DE VIJFDE EN LESTE HANDEL.terentius, simeon, rei van kristenen, gabriel.TERENTIUS.Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?SIMEON.Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome[383]lieden,Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt,Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt,Der zielen Heiland, dien de goddelooze JodenZoo schelmsch betichtten, en zoo schandelijken doodden:Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,Te streng van haar vervolgd, en tot in 't graf gehaat,Voor 't jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten:Maar door het spoken van de Auzonische[384]soldaten,Die 't al afliepen, als vast d' een aan d' ander stad,Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had,En 't eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppenDer hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen,Van Ptolemaïde, Jotapa, Taricheên,Afaca, Garizim, 't plat land der Idumeên,En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,Die Davids zoon voorzeî, die vele komen zagen,En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad,Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad,Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholenTe Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolenEn assche, komen wij, een ongewapend volk,'t Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk,Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden,Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:Vermits wij hoorden, 't heer op zijn vertrekken stond.Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!TERENTIUS.Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen,Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,En zoo de nood u drukt, keert van 't gebergte weêr,En slaat u metter woon hier veiliglijken neêr,Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,En uwen Kristus dient; wij zullen u beschutten,En al, die 't Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,Ons zullen wilkom zijn, 't land zal haar open staan.REI VAN KRISTENEN.Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingenVergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth,Die hier voorbij gaat, moet met een meêdoogend hartNiet aanzien dat geweld[385]vernield met staal en vuurwerk,En geven een gehuil op 't omgestorte muurwerk,Op 't puin en de assche, die d' uitheemschen houdt bedeesd,En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.O God! wat ziedy niet al aan met alziende oogen!Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!GABRIEL.Gij Kristen pelgrims, die hier dut[386], en[387]vreest geen leedVan d' Engel Gabriël, die 's Hemels vloer betreedt,Die d' heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;Ik zal 't ontvouwen, en voor u ontslui'ren al't Geen aan te merken staat in Isrels droeven val;Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, geplonderdDen priesterlijken stoel korts vol van majesteit,Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheidDes grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammenEn honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,Die, alle volk te spijt en d' Engelen te trots,Uitblonken in 't gebergt gelijk een glorie Gods:Want daar is in vervuld 't geen voormaals u, in Perzen,Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondig' hersen,Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,Uitroeyen zou de stad, het volk, en d' heilge kerk,En schorsen, 't offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,Daar, boven d' arke, 't goud des Cherubs plag te lichten:Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect[388],Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,En van d' Olijfberg zag het heer de stad verrassen,Den tempel branden, en 't verwoede Rome plassenEn, met d' hoefijzers van haar hengsten, staan in 't bloed.Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in 't gemoedZich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,De groote Siloa: vermits men ziet ontruktDen Joden haren staf, en haren staat verdrukt,Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegevenIs tot een teeken, van d' oudvader, zat van leven,Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld[389],Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuldVan zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,En 't volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoonOmleeg afbreken liet den wereldlijken troon,Een ongeachte praal, indien ze wierd gelekenBij 's Hemels glorie, daar hij zit, om uit te stekenVerr' boven al de pracht der koningen, die ooitHier lagen overhoop, en vochten haar berooid[390].Wat Kristen is er, die nu voên zal zijn gedachtenMet zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in 't slijk:Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,Dat zijnen glans vergeet, en haast[391]zijn luister derft?Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote stedenUw lot, schoon of al 't Oost voor u op 't aanzicht viel:'t Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralenOp haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:Wat mocht het baten, als een lang gevreesde doodOp 't onverzienst' voor u deze aardsche glorie sloot!Laat dan de dwazen gaan brageeren[392]en hoog roemenIn dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:Vliegt gij uit d' ijdelheid naar boven van beneên:Klimt op, daar Jezus wordt van d' Englen aangebeên:Daar 't heerschaar nimmer moê, met juichen en met springen,Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,Zijn enkel duisternis, ten opzien van den genen,Die 't endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:Daar 't nieuw Jeruzalem heeft gants een ander schijn:Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:Daar 's Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamantenVerliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,En duizend jaren zijn als onzer dagen een.Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,'t Wyrooken, 't slachten, en 't opofferen der beesten,De reinigingen, en wat dienst daar meer aan kleeft,Is donkerheid, bij 'tgeen dat schoonder luister heeft?Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?Of kiezen Mozes' glans voor Kristus' gulde klaarheid,Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?Wie Levi aanzien voor den tweeden Aäron,Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebedenAls ooit hoogpriester, die hier wyrookte benedenIn 't heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,Elk raadt, dat hij 't gemoed naar 's Hemels kerken wend',Van derwaarts[393]Jezus 't mann' laat regenen bij vlagen,Veel zoeter als de broôn, die op de tafel lagenVoor 't priesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereidIs spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.O, bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!Keert vrij uw aangezicht van 't vlammig borstgesteente,Daar uwen Fenix[394]meê ging brallen eens om 't jaar,Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderdZoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schatEn 't goud, dat Israël zijn kerk geheiligd had.Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig[395]eiland[396],Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Heiland,Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralenOmzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens neder dalenDie zoete Cherubijns en Serafijnen, om't Schoon aanschijn door te zien van 's Hemels Bruidegom!Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,En rusten in het graf: leent niet meer Mozes' mondMaar Kristus' lippen 't oor: omhelst het nieuw Verbond!Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringerAls 't leven, daar 't op heeft gewezen met de vinger.Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,En nu besloten met der Joden ondergang,U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,Die wrake neemt van 't kwaad, en alle booze stukken;En, tot waarschouwing van een iegelijk persoon,Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,Die overgeven[397]vaak haar ouderen bedroeven,Ja, een geheele stad, brandstichters, en verraârs,Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,En wegen op de straf, naar elks begangen[398]feit:De plaatse van 't gerecht geeft een afgrijslijkheid[399]Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,En kruisen zien van verr', die haar het hert doen walgenVan d' eiselijke stank, en 't aanzicht al verschriktAfwenden van 't geboeft', dat, d' oogen uitgepiktEn halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,En d' arenden, die in haar ingewand begraven[400]'t Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwert gebraân;Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan[401].De Joôn van misdaad, in haar knagende geweten,Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profetenVerpletterden met steen, en bliksemden haar 't hoofd.Maar och! hoe was dat volk van 't Hemels licht beroofd,Als zij ophoopten[402]nog de afgrijselijke zonden,En 't onbesmette Lam zoo bits naar 't leven stonden:Hoe was al 't helsche spook[403]ontketend op die dag,Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:Die naakt ten toon gesteld eens ieders gaapspel was:Doen 't al: "kruist, kruist hem!" riep, "en lost ons Barrabas!Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:Doen hij in 't richthuis droeg het purper tot zijn hoon:Geschepterd met een riet, gemyterd met een kroonVan scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersenGing vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,Dat een slagregen van roô druppelen al meerDroop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neêr:Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,'t Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen:O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten[404]uit.Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagdenDen heiligen Profeet, die, door de gansche stad,Veel kranken oon artsnij van 't bed geholpen had.Indien nog 't loos gebroed zijn straf had willen keeren,Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,Die zich omwendde, en riep: "helaas, bedrukte rei!Wat weendy overmij, maakt eer een veldgeschrei,Enuwenval beklaagt; want ziet, ik zie genakenDe fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:Dan zal men roepen: "o, gelukkig is die geen,Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,Diens buiken nimmer zijn geslonken na hetbaren!""Zoo sprekende, genaakt' hij 't Heidensche gericht,'t Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.Hier most hij, naakt aan 't hout gehecht, te schendig lijden[405]Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:Met galle en eek gelaafd; hier zag hij 't handenwringenZijns moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen:Hier schreid' hij: "God, waarom verlaat gij uw zoon!"Dat zijnen moordschreeuw klonk in 's Hemels hoogsten troon;Wij zagen hem terstond den lesten doodsnak geven,En droegen fluks zijn ziel in 't vrolijk eeuwig leven,In 't lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neêr,En zag 't verlaten vleesch doorsteken met een speer,De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijtenDes tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren stafVerworpen[406], als de doôn opkeken uit het graf.O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden brekenUw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wrekenVan 't goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,Wanneer 't zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:Dus spiegelt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten[407],Veel minder ongekwetst die[408]van zijn bliksems blijft,Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halenVoor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:Omdat gij zijt besneên, noch steunt niet op de Wet,Maar door 't geloove uw hope op Jezus Kristus zet.In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,Als in een tafereel, ook aller dingen endeWordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig.Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;Wat mag het baten, als de jongste dag der dagenKomt steuren 's werelds feest met alderhande plagen?Als God zich rust ten strijd, en dat men 't KristendomAls in slagoorde vind tweespaltig[409]staan alom,Rijk tegen rijk gekant, en dat d' hoofdstoffen stuitenNature in haren loop, en gaan haar ampt te buiten?Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,Het kerkhof mest, en 't land alsins met dooden dekt?Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen[410],Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmenDe menschen doet en 't vee? wanneer het aardrijk beeft,En uit den afgrond looit[411], en een gehuil opgeeft,En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsenDe steen, die hangende aan 't gebergte elk wilden trotsen?Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,Den Æther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,En met bazuingeklank verwekken uit het graf,En dagen voor 't gericht de dooden lang ontslapen,En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,En braken lijven uit, die schuurden haren grond,En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.Het aardrijk zal zijn doôn, de zee haar lijken geven,En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.De Cæsars zullen uit haar tomben hemelwaart,Een grooter Cæsar zien, en vluchten, al vervaardVoor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:"Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!"'t Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:"Dit 's hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan 't kruis!Waar bergen wij ons ziel?" het dun getal der vromen,Dat Kristus door 't geloov' heeft vrolijk[412]aangenomen,En 's werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,Maar ramp en tegenspoed: ja, wierd vaak vander eerdenVerdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden:Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraanGeplaatst, zijn lichten[413]blijde op zijnen Heiland slaan,En vliegen hemelwaart naar boven, als 't zal hoorenDie vreugderijke stem: "Komt hier, mijn uitverkoren!"En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,Maar in de wolken bralt, met genoten majesteitAls Ezaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:Bralt, zegge ik, op een troon, die van de SerafijnenGedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hemDe goddelooze vliên dees donderende stem:"Vervloekte, gaat van mij!" 't berouw komt hier te spade:Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:Ziet, hoe al 't helsche spook, met zeldzaam gekrioel,Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.Ziet, hoe Beëlsebub zijn kerkers en zijn holenMet zwavel propt, en met onlesschelijke[414]kolen,En pijnt de naakten met een endelooze dood:Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schootGewenschte rust geniet, en in den Paradijze't Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.Gij, bondgenooten Gods! gaat in, door de enge poort,Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt noodenTot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raadGehoorzaam zijn, na dat 't getal vervuld zal wezenDer Heidenen, die God en 's werelds Heiland vreezen.SIMEON.Lof zij Jehova, die ons wormkens vrundlijk is,En toont den rijken schat van zijn geheimenis:Die zijnen Engel zendt uit 's Hemels hooge kerken,Om ons t' ontsluiten wat wij hebben aan te merkenIn Jacobs droeven val, en jammerlijke ellend.Mijn Kristenen! dit in uws herten tafel prent!Aanmerkt Gods strengheid aan[415]de geen die hem verachten,Zijn groote goedigheid aan al die op hem wachten.DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
terentius, simeon, rei van kristenen, gabriel.TERENTIUS.Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?SIMEON.Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome[383]lieden,Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt,Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt,Der zielen Heiland, dien de goddelooze JodenZoo schelmsch betichtten, en zoo schandelijken doodden:Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,Te streng van haar vervolgd, en tot in 't graf gehaat,Voor 't jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten:Maar door het spoken van de Auzonische[384]soldaten,Die 't al afliepen, als vast d' een aan d' ander stad,Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had,En 't eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppenDer hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen,Van Ptolemaïde, Jotapa, Taricheên,Afaca, Garizim, 't plat land der Idumeên,En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,Die Davids zoon voorzeî, die vele komen zagen,En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad,Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad,Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholenTe Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolenEn assche, komen wij, een ongewapend volk,'t Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk,Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden,Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:Vermits wij hoorden, 't heer op zijn vertrekken stond.Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!TERENTIUS.Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen,Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,En zoo de nood u drukt, keert van 't gebergte weêr,En slaat u metter woon hier veiliglijken neêr,Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,En uwen Kristus dient; wij zullen u beschutten,En al, die 't Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,Ons zullen wilkom zijn, 't land zal haar open staan.REI VAN KRISTENEN.Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingenVergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth,Die hier voorbij gaat, moet met een meêdoogend hartNiet aanzien dat geweld[385]vernield met staal en vuurwerk,En geven een gehuil op 't omgestorte muurwerk,Op 't puin en de assche, die d' uitheemschen houdt bedeesd,En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.O God! wat ziedy niet al aan met alziende oogen!Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!GABRIEL.Gij Kristen pelgrims, die hier dut[386], en[387]vreest geen leedVan d' Engel Gabriël, die 's Hemels vloer betreedt,Die d' heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;Ik zal 't ontvouwen, en voor u ontslui'ren al't Geen aan te merken staat in Isrels droeven val;Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, geplonderdDen priesterlijken stoel korts vol van majesteit,Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheidDes grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammenEn honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,Die, alle volk te spijt en d' Engelen te trots,Uitblonken in 't gebergt gelijk een glorie Gods:Want daar is in vervuld 't geen voormaals u, in Perzen,Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondig' hersen,Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,Uitroeyen zou de stad, het volk, en d' heilge kerk,En schorsen, 't offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,Daar, boven d' arke, 't goud des Cherubs plag te lichten:Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect[388],Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,En van d' Olijfberg zag het heer de stad verrassen,Den tempel branden, en 't verwoede Rome plassenEn, met d' hoefijzers van haar hengsten, staan in 't bloed.Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in 't gemoedZich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,De groote Siloa: vermits men ziet ontruktDen Joden haren staf, en haren staat verdrukt,Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegevenIs tot een teeken, van d' oudvader, zat van leven,Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld[389],Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuldVan zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,En 't volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoonOmleeg afbreken liet den wereldlijken troon,Een ongeachte praal, indien ze wierd gelekenBij 's Hemels glorie, daar hij zit, om uit te stekenVerr' boven al de pracht der koningen, die ooitHier lagen overhoop, en vochten haar berooid[390].Wat Kristen is er, die nu voên zal zijn gedachtenMet zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in 't slijk:Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,Dat zijnen glans vergeet, en haast[391]zijn luister derft?Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote stedenUw lot, schoon of al 't Oost voor u op 't aanzicht viel:'t Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralenOp haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:Wat mocht het baten, als een lang gevreesde doodOp 't onverzienst' voor u deze aardsche glorie sloot!Laat dan de dwazen gaan brageeren[392]en hoog roemenIn dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:Vliegt gij uit d' ijdelheid naar boven van beneên:Klimt op, daar Jezus wordt van d' Englen aangebeên:Daar 't heerschaar nimmer moê, met juichen en met springen,Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,Zijn enkel duisternis, ten opzien van den genen,Die 't endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:Daar 't nieuw Jeruzalem heeft gants een ander schijn:Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:Daar 's Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamantenVerliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,En duizend jaren zijn als onzer dagen een.Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,'t Wyrooken, 't slachten, en 't opofferen der beesten,De reinigingen, en wat dienst daar meer aan kleeft,Is donkerheid, bij 'tgeen dat schoonder luister heeft?Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?Of kiezen Mozes' glans voor Kristus' gulde klaarheid,Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?Wie Levi aanzien voor den tweeden Aäron,Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebedenAls ooit hoogpriester, die hier wyrookte benedenIn 't heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,Elk raadt, dat hij 't gemoed naar 's Hemels kerken wend',Van derwaarts[393]Jezus 't mann' laat regenen bij vlagen,Veel zoeter als de broôn, die op de tafel lagenVoor 't priesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereidIs spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.O, bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!Keert vrij uw aangezicht van 't vlammig borstgesteente,Daar uwen Fenix[394]meê ging brallen eens om 't jaar,Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderdZoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schatEn 't goud, dat Israël zijn kerk geheiligd had.Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig[395]eiland[396],Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Heiland,Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralenOmzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens neder dalenDie zoete Cherubijns en Serafijnen, om't Schoon aanschijn door te zien van 's Hemels Bruidegom!Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,En rusten in het graf: leent niet meer Mozes' mondMaar Kristus' lippen 't oor: omhelst het nieuw Verbond!Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringerAls 't leven, daar 't op heeft gewezen met de vinger.Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,En nu besloten met der Joden ondergang,U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,Die wrake neemt van 't kwaad, en alle booze stukken;En, tot waarschouwing van een iegelijk persoon,Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,Die overgeven[397]vaak haar ouderen bedroeven,Ja, een geheele stad, brandstichters, en verraârs,Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,En wegen op de straf, naar elks begangen[398]feit:De plaatse van 't gerecht geeft een afgrijslijkheid[399]Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,En kruisen zien van verr', die haar het hert doen walgenVan d' eiselijke stank, en 't aanzicht al verschriktAfwenden van 't geboeft', dat, d' oogen uitgepiktEn halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,En d' arenden, die in haar ingewand begraven[400]'t Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwert gebraân;Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan[401].De Joôn van misdaad, in haar knagende geweten,Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profetenVerpletterden met steen, en bliksemden haar 't hoofd.Maar och! hoe was dat volk van 't Hemels licht beroofd,Als zij ophoopten[402]nog de afgrijselijke zonden,En 't onbesmette Lam zoo bits naar 't leven stonden:Hoe was al 't helsche spook[403]ontketend op die dag,Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:Die naakt ten toon gesteld eens ieders gaapspel was:Doen 't al: "kruist, kruist hem!" riep, "en lost ons Barrabas!Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:Doen hij in 't richthuis droeg het purper tot zijn hoon:Geschepterd met een riet, gemyterd met een kroonVan scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersenGing vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,Dat een slagregen van roô druppelen al meerDroop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neêr:Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,'t Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen:O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten[404]uit.Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagdenDen heiligen Profeet, die, door de gansche stad,Veel kranken oon artsnij van 't bed geholpen had.Indien nog 't loos gebroed zijn straf had willen keeren,Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,Die zich omwendde, en riep: "helaas, bedrukte rei!Wat weendy overmij, maakt eer een veldgeschrei,Enuwenval beklaagt; want ziet, ik zie genakenDe fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:Dan zal men roepen: "o, gelukkig is die geen,Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,Diens buiken nimmer zijn geslonken na hetbaren!""Zoo sprekende, genaakt' hij 't Heidensche gericht,'t Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.Hier most hij, naakt aan 't hout gehecht, te schendig lijden[405]Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:Met galle en eek gelaafd; hier zag hij 't handenwringenZijns moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen:Hier schreid' hij: "God, waarom verlaat gij uw zoon!"Dat zijnen moordschreeuw klonk in 's Hemels hoogsten troon;Wij zagen hem terstond den lesten doodsnak geven,En droegen fluks zijn ziel in 't vrolijk eeuwig leven,In 't lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neêr,En zag 't verlaten vleesch doorsteken met een speer,De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijtenDes tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren stafVerworpen[406], als de doôn opkeken uit het graf.O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden brekenUw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wrekenVan 't goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,Wanneer 't zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:Dus spiegelt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten[407],Veel minder ongekwetst die[408]van zijn bliksems blijft,Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halenVoor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:Omdat gij zijt besneên, noch steunt niet op de Wet,Maar door 't geloove uw hope op Jezus Kristus zet.In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,Als in een tafereel, ook aller dingen endeWordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig.Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;Wat mag het baten, als de jongste dag der dagenKomt steuren 's werelds feest met alderhande plagen?Als God zich rust ten strijd, en dat men 't KristendomAls in slagoorde vind tweespaltig[409]staan alom,Rijk tegen rijk gekant, en dat d' hoofdstoffen stuitenNature in haren loop, en gaan haar ampt te buiten?Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,Het kerkhof mest, en 't land alsins met dooden dekt?Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen[410],Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmenDe menschen doet en 't vee? wanneer het aardrijk beeft,En uit den afgrond looit[411], en een gehuil opgeeft,En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsenDe steen, die hangende aan 't gebergte elk wilden trotsen?Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,Den Æther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,En met bazuingeklank verwekken uit het graf,En dagen voor 't gericht de dooden lang ontslapen,En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,En braken lijven uit, die schuurden haren grond,En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.Het aardrijk zal zijn doôn, de zee haar lijken geven,En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.De Cæsars zullen uit haar tomben hemelwaart,Een grooter Cæsar zien, en vluchten, al vervaardVoor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:"Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!"'t Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:"Dit 's hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan 't kruis!Waar bergen wij ons ziel?" het dun getal der vromen,Dat Kristus door 't geloov' heeft vrolijk[412]aangenomen,En 's werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,Maar ramp en tegenspoed: ja, wierd vaak vander eerdenVerdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden:Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraanGeplaatst, zijn lichten[413]blijde op zijnen Heiland slaan,En vliegen hemelwaart naar boven, als 't zal hoorenDie vreugderijke stem: "Komt hier, mijn uitverkoren!"En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,Maar in de wolken bralt, met genoten majesteitAls Ezaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:Bralt, zegge ik, op een troon, die van de SerafijnenGedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hemDe goddelooze vliên dees donderende stem:"Vervloekte, gaat van mij!" 't berouw komt hier te spade:Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:Ziet, hoe al 't helsche spook, met zeldzaam gekrioel,Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.Ziet, hoe Beëlsebub zijn kerkers en zijn holenMet zwavel propt, en met onlesschelijke[414]kolen,En pijnt de naakten met een endelooze dood:Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schootGewenschte rust geniet, en in den Paradijze't Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.Gij, bondgenooten Gods! gaat in, door de enge poort,Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt noodenTot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raadGehoorzaam zijn, na dat 't getal vervuld zal wezenDer Heidenen, die God en 's werelds Heiland vreezen.SIMEON.Lof zij Jehova, die ons wormkens vrundlijk is,En toont den rijken schat van zijn geheimenis:Die zijnen Engel zendt uit 's Hemels hooge kerken,Om ons t' ontsluiten wat wij hebben aan te merkenIn Jacobs droeven val, en jammerlijke ellend.Mijn Kristenen! dit in uws herten tafel prent!Aanmerkt Gods strengheid aan[415]de geen die hem verachten,Zijn groote goedigheid aan al die op hem wachten.DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
terentius, simeon, rei van kristenen, gabriel.TERENTIUS.Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?SIMEON.Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome[383]lieden,Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt,Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt,Der zielen Heiland, dien de goddelooze JodenZoo schelmsch betichtten, en zoo schandelijken doodden:Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,Te streng van haar vervolgd, en tot in 't graf gehaat,Voor 't jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten:Maar door het spoken van de Auzonische[384]soldaten,Die 't al afliepen, als vast d' een aan d' ander stad,Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had,En 't eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppenDer hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen,Van Ptolemaïde, Jotapa, Taricheên,Afaca, Garizim, 't plat land der Idumeên,En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,Die Davids zoon voorzeî, die vele komen zagen,En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad,Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad,Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholenTe Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolenEn assche, komen wij, een ongewapend volk,'t Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk,Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden,Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:Vermits wij hoorden, 't heer op zijn vertrekken stond.Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!TERENTIUS.Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen,Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,En zoo de nood u drukt, keert van 't gebergte weêr,En slaat u metter woon hier veiliglijken neêr,Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,En uwen Kristus dient; wij zullen u beschutten,En al, die 't Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,Ons zullen wilkom zijn, 't land zal haar open staan.REI VAN KRISTENEN.Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingenVergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth,Die hier voorbij gaat, moet met een meêdoogend hartNiet aanzien dat geweld[385]vernield met staal en vuurwerk,En geven een gehuil op 't omgestorte muurwerk,Op 't puin en de assche, die d' uitheemschen houdt bedeesd,En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.O God! wat ziedy niet al aan met alziende oogen!Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!GABRIEL.Gij Kristen pelgrims, die hier dut[386], en[387]vreest geen leedVan d' Engel Gabriël, die 's Hemels vloer betreedt,Die d' heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;Ik zal 't ontvouwen, en voor u ontslui'ren al't Geen aan te merken staat in Isrels droeven val;Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, geplonderdDen priesterlijken stoel korts vol van majesteit,Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheidDes grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammenEn honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,Die, alle volk te spijt en d' Engelen te trots,Uitblonken in 't gebergt gelijk een glorie Gods:Want daar is in vervuld 't geen voormaals u, in Perzen,Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondig' hersen,Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,Uitroeyen zou de stad, het volk, en d' heilge kerk,En schorsen, 't offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,Daar, boven d' arke, 't goud des Cherubs plag te lichten:Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect[388],Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,En van d' Olijfberg zag het heer de stad verrassen,Den tempel branden, en 't verwoede Rome plassenEn, met d' hoefijzers van haar hengsten, staan in 't bloed.Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in 't gemoedZich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,De groote Siloa: vermits men ziet ontruktDen Joden haren staf, en haren staat verdrukt,Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegevenIs tot een teeken, van d' oudvader, zat van leven,Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld[389],Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuldVan zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,En 't volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoonOmleeg afbreken liet den wereldlijken troon,Een ongeachte praal, indien ze wierd gelekenBij 's Hemels glorie, daar hij zit, om uit te stekenVerr' boven al de pracht der koningen, die ooitHier lagen overhoop, en vochten haar berooid[390].Wat Kristen is er, die nu voên zal zijn gedachtenMet zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in 't slijk:Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,Dat zijnen glans vergeet, en haast[391]zijn luister derft?Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote stedenUw lot, schoon of al 't Oost voor u op 't aanzicht viel:'t Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralenOp haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:Wat mocht het baten, als een lang gevreesde doodOp 't onverzienst' voor u deze aardsche glorie sloot!Laat dan de dwazen gaan brageeren[392]en hoog roemenIn dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:Vliegt gij uit d' ijdelheid naar boven van beneên:Klimt op, daar Jezus wordt van d' Englen aangebeên:Daar 't heerschaar nimmer moê, met juichen en met springen,Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,Zijn enkel duisternis, ten opzien van den genen,Die 't endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:Daar 't nieuw Jeruzalem heeft gants een ander schijn:Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:Daar 's Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamantenVerliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,En duizend jaren zijn als onzer dagen een.Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,'t Wyrooken, 't slachten, en 't opofferen der beesten,De reinigingen, en wat dienst daar meer aan kleeft,Is donkerheid, bij 'tgeen dat schoonder luister heeft?Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?Of kiezen Mozes' glans voor Kristus' gulde klaarheid,Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?Wie Levi aanzien voor den tweeden Aäron,Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebedenAls ooit hoogpriester, die hier wyrookte benedenIn 't heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,Elk raadt, dat hij 't gemoed naar 's Hemels kerken wend',Van derwaarts[393]Jezus 't mann' laat regenen bij vlagen,Veel zoeter als de broôn, die op de tafel lagenVoor 't priesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereidIs spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.O, bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!Keert vrij uw aangezicht van 't vlammig borstgesteente,Daar uwen Fenix[394]meê ging brallen eens om 't jaar,Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderdZoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schatEn 't goud, dat Israël zijn kerk geheiligd had.Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig[395]eiland[396],Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Heiland,Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralenOmzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens neder dalenDie zoete Cherubijns en Serafijnen, om't Schoon aanschijn door te zien van 's Hemels Bruidegom!Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,En rusten in het graf: leent niet meer Mozes' mondMaar Kristus' lippen 't oor: omhelst het nieuw Verbond!Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringerAls 't leven, daar 't op heeft gewezen met de vinger.Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,En nu besloten met der Joden ondergang,U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,Die wrake neemt van 't kwaad, en alle booze stukken;En, tot waarschouwing van een iegelijk persoon,Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,Die overgeven[397]vaak haar ouderen bedroeven,Ja, een geheele stad, brandstichters, en verraârs,Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,En wegen op de straf, naar elks begangen[398]feit:De plaatse van 't gerecht geeft een afgrijslijkheid[399]Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,En kruisen zien van verr', die haar het hert doen walgenVan d' eiselijke stank, en 't aanzicht al verschriktAfwenden van 't geboeft', dat, d' oogen uitgepiktEn halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,En d' arenden, die in haar ingewand begraven[400]'t Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwert gebraân;Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan[401].De Joôn van misdaad, in haar knagende geweten,Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profetenVerpletterden met steen, en bliksemden haar 't hoofd.Maar och! hoe was dat volk van 't Hemels licht beroofd,Als zij ophoopten[402]nog de afgrijselijke zonden,En 't onbesmette Lam zoo bits naar 't leven stonden:Hoe was al 't helsche spook[403]ontketend op die dag,Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:Die naakt ten toon gesteld eens ieders gaapspel was:Doen 't al: "kruist, kruist hem!" riep, "en lost ons Barrabas!Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:Doen hij in 't richthuis droeg het purper tot zijn hoon:Geschepterd met een riet, gemyterd met een kroonVan scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersenGing vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,Dat een slagregen van roô druppelen al meerDroop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neêr:Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,'t Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen:O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten[404]uit.Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagdenDen heiligen Profeet, die, door de gansche stad,Veel kranken oon artsnij van 't bed geholpen had.Indien nog 't loos gebroed zijn straf had willen keeren,Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,Die zich omwendde, en riep: "helaas, bedrukte rei!Wat weendy overmij, maakt eer een veldgeschrei,Enuwenval beklaagt; want ziet, ik zie genakenDe fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:Dan zal men roepen: "o, gelukkig is die geen,Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,Diens buiken nimmer zijn geslonken na hetbaren!""Zoo sprekende, genaakt' hij 't Heidensche gericht,'t Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.Hier most hij, naakt aan 't hout gehecht, te schendig lijden[405]Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:Met galle en eek gelaafd; hier zag hij 't handenwringenZijns moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen:Hier schreid' hij: "God, waarom verlaat gij uw zoon!"Dat zijnen moordschreeuw klonk in 's Hemels hoogsten troon;Wij zagen hem terstond den lesten doodsnak geven,En droegen fluks zijn ziel in 't vrolijk eeuwig leven,In 't lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neêr,En zag 't verlaten vleesch doorsteken met een speer,De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijtenDes tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren stafVerworpen[406], als de doôn opkeken uit het graf.O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden brekenUw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wrekenVan 't goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,Wanneer 't zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:Dus spiegelt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten[407],Veel minder ongekwetst die[408]van zijn bliksems blijft,Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halenVoor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:Omdat gij zijt besneên, noch steunt niet op de Wet,Maar door 't geloove uw hope op Jezus Kristus zet.In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,Als in een tafereel, ook aller dingen endeWordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig.Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;Wat mag het baten, als de jongste dag der dagenKomt steuren 's werelds feest met alderhande plagen?Als God zich rust ten strijd, en dat men 't KristendomAls in slagoorde vind tweespaltig[409]staan alom,Rijk tegen rijk gekant, en dat d' hoofdstoffen stuitenNature in haren loop, en gaan haar ampt te buiten?Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,Het kerkhof mest, en 't land alsins met dooden dekt?Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen[410],Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmenDe menschen doet en 't vee? wanneer het aardrijk beeft,En uit den afgrond looit[411], en een gehuil opgeeft,En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsenDe steen, die hangende aan 't gebergte elk wilden trotsen?Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,Den Æther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,En met bazuingeklank verwekken uit het graf,En dagen voor 't gericht de dooden lang ontslapen,En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,En braken lijven uit, die schuurden haren grond,En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.Het aardrijk zal zijn doôn, de zee haar lijken geven,En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.De Cæsars zullen uit haar tomben hemelwaart,Een grooter Cæsar zien, en vluchten, al vervaardVoor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:"Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!"'t Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:"Dit 's hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan 't kruis!Waar bergen wij ons ziel?" het dun getal der vromen,Dat Kristus door 't geloov' heeft vrolijk[412]aangenomen,En 's werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,Maar ramp en tegenspoed: ja, wierd vaak vander eerdenVerdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden:Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraanGeplaatst, zijn lichten[413]blijde op zijnen Heiland slaan,En vliegen hemelwaart naar boven, als 't zal hoorenDie vreugderijke stem: "Komt hier, mijn uitverkoren!"En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,Maar in de wolken bralt, met genoten majesteitAls Ezaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:Bralt, zegge ik, op een troon, die van de SerafijnenGedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hemDe goddelooze vliên dees donderende stem:"Vervloekte, gaat van mij!" 't berouw komt hier te spade:Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:Ziet, hoe al 't helsche spook, met zeldzaam gekrioel,Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.Ziet, hoe Beëlsebub zijn kerkers en zijn holenMet zwavel propt, en met onlesschelijke[414]kolen,En pijnt de naakten met een endelooze dood:Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schootGewenschte rust geniet, en in den Paradijze't Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.Gij, bondgenooten Gods! gaat in, door de enge poort,Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt noodenTot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raadGehoorzaam zijn, na dat 't getal vervuld zal wezenDer Heidenen, die God en 's werelds Heiland vreezen.SIMEON.Lof zij Jehova, die ons wormkens vrundlijk is,En toont den rijken schat van zijn geheimenis:Die zijnen Engel zendt uit 's Hemels hooge kerken,Om ons t' ontsluiten wat wij hebben aan te merkenIn Jacobs droeven val, en jammerlijke ellend.Mijn Kristenen! dit in uws herten tafel prent!Aanmerkt Gods strengheid aan[415]de geen die hem verachten,Zijn groote goedigheid aan al die op hem wachten.DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
terentius, simeon, rei van kristenen, gabriel.
terentius, simeon, rei van kristenen, gabriel.
TERENTIUS.
TERENTIUS.
Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?
Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?
SIMEON.
SIMEON.
Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome[383]lieden,Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt,Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt,Der zielen Heiland, dien de goddelooze JodenZoo schelmsch betichtten, en zoo schandelijken doodden:Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,Te streng van haar vervolgd, en tot in 't graf gehaat,Voor 't jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten:Maar door het spoken van de Auzonische[384]soldaten,Die 't al afliepen, als vast d' een aan d' ander stad,Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had,En 't eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppenDer hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen,Van Ptolemaïde, Jotapa, Taricheên,Afaca, Garizim, 't plat land der Idumeên,En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,Die Davids zoon voorzeî, die vele komen zagen,En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad,Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad,Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholenTe Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolenEn assche, komen wij, een ongewapend volk,'t Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk,Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden,Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:Vermits wij hoorden, 't heer op zijn vertrekken stond.Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!
Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome[383]lieden,
Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt,
Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt,
Der zielen Heiland, dien de goddelooze Joden
Zoo schelmsch betichtten, en zoo schandelijken doodden:
Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,
Te streng van haar vervolgd, en tot in 't graf gehaat,
Voor 't jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten:
Maar door het spoken van de Auzonische[384]soldaten,
Die 't al afliepen, als vast d' een aan d' ander stad,
Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had,
En 't eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppen
Der hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen,
Van Ptolemaïde, Jotapa, Taricheên,
Afaca, Garizim, 't plat land der Idumeên,
En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,
Die Davids zoon voorzeî, die vele komen zagen,
En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad,
Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad,
Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholen
Te Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolen
En assche, komen wij, een ongewapend volk,
't Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk,
Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden,
Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:
Vermits wij hoorden, 't heer op zijn vertrekken stond.
Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!
TERENTIUS.
TERENTIUS.
Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen,Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,En zoo de nood u drukt, keert van 't gebergte weêr,En slaat u metter woon hier veiliglijken neêr,Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,En uwen Kristus dient; wij zullen u beschutten,En al, die 't Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,Ons zullen wilkom zijn, 't land zal haar open staan.
Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen,
Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,
En zoo de nood u drukt, keert van 't gebergte weêr,
En slaat u metter woon hier veiliglijken neêr,
Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,
En uwen Kristus dient; wij zullen u beschutten,
En al, die 't Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,
Ons zullen wilkom zijn, 't land zal haar open staan.
REI VAN KRISTENEN.
REI VAN KRISTENEN.
Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingenVergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth,Die hier voorbij gaat, moet met een meêdoogend hartNiet aanzien dat geweld[385]vernield met staal en vuurwerk,En geven een gehuil op 't omgestorte muurwerk,Op 't puin en de assche, die d' uitheemschen houdt bedeesd,En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.O God! wat ziedy niet al aan met alziende oogen!Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!
Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!
Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingen
Vergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth,
Die hier voorbij gaat, moet met een meêdoogend hart
Niet aanzien dat geweld[385]vernield met staal en vuurwerk,
En geven een gehuil op 't omgestorte muurwerk,
Op 't puin en de assche, die d' uitheemschen houdt bedeesd,
En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.
O God! wat ziedy niet al aan met alziende oogen!
Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!
GABRIEL.
GABRIEL.
Gij Kristen pelgrims, die hier dut[386], en[387]vreest geen leedVan d' Engel Gabriël, die 's Hemels vloer betreedt,Die d' heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;Ik zal 't ontvouwen, en voor u ontslui'ren al't Geen aan te merken staat in Isrels droeven val;Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, geplonderdDen priesterlijken stoel korts vol van majesteit,Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheidDes grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammenEn honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,Die, alle volk te spijt en d' Engelen te trots,Uitblonken in 't gebergt gelijk een glorie Gods:Want daar is in vervuld 't geen voormaals u, in Perzen,Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondig' hersen,Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,Uitroeyen zou de stad, het volk, en d' heilge kerk,En schorsen, 't offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,Daar, boven d' arke, 't goud des Cherubs plag te lichten:Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect[388],Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,En van d' Olijfberg zag het heer de stad verrassen,Den tempel branden, en 't verwoede Rome plassenEn, met d' hoefijzers van haar hengsten, staan in 't bloed.Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in 't gemoedZich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,De groote Siloa: vermits men ziet ontruktDen Joden haren staf, en haren staat verdrukt,Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegevenIs tot een teeken, van d' oudvader, zat van leven,Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld[389],Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuldVan zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,En 't volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoonOmleeg afbreken liet den wereldlijken troon,Een ongeachte praal, indien ze wierd gelekenBij 's Hemels glorie, daar hij zit, om uit te stekenVerr' boven al de pracht der koningen, die ooitHier lagen overhoop, en vochten haar berooid[390].Wat Kristen is er, die nu voên zal zijn gedachtenMet zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in 't slijk:Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,Dat zijnen glans vergeet, en haast[391]zijn luister derft?Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote stedenUw lot, schoon of al 't Oost voor u op 't aanzicht viel:'t Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralenOp haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:Wat mocht het baten, als een lang gevreesde doodOp 't onverzienst' voor u deze aardsche glorie sloot!Laat dan de dwazen gaan brageeren[392]en hoog roemenIn dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:Vliegt gij uit d' ijdelheid naar boven van beneên:Klimt op, daar Jezus wordt van d' Englen aangebeên:Daar 't heerschaar nimmer moê, met juichen en met springen,Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,Zijn enkel duisternis, ten opzien van den genen,Die 't endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:Daar 't nieuw Jeruzalem heeft gants een ander schijn:Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:Daar 's Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamantenVerliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,En duizend jaren zijn als onzer dagen een.Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,'t Wyrooken, 't slachten, en 't opofferen der beesten,De reinigingen, en wat dienst daar meer aan kleeft,Is donkerheid, bij 'tgeen dat schoonder luister heeft?Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?Of kiezen Mozes' glans voor Kristus' gulde klaarheid,Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?Wie Levi aanzien voor den tweeden Aäron,Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebedenAls ooit hoogpriester, die hier wyrookte benedenIn 't heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,Elk raadt, dat hij 't gemoed naar 's Hemels kerken wend',Van derwaarts[393]Jezus 't mann' laat regenen bij vlagen,Veel zoeter als de broôn, die op de tafel lagenVoor 't priesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereidIs spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.O, bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!Keert vrij uw aangezicht van 't vlammig borstgesteente,Daar uwen Fenix[394]meê ging brallen eens om 't jaar,Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderdZoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schatEn 't goud, dat Israël zijn kerk geheiligd had.Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig[395]eiland[396],Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Heiland,Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralenOmzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens neder dalenDie zoete Cherubijns en Serafijnen, om't Schoon aanschijn door te zien van 's Hemels Bruidegom!Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,En rusten in het graf: leent niet meer Mozes' mondMaar Kristus' lippen 't oor: omhelst het nieuw Verbond!Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringerAls 't leven, daar 't op heeft gewezen met de vinger.Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,En nu besloten met der Joden ondergang,U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,Die wrake neemt van 't kwaad, en alle booze stukken;En, tot waarschouwing van een iegelijk persoon,Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,Die overgeven[397]vaak haar ouderen bedroeven,Ja, een geheele stad, brandstichters, en verraârs,Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,En wegen op de straf, naar elks begangen[398]feit:De plaatse van 't gerecht geeft een afgrijslijkheid[399]Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,En kruisen zien van verr', die haar het hert doen walgenVan d' eiselijke stank, en 't aanzicht al verschriktAfwenden van 't geboeft', dat, d' oogen uitgepiktEn halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,En d' arenden, die in haar ingewand begraven[400]'t Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwert gebraân;Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan[401].De Joôn van misdaad, in haar knagende geweten,Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profetenVerpletterden met steen, en bliksemden haar 't hoofd.Maar och! hoe was dat volk van 't Hemels licht beroofd,Als zij ophoopten[402]nog de afgrijselijke zonden,En 't onbesmette Lam zoo bits naar 't leven stonden:Hoe was al 't helsche spook[403]ontketend op die dag,Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:Die naakt ten toon gesteld eens ieders gaapspel was:Doen 't al: "kruist, kruist hem!" riep, "en lost ons Barrabas!Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:Doen hij in 't richthuis droeg het purper tot zijn hoon:Geschepterd met een riet, gemyterd met een kroonVan scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersenGing vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,Dat een slagregen van roô druppelen al meerDroop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neêr:Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,'t Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen:O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten[404]uit.Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagdenDen heiligen Profeet, die, door de gansche stad,Veel kranken oon artsnij van 't bed geholpen had.Indien nog 't loos gebroed zijn straf had willen keeren,Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,Die zich omwendde, en riep: "helaas, bedrukte rei!Wat weendy overmij, maakt eer een veldgeschrei,Enuwenval beklaagt; want ziet, ik zie genakenDe fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:Dan zal men roepen: "o, gelukkig is die geen,Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,Diens buiken nimmer zijn geslonken na hetbaren!""Zoo sprekende, genaakt' hij 't Heidensche gericht,'t Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.Hier most hij, naakt aan 't hout gehecht, te schendig lijden[405]Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:Met galle en eek gelaafd; hier zag hij 't handenwringenZijns moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen:Hier schreid' hij: "God, waarom verlaat gij uw zoon!"Dat zijnen moordschreeuw klonk in 's Hemels hoogsten troon;Wij zagen hem terstond den lesten doodsnak geven,En droegen fluks zijn ziel in 't vrolijk eeuwig leven,In 't lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neêr,En zag 't verlaten vleesch doorsteken met een speer,De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijtenDes tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren stafVerworpen[406], als de doôn opkeken uit het graf.O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden brekenUw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wrekenVan 't goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,Wanneer 't zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:Dus spiegelt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten[407],Veel minder ongekwetst die[408]van zijn bliksems blijft,Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halenVoor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:Omdat gij zijt besneên, noch steunt niet op de Wet,Maar door 't geloove uw hope op Jezus Kristus zet.In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,Als in een tafereel, ook aller dingen endeWordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig.Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;Wat mag het baten, als de jongste dag der dagenKomt steuren 's werelds feest met alderhande plagen?Als God zich rust ten strijd, en dat men 't KristendomAls in slagoorde vind tweespaltig[409]staan alom,Rijk tegen rijk gekant, en dat d' hoofdstoffen stuitenNature in haren loop, en gaan haar ampt te buiten?Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,Het kerkhof mest, en 't land alsins met dooden dekt?Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen[410],Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmenDe menschen doet en 't vee? wanneer het aardrijk beeft,En uit den afgrond looit[411], en een gehuil opgeeft,En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsenDe steen, die hangende aan 't gebergte elk wilden trotsen?Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,Den Æther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,En met bazuingeklank verwekken uit het graf,En dagen voor 't gericht de dooden lang ontslapen,En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,En braken lijven uit, die schuurden haren grond,En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.Het aardrijk zal zijn doôn, de zee haar lijken geven,En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.De Cæsars zullen uit haar tomben hemelwaart,Een grooter Cæsar zien, en vluchten, al vervaardVoor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:"Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!"'t Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:"Dit 's hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan 't kruis!Waar bergen wij ons ziel?" het dun getal der vromen,Dat Kristus door 't geloov' heeft vrolijk[412]aangenomen,En 's werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,Maar ramp en tegenspoed: ja, wierd vaak vander eerdenVerdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden:Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraanGeplaatst, zijn lichten[413]blijde op zijnen Heiland slaan,En vliegen hemelwaart naar boven, als 't zal hoorenDie vreugderijke stem: "Komt hier, mijn uitverkoren!"En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,Maar in de wolken bralt, met genoten majesteitAls Ezaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:Bralt, zegge ik, op een troon, die van de SerafijnenGedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hemDe goddelooze vliên dees donderende stem:"Vervloekte, gaat van mij!" 't berouw komt hier te spade:Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:Ziet, hoe al 't helsche spook, met zeldzaam gekrioel,Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.Ziet, hoe Beëlsebub zijn kerkers en zijn holenMet zwavel propt, en met onlesschelijke[414]kolen,En pijnt de naakten met een endelooze dood:Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schootGewenschte rust geniet, en in den Paradijze't Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.Gij, bondgenooten Gods! gaat in, door de enge poort,Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt noodenTot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raadGehoorzaam zijn, na dat 't getal vervuld zal wezenDer Heidenen, die God en 's werelds Heiland vreezen.
Gij Kristen pelgrims, die hier dut[386], en[387]vreest geen leed
Van d' Engel Gabriël, die 's Hemels vloer betreedt,
Die d' heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,
Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;
Ik zal 't ontvouwen, en voor u ontslui'ren al
't Geen aan te merken staat in Isrels droeven val;
Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,
Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, geplonderd
Den priesterlijken stoel korts vol van majesteit,
Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheid
Des grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammen
En honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,
Die, alle volk te spijt en d' Engelen te trots,
Uitblonken in 't gebergt gelijk een glorie Gods:
Want daar is in vervuld 't geen voormaals u, in Perzen,
Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondig' hersen,
Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,
Uitroeyen zou de stad, het volk, en d' heilge kerk,
En schorsen, 't offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,
Daar, boven d' arke, 't goud des Cherubs plag te lichten:
Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect[388],
Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,
En van d' Olijfberg zag het heer de stad verrassen,
Den tempel branden, en 't verwoede Rome plassen
En, met d' hoefijzers van haar hengsten, staan in 't bloed.
Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in 't gemoed
Zich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,
Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,
De groote Siloa: vermits men ziet ontrukt
Den Joden haren staf, en haren staat verdrukt,
Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegeven
Is tot een teeken, van d' oudvader, zat van leven,
Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld[389],
Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuld
Van zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,
En 't volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,
Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoon
Omleeg afbreken liet den wereldlijken troon,
Een ongeachte praal, indien ze wierd geleken
Bij 's Hemels glorie, daar hij zit, om uit te steken
Verr' boven al de pracht der koningen, die ooit
Hier lagen overhoop, en vochten haar berooid[390].
Wat Kristen is er, die nu voên zal zijn gedachten
Met zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,
Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in 't slijk:
Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:
Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:
Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,
Dat zijnen glans vergeet, en haast[391]zijn luister derft?
Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,
Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,
Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote steden
Uw lot, schoon of al 't Oost voor u op 't aanzicht viel:
't Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:
Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralen
Op haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:
Wat mocht het baten, als een lang gevreesde dood
Op 't onverzienst' voor u deze aardsche glorie sloot!
Laat dan de dwazen gaan brageeren[392]en hoog roemen
In dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:
Vliegt gij uit d' ijdelheid naar boven van beneên:
Klimt op, daar Jezus wordt van d' Englen aangebeên:
Daar 't heerschaar nimmer moê, met juichen en met springen,
Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:
Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:
Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,
Zijn enkel duisternis, ten opzien van den genen,
Die 't endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:
Daar 't nieuw Jeruzalem heeft gants een ander schijn:
Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:
Daar 's Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,
Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamanten
Verliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,
En duizend jaren zijn als onzer dagen een.
Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,
't Wyrooken, 't slachten, en 't opofferen der beesten,
De reinigingen, en wat dienst daar meer aan kleeft,
Is donkerheid, bij 'tgeen dat schoonder luister heeft?
Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?
Of kiezen Mozes' glans voor Kristus' gulde klaarheid,
Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?
Wie Levi aanzien voor den tweeden Aäron,
Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebeden
Als ooit hoogpriester, die hier wyrookte beneden
In 't heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,
Elk raadt, dat hij 't gemoed naar 's Hemels kerken wend',
Van derwaarts[393]Jezus 't mann' laat regenen bij vlagen,
Veel zoeter als de broôn, die op de tafel lagen
Voor 't priesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereid
Is spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.
O, bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!
Keert vrij uw aangezicht van 't vlammig borstgesteente,
Daar uwen Fenix[394]meê ging brallen eens om 't jaar,
Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:
Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,
Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderd
Zoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schat
En 't goud, dat Israël zijn kerk geheiligd had.
Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig[395]eiland[396],
Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Heiland,
Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,
Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.
Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralen
Omzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens neder dalen
Die zoete Cherubijns en Serafijnen, om
't Schoon aanschijn door te zien van 's Hemels Bruidegom!
Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:
Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,
En rusten in het graf: leent niet meer Mozes' mond
Maar Kristus' lippen 't oor: omhelst het nieuw Verbond!
Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringer
Als 't leven, daar 't op heeft gewezen met de vinger.
Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,
En nu besloten met der Joden ondergang,
U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,
Die wrake neemt van 't kwaad, en alle booze stukken;
En, tot waarschouwing van een iegelijk persoon,
Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:
Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,
Die overgeven[397]vaak haar ouderen bedroeven,
Ja, een geheele stad, brandstichters, en verraârs,
Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,
Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,
Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,
En wegen op de straf, naar elks begangen[398]feit:
De plaatse van 't gerecht geeft een afgrijslijkheid[399]
Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,
En kruisen zien van verr', die haar het hert doen walgen
Van d' eiselijke stank, en 't aanzicht al verschrikt
Afwenden van 't geboeft', dat, d' oogen uitgepikt
En halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,
En d' arenden, die in haar ingewand begraven[400]
't Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwert gebraân;
Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan[401].
De Joôn van misdaad, in haar knagende geweten,
Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profeten
Verpletterden met steen, en bliksemden haar 't hoofd.
Maar och! hoe was dat volk van 't Hemels licht beroofd,
Als zij ophoopten[402]nog de afgrijselijke zonden,
En 't onbesmette Lam zoo bits naar 't leven stonden:
Hoe was al 't helsche spook[403]ontketend op die dag,
Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:
Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,
Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:
Die naakt ten toon gesteld eens ieders gaapspel was:
Doen 't al: "kruist, kruist hem!" riep, "en lost ons Barrabas!
Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,
Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:
Doen hij in 't richthuis droeg het purper tot zijn hoon:
Geschepterd met een riet, gemyterd met een kroon
Van scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersen
Ging vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,
Dat een slagregen van roô druppelen al meer
Droop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neêr:
Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,
't Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen:
O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,
Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten[404]uit.
Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,
Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagden
Den heiligen Profeet, die, door de gansche stad,
Veel kranken oon artsnij van 't bed geholpen had.
Indien nog 't loos gebroed zijn straf had willen keeren,
Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,
Die zich omwendde, en riep: "helaas, bedrukte rei!
Wat weendy overmij, maakt eer een veldgeschrei,
Enuwenval beklaagt; want ziet, ik zie genaken
De fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:
Dan zal men roepen: "o, gelukkig is die geen,
Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:
O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,
Diens buiken nimmer zijn geslonken na hetbaren!""
Zoo sprekende, genaakt' hij 't Heidensche gericht,
't Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.
Hier most hij, naakt aan 't hout gehecht, te schendig lijden[405]
Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:
Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:
Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:
Met galle en eek gelaafd; hier zag hij 't handenwringen
Zijns moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen:
Hier schreid' hij: "God, waarom verlaat gij uw zoon!"
Dat zijnen moordschreeuw klonk in 's Hemels hoogsten troon;
Wij zagen hem terstond den lesten doodsnak geven,
En droegen fluks zijn ziel in 't vrolijk eeuwig leven,
In 't lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neêr,
En zag 't verlaten vleesch doorsteken met een speer,
De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijten
Des tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;
Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren staf
Verworpen[406], als de doôn opkeken uit het graf.
O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden breken
Uw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wreken
Van 't goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,
Wanneer 't zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:
Dus spiegelt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!
Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten[407],
Veel minder ongekwetst die[408]van zijn bliksems blijft,
Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:
Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halen
Voor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:
Omdat gij zijt besneên, noch steunt niet op de Wet,
Maar door 't geloove uw hope op Jezus Kristus zet.
In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,
Als in een tafereel, ook aller dingen ende
Wordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,
Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,
Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,
Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig.
Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:
Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,
En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.
Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,
Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,
Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;
Wat mag het baten, als de jongste dag der dagen
Komt steuren 's werelds feest met alderhande plagen?
Als God zich rust ten strijd, en dat men 't Kristendom
Als in slagoorde vind tweespaltig[409]staan alom,
Rijk tegen rijk gekant, en dat d' hoofdstoffen stuiten
Nature in haren loop, en gaan haar ampt te buiten?
Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,
Het kerkhof mest, en 't land alsins met dooden dekt?
Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen[410],
Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmen
De menschen doet en 't vee? wanneer het aardrijk beeft,
En uit den afgrond looit[411], en een gehuil opgeeft,
En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsen
De steen, die hangende aan 't gebergte elk wilden trotsen?
Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,
Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,
De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,
Den Æther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?
Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,
En met bazuingeklank verwekken uit het graf,
En dagen voor 't gericht de dooden lang ontslapen,
En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,
En braken lijven uit, die schuurden haren grond,
En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.
Het aardrijk zal zijn doôn, de zee haar lijken geven,
En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.
De Cæsars zullen uit haar tomben hemelwaart,
Een grooter Cæsar zien, en vluchten, al vervaard
Voor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:
"Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!
Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!
Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!"
't Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:
"Dit 's hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;
Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,
En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan 't kruis!
Waar bergen wij ons ziel?" het dun getal der vromen,
Dat Kristus door 't geloov' heeft vrolijk[412]aangenomen,
En 's werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,
Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,
Maar ramp en tegenspoed: ja, wierd vaak vander eerden
Verdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden:
Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraan
Geplaatst, zijn lichten[413]blijde op zijnen Heiland slaan,
En vliegen hemelwaart naar boven, als 't zal hooren
Die vreugderijke stem: "Komt hier, mijn uitverkoren!"
En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,
Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:
Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,
Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,
Maar in de wolken bralt, met genoten majesteit
Als Ezaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:
Bralt, zegge ik, op een troon, die van de Serafijnen
Gedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,
En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hem
De goddelooze vliên dees donderende stem:
"Vervloekte, gaat van mij!" 't berouw komt hier te spade:
Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:
Ziet, hoe al 't helsche spook, met zeldzaam gekrioel,
Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.
Ziet, hoe Beëlsebub zijn kerkers en zijn holen
Met zwavel propt, en met onlesschelijke[414]kolen,
En pijnt de naakten met een endelooze dood:
Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schoot
Gewenschte rust geniet, en in den Paradijze
't Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.
Gij, bondgenooten Gods! gaat in, door de enge poort,
Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,
En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt nooden
Tot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:
Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,
Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raad
Gehoorzaam zijn, na dat 't getal vervuld zal wezen
Der Heidenen, die God en 's werelds Heiland vreezen.
SIMEON.
SIMEON.
Lof zij Jehova, die ons wormkens vrundlijk is,En toont den rijken schat van zijn geheimenis:Die zijnen Engel zendt uit 's Hemels hooge kerken,Om ons t' ontsluiten wat wij hebben aan te merkenIn Jacobs droeven val, en jammerlijke ellend.Mijn Kristenen! dit in uws herten tafel prent!Aanmerkt Gods strengheid aan[415]de geen die hem verachten,Zijn groote goedigheid aan al die op hem wachten.
Lof zij Jehova, die ons wormkens vrundlijk is,
En toont den rijken schat van zijn geheimenis:
Die zijnen Engel zendt uit 's Hemels hooge kerken,
Om ons t' ontsluiten wat wij hebben aan te merken
In Jacobs droeven val, en jammerlijke ellend.
Mijn Kristenen! dit in uws herten tafel prent!
Aanmerkt Gods strengheid aan[415]de geen die hem verachten,
Zijn groote goedigheid aan al die op hem wachten.
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
[1]Hoewel dit Treurspel, blijkens de dagteekening der opdracht, vóór deHelden Godeshet licht zag, laten wij het hier eerst op dit en denHymnusvolgen, daar het al het voorgaande in dichtwaarde verre overtreft; waarom dit dan ook door Vondel, een twintig jaar later, als "ontijdig voortgebrocht" en "den dag onwaardig" veroordeeld werd.
[1]Hoewel dit Treurspel, blijkens de dagteekening der opdracht, vóór deHelden Godeshet licht zag, laten wij het hier eerst op dit en denHymnusvolgen, daar het al het voorgaande in dichtwaarde verre overtreft; waarom dit dan ook door Vondel, een twintig jaar later, als "ontijdig voortgebrocht" en "den dag onwaardig" veroordeeld werd.
[2]Willem, Vondels twaalf jaren jongere broeder.
[2]Willem, Vondels twaalf jaren jongere broeder.
[3]Eig.ehrenfest, een uit het titelrijke Duitschland herkomstige, thans geheel verouderde titel.
[3]Eig.ehrenfest, een uit het titelrijke Duitschland herkomstige, thans geheel verouderde titel.
[4]Leycesters welbekende tegenstander, en vader van den dichter en geschiedschrijver.
[4]Leycesters welbekende tegenstander, en vader van den dichter en geschiedschrijver.
[5]in 's werelds ommekring.
[5]in 's werelds ommekring.
[6]bejegenen.
[6]bejegenen.
[7]geleidelijk.
[7]geleidelijk.
[8]weinige jaren geleden.
[8]weinige jaren geleden.
[9]voorhuis, voorhof.
[9]voorhuis, voorhof.
[10]Een der Grieksche wraakgodinnen.
[10]Een der Grieksche wraakgodinnen.
[11]slangenhaar.
[11]slangenhaar.
[12]brandhout.
[12]brandhout.
[13]naakt, berooid.
[13]naakt, berooid.
[14]Voorgij die; verg. vroeger en later herhaaldelijk.
[14]Voorgij die; verg. vroeger en later herhaaldelijk.
[15]Latinisme voordoor de Grieken overgelaten.
[15]Latinisme voordoor de Grieken overgelaten.
[16]D. i. de Trojanen.
[16]D. i. de Trojanen.
[17]Voorgodsvrucht, vreeze Gods.
[17]Voorgodsvrucht, vreeze Gods.
[18]Thansgunnen.
[18]Thansgunnen.
[19]Thanszon.
[19]Thanszon.
[20]toeven.
[20]toeven.
[21]Min gelukkig voorbegroetof derg.
[21]Min gelukkig voorbegroetof derg.
[22]hol.
[22]hol.
[23]Voorkeer, trek.
[23]Voorkeer, trek.
[24]vaak, dikwerf(met den thans versleten verbuigingsuitgang).
[24]vaak, dikwerf(met den thans versleten verbuigingsuitgang).
[25]Thanshooge.
[25]Thanshooge.
[26]Naar de Oud-Testamentische voorstelling der regeeringshoofden alsgoden.
[26]Naar de Oud-Testamentische voorstelling der regeeringshoofden alsgoden.
[27]Lat. voorerk. voor alle ontv. weld.
[27]Lat. voorerk. voor alle ontv. weld.
[28]ThansJoodsche.
[28]ThansJoodsche.
[29]Pieter Cornelisz.
[29]Pieter Cornelisz.
[30]Verkeerdelijk voorden lande nuttige.
[30]Verkeerdelijk voorden lande nuttige.
[31]Verkeerdelijk voorvaderlandsche.
[31]Verkeerdelijk voorvaderlandsche.
[32]kortaf, ronduit.
[32]kortaf, ronduit.
[33]aan te raken.
[33]aan te raken.
[34]Naar de Hollandsche wanspraak, voormen.
[34]Naar de Hollandsche wanspraak, voormen.
[35]Voorbouwen.
[35]Voorbouwen.
[36]Germ. voorverwijt.
[36]Germ. voorverwijt.
[37]Thans veelaltabèl.
[37]Thans veelaltabèl.
[38]Virgilius (Aen.II.)
[38]Virgilius (Aen.II.)
[39]Hier vooronaanzienlijk.
[39]Hier vooronaanzienlijk.
[40]Voordrumpel, gelijk dit voordrempel.
[40]Voordrumpel, gelijk dit voordrempel.
[41]De bekende Joodsche geschiedschrijver Flavius Josephus.
[41]De bekende Joodsche geschiedschrijver Flavius Josephus.
[42]schouwspel; verg. vroeger.
[42]schouwspel; verg. vroeger.
[43]Verstahun.
[43]Verstahun.
[44]Germ. voorgeslepen, schrander; verg. hetzelfde woord herhaaldelijk bij Starter.
[44]Germ. voorgeslepen, schrander; verg. hetzelfde woord herhaaldelijk bij Starter.
[45]Vooromgezworven.
[45]Vooromgezworven.
[46]op de vlucht(gelijk wij thans nogvoortvluchtigbezigen).
[46]op de vlucht(gelijk wij thans nogvoortvluchtigbezigen).
[47]Voorbegaan; verg. vroeger.
[47]Voorbegaan; verg. vroeger.
[48]schuins.
[48]schuins.
[49]dwars, scheef.
[49]dwars, scheef.
[50]Voorevenzoo.
[50]Voorevenzoo.
[51]Versta:Romeinsche.
[51]Versta:Romeinsche.
[52]onlangs.
[52]onlangs.
[53]De zoogenaamdeSeneca.
[53]De zoogenaamdeSeneca.
[54]Hecuba.
[54]Hecuba.
[55]In goeden, thans verouderden, zin voorverhevener.
[55]In goeden, thans verouderden, zin voorverhevener.
[56]VoorTrojanen.
[56]VoorTrojanen.
[57]Versta:tempel.
[57]Versta:tempel.
[58]Voorgebouw.
[58]Voorgebouw.
[59]De rivier van Troje.
[59]De rivier van Troje.
[60]Gelijk reeds vroeger, voorvoornaamste.
[60]Gelijk reeds vroeger, voorvoornaamste.
[61]Latinisme voorbezongen.
[61]Latinisme voorbezongen.
[62]Voorondermaansch werk.
[62]Voorondermaansch werk.
[63]verdichte.
[63]verdichte.