TWEEDE HANDEL.TALTHYBIUS, REI.REI.Hoe lange draalt altijd de Griek in havens schoot,'t Zij hij ten oorloog trekt, of t'huis keert met de vloot!Meld d' oorzaak, die zoo lang de schepen doet verbeiden,Wat God[52]de wegen sluit, die ons te rugge leiden.TALTHYBIUS.'t Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leên.Een onwaarschijnlijk spook[53], en meerder als gemeen,Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen,Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen,En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lagAlreê verwonnen door den opgerezen dag,Als 't aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven,Uit 't binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven;De boomen schudden 't hoofd, 't verheven woud geparst[54],En zelf het heilig bosch, dat dondert met een' barst;'t Gebergt van Ida smelt in morseling[55]van steenen,En 't aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenenWordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon[56]gewaar,En kemt haar vloeden glad. Doen opent d' aarde daarVan een gereten fluks haar holen en 't wanschapen[57]:En Erebus verschaft, langs 's aardrijks grouwzaam gapen,Een vrij en open pad naar 't volk om hoog bedeesd,En licht den steen van 't graf. Te voorschijn kwam de geestVan Scyros' hartog[58], zoo als hij den aantocht mende[59],En velde in 't harnas neêr de strenge Thraciêr-bende,En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed;Of doen Neptunus' zoon[60]hij dood ter aarde smeet,Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte;Of als hij in 't gedrang met forschen moede ontvonkte,En heele stroomen heeft met dooden toegestopt,Doen Xanthus in zijn wad[61], aan lichamen verkropt,Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen;Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen,En 't lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem.Naar over 't heele strand klonk zijn vergrimde stem:"Onaardige[62]! gaat heen, ontdraagt te dezer stondeMijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde;Ontmeert[63]de ondankbre vloot, om door onz' zee te gaan!Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan,Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche,Door Pyrrhus' hand geslacht, het graf besprenge en wassche."Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweênMet een heldonkre nacht; en dalende beneên,Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neêrgedoken,Met t' zamen loopende aard' hij heelde; en, na het spoken,De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt,En 't heele meer[64]bedaart, en mort met zachtren vloed.De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen,Het hoofd om hoog stak, en heeft 't bruiloftslied gezongen.PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.PYRRHUS.Als gij met blijden zeil' zoudt keeren zeewaart in,En[65]kwam Achilles u niet eenmaal in den zin?Hij, door wiens eenge hand dat[66]Trojens hooge vestenGeschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten;Waarmeed' hij heeft geboet[67], in korten tijd, al 'tgeenIn Scyros is gemard[68]en Lesbos, 'twelk in tweênDe Ægeesche golven klieft. Zoo haast hij was gebleven,Stond Trojens wal[69]beducht, waarheen hij zich woû geven[70].Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daadHetgeen hier wordt geëischt, nog komt het al te laat:'t Lot heeft den vorsten reê hunn' prijzen toe gaan leggen.Wie kan zoo klein een loon zoo groot een deugde ontzeggen?Verdiend' hij luttel, dien, gelast den krijg alomTe vlieden, en gerust met langen ouderdomZijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven,Den ouden Nestor en zijn' jaren t' overleven,De moederlijke list nochtans en 't vrouwekleedAfleîde, en door 't geweer[71]zich, willig, man beleed[71].Wanneer dat[72]Telefus, oploopende en vermetel,Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel,Den pas geweigerd had, zijn' koninklijke wond[73]Verwt d' onervaren hand, die namaals hij bevondZoo zoet[74], als streng in 't eerst. Zelf Theben most bezwijken,De vorst Eëtion verovren zien zijn rijken,En klein Lyrnessos, dat aan 't hoog gebergte leît,Leed diergelijken val, en 't land, wiens naam verbreidDoor 't vangen van de maagd Briseïs is geworden,En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden,En lagen overhoop, en Tenedos befaamd,En dat het Traciêr vee, in vruchtbaarheid vernaamd[75],Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andreApollo toegewijd. Wat wil ik na malkandreOphalen alle steên, die, rijk van vee en volk,Caïcus[76], door den vloed verhoogende zijn kolk,Met wintervocht bespoeld. Zoo groote nederlagen,En veler volken schrik, en steden neêrgeslagen,Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof,Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof;—Achilles deê 't ter loop[77]. Zoo kwam mijn vader trekkenDie uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken[78]Toerusten[79]heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg'Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg?Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lestenKomt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten.Het lust mij, op dit pas, eens door den drang[80]te gaanVan vaders hoogen lof en wijdberoemde daân:Lag Hector niet geveld voor 's eigen teelders oogen,En Memnon voor zijn ooms[81]? om wien zich kwam vertoogen[82]De moeder in een schijn[83]heel anders dan zij plag,En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag.Zelf d' overwinner heeft een afschrik van het voorbeeldZijns eigen daads[84]: waardoor Achilles merkt en oordeelt,Dat Godenkinders ook geraken aan hun end.Penthesilea doen, ten zadel uitgerend,Der Grieken jongste schrik[85], gevallen is ter aarde.Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde,Al eischt' hij Argos' puik of een Myceensche bruid,Gij zijt daartoe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit!En staat ge 't nog niet toe? wat zal men langer wachten?Is 't wreedheid Priaams zaad voor Peleus' zoon te slachten?Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om HeleenGeofferd; 'tgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.AGAMEMNON.'t Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen.Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen,Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerdDoor vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert.'k Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendhedenUws vaders eertijds wel met koelen moed geleden.'t Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijd'.Wat wilt ge d' eedle schim eens vorsten, die den nijdDoet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespattenMet grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten,Waar d' overwinner toe verplicht is met bescheid:Wat hem te dulden staat, die overwonnen leît.Geweldig' heerschappij hield niemand lange staande,Gematigde duurt langst; en hoe dat meer 't opgaandeEn steigerende lot der sterfelijken machtOm hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht,Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen,'s Geluks bezitter, zich te houden ingetogen,Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon,Mistrouwende de gunst van al te milde Goôn.In 't winnen ik bevond, hoe d' allerbraafst[86]in 't brallenLag in een oogenblik bestelpt en neêrgevallen.Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel?De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer 't viel.Ik plag wel eer, ik ken 't, eens anders staat te honen,En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen,En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat;Maar lots liefkozerij, die andren op hun staatMet trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen,Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen,Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, datDe parelrijke staf, 't gewaad van purper zat,Meer zijn als d' ijdle schijn, bedekt met valsch vergulselEn glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulselVan eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp,Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp.Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen,Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen;Zoo traag een ongeval hangt elk niet over 't hoofd.'k Wil hier wel rond in gaan[87], en dat ge dit gelooft,O waarde vaderland! 't zij met uw welbehagen:Het was mijn toeleg wel, verheerd en neêrgeslagenTe zien den Frygiaan; de Goddelijke wal,En torens Hemelhoog, tot hopeloozen valTe brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturenSoldaten, heet op wraak, en d' overhand[88]aan d' urenDer blinde nacht vertrouwd! Al 't onrecht, al het leed,Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed,Uit toorne[89]en duister kwam; waarin de gramschap woedigHare eigen dolheid tergt, en 't zwaard, 'twelk eens voorspoedigBesmet in 's vijands bloed, een dolle lust bevat.'t Geen overblijven kan van de omgekeerde stad,Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel,En niet dan al te veel. Dat nu door 't staal nog sneuvelEen koninklijke maagd, geschonken aan het grafTen gave, en d' assche sprenge, en dat een moord zoo strafDen naam van bruiloft voere: ik zweer, 'k zal 't nimmer dulden.Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden.De geen, die 't kwaad niet keert, wanneer hij 't keeren kan,Het zondigen gebiedt.PYRRHUS.Zal vaders schimme danNiet hebben eenig loon?AGAMEMNON.Hij zal, maar naar betamen:Met lofzang zullen z' hem verheffen all' te zamen,Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moedDoorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloedVerstorvene asch verkwikt of stilt der geesten jamren,Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren,En kudden blank van wol; laat vloeyen over 't veld't Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt.Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenlevenTer uitvaart van een mensch' ten besten ooit gegeven?Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijkGij eeren wilt met bloed.PYRRHUS.O blaaskaak, als het rijkUw hart met voorspoed hoogt[90]! O bloodaart, snel in 't vluchten!Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten.O vorstendwingeland! is dan uw wulpsche zinAl wederom ontvonkt door brand van nieuwe min,En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijkenVan onz' gerechtigheid, en u den buit te strijken?'k Zal met dees rechtehand Achilles' tombe voênMet bloed, aan hem verloofd, opdat het strekk' tot zoen;'t Welk, zoo gij 't ons ontzegt en derft hier tegens blaffen,Een grootere offerand zal ik den held verschaffen,En waardig Pyrrhus' hand. Mijn zwaard toeft veel te langVan 's konings neêrlaag, die 't den Grieken maakt zoo bang.De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.AGAMEMNON.Dat 's Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakkerIn 't bloed gerept heeft van dien afgeleefden heer[91],Wiens smeeken had verzacht zijn' vader zelf weleer.PYRRHUS.Ik weet, dat die zijn' kniên voor mijnen vader buigde,Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigdeZijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast,Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belastUw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden,Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.AGAMEMNON.Uw vader, ik beken 't, doen[92]geene vrees beving;Als 't heer die neêrlaag leed, de vloot aan kolen ging,Log lag hij, lui, en leêg, en dacht op krijg noch wapen,Maar bleef aan 't zoet geluid der snaren zich vergapen.PYRRHUS.De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht,En vreesde Achilles' zang meer als uwe oorloogsmacht;En in zoo groot eene angst, die ieder een deê beven,De vloot der Thessaliêrs is ongedeerd gebleven.AGAMEMNON.Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meêUit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreê.PYRRHUS.'t Is koninklijk, een vorst zijn adem[93]wat te geven.AGAMEMNON.Gij maakt' hem ademloos, en holpt hem om het leven.PYRRHUS.Vaak een meêdoogend hart de dood voor 't leven geeft.AGAMEMNON.Die dingt na maagdenbloed wel groot meêdoogen heeft.PYRRHUS.Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?AGAMEMNON.Een vorst moet boven 't bloed zijns volleks welvaart stellen.PYRRHUS.Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.AGAMEMNON.'t Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamt' wel af.PYRRHUS.Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.AGAMEMNON.Wien 't meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.PYRRHUS.Ga, stof zoo bij die geen, wien ik 't ondraaglijk jukVan uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.AGAMEMNON.Geeft Scyros u dien moed?PYRRHUS.Dat vrij van broedren[94]schand is.AGAMEMNON.Dat wegduikt in de zee?PYRRHUS.Die onze bloedverwante is[95].Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.AGAMEMNON.Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend,En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.PYRRHUS.Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekkenNu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog,Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog,In d' afgrond Æacus[96], en Thetis in de baren.AGAMEMNON.Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren,Door Paris' hand gedood.PYRRHUS.Wien niemand van de Goôn,In 't strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboôn.AGAMEMNON.De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoerenEn driestigheid met straf; doch 'k ben gewend te voerenEen zwaard, dat sparen kan een die het overmag.Dat Calchas, tolk der Goôn, koom' liever voor den dag!Eischt 't noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen.Gij[97], die de Grieksche vloot uit Aulis hebt getogen,En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doetOntsluiten door uw konst; wien 't ingewand en 't bloedDer dieren is bekend; gij, wien 't gekraak des Hemels,En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels,Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mijZoo dier staan, Thestors zoon! Goods[98]wil ontdek ons vrij,En stier ons met uw raad!CALCHAS.Het noodlot biedt den GreekenWeêr aan, om[99]d' oude vracht[100], de wegen op te brekenDie nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslachtZij voor Achilles' graf, wordt van de Goôn verwacht:En Pyrrhus moet de bruid (in zulleke gewaden,Als in Thessaliën tot haren bruigom tradenDe maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw,Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw)Zijn vader brengen toe[101]. Zoo huwt ze naar betamen.Maar dit is 't niet alleen, dat onze schepen t' zamenDoet marren op de reê; het noodlot vordert nu,En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan 't uw.Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen,Zoo mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.REI[102].Zou 't waarheid zijn, of gaat het kreupel,En paait men het bedeesd gepeupelMet sprookjes en met ijdelheid,Op dat het niet in deugd verslimme[103],Als 't waant, dat des verstorvens schimmeNog leeft, als 't lijf begraven leît?Wanneer 't gezicht al is gebroken,En d' eêgemaal[104]'t oog heeft geloken,En dat de jongste en laatste dagDer zonnen glans heeft afgeschoten,En in den emmer[105]zijn geslotenDe treurige asschen met beklag;En[106]baat het niet, zijn ziel en levenIn 't uiterste aan het graf te geven;Maar moet, vol jammers en verdriet,D' ellendige noch langer zwerven?Of sterven wij geheel door 't sterven,En gaat de gansche mensch tot niet?Wanneer de geest, met blijvende' aassemGemengd, wijkt in der wolken waassem,En dat de toorts de naakte leênGeblakerd heeft? Al wat, in 't dalenOf rijzen, met haar heldre stralen,De zon beschijnt, en kent met een;Al wat de zee, met wufte baren,In eb of vloed bespoelt, de jarenWegrukken snellijk en gezwind;Gelijk Pegaas[107], met vlugge pennen,Gewoon door 's Hemels blaauw te rennen,Ontloopt de zwepen van den wind;Met zulk een dwarling, als daar zwierenDe tweemaal zes gestarnde dieren[108];Met zulk een loop, als d' OpperheerDer starren de eeuwen staag doet draayen;Als Hecate[109], met slimme[110]zwaayen,Dwaalt om het aardrijk op en neêr;Zoo ziet men ons naar 't ende draven,Die eens den stroom (waarbij dat stavenDe Goôn hunne eeden) heeft genaakt,Is nergens meer; gelijk het rookenVan heeten brand, na dampig smokenDer korte streke[111]uit 't oog geraakt;Gelijk men, door de Noordervlagen,De wolken, die wij zwanger zagenZoo datelijk, ziet dwijnen weêr;Alzoo zal ook dees geest vervloeyen,Die 't lijf bestierde, en zal zich spoeyenTot niet te smelten, meer en meer.Hier namaals is er niet[112]te wachten.De dood is niet. De dood wilt achtenDe jongste paal van 's levens baan.Begeerig hart! houd op van hopen;Bekommerd volk! uw zorg laat loopen,En alles voorts zijn' gang laat gaan.Vraagt iemand waar de dooden varen?Ter plaats daar de ongeboren waren.De bayert en de grage tijdVerslinden ons; het is onfeilbaar.De dood is een en gants ondeilbaar[113],Die ziel zoo wel als lichaam slijt.Het rijk van Pluto, d' Helsche straffen,En Cerberus, die met zijn blaffenDe stramme deuren gade slaat,Zijn niet dan ijdele geruchtenEn woorden, die men niet moet vruchten[114],Ja, malle droomgelijke praat.
TALTHYBIUS, REI.REI.Hoe lange draalt altijd de Griek in havens schoot,'t Zij hij ten oorloog trekt, of t'huis keert met de vloot!Meld d' oorzaak, die zoo lang de schepen doet verbeiden,Wat God[52]de wegen sluit, die ons te rugge leiden.TALTHYBIUS.'t Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leên.Een onwaarschijnlijk spook[53], en meerder als gemeen,Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen,Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen,En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lagAlreê verwonnen door den opgerezen dag,Als 't aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven,Uit 't binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven;De boomen schudden 't hoofd, 't verheven woud geparst[54],En zelf het heilig bosch, dat dondert met een' barst;'t Gebergt van Ida smelt in morseling[55]van steenen,En 't aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenenWordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon[56]gewaar,En kemt haar vloeden glad. Doen opent d' aarde daarVan een gereten fluks haar holen en 't wanschapen[57]:En Erebus verschaft, langs 's aardrijks grouwzaam gapen,Een vrij en open pad naar 't volk om hoog bedeesd,En licht den steen van 't graf. Te voorschijn kwam de geestVan Scyros' hartog[58], zoo als hij den aantocht mende[59],En velde in 't harnas neêr de strenge Thraciêr-bende,En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed;Of doen Neptunus' zoon[60]hij dood ter aarde smeet,Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte;Of als hij in 't gedrang met forschen moede ontvonkte,En heele stroomen heeft met dooden toegestopt,Doen Xanthus in zijn wad[61], aan lichamen verkropt,Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen;Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen,En 't lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem.Naar over 't heele strand klonk zijn vergrimde stem:"Onaardige[62]! gaat heen, ontdraagt te dezer stondeMijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde;Ontmeert[63]de ondankbre vloot, om door onz' zee te gaan!Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan,Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche,Door Pyrrhus' hand geslacht, het graf besprenge en wassche."Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweênMet een heldonkre nacht; en dalende beneên,Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neêrgedoken,Met t' zamen loopende aard' hij heelde; en, na het spoken,De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt,En 't heele meer[64]bedaart, en mort met zachtren vloed.De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen,Het hoofd om hoog stak, en heeft 't bruiloftslied gezongen.PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.PYRRHUS.Als gij met blijden zeil' zoudt keeren zeewaart in,En[65]kwam Achilles u niet eenmaal in den zin?Hij, door wiens eenge hand dat[66]Trojens hooge vestenGeschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten;Waarmeed' hij heeft geboet[67], in korten tijd, al 'tgeenIn Scyros is gemard[68]en Lesbos, 'twelk in tweênDe Ægeesche golven klieft. Zoo haast hij was gebleven,Stond Trojens wal[69]beducht, waarheen hij zich woû geven[70].Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daadHetgeen hier wordt geëischt, nog komt het al te laat:'t Lot heeft den vorsten reê hunn' prijzen toe gaan leggen.Wie kan zoo klein een loon zoo groot een deugde ontzeggen?Verdiend' hij luttel, dien, gelast den krijg alomTe vlieden, en gerust met langen ouderdomZijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven,Den ouden Nestor en zijn' jaren t' overleven,De moederlijke list nochtans en 't vrouwekleedAfleîde, en door 't geweer[71]zich, willig, man beleed[71].Wanneer dat[72]Telefus, oploopende en vermetel,Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel,Den pas geweigerd had, zijn' koninklijke wond[73]Verwt d' onervaren hand, die namaals hij bevondZoo zoet[74], als streng in 't eerst. Zelf Theben most bezwijken,De vorst Eëtion verovren zien zijn rijken,En klein Lyrnessos, dat aan 't hoog gebergte leît,Leed diergelijken val, en 't land, wiens naam verbreidDoor 't vangen van de maagd Briseïs is geworden,En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden,En lagen overhoop, en Tenedos befaamd,En dat het Traciêr vee, in vruchtbaarheid vernaamd[75],Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andreApollo toegewijd. Wat wil ik na malkandreOphalen alle steên, die, rijk van vee en volk,Caïcus[76], door den vloed verhoogende zijn kolk,Met wintervocht bespoeld. Zoo groote nederlagen,En veler volken schrik, en steden neêrgeslagen,Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof,Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof;—Achilles deê 't ter loop[77]. Zoo kwam mijn vader trekkenDie uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken[78]Toerusten[79]heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg'Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg?Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lestenKomt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten.Het lust mij, op dit pas, eens door den drang[80]te gaanVan vaders hoogen lof en wijdberoemde daân:Lag Hector niet geveld voor 's eigen teelders oogen,En Memnon voor zijn ooms[81]? om wien zich kwam vertoogen[82]De moeder in een schijn[83]heel anders dan zij plag,En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag.Zelf d' overwinner heeft een afschrik van het voorbeeldZijns eigen daads[84]: waardoor Achilles merkt en oordeelt,Dat Godenkinders ook geraken aan hun end.Penthesilea doen, ten zadel uitgerend,Der Grieken jongste schrik[85], gevallen is ter aarde.Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde,Al eischt' hij Argos' puik of een Myceensche bruid,Gij zijt daartoe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit!En staat ge 't nog niet toe? wat zal men langer wachten?Is 't wreedheid Priaams zaad voor Peleus' zoon te slachten?Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om HeleenGeofferd; 'tgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.AGAMEMNON.'t Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen.Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen,Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerdDoor vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert.'k Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendhedenUws vaders eertijds wel met koelen moed geleden.'t Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijd'.Wat wilt ge d' eedle schim eens vorsten, die den nijdDoet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespattenMet grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten,Waar d' overwinner toe verplicht is met bescheid:Wat hem te dulden staat, die overwonnen leît.Geweldig' heerschappij hield niemand lange staande,Gematigde duurt langst; en hoe dat meer 't opgaandeEn steigerende lot der sterfelijken machtOm hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht,Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen,'s Geluks bezitter, zich te houden ingetogen,Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon,Mistrouwende de gunst van al te milde Goôn.In 't winnen ik bevond, hoe d' allerbraafst[86]in 't brallenLag in een oogenblik bestelpt en neêrgevallen.Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel?De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer 't viel.Ik plag wel eer, ik ken 't, eens anders staat te honen,En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen,En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat;Maar lots liefkozerij, die andren op hun staatMet trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen,Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen,Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, datDe parelrijke staf, 't gewaad van purper zat,Meer zijn als d' ijdle schijn, bedekt met valsch vergulselEn glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulselVan eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp,Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp.Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen,Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen;Zoo traag een ongeval hangt elk niet over 't hoofd.'k Wil hier wel rond in gaan[87], en dat ge dit gelooft,O waarde vaderland! 't zij met uw welbehagen:Het was mijn toeleg wel, verheerd en neêrgeslagenTe zien den Frygiaan; de Goddelijke wal,En torens Hemelhoog, tot hopeloozen valTe brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturenSoldaten, heet op wraak, en d' overhand[88]aan d' urenDer blinde nacht vertrouwd! Al 't onrecht, al het leed,Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed,Uit toorne[89]en duister kwam; waarin de gramschap woedigHare eigen dolheid tergt, en 't zwaard, 'twelk eens voorspoedigBesmet in 's vijands bloed, een dolle lust bevat.'t Geen overblijven kan van de omgekeerde stad,Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel,En niet dan al te veel. Dat nu door 't staal nog sneuvelEen koninklijke maagd, geschonken aan het grafTen gave, en d' assche sprenge, en dat een moord zoo strafDen naam van bruiloft voere: ik zweer, 'k zal 't nimmer dulden.Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden.De geen, die 't kwaad niet keert, wanneer hij 't keeren kan,Het zondigen gebiedt.PYRRHUS.Zal vaders schimme danNiet hebben eenig loon?AGAMEMNON.Hij zal, maar naar betamen:Met lofzang zullen z' hem verheffen all' te zamen,Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moedDoorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloedVerstorvene asch verkwikt of stilt der geesten jamren,Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren,En kudden blank van wol; laat vloeyen over 't veld't Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt.Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenlevenTer uitvaart van een mensch' ten besten ooit gegeven?Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijkGij eeren wilt met bloed.PYRRHUS.O blaaskaak, als het rijkUw hart met voorspoed hoogt[90]! O bloodaart, snel in 't vluchten!Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten.O vorstendwingeland! is dan uw wulpsche zinAl wederom ontvonkt door brand van nieuwe min,En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijkenVan onz' gerechtigheid, en u den buit te strijken?'k Zal met dees rechtehand Achilles' tombe voênMet bloed, aan hem verloofd, opdat het strekk' tot zoen;'t Welk, zoo gij 't ons ontzegt en derft hier tegens blaffen,Een grootere offerand zal ik den held verschaffen,En waardig Pyrrhus' hand. Mijn zwaard toeft veel te langVan 's konings neêrlaag, die 't den Grieken maakt zoo bang.De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.AGAMEMNON.Dat 's Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakkerIn 't bloed gerept heeft van dien afgeleefden heer[91],Wiens smeeken had verzacht zijn' vader zelf weleer.PYRRHUS.Ik weet, dat die zijn' kniên voor mijnen vader buigde,Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigdeZijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast,Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belastUw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden,Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.AGAMEMNON.Uw vader, ik beken 't, doen[92]geene vrees beving;Als 't heer die neêrlaag leed, de vloot aan kolen ging,Log lag hij, lui, en leêg, en dacht op krijg noch wapen,Maar bleef aan 't zoet geluid der snaren zich vergapen.PYRRHUS.De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht,En vreesde Achilles' zang meer als uwe oorloogsmacht;En in zoo groot eene angst, die ieder een deê beven,De vloot der Thessaliêrs is ongedeerd gebleven.AGAMEMNON.Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meêUit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreê.PYRRHUS.'t Is koninklijk, een vorst zijn adem[93]wat te geven.AGAMEMNON.Gij maakt' hem ademloos, en holpt hem om het leven.PYRRHUS.Vaak een meêdoogend hart de dood voor 't leven geeft.AGAMEMNON.Die dingt na maagdenbloed wel groot meêdoogen heeft.PYRRHUS.Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?AGAMEMNON.Een vorst moet boven 't bloed zijns volleks welvaart stellen.PYRRHUS.Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.AGAMEMNON.'t Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamt' wel af.PYRRHUS.Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.AGAMEMNON.Wien 't meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.PYRRHUS.Ga, stof zoo bij die geen, wien ik 't ondraaglijk jukVan uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.AGAMEMNON.Geeft Scyros u dien moed?PYRRHUS.Dat vrij van broedren[94]schand is.AGAMEMNON.Dat wegduikt in de zee?PYRRHUS.Die onze bloedverwante is[95].Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.AGAMEMNON.Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend,En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.PYRRHUS.Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekkenNu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog,Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog,In d' afgrond Æacus[96], en Thetis in de baren.AGAMEMNON.Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren,Door Paris' hand gedood.PYRRHUS.Wien niemand van de Goôn,In 't strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboôn.AGAMEMNON.De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoerenEn driestigheid met straf; doch 'k ben gewend te voerenEen zwaard, dat sparen kan een die het overmag.Dat Calchas, tolk der Goôn, koom' liever voor den dag!Eischt 't noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen.Gij[97], die de Grieksche vloot uit Aulis hebt getogen,En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doetOntsluiten door uw konst; wien 't ingewand en 't bloedDer dieren is bekend; gij, wien 't gekraak des Hemels,En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels,Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mijZoo dier staan, Thestors zoon! Goods[98]wil ontdek ons vrij,En stier ons met uw raad!CALCHAS.Het noodlot biedt den GreekenWeêr aan, om[99]d' oude vracht[100], de wegen op te brekenDie nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslachtZij voor Achilles' graf, wordt van de Goôn verwacht:En Pyrrhus moet de bruid (in zulleke gewaden,Als in Thessaliën tot haren bruigom tradenDe maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw,Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw)Zijn vader brengen toe[101]. Zoo huwt ze naar betamen.Maar dit is 't niet alleen, dat onze schepen t' zamenDoet marren op de reê; het noodlot vordert nu,En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan 't uw.Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen,Zoo mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.REI[102].Zou 't waarheid zijn, of gaat het kreupel,En paait men het bedeesd gepeupelMet sprookjes en met ijdelheid,Op dat het niet in deugd verslimme[103],Als 't waant, dat des verstorvens schimmeNog leeft, als 't lijf begraven leît?Wanneer 't gezicht al is gebroken,En d' eêgemaal[104]'t oog heeft geloken,En dat de jongste en laatste dagDer zonnen glans heeft afgeschoten,En in den emmer[105]zijn geslotenDe treurige asschen met beklag;En[106]baat het niet, zijn ziel en levenIn 't uiterste aan het graf te geven;Maar moet, vol jammers en verdriet,D' ellendige noch langer zwerven?Of sterven wij geheel door 't sterven,En gaat de gansche mensch tot niet?Wanneer de geest, met blijvende' aassemGemengd, wijkt in der wolken waassem,En dat de toorts de naakte leênGeblakerd heeft? Al wat, in 't dalenOf rijzen, met haar heldre stralen,De zon beschijnt, en kent met een;Al wat de zee, met wufte baren,In eb of vloed bespoelt, de jarenWegrukken snellijk en gezwind;Gelijk Pegaas[107], met vlugge pennen,Gewoon door 's Hemels blaauw te rennen,Ontloopt de zwepen van den wind;Met zulk een dwarling, als daar zwierenDe tweemaal zes gestarnde dieren[108];Met zulk een loop, als d' OpperheerDer starren de eeuwen staag doet draayen;Als Hecate[109], met slimme[110]zwaayen,Dwaalt om het aardrijk op en neêr;Zoo ziet men ons naar 't ende draven,Die eens den stroom (waarbij dat stavenDe Goôn hunne eeden) heeft genaakt,Is nergens meer; gelijk het rookenVan heeten brand, na dampig smokenDer korte streke[111]uit 't oog geraakt;Gelijk men, door de Noordervlagen,De wolken, die wij zwanger zagenZoo datelijk, ziet dwijnen weêr;Alzoo zal ook dees geest vervloeyen,Die 't lijf bestierde, en zal zich spoeyenTot niet te smelten, meer en meer.Hier namaals is er niet[112]te wachten.De dood is niet. De dood wilt achtenDe jongste paal van 's levens baan.Begeerig hart! houd op van hopen;Bekommerd volk! uw zorg laat loopen,En alles voorts zijn' gang laat gaan.Vraagt iemand waar de dooden varen?Ter plaats daar de ongeboren waren.De bayert en de grage tijdVerslinden ons; het is onfeilbaar.De dood is een en gants ondeilbaar[113],Die ziel zoo wel als lichaam slijt.Het rijk van Pluto, d' Helsche straffen,En Cerberus, die met zijn blaffenDe stramme deuren gade slaat,Zijn niet dan ijdele geruchtenEn woorden, die men niet moet vruchten[114],Ja, malle droomgelijke praat.
TALTHYBIUS, REI.REI.Hoe lange draalt altijd de Griek in havens schoot,'t Zij hij ten oorloog trekt, of t'huis keert met de vloot!Meld d' oorzaak, die zoo lang de schepen doet verbeiden,Wat God[52]de wegen sluit, die ons te rugge leiden.TALTHYBIUS.'t Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leên.Een onwaarschijnlijk spook[53], en meerder als gemeen,Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen,Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen,En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lagAlreê verwonnen door den opgerezen dag,Als 't aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven,Uit 't binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven;De boomen schudden 't hoofd, 't verheven woud geparst[54],En zelf het heilig bosch, dat dondert met een' barst;'t Gebergt van Ida smelt in morseling[55]van steenen,En 't aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenenWordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon[56]gewaar,En kemt haar vloeden glad. Doen opent d' aarde daarVan een gereten fluks haar holen en 't wanschapen[57]:En Erebus verschaft, langs 's aardrijks grouwzaam gapen,Een vrij en open pad naar 't volk om hoog bedeesd,En licht den steen van 't graf. Te voorschijn kwam de geestVan Scyros' hartog[58], zoo als hij den aantocht mende[59],En velde in 't harnas neêr de strenge Thraciêr-bende,En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed;Of doen Neptunus' zoon[60]hij dood ter aarde smeet,Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte;Of als hij in 't gedrang met forschen moede ontvonkte,En heele stroomen heeft met dooden toegestopt,Doen Xanthus in zijn wad[61], aan lichamen verkropt,Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen;Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen,En 't lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem.Naar over 't heele strand klonk zijn vergrimde stem:"Onaardige[62]! gaat heen, ontdraagt te dezer stondeMijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde;Ontmeert[63]de ondankbre vloot, om door onz' zee te gaan!Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan,Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche,Door Pyrrhus' hand geslacht, het graf besprenge en wassche."Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweênMet een heldonkre nacht; en dalende beneên,Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neêrgedoken,Met t' zamen loopende aard' hij heelde; en, na het spoken,De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt,En 't heele meer[64]bedaart, en mort met zachtren vloed.De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen,Het hoofd om hoog stak, en heeft 't bruiloftslied gezongen.PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.PYRRHUS.Als gij met blijden zeil' zoudt keeren zeewaart in,En[65]kwam Achilles u niet eenmaal in den zin?Hij, door wiens eenge hand dat[66]Trojens hooge vestenGeschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten;Waarmeed' hij heeft geboet[67], in korten tijd, al 'tgeenIn Scyros is gemard[68]en Lesbos, 'twelk in tweênDe Ægeesche golven klieft. Zoo haast hij was gebleven,Stond Trojens wal[69]beducht, waarheen hij zich woû geven[70].Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daadHetgeen hier wordt geëischt, nog komt het al te laat:'t Lot heeft den vorsten reê hunn' prijzen toe gaan leggen.Wie kan zoo klein een loon zoo groot een deugde ontzeggen?Verdiend' hij luttel, dien, gelast den krijg alomTe vlieden, en gerust met langen ouderdomZijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven,Den ouden Nestor en zijn' jaren t' overleven,De moederlijke list nochtans en 't vrouwekleedAfleîde, en door 't geweer[71]zich, willig, man beleed[71].Wanneer dat[72]Telefus, oploopende en vermetel,Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel,Den pas geweigerd had, zijn' koninklijke wond[73]Verwt d' onervaren hand, die namaals hij bevondZoo zoet[74], als streng in 't eerst. Zelf Theben most bezwijken,De vorst Eëtion verovren zien zijn rijken,En klein Lyrnessos, dat aan 't hoog gebergte leît,Leed diergelijken val, en 't land, wiens naam verbreidDoor 't vangen van de maagd Briseïs is geworden,En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden,En lagen overhoop, en Tenedos befaamd,En dat het Traciêr vee, in vruchtbaarheid vernaamd[75],Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andreApollo toegewijd. Wat wil ik na malkandreOphalen alle steên, die, rijk van vee en volk,Caïcus[76], door den vloed verhoogende zijn kolk,Met wintervocht bespoeld. Zoo groote nederlagen,En veler volken schrik, en steden neêrgeslagen,Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof,Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof;—Achilles deê 't ter loop[77]. Zoo kwam mijn vader trekkenDie uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken[78]Toerusten[79]heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg'Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg?Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lestenKomt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten.Het lust mij, op dit pas, eens door den drang[80]te gaanVan vaders hoogen lof en wijdberoemde daân:Lag Hector niet geveld voor 's eigen teelders oogen,En Memnon voor zijn ooms[81]? om wien zich kwam vertoogen[82]De moeder in een schijn[83]heel anders dan zij plag,En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag.Zelf d' overwinner heeft een afschrik van het voorbeeldZijns eigen daads[84]: waardoor Achilles merkt en oordeelt,Dat Godenkinders ook geraken aan hun end.Penthesilea doen, ten zadel uitgerend,Der Grieken jongste schrik[85], gevallen is ter aarde.Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde,Al eischt' hij Argos' puik of een Myceensche bruid,Gij zijt daartoe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit!En staat ge 't nog niet toe? wat zal men langer wachten?Is 't wreedheid Priaams zaad voor Peleus' zoon te slachten?Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om HeleenGeofferd; 'tgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.AGAMEMNON.'t Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen.Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen,Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerdDoor vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert.'k Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendhedenUws vaders eertijds wel met koelen moed geleden.'t Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijd'.Wat wilt ge d' eedle schim eens vorsten, die den nijdDoet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespattenMet grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten,Waar d' overwinner toe verplicht is met bescheid:Wat hem te dulden staat, die overwonnen leît.Geweldig' heerschappij hield niemand lange staande,Gematigde duurt langst; en hoe dat meer 't opgaandeEn steigerende lot der sterfelijken machtOm hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht,Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen,'s Geluks bezitter, zich te houden ingetogen,Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon,Mistrouwende de gunst van al te milde Goôn.In 't winnen ik bevond, hoe d' allerbraafst[86]in 't brallenLag in een oogenblik bestelpt en neêrgevallen.Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel?De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer 't viel.Ik plag wel eer, ik ken 't, eens anders staat te honen,En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen,En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat;Maar lots liefkozerij, die andren op hun staatMet trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen,Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen,Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, datDe parelrijke staf, 't gewaad van purper zat,Meer zijn als d' ijdle schijn, bedekt met valsch vergulselEn glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulselVan eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp,Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp.Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen,Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen;Zoo traag een ongeval hangt elk niet over 't hoofd.'k Wil hier wel rond in gaan[87], en dat ge dit gelooft,O waarde vaderland! 't zij met uw welbehagen:Het was mijn toeleg wel, verheerd en neêrgeslagenTe zien den Frygiaan; de Goddelijke wal,En torens Hemelhoog, tot hopeloozen valTe brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturenSoldaten, heet op wraak, en d' overhand[88]aan d' urenDer blinde nacht vertrouwd! Al 't onrecht, al het leed,Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed,Uit toorne[89]en duister kwam; waarin de gramschap woedigHare eigen dolheid tergt, en 't zwaard, 'twelk eens voorspoedigBesmet in 's vijands bloed, een dolle lust bevat.'t Geen overblijven kan van de omgekeerde stad,Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel,En niet dan al te veel. Dat nu door 't staal nog sneuvelEen koninklijke maagd, geschonken aan het grafTen gave, en d' assche sprenge, en dat een moord zoo strafDen naam van bruiloft voere: ik zweer, 'k zal 't nimmer dulden.Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden.De geen, die 't kwaad niet keert, wanneer hij 't keeren kan,Het zondigen gebiedt.PYRRHUS.Zal vaders schimme danNiet hebben eenig loon?AGAMEMNON.Hij zal, maar naar betamen:Met lofzang zullen z' hem verheffen all' te zamen,Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moedDoorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloedVerstorvene asch verkwikt of stilt der geesten jamren,Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren,En kudden blank van wol; laat vloeyen over 't veld't Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt.Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenlevenTer uitvaart van een mensch' ten besten ooit gegeven?Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijkGij eeren wilt met bloed.PYRRHUS.O blaaskaak, als het rijkUw hart met voorspoed hoogt[90]! O bloodaart, snel in 't vluchten!Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten.O vorstendwingeland! is dan uw wulpsche zinAl wederom ontvonkt door brand van nieuwe min,En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijkenVan onz' gerechtigheid, en u den buit te strijken?'k Zal met dees rechtehand Achilles' tombe voênMet bloed, aan hem verloofd, opdat het strekk' tot zoen;'t Welk, zoo gij 't ons ontzegt en derft hier tegens blaffen,Een grootere offerand zal ik den held verschaffen,En waardig Pyrrhus' hand. Mijn zwaard toeft veel te langVan 's konings neêrlaag, die 't den Grieken maakt zoo bang.De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.AGAMEMNON.Dat 's Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakkerIn 't bloed gerept heeft van dien afgeleefden heer[91],Wiens smeeken had verzacht zijn' vader zelf weleer.PYRRHUS.Ik weet, dat die zijn' kniên voor mijnen vader buigde,Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigdeZijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast,Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belastUw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden,Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.AGAMEMNON.Uw vader, ik beken 't, doen[92]geene vrees beving;Als 't heer die neêrlaag leed, de vloot aan kolen ging,Log lag hij, lui, en leêg, en dacht op krijg noch wapen,Maar bleef aan 't zoet geluid der snaren zich vergapen.PYRRHUS.De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht,En vreesde Achilles' zang meer als uwe oorloogsmacht;En in zoo groot eene angst, die ieder een deê beven,De vloot der Thessaliêrs is ongedeerd gebleven.AGAMEMNON.Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meêUit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreê.PYRRHUS.'t Is koninklijk, een vorst zijn adem[93]wat te geven.AGAMEMNON.Gij maakt' hem ademloos, en holpt hem om het leven.PYRRHUS.Vaak een meêdoogend hart de dood voor 't leven geeft.AGAMEMNON.Die dingt na maagdenbloed wel groot meêdoogen heeft.PYRRHUS.Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?AGAMEMNON.Een vorst moet boven 't bloed zijns volleks welvaart stellen.PYRRHUS.Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.AGAMEMNON.'t Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamt' wel af.PYRRHUS.Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.AGAMEMNON.Wien 't meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.PYRRHUS.Ga, stof zoo bij die geen, wien ik 't ondraaglijk jukVan uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.AGAMEMNON.Geeft Scyros u dien moed?PYRRHUS.Dat vrij van broedren[94]schand is.AGAMEMNON.Dat wegduikt in de zee?PYRRHUS.Die onze bloedverwante is[95].Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.AGAMEMNON.Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend,En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.PYRRHUS.Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekkenNu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog,Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog,In d' afgrond Æacus[96], en Thetis in de baren.AGAMEMNON.Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren,Door Paris' hand gedood.PYRRHUS.Wien niemand van de Goôn,In 't strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboôn.AGAMEMNON.De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoerenEn driestigheid met straf; doch 'k ben gewend te voerenEen zwaard, dat sparen kan een die het overmag.Dat Calchas, tolk der Goôn, koom' liever voor den dag!Eischt 't noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen.Gij[97], die de Grieksche vloot uit Aulis hebt getogen,En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doetOntsluiten door uw konst; wien 't ingewand en 't bloedDer dieren is bekend; gij, wien 't gekraak des Hemels,En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels,Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mijZoo dier staan, Thestors zoon! Goods[98]wil ontdek ons vrij,En stier ons met uw raad!CALCHAS.Het noodlot biedt den GreekenWeêr aan, om[99]d' oude vracht[100], de wegen op te brekenDie nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslachtZij voor Achilles' graf, wordt van de Goôn verwacht:En Pyrrhus moet de bruid (in zulleke gewaden,Als in Thessaliën tot haren bruigom tradenDe maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw,Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw)Zijn vader brengen toe[101]. Zoo huwt ze naar betamen.Maar dit is 't niet alleen, dat onze schepen t' zamenDoet marren op de reê; het noodlot vordert nu,En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan 't uw.Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen,Zoo mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.REI[102].Zou 't waarheid zijn, of gaat het kreupel,En paait men het bedeesd gepeupelMet sprookjes en met ijdelheid,Op dat het niet in deugd verslimme[103],Als 't waant, dat des verstorvens schimmeNog leeft, als 't lijf begraven leît?Wanneer 't gezicht al is gebroken,En d' eêgemaal[104]'t oog heeft geloken,En dat de jongste en laatste dagDer zonnen glans heeft afgeschoten,En in den emmer[105]zijn geslotenDe treurige asschen met beklag;En[106]baat het niet, zijn ziel en levenIn 't uiterste aan het graf te geven;Maar moet, vol jammers en verdriet,D' ellendige noch langer zwerven?Of sterven wij geheel door 't sterven,En gaat de gansche mensch tot niet?Wanneer de geest, met blijvende' aassemGemengd, wijkt in der wolken waassem,En dat de toorts de naakte leênGeblakerd heeft? Al wat, in 't dalenOf rijzen, met haar heldre stralen,De zon beschijnt, en kent met een;Al wat de zee, met wufte baren,In eb of vloed bespoelt, de jarenWegrukken snellijk en gezwind;Gelijk Pegaas[107], met vlugge pennen,Gewoon door 's Hemels blaauw te rennen,Ontloopt de zwepen van den wind;Met zulk een dwarling, als daar zwierenDe tweemaal zes gestarnde dieren[108];Met zulk een loop, als d' OpperheerDer starren de eeuwen staag doet draayen;Als Hecate[109], met slimme[110]zwaayen,Dwaalt om het aardrijk op en neêr;Zoo ziet men ons naar 't ende draven,Die eens den stroom (waarbij dat stavenDe Goôn hunne eeden) heeft genaakt,Is nergens meer; gelijk het rookenVan heeten brand, na dampig smokenDer korte streke[111]uit 't oog geraakt;Gelijk men, door de Noordervlagen,De wolken, die wij zwanger zagenZoo datelijk, ziet dwijnen weêr;Alzoo zal ook dees geest vervloeyen,Die 't lijf bestierde, en zal zich spoeyenTot niet te smelten, meer en meer.Hier namaals is er niet[112]te wachten.De dood is niet. De dood wilt achtenDe jongste paal van 's levens baan.Begeerig hart! houd op van hopen;Bekommerd volk! uw zorg laat loopen,En alles voorts zijn' gang laat gaan.Vraagt iemand waar de dooden varen?Ter plaats daar de ongeboren waren.De bayert en de grage tijdVerslinden ons; het is onfeilbaar.De dood is een en gants ondeilbaar[113],Die ziel zoo wel als lichaam slijt.Het rijk van Pluto, d' Helsche straffen,En Cerberus, die met zijn blaffenDe stramme deuren gade slaat,Zijn niet dan ijdele geruchtenEn woorden, die men niet moet vruchten[114],Ja, malle droomgelijke praat.
TALTHYBIUS, REI.
TALTHYBIUS, REI.
REI.
REI.
Hoe lange draalt altijd de Griek in havens schoot,'t Zij hij ten oorloog trekt, of t'huis keert met de vloot!Meld d' oorzaak, die zoo lang de schepen doet verbeiden,Wat God[52]de wegen sluit, die ons te rugge leiden.
Hoe lange draalt altijd de Griek in havens schoot,
't Zij hij ten oorloog trekt, of t'huis keert met de vloot!
Meld d' oorzaak, die zoo lang de schepen doet verbeiden,
Wat God[52]de wegen sluit, die ons te rugge leiden.
TALTHYBIUS.
TALTHYBIUS.
't Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leên.Een onwaarschijnlijk spook[53], en meerder als gemeen,Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen,Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen,En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lagAlreê verwonnen door den opgerezen dag,Als 't aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven,Uit 't binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven;De boomen schudden 't hoofd, 't verheven woud geparst[54],En zelf het heilig bosch, dat dondert met een' barst;'t Gebergt van Ida smelt in morseling[55]van steenen,En 't aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenenWordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon[56]gewaar,En kemt haar vloeden glad. Doen opent d' aarde daarVan een gereten fluks haar holen en 't wanschapen[57]:En Erebus verschaft, langs 's aardrijks grouwzaam gapen,Een vrij en open pad naar 't volk om hoog bedeesd,En licht den steen van 't graf. Te voorschijn kwam de geestVan Scyros' hartog[58], zoo als hij den aantocht mende[59],En velde in 't harnas neêr de strenge Thraciêr-bende,En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed;Of doen Neptunus' zoon[60]hij dood ter aarde smeet,Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte;Of als hij in 't gedrang met forschen moede ontvonkte,En heele stroomen heeft met dooden toegestopt,Doen Xanthus in zijn wad[61], aan lichamen verkropt,Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen;Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen,En 't lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem.Naar over 't heele strand klonk zijn vergrimde stem:"Onaardige[62]! gaat heen, ontdraagt te dezer stondeMijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde;Ontmeert[63]de ondankbre vloot, om door onz' zee te gaan!Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan,Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche,Door Pyrrhus' hand geslacht, het graf besprenge en wassche."Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweênMet een heldonkre nacht; en dalende beneên,Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neêrgedoken,Met t' zamen loopende aard' hij heelde; en, na het spoken,De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt,En 't heele meer[64]bedaart, en mort met zachtren vloed.De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen,Het hoofd om hoog stak, en heeft 't bruiloftslied gezongen.
't Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leên.
Een onwaarschijnlijk spook[53], en meerder als gemeen,
Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen,
Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen,
En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lag
Alreê verwonnen door den opgerezen dag,
Als 't aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven,
Uit 't binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven;
De boomen schudden 't hoofd, 't verheven woud geparst[54],
En zelf het heilig bosch, dat dondert met een' barst;
't Gebergt van Ida smelt in morseling[55]van steenen,
En 't aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenen
Wordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon[56]gewaar,
En kemt haar vloeden glad. Doen opent d' aarde daar
Van een gereten fluks haar holen en 't wanschapen[57]:
En Erebus verschaft, langs 's aardrijks grouwzaam gapen,
Een vrij en open pad naar 't volk om hoog bedeesd,
En licht den steen van 't graf. Te voorschijn kwam de geest
Van Scyros' hartog[58], zoo als hij den aantocht mende[59],
En velde in 't harnas neêr de strenge Thraciêr-bende,
En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed;
Of doen Neptunus' zoon[60]hij dood ter aarde smeet,
Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte;
Of als hij in 't gedrang met forschen moede ontvonkte,
En heele stroomen heeft met dooden toegestopt,
Doen Xanthus in zijn wad[61], aan lichamen verkropt,
Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen;
Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen,
En 't lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem.
Naar over 't heele strand klonk zijn vergrimde stem:
"Onaardige[62]! gaat heen, ontdraagt te dezer stonde
Mijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde;
Ontmeert[63]de ondankbre vloot, om door onz' zee te gaan!
Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan,
Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche,
Door Pyrrhus' hand geslacht, het graf besprenge en wassche."
Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweên
Met een heldonkre nacht; en dalende beneên,
Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neêrgedoken,
Met t' zamen loopende aard' hij heelde; en, na het spoken,
De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt,
En 't heele meer[64]bedaart, en mort met zachtren vloed.
De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen,
Het hoofd om hoog stak, en heeft 't bruiloftslied gezongen.
PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.
PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Als gij met blijden zeil' zoudt keeren zeewaart in,En[65]kwam Achilles u niet eenmaal in den zin?Hij, door wiens eenge hand dat[66]Trojens hooge vestenGeschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten;Waarmeed' hij heeft geboet[67], in korten tijd, al 'tgeenIn Scyros is gemard[68]en Lesbos, 'twelk in tweênDe Ægeesche golven klieft. Zoo haast hij was gebleven,Stond Trojens wal[69]beducht, waarheen hij zich woû geven[70].Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daadHetgeen hier wordt geëischt, nog komt het al te laat:'t Lot heeft den vorsten reê hunn' prijzen toe gaan leggen.Wie kan zoo klein een loon zoo groot een deugde ontzeggen?Verdiend' hij luttel, dien, gelast den krijg alomTe vlieden, en gerust met langen ouderdomZijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven,Den ouden Nestor en zijn' jaren t' overleven,De moederlijke list nochtans en 't vrouwekleedAfleîde, en door 't geweer[71]zich, willig, man beleed[71].Wanneer dat[72]Telefus, oploopende en vermetel,Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel,Den pas geweigerd had, zijn' koninklijke wond[73]Verwt d' onervaren hand, die namaals hij bevondZoo zoet[74], als streng in 't eerst. Zelf Theben most bezwijken,De vorst Eëtion verovren zien zijn rijken,En klein Lyrnessos, dat aan 't hoog gebergte leît,Leed diergelijken val, en 't land, wiens naam verbreidDoor 't vangen van de maagd Briseïs is geworden,En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden,En lagen overhoop, en Tenedos befaamd,En dat het Traciêr vee, in vruchtbaarheid vernaamd[75],Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andreApollo toegewijd. Wat wil ik na malkandreOphalen alle steên, die, rijk van vee en volk,Caïcus[76], door den vloed verhoogende zijn kolk,Met wintervocht bespoeld. Zoo groote nederlagen,En veler volken schrik, en steden neêrgeslagen,Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof,Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof;—Achilles deê 't ter loop[77]. Zoo kwam mijn vader trekkenDie uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken[78]Toerusten[79]heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg'Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg?Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lestenKomt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten.Het lust mij, op dit pas, eens door den drang[80]te gaanVan vaders hoogen lof en wijdberoemde daân:Lag Hector niet geveld voor 's eigen teelders oogen,En Memnon voor zijn ooms[81]? om wien zich kwam vertoogen[82]De moeder in een schijn[83]heel anders dan zij plag,En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag.Zelf d' overwinner heeft een afschrik van het voorbeeldZijns eigen daads[84]: waardoor Achilles merkt en oordeelt,Dat Godenkinders ook geraken aan hun end.Penthesilea doen, ten zadel uitgerend,Der Grieken jongste schrik[85], gevallen is ter aarde.Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde,Al eischt' hij Argos' puik of een Myceensche bruid,Gij zijt daartoe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit!En staat ge 't nog niet toe? wat zal men langer wachten?Is 't wreedheid Priaams zaad voor Peleus' zoon te slachten?Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om HeleenGeofferd; 'tgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.
Als gij met blijden zeil' zoudt keeren zeewaart in,
En[65]kwam Achilles u niet eenmaal in den zin?
Hij, door wiens eenge hand dat[66]Trojens hooge vesten
Geschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten;
Waarmeed' hij heeft geboet[67], in korten tijd, al 'tgeen
In Scyros is gemard[68]en Lesbos, 'twelk in tweên
De Ægeesche golven klieft. Zoo haast hij was gebleven,
Stond Trojens wal[69]beducht, waarheen hij zich woû geven[70].
Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daad
Hetgeen hier wordt geëischt, nog komt het al te laat:
't Lot heeft den vorsten reê hunn' prijzen toe gaan leggen.
Wie kan zoo klein een loon zoo groot een deugde ontzeggen?
Verdiend' hij luttel, dien, gelast den krijg alom
Te vlieden, en gerust met langen ouderdom
Zijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven,
Den ouden Nestor en zijn' jaren t' overleven,
De moederlijke list nochtans en 't vrouwekleed
Afleîde, en door 't geweer[71]zich, willig, man beleed[71].
Wanneer dat[72]Telefus, oploopende en vermetel,
Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel,
Den pas geweigerd had, zijn' koninklijke wond[73]
Verwt d' onervaren hand, die namaals hij bevond
Zoo zoet[74], als streng in 't eerst. Zelf Theben most bezwijken,
De vorst Eëtion verovren zien zijn rijken,
En klein Lyrnessos, dat aan 't hoog gebergte leît,
Leed diergelijken val, en 't land, wiens naam verbreid
Door 't vangen van de maagd Briseïs is geworden,
En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden,
En lagen overhoop, en Tenedos befaamd,
En dat het Traciêr vee, in vruchtbaarheid vernaamd[75],
Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andre
Apollo toegewijd. Wat wil ik na malkandre
Ophalen alle steên, die, rijk van vee en volk,
Caïcus[76], door den vloed verhoogende zijn kolk,
Met wintervocht bespoeld. Zoo groote nederlagen,
En veler volken schrik, en steden neêrgeslagen,
Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof,
Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof;—
Achilles deê 't ter loop[77]. Zoo kwam mijn vader trekken
Die uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken[78]
Toerusten[79]heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg'
Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg?
Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lesten
Komt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten.
Het lust mij, op dit pas, eens door den drang[80]te gaan
Van vaders hoogen lof en wijdberoemde daân:
Lag Hector niet geveld voor 's eigen teelders oogen,
En Memnon voor zijn ooms[81]? om wien zich kwam vertoogen[82]
De moeder in een schijn[83]heel anders dan zij plag,
En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag.
Zelf d' overwinner heeft een afschrik van het voorbeeld
Zijns eigen daads[84]: waardoor Achilles merkt en oordeelt,
Dat Godenkinders ook geraken aan hun end.
Penthesilea doen, ten zadel uitgerend,
Der Grieken jongste schrik[85], gevallen is ter aarde.
Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde,
Al eischt' hij Argos' puik of een Myceensche bruid,
Gij zijt daartoe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit!
En staat ge 't nog niet toe? wat zal men langer wachten?
Is 't wreedheid Priaams zaad voor Peleus' zoon te slachten?
Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om Heleen
Geofferd; 'tgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
't Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen.Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen,Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerdDoor vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert.'k Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendhedenUws vaders eertijds wel met koelen moed geleden.'t Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijd'.Wat wilt ge d' eedle schim eens vorsten, die den nijdDoet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespattenMet grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten,Waar d' overwinner toe verplicht is met bescheid:Wat hem te dulden staat, die overwonnen leît.Geweldig' heerschappij hield niemand lange staande,Gematigde duurt langst; en hoe dat meer 't opgaandeEn steigerende lot der sterfelijken machtOm hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht,Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen,'s Geluks bezitter, zich te houden ingetogen,Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon,Mistrouwende de gunst van al te milde Goôn.In 't winnen ik bevond, hoe d' allerbraafst[86]in 't brallenLag in een oogenblik bestelpt en neêrgevallen.Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel?De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer 't viel.Ik plag wel eer, ik ken 't, eens anders staat te honen,En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen,En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat;Maar lots liefkozerij, die andren op hun staatMet trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen,Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen,Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, datDe parelrijke staf, 't gewaad van purper zat,Meer zijn als d' ijdle schijn, bedekt met valsch vergulselEn glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulselVan eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp,Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp.Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen,Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen;Zoo traag een ongeval hangt elk niet over 't hoofd.'k Wil hier wel rond in gaan[87], en dat ge dit gelooft,O waarde vaderland! 't zij met uw welbehagen:Het was mijn toeleg wel, verheerd en neêrgeslagenTe zien den Frygiaan; de Goddelijke wal,En torens Hemelhoog, tot hopeloozen valTe brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturenSoldaten, heet op wraak, en d' overhand[88]aan d' urenDer blinde nacht vertrouwd! Al 't onrecht, al het leed,Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed,Uit toorne[89]en duister kwam; waarin de gramschap woedigHare eigen dolheid tergt, en 't zwaard, 'twelk eens voorspoedigBesmet in 's vijands bloed, een dolle lust bevat.'t Geen overblijven kan van de omgekeerde stad,Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel,En niet dan al te veel. Dat nu door 't staal nog sneuvelEen koninklijke maagd, geschonken aan het grafTen gave, en d' assche sprenge, en dat een moord zoo strafDen naam van bruiloft voere: ik zweer, 'k zal 't nimmer dulden.Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden.De geen, die 't kwaad niet keert, wanneer hij 't keeren kan,Het zondigen gebiedt.
't Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen.
Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen,
Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerd
Door vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert.
'k Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendheden
Uws vaders eertijds wel met koelen moed geleden.
't Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijd'.
Wat wilt ge d' eedle schim eens vorsten, die den nijd
Doet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespatten
Met grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten,
Waar d' overwinner toe verplicht is met bescheid:
Wat hem te dulden staat, die overwonnen leît.
Geweldig' heerschappij hield niemand lange staande,
Gematigde duurt langst; en hoe dat meer 't opgaande
En steigerende lot der sterfelijken macht
Om hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht,
Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen,
's Geluks bezitter, zich te houden ingetogen,
Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon,
Mistrouwende de gunst van al te milde Goôn.
In 't winnen ik bevond, hoe d' allerbraafst[86]in 't brallen
Lag in een oogenblik bestelpt en neêrgevallen.
Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel?
De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer 't viel.
Ik plag wel eer, ik ken 't, eens anders staat te honen,
En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen,
En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat;
Maar lots liefkozerij, die andren op hun staat
Met trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen,
Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen,
Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, dat
De parelrijke staf, 't gewaad van purper zat,
Meer zijn als d' ijdle schijn, bedekt met valsch vergulsel
En glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulsel
Van eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp,
Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp.
Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen,
Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen;
Zoo traag een ongeval hangt elk niet over 't hoofd.
'k Wil hier wel rond in gaan[87], en dat ge dit gelooft,
O waarde vaderland! 't zij met uw welbehagen:
Het was mijn toeleg wel, verheerd en neêrgeslagen
Te zien den Frygiaan; de Goddelijke wal,
En torens Hemelhoog, tot hopeloozen val
Te brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturen
Soldaten, heet op wraak, en d' overhand[88]aan d' uren
Der blinde nacht vertrouwd! Al 't onrecht, al het leed,
Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed,
Uit toorne[89]en duister kwam; waarin de gramschap woedig
Hare eigen dolheid tergt, en 't zwaard, 'twelk eens voorspoedig
Besmet in 's vijands bloed, een dolle lust bevat.
't Geen overblijven kan van de omgekeerde stad,
Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel,
En niet dan al te veel. Dat nu door 't staal nog sneuvel
Een koninklijke maagd, geschonken aan het graf
Ten gave, en d' assche sprenge, en dat een moord zoo straf
Den naam van bruiloft voere: ik zweer, 'k zal 't nimmer dulden.
Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden.
De geen, die 't kwaad niet keert, wanneer hij 't keeren kan,
Het zondigen gebiedt.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Zal vaders schimme danNiet hebben eenig loon?
Zal vaders schimme dan
Niet hebben eenig loon?
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Hij zal, maar naar betamen:Met lofzang zullen z' hem verheffen all' te zamen,Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moedDoorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloedVerstorvene asch verkwikt of stilt der geesten jamren,Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren,En kudden blank van wol; laat vloeyen over 't veld't Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt.Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenlevenTer uitvaart van een mensch' ten besten ooit gegeven?Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijkGij eeren wilt met bloed.
Hij zal, maar naar betamen:
Met lofzang zullen z' hem verheffen all' te zamen,
Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moed
Doorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloed
Verstorvene asch verkwikt of stilt der geesten jamren,
Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren,
En kudden blank van wol; laat vloeyen over 't veld
't Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt.
Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenleven
Ter uitvaart van een mensch' ten besten ooit gegeven?
Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijk
Gij eeren wilt met bloed.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
O blaaskaak, als het rijkUw hart met voorspoed hoogt[90]! O bloodaart, snel in 't vluchten!Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten.O vorstendwingeland! is dan uw wulpsche zinAl wederom ontvonkt door brand van nieuwe min,En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijkenVan onz' gerechtigheid, en u den buit te strijken?'k Zal met dees rechtehand Achilles' tombe voênMet bloed, aan hem verloofd, opdat het strekk' tot zoen;'t Welk, zoo gij 't ons ontzegt en derft hier tegens blaffen,Een grootere offerand zal ik den held verschaffen,En waardig Pyrrhus' hand. Mijn zwaard toeft veel te langVan 's konings neêrlaag, die 't den Grieken maakt zoo bang.De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.
O blaaskaak, als het rijk
Uw hart met voorspoed hoogt[90]! O bloodaart, snel in 't vluchten!
Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten.
O vorstendwingeland! is dan uw wulpsche zin
Al wederom ontvonkt door brand van nieuwe min,
En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijken
Van onz' gerechtigheid, en u den buit te strijken?
'k Zal met dees rechtehand Achilles' tombe voên
Met bloed, aan hem verloofd, opdat het strekk' tot zoen;
't Welk, zoo gij 't ons ontzegt en derft hier tegens blaffen,
Een grootere offerand zal ik den held verschaffen,
En waardig Pyrrhus' hand. Mijn zwaard toeft veel te lang
Van 's konings neêrlaag, die 't den Grieken maakt zoo bang.
De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Dat 's Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakkerIn 't bloed gerept heeft van dien afgeleefden heer[91],Wiens smeeken had verzacht zijn' vader zelf weleer.
Dat 's Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakker
In 't bloed gerept heeft van dien afgeleefden heer[91],
Wiens smeeken had verzacht zijn' vader zelf weleer.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Ik weet, dat die zijn' kniên voor mijnen vader buigde,Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigdeZijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast,Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belastUw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden,Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.
Ik weet, dat die zijn' kniên voor mijnen vader buigde,
Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigde
Zijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast,
Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belast
Uw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden,
Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Uw vader, ik beken 't, doen[92]geene vrees beving;Als 't heer die neêrlaag leed, de vloot aan kolen ging,Log lag hij, lui, en leêg, en dacht op krijg noch wapen,Maar bleef aan 't zoet geluid der snaren zich vergapen.
Uw vader, ik beken 't, doen[92]geene vrees beving;
Als 't heer die neêrlaag leed, de vloot aan kolen ging,
Log lag hij, lui, en leêg, en dacht op krijg noch wapen,
Maar bleef aan 't zoet geluid der snaren zich vergapen.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht,En vreesde Achilles' zang meer als uwe oorloogsmacht;En in zoo groot eene angst, die ieder een deê beven,De vloot der Thessaliêrs is ongedeerd gebleven.
De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht,
En vreesde Achilles' zang meer als uwe oorloogsmacht;
En in zoo groot eene angst, die ieder een deê beven,
De vloot der Thessaliêrs is ongedeerd gebleven.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meêUit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreê.
Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meê
Uit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreê.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
't Is koninklijk, een vorst zijn adem[93]wat te geven.
't Is koninklijk, een vorst zijn adem[93]wat te geven.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Gij maakt' hem ademloos, en holpt hem om het leven.
Gij maakt' hem ademloos, en holpt hem om het leven.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Vaak een meêdoogend hart de dood voor 't leven geeft.
Vaak een meêdoogend hart de dood voor 't leven geeft.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Die dingt na maagdenbloed wel groot meêdoogen heeft.
Die dingt na maagdenbloed wel groot meêdoogen heeft.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?
Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Een vorst moet boven 't bloed zijns volleks welvaart stellen.
Een vorst moet boven 't bloed zijns volleks welvaart stellen.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.
Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
't Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamt' wel af.
't Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamt' wel af.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.
Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Wien 't meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.
Wien 't meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Ga, stof zoo bij die geen, wien ik 't ondraaglijk jukVan uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.
Ga, stof zoo bij die geen, wien ik 't ondraaglijk juk
Van uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Geeft Scyros u dien moed?
Geeft Scyros u dien moed?
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Dat vrij van broedren[94]schand is.
Dat vrij van broedren[94]schand is.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Dat wegduikt in de zee?
Dat wegduikt in de zee?
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Die onze bloedverwante is[95].Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.
Die onze bloedverwante is[95].
Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend,En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.
Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend,
En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekkenNu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog,Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog,In d' afgrond Æacus[96], en Thetis in de baren.
Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekken
Nu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog,
Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog,
In d' afgrond Æacus[96], en Thetis in de baren.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren,Door Paris' hand gedood.
Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren,
Door Paris' hand gedood.
PYRRHUS.
PYRRHUS.
Wien niemand van de Goôn,In 't strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboôn.
Wien niemand van de Goôn,
In 't strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboôn.
AGAMEMNON.
AGAMEMNON.
De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoerenEn driestigheid met straf; doch 'k ben gewend te voerenEen zwaard, dat sparen kan een die het overmag.Dat Calchas, tolk der Goôn, koom' liever voor den dag!Eischt 't noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen.Gij[97], die de Grieksche vloot uit Aulis hebt getogen,En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doetOntsluiten door uw konst; wien 't ingewand en 't bloedDer dieren is bekend; gij, wien 't gekraak des Hemels,En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels,Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mijZoo dier staan, Thestors zoon! Goods[98]wil ontdek ons vrij,En stier ons met uw raad!
De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoeren
En driestigheid met straf; doch 'k ben gewend te voeren
Een zwaard, dat sparen kan een die het overmag.
Dat Calchas, tolk der Goôn, koom' liever voor den dag!
Eischt 't noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen.
Gij[97], die de Grieksche vloot uit Aulis hebt getogen,
En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doet
Ontsluiten door uw konst; wien 't ingewand en 't bloed
Der dieren is bekend; gij, wien 't gekraak des Hemels,
En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels,
Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mij
Zoo dier staan, Thestors zoon! Goods[98]wil ontdek ons vrij,
En stier ons met uw raad!
CALCHAS.
CALCHAS.
Het noodlot biedt den GreekenWeêr aan, om[99]d' oude vracht[100], de wegen op te brekenDie nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslachtZij voor Achilles' graf, wordt van de Goôn verwacht:En Pyrrhus moet de bruid (in zulleke gewaden,Als in Thessaliën tot haren bruigom tradenDe maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw,Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw)Zijn vader brengen toe[101]. Zoo huwt ze naar betamen.Maar dit is 't niet alleen, dat onze schepen t' zamenDoet marren op de reê; het noodlot vordert nu,En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan 't uw.Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen,Zoo mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.
Het noodlot biedt den Greeken
Weêr aan, om[99]d' oude vracht[100], de wegen op te breken
Die nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslacht
Zij voor Achilles' graf, wordt van de Goôn verwacht:
En Pyrrhus moet de bruid (in zulleke gewaden,
Als in Thessaliën tot haren bruigom traden
De maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw,
Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw)
Zijn vader brengen toe[101]. Zoo huwt ze naar betamen.
Maar dit is 't niet alleen, dat onze schepen t' zamen
Doet marren op de reê; het noodlot vordert nu,
En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan 't uw.
Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen,
Zoo mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.
REI[102].
REI[102].
Zou 't waarheid zijn, of gaat het kreupel,En paait men het bedeesd gepeupelMet sprookjes en met ijdelheid,Op dat het niet in deugd verslimme[103],Als 't waant, dat des verstorvens schimmeNog leeft, als 't lijf begraven leît?
Zou 't waarheid zijn, of gaat het kreupel,
En paait men het bedeesd gepeupel
Met sprookjes en met ijdelheid,
Op dat het niet in deugd verslimme[103],
Als 't waant, dat des verstorvens schimme
Nog leeft, als 't lijf begraven leît?
Wanneer 't gezicht al is gebroken,En d' eêgemaal[104]'t oog heeft geloken,En dat de jongste en laatste dagDer zonnen glans heeft afgeschoten,En in den emmer[105]zijn geslotenDe treurige asschen met beklag;
Wanneer 't gezicht al is gebroken,
En d' eêgemaal[104]'t oog heeft geloken,
En dat de jongste en laatste dag
Der zonnen glans heeft afgeschoten,
En in den emmer[105]zijn gesloten
De treurige asschen met beklag;
En[106]baat het niet, zijn ziel en levenIn 't uiterste aan het graf te geven;Maar moet, vol jammers en verdriet,D' ellendige noch langer zwerven?Of sterven wij geheel door 't sterven,En gaat de gansche mensch tot niet?
En[106]baat het niet, zijn ziel en leven
In 't uiterste aan het graf te geven;
Maar moet, vol jammers en verdriet,
D' ellendige noch langer zwerven?
Of sterven wij geheel door 't sterven,
En gaat de gansche mensch tot niet?
Wanneer de geest, met blijvende' aassemGemengd, wijkt in der wolken waassem,En dat de toorts de naakte leênGeblakerd heeft? Al wat, in 't dalenOf rijzen, met haar heldre stralen,De zon beschijnt, en kent met een;
Wanneer de geest, met blijvende' aassem
Gemengd, wijkt in der wolken waassem,
En dat de toorts de naakte leên
Geblakerd heeft? Al wat, in 't dalen
Of rijzen, met haar heldre stralen,
De zon beschijnt, en kent met een;
Al wat de zee, met wufte baren,In eb of vloed bespoelt, de jarenWegrukken snellijk en gezwind;Gelijk Pegaas[107], met vlugge pennen,Gewoon door 's Hemels blaauw te rennen,Ontloopt de zwepen van den wind;
Al wat de zee, met wufte baren,
In eb of vloed bespoelt, de jaren
Wegrukken snellijk en gezwind;
Gelijk Pegaas[107], met vlugge pennen,
Gewoon door 's Hemels blaauw te rennen,
Ontloopt de zwepen van den wind;
Met zulk een dwarling, als daar zwierenDe tweemaal zes gestarnde dieren[108];Met zulk een loop, als d' OpperheerDer starren de eeuwen staag doet draayen;Als Hecate[109], met slimme[110]zwaayen,Dwaalt om het aardrijk op en neêr;
Met zulk een dwarling, als daar zwieren
De tweemaal zes gestarnde dieren[108];
Met zulk een loop, als d' Opperheer
Der starren de eeuwen staag doet draayen;
Als Hecate[109], met slimme[110]zwaayen,
Dwaalt om het aardrijk op en neêr;
Zoo ziet men ons naar 't ende draven,Die eens den stroom (waarbij dat stavenDe Goôn hunne eeden) heeft genaakt,Is nergens meer; gelijk het rookenVan heeten brand, na dampig smokenDer korte streke[111]uit 't oog geraakt;
Zoo ziet men ons naar 't ende draven,
Die eens den stroom (waarbij dat staven
De Goôn hunne eeden) heeft genaakt,
Is nergens meer; gelijk het rooken
Van heeten brand, na dampig smoken
Der korte streke[111]uit 't oog geraakt;
Gelijk men, door de Noordervlagen,De wolken, die wij zwanger zagenZoo datelijk, ziet dwijnen weêr;Alzoo zal ook dees geest vervloeyen,Die 't lijf bestierde, en zal zich spoeyenTot niet te smelten, meer en meer.
Gelijk men, door de Noordervlagen,
De wolken, die wij zwanger zagen
Zoo datelijk, ziet dwijnen weêr;
Alzoo zal ook dees geest vervloeyen,
Die 't lijf bestierde, en zal zich spoeyen
Tot niet te smelten, meer en meer.
Hier namaals is er niet[112]te wachten.De dood is niet. De dood wilt achtenDe jongste paal van 's levens baan.Begeerig hart! houd op van hopen;Bekommerd volk! uw zorg laat loopen,En alles voorts zijn' gang laat gaan.
Hier namaals is er niet[112]te wachten.
De dood is niet. De dood wilt achten
De jongste paal van 's levens baan.
Begeerig hart! houd op van hopen;
Bekommerd volk! uw zorg laat loopen,
En alles voorts zijn' gang laat gaan.
Vraagt iemand waar de dooden varen?Ter plaats daar de ongeboren waren.De bayert en de grage tijdVerslinden ons; het is onfeilbaar.De dood is een en gants ondeilbaar[113],Die ziel zoo wel als lichaam slijt.
Vraagt iemand waar de dooden varen?
Ter plaats daar de ongeboren waren.
De bayert en de grage tijd
Verslinden ons; het is onfeilbaar.
De dood is een en gants ondeilbaar[113],
Die ziel zoo wel als lichaam slijt.
Het rijk van Pluto, d' Helsche straffen,En Cerberus, die met zijn blaffenDe stramme deuren gade slaat,Zijn niet dan ijdele geruchtenEn woorden, die men niet moet vruchten[114],Ja, malle droomgelijke praat.
Het rijk van Pluto, d' Helsche straffen,
En Cerberus, die met zijn blaffen
De stramme deuren gade slaat,
Zijn niet dan ijdele geruchten
En woorden, die men niet moet vruchten[114],
Ja, malle droomgelijke praat.