Gekken te hoop.

Gekken te hoop.(OP 'T WOORD: DAAR IS ZOO IETS.)Of dit òf dat, elk heeft al iet,Tot 's naasten klein of groot verdriet:De hanen trotschen op haar kam,Het varken denkt: ik voer de ham,De wevers-spoel loopt veel te knap,Om om te zien na pelzers lap;Maar wij Sciëntes[1]zijn geleerd,'t Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;Puf met het volkje zonder geest!Wat is een leek meer als een beest?Maar als 't al t' zaam wel is bezien,Wat schelen doch die lieve liên,Waar van elk trotst op zijn uitstek?D' een is een nar, en d' aâr een gek.[1]Latijn voorwetenschappelijke mannen, en hetgoed des geestes.OP HETVERONGELUKKEN[1]VAN DOCTOR ROSCIUS.Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koûEn op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3]en waarde vrouw,En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mondHaar adem en haar ziel; zij hemelde[4]op zijn lippen.Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."[1]In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.[2]onbeschroomd te wagen.[3]Zoo lees ik voorvrucht.[4]verhemelde, werd aan de aarde onttogen.Op Anthony Roscius.Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,En was gezalfd tot troost van lichamen[1]en zielen:Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.[1]Roscius was predikant en geneesheer.[2]plukte.

(OP 'T WOORD: DAAR IS ZOO IETS.)

Of dit òf dat, elk heeft al iet,Tot 's naasten klein of groot verdriet:De hanen trotschen op haar kam,Het varken denkt: ik voer de ham,De wevers-spoel loopt veel te knap,Om om te zien na pelzers lap;Maar wij Sciëntes[1]zijn geleerd,'t Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;Puf met het volkje zonder geest!Wat is een leek meer als een beest?Maar als 't al t' zaam wel is bezien,Wat schelen doch die lieve liên,Waar van elk trotst op zijn uitstek?D' een is een nar, en d' aâr een gek.

Of dit òf dat, elk heeft al iet,Tot 's naasten klein of groot verdriet:De hanen trotschen op haar kam,Het varken denkt: ik voer de ham,De wevers-spoel loopt veel te knap,Om om te zien na pelzers lap;Maar wij Sciëntes[1]zijn geleerd,'t Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;Puf met het volkje zonder geest!Wat is een leek meer als een beest?Maar als 't al t' zaam wel is bezien,Wat schelen doch die lieve liên,Waar van elk trotst op zijn uitstek?D' een is een nar, en d' aâr een gek.

Of dit òf dat, elk heeft al iet,Tot 's naasten klein of groot verdriet:De hanen trotschen op haar kam,Het varken denkt: ik voer de ham,De wevers-spoel loopt veel te knap,Om om te zien na pelzers lap;Maar wij Sciëntes[1]zijn geleerd,'t Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;Puf met het volkje zonder geest!Wat is een leek meer als een beest?Maar als 't al t' zaam wel is bezien,Wat schelen doch die lieve liên,Waar van elk trotst op zijn uitstek?D' een is een nar, en d' aâr een gek.

Of dit òf dat, elk heeft al iet,

Tot 's naasten klein of groot verdriet:

De hanen trotschen op haar kam,

Het varken denkt: ik voer de ham,

De wevers-spoel loopt veel te knap,

Om om te zien na pelzers lap;

Maar wij Sciëntes[1]zijn geleerd,

't Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;

Puf met het volkje zonder geest!

Wat is een leek meer als een beest?

Maar als 't al t' zaam wel is bezien,

Wat schelen doch die lieve liên,

Waar van elk trotst op zijn uitstek?

D' een is een nar, en d' aâr een gek.

[1]Latijn voorwetenschappelijke mannen, en hetgoed des geestes.

[1]Latijn voorwetenschappelijke mannen, en hetgoed des geestes.

OP HETVERONGELUKKEN[1]VAN DOCTOR ROSCIUS.Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koûEn op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3]en waarde vrouw,En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mondHaar adem en haar ziel; zij hemelde[4]op zijn lippen.Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."[1]In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.[2]onbeschroomd te wagen.[3]Zoo lees ik voorvrucht.[4]verhemelde, werd aan de aarde onttogen.

Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koûEn op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3]en waarde vrouw,En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mondHaar adem en haar ziel; zij hemelde[4]op zijn lippen.Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."

Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koûEn op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3]en waarde vrouw,En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mondHaar adem en haar ziel; zij hemelde[4]op zijn lippen.Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."

Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koûEn op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];

Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,

Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;

Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koû

En op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];

Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3]en waarde vrouw,En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.

Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:

Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,

In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3]en waarde vrouw,

En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.

Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mondHaar adem en haar ziel; zij hemelde[4]op zijn lippen.

Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"

Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mond

Haar adem en haar ziel; zij hemelde[4]op zijn lippen.

Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."

Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.

Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,

En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."

[1]In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.

[1]In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.

[2]onbeschroomd te wagen.

[2]onbeschroomd te wagen.

[3]Zoo lees ik voorvrucht.

[3]Zoo lees ik voorvrucht.

[4]verhemelde, werd aan de aarde onttogen.

[4]verhemelde, werd aan de aarde onttogen.

Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,En was gezalfd tot troost van lichamen[1]en zielen:Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.

Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,En was gezalfd tot troost van lichamen[1]en zielen:Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.

Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,En was gezalfd tot troost van lichamen[1]en zielen:Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.

Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,

Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];

Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,

En was gezalfd tot troost van lichamen[1]en zielen:

Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],

En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.

[1]Roscius was predikant en geneesheer.

[1]Roscius was predikant en geneesheer.

[2]plukte.

[2]plukte.


Back to IndexNext