Schriftuurlijk BruilofsrefereinOP HET HUWELIJK VANJACOB HAESBAERTMETCLARA VAN TONGERLO.

[13]In Juni des jaars 1621 met Arie Bruyningh gehuwd. Zij werd Katholiek met al hare kinderen. Zie:Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus, in deStudiën, eerste jaargang, I. blz. 18.

[13]In Juni des jaars 1621 met Arie Bruyningh gehuwd. Zij werd Katholiek met al hare kinderen. Zie:Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus, in deStudiën, eerste jaargang, I. blz. 18.

[14]G. Brandt.Leven van Vondel.

[14]G. Brandt.Leven van Vondel.

[15]Leven van Vondel.

[15]Leven van Vondel.

[16]Geschiedenis der Nederlandsche letterenII. blz. 51.

[16]Geschiedenis der Nederlandsche letterenII. blz. 51.

[17]Vondels gedichten op de Societeit van Jezusblz. 5-6 en 12-16.

[17]Vondels gedichten op de Societeit van Jezusblz. 5-6 en 12-16.

[18]Alle de gedichten van J. VosI. blz. 304.

[18]Alle de gedichten van J. VosI. blz. 304.

[19]De werken van Vondel, XII. blz. 148.

[19]De werken van Vondel, XII. blz. 148.

[20]Volks-Alm. voor Neerl. Katholiek, 1859 blz. 146.

[20]Volks-Alm. voor Neerl. Katholiek, 1859 blz. 146.

[21]J. V. Lennep,De werken van VondelIV. blz. 451.

[21]J. V. Lennep,De werken van VondelIV. blz. 451.

Verheugt, o Febi jeugd![2]door dezen zoeten tijd:De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren;'t Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt;'t Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren!Droefheid, neemt[3]fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent.Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren,Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present,Die om[4]vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5]kent,In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren.Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!Laat jonst[6]begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren,En d' Haas-baart[7]zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8]beter gelijken?Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9]zijn verhoogdNoch Thalassus[10]geclangh, maar Godes lof voortbringen,Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd,Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen,Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen,Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land;Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen,'t Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12].Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verbandAlleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten:Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand':Wie hem met lust bemint, en derft[14]voor niemand duchten,Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchtenEn d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft,Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten,Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd:Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten!Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten!Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk,Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten,Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk,Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk,Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16],Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17];Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven,Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaarVan Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden,Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar,Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden,Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden,Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;'t Bruiloftskleed zij ontfaân[19]door dezen Vorst vol vreden,Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20],In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen;Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21],Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen.Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangenAls d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.PRINCE[22].Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd,Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden;Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart,In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden:Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,In al zijn wegen zal[23]verleenen overvloed,Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24],Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25];Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet,Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed:De Heer geev' haar doch kracht,om inliefd' niet te flaauwen,Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen,Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.LIEFDE VERWINNET AL.

Verheugt, o Febi jeugd![2]door dezen zoeten tijd:De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren;'t Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt;'t Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren!Droefheid, neemt[3]fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent.Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren,Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present,Die om[4]vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5]kent,In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren.Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!Laat jonst[6]begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren,En d' Haas-baart[7]zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8]beter gelijken?

Verheugt, o Febi jeugd![2]door dezen zoeten tijd:

De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren;

't Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt;

't Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren!

Droefheid, neemt[3]fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!

Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent.

Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren,

Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present,

Die om[4]vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5]kent,

In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren.

Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!

Laat jonst[6]begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren,

En d' Haas-baart[7]zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,

Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8]beter gelijken?

Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9]zijn verhoogdNoch Thalassus[10]geclangh, maar Godes lof voortbringen,Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd,Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen,Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen,Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land;Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen,'t Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12].Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verbandAlleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten:Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand':Wie hem met lust bemint, en derft[14]voor niemand duchten,Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchtenEn d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9]zijn verhoogd

Noch Thalassus[10]geclangh, maar Godes lof voortbringen,

Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd,

Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen,

Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen,

Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land;

Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen,

't Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12].

Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verband

Alleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten:

Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand':

Wie hem met lust bemint, en derft[14]voor niemand duchten,

Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchten

En d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,

Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft,Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten,Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd:Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten!Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten!Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk,Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten,Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk,Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk,Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16],Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17];Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven,Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft,

Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten,

Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd:

Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten!

Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten!

Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk,

Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten,

Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk,

Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk,

Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16],

Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,

Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17];

Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven,

Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,

Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaarVan Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden,Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar,Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden,Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden,Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;'t Bruiloftskleed zij ontfaân[19]door dezen Vorst vol vreden,Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20],In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen;Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21],Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen.Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangenAls d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaar

Van Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden,

Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar,

Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden,

Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden,

Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;

't Bruiloftskleed zij ontfaân[19]door dezen Vorst vol vreden,

Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,

Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20],

In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen;

Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21],

Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen.

Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangen

Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,

Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

PRINCE[22].Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd,Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden;Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart,In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden:Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,In al zijn wegen zal[23]verleenen overvloed,Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24],Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25];Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet,Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed:De Heer geev' haar doch kracht,om inliefd' niet te flaauwen,Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen,Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

PRINCE[22].

Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd,

Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden;

Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart,

In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden:

Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,

In al zijn wegen zal[23]verleenen overvloed,

Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24],

Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25];

Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet,

Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,

Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed:

De Heer geev' haar doch kracht,om inliefd' niet te flaauwen,

Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen,

Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,

Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

LIEFDE VERWINNET AL.

LIEFDE VERWINNET AL.

[1]Eigenlijk de tweede naamval van 't Lat.Junius(even alsJulius,Augustus, enz.), en dus zonder voorafgaand dagcijfer minder juist gebezigd. De ij staat (gelijk steeds in dezen tijd) voor ii, en zou thans dus best door een y vervangen worden, sedert de ij alseiuitgesproken wordt, en dus in dezen slechts tot wanspraak (Junei, Ju-lei, enz.) verleidt.

[1]Eigenlijk de tweede naamval van 't Lat.Junius(even alsJulius,Augustus, enz.), en dus zonder voorafgaand dagcijfer minder juist gebezigd. De ij staat (gelijk steeds in dezen tijd) voor ii, en zou thans dus best door een y vervangen worden, sedert de ij alseiuitgesproken wordt, en dus in dezen slechts tot wanspraak (Junei, Ju-lei, enz.) verleidt.

[2]Verheugtu, zonen van den dichtgod.

[2]Verheugtu, zonen van den dichtgod.

[3]Thans, minder juist,neem; daar, sedert het verdringen van 't tweeden persoons voorn. w. (du) door 't meerv. (gij), natuurlijk ook het werkw. in 't meerv. diende te staan. Wij zullen dit daarom ook in deze uitgave steeds behouden.

[3]Thans, minder juist,neem; daar, sedert het verdringen van 't tweeden persoons voorn. w. (du) door 't meerv. (gij), natuurlijk ook het werkw. in 't meerv. diende te staan. Wij zullen dit daarom ook in deze uitgave steeds behouden.

[4]Thansom te, dat eigenlijk tweemaal 'tzelfde uitdrukt.

[4]Thansom te, dat eigenlijk tweemaal 'tzelfde uitdrukt.

[5]Minzaam.

[5]Minzaam.

[6]Gunst.

[6]Gunst.

[7]Zinspeling op de namen van bruidegom en bruid, naar den smaak des tijds, die echter (gelijk meer) tot gedwongenheid aanleiding geeft. Versta: Laat gunst zich genegen toonen, gelijk een hert naar 't klare water snakt, en de haas zijn snelheid toont, om de honden te ontkomen.

[7]Zinspeling op de namen van bruidegom en bruid, naar den smaak des tijds, die echter (gelijk meer) tot gedwongenheid aanleiding geeft. Versta: Laat gunst zich genegen toonen, gelijk een hert naar 't klare water snakt, en de haas zijn snelheid toont, om de honden te ontkomen.

[8]Ik kan het niet;—en(niet met het verbindenden, eig.ende, te verwarren) staat met het Franschenegelijk, en had dan (even als ditpas) gewoonlijknietbij zich, maar heeft dit allengs geheel zijn plaats geruimd. Verg. ook in den volg. regelen laat.

[8]Ik kan het niet;—en(niet met het verbindenden, eig.ende, te verwarren) staat met het Franschenegelijk, en had dan (even als ditpas) gewoonlijknietbij zich, maar heeft dit allengs geheel zijn plaats geruimd. Verg. ook in den volg. regelen laat.

[9]De (Grieksche) huwelijksgod.

[9]De (Grieksche) huwelijksgod.

[10]De Gr. bruiloftsgod.

[10]De Gr. bruiloftsgod.

[11]Thansschonk.

[11]Thansschonk.

[12]Voorbekend.

[12]Voorbekend.

[13]leerthij nam. Kristus.

[13]leerthij nam. Kristus.

[14]behoeft.

[14]behoeft.

[15]edelgesteente.

[15]edelgesteente.

[16]Versta:begeven zou.

[16]Versta:begeven zou.

[17]waardig,verheven te worden boven alles.

[17]waardig,verheven te worden boven alles.

[18]echtgenoot.

[18]echtgenoot.

[19]Thansontvangen; welke verlengde vorm allengs den oorspronkelijkenontva-engeheel verdrongen heeft.

[19]Thansontvangen; welke verlengde vorm allengs den oorspronkelijkenontva-engeheel verdrongen heeft.

[20]Versta:wacht zij.

[20]Versta:wacht zij.

[21]Voorgewrocht.

[21]Voorgewrocht.

[22]Naar den Rederijkerstrant, waarin dit geheele—meer gekunstelde dan kunstrijke—Referein gerijmd is, wordt in 't slotcouplet dePrinsder Kamer aangesproken.

[22]Naar den Rederijkerstrant, waarin dit geheele—meer gekunstelde dan kunstrijke—Referein gerijmd is, wordt in 't slotcouplet dePrinsder Kamer aangesproken.

[23]Nam. de Heer.

[23]Nam. de Heer.

[24]Naar de beteekenis (van den bedoelden bijbeltext).

[24]Naar de beteekenis (van den bedoelden bijbeltext).

[25]Voorvoorspoed.

[25]Voorvoorspoed.

gesteld op den toon van den 2den Psalm.

gesteld op den toon van den 2den Psalm.

gesteld op den toon van den 2den Psalm.

De Dood, zeer snood, d'[1]Aarde haar pijlen bood,D' Ondeugd verheugd was met haar Helsche scharen,Deugd vlood door nood, durfd' haar[2]niet geven bloot,Haar vreugd, verjeugd, veranderd' in bezwaren,Omdat, het pad der Waarheid, werd bestreden;De Trouw, met rouw, zeer deerlijk was verplet;Liefd's schat, Gods stad, de vrucht in 't lustig Eden—Een vrouw, (te flaauw, helaas!) elk waas besmet.Maar 't Licht, 't Gezicht der Blinden, die 't al sticht,Bekleedt met vreed' een spruit wiensTROUW MOET BLIJKEN[3],Wiens plicht opricht elks Heil, met Liefdes schicht,Bestreed het wreed' geslacht, 's vijands praktijken:D' Ootmoed hem voedt, in Davids stad onrustig:Een kroon, zeer schoon, hij biedt, van God gewracht:Doet boet, met spoed, voor deez' Ziel-Rust wellustig:Gods Zoon, tot loon, 't Leven uit Sion bracht.Dit Lam, Gods stam, 't welk Satans macht benam,Zijn' bruid, de spruit, die zijn hart heeft ontstolen,Waarnam, en kwam tot haar, der Jonsten vlam,Om uit 't besluit der feest[4]niet meer te dolen.Haar deel, 't Juweel, 't nieuw Paradijs verheven,Schonk haar, 't Nieuw-Jaar, Christus d' Opperste pand;Een eêl prieel, Gods Geest, der Eng'len leven,Alwaar dit paar[5]des levens Boom herplant.Het kind bemint[6]de Liefd', die 't kwaad verwint,Elk noodt, minioot[7]: kiest mijn eenvuldig[8]wezen;Die blind gezind, u tot 's Doods vruchten bindt,Ontbloot[9]devoot, uw eigen wil misprezen,En tracht, bedacht, om[10]zuiveren inwendigUw Hart, verward, bevlekt, van 't Aardsch gekwel;Verwacht d' Eendracht, na dit Leven ellendig;Gij werdt van smert vrij, door Emanuël.PRINSEVerlaat dan 't kwaad, gij Prinsen metter daadOntziet verdriet noch kruis om[10]zijn herboren,Al staat vleesch-raad, en[11]poogt naar 's wer'lds onmaat,Rust niet, maar vliedt naar Bethlehem verkoren,Beschreidt uw leid[12], zoo komt u mild te baten,'t Kind klein, 't welk pleyn[13]u heerschen[14]moet vooral;Want scheidt Goedheid van u (door 's Deugds verlaten)Deez' rein' Fontein uw Hart niet zuiv'ren zal.LIEFDE VERWINNET AL.

De Dood, zeer snood, d'[1]Aarde haar pijlen bood,D' Ondeugd verheugd was met haar Helsche scharen,Deugd vlood door nood, durfd' haar[2]niet geven bloot,Haar vreugd, verjeugd, veranderd' in bezwaren,Omdat, het pad der Waarheid, werd bestreden;De Trouw, met rouw, zeer deerlijk was verplet;Liefd's schat, Gods stad, de vrucht in 't lustig Eden—Een vrouw, (te flaauw, helaas!) elk waas besmet.

De Dood, zeer snood, d'[1]Aarde haar pijlen bood,

D' Ondeugd verheugd was met haar Helsche scharen,

Deugd vlood door nood, durfd' haar[2]niet geven bloot,

Haar vreugd, verjeugd, veranderd' in bezwaren,

Omdat, het pad der Waarheid, werd bestreden;

De Trouw, met rouw, zeer deerlijk was verplet;

Liefd's schat, Gods stad, de vrucht in 't lustig Eden—

Een vrouw, (te flaauw, helaas!) elk waas besmet.

Maar 't Licht, 't Gezicht der Blinden, die 't al sticht,Bekleedt met vreed' een spruit wiensTROUW MOET BLIJKEN[3],Wiens plicht opricht elks Heil, met Liefdes schicht,Bestreed het wreed' geslacht, 's vijands praktijken:D' Ootmoed hem voedt, in Davids stad onrustig:Een kroon, zeer schoon, hij biedt, van God gewracht:Doet boet, met spoed, voor deez' Ziel-Rust wellustig:Gods Zoon, tot loon, 't Leven uit Sion bracht.

Maar 't Licht, 't Gezicht der Blinden, die 't al sticht,

Bekleedt met vreed' een spruit wiensTROUW MOET BLIJKEN[3],

Wiens plicht opricht elks Heil, met Liefdes schicht,

Bestreed het wreed' geslacht, 's vijands praktijken:

D' Ootmoed hem voedt, in Davids stad onrustig:

Een kroon, zeer schoon, hij biedt, van God gewracht:

Doet boet, met spoed, voor deez' Ziel-Rust wellustig:

Gods Zoon, tot loon, 't Leven uit Sion bracht.

Dit Lam, Gods stam, 't welk Satans macht benam,Zijn' bruid, de spruit, die zijn hart heeft ontstolen,Waarnam, en kwam tot haar, der Jonsten vlam,Om uit 't besluit der feest[4]niet meer te dolen.Haar deel, 't Juweel, 't nieuw Paradijs verheven,Schonk haar, 't Nieuw-Jaar, Christus d' Opperste pand;Een eêl prieel, Gods Geest, der Eng'len leven,Alwaar dit paar[5]des levens Boom herplant.

Dit Lam, Gods stam, 't welk Satans macht benam,

Zijn' bruid, de spruit, die zijn hart heeft ontstolen,

Waarnam, en kwam tot haar, der Jonsten vlam,

Om uit 't besluit der feest[4]niet meer te dolen.

Haar deel, 't Juweel, 't nieuw Paradijs verheven,

Schonk haar, 't Nieuw-Jaar, Christus d' Opperste pand;

Een eêl prieel, Gods Geest, der Eng'len leven,

Alwaar dit paar[5]des levens Boom herplant.

Het kind bemint[6]de Liefd', die 't kwaad verwint,Elk noodt, minioot[7]: kiest mijn eenvuldig[8]wezen;Die blind gezind, u tot 's Doods vruchten bindt,Ontbloot[9]devoot, uw eigen wil misprezen,En tracht, bedacht, om[10]zuiveren inwendigUw Hart, verward, bevlekt, van 't Aardsch gekwel;Verwacht d' Eendracht, na dit Leven ellendig;Gij werdt van smert vrij, door Emanuël.

Het kind bemint[6]de Liefd', die 't kwaad verwint,

Elk noodt, minioot[7]: kiest mijn eenvuldig[8]wezen;

Die blind gezind, u tot 's Doods vruchten bindt,

Ontbloot[9]devoot, uw eigen wil misprezen,

En tracht, bedacht, om[10]zuiveren inwendig

Uw Hart, verward, bevlekt, van 't Aardsch gekwel;

Verwacht d' Eendracht, na dit Leven ellendig;

Gij werdt van smert vrij, door Emanuël.

PRINSEVerlaat dan 't kwaad, gij Prinsen metter daadOntziet verdriet noch kruis om[10]zijn herboren,Al staat vleesch-raad, en[11]poogt naar 's wer'lds onmaat,Rust niet, maar vliedt naar Bethlehem verkoren,Beschreidt uw leid[12], zoo komt u mild te baten,'t Kind klein, 't welk pleyn[13]u heerschen[14]moet vooral;Want scheidt Goedheid van u (door 's Deugds verlaten)Deez' rein' Fontein uw Hart niet zuiv'ren zal.

PRINSE

Verlaat dan 't kwaad, gij Prinsen metter daad

Ontziet verdriet noch kruis om[10]zijn herboren,

Al staat vleesch-raad, en[11]poogt naar 's wer'lds onmaat,

Rust niet, maar vliedt naar Bethlehem verkoren,

Beschreidt uw leid[12], zoo komt u mild te baten,

't Kind klein, 't welk pleyn[13]u heerschen[14]moet vooral;

Want scheidt Goedheid van u (door 's Deugds verlaten)

Deez' rein' Fontein uw Hart niet zuiv'ren zal.

LIEFDE VERWINNET AL.

LIEFDE VERWINNET AL.

[1]Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze afkorting van 't lidwoord (thans alleen voordenin zwang) noodig. Verg. ook in den volg. regelD' ondeugd, en laterD' ootmoed.

[1]Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze afkorting van 't lidwoord (thans alleen voordenin zwang) noodig. Verg. ook in den volg. regelD' ondeugd, en laterD' ootmoed.

[2]Thanszich.

[2]Thanszich.

[3]Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.

[3]Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.

[4]Buiten den kring van 't feest; dit laatste woord (naar den aard van 't lat.festa) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras, door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als onzijdig beschouwd. Evenzoovenster(beterfenster) voor 't lat.fenestra.

[4]Buiten den kring van 't feest; dit laatste woord (naar den aard van 't lat.festa) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras, door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als onzijdig beschouwd. Evenzoovenster(beterfenster) voor 't lat.fenestra.

[5]Kristus en zijn kruis.

[5]Kristus en zijn kruis.

[6]Het beminde kind, nam. de Liefde.

[6]Het beminde kind, nam. de Liefde.

[7]Minzaam,liefelijk.

[7]Minzaam,liefelijk.

[8]Eenvoudig.

[8]Eenvoudig.

[9]Verzaakt.

[9]Verzaakt.

[10]Thansom te; verg. vroeger.

[10]Thansom te; verg. vroeger.

[11]niet.

[11]niet.

[12]Voorleed.

[12]Voorleed.

[13]Volkomen.

[13]Volkomen.

[14]Voorbeheerschen.

[14]Voorbeheerschen.

In het zoetste van den tijd,Als Zefyrus Flora vrijdt[1],Als Febus[2], met helder stralen,Taurus[3]snel ging achterhalen,Kwam Cupido, Venus' zoon,'s Morgens tot zijn moeders troon,Eer Titons bruid[4], met verlangen,Vertoont haar bloeyende wangen.Venus lag in ruste zoet,Die door Lethes[5]werd gevoed;Cupido, met heuscher spraken[6],Onverziens haar deed ontwaken:"Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?'k Neem oorlof, ik ga ter jacht."Zij ontsprong[7], en goedertierigSchoof op haar gordijntjens cierig[8]:"Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]!Aanvangt[10]gij uwe dagvaart?Ik wensch, uw kracht zoo vermeere,Dat niemand uw pijlen keere;Keert in tijds tot mijn paleis,Fortuin bejongstig' uw reis!"Fluks heeft zich Cupido waardigTot de jacht snel gemaakt vaardig;Niet, als Adonis, beangst[11]Om der wilder[12]dieren vangst,Maar om hemel en aard' tranig[13]Zich te maken onderdanig.Hij streelde zijn haar verguld,Zijnen koker hij vervuld'Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14],Doch verscheiden van naturen,Waarmeê hij, zonder geschil,De minnaars pijnt naar zijn wil;Hij ontsloeg[15]zijn wakkre vlerken,Om zijn krachten te doen werken;Eer hij toegemaakt[16]vol jonstWas, door der Chariten[17]konstZag hij 's werelds lamp[18]verschijnen,Nu hij tot de reis ging pijnen[19].Aura[20]en Zefyrus beid'Speurend, dat hij was bereid,Als voorboden gingen zwieren,Beekskens, blaadren deden beven;Cupido haar volgde snel,Om spelen 't gewoonlijk spel.Beiden, menschen ende Goden,Haast vernamen, door dees boden,Wat kwale hen overviel,Tot beroering van hun ziel;Maar eer zij konden ontvluchtenDezen schutter, 't pijnlijk zuchten,Werden zij, in korter[21]stond,Van zijn pijlen wreed doorwond;Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig,'t Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig,Onverziens zich vindt bezetIn des vooglaars listig net,Alzoo dees vrijen, in orden[22],Moesten Liefdes slaven worden;Jupiter[23], uit den Olimp,Die voormaals, met spot en schimp,Dezen jager ging begekken,Moest nu Liefdes keten trekken;Apollo, en Pluto rijk[24],Mercurius, vol praktijk[25],'t Moest al onder zijn juk buigen:Mars moest Venus borsten zuigen,Niet de rechter borst vol wijn,Maar de slinke vol venijn;Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven,Moest van Liefdes spijze kluiven;'t Kind hield d' overhand in 't perk[27]Over menschen, Goden sterk,Ving en schoot stadig vol kwalen,'t Waar te lange om verhalen;En, gelijk 't vermoeide hert,'t Welk in strikken is verward,En 's jagers list is beproevig[28],Schreyet bittre tranen droevig,Alzoo ook met tranen elkMoest vervullen Venus' kelk;Deze schutter, naar zijn wenschen,Trefte[29]Goden ende menschen.Den tijd, die (steeds onvermoeid)Gedurig voortvaart en spoeit,Liet Hesperus[30]zien, terwijlenCupido verschoot zijn pijlen;D'avond dekte 's werelds oog,'t Weeldrig kind van Pafos vloog,Om zijn moeder te verzellen,En zijn avontuur vertellen;Als Venus haar kind vernam,Zij hem in haar armen nam.

In het zoetste van den tijd,Als Zefyrus Flora vrijdt[1],Als Febus[2], met helder stralen,Taurus[3]snel ging achterhalen,Kwam Cupido, Venus' zoon,'s Morgens tot zijn moeders troon,Eer Titons bruid[4], met verlangen,Vertoont haar bloeyende wangen.Venus lag in ruste zoet,Die door Lethes[5]werd gevoed;Cupido, met heuscher spraken[6],Onverziens haar deed ontwaken:"Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?'k Neem oorlof, ik ga ter jacht."Zij ontsprong[7], en goedertierigSchoof op haar gordijntjens cierig[8]:"Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]!Aanvangt[10]gij uwe dagvaart?Ik wensch, uw kracht zoo vermeere,Dat niemand uw pijlen keere;Keert in tijds tot mijn paleis,Fortuin bejongstig' uw reis!"Fluks heeft zich Cupido waardigTot de jacht snel gemaakt vaardig;Niet, als Adonis, beangst[11]Om der wilder[12]dieren vangst,Maar om hemel en aard' tranig[13]Zich te maken onderdanig.Hij streelde zijn haar verguld,Zijnen koker hij vervuld'Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14],Doch verscheiden van naturen,Waarmeê hij, zonder geschil,De minnaars pijnt naar zijn wil;Hij ontsloeg[15]zijn wakkre vlerken,Om zijn krachten te doen werken;Eer hij toegemaakt[16]vol jonstWas, door der Chariten[17]konstZag hij 's werelds lamp[18]verschijnen,Nu hij tot de reis ging pijnen[19].Aura[20]en Zefyrus beid'Speurend, dat hij was bereid,Als voorboden gingen zwieren,Beekskens, blaadren deden beven;Cupido haar volgde snel,Om spelen 't gewoonlijk spel.Beiden, menschen ende Goden,Haast vernamen, door dees boden,Wat kwale hen overviel,Tot beroering van hun ziel;Maar eer zij konden ontvluchtenDezen schutter, 't pijnlijk zuchten,Werden zij, in korter[21]stond,Van zijn pijlen wreed doorwond;Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig,'t Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig,Onverziens zich vindt bezetIn des vooglaars listig net,Alzoo dees vrijen, in orden[22],Moesten Liefdes slaven worden;Jupiter[23], uit den Olimp,Die voormaals, met spot en schimp,Dezen jager ging begekken,Moest nu Liefdes keten trekken;Apollo, en Pluto rijk[24],Mercurius, vol praktijk[25],'t Moest al onder zijn juk buigen:Mars moest Venus borsten zuigen,Niet de rechter borst vol wijn,Maar de slinke vol venijn;Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven,Moest van Liefdes spijze kluiven;'t Kind hield d' overhand in 't perk[27]Over menschen, Goden sterk,Ving en schoot stadig vol kwalen,'t Waar te lange om verhalen;En, gelijk 't vermoeide hert,'t Welk in strikken is verward,En 's jagers list is beproevig[28],Schreyet bittre tranen droevig,Alzoo ook met tranen elkMoest vervullen Venus' kelk;Deze schutter, naar zijn wenschen,Trefte[29]Goden ende menschen.Den tijd, die (steeds onvermoeid)Gedurig voortvaart en spoeit,Liet Hesperus[30]zien, terwijlenCupido verschoot zijn pijlen;D'avond dekte 's werelds oog,'t Weeldrig kind van Pafos vloog,Om zijn moeder te verzellen,En zijn avontuur vertellen;Als Venus haar kind vernam,Zij hem in haar armen nam.

In het zoetste van den tijd,

Als Zefyrus Flora vrijdt[1],

Als Febus[2], met helder stralen,

Taurus[3]snel ging achterhalen,

Kwam Cupido, Venus' zoon,

's Morgens tot zijn moeders troon,

Eer Titons bruid[4], met verlangen,

Vertoont haar bloeyende wangen.

Venus lag in ruste zoet,

Die door Lethes[5]werd gevoed;

Cupido, met heuscher spraken[6],

Onverziens haar deed ontwaken:

"Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?

'k Neem oorlof, ik ga ter jacht."

Zij ontsprong[7], en goedertierig

Schoof op haar gordijntjens cierig[8]:

"Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]!

Aanvangt[10]gij uwe dagvaart?

Ik wensch, uw kracht zoo vermeere,

Dat niemand uw pijlen keere;

Keert in tijds tot mijn paleis,

Fortuin bejongstig' uw reis!"

Fluks heeft zich Cupido waardig

Tot de jacht snel gemaakt vaardig;

Niet, als Adonis, beangst[11]

Om der wilder[12]dieren vangst,

Maar om hemel en aard' tranig[13]

Zich te maken onderdanig.

Hij streelde zijn haar verguld,

Zijnen koker hij vervuld'

Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14],

Doch verscheiden van naturen,

Waarmeê hij, zonder geschil,

De minnaars pijnt naar zijn wil;

Hij ontsloeg[15]zijn wakkre vlerken,

Om zijn krachten te doen werken;

Eer hij toegemaakt[16]vol jonst

Was, door der Chariten[17]konst

Zag hij 's werelds lamp[18]verschijnen,

Nu hij tot de reis ging pijnen[19].

Aura[20]en Zefyrus beid'

Speurend, dat hij was bereid,

Als voorboden gingen zwieren,

Beekskens, blaadren deden beven;

Cupido haar volgde snel,

Om spelen 't gewoonlijk spel.

Beiden, menschen ende Goden,

Haast vernamen, door dees boden,

Wat kwale hen overviel,

Tot beroering van hun ziel;

Maar eer zij konden ontvluchten

Dezen schutter, 't pijnlijk zuchten,

Werden zij, in korter[21]stond,

Van zijn pijlen wreed doorwond;

Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig,

't Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig,

Onverziens zich vindt bezet

In des vooglaars listig net,

Alzoo dees vrijen, in orden[22],

Moesten Liefdes slaven worden;

Jupiter[23], uit den Olimp,

Die voormaals, met spot en schimp,

Dezen jager ging begekken,

Moest nu Liefdes keten trekken;

Apollo, en Pluto rijk[24],

Mercurius, vol praktijk[25],

't Moest al onder zijn juk buigen:

Mars moest Venus borsten zuigen,

Niet de rechter borst vol wijn,

Maar de slinke vol venijn;

Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven,

Moest van Liefdes spijze kluiven;

't Kind hield d' overhand in 't perk[27]

Over menschen, Goden sterk,

Ving en schoot stadig vol kwalen,

't Waar te lange om verhalen;

En, gelijk 't vermoeide hert,

't Welk in strikken is verward,

En 's jagers list is beproevig[28],

Schreyet bittre tranen droevig,

Alzoo ook met tranen elk

Moest vervullen Venus' kelk;

Deze schutter, naar zijn wenschen,

Trefte[29]Goden ende menschen.

Den tijd, die (steeds onvermoeid)

Gedurig voortvaart en spoeit,

Liet Hesperus[30]zien, terwijlen

Cupido verschoot zijn pijlen;

D'avond dekte 's werelds oog,

't Weeldrig kind van Pafos vloog,

Om zijn moeder te verzellen,

En zijn avontuur vertellen;

Als Venus haar kind vernam,

Zij hem in haar armen nam.

[1]Als 't Westewindjen met de bloemen koost.

[1]Als 't Westewindjen met de bloemen koost.

[2]De Grieksche Zonnegod.

[2]De Grieksche Zonnegod.

[3]De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.

[3]De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.

[4]Aurora,'t morgenrood.

[4]Aurora,'t morgenrood.

[5]de vergetelheid.

[5]de vergetelheid.

[6]met heusche taal.

[6]met heusche taal.


Back to IndexNext