Lijk-dicht,OP HET OVERLIJDEN[1]VAND. COENRADUS VORSTIUS,GEWEZEN PROFESSOR DER H. GODHEID, TOT LEIDEN.Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven,En bonsde van 't altaar den Afgod[2]van Geneven,Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes,En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes;Als hij de afloting[3]van zoo menig duizend stammenTer Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen,Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld,Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4]vervuld.Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen,Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen,Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mochtDen uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht.Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen,Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen,Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk,Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk.De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken,Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken:En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad:Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].[1]29 Sept. 1622, te Tonningen in Holstein, waar hij, als Remonstrantsch balling, kort te voren was aangekomen.[2]Het door Calvijn voorgestane Godsbegrip, met den, als "gruwel" door Vondel gebrandmerkte leerstelling der eeuwige verkiezing en verwerping.[3]nakomelingen.[4]worde.[5]Klankspeling opVorstius'naam.[6]Het bekende toevluchtsoord der Remonstrantsche ballingen, Frederikstad aan de Eider, waar V. (den 2den Oct.) begraven werd.
Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven,En bonsde van 't altaar den Afgod[2]van Geneven,Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes,En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes;Als hij de afloting[3]van zoo menig duizend stammenTer Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen,Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld,Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4]vervuld.Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen,Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen,Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mochtDen uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht.Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen,Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen,Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk,Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk.De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken,Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken:En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad:Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].
Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven,En bonsde van 't altaar den Afgod[2]van Geneven,Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes,En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes;Als hij de afloting[3]van zoo menig duizend stammenTer Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen,Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld,Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4]vervuld.Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen,Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen,Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mochtDen uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht.Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen,Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen,Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk,Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk.De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken,Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken:En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad:Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].
Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven,En bonsde van 't altaar den Afgod[2]van Geneven,Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes,En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes;Als hij de afloting[3]van zoo menig duizend stammenTer Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen,Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld,Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4]vervuld.Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen,Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen,Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mochtDen uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht.Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen,Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen,Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk,Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk.De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken,Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken:En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad:Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].
Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven,
En bonsde van 't altaar den Afgod[2]van Geneven,
Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes,
En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes;
Als hij de afloting[3]van zoo menig duizend stammen
Ter Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen,
Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld,
Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4]vervuld.
Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen,
Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen,
Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mocht
Den uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht.
Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen,
Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen,
Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk,
Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk.
De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken,
Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken:
En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad:
Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].
[1]29 Sept. 1622, te Tonningen in Holstein, waar hij, als Remonstrantsch balling, kort te voren was aangekomen.
[1]29 Sept. 1622, te Tonningen in Holstein, waar hij, als Remonstrantsch balling, kort te voren was aangekomen.
[2]Het door Calvijn voorgestane Godsbegrip, met den, als "gruwel" door Vondel gebrandmerkte leerstelling der eeuwige verkiezing en verwerping.
[2]Het door Calvijn voorgestane Godsbegrip, met den, als "gruwel" door Vondel gebrandmerkte leerstelling der eeuwige verkiezing en verwerping.
[3]nakomelingen.
[3]nakomelingen.
[4]worde.
[4]worde.
[5]Klankspeling opVorstius'naam.
[5]Klankspeling opVorstius'naam.
[6]Het bekende toevluchtsoord der Remonstrantsche ballingen, Frederikstad aan de Eider, waar V. (den 2den Oct.) begraven werd.
[6]Het bekende toevluchtsoord der Remonstrantsche ballingen, Frederikstad aan de Eider, waar V. (den 2den Oct.) begraven werd.