden heelen;Dees stoelen[42]zijn gescheurd te bitter in twee deelen,Waar van het strengste leunt en helt op onze zij;Daar steun ik zeker op, dat oogt alleen op mij.Ik moedig ze de borst, om rustig aan te spannen,En d' overigen hoop van zijn gezag t' ontmannen.Geen wetten gelden hier, noch heilig oud gebruik;'t Belieft ons, 't zij genoeg; dat elk voor moeder duik'.Al zou de trotsche troon van Jupiter ten lesteZien storten al de Goôn van 's Hemels hooge veste:Het eertijds glinstrend goud, 't welk nooit iet sterflijks zag,Ontluisterd door veel stofs, beweven van het ragEn spinnekoppenweb; de laaggezeten menschenDen outer weigeren de wyrooken, met wenschen,Met zuchten, met gebeên en aandachts zout gemengd,En allen dienst geschort, die zaligheid toebrengt.""Zacht, zacht, al hoog genoeg!" riep Liber[43], "wij verwarrenDoor 't schelden meer en meer; die 't vrije hof der starrenBeheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang.Die brouwt des zelfs bederf, en haast ten ondergang,Noch smaakt iet goddelijks; al is 't, dat wij bekleeden[44]Het purper en rood goud van dit gestoelt, en tredenOp vloeren van turkois en flonkerdiamant,En zetten met een wenk de rijken naar ons hand;Wij zijn met eed verplicht, en onderling verbondenAan wetten, eens gesmeed om niet te zijn geschonden;Wie los maakt dezen band, een houvast van den staat,Daar oogt men op, als een die toeleît op verraad,En wetteloos zich durf[45]verzetten tegens d' orden,En van een rijksgenoot een vijand zij[45]geworden.Men moet 't bijzonder en 't gemeen met onderscheidRecht schiften, en voor al in dit zwaarwichtig pleit:'t En staat 't gemeen niet vrij, te keeren het bijzonderRecht tot zijn eigen baat, of 't bovenste raakt onder.Een beyert[46]leit er, wilme' ontstrenglen dezen knoop.Ik zie den Hemel woest, de machten overhoop,Ten zij men zachter ga: dus laat zich de Godessen[47],Wie zuiverheid gevalt en eeuwigdurend lesschen[48]Van Venus' minnevlam, verklaren in de zaak;Op dat men niemand kwetse, en eindelijk de wraak,Van 't wrokkend ongelijk verbitterd en bezeten,Maak rechter van haar leed, te dol en Godvergeten."Toen dees Godinnen tijd om spreken was gegond,Daar lang om was gejankt, zoo riepen ze uit één mond:"Waar staan we, voor wiens troon? 't is ver genoeg gekommen,Nu men in twijfel trekt 't oud recht en de eigendommen,Ons toegestaan van 't hof, en[49]d' OppermajesteitDer hemelvoogden zelfs, die trouw en heiligheidEn waarheid en eenvoud omhelsden, toen ze zwoeren,Die[50]om[51]meineedigheid de bliksemslingers voeren,En dondren naar beneên, en barsten uit een wolk,Tot schennis van in deugd hen overtreffend volk!Die[52]'t spierwit nonnenkleed uittrekken durf[53]en woeden,Ontblooten durf[53]van vreê veel Hemelsche gemoeden,Versteuren allen plicht, die de eer der Goôn ophoudt.Waar toe godvruchtiglijk autaar en kerk gebouwd?Waar toe met kerkgebaar de inwijding onzes tempels,Indien ons lust nu sticht, nu vier geeft[54]op ons drempels?Dees twee Sibyllen, ooit[55]een uitgelezenst puik,Met onverwelkte blaân beschaduwd om de pruik,Zijn veel te dier verplicht; zij strengelen en breyenDe kransen van ons eer; de dansen zij beleyenDer reyen nimmer moede, en koesteren den zwarm,Wiens ijver onvermoeid houdt de offersteden[56]warm.Wij stemmen 't nimmermeer noch laten 't ons behagen!"Jupijn, beducht voor veede[57]en droeve nederlagen,En in zich zelven gram, verrijzend uit den dut[58],Zijn bliksemzwaayend hoofd tot driemaal vreeslijk schudt.Waardoor al wat 'er zat sprietoogde, van de stralenEn 't weêrlicht, schitterend in 's Hemels diepe zalen,Geslagen met ontzag. Ten leste werd gehoordDes grooten Vaders stem: "Wie zijt ge, die verstoortDer zaligheden rust door al te hevig woelen,En jaagt den lieven vrede uit dees geruste stoelen?Of mijne gemalin, 't geen zij te strenge dreef,En Delius[59]'t geding alleen aan mij verbleef,Dat ik ze als middelaar op 't voegelijkst mocht scheyen,Men vond misschien een weg tot redding tusschen beyen."Na rede en wederrede en onderling beraân,Werd de uitspraak aan Jupijn van weêrzij toegestaan,Die dus het vonnis velde: "Apollo zal gedoogenHet huwelijk van haar, wier opgeslagen oogenZijn Godheid eeren; doch en zal in allen schijnDit tot zijn nadeel niet te verr' getrokken zijn,Alsof hij afstand deê van 't recht hem opgedragen.Ook zijn door 't juk des echts dees nymfen niet ontslagenVan koor en kerrekdienst; daarbij zal de eerste vruchtVan 't bruiloftsbed, geteeld in 's levens vrije lucht,Apollo zijn gewijd!" hij zweeg, en daar op loegenDe onsterfelijke Goôn, en dronken met genoegenMalkandren vrede toe; "waartoe zoo veel geschilsEn oorloogs!" riepen zij, "Jupijn guntELK WAT WILS[60]."Men scheidde zonder twist: doch Febus, in 't vertrekken,Sprong morrende op zijn kar, en deê de paarden rekken.Het aardrijk, door geen droef en donker voorspook, rasGewaar werd, dat om hoog wat groots besloten was.Een paar op vetten roof wel afgerechte valkenTwee duiven voerden weg, en kwamen ze verschalken,Op 't hooge torendak, dat Schreyers Hoek bewaakt[61].De schildwacht, toen 't gestarnte aan 't vallen was geraakt,Van verre in 't zeilrijk Y, met lachende geschater,Een waterlandschen rei zag trippelen op 't water,Met fakkelen vercierd en nimmer dorre blaân.En de oude burregwal, die hoorde een blijde zwaanGeluid slaan met haar keel, die zij zoo kon bedwingen,Alsof ze eens uit de borst het bruiloftlied wou zingen.De wijngaard aan de straat, geleid van maagdenhand.Tot daar 't gehemelt dekt de nonneledekant[62],Hing zwanger, in een nacht, van rijpe muscadellen:Waaruit men mocht de vreugd van 't nakend huwlijk spellen.Ik kreeg aan 't huwelijk ook kennis in den droom.Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:D' een, uit een parkement of half gerolde cedel,Las noten[63]met haar galm, en d' ander met een vedel;Waar op een heele zoô dolfijnen onvermoeid,Als door Arions harp bekoord, kwam aangeroeid;De twee vrijpostigste voor andren nader zwommen.De jonffers schrijelings uit dartelheid beklommenDe visschen glad van huid (ik dacht, hoe wil 't hier gaan?),Die na een keer of twee haar voerden Noordwaart aan,En gaven zich in 't diep; de doodsche[64]maagden kreten,En daar meê was de lust van zang en spel vergeten,'t Muziekblad en de veêl ten beste voor den vloed.D' een reikte d' andre toe met d' armen het gemoed.Zij huilden vast om hulp en redding, maar ze ontbrak er,En door dit droef misbaar ontsprong[65]ik en werd wakker.Een wijl hierna geviel 't, toen dezer dochtren geestKerkplechtig bezig was, om vieren 't jaarlijksch feest[66]Met lofzang en gebeên, gelijk ze 't noô versloffen,Dat d' een, van 't kerkgewelf, werd in de borst getroffen,Met geen geveêrden schicht, maar gloeyendige koolOf kogel, haar gegund[67]van eenig kleen pistool.Zij zwijmde voor 't autaar, eer dat haar de oudste redde,Die greep de doode, en droeg ze op 't hylikschuwe bedde."Ach, zuster!" sprak zij, "ach! wat deert u? is het ookEen flaauwigheid, gevat van een vergiften rook[68]?Of is het hart benaauwd, om dat uw ijver hedenAl t' ijvrig heeft gevast, geworsteld met gebeden?""Neen," zuchtte 't levend lijk, "dit is 't niet, dat me schort;Mijn boezem is vol viers, mijn ziel gepijnigd wordt.Breng drank, breng lafenis! 't zijn enkel heete kortsen,Mijn boezem is vol brands; wat blaken mij al tortsen!"In 't end rook Anna, hoe die korts[69]haar oorsprong namUi geen onkuischen brand, maar eerelijke vlam,En eerst[70]gezette zucht tot huwen en tot telen.Zij troost haar al bedrukt; zij voert haar zinnen spelen,Of zij verleyen[71]mocht dat opzet door bericht[72],En zong ze voor den lof van kuische maagdeplicht:Helaas! maar al vergeefs! Vergeefs men om wil stooten,'t Geen eenmaal van den nood gestemd[73]is en besloten.Dit bleek eerst, toen de faam op Schreyers-toren zat,En "bruiloft, bruiloft!" blies, en noodigde al de stadOp 't schaterend banket, beluit met zoete rijmen[74].Van 't Noorden[75]Krombalk kwam, verzelschapt met God Hymen,Met heele en halve Goôn; van 't helder Oosten tradGod Jupiters geslacht[76], op zijne gaven prat,Met zang en snarenspel voor bruids en bruigoms voeten,Om met een bruiloftlied 't gelukkig paar te groeten.

Hoe zal ik 't heilig bed van Roemers dochter roemen?Mijn oog te keurig dwaalt[3]; hier lacht een beemd vol bloemen.O, Amstelnymfen, helpt! Wat[4]Hemelsch drijft mijn geest.Vlecht hoeden[5]en ontsteekt de tortsen van dees feest.Dat zoo veel geesten, als 'er leven in mijn aderen,Naar boven zwevende in mijn harsenen vergaderen!Zij zijn 'er al, ik voel 't, een God bezit mijn ziel,En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.God Jupiters gemaal[6]bewaakte d' AmsterdammersMet haar zorgvuldig oog, na veel geleden jammers,Te liever, mits de wraak[7], verbitterd tegens recht,Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:Want wat toch was verbeurd aan 't goddeloos omhelzenTe wreken van een graaf, die 't edel huis van VelzenGetrappeld had op 't hart, en zulk een vrouw verkracht,Die eerlijk was gehuwd en roemde op haar geslacht;En graaf, die, kweekend een verbitterde gemeente[8],Den ouden adel[8]hoonde, en kwetste ze in 't gebeente!De zuster van Jupijn de stad hieromme wasMet gunst genegen, en herbouwde ze uit haar asch:Zoo dat ze jong te prijk, met 's keizers[9]kroon bepereld,Zat tot verwondering der gansche Kristen wereld,En laadde op zich, om al haar handel en gewoel,Den nijd van nabuursteên, gewijd ten konings-stoel:Maar Juno, niet vernoegd, als die met grooter gavenHaar burgers eeren woû, begaan was, om 's lands havenTe schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolk hing,Wen, na behoude reis, dik[10]vloot op vloot verging,Door tweêr[11]Sireenen zang, wier liefelijke lippenEn snaren Palinuur[12]verlokten op de klippen.Zij stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,Zoo dat vast weêr en wind most luistren naar dees twee,Het bloed van Kallioop[13]; d' een, om haar ongenade,Genoemd werd naar heur aarden strengheid Tessel-schade.Saturnus' dochter[14]dan, met dezen last bezwaard,Hier op den breeden raad der Goden had vergaârd,Die overleîden 't vast en vonden zich verlegen:Want Juno dreef haar stuk, Apollo stond ze tegen.Zij dong op deze wijze: "o, vader van de Goôn!En gij, wier majesteit vereert den hoogen troonDes grooten Dondergods! de spijt verrukt mijn zinnenWen ik gedenk, hoe twee half zee-,half land-meerminnen[15]Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaagt[16]Den opperste, die moed[17]op zijnen bliksem draagt.Mijn stad, wiens burgers staag als wakkre mieren krielen,D' ondragelijke schâ moet boeten van de kielen,Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,Wanneer ze zeilen gaan 's lands haven in den mond:Of rijen[18]op de ree, in pekelschuim gedolven,En staan de barning uit der schrikkelijke golven,Al t' eiselijk aan 't woên geraakt, door spel en zangVan deze zustren, zoet op onzen ondergang.En waarom zit ik traag, die lang behoor te wreken't Geleden leed? of zou 't aan onze magt ontbreken?Dat tuig' de Frygiaan[19], die t' Argos zit geboeid,Priaams geslachtboom, tot den wortel uitgeroeid:Dat tuig' de bastertzoon[20], ten leste vrijgevochtenDwars heen door afgronds spook en leelijke gedrochten,Door zoo veel ongevals en ramps, hem voor de scheenGesprongen, om mijn spijt te wreken aan Alkmeen[21].En slechtte ik niet tot puin Karthago's hooge vesten?En slaan we rijken niet met doodelijke pesten,En met het scharpe zwaard van bittren hongersnood,Die de arme zondaars pijnt met een gerekte dood?Ik had Neptuun getergd, dat hij 't zich zoude belgen,En door een zeegedrocht dien havenvloek verdelgen,Tot heil van Amstelland, en wasdom van den staat:Maar ben, 'k en weet niet hoe, veranderd van beraad,En leg[22]vast over[22], om, door zachte hylikswettenEn bruiloften, haar hart en zinnen te verletten[23],Door kuische en heilge zucht om telen haars gelijk.Dat dan voor dit besluit mijn eersten ijver wijk',En dees vergadering, na ernstig overwegen,Dit stemme, en daartoe spreek' een algemeenen zegen!"Zij zweeg en hoorde toe. 't Gemompel ging rondom.Elk overwoeg 't; aleen Apollo zat 'er stom,En kropte zijn verdriet, en toonde zich t' onvrede.Ten leste rees hij op, en borst met deze redeOp Juno's voorstel uit: "Nooit onbeschaamder eischEn klonk 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche paleis.Heeft Ganimeed te mild zijn stiefmoêrs brein beschonkenMet nectar, dat ze raast, als waar ze dol en dronken?Wat overschrijdt ze 't perk? wat vordert ze op mijn recht?Wat mikt ze op 't zuiver wit, daar geen geschut op hecht?Wat sticht ze hemelbrand, dien niemand uit kan lesschen?T' onbillijk eischt ze 't puik van alle priesteressen,Apollo toegewijd, die, door het gansche jaar,Bewyrooken zijn kerk, en eeren 't hoog autaarMet versche kransen, bont gespikkeld en gevlochten,Met geuren, die ze ons ooit godsdienstelijk toebrochten,Zoo dik zij blaken deên een zuiver offervier,Naar zede geperruikt met heiligen laurier.Zwijg Juno! die u toont zoo ruw en onbescheeden[24].Zij zijn aan mij verloofd door dier gezworen eeden.Mijn dochters, wacht[25]uw dienst! mijn koorgewaad u dekk',Dat geen kerkschennis u besprenkel noch bevlekk';Mijn feest uw zorge zij! volhardt in mijn gezangen:En gij[26]voornamelijk, wiens schrandre zinnen hangenAan Tasso's heldenstijl, wiens assche gij beroert,En zoo hoogdravend[27]door ons Holland spelen voert,En durft met Godefroy[28]den oorloog u getroosten,En hitst de Westersche slagordens aan[29]het Oosten,En noopt[30]den klepper, die het stof omwroet verhit,En schuimbekt op zijn draf, en knabbelt het gebit.Gij mede, mijn Sibyl[31]! die namaals nog zult melden,En zetten op 't autaar het hoofd van Hollands helden,'t Welk worstelde met raad, en, dapper van gemoed,Voor 't recht des vaderlands vergoot zijn edel bloed.Geen God noch geen Godin beroof me van dees panden.Mijn voedsterkinders zijn 't, zij voên mijn offeranden,De galm van snarenspel haar mond volgt, vol van God,Mijn vloeren zij betreên, mijn tempel is haar lot[32]."Neptuun hier door gesteurd, borst harder uit en grover:"Wat geest drijft Cynthius[33]? wat dwaasheid komt hem over,Dat hij der Goden raad wil meestren met zijn stem,Als of elk luisteren most naar hen niet, maar naar hem?Als waar zijn woord een wet? of leert hij ons nu schuwenDe bruiloften, en zet de kuischheid boven 't huwen?Zoo deê hij zeker niet, toen Dafne, langs den stroomVan Peneus ademloos, veranderde in een boom;In eenen boom, dien hij, noch minnend, met zijn armenZoo liefelijk omhelst, en arbeidt[34]te verwarmen.Zoo deê hij zeker niet, toen 't bosch van PelionMet pijnbooms-schaduw hem zoo dicht niet dekken kon,Of d' een of d' andre nymf wist datelijk[35]te zeggen,Hoe hij Cyrene daar den gordel af deê leggen,En versche rozen las, gedoodverfd van de schaamt,En kreukte 't kruidje, vrij wat stouter dan 't betaamt,En zette ze in zijn kar, van waar ze mocht beschouwenThessaliën, en al de omliggende landouwen.En waarom luidt dit vreemd? hij aardt toch naar Latoon,Meer dan zijn zuster doet, en draagt zich als een zoonDe moeder heel gelijk; ontloochent hij dees treken,De knapen, die gekruifd[36]hem melden[37], zullen spreken."De Zeevoogd sprak dit niet, of d'[38]hemel was gesplitst:En hoe men langer keef, te feller rees de twist.Wat bleef' er ongerept? wat dorst men niet verwijten?Van schaamte krompen de klaarblinkende tapijten.Jupijn bleef onverschoond, zoo ging 't er schendig toe:Men smaalde op zijn beerin[39], men schrolde op zijne koe[39],Op Danaë, bewaakt van honden, graft, en toornen,Op Kadmus' zuster[40], die den stier hing aan zijn hoornen;Ik zwijg van Ganimeed, en andre ranken[41]meer,Al wrokkende opgeveild, doch luttel, tot zijn eer:Zoo dat de diepe zaal te barsten scheen van 't razen:Want 't ging er als een zee, van winden opgeblazen,Niet machtig meer zich zelf, als die geen strand en houdt,En ziedend het gestarnt besprenkelt met haar zout;Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,Die nu drijft reddeloos op 's onweêrs ongenade:Of als in 't vlakke veld d' aanschennende trompet,'t Geknarsetand van 't staal, naar billijkheid noch wetDoet luisteren den moord, wiens breidelooze bendenGaan weyen in een oegst van allerleye ellenden.Maar toen der Goden hoofd de daken van de luchtBetoomde, en zette neêr het onbetoomd gerucht,Heeft Mars vol viers de zaak, tot Juno's baat en voordeel,Aldus hervat: "Elk een die wachte zich, een oordeelTe vellen over 't pleit en 't hangende geschil,Dat niet rechtmatig stemt met mijn vrouw moeders wil,Of 'k zweer, dees degen zal haar smart en wonden heelen;Dees stoelen[42]zijn gescheurd te bitter in twee deelen,Waar van het strengste leunt en helt op onze zij;Daar steun ik zeker op, dat oogt alleen op mij.Ik moedig ze de borst, om rustig aan te spannen,En d' overigen hoop van zijn gezag t' ontmannen.Geen wetten gelden hier, noch heilig oud gebruik;'t Belieft ons, 't zij genoeg; dat elk voor moeder duik'.Al zou de trotsche troon van Jupiter ten lesteZien storten al de Goôn van 's Hemels hooge veste:Het eertijds glinstrend goud, 't welk nooit iet sterflijks zag,Ontluisterd door veel stofs, beweven van het ragEn spinnekoppenweb; de laaggezeten menschenDen outer weigeren de wyrooken, met wenschen,Met zuchten, met gebeên en aandachts zout gemengd,En allen dienst geschort, die zaligheid toebrengt.""Zacht, zacht, al hoog genoeg!" riep Liber[43], "wij verwarrenDoor 't schelden meer en meer; die 't vrije hof der starrenBeheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang.Die brouwt des zelfs bederf, en haast ten ondergang,Noch smaakt iet goddelijks; al is 't, dat wij bekleeden[44]Het purper en rood goud van dit gestoelt, en tredenOp vloeren van turkois en flonkerdiamant,En zetten met een wenk de rijken naar ons hand;Wij zijn met eed verplicht, en onderling verbondenAan wetten, eens gesmeed om niet te zijn geschonden;Wie los maakt dezen band, een houvast van den staat,Daar oogt men op, als een die toeleît op verraad,En wetteloos zich durf[45]verzetten tegens d' orden,En van een rijksgenoot een vijand zij[45]geworden.Men moet 't bijzonder en 't gemeen met onderscheidRecht schiften, en voor al in dit zwaarwichtig pleit:'t En staat 't gemeen niet vrij, te keeren het bijzonderRecht tot zijn eigen baat, of 't bovenste raakt onder.Een beyert[46]leit er, wilme' ontstrenglen dezen knoop.Ik zie den Hemel woest, de machten overhoop,Ten zij men zachter ga: dus laat zich de Godessen[47],Wie zuiverheid gevalt en eeuwigdurend lesschen[48]Van Venus' minnevlam, verklaren in de zaak;Op dat men niemand kwetse, en eindelijk de wraak,Van 't wrokkend ongelijk verbitterd en bezeten,Maak rechter van haar leed, te dol en Godvergeten."Toen dees Godinnen tijd om spreken was gegond,Daar lang om was gejankt, zoo riepen ze uit één mond:"Waar staan we, voor wiens troon? 't is ver genoeg gekommen,Nu men in twijfel trekt 't oud recht en de eigendommen,Ons toegestaan van 't hof, en[49]d' OppermajesteitDer hemelvoogden zelfs, die trouw en heiligheidEn waarheid en eenvoud omhelsden, toen ze zwoeren,Die[50]om[51]meineedigheid de bliksemslingers voeren,En dondren naar beneên, en barsten uit een wolk,Tot schennis van in deugd hen overtreffend volk!Die[52]'t spierwit nonnenkleed uittrekken durf[53]en woeden,Ontblooten durf[53]van vreê veel Hemelsche gemoeden,Versteuren allen plicht, die de eer der Goôn ophoudt.Waar toe godvruchtiglijk autaar en kerk gebouwd?Waar toe met kerkgebaar de inwijding onzes tempels,Indien ons lust nu sticht, nu vier geeft[54]op ons drempels?Dees twee Sibyllen, ooit[55]een uitgelezenst puik,Met onverwelkte blaân beschaduwd om de pruik,Zijn veel te dier verplicht; zij strengelen en breyenDe kransen van ons eer; de dansen zij beleyenDer reyen nimmer moede, en koesteren den zwarm,Wiens ijver onvermoeid houdt de offersteden[56]warm.Wij stemmen 't nimmermeer noch laten 't ons behagen!"Jupijn, beducht voor veede[57]en droeve nederlagen,En in zich zelven gram, verrijzend uit den dut[58],Zijn bliksemzwaayend hoofd tot driemaal vreeslijk schudt.Waardoor al wat 'er zat sprietoogde, van de stralenEn 't weêrlicht, schitterend in 's Hemels diepe zalen,Geslagen met ontzag. Ten leste werd gehoordDes grooten Vaders stem: "Wie zijt ge, die verstoortDer zaligheden rust door al te hevig woelen,En jaagt den lieven vrede uit dees geruste stoelen?Of mijne gemalin, 't geen zij te strenge dreef,En Delius[59]'t geding alleen aan mij verbleef,Dat ik ze als middelaar op 't voegelijkst mocht scheyen,Men vond misschien een weg tot redding tusschen beyen."Na rede en wederrede en onderling beraân,Werd de uitspraak aan Jupijn van weêrzij toegestaan,Die dus het vonnis velde: "Apollo zal gedoogenHet huwelijk van haar, wier opgeslagen oogenZijn Godheid eeren; doch en zal in allen schijnDit tot zijn nadeel niet te verr' getrokken zijn,Alsof hij afstand deê van 't recht hem opgedragen.Ook zijn door 't juk des echts dees nymfen niet ontslagenVan koor en kerrekdienst; daarbij zal de eerste vruchtVan 't bruiloftsbed, geteeld in 's levens vrije lucht,Apollo zijn gewijd!" hij zweeg, en daar op loegenDe onsterfelijke Goôn, en dronken met genoegenMalkandren vrede toe; "waartoe zoo veel geschilsEn oorloogs!" riepen zij, "Jupijn guntELK WAT WILS[60]."Men scheidde zonder twist: doch Febus, in 't vertrekken,Sprong morrende op zijn kar, en deê de paarden rekken.Het aardrijk, door geen droef en donker voorspook, rasGewaar werd, dat om hoog wat groots besloten was.Een paar op vetten roof wel afgerechte valkenTwee duiven voerden weg, en kwamen ze verschalken,Op 't hooge torendak, dat Schreyers Hoek bewaakt[61].De schildwacht, toen 't gestarnte aan 't vallen was geraakt,Van verre in 't zeilrijk Y, met lachende geschater,Een waterlandschen rei zag trippelen op 't water,Met fakkelen vercierd en nimmer dorre blaân.En de oude burregwal, die hoorde een blijde zwaanGeluid slaan met haar keel, die zij zoo kon bedwingen,Alsof ze eens uit de borst het bruiloftlied wou zingen.De wijngaard aan de straat, geleid van maagdenhand.Tot daar 't gehemelt dekt de nonneledekant[62],Hing zwanger, in een nacht, van rijpe muscadellen:Waaruit men mocht de vreugd van 't nakend huwlijk spellen.Ik kreeg aan 't huwelijk ook kennis in den droom.Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:D' een, uit een parkement of half gerolde cedel,Las noten[63]met haar galm, en d' ander met een vedel;Waar op een heele zoô dolfijnen onvermoeid,Als door Arions harp bekoord, kwam aangeroeid;De twee vrijpostigste voor andren nader zwommen.De jonffers schrijelings uit dartelheid beklommenDe visschen glad van huid (ik dacht, hoe wil 't hier gaan?),Die na een keer of twee haar voerden Noordwaart aan,En gaven zich in 't diep; de doodsche[64]maagden kreten,En daar meê was de lust van zang en spel vergeten,'t Muziekblad en de veêl ten beste voor den vloed.D' een reikte d' andre toe met d' armen het gemoed.Zij huilden vast om hulp en redding, maar ze ontbrak er,En door dit droef misbaar ontsprong[65]ik en werd wakker.Een wijl hierna geviel 't, toen dezer dochtren geestKerkplechtig bezig was, om vieren 't jaarlijksch feest[66]Met lofzang en gebeên, gelijk ze 't noô versloffen,Dat d' een, van 't kerkgewelf, werd in de borst getroffen,Met geen geveêrden schicht, maar gloeyendige koolOf kogel, haar gegund[67]van eenig kleen pistool.Zij zwijmde voor 't autaar, eer dat haar de oudste redde,Die greep de doode, en droeg ze op 't hylikschuwe bedde."Ach, zuster!" sprak zij, "ach! wat deert u? is het ookEen flaauwigheid, gevat van een vergiften rook[68]?Of is het hart benaauwd, om dat uw ijver hedenAl t' ijvrig heeft gevast, geworsteld met gebeden?""Neen," zuchtte 't levend lijk, "dit is 't niet, dat me schort;Mijn boezem is vol viers, mijn ziel gepijnigd wordt.Breng drank, breng lafenis! 't zijn enkel heete kortsen,Mijn boezem is vol brands; wat blaken mij al tortsen!"In 't end rook Anna, hoe die korts[69]haar oorsprong namUi geen onkuischen brand, maar eerelijke vlam,En eerst[70]gezette zucht tot huwen en tot telen.Zij troost haar al bedrukt; zij voert haar zinnen spelen,Of zij verleyen[71]mocht dat opzet door bericht[72],En zong ze voor den lof van kuische maagdeplicht:Helaas! maar al vergeefs! Vergeefs men om wil stooten,'t Geen eenmaal van den nood gestemd[73]is en besloten.Dit bleek eerst, toen de faam op Schreyers-toren zat,En "bruiloft, bruiloft!" blies, en noodigde al de stadOp 't schaterend banket, beluit met zoete rijmen[74].Van 't Noorden[75]Krombalk kwam, verzelschapt met God Hymen,Met heele en halve Goôn; van 't helder Oosten tradGod Jupiters geslacht[76], op zijne gaven prat,Met zang en snarenspel voor bruids en bruigoms voeten,Om met een bruiloftlied 't gelukkig paar te groeten.

Hoe zal ik 't heilig bed van Roemers dochter roemen?

Mijn oog te keurig dwaalt[3]; hier lacht een beemd vol bloemen.

O, Amstelnymfen, helpt! Wat[4]Hemelsch drijft mijn geest.

Vlecht hoeden[5]en ontsteekt de tortsen van dees feest.

Dat zoo veel geesten, als 'er leven in mijn aderen,

Naar boven zwevende in mijn harsenen vergaderen!

Zij zijn 'er al, ik voel 't, een God bezit mijn ziel,

En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.

God Jupiters gemaal[6]bewaakte d' Amsterdammers

Met haar zorgvuldig oog, na veel geleden jammers,

Te liever, mits de wraak[7], verbitterd tegens recht,

Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:

Want wat toch was verbeurd aan 't goddeloos omhelzen

Te wreken van een graaf, die 't edel huis van Velzen

Getrappeld had op 't hart, en zulk een vrouw verkracht,

Die eerlijk was gehuwd en roemde op haar geslacht;

En graaf, die, kweekend een verbitterde gemeente[8],

Den ouden adel[8]hoonde, en kwetste ze in 't gebeente!

De zuster van Jupijn de stad hieromme was

Met gunst genegen, en herbouwde ze uit haar asch:

Zoo dat ze jong te prijk, met 's keizers[9]kroon bepereld,

Zat tot verwondering der gansche Kristen wereld,

En laadde op zich, om al haar handel en gewoel,

Den nijd van nabuursteên, gewijd ten konings-stoel:

Maar Juno, niet vernoegd, als die met grooter gaven

Haar burgers eeren woû, begaan was, om 's lands haven

Te schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolk hing,

Wen, na behoude reis, dik[10]vloot op vloot verging,

Door tweêr[11]Sireenen zang, wier liefelijke lippen

En snaren Palinuur[12]verlokten op de klippen.

Zij stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,

Zoo dat vast weêr en wind most luistren naar dees twee,

Het bloed van Kallioop[13]; d' een, om haar ongenade,

Genoemd werd naar heur aarden strengheid Tessel-schade.

Saturnus' dochter[14]dan, met dezen last bezwaard,

Hier op den breeden raad der Goden had vergaârd,

Die overleîden 't vast en vonden zich verlegen:

Want Juno dreef haar stuk, Apollo stond ze tegen.

Zij dong op deze wijze: "o, vader van de Goôn!

En gij, wier majesteit vereert den hoogen troon

Des grooten Dondergods! de spijt verrukt mijn zinnen

Wen ik gedenk, hoe twee half zee-,half land-meerminnen[15]

Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaagt[16]

Den opperste, die moed[17]op zijnen bliksem draagt.

Mijn stad, wiens burgers staag als wakkre mieren krielen,

D' ondragelijke schâ moet boeten van de kielen,

Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,

Wanneer ze zeilen gaan 's lands haven in den mond:

Of rijen[18]op de ree, in pekelschuim gedolven,

En staan de barning uit der schrikkelijke golven,

Al t' eiselijk aan 't woên geraakt, door spel en zang

Van deze zustren, zoet op onzen ondergang.

En waarom zit ik traag, die lang behoor te wreken

't Geleden leed? of zou 't aan onze magt ontbreken?

Dat tuig' de Frygiaan[19], die t' Argos zit geboeid,

Priaams geslachtboom, tot den wortel uitgeroeid:

Dat tuig' de bastertzoon[20], ten leste vrijgevochten

Dwars heen door afgronds spook en leelijke gedrochten,

Door zoo veel ongevals en ramps, hem voor de scheen

Gesprongen, om mijn spijt te wreken aan Alkmeen[21].

En slechtte ik niet tot puin Karthago's hooge vesten?

En slaan we rijken niet met doodelijke pesten,

En met het scharpe zwaard van bittren hongersnood,

Die de arme zondaars pijnt met een gerekte dood?

Ik had Neptuun getergd, dat hij 't zich zoude belgen,

En door een zeegedrocht dien havenvloek verdelgen,

Tot heil van Amstelland, en wasdom van den staat:

Maar ben, 'k en weet niet hoe, veranderd van beraad,

En leg[22]vast over[22], om, door zachte hylikswetten

En bruiloften, haar hart en zinnen te verletten[23],

Door kuische en heilge zucht om telen haars gelijk.

Dat dan voor dit besluit mijn eersten ijver wijk',

En dees vergadering, na ernstig overwegen,

Dit stemme, en daartoe spreek' een algemeenen zegen!"

Zij zweeg en hoorde toe. 't Gemompel ging rondom.

Elk overwoeg 't; aleen Apollo zat 'er stom,

En kropte zijn verdriet, en toonde zich t' onvrede.

Ten leste rees hij op, en borst met deze rede

Op Juno's voorstel uit: "Nooit onbeschaamder eisch

En klonk 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche paleis.

Heeft Ganimeed te mild zijn stiefmoêrs brein beschonken

Met nectar, dat ze raast, als waar ze dol en dronken?

Wat overschrijdt ze 't perk? wat vordert ze op mijn recht?

Wat mikt ze op 't zuiver wit, daar geen geschut op hecht?

Wat sticht ze hemelbrand, dien niemand uit kan lesschen?

T' onbillijk eischt ze 't puik van alle priesteressen,

Apollo toegewijd, die, door het gansche jaar,

Bewyrooken zijn kerk, en eeren 't hoog autaar

Met versche kransen, bont gespikkeld en gevlochten,

Met geuren, die ze ons ooit godsdienstelijk toebrochten,

Zoo dik zij blaken deên een zuiver offervier,

Naar zede geperruikt met heiligen laurier.

Zwijg Juno! die u toont zoo ruw en onbescheeden[24].

Zij zijn aan mij verloofd door dier gezworen eeden.

Mijn dochters, wacht[25]uw dienst! mijn koorgewaad u dekk',

Dat geen kerkschennis u besprenkel noch bevlekk';

Mijn feest uw zorge zij! volhardt in mijn gezangen:

En gij[26]voornamelijk, wiens schrandre zinnen hangen

Aan Tasso's heldenstijl, wiens assche gij beroert,

En zoo hoogdravend[27]door ons Holland spelen voert,

En durft met Godefroy[28]den oorloog u getroosten,

En hitst de Westersche slagordens aan[29]het Oosten,

En noopt[30]den klepper, die het stof omwroet verhit,

En schuimbekt op zijn draf, en knabbelt het gebit.

Gij mede, mijn Sibyl[31]! die namaals nog zult melden,

En zetten op 't autaar het hoofd van Hollands helden,

't Welk worstelde met raad, en, dapper van gemoed,

Voor 't recht des vaderlands vergoot zijn edel bloed.

Geen God noch geen Godin beroof me van dees panden.

Mijn voedsterkinders zijn 't, zij voên mijn offeranden,

De galm van snarenspel haar mond volgt, vol van God,

Mijn vloeren zij betreên, mijn tempel is haar lot[32]."

Neptuun hier door gesteurd, borst harder uit en grover:

"Wat geest drijft Cynthius[33]? wat dwaasheid komt hem over,

Dat hij der Goden raad wil meestren met zijn stem,

Als of elk luisteren most naar hen niet, maar naar hem?

Als waar zijn woord een wet? of leert hij ons nu schuwen

De bruiloften, en zet de kuischheid boven 't huwen?

Zoo deê hij zeker niet, toen Dafne, langs den stroom

Van Peneus ademloos, veranderde in een boom;

In eenen boom, dien hij, noch minnend, met zijn armen

Zoo liefelijk omhelst, en arbeidt[34]te verwarmen.

Zoo deê hij zeker niet, toen 't bosch van Pelion

Met pijnbooms-schaduw hem zoo dicht niet dekken kon,

Of d' een of d' andre nymf wist datelijk[35]te zeggen,

Hoe hij Cyrene daar den gordel af deê leggen,

En versche rozen las, gedoodverfd van de schaamt,

En kreukte 't kruidje, vrij wat stouter dan 't betaamt,

En zette ze in zijn kar, van waar ze mocht beschouwen

Thessaliën, en al de omliggende landouwen.

En waarom luidt dit vreemd? hij aardt toch naar Latoon,

Meer dan zijn zuster doet, en draagt zich als een zoon

De moeder heel gelijk; ontloochent hij dees treken,

De knapen, die gekruifd[36]hem melden[37], zullen spreken."

De Zeevoogd sprak dit niet, of d'[38]hemel was gesplitst:

En hoe men langer keef, te feller rees de twist.

Wat bleef' er ongerept? wat dorst men niet verwijten?

Van schaamte krompen de klaarblinkende tapijten.

Jupijn bleef onverschoond, zoo ging 't er schendig toe:

Men smaalde op zijn beerin[39], men schrolde op zijne koe[39],

Op Danaë, bewaakt van honden, graft, en toornen,

Op Kadmus' zuster[40], die den stier hing aan zijn hoornen;

Ik zwijg van Ganimeed, en andre ranken[41]meer,

Al wrokkende opgeveild, doch luttel, tot zijn eer:

Zoo dat de diepe zaal te barsten scheen van 't razen:

Want 't ging er als een zee, van winden opgeblazen,

Niet machtig meer zich zelf, als die geen strand en houdt,

En ziedend het gestarnt besprenkelt met haar zout;

Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,

Die nu drijft reddeloos op 's onweêrs ongenade:

Of als in 't vlakke veld d' aanschennende trompet,

't Geknarsetand van 't staal, naar billijkheid noch wet

Doet luisteren den moord, wiens breidelooze benden

Gaan weyen in een oegst van allerleye ellenden.

Maar toen der Goden hoofd de daken van de lucht

Betoomde, en zette neêr het onbetoomd gerucht,

Heeft Mars vol viers de zaak, tot Juno's baat en voordeel,

Aldus hervat: "Elk een die wachte zich, een oordeel

Te vellen over 't pleit en 't hangende geschil,

Dat niet rechtmatig stemt met mijn vrouw moeders wil,

Of 'k zweer, dees degen zal haar smart en wonden heelen;

Dees stoelen[42]zijn gescheurd te bitter in twee deelen,

Waar van het strengste leunt en helt op onze zij;

Daar steun ik zeker op, dat oogt alleen op mij.

Ik moedig ze de borst, om rustig aan te spannen,

En d' overigen hoop van zijn gezag t' ontmannen.

Geen wetten gelden hier, noch heilig oud gebruik;

't Belieft ons, 't zij genoeg; dat elk voor moeder duik'.

Al zou de trotsche troon van Jupiter ten leste

Zien storten al de Goôn van 's Hemels hooge veste:

Het eertijds glinstrend goud, 't welk nooit iet sterflijks zag,

Ontluisterd door veel stofs, beweven van het rag

En spinnekoppenweb; de laaggezeten menschen

Den outer weigeren de wyrooken, met wenschen,

Met zuchten, met gebeên en aandachts zout gemengd,

En allen dienst geschort, die zaligheid toebrengt."

"Zacht, zacht, al hoog genoeg!" riep Liber[43], "wij verwarren

Door 't schelden meer en meer; die 't vrije hof der starren

Beheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang.

Die brouwt des zelfs bederf, en haast ten ondergang,

Noch smaakt iet goddelijks; al is 't, dat wij bekleeden[44]

Het purper en rood goud van dit gestoelt, en treden

Op vloeren van turkois en flonkerdiamant,

En zetten met een wenk de rijken naar ons hand;

Wij zijn met eed verplicht, en onderling verbonden

Aan wetten, eens gesmeed om niet te zijn geschonden;

Wie los maakt dezen band, een houvast van den staat,

Daar oogt men op, als een die toeleît op verraad,

En wetteloos zich durf[45]verzetten tegens d' orden,

En van een rijksgenoot een vijand zij[45]geworden.

Men moet 't bijzonder en 't gemeen met onderscheid

Recht schiften, en voor al in dit zwaarwichtig pleit:

't En staat 't gemeen niet vrij, te keeren het bijzonder

Recht tot zijn eigen baat, of 't bovenste raakt onder.

Een beyert[46]leit er, wilme' ontstrenglen dezen knoop.

Ik zie den Hemel woest, de machten overhoop,

Ten zij men zachter ga: dus laat zich de Godessen[47],

Wie zuiverheid gevalt en eeuwigdurend lesschen[48]

Van Venus' minnevlam, verklaren in de zaak;

Op dat men niemand kwetse, en eindelijk de wraak,

Van 't wrokkend ongelijk verbitterd en bezeten,

Maak rechter van haar leed, te dol en Godvergeten."

Toen dees Godinnen tijd om spreken was gegond,

Daar lang om was gejankt, zoo riepen ze uit één mond:

"Waar staan we, voor wiens troon? 't is ver genoeg gekommen,

Nu men in twijfel trekt 't oud recht en de eigendommen,

Ons toegestaan van 't hof, en[49]d' Oppermajesteit

Der hemelvoogden zelfs, die trouw en heiligheid

En waarheid en eenvoud omhelsden, toen ze zwoeren,

Die[50]om[51]meineedigheid de bliksemslingers voeren,

En dondren naar beneên, en barsten uit een wolk,

Tot schennis van in deugd hen overtreffend volk!

Die[52]'t spierwit nonnenkleed uittrekken durf[53]en woeden,

Ontblooten durf[53]van vreê veel Hemelsche gemoeden,

Versteuren allen plicht, die de eer der Goôn ophoudt.

Waar toe godvruchtiglijk autaar en kerk gebouwd?

Waar toe met kerkgebaar de inwijding onzes tempels,

Indien ons lust nu sticht, nu vier geeft[54]op ons drempels?

Dees twee Sibyllen, ooit[55]een uitgelezenst puik,

Met onverwelkte blaân beschaduwd om de pruik,

Zijn veel te dier verplicht; zij strengelen en breyen

De kransen van ons eer; de dansen zij beleyen

Der reyen nimmer moede, en koesteren den zwarm,

Wiens ijver onvermoeid houdt de offersteden[56]warm.

Wij stemmen 't nimmermeer noch laten 't ons behagen!"

Jupijn, beducht voor veede[57]en droeve nederlagen,

En in zich zelven gram, verrijzend uit den dut[58],

Zijn bliksemzwaayend hoofd tot driemaal vreeslijk schudt.

Waardoor al wat 'er zat sprietoogde, van de stralen

En 't weêrlicht, schitterend in 's Hemels diepe zalen,

Geslagen met ontzag. Ten leste werd gehoord

Des grooten Vaders stem: "Wie zijt ge, die verstoort

Der zaligheden rust door al te hevig woelen,

En jaagt den lieven vrede uit dees geruste stoelen?

Of mijne gemalin, 't geen zij te strenge dreef,

En Delius[59]'t geding alleen aan mij verbleef,

Dat ik ze als middelaar op 't voegelijkst mocht scheyen,

Men vond misschien een weg tot redding tusschen beyen."

Na rede en wederrede en onderling beraân,

Werd de uitspraak aan Jupijn van weêrzij toegestaan,

Die dus het vonnis velde: "Apollo zal gedoogen

Het huwelijk van haar, wier opgeslagen oogen

Zijn Godheid eeren; doch en zal in allen schijn

Dit tot zijn nadeel niet te verr' getrokken zijn,

Alsof hij afstand deê van 't recht hem opgedragen.

Ook zijn door 't juk des echts dees nymfen niet ontslagen

Van koor en kerrekdienst; daarbij zal de eerste vrucht

Van 't bruiloftsbed, geteeld in 's levens vrije lucht,

Apollo zijn gewijd!" hij zweeg, en daar op loegen

De onsterfelijke Goôn, en dronken met genoegen

Malkandren vrede toe; "waartoe zoo veel geschils

En oorloogs!" riepen zij, "Jupijn guntELK WAT WILS[60]."

Men scheidde zonder twist: doch Febus, in 't vertrekken,

Sprong morrende op zijn kar, en deê de paarden rekken.

Het aardrijk, door geen droef en donker voorspook, ras

Gewaar werd, dat om hoog wat groots besloten was.

Een paar op vetten roof wel afgerechte valken

Twee duiven voerden weg, en kwamen ze verschalken,

Op 't hooge torendak, dat Schreyers Hoek bewaakt[61].

De schildwacht, toen 't gestarnte aan 't vallen was geraakt,

Van verre in 't zeilrijk Y, met lachende geschater,

Een waterlandschen rei zag trippelen op 't water,

Met fakkelen vercierd en nimmer dorre blaân.

En de oude burregwal, die hoorde een blijde zwaan

Geluid slaan met haar keel, die zij zoo kon bedwingen,

Alsof ze eens uit de borst het bruiloftlied wou zingen.

De wijngaard aan de straat, geleid van maagdenhand.

Tot daar 't gehemelt dekt de nonneledekant[62],

Hing zwanger, in een nacht, van rijpe muscadellen:

Waaruit men mocht de vreugd van 't nakend huwlijk spellen.

Ik kreeg aan 't huwelijk ook kennis in den droom.

Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:

D' een, uit een parkement of half gerolde cedel,

Las noten[63]met haar galm, en d' ander met een vedel;

Waar op een heele zoô dolfijnen onvermoeid,

Als door Arions harp bekoord, kwam aangeroeid;

De twee vrijpostigste voor andren nader zwommen.

De jonffers schrijelings uit dartelheid beklommen

De visschen glad van huid (ik dacht, hoe wil 't hier gaan?),

Die na een keer of twee haar voerden Noordwaart aan,

En gaven zich in 't diep; de doodsche[64]maagden kreten,

En daar meê was de lust van zang en spel vergeten,

't Muziekblad en de veêl ten beste voor den vloed.

D' een reikte d' andre toe met d' armen het gemoed.

Zij huilden vast om hulp en redding, maar ze ontbrak er,

En door dit droef misbaar ontsprong[65]ik en werd wakker.

Een wijl hierna geviel 't, toen dezer dochtren geest

Kerkplechtig bezig was, om vieren 't jaarlijksch feest[66]

Met lofzang en gebeên, gelijk ze 't noô versloffen,

Dat d' een, van 't kerkgewelf, werd in de borst getroffen,

Met geen geveêrden schicht, maar gloeyendige kool

Of kogel, haar gegund[67]van eenig kleen pistool.

Zij zwijmde voor 't autaar, eer dat haar de oudste redde,

Die greep de doode, en droeg ze op 't hylikschuwe bedde.

"Ach, zuster!" sprak zij, "ach! wat deert u? is het ook

Een flaauwigheid, gevat van een vergiften rook[68]?

Of is het hart benaauwd, om dat uw ijver heden

Al t' ijvrig heeft gevast, geworsteld met gebeden?"

"Neen," zuchtte 't levend lijk, "dit is 't niet, dat me schort;

Mijn boezem is vol viers, mijn ziel gepijnigd wordt.

Breng drank, breng lafenis! 't zijn enkel heete kortsen,

Mijn boezem is vol brands; wat blaken mij al tortsen!"

In 't end rook Anna, hoe die korts[69]haar oorsprong nam

Ui geen onkuischen brand, maar eerelijke vlam,

En eerst[70]gezette zucht tot huwen en tot telen.

Zij troost haar al bedrukt; zij voert haar zinnen spelen,

Of zij verleyen[71]mocht dat opzet door bericht[72],

En zong ze voor den lof van kuische maagdeplicht:

Helaas! maar al vergeefs! Vergeefs men om wil stooten,

't Geen eenmaal van den nood gestemd[73]is en besloten.

Dit bleek eerst, toen de faam op Schreyers-toren zat,

En "bruiloft, bruiloft!" blies, en noodigde al de stad

Op 't schaterend banket, beluit met zoete rijmen[74].

Van 't Noorden[75]Krombalk kwam, verzelschapt met God Hymen,

Met heele en halve Goôn; van 't helder Oosten trad

God Jupiters geslacht[76], op zijne gaven prat,

Met zang en snarenspel voor bruids en bruigoms voeten,

Om met een bruiloftlied 't gelukkig paar te groeten.

[1]VoorBruilofts-ofHuwlijksfakkels.

[1]VoorBruilofts-ofHuwlijksfakkels.

[2]November 1623.

[2]November 1623.

[3]heeft te veel keurs, weet niet wat te kiezen.

[3]heeft te veel keurs, weet niet wat te kiezen.

[4]Iets.

[4]Iets.

[5]kransen; zie vroeger.

[5]kransen; zie vroeger.

[6]Thans verouderd voorgemalin. Juno (Jupiters zuster en gade) was van ouds de huwelijksgodin.

[6]Thans verouderd voorgemalin. Juno (Jupiters zuster en gade) was van ouds de huwelijksgodin.

[7]Na den dood van Floris V. Vondel springt hier vervolgens met "der keerlen God" vrij aristocratisch om. Daar hij echter van Juno, in haar aangegeven waardigheid, spreekt, kan hij wel niet anders dan den vermeenden hoon van Velzen bitter hekelen.

[7]Na den dood van Floris V. Vondel springt hier vervolgens met "der keerlen God" vrij aristocratisch om. Daar hij echter van Juno, in haar aangegeven waardigheid, spreekt, kan hij wel niet anders dan den vermeenden hoon van Velzen bitter hekelen.

[8]Zie de vorige aant.

[8]Zie de vorige aant.

[9]Of liever Roomsch-konings (gelijk Van L. te recht opmerkt), haar in 1489 door Maximiliaan voor bewezen dienst geschonken.

[9]Of liever Roomsch-konings (gelijk Van L. te recht opmerkt), haar in 1489 door Maximiliaan voor bewezen dienst geschonken.

[10]Thans alleen in zamenstelling (dikwerf, dikwijls, dikmaal, enz.) gebruikelijk, maar van gelijke beteekenis.

[10]Thans alleen in zamenstelling (dikwerf, dikwijls, dikmaal, enz.) gebruikelijk, maar van gelijke beteekenis.

[11]Van twee.

[11]Van twee.

[12]Zie boven, bl. 16a, aant.164.

[12]Zie boven, bl. 16a, aant.164.

[13]De muze van 't Heldendicht, hier waarschijnlijk om de door Tess. ondernomen vertaling van Tasso vermeld; verg. lager.

[13]De muze van 't Heldendicht, hier waarschijnlijk om de door Tess. ondernomen vertaling van Tasso vermeld; verg. lager.

[14]Juno.

[14]Juno.

[15]Naar Van Lenneps opmerking, denkelijk om hare woning bij den Schreyerstoren, half boven 't water.

[15]Naar Van Lenneps opmerking, denkelijk om hare woning bij den Schreyerstoren, half boven 't water.

[16]Thansdoet versagen.

[16]Thansdoet versagen.

[17]trots, roem; verg. vroeger.

[17]trots, roem; verg. vroeger.

[18]voor anker liggen; zie bl.138.

[18]voor anker liggen; zie bl.138.

[19]Trojaan.

[19]Trojaan.

[20]Van Jupiter, Hercules; Juno was, als men weet, weinig malsch op dat punt.

[20]Van Jupiter, Hercules; Juno was, als men weet, weinig malsch op dat punt.

[21]Hercules' moeder.

[21]Hercules' moeder.

[22]Min juist vooroverleg, daar, bij dergelijke overdrachtig gebezigde woorden, het voorzetsel onafscheidbaar is; minder door een "gril" van 't taalgebruik (gelijk V. L. wil), dan wel als de natuurlijke werking van den niet meer levenden, maar, door die overdracht, als verstijfden woord vorm.

[22]Min juist vooroverleg, daar, bij dergelijke overdrachtig gebezigde woorden, het voorzetsel onafscheidbaar is; minder door een "gril" van 't taalgebruik (gelijk V. L. wil), dan wel als de natuurlijke werking van den niet meer levenden, maar, door die overdracht, als verstijfden woord vorm.

[23]in te nemen, af te leiden.

[23]in te nemen, af te leiden.

[24]onbescheiden.

[24]onbescheiden.

[25]bezorgt, doet.

[25]bezorgt, doet.

[26]Tesselschade; zie boven.

[26]Tesselschade; zie boven.

[27]Voorverheven; zie vroeger.

[27]Voorverheven; zie vroeger.

[28]Tasso's hoofdheld, Godfried van Bouillon.

[28]Tasso's hoofdheld, Godfried van Bouillon.

[29]tegen.

[29]tegen.

[30]spoort, aanzet.

[30]spoort, aanzet.

[31]Anna: zie boven, in haar Geboortedicht, bl.150.

[31]Anna: zie boven, in haar Geboortedicht, bl.150.

[32]deel, bestemming.

[32]deel, bestemming.

[33]Apollo.

[33]Apollo.

[34]zich moeite geeft, tracht.

[34]zich moeite geeft, tracht.

[35]Thansdadelijk.

[35]Thansdadelijk.

[36]gekruld.

[36]gekruld.

[37]hem (als hun vader)verklappen.

[37]hem (als hun vader)verklappen.

[38]Zoo lees ik voorde, dat mij (met de verharding der h) eene latere wijziging schijnt, maar den zin onverstaanbaar maakt.

[38]Zoo lees ik voorde, dat mij (met de verharding der h) eene latere wijziging schijnt, maar den zin onverstaanbaar maakt.

[39]De nymfen Calisto en Iö.

[39]De nymfen Calisto en Iö.

[40]Europa.

[40]Europa.

[41]stukjens; verg. vroeger.

[41]stukjens; verg. vroeger.

[42]zetels, plaats.

[42]zetels, plaats.

[43]Bacchus.

[43]Bacchus.

[44]bezetten.

[44]bezetten.

[45]Voordurft(of lieverdert) enis.

[45]Voordurft(of lieverdert) enis.

[46]bayert, chaos.

[46]bayert, chaos.

[47]Diana en Vesta.

[47]Diana en Vesta.

[48]Rijmshalve voordooven, versmoren.

[48]Rijmshalve voordooven, versmoren.

[49]Versta:en nu.

[49]Versta:en nu.

[50]Versta:nu die.

[50]Versta:nu die.

[51]voor.

[51]voor.

[52]Nu die.

[52]Nu die.

[53]Voor 't meerv.durven, maar waarschijnlijk met het oog op deOppermajesteitvan zes regels vroeger.

[53]Voor 't meerv.durven, maar waarschijnlijk met het oog op deOppermajesteitvan zes regels vroeger.

[54]wellust nu behaagt en offert.

[54]wellust nu behaagt en offert.

[55]Wellicht zal menonsmoeten lezen, daar 't volgendeverplichtanders geheel in de lucht hangt.

[55]Wellicht zal menonsmoeten lezen, daar 't volgendeverplichtanders geheel in de lucht hangt.

[56]offerplaatsen.

[56]offerplaatsen.

[57]twist(andersveete); van 't verlorenveënofviën, vanwaar ookvijand.

[57]twist(andersveete); van 't verlorenveënofviën, vanwaar ookvijand.

[58]mijmering; zie vroeger.

[58]mijmering; zie vroeger.

[59]Apollo(als, naar de overlevering, op Delos geboren).

[59]Apollo(als, naar de overlevering, op Delos geboren).

[60]Vader Roemer Visscher's welbekende spreuk.

[60]Vader Roemer Visscher's welbekende spreuk.

[61]Zie boven, bl.160a, aant.15.

[61]Zie boven, bl.160a, aant.15.

[62]het maagdelijke bed.

[62]het maagdelijke bed.

[63]zong.

[63]zong.

[64]doodsbangeofbleeke.

[64]doodsbangeofbleeke.

[65]sprong ik(uit den slaap)op.

[65]sprong ik(uit den slaap)op.

[66]Dat van Paschen, naar 't schijnt.

[66]Dat van Paschen, naar 't schijnt.

[67]toegediend.

[67]toegediend.

[68]reuk.

[68]reuk.

[69]koorts(gelijktortsvoor onstoorts).

[69]koorts(gelijktortsvoor onstoorts).

[70]pas.

[70]pas.

[71]afleiden, afweren.

[71]afleiden, afweren.

[72]toespraak.

[72]toespraak.

[73]bepaald; zie vroeger.

[73]bepaald; zie vroeger.

[74]Spreek uit met open i.

[74]Spreek uit met open i.

[75]Uit Alkmaar.

[75]Uit Alkmaar.

[76]Versta:dichters en zangers.

[76]Versta:dichters en zangers.


Back to IndexNext