OP URBAAN DEN ACHTSTEN[1].Wat Godheid vol ontzags is dit,Die daar op zeven bergen zit,En zwaait, met zijne rechte hand,Dien bliksemstraal, en gloênden brand,Vervaarlijk als de Dondergod?Terwijl hij, uit het hooge slot,Een ieder handelt[2]zoo beleefd[3],En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeftHij onder zijn schabel[5]gebrachtEn zolen 't oorloogsforsch geslacht;En, trapplende op 't gekroonde hoofdDer grootste koningen, verdooftHet gloeyend purper van den raadDer vadren, die rondom hem staat;Gelijk 't gestarrent[6]flaauwt en daalt,Zoo ras de zon in 't Oosten straaltVan goud en rozen, uit haar troon.Verhuist Jupijn met al de Goôn?En vaart hij uit den Hemel, omHet kapitool, zijn heiligdom,Te gaan bezoeken? wat gezagBrengt de eerste tijden voor den dag,En voert den ouden Numa[7]weêrTe Rome, met zoo groot een eer?En levert Rome weder aanDen grijzen Numa onderdaan?Terwijl 't gemoed dit overleît,Zoo luistert mij mijn geest, bereidTe baren, en gedreven doorIet Hemelsch, dit al stil in 't oor:"Dees is de groote sleutelvoogdVan 's Hemels poorte; rust nu; poogtNiet meer te weten; buig uw kniên,En kus zijn voeten, wijd[8]ontzien."Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625.Vertaald uit mijn broeders[9]Latijn.[1]In 1623 Paus geworden.[2]Thansbehandelt.[3]minzaam.[4]vleit, vleyend bejegent.[5]voetbank.[6]gestarnte.[7]Koning Numa Pompilius van Rome.[8]verre.[9]Willem van Vondel (verg. boven, bladz. 118b, aant.2), die zijne hoogere studiën te Orleans met het Doctoraat in de Rechten was gaan bekronen, en daarop, naar Italië getrokken, nog negen maanden lang aan de school te Siëna verbleef.
Wat Godheid vol ontzags is dit,Die daar op zeven bergen zit,En zwaait, met zijne rechte hand,Dien bliksemstraal, en gloênden brand,Vervaarlijk als de Dondergod?Terwijl hij, uit het hooge slot,Een ieder handelt[2]zoo beleefd[3],En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeftHij onder zijn schabel[5]gebrachtEn zolen 't oorloogsforsch geslacht;En, trapplende op 't gekroonde hoofdDer grootste koningen, verdooftHet gloeyend purper van den raadDer vadren, die rondom hem staat;Gelijk 't gestarrent[6]flaauwt en daalt,Zoo ras de zon in 't Oosten straaltVan goud en rozen, uit haar troon.Verhuist Jupijn met al de Goôn?En vaart hij uit den Hemel, omHet kapitool, zijn heiligdom,Te gaan bezoeken? wat gezagBrengt de eerste tijden voor den dag,En voert den ouden Numa[7]weêrTe Rome, met zoo groot een eer?En levert Rome weder aanDen grijzen Numa onderdaan?Terwijl 't gemoed dit overleît,Zoo luistert mij mijn geest, bereidTe baren, en gedreven doorIet Hemelsch, dit al stil in 't oor:"Dees is de groote sleutelvoogdVan 's Hemels poorte; rust nu; poogtNiet meer te weten; buig uw kniên,En kus zijn voeten, wijd[8]ontzien."Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625.Vertaald uit mijn broeders[9]Latijn.
Wat Godheid vol ontzags is dit,Die daar op zeven bergen zit,En zwaait, met zijne rechte hand,Dien bliksemstraal, en gloênden brand,Vervaarlijk als de Dondergod?Terwijl hij, uit het hooge slot,Een ieder handelt[2]zoo beleefd[3],En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeftHij onder zijn schabel[5]gebrachtEn zolen 't oorloogsforsch geslacht;En, trapplende op 't gekroonde hoofdDer grootste koningen, verdooftHet gloeyend purper van den raadDer vadren, die rondom hem staat;Gelijk 't gestarrent[6]flaauwt en daalt,Zoo ras de zon in 't Oosten straaltVan goud en rozen, uit haar troon.Verhuist Jupijn met al de Goôn?En vaart hij uit den Hemel, omHet kapitool, zijn heiligdom,Te gaan bezoeken? wat gezagBrengt de eerste tijden voor den dag,En voert den ouden Numa[7]weêrTe Rome, met zoo groot een eer?En levert Rome weder aanDen grijzen Numa onderdaan?Terwijl 't gemoed dit overleît,Zoo luistert mij mijn geest, bereidTe baren, en gedreven doorIet Hemelsch, dit al stil in 't oor:"Dees is de groote sleutelvoogdVan 's Hemels poorte; rust nu; poogtNiet meer te weten; buig uw kniên,En kus zijn voeten, wijd[8]ontzien."Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625.Vertaald uit mijn broeders[9]Latijn.
Wat Godheid vol ontzags is dit,Die daar op zeven bergen zit,En zwaait, met zijne rechte hand,Dien bliksemstraal, en gloênden brand,Vervaarlijk als de Dondergod?Terwijl hij, uit het hooge slot,Een ieder handelt[2]zoo beleefd[3],En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeftHij onder zijn schabel[5]gebrachtEn zolen 't oorloogsforsch geslacht;En, trapplende op 't gekroonde hoofdDer grootste koningen, verdooftHet gloeyend purper van den raadDer vadren, die rondom hem staat;Gelijk 't gestarrent[6]flaauwt en daalt,Zoo ras de zon in 't Oosten straaltVan goud en rozen, uit haar troon.Verhuist Jupijn met al de Goôn?En vaart hij uit den Hemel, omHet kapitool, zijn heiligdom,Te gaan bezoeken? wat gezagBrengt de eerste tijden voor den dag,En voert den ouden Numa[7]weêrTe Rome, met zoo groot een eer?En levert Rome weder aanDen grijzen Numa onderdaan?Terwijl 't gemoed dit overleît,Zoo luistert mij mijn geest, bereidTe baren, en gedreven doorIet Hemelsch, dit al stil in 't oor:"Dees is de groote sleutelvoogdVan 's Hemels poorte; rust nu; poogtNiet meer te weten; buig uw kniên,En kus zijn voeten, wijd[8]ontzien."
Wat Godheid vol ontzags is dit,
Die daar op zeven bergen zit,
En zwaait, met zijne rechte hand,
Dien bliksemstraal, en gloênden brand,
Vervaarlijk als de Dondergod?
Terwijl hij, uit het hooge slot,
Een ieder handelt[2]zoo beleefd[3],
En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeft
Hij onder zijn schabel[5]gebracht
En zolen 't oorloogsforsch geslacht;
En, trapplende op 't gekroonde hoofd
Der grootste koningen, verdooft
Het gloeyend purper van den raad
Der vadren, die rondom hem staat;
Gelijk 't gestarrent[6]flaauwt en daalt,
Zoo ras de zon in 't Oosten straalt
Van goud en rozen, uit haar troon.
Verhuist Jupijn met al de Goôn?
En vaart hij uit den Hemel, om
Het kapitool, zijn heiligdom,
Te gaan bezoeken? wat gezag
Brengt de eerste tijden voor den dag,
En voert den ouden Numa[7]weêr
Te Rome, met zoo groot een eer?
En levert Rome weder aan
Den grijzen Numa onderdaan?
Terwijl 't gemoed dit overleît,
Zoo luistert mij mijn geest, bereid
Te baren, en gedreven door
Iet Hemelsch, dit al stil in 't oor:
"Dees is de groote sleutelvoogd
Van 's Hemels poorte; rust nu; poogt
Niet meer te weten; buig uw kniên,
En kus zijn voeten, wijd[8]ontzien."
Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625.Vertaald uit mijn broeders[9]Latijn.
Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625.
Vertaald uit mijn broeders[9]Latijn.
[1]In 1623 Paus geworden.
[1]In 1623 Paus geworden.
[2]Thansbehandelt.
[2]Thansbehandelt.
[3]minzaam.
[3]minzaam.
[4]vleit, vleyend bejegent.
[4]vleit, vleyend bejegent.
[5]voetbank.
[5]voetbank.
[6]gestarnte.
[6]gestarnte.
[7]Koning Numa Pompilius van Rome.
[7]Koning Numa Pompilius van Rome.
[8]verre.
[8]verre.
[9]Willem van Vondel (verg. boven, bladz. 118b, aant.2), die zijne hoogere studiën te Orleans met het Doctoraat in de Rechten was gaan bekronen, en daarop, naar Italië getrokken, nog negen maanden lang aan de school te Siëna verbleef.
[9]Willem van Vondel (verg. boven, bladz. 118b, aant.2), die zijne hoogere studiën te Orleans met het Doctoraat in de Rechten was gaan bekronen, en daarop, naar Italië getrokken, nog negen maanden lang aan de school te Siëna verbleef.